Bijlage 2A Toelichting - bijlage 04 Elst 12 Geffen
Tekst van het document
BESTEMMINGSPLAN Buitengebied Oss - 2020 Bijlagen bij toelichting
Bijlage 4 - ruimtelijke onderbouwing Elst 12, Geffen
Gemeente Oss | Raadhuislaan 2 | 5341 GM | Oss | T: 14 0412 | F: 0412 642605 | www.oss.nl |
Ruimtelijke onderbouwing Elst 12, Geffen, pag. 1 van 47 25-05-2018
Ruimtelijke onderbouwing Elst 12, Geffen
Gemeente Oss, 15-05-2018
Ruimtelijke onderbouwing Elst 12, Geffen, pag. 2 van 47 25-05-2018
Ruimtelijke onderbouwing Elst 12, Geffen, pag. 3 van 47 25-05-2018
INHOUDSOPGAVE Ruimtelijke onderbouwing Hoofdstuk 1
Inleiding ............................................................................................................. 5
1.1
Aanleiding ..................................................................................................................... 5
1.2
Begrenzing plangebied ..................................................................................................... 5
1.3
Vigerend bestemmingsplan ............................................................................................... 5
Hoofdstuk 2
Bestaande situatie en programma ............................................................................ 6
2.1
Ontstaansgeschiedenis .................................................................................................... 6
2.2
Bestaande situatie ........................................................................................................... 6
2.3
Beoogde situatie ............................................................................................................. 7
2.4
Stedenbouwkundige karakteristiek...................................................................................... 8
2.5
Functionele karakteristiek ................................................................................................. 8
2.6
Groen en water ............................................................................................................... 8
2.7
Beeldkwaliteit ................................................................................................................. 8
Hoofdstuk 3
Beleidskader ....................................................................................................... 9
3.1
Wettelijk kader ................................................................................................................ 9
3.2
Rijksbeleid ................................................................................................................... 10
3.3
Provinciaal beleid .......................................................................................................... 13
3.4
Gemeentelijk beleid ....................................................................................................... 21
Hoofdstuk 4
Verantwoording ................................................................................................. 31
4.1
Milieu- en omgevingsaspecten ......................................................................................... 31
4.2
Waarden ...................................................................................................................... 38
Hoofdstuk 5
Haalbaarheid ..................................................................................................... 47
5.1
Economische uitvoerbaarheid .......................................................................................... 47
5.2
Inspraak ...................................................................................................................... 47
BIJLAGEN
Ruimtelijke onderbouwing Elst 12, Geffen, pag. 4 van 47 25-05-2018
Ruimtelijke onderbouwing Elst 12, Geffen
Ruimtelijke onderbouwing Elst 12, Geffen, pag. 5 van 47 25-05-2018
Hoofdstuk 1
Inleiding
1.1 Aanleiding Op de locatie was in het verleden een varkenshouderij gevestigd. Deze varkenshouderij is beëindigd waarbij de bestemming van het perceel is omgezet naar een woonbestemming. De voormalige varkensstallen zijn hierbij blijven staan. De initiatiefnemer en eigenaar van het perceel wenst een nuttige invulling te geven aan deze bestaande bebouwing. In de vigerende bestemming is het niet toegestaan om de bebouwing te benutten, in de vorm van een caravanstalling. De initiatiefnemer heeft hiertoe een verzoek bij de gemeente Oss ingediend. De gemeente heeft aangegeven positief te staan tegenover de het gebruik van de bebouwing als caravanstalling. Dit bij de woonbestemming. Voorliggende ruimtelijke onderbouwing is opgesteld om aan te tonen dat, het voorgestelde gebruik van de locatie Elst 12 te Geffen als caravanstalling passend bij de woonbestemming passend is in de omgeving. 1.2
Begrenzing plangebied
De locatie Elst 12 is gelegen ten westen van de kern Geffen in de gemeente Oss, ten zuiden van de weg Elst. Het betreft het kadastrale perceel ‘Geffen, sectie D, nummer 94’. Het perceel is aan de noord, oost en westzijde begrenst door niet-agrarische bedrijven. Ten zuiden liggen landbouwgronden.
Begrenzing plangebied
1.3
Vigerend bestemmingsplan
Het vigerende bestemmingsplan voor de locatie is het bestemmingsplan “Buitengebied Maasdonk 2012”. In dit bestemmingsplan heeft de locatie de bestemming ‘Wonen’ met de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie hoge verwachting’. Verder zijn aan de locatie de gebiedsaanduidingen ‘beerse overlaat’ en ‘reconstructiewetzone – verwervingsgebied’ toegekend.
Ruimtelijke onderbouwing Elst 12, Geffen, pag. 6 van 47 25-05-2018
Hoofdstuk 2 2.1
Bestaande situatie en programma
Ontstaansgeschiedenis
Het dorp Geffen is ontstaan op de overgang van de nattere lager gelegen rivierklei gronden en de hogere zandgronden. De hogere gronden beschermden het dorp tegen het water uit de Maas, welke soms ver buiten haar oevers trad. De Elst is een oude verbindingsweg (op de kaart van 1850 reeds zichtbaar) van de kern Elst naar de Polderdijk. De loop van de weg is in al de jaren ongewijzigd gebleven. Ook de verkaveling van het gebied is door de jaren heen grotendeel gelijk gebleven. 2.2 Bestaande situatie Op het perceel was in het verleden een agrarisch bedrijf (varkenshouderij) gevestigd. Het varkensbedrijf is in 1999 beëindigd. De locatie is bij de herziening van het bestemmingsplan omgezet naar een woonbestemming. De stallen zijn hierbij blijven staan. Deze stallen zijn gebouwd in 1981 en 1991. De woning is gebouwd in 1965. Verder is op de locatie een mantelzorgwoning aanwezig, waarin de ouders van de initiatiefnemers wonen. Aan drie zijden is het bedrijf omgeving door niet agrarische bedrijven. Ten zuiden van de projectlocatie bevinden zich landbouwgronden.
Foto’s omgeving
Ruimtelijke onderbouwing Elst 12, Geffen, pag. 7 van 47 25-05-2018
2.3 Beoogde situatie Ten behoeve van de ontwikkeling zal een deel van de bebouwing op het perceel geamoveerd worden en een klein deel heropgericht. Dit heroprichting van het gebouw is in het kader van de landschappelijke inpassing van het perceel verlangt. In de onderstaand figuur is aangeduid welk deel van de bebouwing komt te vervallen. In de resterende bebouwing komt de caravanstalling. De te behouden oppervlakte aan 2 bebouwing heeft een oppervlakte van 1.000 m . De oppervlakte van de netto te saneren bebouwing 2 bedraagt 427 m (zie ook bijlage 1).
Toekomstige situatie in het plangebied
Ruimtelijke onderbouwing Elst 12, Geffen, pag. 8 van 47 25-05-2018
De aanwezige mantelzorgwoning zal conform de huidige situatie aanwezig blijven. In totaal is in de 2 toekomstige situatie 1.150 m2 aan bebouwing aanwezig. Dit betreft 1.000 m aan bedrijfsbebouwing en 2 150 m een bijgebouwen voor privégebruik (inclusief de mantelzorgwoning). 2.4 Stedenbouwkundige karakteristiek Met de wijziging van de functie zal de oppervlakte aan bebouwing op het perceel afnemen. Door de afname van de bebouwing zal het bebouwingspercentage op het perceel beter aansluiten bij de het bebouwingspercentage van de percelen in de omgeving. De oriëntatie van de bedrijfsgebouwen op het perceel zal, net als op de omliggende percelen, haaks op de weg zijn. De ontwikkeling past hiermee in de stedenbouwkundige karakteristiek van de omgeving. 2.5 Functionele karakteristiek De locatie is gelegen in een gemengd gebied. In de omgeving komen verschillende (voormalige) agrarische bedrijven voor. Deze hebben door de jaren heen verschillenden nieuwe functies gekregen, in de vorm van bedrijvigheid en woonfuncties. Op onderhavig perceel zal bedrijvigheid komen, in de vorm van statische opslag/caravanstalling. Dit past in de omgeving, waar reeds een garagebedrijf, een caravanstalling met elektriciensbedrijf en een veehandelstransport bedrijf gevestigd zijn. 2.6 Groen en water Ten behoeve van het initiatief is een landschappelijk inpassingsplan opgesteld.
Met dit landschappelijk inpassingsplan wordt de locatie op een passende wijze ingepast. Hierbij is rekening gehouden met de kenmerken van het gebied en de gebiedsontwikkeling welke de gemeente voor ogen heeft. Er zullen in het plangebied geen nieuwe waterelementen komen. Deze zijn niet nodig, daar er niet gebouwd hoeft te worden. 2.7
Beeldkwaliteit
U hoeft niets te doen, de gemeente vult deze paragraaf in. .
Ruimtelijke onderbouwing Elst 12, Geffen, pag. 9 van 47 25-05-2018
Hoofdstuk 3 3.1
Beleidskader
Wettelijk kader
3.1.1 Wet ruimtelijke ordening Op 1 juli 2008 is de Wet ruimtelijke ordening in werking getreden. De hoofdlijnen van de nieuwe wet zijn samengevat: - Decentraal wat kan en centraal wat moet: rijk en provincie moeten en mogen niet meer regelen dan wat de taak van deze overheden direct met zich brengt; - Rijk, provincie en gemeente hebben gelijke instrumenten en kunnen die inzetten voor de eigen taken op het gebied van de ruimtelijke ordening: structuurvisie, bestemmingsplan en projectafwijkingsbesluit; - Rijk en provincie kunnen zaken voor gemeente dwingend voorschrijven via een verordening en via een aanwijzing; - Er is een strikte scheiding tussen beleid en bestemmingsplan; beleidsdocumenten hebben geen directe juridische werking meer; - De goedkeuring van de provincie op bestemmingsplannen is vervallen; - De gemeente moet meer werk maken van de herziening van bestemmingsplannen: o Er komt een sanctie op verouderde bestemmingsplannen: geen legesheffing meer mogelijk; o Voor de realisering van projecten kan een projectafwijkingsbesluit genomen worden; - Voor gebieden waar geen ruimtelijke ontwikkelingen spelen kan de gemeente kiezen om een beheersverordening te maken in plaats van een bestemmingsplan; - Er is een drempel voor planschade van 2%; - De mogelijkheid van kostenverhaal bij grondexploitatie is verbeterd; - Bestemmingsplannen moeten analoog en digitaal worden gemaakt.
3.1.2 Grondexploitatiewet Tegelijk met de Wet ruimtelijke Ordening is de nieuwe Grondexploitatiewet (Grex-wet) in werking getreden. De grondexploitatiewet is als paragraaf 6.4 in de nieuwe Wet ruimtelijke ordening opgenomen. De Grex-wet is noodzakelijk omdat eerdere wettelijke instrumenten voor kostenverhaal, te weten de exploitatieverordening en de baatbelasting, niet toereikend bleken. Doelstelling van de nieuwe wet is een goede regeling voor kostenverhaal, binnenplanse verevening en enkele locatie-eisen bij particuliere grondexploitatie. Onder de Grex-wet is kostenverhaal mogelijk via het privaatrechtelijke spoor (door middel van een vrijwillige samenwerkingsovereenkomst) en door middel van het publiekrechtelijke spoor. Eén van de belangrijkste vernieuwingen die de wet brengt, is het verplichtende karakter van kostenverhaal. Privaatrechtelijke afspraken hebben de voorkeur. Maar als een gemeente er niet in geslaagd is met alle particuliere eigenaren in een gebied een overeenkomst te sluiten over grondexploitatie moet de gemeente publiekrechtelijk kosten verhalen bij partijen waarmee geen contract is gesloten. Dit publiekrechtelijke verhaal gaat door middel van een exploitatieplan, waarvan de totstandkoming gelijk op moet lopen met een bestemmingsplan. De verplichting tot een publiekrechtelijke regeling is gekoppeld aan twee voorwaarden: 1.
In de eerste plaats is een ruimtelijk besluit op grond van de Wet ruimtelijke ordening nodig. Het publiekrechtelijk instrumentarium is alleen van toepassing bij de vaststelling van een bestemmingsplan, wijziging van een bestemmingsplan, of een projectafwijkingsbesluit. 2. De tweede voorwaarde is dat het ruimtelijk besluit voorziet in nieuwbouw of in belangrijke en omvangrijke verbouwplannen met functiewijzigingen. De bouwplannen waar het om gaat zijn in het Besluit ruimtelijke ordening aangewezen.
Ruimtelijke onderbouwing Elst 12, Geffen, pag. 10 van 47 25-05-2018
Dit bestemmingsplan voorziet niet in nieuwe bouwmogelijkheden. De Grondexploitatie-wetgeving is niet van toepassing. In dit geval is het kostenverhaal geregeld via een anterieure overeenkomst. 3.1.3 Wet op de archeologische monumentenzorg In de Wet op de archeologische monumentenzorg, aangenomen in 2006, is het doel van het in 1992 gesloten Verdrag van Valletta (Malta) verwerkt: bescherming van het archeologische erfgoed als bron van het Europese gemeenschappelijke geheugen en als middel voor geschiedkundige en wetenschappelijke studie. Om dat doel te bereiken moet de wetgever het archeologisch erfgoed betrekken bij de ruimtelijke ordening. Met de wet wordt het Verdrag van Valletta in de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd. De kern van de wet is dat gemeenten verantwoordelijk worden voor de archeologische monumentenzorg binnen de gemeentegrenzen. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan dient de gemeente rekening te houden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische waarden. 3.1.4 Flora- en faunawet Met het inwerking treden van de Flora- en faunawet is het soortenbeleid uit de Vogelrichtlijn van 1979 en de Habitatrichtlijn van 1992 van de Europese Unie in de nationale wetgeving verwerkt. Achter de Flora- en faunawet staat het idee van de zorgplicht voor in het wild levende dieren en planten (zowel beschermde als onbeschermde) en hun leefomgeving.
Die zorgplicht houdt in ieder geval in dat iedereen die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat zijn handelen nadelige gevolgen heeft voor flora of fauna, verplicht is dergelijk handelen achterwege te laten. Diegene moet alle maatregelen nemen die redelijkerwijs van hem kunnen worden verwacht om die nadelige gevolgen te voorkomen, zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken (artikel 2). Volgens de Flora- en faunawet is het verboden om beschermde planten te verwijderen of te beschadigen (artikel 8), beschermde dieren te doden, te verwonden, te vangen (artikel 9) of opzettelijk te verontrusten (artikel 10) en voortplantings- of vaste rusten verblijfplaatsen te beschadigen (artikel 1). Ook het rapen of beschadigen van eieren van beschermde dieren is verboden (artikel 12). Voor een goede instandhouding van een diersoort is echter ook behoud van foerageergebied en migratieroutes nodig. Aan soorten van de Rode lijst dient ook aandacht te worden geschonken. Hierop staan Nederlandse soorten die bijzondere aandacht nodig hebben. Deze soorten worden bedreigd, zijn zeldzaam of erg kwetsbaar of nemen sterk in aantal af. De Rode lijsten zijn officieel door de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit vastgesteld (Besluit Rode lijsten flora en fauna, november 2004). 3.2
Rijksbeleid
3.2.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte Op 13 maart 2012 heeft de minister van Infrastructuur en Ruimte de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) vastgesteld. De visie stelt het (integrale) kader voor het ruimtelijk- en mobiliteitsbeleid op rijksniveau in Nederland. In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte schetst het kabinet hoe Nederland er in 2040 uit moet zien: concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig. Tot 2028 heeft het kabinet in de SVIR drie Rijksdoelen geformuleerd: - Het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de ruimtelijkeconomische structuur van Nederland. (concurrerend) - Het verbeteren en ruimtelijk zekerstellen van de bereikbaarheid waarbij de gebruiker voorop staat. (bereikbaar) - Het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin unieke cultuurhistorische waarden behouden zijn. (leefbaar en veilig) De SVIR vervangt onder meer de volgende nota’s: - de Nota Ruimte; - de Structuurvisie Randstad 2040; - de Nota Mobiliteit; - de MobiliteitsAanpak; - de Structuurvisie voor de Snelwegomgeving. Verder vervallen met de SVIR de ruimtelijke doelen en uitspraken uit de Agenda Landschap, Agenda Vitaal Platteland en Pieken in de Delta.
Ruimtelijke onderbouwing Elst 12, Geffen, pag. 11 van 47 25-05-2018
Oplossingsrichtingen Verstedelijkings- en landschapsbeleid wordt overgelaten aan gemeenten en provincies. Gemeenten krijgen ruimte voor kleinschalige natuurlijke groei geënt op het bouwen van huizen die aansluiten bij de woonwensen van mensen. Bij het beheren en ontwikkelen van natuur krijgen boeren en particulieren in het landelijk gebied een grotere rol. Bij gebiedsontwikkelingen moet de daadwerkelijke vraag van bewoners, bedrijven en organisaties leidend worden. Om zorgvuldig ruimtegebruik te bevorderen wordt een ladder voor duurzame verstedelijking geïntroduceerd: eerst kijken of er vraag is naar een bepaalde nieuwe ontwikkeling, vervolgens kijken of het bestaande stedelijk gebied of bestaande bebouwing kan worden hergebruikt en, mocht nieuwbouw echt nodig zijn, altijd zorgen voor een optimale (multimodale) bereikbaarheid. Bij het verbeteren van de bereikbaarheid wordt sterk gelet op het samenspel tussen alle modaliteiten (weg, spoor, water) in samenhang met ruimtelijke ontwikkeling. Er moet innovatief worden omgegaan met de benutting van de infrastructuur. Het Rijk kiest voor een selectieve inzet van rijksbeleid op dertien nationale belangen. Voor die belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaat boeken. Buiten deze dertien belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid. De 13 nationale belangen zijn: Vergroten van de concurrentiekracht van Nederland 1.
Een excellente ruimtelijk-economische structuur van Nederland door een aantrekkelijk vestigingsklimaat in en goede internationale bereikbaarheid van de stedelijke regio’s met een concentratie van topsectoren. 2. Ruimte voor het hoofdnetwerk voor (duurzame) energievoorziening en de energietransitie. 3. Ruimte voor het hoofdnetwerk voor vervoer van (gevaarlijke) stoffen via buisleidingen. 4. Efficiënt gebruik van de ondergrond. Verbeteren en ruimtelijk zekerstellen van de bereikbaarheid. 5. Een robuust hoofdnet van wegen, spoorwegen en vaarwegen rondom en tussen de belangrijkste stedelijke regio’s inclusief de achterlandverbindingen. 6. Betere benutting van de capaciteit van het bestaande mobiliteitssysteem. 7. Het instandhouden van het hoofdnet van wegen, spoorwegen en vaarwegen om het functioneren van het mobiliteitssysteem te waarborgen. Waarborgen kwaliteit leefomgeving 8. Verbeteren van de milieukwaliteit (lucht, bodem, water) en bescherming tegen geluidsoverlast en externe veiligheidsrisico’s. 9. Ruimte voor waterveiligheid, een duurzame zoetwatervoorziening en kaders voor klimaatbestendige stedelijke (her)ontwikkeling. 10. Ruimte voor behoud en versterking van (inter)nationale unieke cultuurhistorische en natuurlijke kwaliteiten. 11. Ruimte voor een nationaal netwerk van natuur voor het overleven en ontwikkelen van flora- en faunasoorten. 12.
Ruimte voor militaire terreinen en activiteiten. Overkoepelend 13. Zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten. 3.2.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) Indien nationale belangen met het oog op een goede ruimtelijke ordening dat vergen, kan de minister regels stellen aan de inhoud van bestemmingsplannen. Dit heeft de minister, in de vorm van een algemene maatregel van bestuur, gedaan in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Op 30 december 2011 is dit besluit in werking getreden. Het kabinet heeft in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) vastgesteld dat voor een aantal onderwerpen verdere regels gesteld moeten worden. In het Barro komen dertien nationale belangen als titels terug. De volgende kunnen relevant zijn voor ruimtelijke plannen in de gemeente Oss:
Ruimtelijke onderbouwing Elst 12, Geffen, pag. 12 van 47 25-05-2018
-
Rijksvaarwegen Grote rivieren Defensie Hoofdwegen en hoofdspoorwegen Elektriciteitsvoorziening Buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen Ecologische hoofdstructuur Primaire waterkeringen buiten het kustfundament
De regels in het besluit zijn concreet normstellend benoemd en moeten direct of indirect (door tussenkomst van de provincie) doorwerken tot het niveau van de lokale besluitvorming. De indirecte doorwerking komt enkel bij de Ecologische Hoofdstructuur en de Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarden voor. Het Barro voorziet verder in een hoofdstuk overige bepalingen en gaat gepaard met meerdere bijlagen. In deze bijlagen worden onder andere de belangen van de grote rivieren en defensie geografisch begrensd. Bij het opstellen van bestemmingsplannen (en andere ruimtelijke besluiten) dient rekening te worden gehouden met de bepalingen van het Barro. Voor de gemeente Oss zijn met name de titels met betrekking tot de rijksvaarwegen, de grote rivieren, primaire waterkeringen buiten het kustfundament en defensie (rechtstreeks) van belang. De regels in titel 2.4 Grote rivieren vormen feitelijk de doorwerking van de Beleidsregels Grote rivieren. Ten aanzien van titel 2.6 Defensie wordt de enige mogelijke beperking gevormd door de bescherming van het radarverstoringsgebied van de vliegbasis Volkel. 3.2.3 Ladder voor duurzame verstedelijking Per 1 juli 2017 is de “ladder voor duurzame verstedelijking” een procesvereiste voor ruimtelijke plannen, die nieuwe stedelijke ontwikkelingen mogelijk maken (Bro, artikel 3.1.d).
Doel van de ladder voor duurzame verstedelijking is een goede ruimtelijke ordening in de vorm van een optimale benutting van ruimte in stedelijke gebieden. In de motivering voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen moeten de treden van de ladder worden doorlopen vanuit de volgende voorwaarden: De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. In dit kader wordt, volgens de definitie uit artikel 1.1.1 lid 1, aanhef onder i, van het Bro onder een stedelijke ontwikkeling verstaan: ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen In het Bro is geen ondergrens vastgelegd voor minimale omvang vastgelegd. Of sprake is van een stedelijke ontwikkeling wordt bepaald door de aard en omvang van de ontwikkeling.
Uit jurisprudentie over de duurzame ladder is gebleken dat wanneer er sprake is van een ontwikkeling die geen of beperkte toename aan bouwmogelijkheden met zich mee brengt, deze niet gezien wordt als een stedelijke ontwikkeling die ladderplichtig is (zie ABRvS 21 januari 2015, ECLI: NL: RVS:2015:96 r.o. 5.1. voor geen toename aan bouwmogelijkheden en uitspraak Raad van state met kenmerk 201306183/1/R3 voor beperkte toename aan bouwmogelijkheden). Initiatief Omdat voorliggende ontwikkeling niet gepaard gaat met nieuwe bebouwingsmogelijkheden, sterker nog, de oppervlakte aan bebouwing neemt af, is er geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling waarvoor de duurzame ladder van toepassing is.
Ruimtelijke onderbouwing Elst 12, Geffen, pag. 13 van 47 25-05-2018
3.3
Provinciaal beleid
3.3.1 Structuurvisie Ruimtelijke Ordening 2010 – partiële herziening 2014 Op 19 maart 2014 hebben Gedeputeerde Staten van de provincie Noord-Brabant de Structuurvisie Ruimtelijke Ordening 2014 vastgesteld. Deze structuurvisie is een actualisatie van de visie die in 2010 werd vastgesteld. Met deze structuurvisie geeft de provincie de hoofdlijnen van het provinciaal ruimtelijke beleid tot 2025, met een doorkijk naar 2040. De visie is bindend voor het ruimtelijk handelen van de provincie en vormt de basis voor de wijze waarop de provincie de instrumenten die de Wet ruimtelijke ordening biedt inzet. Naast de Structuurvisie stelt de provincie een verordening ruimte op. In deze verordening vertaalt de provincie de kaderstellende elementen uit het provinciaal beleid in regels die van toepassing zijn op (gemeentelijke) bestemmingsplannen. Aanvullend zijn ook gebiedspaspoorten opgesteld. Deze vormen een uitwerking van de visie en bevatten de landschapskenmerken die bepalend zijn voor de kwaliteit van een gebied of een landschapstype en hoe ruimtelijke ontwikkelingen kunnen bijdragen aan het behoud en versterking daarvan. De provincie kiest met de structuurvisie voor een duurzame ontwikkeling waarin de kwaliteiten van de provincie sturend zijn bij de ruimtelijke keuzes die de komende jaren op de provincie af komen.
Nieuwe ontwikkelingen moeten bijdragen aan de kracht en identiteit van Noord-Brabant. Provinciale belangen en ruimtelijke keuzes De provincie wil sturen op ruimtelijke kwaliteit. De ruimtelijke keuzes geven inhoud aan het streven naar ruimtelijke kwaliteit en zijn van provinciaal belang. De belangrijkste keuzes voor de gemeente Oss zijn: - Regionale contrasten De provincie wil de contrasten tussen klei, zand en veenontginningen versterken. - Een multifunctioneel landelijk gebied De provincie kiest voor een integrale aanpak. Waar de landbouw de drager van het landschap is wordt ruimte gegeven aan optimale en duurzame ontwikkeling van de aanwezige landbouwsector. In de jonge rivierkleigebieden moet de agrarische functie (rundveehouderij) behouden blijven. Op de oeverwallen langs de rivieren wordt ruimte geboden voor menging van landbouw, natuur, landschap, recreatie, wonen, werken en zorg. Dit is van belang voor de plattelandseconomie. - Een robuust en veerkrachtig water- en natuursysteem Het patroon van beken en kreken moet beter beleefbaar worden. De ecologische hoofdstructuur wordt versterkt door het natuursysteem nog beter aan het watersysteem te koppelen. - Een betere waterveiligheid door preventie Gestreefd wordt naar vergroting van de watervoerende capaciteit van het rivierbed in combinatie met het concept van de doorbraakvrije dijk.
- Concentratie van verstedelijking Brabant heeft de ambitie zich te ontwikkelen tot een top kennis- en innovatieregio op Europees niveau. De provincie vindt het daarom belangrijk dat er verschil blijft tussen de steden en de kernen in het landelijk gebied, de zogenaamde mozaïekstructuur. - Sterk stedelijk netwerk De provincie wil een sterk stedelijk netwerk van Brabantse steden. Goede bereikbaarheid tussen de steden onderling en andere omliggende stedelijke netwerken is belangrijk. - Groene geledingszones tussen steden De provincie zet in op behoud en ontwikkeling van groene geledingszones tussen de stedelijke kernen. - Gedifferentieerd aanbod goed bereikbare vrijetijdsvoorzieningen Een kwalitatief goede vrijetijdsbesteding is een belangrijke voorwaarde voor het realiseren van een goed leef-, werk- en vestigingsklimaat. Belangrijk aandachtspunt daarbij is dat er een breed aanbod aan vrijetijdsvoorzieningen is met een goede toegankelijkheid en bereikbaarheid. Zorgplicht voor ruimtelijke kwaliteit Nieuwe ontwikkelingen bieden een kans voor behoud en ontwikkeling van het landschap. De hoofdregel is dat ontwikkelruimte dient bij te dragen aan het versterken van de ruimtelijke kwaliteit. Het ontwikkelen
Ruimtelijke onderbouwing Elst 12, Geffen, pag. 14 van 47 25-05-2018
van landschap reikt verder dan vasthouden aan wat er is, ontwikkelen van het landschap gaat ook om het toevoegen van nieuwe kwaliteiten. De zorgplicht voor ruimtelijke kwaliteit bepaalt dat: - er zorgvuldig wordt omgegaan met het ruimtegebruik; - er rekening wordt houden met de omgeving; - de ontwikkeling bijdraagt aan het behoud of de versterking van de ruimtelijke kwaliteit. Dit principe is van toepassing op zowel het stedelijk als het landelijk gebied en wordt uitgewerkt in de Verordening ruimte Noord-Brabant. Zorgvuldig ruimtegebruik De provincie wil dat gemeenten bij ruimtelijke afwegingen het principe van zorgvuldig ruimtegebruik toepassen. Nieuw ruimtebeslag moet zoveel mogelijk voorkomen worden. In eerste instantie krijgen initiatieven een plek binnen bestaand bebouwd gebied. Pas als hier geen mogelijkheden zijn of de kwaliteiten van de geplande ontwikkeling hier niet bij passen, wordt er in de omgeving gezocht naar de best mogelijke plek. Naast zuinig ruimtegebruik richt de provincie zich ook op herstructurering en hergebruik van verouderde locaties in het stedelijk gebied en op sanering van ongewenste functies in het buitengebied. Rekening houden met de omgeving Gebiedskenmerken en omliggende waarden, gebaseerd op de lagenbenadering, zijn leidend bij de vraag “waar” en “hoe” de nieuwe ruimte wordt aangesneden.
De ruimtelijke onderbouwing van een ontwikkeling geeft aan hoe is omgegaan met de ambities zoals verwoord in de structuren en in de gebiedspaspoorten. Hierbij wordt een relatie gelegd tussen de ruimtelijke ontwikkeling en de gebiedskenmerken van de plek. Kwaliteitsverbetering van het landschap Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen wil de provincie dat de initiatiefnemer zorgt voor een kwaliteitsverbetering van het landschap om daarmee het verlies aan omgevingskwaliteit te beperken. Dit uitgangspunt geldt voor ontwikkelingen buiten bestaand stedelijk gebied én buiten de ecologische hoofdstructuur en maakt de principes van ontwikkelingsplanologie toepasbaar. Concreet betekent dit dat passende functies zich kunnen ontwikkelen als er ook een prestatie voor het landschap tegenover staat. Daardoor wordt aantasting van de basiskwaliteit (bodem, water) en verlies aan ecologische, cultuurhistorische en landschappelijke waarden voorkomen. Ontwikkelingen die passen bij de aard, schaal en functie van het landelijk gebied, zoals agrarische en recreatieve ontwikkelingen en kleinschalige dienstverlening zijn mogelijk. Ook de ontwikkeling van andere (rode) functies is onder voorwaarden mogelijk. De ruimtelijke onderbouwing van een besluit geeft aan welke bijdrage wordt geleverd aan de kwaliteitsverbetering van het landschap en hoe dit is geborgd.
In principe gaat de provincie uit van de realisering van een fysieke prestatie op de projectlocatie en/of de directe projectomgeving. Indien dat niet mogelijk is, is de vorming van gemeentelijk of regionaal landschapsfonds een optie. Structuren: ambitie, beleid en uitvoering De structuren geven een hoofdkoers aan, een ruimtelijk ontwikkelingsperspectief voor een combinatie van functies. Maar ook waar functies worden uitgesloten of welke randvoorwaarden de provincie aan functies stelt. Binnen de structuren is ruimte voor regionaal maatwerk. De volgende vier structuren worden onderscheiden. - De groenblauwe structuur - Het landelijk gebied - De stedelijke structuur - De infrastructuur
Ruimtelijke onderbouwing Elst 12, Geffen, pag. 15 van 47 25-05-2018
Structurenkaart
De groenblauwe structuur Deze omvat de samenhangende gebieden in Noord-Brabant waar natuur- en waterfuncties behouden en ontwikkeld worden. Niet alleen in, maar ook buiten de natuurgebieden. Er is ruimte voor de ontwikkeling van een natuurlijk en robuust watersysteem. Het vormt de groenblauwe ruggengraat van het landschap en is van belang voor een goede, aantrekkelijke en gezonde woon- en werkomgeving in Noord-Brabant. Binnen deze groenblauwe structuur wil de provincie het volgende bereiken: 1. Positieve ontwikkeling van de biodiversiteit, natuur- en watersystemen zijn beschermd en worden verbeterd door een goede onderlinge verbinding; 2. Een robuuste en veerkrachtige structuur. 3. De natuurlijke basis en landschappelijke contrasten versterken. Versterken van de identiteit van de landschappen; 4. Gebruikswaarde van natuur en water verbeteren. De gebieden in de groenblauwe structuur zijn belangrijk voor recreatie en toerisme. In de groenblauwe structuur worden drie perspectieven onderscheiden: - Het kerngebied groenblauw Natuurgebieden in de ecologische hoofdstructuur, robuuste ecologische verbindingszones en belangrijke waterstructuren horen in dit perspectief. De hoofdfunctie is behoud en ontwikkeling van het natuur- en watersysteem. - De groenblauwe mantel Overwegend gemengd landelijk gebied met belangrijke nevenfunctie voor natuur en water.
Gebieden grenzend aan het kerngebied die bijdragen aan de bescherming van de waarden. Het behoud en vooral de ontwikkeling van natuur, water(-beheer) en landschap is in de groenblauwe mantel een belangrijke opgave. Vormen van grondgebonden agrarisch gebruik zijn van blijvend belang voor de ontwikkeling van groene en blauwe waarden. Verder liggen er kansen voor recreatie en toerisme. - De gebieden voor waterberging Deze gebieden zijn van belang voor hoogwaterbescherming (ruimte voor de rivier) en waterberging (regionale waterberging). Het landelijk gebied Het landelijk gebied omvat het gebied buiten de groenblauwe structuur en de stedelijke structuur zoals steden, dorpen en bedrijventerreinen. Het gebied biedt een multifunctionele gebruiksruimte. Naast landen tuinbouw is er ruimte voor niet-agrarische functies. Binnen het landelijk gebied wil de provincie het volgende bereiken: 1. Ruimte voor een breed georiënteerde plattelandseconomie; 2. Ruimte voor duurzame agrarische ontwikkeling; 3. Versterking van het landschap. Er worden binnen het landelijk gebied twee perspectieven onderscheiden: Gemengd landelijk gebied De provincie beschouwt het hele landelijk gebied als een gebied waarbinnen een menging van functies aanwezig is: het gemengd landelijk gebied. Binnen dit gebied wordt de agrarische functie vaak in samenhang met andere functies (in de omgeving) uitgeoefend.
Hier kan worden
Ruimtelijke onderbouwing Elst 12, Geffen, pag. 16 van 47 25-05-2018
-
voldaan aan de vraag naar kleinschalige stedelijke voorzieningen, recreatie en ondernemingen in een groene setting. Daarnaast wil de provincie ook dat er ruimte beschikbaar blijft om de agrarische productiestructuur te behouden en te versterken. Dat betekent dat (stedelijke) functies die ten koste gaan van de ruimte voor agrarisch gebruik of die strijdig zijn met de landbouw in die gebieden geweerd worden. Hierdoor blijft er ruimte gereserveerd voor agrarische ontwikkelingen. De provincie vraagt aan gemeenten om deze gebieden vast te leggen en te beschermen. De landbouwontwikkelingsgebieden en de vestigingsgebieden glastuinbouw beschouwt de provincie in ieder geval als primair agrarisch gebied. Ook delen van het verwevingsgebied richten zich vaak primair op agrarische ontwikkeling. Accentgebied agrarische ontwikkeling Binnen deze gebieden ziet de provincie ruimte en kansen om de agrarische productiestructuur te verduurzamen en te versterken. Op de structurenkaart zijn vanuit een regionaal schaalniveau vier accentgebieden agrarische ontwikkeling aangeduid. De komgebieden van de gemeente Lith maken hiervan deel uit. Hier liggen mogelijkheden voor schaalvergroting en intensivering van de landbouw.
Transitie naar een zorgvuldige veehouderij De wens tot verduurzaming van de agrarische sector heeft geleid tot de denklijn ‘Ontwikkelruimte moet je verdienen en is niet onbegrensd’. De denklijn bestaat uit drie uitgangspunten: - ontwikkelruimte is alleen mogelijk als dit op bedrijfsniveau bijdraagt aan een verdere verduurzaming door het treffen van extra maatregelen; - de som van het effect van alle bedrijven in een gebied kan de draagkracht van een gebied te boven gaan; - door het bieden van een economisch perspectief aan de landbouw en agrofood door meer toegevoegde waarde van het product, transparantie en nieuwe verdienmodellen. De ontwikkeling van de agrarische sector is gericht op inpassing in het landschap en een transitie naar duurzame en zorgvuldige veehouderij. De stedelijke structuur De stedelijke structuur bestaat uit de steden en dorpen in Noord-Brabant. Binnen de stedelijke structuur heeft de provincie de volgende doelen: 1. Concentratie van verstedelijking 2. Inspelen op demografische ontwikkelingen 3. Zorgvuldig ruimtegebruik 4. Meer aandacht voor ruimtelijke kwaliteit 5. Betere verknoping van stedelijke ontwikkelingen aan de infrastructuur 6.
Versterking van de economische clusters Er worden binnen de stedelijke structuur twee perspectieven onderscheiden: - Stedelijk concentratiegebied In het stedelijk concentratiegebied met de bijhorende zoekgebieden voor verstedelijking wordt het merendeel van de verstedelijkingsopgave opgevangen. De groene ruimten tussen de steden worden open gehouden. - Kernen in landelijk gebied De kernen in het landelijk gebied worden zo veel mogelijk ontzien van verdere verstedelijking doordat daar alleen de opvang van de eigen verstedelijkingsbehoefte wordt opgevangen (migratiesaldo-nul). In het kader van de kwaliteitsverbetering van het landschap is een landschappelijk inpassingsplan opgesteld. Met dit plan wordt tegemoet gekomen aan dit vereiste. De locatie is gelegen in het gemengd agrarisch gebied. Binnen dergelijke gebieden zijn andere functies voorstelbaar, mits ze niet leiden tot een beperking van de ontwikkelingsmogelijkheden van agrarische bedrijven. Daar de locatie gelegen is binnen een bebouwingconcentratie, waarbinnen reeds andere functies dan agrarische bedrijven aanwezig is, zijn de ontwikkelingsmogelijkheden voor agrarische bedrijven reeds beperkt. Dit maakt dat het herontwikkeling van de locatie niet zal leiden tot een beperking van de ontwikkelingsmogelijkheden van agrarische bedrijven.
Ruimtelijke onderbouwing Elst 12, Geffen, pag. 17 van 47 25-05-2018
3.3.2 Verordening ruimte Noord-Brabant In de Verordening ruimte Noord-Brabant vertaalt de provincie Noord-Brabant de kaderstellende elementen uit haar beleid en rijksbeleid, waaronder het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening, in regels die van toepassing zijn op (gemeentelijke) bestemmingsplannen. De Verordening ruimte NoordBrabant geldt als vervanging van de Verordening ruimte 2014. In artikel 3 van de regels in de Verordening ruimte Noord-Brabant worden de algemene regels ten aanzien van het bevorderen van de ruimtelijke kwaliteit gegeven. In het algemeen houdt ruimtelijke kwaliteit in dat gebruikers van een gebied rekening houden met het karakter, de grootte en de functie ervan. De bevordering van de ruimtelijke kwaliteit is uiteengezet in drie artikelen: - Zorgplicht voor ruimtelijke kwaliteit Een bestemmingsplan dat voorziet in een ruimtelijke ontwikkeling moet bijdragen aan behoud en ontwikkeling van de ruimtelijke kwaliteit. Er moet in ieder geval sprake zijn van een goede landschappelijke inpassing en zorgvuldig ruimtegebruik. Zorgvuldig ruimtegebruik is het gebruik van bestaande ruimte. Dit betekent dat gebruik gemaakt wordt van bestaande bouwpercelen en dat ontwikkelingen worden verantwoord middels de ‘ladder voor duurzame verstedelijking’. Er moet ook rekening worden gehouden met de maat en schaal van de ontwikkeling en de impact op de omgeving.
- Kwaliteitsverbetering van het landschap Een ruimtelijke ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied moet gepaard gaan met een fysieke verbetering van het gebied of de omgeving. De verbetering moet zijn financieel, juridisch en feitelijk zijn geborgd en passen in het ruimtelijk beleid. Er moet ook verantwoord worden hoe de regionale afspraken over de kwaliteitsverbetering van het landschap worden nagekomen. - Afwijking in verband met maatwerk Bij ontwikkelingen van een groot openbaar belang kan worden afgeweken van provinciaal beleid. Nieuwvestiging is echter alleen mogelijk als aangetoond kan worden dat er geen mogelijkheden zijn voor vestiging. Deze algemene regels zijn van toepassing op zowel stedelijk, als landelijk gebied. Ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied: In de Verordening ruimte Noord-Brabant worden voor het buitengebied regels gesteld met betrekking tot ruimtelijke ontwikkeling binnen de volgende structuren: de ecologische hoofdstructuur de groenblauwe mantel het gemengd landelijk gebied Gemengd landelijk gebied Dit artikel geeft twee mogelijke ontwikkellijnen aan om op te nemen in een bestemmingsplan in agrarisch gebied: een gemengde plattelandseconomie en een agrarische economie. Gemeenten houden bij het bepalen van het lokale beleid rekening met de aard van de economieën die in een bepaald gebied aanwezig zijn.
Het artikel veronderstelt dat het bedoelde lokale beleid een ruimtelijke ontwikkelvisie op het agrarische gebied bevat, bij voorkeur gebaseerd op de gemeentelijke structuurvisie. De aanduiding van een gebied als gemengde plattelandseconomie impliceert meer ruimte voor niet-agrarische functies. Het gaat daarbij onder andere om het zoeken naar nieuwe economische dragers voor een vitaal platteland. Op delen van het gemengd landelijk gebied is een aanduiding zoekgebied stedelijke ontwikkeling of integratie stad-land gelegd. Indien toepassing wordt gegeven aan de mogelijkheden voor stedelijke ontwikkeling geldt deze bepaling niet. Binnen de structuur gemengd landelijk gebied worden kaders gegeven voor ruimtelijke ontwikkelingen. Er worden regels gesteld voor: - beschrijving gemengd landelijk gebied - (vollegronds)teeltbedrijven - veehouderijen - afwijkende regels veehouderij
Ruimtelijke onderbouwing Elst 12, Geffen, pag. 18 van 47 25-05-2018
-
glastuinbouwbedrijven overige agrarische bedrijven wonen ruimte-voor-ruimte landgoederen niet-agrarische functies afwijkende regels voor agrarisch-technische hulpbedrijven en agrarisch-verwante bedrijven afwijkende regels voor mestbewerking afwijkende regels recreatieve bedrijven afwijkende regels voor horecabedrijven en maatschappelijke voorzieningen afwijkende regels voor tuincentra kleinschalige voorzieningen watergebonden voorzieningen lawaaisporten wegen
Met de ontwikkeling wordt een nevenfunctie bij een woonbestemming toegestaan. Voor de vestiging van een nevenfunctie gelden dezelfde regels als bij de ontwikkeling van een zelfstandige voorziening. Deze regels, zoals vastgelegd in artikel 7.10 luiden als volgt: Een bestemmingsplan dat is gelegen in gemengd landelijk gebied kan voorzien in een vestiging van een niet-agrarische functie, anders dan bepaald in de artikelen 7.7 tot en met artikel 7.9 mits: 2 a. de totale omvang van het bouwperceel van de beoogde ontwikkeling ten hoogste 5.000 m bedraagt; b. dit bijdraagt en past binnen de beoogde ontwikkeling van gemengd landelijk gebied als bedoeld in artikel 7.1; c. is verzekerd dat overtollige bebouwing wordt gesloopt; d. de beoogde ontwikkeling niet leidt tot een bedrijf, behorend tot de milieucategorie 3 of hoger; e. de beoogde ontwikkeling niet leidt tot twee of meer zelfstandige bedrijven; f. de beoogde ontwikkeling niet leidt tot een al dan niet zelfstandige kantoorvoorziening met een baliefunctie; g. de beoogde ontwikkeling niet leidt tot al dan niet zelfstandige detailhandelsvoorziening met een verkoopvloeroppervlakte van meer dan 200 m2; h. is aangetoond dat de ruimtelijke ontwikkeling ook op langere termijn past binnen de op grond van deze verordening toegestane omvang; i. de beoogde activiteit niet leidt tot een grootschalige ontwikkeling.
Ad a. 2 De omvang van het perceel zal minder dan 5.000 m gaan bedragen. Ad. b. De ontwikkeling draagt bij aan een gemengde plattelandseconomie. Gezien de ligging in een bebouwingsconcentratie met weinig tot geen agrarische bedrijfsactiviteiten is de vestiging van een nevenactiviteit in bestaande bebouwing bij een woonbestemming passend. Ad c. Ook in het bestemmingsplan is de voorwaarde gesteld dat overtollige bebouwing wordt gesloopt. Cliënt is bereid overtollige bebouwing te slopen. Ad d. Er zal alleen bedrijvigheid in de milieucategorie 1 en 2 op de locatie gevestigd worden, caravanstalling (opslag) betreft een activiteit in milieucategorie 2. Ad e. Er zal op de locatie slechts sprake zijn van één bedrijf (caravanstalling).
Ruimtelijke onderbouwing Elst 12, Geffen, pag. 19 van 47 25-05-2018
Ad f. Op de locatie zal geen zelfstandige kantoorfunctie komen met een bezoekersbalie. Ad g. Er wordt niet voorzien in de vestiging van een detailhandelsvoorziening. Ad h. De maximaal te gebruiken ruimte is gemaximaliseerd in het bestemmingsplan. Daarbij voert cliënt het bedrijf alleen. Hij is niet voornemens zijn bedrijf nog verder uit te breiden in de toekomst. Dit is ook niet nodig. Ad i. Een grootschalige ontwikkeling is een ontwikkeling waarbij, blijkens een economisch effectenonderzoek, de som van het te verwachten aantal bezoekers en overnachtingen meer dan 150.000 per jaar bedraagt. Daar is in dit geval zeker geen sprake van. Aan de regels gesteld aan de vestiging van een niet-agrarische functie wordt voldaan. De Verordening ruimte Noord-Brabant kent verder meerdere gebiedsaanduidingen en/of aandachtsvelden die doorwerking dienen te krijgen in bestemmingsplannen. Hieronder wordt aangegeven hoe aan de voorwaarden van de aanduidingen wordt voldaan. Ecologische Hoofdstructuur Met betrekking tot de Natuur Netwerk Brabant (NNB) zijn er, naast de ecologische hoofdstructuur zelf, twee aanduidingen opgenomen in de Verordening ruimte: - ecologische verbindingszones; - attentiegebieden NNB. De locatie is niet gelegen in of in de nabijheid van het Natuur Netwerk Brabant. Water Ten aanzien van water zijn in de Verordening ruimte wateraanduidingen opgenomen.
Deze aanduidingen zijn: - Regionale waterberging - Reservering waterberging - Waterwingebied - Grondwaterbeschermingsgebied - Aansluiting primaire waterkering - Rivierbed - Boringsvrije zone - Behoud en herstel van watersystemen Geen van de genoemde aspecten is voor onderhavig project van toepassing. Aardkunde en cultuurhistorie In de verordening stelt de provincie aanduidingen op ten aanzien van: - aardkundig waardevolle gebieden; - cultuurhistorische vlakken; - de Nieuwe Hollandse Waterlinie; - complexen van cultuurhistorisch belang. In het plangebied zijn geen onderdelen van de Nieuwe Hollandse Waterlinie gelegen. De betreffende regels van de verordening vinden dan ook geen doorwerking in dit bestemmingsplan. De locatie is gelegen binnen een cultuurhistorisch vlak, te weten de Beerse Overlaat. De Beerse Maas is een overlaatsysteem dat eeuwenlang het landschap en het bodemgebruik heeft bepaald. Tal van dijken, kaden weteringen en sluizen herinneren aan de wateroverlast, die vrijwel ieder jaar plaatsvond. De
Ruimtelijke onderbouwing Elst 12, Geffen, pag. 20 van 47 25-05-2018
Beerse Overlaat en de Baardwijkse Overlaat, die er deel van uitmaakte, was het grootste overlaatsysteem in ons land. De overlaat is pas gesloten in 1942. Het beleid richt zich op het behoud van het open landschap, het behoud en beleefbaar maken van eendenkooien, dijken, waterlopen, wielen, en terpen, op Natuurontwikkeling en waterberging. Stedelijke uitbreiding moet afgestemd worden op de cultuurhistorische identiteit van de Beerse Overlaat. Met de ontwikkeling zal de hoeveelheid bebouwing op het perceel afnemen. Door de afname zal de openheid van het landschap toenemen. De ontwikkeling in het projectgebied tast het cultuurhistorisch belang niet aan. In de Verordening ruimte worden slechts de cultuurhistorische vlakken aangegeven. De beschrijving van de cultuurhistorische waarden en kenmerken binnen die vlakken is te vinden in de Cultuurhistorische Waardenkaart (2010) van de provincie Noord-Brabant. Integratie stad – land Onder specifieke voorwaarden is stedelijke ontwikkeling mogelijk in gebieden met bijzondere landschappelijke kwaliteiten, de zogenoemde ‘gebieden integratie stad-land’. In deze gebieden kan stedelijke ontwikkeling plaatsvinden in samenhang met een groene en blauwe landschapsontwikkeling. Ontwikkeling van een middelzwaar of zwaar bedrijventerrein is nadrukkelijk uitgesloten.
De voorwaarden waaronder stedelijke ontwikkeling mogelijk is, zijn: - de stedelijke ontwikkeling aansluit bij het bestaand stedelijk gebied of plaatsvindt in een nieuw cluster van stedelijke bebouwing - stedenbouwkundig en landschappelijk rekening houden met ruimtelijke kwaliteiten en structuren - de stedelijke ontwikkeling is in omvang en ruimtelijke kwaliteit evenredig met groene en blauwe landschapsontwikkeling Een bestemmingsplan dat ligt in een zoekgebied voor stedelijke ontwikkeling kan voorzien in de nieuwbouw van één of meer woningen als het in een bebouwingsconcentratie ligt. Voorwaarden hiervoor zijn: - verzekeren van een goede landschappelijke inpassing van de te bouwen woningen - geen sprake van aanzet tot stedelijke ontwikkeling (zoals bedoeld in artikel 4) - geen inbreuk wordt gedaan aan de artikelen 6.8 en 7.8 (ruimte-voor-ruimte). De locatie is niet gelegen binnen het gebied integratie stad – land. Regionaal bedrijventerrein Bestemmingsplannen kunnen ter plaatse van de aanduiding regionaal bedrijventerrein voorzien in 2 bedrijfspercelen met een omvang groter dan 5000 m .
Agrarische gebieden Bestemmingsplannen kunnen gebieden aanduiden als: - Beperkingen veehouderij - Vestigingsgebied glastuinbouw - Doorgroeigebied glastuinbouw - Teel ondersteunende kassen - Teeltgebied Zundert - Maatwerk glastuinbouw Beperkingen veehouderij Voor de begrenzing van de gebieden met de aanduiding ‘beperkingen veehouderij’ is aangesloten bij de grenzen van het extensiveringsgebied die op grond van de Reconstructiewet waren vastgesteld. De regels binnen het gebied Beperkingen veehouderij gelden in tegenstelling tot de extensiveringsgebieden voor alle veehouderijen. Ook binnen de melkrundveehouderij, die van oudsher als extensief werd aangemerkt, is een tendens waar te nemen naar toenemende intensivering. Doel van de aanduiding is om een verdere intensivering vanwege ontwikkelingen in de veehouderij in de aangeduide gebieden tegen te gaan. Binnen het gebied wordt een uitzondering gemaakt voor grondgebonden veehouderijen; de voorwaarden die hieraan worden gesteld zijn voor alle veehouderijen gelijk. Het project heeft geen betrekking op de ontwikkeling van een veehouderij.
Ruimtelijke onderbouwing Elst 12, Geffen, pag. 21 van 47 25-05-2018
Sanerings- en verplaatsingslocatie Een bestemmingsplan kan in gebieden ter plaatse van de aanduiding sanerings- en verplaatsingslocatie voorzien in een passende herbestemming op locaties waar de volgende regelingen zijn toegepast: - Regeling Beëindiging Veehouderijtakken (RBV) - Subsidieregeling Beëindiging Intensieve Veehouderijen (BIV) - Subsidieregeling sanering glastuinbouwbedrijven in kwetsbare gebieden (GTB) - Verplaatsingsregeling Intensieve veehouderij (VIV) Op de locatie is geen gebruik gemaakt van een sanerings- of verplaatsingsregeling. Zoekgebied voor stedelijke ontwikkeling Ter plaatse van de aanduiding zoekgebied voor stedelijke ontwikkeling kan worden voorzien in stedelijke ontwikkeling. Het geldende bestemmingsplan dient te verantwoorden dat: - de stedelijke ontwikkeling aansluit bij bestaand stedelijk gebied of plaatsvindt in een nieuw cluster van stedelijke bebouwing - bij stedenbouwkundige en landschappelijke inrichting rekening wordt gehouden met de aanwezige ruimtelijke kwaliteiten en structuren Een bestemmingsplan dat ligt in een zoekgebied voor stedelijke ontwikkeling kan voorzien in de nieuwbouw van één of meer woningen als het in een bebouwingsconcentratie ligt.
Voorwaarden hiervoor zijn: - verzekeren van een goede landschappelijke inpassing van de te bouwen woningen - geen sprake van aanzet tot stedelijke ontwikkeling (zoals bedoeld in artikel 4) - geen inbreuk wordt gedaan aan de artikelen 6.8 en 7.8 (ruimte-voor-ruimte). De ontwikkeling betreft de vestiging van een bedrijf op een bestaand bouwperceel. In de omgeving is sprake van een verschillende niet-agrarische functies, waarbij onderhavige ontwikkeling aansluit. Tevens is er sprake van een ligging in een bebouwingsconcentratie. Door middel van het landschappelijk inpassingsplan is rekening gehouden met de in de omgeving aanwezige ruimtelijke kwaliteiten, waarbij er sprake is van een vermindering van de oppervlakte aan bebouwing op het perceel. Zoekgebied voor windturbines De ontwikkeling van windturbines is mogelijk binnen de aanduiding ‘zoekgebied voor windturbines’ als de ontwikkeling aansluit bij het karakter en de kwaliteit van het landschap in Noord-Brabant. Binnen de gemeente Oss zijn echter geen gebieden aangewezen als zoekgebieden voor windturbines. 3.4
Gemeentelijk beleid
3.4.1 Structuurvisie Buitengebied Oss - 2015 De gemeente Oss heeft een omvangrijk buitengebied. In de afgelopen jaren zijn de buitengebieden van Oss, Lith en Geffen samengevoegd. Voor de afzonderlijke buitengebieden waren al structuurvisies opgesteld. Het is belangrijk dat de gemeente een integrale visie heeft op het totale buitengebied van de gemeente Oss. Deze visie is samengekomen in de ‘Structuurvisie Buitengebied Oss - 2015’. Het plangebied van deze structuurvisie is het totale buitengebied van de gemeente Oss, met uitzondering van motorcrosscircuit Nieuw-Zevenbergen en vakantiepark Herperduin. De structuurvisie biedt de juridische basis voor financiële bijdragen bij ruimtelijke ontwikkelingen. In de structuurvisie zijn doelstellingen opgenomen die moeten leiden tot een robuuste en duurzame ruimtelijke structuur voor een vitaal en multifunctioneel buitengebied. Dit moet resulteren in: - Een vitaal buitengebied, waar een goed evenwicht is tussen alle aanwezige functies zoals landbouw, toerisme, recreatie, natuur, water en wonen - Een versterking van de ruimtelijke identiteit met aandacht voor verscheidenheid, ruimte en landelijkheid - Een versterking van de aanwezige landschapstypen: uiterwaarden, oeverwal, komgebied, dekzandrand en dekzandrug - Behoud, herstel en/of ontwikkeling van de landschappelijke, cultuurhistorische en ecologische structuren en elementen
Ruimtelijke onderbouwing Elst 12, Geffen, pag. 22 van 47 25-05-2018
-
-
Gebieden met blijvende ruimte en mogelijkheden voor (grondgebonden) landbouw, met name binnen het primaire agrarisch gebied Voldoende afstand tussen slecht verenigbare functies zoals wonen en intensieve veehouderij De instandhouding van de leefbaarheid door het zorgvuldig en afgewogen bieden van ruimte aan nieuwe economische dragers Nieuwe impulsen voor toerisme en recreatie, met bijzondere aandacht voor versterking van de recreatie in de Maashorst en het Maasgebied en het ontwikkelen van aantrekkelijke uitloopgebieden met natuur en recreatie nabij de stad Oss en toeristisch-recreatieve verbindingen tussen kernen op afstand van de Maas en de Maasdijk Het bieden van ruimte voor waterveiligheid, waterkwantiteit en waterkwaliteit
De bovenstaande doelstellingen worden door vertaald naar een ontwikkelingsvisie per landschapstype. We maken onderscheid tussen: - Uiterwaarden - Oeverwal - Komgebied - Dekzandrand - Dekzandrug - Primair agrarisch gebied Per landschapstype is een gebiedsbeschrijving, een ruimtelijke en een functionele visie opgenomen. Naast de visies per landschapstype zijn er ook ontwikkelingsvisies opgesteld per bebouwconcentratie. Per bebouwingsconcentratie is een beschrijving van de ruimtelijke situatie van het gebied gegeven, evenals een visie over landschappelijke kenmerken en de mogelijkheden voor ontwikkelingen en transformaties. We beschrijven in welke bebouwingsconcentraties de realisatie van nieuwe woningen ruimtelijk voorstelbaar is. Daarnaast geven we aan welke andere functies eventueel mogelijk zijn. Uitgangspunt is nieuwe burgerwoningen in het buitengebied niet gewenst zijn. In hoofdlijn zijn de mogelijkheden voor het bouwen van nieuwe burgerwoningen in het buitengebied beperkt tot drie mogelijkheden: in de vorm van een stedelijke ontwikkeling binnen zoekgebied verstedelijking, in de vorm van een ruimte-voor-ruimte woning binnen een bebouwingsconcentratie, of met de regeling kwaliteitsverbetering bebouwingsconcentraties binnen zoekgebied verstedelijking. De locatie is gelegen binnen het landschapstype dekzandrug. De dekzandrug is een hoger gelegen zandgebied.
Van oorsprong zijn deze gebieden begroeid met bos. Het gebied heeft een besloten tot halfopen karakter. De dekzandrug bestaat voor een groot deel uit natuurgebied (het stuifduin- en boscomplex), en voor een deel uit agrarisch gebied (de kamp- en heideontginningen). Het contrast tussen de kernen, rafelige dorpsranden en de oude verbindingswegen en de regelmatige slagenverkaveling geven dit gebied een eigen ruimtelijke karakteristiek. De overgangszone vormt een levendig landschap met een eigen dynamiek. Ruimtelijke visie Hoge ligging in het landschap Voor de dekzandrug wordt gestreefd naar het verduidelijken van de hoge ligging in het landschap. Dit kan door toepassing van opgaand groen, passend bij dit landschapstype (bijvoorbeeld eik en beuk). Verder is het behoud van reliëfverschillen van belang. Open plekken in het bos Voor Maashorst-Herperduin en de Geffense Bosjes wordt gestreefd naar behoud en ontwikkeling van de landschappelijke en ecologische kwaliteit. De bosgebieden blijven besloten. Binnen die beslotenheid bestaat de mogelijkheid tot het maken van open plekken in de vorm van vennen, heideveldjes en stuifduintjes. Hierdoor ontstaat er een aantrekkelijk en afwisselend gebied. De omvorming van naaldnaar loofbos wordt verder doorgezet. Voor het stuifduinen en boscomplex van Maashorst-Herperduin speelt bosomvorming een belangrijke rol.
Er wordt gestreefd naar natuurontwikkeling en extensieve recreatie in de kern van het natuurgebied. Aan de randen is ruimte voor intensieve recreatie. Het gebied De Rijsvennen worden ontwikkeld tot een kalkrijk kwelgebied. De natuurwaarden van de Geffense Plas kunnen verder ontwikkeld worden.
Ruimtelijke onderbouwing Elst 12, Geffen, pag. 23 van 47 25-05-2018
Herstel kampenlandschap De rest van de dekzandrug, het gebied ten oosten en zuiden van Geffen, de Stelt en het gebied ten zuiden van Herpen, wordt gekarakteriseerd door een kleinschalige mozaïeklandschap. Insteek is herstel van het oude kampenlandschap met bosjes, houtwallen en –singels, graanvelden en andere landschappelijke elementen. Om de oorspronkelijke beslotenheid terug te brengen, wordt hier met name ruimte geschapen voor de aanleg van bosjes en bosstroken. In aansluiting op de karakteristieke opbouw van het landschap en ter versterking van de karakteristieke ontginningspatronen worden kavelgrens- en laanbeplantingen aangelegd. In het gebied zijn kansen voor de ontwikkeling van een nieuw landgoed, wellicht als omschakeling van grootschalige (agrarische) bedrijvigheid. Insteek in de Stelt en omstreken in de zogenaamde zuidelijke geledingszone is eveneens herstel van het kampenlandschap. Daarnaast is het dynamische karakter van de ligging tegen de stadsrand belangrijk uitgangspunt voor ontwikkelingen. Recreatieve uitloopmogelijkheden zijn belangrijk. Functionele visie Het natuurlijke karakter van de dekzandrug kan verder ontwikkeld worden, zowel kwantitatief als kwalitatief. Ten zuiden van Herpen, Oss en Geffen heeft de dekzandrug een meer gemengd karakter. De toeristisch-recreatieve waarde van het gebied is groot, maar kan verder versterkt en verbeterd worden.
Ontwikkelingen moeten daar duidelijk bijdragen aan de landschappelijke kwaliteit van de dekzandrug. Het perspectief van de veehouderij is in dit gebied beperkt. Niet-agrarische bedrijvigheid De mogelijkheden voor omschakeling van agrarische bedrijven worden geschetst in het beleid voor vrijkomende agrarische bebouwing. Op de dekzandrug zien we vooral mogelijkheden voor natuurlijk ondernemen en toeristisch-recreatieve bedrijven. De locatie is verder gelegen binnen de bebouwingsconcentratie Geffen – Oss. Dit bebouwingslint ligt op de overgang van de dekzandrug naar het komgebied. Zowel het dekzandgebied ten zuiden van de Bergstraat als het komgebied ten noorden van de Bergstraat zijn open gebieden. Het lint zelf is behoorlijk gesloten met slechts sporadisch een doorzicht op het achterliggende open landschap. De Heesterseweg vormt een verbindingsweg tussen Geffen en Oss. Het gebied ten noorden van de Heesterseweg is veel opener dan het gebied ten zuiden van de Heesterseweg. Kenmerkend voor de Heesterseweg is de lintbebouwing met doorzichten naar het achterliggende landschap. De Kouwe Noord is een overgangsgebied van de bebouwde kom naar het open komgebied. Dit uit zich in een kleinschalig landschap met woonhuizen en grote percelen, paardenweitjes en doorzichten op het omliggende open landschap. Voor dit gebied was door de (voormalige) gemeente Maasdonk een aparte visie opgesteld.