CConstaterende datOss
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2A Toelichting - bijlage 02 Dorpenweg ong. (nabij nr. 21) Deursen-Dennenburg

Gemeenteraad 12 december 2024, gemeente OssBij agendapunt: A Herstelbesluit vaststelling bestemmingsplan ‘Buitengebied Oss – 2020’28.450 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Gemeentelijk beleid

3.4.1 Structuurvisie Buitengebied Oss - 2015 De gemeente Oss heeft een omvangrijk buitengebied. In de afgelopen jaren zijn de buitengebieden van Oss, Lith en Geffen samengevoegd. Voor de afzonderlijke buitengebieden waren al structuurvisies opgesteld. Het is belangrijk dat de gemeente een integrale visie heeft op het totale buitengebied van de gemeente Oss. Deze visie is samengekomen in de ‘Structuurvisie Buitengebied Oss - 2015’. Het plangebied van deze structuurvisie is het totale buitengebied van de gemeente Oss, met uitzondering van motorcrosscircuit Nieuw-Zevenbergen en vakantiepark Herperduin. De structuurvisie biedt de juridische basis voor financiële bijdragen bij ruimtelijke ontwikkelingen.

Ruimtelijke onderbouwing Dorpenweg 21a en 21b, Ravenstein, pag. 24 van 51 Datum 20-02-2018

In de structuurvisie zijn doelstellingen opgenomen die moeten leiden tot een robuuste en duurzame ruimtelijke structuur voor een vitaal en multifunctioneel buitengebied. Dit moet resulteren in: - Een vitaal buitengebied, waar een goed evenwicht is tussen alle aanwezige functies zoals landbouw, toerisme, recreatie, natuur, water en wonen - Een versterking van de ruimtelijke identiteit met aandacht voor verscheidenheid, ruimte en landelijkheid - Een versterking van de aanwezige landschapstypen: uiterwaarden, oeverwal, komgebied, dekzandrand en dekzandrug - Behoud, herstel en/of ontwikkeling van de landschappelijke, cultuurhistorische en ecologische structuren en elementen - Gebieden met blijvende ruimte en mogelijkheden voor (grondgebonden) landbouw, met name binnen het primaire agrarisch gebied - Voldoende afstand tussen slecht verenigbare functies zoals wonen en intensieve veehouderij - De instandhouding van de leefbaarheid door het zorgvuldig en afgewogen bieden van ruimte aan nieuwe economische dragers - Nieuwe impulsen voor toerisme en recreatie, met bijzondere aandacht voor versterking van de recreatie in de Maashorst en het Maasgebied en het ontwikkelen van aantrekkelijke uitloopgebieden met natuur en recreatie nabij de stad Oss en toeristisch-recreatieve verbindingen tussen kernen op afstand van de Maas en de Maasdijk - Het bieden van ruimte voor waterveiligheid,

waterkwantiteit en waterkwaliteit De bovenstaande doelstellingen worden door vertaald naar een ontwikkelingsvisie per landschapstype. We maken onderscheid tussen: - Uiterwaarden - Oeverwal - Komgebied - Dekzandrand - Dekzandrug - Primair agrarisch gebied Per landschapstype is een gebiedsbeschrijving, een ruimtelijke en een functionele visie opgenomen. Naast de visies per landschapstype zijn er ook ontwikkelingsvisies opgesteld per bebouwconcentratie. Per bebouwingsconcentratie is een beschrijving van de ruimtelijke situatie van het gebied gegeven, evenals een visie over landschappelijke kenmerken en de mogelijkheden voor ontwikkelingen en transformaties. We beschrijven in welke bebouwingsconcentraties de realisatie van nieuwe woningen ruimtelijk voorstelbaar is. Daarnaast geven we aan welke andere functies eventueel mogelijk zijn. Uitgangspunt is nieuwe burgerwoningen in het buitengebied niet gewenst zijn. In hoofdlijn zijn de mogelijkheden voor het bouwen van nieuwe burgerwoningen in het buitengebied beperkt tot drie mogelijkheden: in de vorm van een stedelijke ontwikkeling binnen zoekgebied verstedelijking, in de vorm van een ruimte-voor-ruimte woning binnen een bebouwingsconcentratie, of met de regeling kwaliteitsverbetering bebouwingsconcentraties binnen zoekgebied verstedelijking. Onderhavige locatie is gelegen binnen het landschapstype ‘Oeverwal’.

De oeverwal is een hoger gelegen rug in het landschap en ligt binnendijks op enige afstand van de rivier de Maas. De oeverwal heeft een kleinschalig en halfopen tot besloten karakter. Het gebied is door bewoners intensief in cultuur gebracht. De oude perceelindeling van vóór 1850, is deels nog herkenbaar in het landschap aanwezig. Het verkavelingspatroon is blokvormig en overwegend onregelmatig. Kwaliteiten oeverwal: - Het kleinschalige, halfopen karakter van de oeverwal heeft een hoge belevingswaarde; - De oeverwal heeft een grote cultuurhistorische waarde, door monumentale gebouwen, wielen, grienden, de Maasdijk en oude paden; - De Maasdijk vormt de drager van de oeverwal, waarop de dorpen zijn gelegen als een kralensnoer. Hierdoor is een optimale wisselwerking tussen dorp en het landschap mogelijk - De afwisseling van functies maakt de oeverwal een prettig gebied om te wonen, werken en recreëren; - De oeverwal heeft grote toeristisch-recreatieve waarde.

Ruimtelijke onderbouwing Dorpenweg 21a en 21b, Ravenstein, pag. 25 van 51 Datum 20-02-2018

Bedreigingen oeverwal: - Op de oeverwal dreigen de kleinschaligheid en cultuurhistorisch waardevolle gebieden te verdwijnen door functieveranderingen. Dit is bijvoorbeeld te zien aan verkavelingsstructuren, boomgaarden en wielen. Door het verdwijnen van deze kleinschalige landschapselementen verdwijnt de kleinschaligheid van de oeverwal; - Het toegenomen aantal burgerbewoningen kan de aanwezige agrarische bedrijven belemmeren; - De sterk toegenomen recreatie op de Maasdijk kan het woongenot en verkeersveiligheid aantasten. Hergebruik historische relicten Het beschermen van cultuurhistorische relicten is van groot belang. Beschermen kan door hergebruik mogelijk te maken. Het behoud en mogelijk herstel van oude paden, zoals kerkenpaden, wordt gestimuleerd. De structuurvisie biedt ruimte voor nieuwe functies die de kwaliteiten in het gebied ondersteunen en versterken. Wonen Het buitengebied heeft geen volkshuisvestelijke opgave. Uitgangspunt is dat nieuwe burgerwoningen in het buitengebied niet gewenst zijn. Wonen is in beginsel een stedelijke functie en hoort in de stad Oss en de andere kernen van de gemeente thuis. Door sterk te sturen op inbreiding en herstructurering wordt de stedelijke structuur versterkt en (onnodige) verstening van het buitengebied tegen gegaan.

Bovendien kunnen (burger) woningen in het buitengebied een belemmering vormen voor de ontwikkelingsmogelijkheden van agrarische bedrijven. Aan de andere kant bestaat er nog steeds wel een behoefte aan écht landelijk wonen: vrijstaande woningen in het landelijk gebied. De voorraad bestaande burgerwoningen in het buitengebied lost die vraag grotendeels op. Nieuwbouw van woningen kan alleen binnen bebouwingsconcentraties. Hieraan zijn voorwaarden verbonden. De bouw van een woning moet bijdragen aan de verbetering van de ruimtelijke kwaliteit van het buitengebied. Ook moet de Ruimte-voorruimteregeling, of de regeling kwaliteitsverbetering bebouwingsconcentraties (vroeger Buitengebied in Ontwikkeling) worden toegepast. Naast nieuwbouw, kunnen ook burgerwoningen ontstaan door omschakeling, bijvoorbeeld van een voormalige agrarische bedrijfswoning. In beginsel is deze omschakeling voorstelbaar, op voorwaarde dat omliggende bedrijven niet in hun mogelijkheden worden beperkt. Wonen kan zo bijdragen aan de vitaliteit en de leefbaarheid van het buitengebied. Hetzelfde geldt voor cultuurhistorisch waardevolle bebouwing. Als het bijdraagt aan het behoud, zijn daar ook mogelijkheden voor gebruik als woning. Voor het behoud van grote karakteristieke woonboerderijen is woningsplitsing voorstelbaar.

Voorgenomen ontwikkeling in de bebouwingsconcentratie ‘zuidelijke rand Deursen-Dennenburg’ voorziet in de verruiming van de gebruiksmogelijkheden waarbij naast een kantoorfunctie een woonbestemming en een woonbestemming met de mogelijkheid voor een beroep aan huis mogelijk gemaakt worden. De ontwikkeling draagt bij aan het behoud van een cultuurhistorisch waardevol pand. De ontwikkeling veroorzaakt geen belemmering voor de in de omgeving gelegen veehouderijbedrijven. Concluderend kan gesteld worden dat onderhavige ontwikkeling past binnen de kaders van de structuurvisie. 3.4.2 Toekomstvisie Oss op weg naar 2020 De toekomstvisie ‘Oss op weg naar 2020’ (2004) is richtinggevend voor de beleidsontwikkeling op de langere termijn. Eén van de potenties van Oss ligt volgens deze visie in het gevarieerde landelijk gebied waarin zich tal van kleine kernen bevinden. Uitgangspunt is het werken aan het behoud van het platteland met zijn rust en ruimte, aantrekkelijke kleinschalige toeristische voorzieningen en aan de ontplooiing van levenskrachtige dorpen. Een andere potentie ligt in het werken aan een duurzame gemeente. Duurzame ontwikkeling van natuur, landschap en ecologie draagt bij aan de leefkwaliteit. De toekomstvisie stelt dat Oss vele ‘kostbare’ plekjes kent en een groots landschap, met ruimte voor landbouw en natuur.

‘Het bewaren van dat kostbare voor de toekomst is een opdracht die we onszelf stellen’. Onderhavige ontwikkeling, welke bijdraagt aan het behoud van een cultuurhistorisch waardevol pand, past binnen de ‘Toekomstvisie Oss op weg naar 2020’.

Ruimtelijke onderbouwing Dorpenweg 21a en 21b, Ravenstein, pag. 26 van 51 Datum 20-02-2018

3.4.3 Nota Landschapsbeleid - 2015 Binnen de gemeente Oss bestaat grote aandacht voor het landschap en het landelijke gebied. De Nota Landschapsbeleid -2015 zorgt voor een beleidskader welke een sturende werking heeft bij ruimtelijke ontwikkeling in het buitengebied. Ruimtelijke ingrepen en nieuwe functies in het buitengebied hebben een grote uitstraling naar de omgeving. Dit betekent dat bij deze ingrepen (bijvoorbeeld de bouw van agrarische bedrijfsgebouwen) eisen aan de landschappelijke inpassing van objecten moeten worden gesteld. De gemeente wordt verder geconfronteerd met de aanleg (of juist verwijdering) van (landschaps)elementen door particulieren op agrarische percelen in het buitengebied. Dergelijke initiatieven komen vaak niet overeen met de ter plaatse aanwezige en te behouden landschappelijke kwaliteit (bijvoorbeeld behoud van openheid of gebruik van niet-inheemse boomsoorten). Goede toetsingskaders en sturingsinstrumenten zijn voor bescherming maar ook voor ontwikkeling van het landschap onmisbaar. In de Nota Landschapsbeleid - 2015 wordt per deelgebied beschreven wat de landschappelijke visie is. De verschillende deelgebieden zijn: - Uiterwaarden - Oeverwal - Komgebied - Dekzandrand - Dekzandrug Per deelgebied wordt aangegeven wat de ontwikkelingsvisie is. Daarbij worden aandachtspunten voor uitwerking en uitvoering geschetst.

In onderhavige situatie is er geen sprake van het toevoegen of veranderen van bebouwing of landschapselementen. Er is slechts sprake van een interne verbouwing. De aanwezige groenelementen blijven gehandhaafd. Daarnaast wordt aan de wegzijde het perceel voorzien van een meidoorn haag. 3.4.6 Archeologie en Cultuurhistorie Archeologie: wettelijk kader De gemeente is op basis van artikel 38a van de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz) verplicht om rekening te houden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten. Archeologie: gemeentelijk en provinciaal beleid Beleidsmatig heeft de gemeente Oss voornoemde wettelijke plicht vertaald in de nota ‘Archeologiebeleid gemeente Oss 2010’, vastgesteld door de gemeenteraad op 14 oktober 2010. Voor wat betreft het grondgebied van de voormalige gemeente Lith, is er nog geen vastgesteld archeologiebeleid maar wel een conceptversie die bruikbaar is als onderbouwing in bestemmingsplantoelichtingen. In de beleidsnota is het grondgebied van de gemeente onderverdeeld in gebieden met verschillende (archeologische) verwachtingswaarden. Er kan sprake zijn van een hoge, een middelhoge of een lage verwachtingswaarde. In het beleid is vastgelegd welke acties moeten worden ondernomen bij voorgenomen ontwikkelingen/werkzaamheden.

Een en ander is afhankelijk van de gebiedscategorie (laag, middelhoog, hoog: zie verderop) waarin de voorgenomen ontwikkeling is gelegen. Zo moet in gebied met een hoge archeologische verwachtingswaarde onderzoek uitgevoerd worden indien de oppervlakte van de ontwikkeling 18 m² of meer bedraagt en de bodem dieper dan 30 cm geroerd wordt. In gebied met een middelhoge verwachtingswaarde is het criterium een oppervlakte van 1000 m² of meer en dieper dan 30 cm roering. Voor bepaalde ook anderszins waardevolle gebieden, zoals historische stadskernen en beschermde stadsgezichten, gelden weer andere criteria. Het verdient aanbeveling om aan de ‘voorkant’, dat wil zeggen voordat de ruimtelijke onderbouwing of plantoelichting wordt opgesteld, onderzoek te doen. Afhankelijk van de verwachtingswaarde van het gebied waarin de ontwikkeling is voorgenomen, kan dat een bureauonderzoek, een booronderzoek, een proefsleuvenonderzoek of een daadwerkelijk opgravingsonderzoek zijn. In geval van onderzoek vooraf is wellicht, uiteraard afhankelijk van de uitkomst daarvan, geen bescherming nodig door het opnemen van een zogenaamde dubbelbestemming in de planregels. Daarover hieronder meer. Indien vooraf geen onderzoek is gedaan is het in elk geval noodzakelijk dat de archeologische (verwachtings)waarde beschermd wordt door borging in de planregels.

Het provinciale archeologisch beleid is neergelegd in de Verordening ruimte en op de provinciale Cultuurhistorische waardenkaart 2010. Hierin is de bescherming van aardkundig waardevolle gebieden en archeologische landschappen geregeld.

Ruimtelijke onderbouwing Dorpenweg 21a en 21b, Ravenstein, pag. 27 van 51 Datum 20-02-2018

Het gemeentelijk archeologisch beleid is veel gedetailleerder dan het algemene provinciale beleid op dit punt en prevaleert daarom ook boven het provinciale archeologisch beleid. Overigens is het gemeentelijk beleid getoetst door de provincie en akkoord bevonden. Archeologie: bestemmingsplanregels en regels in provinciale Verordening ruimte Zoals hierboven ook al kort aangestipt vertaalt de gemeente Oss de wet (Wamz) en het archeologisch beleid ook door in standaard bestemmingsplanregels. Zo heeft de gemeente bestemmingsplanregels (dubbelbestemmingen: dat wil zeggen dat deze naast de hoofdbestemming gelden) voor bescherming van historische kernen, beschermde monumenten, monumenten en voor gebieden met een middelhoge of hoge archeologische verwachtingswaarde. Met deze regels kan, ter bescherming van archeologische waarden, worden bepaald wanneer er een omgevingsvergunning voor bepaalde werkzaamheden nodig is, wanneer dat niet het geval is en onder welke omstandigheden en met welke nadere eisen en voorwaarden een omgevingsvergunning kan worden verleend. Ook de provinciale Verordening ruimte bevat regels ter bescherming van aardkundig waardevolle gebieden en archeologische landschappen.

Bescherming van deze laatste categorie geschiedt doordat de ‘vlakken’ met aanduiding archeologisch landschap overeenkomen met de aanduiding aardkundig waardevolle gebieden in de Verordening ruimte. Cultuurhistorie In 2004 heeft de gemeente het ‘Erfgoedplan gemeente Oss’ opgesteld. In dit Erfgoedplan wordt zo goed mogelijk in beeld gebracht welke monumentale, archeologische, cultuurhistorische en landschappelijke waarden de gemeente kent. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen dient rekening te worden gehouden met de aanwezige cultuurhistorische waarden. Een belangrijk aspect in dit beleid is een integrale aanpak van het erfgoed in de gemeente. Hieronder vallen monumentenzorg, archeologie en cultuurhistorische waarden in het landschap. Dat wil zeggen, het behoud en beheer van het monumentale gebouw of object blijft alle aandacht en zorg houden, maar de methoden om dit behoud te garanderen zijn in een groter verband geplaatst. Om deze reden is sprake van een ontwikkeling van zorg voor gebouwen naar integraal beheer van cultuurhistorisch erfgoed. De zorg en zorgvuldige omgang met archeologische en landschappelijke waarden speelt hierin mee. Door deze gewijzigde benadering is het van belang in een vroeg stadium van stadsontwikkeling of gebiedsverandering de positie van monumenten en van archeologische en cultuurhistorische landschappelijke waarden zo optimaal mogelijk te bepalen.

Positief gevolg hiervan is dat monumenten, archeologische gegevens en landschap meewegen en zo mogelijk het uitgangspunt gaan vormen voor ruimtelijke ontwikkelingen. De bescherming van rijksmonumenten en gemeentelijke monumenten is geregeld in de Monumentenwet 1988 en in de Monumentenverordening Oss die in 2010 is vastgesteld. In de verordening zijn verbodsbepalingen met betrekking tot beschermde monumenten opgenomen. De beschermde monumenten staan vermeld in de gemeentelijke monumentenlijst. De monumenten zijn tevens opgenomen in de Welstandsnota gemeente Oss. Ze vallen als specifieke objecten onder welstandsniveau 1. De bescherming van monumenten vindt aldus via twee sporen plaats. Voor het bouwen op, bij, aan of in een monument is altijd een omgevingsvergunning nodig. De welstandstoetsing maakt deel uit van de omgevingsvergunningsprocedure. Wanneer een te verbouwen bouwwerk onder de werking valt van de Monumentenwet 1988 of van een gemeentelijke verordening is, naast een omgevingsvergunning voor het bouwen tevens een ‘monumentenvergunning’ nodig. Beide toetsen verschillen inhoudelijk. De ‘monumentale’ toetsing vindt plaats aan de hand van de redengevende beschrijving die ten grondslag heeft gelegen aan de aanwijzing tot monument.

De wijziging aan het bouwwerk wordt beoordeeld binnen het kader van de monumentale en historische waarde ervan zoals vastgelegd in de beschrijving. In de welstandstoetsing wordt het te wijzigen bouwwerk beoordeeld naar redelijke eisen van welstand van het bouwwerk op zichzelf (aan de hand van de in de welstandsnota vastgelegde welstandscriteria) en in relatie tot zijn omgeving. Met betrekking tot dat laatste aspect is in de welstandsnota geregeld dat bij toetsing van een bouwplan aan omliggende panden, binnen een straal van 25 meter van een monument rekening dient te worden gehouden met de uitstraling van het monument. De bescherming van gemeentelijke stads- of dorpsgezichten is eveneens geregeld in de Monumentenverordening 2010. Hierin is opgenomen dat de gemeenteraad ter bescherming van een beschermd gemeentelijk stads- of dorpsgezicht een bestemmingsplan vaststelt.

Ruimtelijke onderbouwing Dorpenweg 21a en 21b, Ravenstein, pag. 28 van 51 Datum 20-02-2018

Voorgenomen ontwikkeling gaat niet met een bodemverstoring gepaard. Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor de uitvoering van onderhavig plan. Met betrekking tot het aspect cultuurhistorie kan vermeld worden dat onderhavige ontwikkeling bijdraagt aan het behoud van de cultuurhistorische waarden van het pand. 3.4.8 Verkeer Mobiliteitsvisie, Balans in beweging In de mobiliteitsvisie (2009) staan drie begrippen centraal; bereikbaarheid, verkeersveiligheid en leefbaarheid. Het centrale doel van de mobiliteitsvisie is het in balans brengen van de bereikbaarheid, leefbaarheid en veiligheid in de gemeente, nu en in de toekomst. Om deze balans te bereiken streeft de gemeente naar een verschuiving in het gebruik van vervoerswijzen. Een groter deel van de verplaatsingen moet plaats gaan vinden met de fiets of met het openbaar vervoer. Dit is nodig om Oss bereikbaar en leefbaar te houden. Oss wil de verschuiving bereiken door het gebruik van fiets en openbaar vervoer te stimuleren. Deze vervoerswijzen moeten veilig en comfortabel zijn en men moet snel op de plaats van bestemming kunnen komen. De goede bereikbaarheid is met name gericht op de economisch belangrijke gebieden van Oss. De bedrijventerreinen vallen hieronder. De doorstroming op de wegen naar de bedrijventerreinen (i.c. N329) moet optimaal zijn.

Hoewel de bereikbaarheid van de economisch belangrijke gebieden voor alle vervoerswijzen goed moet zijn, streeft de gemeente wel naar een verschuiving van vervoerswijze. Korte verplaatsingen moeten bij voorkeur per fiets of te voet afgelegd worden en niet per auto. Voor het vervoer van goederen zal het gebruik van water en spoor verder gestimuleerd worden. In de uitwerkingsfase zullen de doelstellingen uit de visie langs drie lijnen worden uitgewerkt: infrastructuur, gedrag en organisatie. Er heeft inmiddels een uitwerking plaatsgevonden in de deelplannen Wegen, Fiets, Openbaar Vervoer en Gedrag. Op basis van de CROW-publicatie nr. 256 'Verkeersgeneratie woon- en werkgebieden' kan gesteld worden dat er door de woning ca. 7 motorvoertuigbewegingen per werkdagetmaal zijn te verwachten. 2

Binnen het Beleid aan huis gebonden activiteiten van de gemeente Oss is 35 m ten behoeve van een aan huis gebonden activiteit rechtstreeks toegestaan. Dit komt overeen met ca. 3 motorvoertuigbewegingen. Een kantoor (zonder baliefunctie) heeft in het buitengebied een verkeersgeneratie van ca. 8 2 motorvoertuigbewegingen per 100 m bvo. Binnen de huidige bestemming is een kantoor toegestaan met 2 een oppervlakte van maximaal 240 m . Dit komt overeen met ca. 19 motorvoertuigbewegingen. Het huidige motorvoertuigen, 19 stuks, bedraagt ook in de toekomstige situatie het maximale aantal motorvoertuigen dat de locatie bezoekt. Concluderend kan gesteld worden dat voorgenomen ontwikkeling niet leidt tot een toename van het aantal voertuigbewegingen. Parkeren Op 22 augustus 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders de nota “parkeernormen voor woonwijken” vastgesteld. In deze notitie staat beschreven welke parkeernormen gehanteerd moeten worden bij nieuwe projecten (zowel uitbreidingen als herstructurering). Uitgangspunt voor herontwikkeling is dat het parkeren op eigen terrein dient te worden opgelost. In de huidige situatie zijn reeds voldoende parkeerplaatsen aanwezig. Direct bij het pand ligt een eigen parkeerterrein met 8 plaatsen. Voor Dorpenweg 21 zijn 4 parkeerplaatsen ter beschikking. Een deel van de parkeerplaatsen kan worden omgezet naar tuin bij de woning.

Verkeer: ontsluitingswegen Voorgenomen ontwikkeling leidt tot een afname van het aantal voertuigbewegingen. Door het project zijn dan ook geen verkeerstechnische problemen te verwachten. 3.4.11 Beleid aan huis gebonden activiteiten Op 22 november 2012 heeft de gemeenteraad het Beleid aan huis gebonden activiteiten - Actualisatie 2012 vastgesteld. Het beleid voor aan huis gebonden activiteiten is opgesteld om mogelijkheden te

Ruimtelijke onderbouwing Dorpenweg 21a en 21b, Ravenstein, pag. 29 van 51 Datum 20-02-2018

bieden aan ondernemen vanuit de eigen woning. Door de jaren heen zijn de activiteiten die aan huis worden ondernomen steeds meer divers geworden. Het gaat allang niet meer alleen om een huisarts of accountant aan huis. Er is een breed scala dat aan huis uitgeoefend kan worden. Voorbeelden zijn een adviesbureau, pedicure of afslanksalon. Ook komen er steeds vaker vragen om kleinschalige cursussen te mogen geven, voor kleinschalige kinderopvang, ambachtelijke bedrijfjes of een bed en breakfast. Met het beleid wordt ingespeeld op de veranderende inzichten over aan huis gebonden activiteiten. Er wordt ruimte gegeven aan deze nieuwe vormen om vanuit de thuissituatie te werken. Het gaat dus altijd om een bewoner die de activiteit uitvoert. Een andere belangrijke voorwaarde is steeds dat de activiteit zich goed verhoudt met de woonomgeving. Het beleid aan huis gebonden activiteiten is er op gericht om zoveel mogelijk rechtstreeks toe te staan. Er is een lijst opgesteld met een breed scala aan activiteiten die rechtstreeks mogen worden uitgeoefend in de woning. Deze lijst is als bijlage opgenomen in de toelichting van het bestemmingsplan. Bij het opstellen van de lijst van rechtstreeks toegestane activiteiten is de woonomgeving het uitgangspunt geweest.

Dit houdt in dat er geen bedrijven op staan die veel verkeer aantrekken of activiteiten die milieuhinder veroorzaken, die niet past in een woonomgeving. Het oppervlak van de 2 rechtstreeks toegestane activiteiten is 35m . Maar niet alle activiteiten kunnen rechtstreeks in een woning worden uitgevoerd. Soms is een toetsing vooraf nodig. Als dit positief is, wordt toestemming verleend in de vorm van een ‘omgevingsvergunning waarbij van het bestemmingsplan wordt afgeweken’. Bij deze afweging spelen publieksaantrekkende werking en milieu- en verkeersaspecten altijd een rol. Voorbeelden van activiteiten waarbij een toetsing vooraf nodig is zijn: een groter oppervlak dan het 2 toegestane 35 m , andere activiteiten dan die in de lijst zijn opgenomen of groepsmatige activiteiten. In het nieuwe beleid worden de mogelijkheden voor dit afwijkend gebruik beschreven. Voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor afwijkend gebruik moet de aanvrager een concrete aanvraag om toestemming bij de gemeente indienen.

Ruimtelijke onderbouwing Dorpenweg 21a en 21b, Ravenstein, pag. 30 van 51 Datum 20-02-2018

Hoofdstuk 4

Verantwoording

4.1 Milieu- en omgevingsaspecten In deze paragraaf wordt ingegaan op de milieu- en omgevingsaspecten die verband houden met, of betrekking hebben op de ruimtelijke ontwikkeling. Het gaat daarbij meestal om de wisselwerking met de omgeving. Welke gevolgen heeft het initiatief voor de omgeving en omwonenden? Maar ook, welke gevolgen hebben activiteiten in de omgeving voor de mogelijkheden op de projectlocatie? Achtereenvolgens komen de volgende aspecten aan bod: - Bedrijven en milieuzonering (§ 4.1.1) - Bodem (§ 4.1.2) - Externe veiligheid (§ 4.1.3) - Geurhinder: agrarisch (§ 4.1.4) - Geur: industrieel (§ 4.1.5) - Luchtkwaliteit (§ 4.1.6) - Mobiliteit en parkeren (§ 4.1.7) - Straling (§ 4.1.8) - Water (§ 4.1.9) - Weg-, spoor-, en industrielawaai (§ 4.1.10) 4.1.1 Bedrijven en milieuzonering Een goede ruimtelijke ordening voorkomt hinder en gevaar. Dit kan door voldoende afstand te houden tussen milieubelastende activiteiten van bedrijven en gevoelige functies, zoals woningen. Het doel van milieuzonering is om de kwaliteit van het woon- en leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Daarnaast kan milieuzonering bedrijven voldoende zekerheid bieden om hun activiteiten duurzaam uitvoeren. De handreiking Bedrijven en milieuzonering van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) geeft richtafstanden om de milieuzonering van bedrijven te kunnen bepalen. Op ca.

40 meter afstand van de nieuwe woning is het klooster Soeterbeeck gelegen. Het klooster is bestemd als een studiecentrum. Voor onderwijsgebouwen wordt op basis van de handreiking Bedrijven en Milieuzonering een richtafstand van 30 meter tot aan gevoelige functies gehanteerd. Op een afstand van ca. 157 meter is het dichtstbij gelegen agrarisch bedrijf gelegen met als nadere functieaanduiding ‘intensieve veehouderij’. In onderstaande tabel zijn de richtafstanden op basis van de ‘Bedrijven en Milieuzonering’ (2009) weergegeven. Bedrijf

Fokken en houden van varkens

SBI-2008

0146

Afstand VNG Gemengd gebied geur

stof

geluid

gevaar

200

30

50

0

De grootste minimaal aan te houden richtafstand is 200 meter, waarbij het aspect geurhinder bepalend is voor deze minimaal aan te houden afstand. Voor het aspect geur wordt niet voldaan aan de voorkeursafstand. Voor de overige aspecten wordt aan de afstanden voldaan. Voor de aspecten geluid, stof en gevaar kan gesteld worden dat er ter plaatse van voorgenomen woning (kantoorfunctie was reeds aanwezig), op basis van bedrijven en milieuzonering sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. De inrichting is een bestaand agrarisch bedrijf voor het houden van varkens. Dit bedrijf valt voor het aspect geur onder de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv). In paragraaf 4.1.4 wordt nader op het aspect geur ingegaan. Op basis van het gestelde in paragraaf 4.1.4 kan geconcludeerd worden dat de verruiming van de gebruiksmogelijkheden naar wonen en wonen met kantoor ter plaatse van de Dorpenweg 21a en 21b een aanvaardbaar woon- en leefklimaat garandeert. Daarnaast wordt niemand onevenredig in zijn belangen geschaad. Daarbij kan de omgeving gezien worden als een gebied met functiemenging; agrarische bedrijven, burgerwoningen (al dan niet met nevenactiviteiten) en niet-

Ruimtelijke onderbouwing Dorpenweg 21a en 21b, Ravenstein, pag. 31 van 51 Datum 20-02-2018

agrarische bedrijven grenzen hier aan elkaar. Hierdoor zouden de genoemde richtafstanden met één afstandsstap verlaagd kunnen worden. Wat betreft het aspect geur betekend dit een halvering van de richtafstand. Hiermee kan met nog meer zekerheid worden gesteld dat er sprake is van voldoende afstand. Op ca. 300 meter afstand is het bedrijventerrein ‘De Kolk’ gevestigd. Bij het opstellen van het bestemmingsplan ‘Bedrijventerrein De Kolk’ is rekening gehouden met de in de omgeving gelegen woningen. Er worden bedrijven toegestaan tot maximaal milieucategorie 3.2. Door de nieuwe gebruiksfunctie wonen worden de huidige en eventuele nieuwe bedrijven op het bedrijventerrein niet belemmerd. Voor het aspect ‘bedrijven en milieuzonering’ zijn er geen belemmeringen voor het toestaan van een woning of een woning met een bedrijf aan huis op deze locatie. 4.1.2 Bodem Op basis van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening en artikel 3.2 Algemene wet bestuursrecht, moet in planvorming rekening gehouden worden met de bodemkwaliteit in relatie tot de gewenste functies. In de Bouwverordening van de gemeente Oss is geregeld dat onder bepaalde omstandigheden het oprichten van gebouwen pas kan plaatsvinden als de bodem geschikt is (of geschikt is gemaakt) voor het beoogde doel.

Om die reden dient bij iedere nieuwbouwactiviteit de bodemkwaliteit door middel van onderzoek te worden vastgesteld. De mate waarin beoordeling van de bodemkwaliteit aan de orde is, is met name afhankelijk van aard en omvang van de functiewijzing. Beoordeling van het aspect bodemkwaliteit is in principe niet van toepassing, omdat er geen uitbreidingen/bouwactiviteiten plaatsvinden waarbij roering in de aarde/bodem plaatsvindt. Het gaat slechts en uitsluitend om een interne verbouwing. Het bestaande pand was al geschikt voor menselijk verblijf (kantoor). In het kader van dit plan is een onderzoek conform NEN5725 uitgevoerd (zie bijlage). Op grond van dit onderzoek kan worden geconcludeerd dat er geen bodem technische bezwaren bestaan tegen de voorgenomen planontwikkeling. 4.1.3

Externe veiligheid

Rijkskader Externe veiligheid behandelt de risico's die ontstaan als gevolg van opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen. Deze risico’s kunnen hun weerslag hebben op de omgeving. Het wettelijke kader voor externe veiligheid bestaat onder meer uit: - het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) - de circulaire Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen (cRNVGS) - het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Enerzijds gaat het over de risicobronnen (bedrijven of transportroutes). Anderzijds gaat het over de risicoontvangers (omstanders die niets met de opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen te maken hebben). Wat betreft de risico-ontvangers maakt de wetgeving onderscheid in kwetsbare objecten en beperkt kwetsbare objecten. Kwetsbare objecten zijn gebouwen, waarin (of waarbij) groepen van circa 50 personen of groter, gedurende langere aaneengesloten tijd verblijven. Ook sommige gebouwen waarin/waarbij kleinere groepen verblijven, worden als kwetsbaar object gezien, wanneer die personen beperkt zelfredzaam zijn (zoals zieken, bejaarden of gehandicapten). Beperkt kwetsbare objecten zijn verspreid liggende woningen en bedrijven waarin/waarbij groepen van minder dan 50 personen gedurende langere aaneengesloten tijd verblijven.

In de landelijke wetgeving wordt meer gedetailleerd beschreven wat er onder kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten wordt verstaan. Belangrijk is hierbij dat de opsomming in de wetgeving niet limitatief is, zodat er in de verdere uitwerking van het beleid nog enige vrijheid rest. Verder maakt de wetgever onderscheid tussen het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico (PR) geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden als gevolg van een

Ruimtelijke onderbouwing Dorpenweg 21a en 21b, Ravenstein, pag. 32 van 51 Datum 20-02-2018

ongeval met gevaarlijke stoffen. De kans heeft betrekking op een fictief persoon die continu op die plaats aanwezig is. Het PR kan op de kaart worden weergegeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. De wetgever schrijft voor hoe moet worden omgegaan met de PR 10-6/jaar. Binnen deze contour heeft iemand die hier continu aanwezig is de kans van 1 op één miljoen om te overlijden als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico (GR) is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang. Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting bij een calamiteit. Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Dit invloedsgebied wordt begrensd door de 1% letaliteitsgrens (tenzij anders bepaald): de afstand waarop niet meer dan 1% van de blootgestelde mensen in de omgeving komt te overlijden bij een calamiteit met gevaarlijke stoffen. Gemeentelijk kader Ook in de gemeente Oss zijn risicobronnen aanwezig in de vorm van transportassen en stationaire activiteiten. Dit vraagt om een gemeentelijke visie. Op 19 mei 2011 heeft de gemeenteraad de Beleidsvisie Externe veiligheid vastgesteld. Deze beleidsvisie beschrijft op welke manier de gemeente Oss externe veiligheid in haar afwegingen betrekt.

In dit geval is de locatie gelegen op een afstand van circa 280 meter van de een spoorlijn. Vanuit de beleidsvisie is er sprake van een verantwoording ‘zwaarte 2’. Een toetsing zwaarte 2 betekend dat er sprake zal zijn van goede zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. Met zelfredzaamheid wordt het zichzelf kunnen onttrekken aan een dreigend gevaar, zonder daadwerkelijke hulp van hulpverleningsdiensten. Het pand zal gebruikt worden voor kantoor (huidige functie), bewoning en bewoning in combinatie met een beroep aan huis. De gebruikers zullen hierdoor zelfstandig kunnen vluchten dan wel schuilen. De zelfredzaamheid is hier als goed te beoordelen. Daarnaast geldt dat de bestrijdbaarheid van de locaties als goed beoordeeld wordt. Zo is de locatie is goed bereikbaar en zijn er twee vluchtroutes. Om de gevolgen van een eventuele calamiteit te beperken, kan het gewenst zijn om bouwkundige maatregelen te nemen. Bijvoorbeeld door de schuilmogelijkheden te vergroten. In dit geval betreft het een reeds bestaand, cultuurhistorisch waardevol pand. Het nemen van bouwkundige maatregelen is hierdoor niet mogelijk. Het karakter van het pand zal te veel aangetast worden.

Uitsnede risicokaart

Ruimtelijke onderbouwing Dorpenweg 21a en 21b, Ravenstein, pag. 33 van 51 Datum 20-02-2018

-6

Volgens de risicokaart externe veiligheid is het projectgebied niet gelegen binnen de risicocontour 10 van inrichtingen, buisleidingen en transportroutes. De afstand tot aan de spoorlijn bedraagt ruim 280 meter. Dit maakt dat er sprake is van een toetsing zwaarte twee. Deze is toetsing is voor de locaties uitgevoerd en hieruit zijn geen belemmeringen naar voren gekomen. 4.1.4

Geurhinder: agrarisch

De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) is het beoordelingskader voor geur bij milieuvergunningen, bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen. Het gaat uitdrukkelijk om agrarische geur van landbouwhuisdieren uit dierstallen. De wet maakt onderscheid tussen geurnormen voor intensieve en extensieve veehouderijen. De geurbelasting van intensieve veehouderijen wordt berekend en uitgedrukt in de vorm van een geurcontour. De geurbelasting van extensieve veehouderijen wordt uitgedrukt in vaste afstanden. De gemeente Oss heeft op basis van de wet een eigen geurbeleid opgesteld. Het geurbeleid bestaat uit twee delen: de “Geurgebiedsvisie 2013” en de “Agrarische geurverordening gemeente Oss 2013”. Het hanteert per soort gebied een eigen geurnorm en streeft de volgende doelen na: - de burger beschermen tegen geurhinder - de veehouderijen niet onnodig beperken - ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk maken, onder de voorwaarde dat er een aanvaardbaar woonen leefklimaat is. De gemeentelijke “Beleidsregel ruimtelijke ontwikkelingen en geurhinder” is van belang voor de vraag of een ruimtelijke ontwikkeling kan plaatsvinden. De beleidsregel geeft aan wanneer sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. In de geurverordening wordt uitgegaan van normen voor de maximale geurbelasting in de vorm van voorgrond- en achtergrondbelasting.

Bij het stellen van deze normen worden verschillende gebiedstypen onderscheiden: stedelijke woonkern, landelijke woonkern, buitengebied, landbouwontwikkelingsgebied etc. Verder wordt bij het stellen van normen gekeken naar het aantal (intensieve) veehouderijen in de omgeving en hun omvang.

Ruimtelijke onderbouwing Dorpenweg 21a en 21b, Ravenstein, pag. 34 van 51 Datum 20-02-2018

Geurnorm verordening 2013 Voor het plangebied geldt een geurnorm van 8 Ou voor de voorgrondbelasting. Voor de achtergrondbelasting worden de volgende streef- en toetswaarden gehanteerd:

Bij de voorbereiding van het nieuwe geurbeleid, zoals vastgelegd in de “Geurgebiedsvisie 2016”, zijn berekeningen van de achtergrondbelasting gemaakt. Uit de beoordeling van de indicatieve achtergrondbelasting ten aanzien van geurhinder wordt geconcludeerd dat het leefklimaat in het plangebied als ‘redelijk goed’ kan worden beschouwd.

Agrarische geurgebiedsvisie Oss 2013 – Achtergrond geurbelasting

Belangen veehouderij en derden

Ruimtelijke onderbouwing Dorpenweg 21a en 21b, Ravenstein, pag. 35 van 51 Datum 20-02-2018

De planlocatie ligt binnen de 8 Odeur geurcontour van de varkenshouderij aan de Elleboogstraat 1. Het omzetten van kantoor naar wonen en werken is geen verandering vin de geurgevoeligheid van het gebouw. In die zin is verruiming van de gebruiksfunctie met naast kantoor wonen en wonen met kantoor aan huis geen belemmering voor de veehouderijen. De omzetting kan doorgang vinden. 4.1.5 Geur: industrieel Het nationale industriële geurbeleid is vastgelegd in de Nederlandse emissierichtlijn (NeR). De brief van het ministerie van Infrastructuur en Milieu van 30 juni 2005 stelt het rijksbeleid in grote lijnen vast. Het algemene uitgangspunt is het voorkomen van (nieuwe) hinder. Dit uitgangspunt vormt samen met het toepassen van de Beste Beschikbare Techniek (BBT) de kern van het geurbeleid. Uitgangspunten van het rijksbeleid zijn: - als er geen hinder is, zijn maatregelen niet nodig; - als er wel hinder is, worden maatregelen getroffen op basis van het Beste Beschikbare Techniekprincipe; - de gemeente stelt vast welke mate van hinder acceptabel is. Gemeenten en provincies hebben de bevoegdheid om een eigen geurbeleid vast te stellen. De provincie Noord-Brabant heeft een eigen geurbeleid voor provinciale bedrijven, de Beleidsregel beoordeling geurhinder omgevingsvergunningen industriële bedrijven Noord-Brabant. De gemeente Oss heeft geen eigen industrieel geurbeleid.

Per situatie stelt de gemeente Oss vast of sprake is van een acceptabel geurniveau. Er zijn verschillen in het niveau van bescherming mogelijk. Voor een bedrijfswoning kan bijvoorbeeld een hogere geurbelasting gehanteerd worden dan voor aaneengesloten woonbebouwing. In de omgeving van het plangebied zijn geen industriële bestemmingen gelegen welke geur uitstoten. Voorgenomen ontwikkeling wordt aldus niet belemmerd door de geur afkomstig van industrie in de omgeving van het plangebied. 4.1.6 Luchtkwaliteit Het beleid en de regelgeving over luchtkwaliteit heeft tot doel om mensen te beschermen tegen de gezondheidseffecten van luchtverontreiniging. Ze bevatten luchtkwaliteitsnormen voor verschillende stoffen. Ruimtelijke plannen of projecten die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit, zoals bestemmingsplannen, dienen getoetst te worden aan de Wet milieubeheer (afdeling 5.2.). Deze wet bevat grenswaarden voor de stoffen zwaveldioxide, stikstofdioxide, stikstofoxiden, fijn stof, lood, benzeen en koolmonoxide in de buitenlucht. In Nederland zijn de maatgevende luchtverontreinigende stoffen stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Overschrijding van de grenswaarden van andere stoffen komt bijna niet voor. De wet maakt onderscheid tussen kleine en grote ruimtelijke projecten. Kleine projecten zijn projecten die de luchtkwaliteit niet ‘in betekende mate’ (NIBM) verslechteren.

Deze projecten hoeven niet meer beoordeeld te worden op luchtkwaliteit. Ze zijn namelijk zo klein dat ze geen wezenlijke invloed hebben op de luchtkwaliteit. Er is geen belemmering als een klein project niet of nauwelijks bij draagt aan luchtverontreiniging, óók niet in overschrijdingsgebieden (gebieden met te veel luchtvervuiling). De ministeriële Regeling NIBM geeft aan in welke gevallen een nieuw project in ieder geval een NIBMproject is. Dit is bijvoorbeeld het geval als er minder dan 500 woningen worden gebouwd bij minimaal één ontsluitingsweg, of minder dan 1.000 woningen bij twee ontsluitingswegen. Het Besluit gevoelige bestemmingen beperkt de vestiging van zogeheten ‘gevoelige bestemmingen’, zoals een school, in de nabijheid van provinciale en rijkswegen. Het besluit is gericht op bescherming van mensen met een verhoogde gevoeligheid voor fijn stof (PM10) en stikstofdioxide (NO2), met name kinderen, ouderen en zieken. Daartoe voorziet het besluit in zones waarbinnen luchtkwaliteitsonderzoek nodig is: 300 meter aan weerszijden van rijkswegen en 50 meter langs provinciale wegen, gemeten vanaf de rand van de weg. Waar in zo’n onderzoekszone de grenswaarden voor PM10 of NO2 (dreigen te) worden overschreden, mag het totaal aantal mensen dat hoort bij een ‘gevoelige bestemming’ niet toenemen.

Dit wordt bereikt door op zo’n plek de vestiging van bijvoorbeeld een school niet toe te staan. Bij uitbreidingen van bestaande gevoelige bestemmingen is een eenmalige toename van maximaal 10% van het totale aantal blootgestelden toegestaan. De volgende gebouwen met de bijbehorende terreinen zijn aangemerkt als gevoelige bestemming: scholen, kinderdagverblijven, en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Het gaat hierbij niet om bestemmingen in de meest enge zin van het woord, maar om alle vergelijkbare

Ruimtelijke onderbouwing Dorpenweg 21a en 21b, Ravenstein, pag. 36 van 51 Datum 20-02-2018

functies, ongeacht de exacte aanduiding ervan in bestemmingsplannen en andere besluiten. Van doorslaggevend belang is de (voorziene) functie van het gebouw en het bijbehorende terrein. In de context van dit besluit worden ziekenhuizen, woningen en sportaccommodaties dus niet als gevoelige bestemming gezien. De gemeente heeft geen eigen regelgeving en beleid over luchtkwaliteit. Blijkens de ‘Regeling niet in betekende mate’ is er geen onderzoek nodig voor woningbouwlocaties, indien een dergelijke locatie, in geval van één ontsluitingsweg, netto niet meer dan 500 nieuwe woningen omvat. Het initiatief betreft het wijzigen van de huidige bestemming van het perceel in een woonbestemming, waarbij het mogelijk is om een kantoor aan huis te voeren. Er worden vanwege het aspect luchtkwaliteit geen belemmeringen verwacht. Een specifiek luchtkwaliteitsonderzoek is derhalve niet noodzakelijk. Goed woon en leefklimaat Het RIVM maakt jaarlijks kaarten met grootschalige concentraties (in vaktermen GCN) en deposities (GDN) in Nederland in het kader van natuur- en milieubeleid. De kaarten zijn gebaseerd op een combinatie van modelberekeningen en metingen en zijn bedoeld voor het geven van een grootschalig beeld van de luchtkwaliteit en depositie in Nederland zowel voor jaren in het verleden als in de toekomst.

Ter hoogte van het plangebied gelden voor het jaar 2020 de volgende waarden: 3 Fijn stof ca. 22 µg/m (grenswaarde 40 µg/m3 jaargemiddelde) Stikstof ca. 18 µg/m3 (grenswaarde 40 µg/m3 jaargemiddelde) Volgens de kaarten van het RIVM is de luchtkwaliteit ter plaatse voldoende voor de verblijfsfunctie. Uit bovenstaande kan worden geconcludeerd dat er ter plaatse van de woning in het kader van het aspect luchtkwaliteit sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Het thema 'luchtkwaliteit' leidt niet tot belemmeringen. 4.1.7 Mobiliteit en parkeren Voor onderhavig plan zullen geen nieuwe infrastructurele elementen worden aangelegd. De ontsluiting van het plangebied zal plaatsvinden via de Dorpenweg. De locatie is vanaf deze weg te bereiken. De verkeersaantrekkende werking van de te realiseren functie (wonen/werken) is niet dermate groot dat de Dorpenweg dit verkeer niet zou kunnen afwikkelen. Het erf van het bedrijf heeft een voldoende omvang om te voorzien in de parkeerbehoefte, welke bestaat uit 3 parkeerplaatsen (volgens Parkeernormen van de gemeente Oss). Hierbij is er vanuit gegaan van een dubbel gebruik van de parkeerplaatsen. In de dagperiode worden de parkeerplaatsen gebruikt voor de bezoekers van het bedrijf. In de avondperiode staan de parkeerplaatsen ten dienste van de woning. Tabel 1 Benodigde aantal parkeerplaatsen Activiteit

Parkeerkencijfer per eenheid

Woning (duur)

2,0

Bedrijf (kantoor)

2,8 (100 m bvo)

2

Het maximale aantal parkeersplaatsen is nodig als het pand geheel in gebruik is voor kantoor. Indien dat het geval is, zijn er 7 parkeerplaatsen nodig (2,8*2.4). Dit aantal is in de huidige situatie al aanwezig en benodigd. Er zijn geen belemmeringen. Ten aanzien van het aantal verkeersbewegingen (gebaseerd op CROW ‘Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie’) geldt het volgende:

Ruimtelijke onderbouwing Dorpenweg 21a en 21b, Ravenstein, pag. 37 van 51 Datum 20-02-2018

Tabel 2 Verkeersbewegingen Activiteit Woning Bedrijf

Parkeerkencijfer per eenheid 7,8 2 7,9 (100 m bvo)

Ook voor verkeersbewegingen geldt dat als het plan geheel in gebruik is voor kantoor er sprake is van de meeste verkeersbewegingen. Dit betreft maximaal 19 verkeersbewegingen per dag. Dit is gelijk aan het huidige aantal verkeersbewegingen. Dit aantal is dusdanig dat het, net als in de huidige situatie, niet tot belemmeringen zal leiden. 4.1.8 Straling Het beleid voor elektromagnetische velden is opgenomen in het Nationaal Milieubeleidsplan (NMP4), de Toekomstagenda Milieu en de beleidsnota Nuchter Omgaan met Risico's, beslissen met gevoel voor onzekerheden (2004). Het ministerie van Infrastructuur en milieu heeft het beleid voor bovengrondse hoogspanningslijnen uitgewerkt in een advies van oktober 2005. Dit advies is verder toegelicht in een brief van november 2008. De gemeente Oss heeft in het Milieubeleidsplan 2010-2014 het rijksadvies vastgelegd als beleidsuitgangspunt. Dit houdt in dat er bij nieuwbouwplannen of het realiseren van nieuwe hoogspanningslijnen voorkomen dient te worden dat er gevoelige bestemmingen terecht komen in een zone waar het magnetische veld gemiddeld over een jaar hoger is dan de norm van 0,4 microtesla. Onderhavige ontwikkeling is niet gelegen in de directe nabijheid van een bovengrondse hoogspanningslijn. Straling van bovengrondse hoogspanningslijnen is dan ook geen beperkende factor.

4.1.9 Water De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater. Ook verbetert de Waterwet de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) stelt een watertoets verplicht voor ruimtelijke plannen waarin waterbelangen spelen. De watertoets bewaakt de waterkwaliteit en waterkwantiteit. Een watertoets is het hele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en beoordelen. Waterhuishoudkundige aspecten zijn onder meer veiligheid, wateroverlast, waterkwaliteit, verzilting en verdroging. De watertoets heeft betrekking op alle wateren: rijkswateren, regionale wateren, gemeentelijke en particuliere wateren en grondwater. De gemeente Oss heeft in 2013 een integraal plan Watertaken vastgesteld. Het plan bestaat uit twee delen. Het “verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan” (vGRP) regelt de zorg voor inzameling en transport van afvalwater. Ook regelt het vGPR een doelmatige verwerking van afvloeiend hemelwater en overtollig grondwater. Daarnaast biedt het plan Watertaken een kader voor de andere watertaken van de gemeente. De gemeente is verantwoordelijk voor de openbare ruimte. Het gaat vooral om de zorg voor oppervlaktewater in bebouwd gebied. De gemeente is ook verantwoordelijk voor een goede ruimtelijke ordening. Het gaat om voldoende ruimte voor water in ruimtelijke plannen.

De watertoets is opgenomen in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Beleid van gemeente, provincie en rijk is van toepassing bij een watertoets. Toetsing van uw waterparagraaf gebeurt op kwaliteit en kwantiteit. De verwerking van hemelwater, afvalwater en planologische ‘waterbestemmingen’ komen aan bod. Voor onderhavig plan is de digitale watertoets ingevuld. Met het ruimtelijk plan is geen belang van het waterschap gemoeid. Onderhavig bouwplan heeft geen invloed op de waterhuishoudkundige situatie. Het betreft een functiewijziging van een kantoorpand naar wonen met enkel een interne verbouwing. Als gevolg van de ontwikkeling zal er een lichte toename zijn in de hoeveelheid huishoudelijk afvalwater. Hiervoor zijn echter geen aanpassingen aan het rioolstelsel ter plaatse noodzakelijk. De memo info capaciteit drukriolering is van toepassing. MEMO INFO CAPACITEIT DRUKRIOLERING Aan : LS Van : Gemeente Oss/GIBOR Betreft : capaciteit drukriolering Bijlage : --

Ruimtelijke onderbouwing Dorpenweg 21a en 21b, Ravenstein, pag. 38 van 51 Datum 20-02-2018

Cc : -Datum : januari 2013

LS, De volgende eisen voor verwerking van afvalwater in de buitengebieden zijn van toepassing: In de zogenaamde buitengebieden wordt gebruik gemaakt van mechanische riolering. Deze wordt aangelegd voor het inzamelen en transport van huishoudelijk afvalwater (of wat daar naar aard en omvang gelijk aan is) en geen afvoer van afstromend hemelwater! Uitgangspunt hierbij is de capaciteit die gelijk wordt gesteld aan een maximaal debiet van 1 m3/h en dat vervolgens maximaal 5 keer één uur per etmaal. Bedrijfsmatige lozingen op deze mechanische riolering moeten altijd in overleg met de beheergroep riolering aangevraagd en besproken worden. Deze beperking is noodzakelijk om het risico van disfunctioneren te verkleinen (samenloop, overcapaciteit, weinig tot geen berging in het systeem, enz.) en een goed functioneren van het systeem te waarborgen. Overige vragen kunt u richten aan de afdeling inrichting beheer openbare ruimte (IBOR) van de gemeente Oss. Telefoonnummer: 14 0412 4.1.10 Weg-, spoor- en industrielawaai De Wet geluidhinder (Wgh) biedt bescherming tegen (spoor)weglawaai en tegen industrielawaai van inrichtingen voor zover gelegen op een gezoneerd industrieterrein. In de Wgh wordt een beperkt aantal typen objecten beschermd, de zogenoemde geluidgevoelige objecten. De Wet geluidhinder kent een stelsel van normen ter voorkoming van geluidhinder.

Ter bescherming van woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen zijn grenswaarden opgenomen. Hierbij is een ondergrens (voorkeursgrenswaarde) en een bovengrens (maximaal toelaatbare grenswaarde) opgenomen. De Wgh biedt gemeenten de mogelijkheid om gericht in te spelen op de lokale situatie door maatwerk te leveren. Burgemeester en wethouders kunnen een hogere waarde vaststellen dan de ondergrens, maar mogen daarbij de bovengrens niet overschrijden. In 2010 heeft de gemeenteraad van Oss de geluidsnota “Geluidskwaliteit in de leefomgeving” vastgesteld. De gemeente Oss maakt hierbij gebruik van gebiedsgericht geluidbeleid. Per gebied wordt een geluidskwaliteit nagestreefd. Zo zijn er ‘rustige gebieden’, ‘dynamische gebieden’ en er zijn gebieden die ten aanzien van geluid onder druk staan. De geluidsnota gaat ook in op de realistische inzet van onderzoek, het stellen van eigen criteria voor het toestaan van een hogere waarde en bedrijfswoningen op industrieterreinen. De gemeente Oss streeft naar een leefbare woonsituatie, ook op locaties met een hoge geluidsbelasting. Deze leefbaarheid wordt bereikt door terughoudend te zijn met hogere grenswaarden en door hieraan voorwaarden te verbinden. Deze voorwaarden leggen de initiatiefnemer of de beheerder een inspanning op voor een leefbare woonomgeving als compensatie voor het bouwen en het veroorzaken van een lawaaiige situatie.

Zonering van industrielawaai in het kader van de Wet geluidhinder is het ruimtelijk scheiden van industrieterreinen waarop (grote) lawaaimakers zijn gevestigd enerzijds en woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen anderzijds. Ook in Oss is er een aantal gezoneerde industrieterreinen. Met zonering wordt beoogd rechtszekerheid te bieden aan zowel bedrijven als aan bewoners/gebruikers van woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen. Bedrijven kunnen aan de ene kant hun geluidsproducerende activiteiten niet onbeperkt uitbreiden ter bescherming van woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen binnen en buiten de zone. Aan de andere kant wordt, ter bescherming van hun akoestische ruimte, voorkomen dat woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen te veel oprukken naar de bedrijven toe.

Ruimtelijke onderbouwing Dorpenweg 21a en 21b, Ravenstein, pag. 39 van 51 Datum 20-02-2018

De planlocatie is gelegen op een afstand van meer dan 275 meter van de spoorweg en het geluidsproductiepunt alwaar een toegestane geluidbelasting van 68,4 dB is vastgelegd. De geometrische afname van het geluid over een afstand van 275 meter bedraagt 20xlog(s)+11 = 20 x log(275) + 11 = 59,7 dB zonder bodemreflectie en 57,7 dB met bodemreflectie. De bijdrage conform het GPP bedraagt derhalve 68,4 – 59,7 = 8,7 dB zonder bodemreflectie (of 10,7 dB inclusief bodemreflectie). De bijdrage van het spoorweglawaai is derhalve verwaarloosbaar te beschouwen. Op een afstand van 320 meter is het industrieterrein ‘De Kolk’ gelegen. Op dit industrieterrein mag bedrijvigheid tot maximaal categorie 3.2 gevestigd zijn. De grootste richtafstand voor bedrijven in deze bedrijfscategorie bedraagt 100 meter. De nieuwe woonbestemming is ruim dus buiten de richtafstand voor geluid gelegen. Daarnaast zijn er in de omgeving van het bedrijventerrein woningen gelegen welke de ontwikkelingsmogelijkheden van de op het bedrijventerrein gevestigde bedrijven beperkt. De ontwikkeling van de woning zal niet leiden tot een beperking voor de aanwezige bedrijven. Daarnaast zal het bedrijven terrein, gezien de richtafstand, geen nadelige gevolgen hebben voor het woon- en leefklimaat op het perceel. Verder is te westen van het perceel een studiecentrum gelegen.

Een studiecentrum is nog opgenomen in de brochure bedrijven en milieuzonering. Echter, een dergelijk bedrijfsvoering is gelijk te stellen aan een congrescentrum. Volgens de brochure is congrescentrum een bedrijf in de categorie 1. Dit betekent dat de grootste richtafstand 10 meter bedraagt. Het bestaande gebouw ligt op een grotere afstand van het centrum, te weten op een afstand van 15 meter. Dit maakt dat er geen belemmeringen zijn vanuit het congrescentrum. De verkeersbewegingen zijn meegenomen in het uitgevoerde akoestische onderzoek. In het kader van onderhavige ontwikkeling is door G&O Consult een akoestisch onderzoek uitgevoerd Zie bijlage 2. Het rapport is toegevoegd als bijlage. Op basis van verkeersintensiteiten welke op 14 december 2015 beschikbaar zijn gesteld is de gevelbelasting berekend. De her te bestemmen woning is op basis van de Wet geluidhinder gelegen binnen de zone van de Dorpenweg, Rector Nuijensweg en de Elleboogstraat. De Ellboogstraat en de Rector Nuijensweg kennen een lage verkeersintensiteit waardoor deze niet relevant zijn. Om die reden is enkel de Dorpenweg beschouwd met het onderzoek. Het geluidniveau op de gevels voldoet ter hoogte van de voor- en zijgevels niet aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. De geluidbelasting bedraagt ten hoogste 57 dB ter hoogte van de voorgevel en 52 dB ter hoogte van de zijgevel.

De maximale ontheffingswaarde van 53 dB wordt ter hoogte van de voorgevel met 4 dB overschreden. De voorgevel zal worden uitgevoerd als een dove gevel. Ter hoogte van de zijgevels wordt de maximale ontheffingswaarde niet overschreden. Voor de zijgevels is het mogelijk om een beschikking hogere grenswaarde aan te vragen bij de gemeente Oss. Dan wel kan het bevoegd gezag ambtshalve een besluit nemen met de informatie welke in deze rapportage en de ruimtelijke onderbouwing is opgenomen. De hogere waarde kan worden verleend, indien er overwegende bezwaren zijn om de geluidbelasting door bron- en overdrachtsmaatregelen terug te brengen en voldaan wordt aan de eisen uit het gemeentelijk geluidbeleid. Bij maatregelen aan de geluidbron wordt bekeken of het geluidniveau van de veroorzaker van het geluid gereduceerd kan worden. Dit kan o.a. door stillere voertuigen, verlaging van de maximum snelheid, verlaging van de verkeersintensiteit of een stiller wegdek toe te passen. Op de Dorpenweg is reeds een stil wegdek toegepast, hierdoor kan de geluidbelasting slechts zeer beperkt naar beneden worden gebracht door het toepassen van een nog stiller wegdek. De verlaging van de Dorpenweg met een stiller wegdek dan nu toegepast is gelet op de trajectlengte vanuit kosten oogpunt niet doelmatig nu het enkel om 1 op te richten woning gaat en het effect zeer beperkt is.

Het terugdringen van de verkeersintensiteit dan wel het verlagen van de rijsnelheid op de Dorpenweg ondervindt gelet op de aard van de weg overwegend bezwaren verkeers- of vervoerskundige aard. De initiatiefnemer is hierbij ook niet bij machte om deze maatregel door te voeren. Daarnaast dienen deze maatregelen in een groter geheel te worden beschouwd. Het terugdringen van de intensiteit door het treffen van maatregelen zal meer verkeer op andere wegen genereren.

Ruimtelijke onderbouwing Dorpenweg 21a en 21b, Ravenstein, pag. 40 van 51 Datum 20-02-2018

Bij overdrachtsmaatregelen wordt bekeken of tussen geluidbron en ontvanger de geluidoverdracht belemmerd kan worden. Dit kan o.a. door een geluidscherm of een grotere afstand in acht te nemen tussen de bron en de ontvanger. Daar het gebouw reed fysiek aanwezig is kan is deze maatregel redelijkerwijs niet te realiseren Een scherm of wal direct voor de betreffende woning zou 6 meter hoog moeten zijn, gelet op de hoogte van de ontvanger. Gelet op de beperkte ruimte tussen de bebouwing en de weg zal dit op voorhand op bezwaren van landschappelijke dan wel stedenbouwkundige aard stuiten. Met een scherm met deze hoogte en een lengte van 35 meter kan de geluidbelasting omlaag worden gebracht met circa 7 dB doch kan niet worden voldaan aan de voorkeursgrenswaarde. Dit nog afgezien van de kosten van € 42.000,00 (bij een richtprijs van € 200,00 per m2). Maatregelen in de overdracht ondervinden hierdoor bezwaar van financiële aard. Een hogere waarde is voor de realisatie van de woning benodigd. Een hogere waarde kan middels een door het bevoegd gezag beschikbaar gesteld aanvraagformulier worden aangevraagd, anderzijds is uit deze rapportage samen met de aanvraag in het kader van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht alle benodigde informatie te herleiden waardoor de gemeente de hogere waarde ambtshalve kan verlenen zonder aanvraag.

De aanvraag samen met onderhavig akoestisch onderzoek worden dan tevens beschouwd als een aanvraag om een hogere waarde. e

Met de herbestemming wordt voldaan aan het 3 criteria van het Osse geluidbeleid. Op basis van figuur 3 kan worden afgeleid dat een geluidluwe gevel aanwezig is. Met de aanvraag voor het onderdeel bouwen dient rekening te worden gehouden dat 50% van de gevoelige ruimten is gelegen aan de geluidluwe gevel. 2

Middels een schutting/scherm van 10 kg/m kan een geluidluwe buitenruimte worden gecreëerd. Waardoor kan worden voldaan aan het Osse geluidbeleid. Bespreking geluidsbelasting irt Bouwbesluit Volgens het Bouwbesluit is de karakteristieke geluidwering van geveldelen (GA;k) in een woning tenminste 20 dB (artikel 3.2 Bouwbesluit). Conform het Bouwbesluit moet aan een binnenwaarde van 33 dB worden voldaan om een goed woon- en leefklimaat in de woning te garanderen. Hierbij wordt er met het Bouwbesluit van uitgegaan dat de specifieke gevelwering GA;k ten minste 20 dB bedraagt ten opzichte van de vast te stellen hogere waarde zonder art 110g. Met een standaard gevelwering wordt niet voldaan aan het vereiste binnen geluidsniveau van 33 dB, dit geldt voor nieuwbouw. Bij een eerder doorgevoerde verbouwing van het pand is een met steenwol geïsoleerde voorzet wand geplaatst voor de voorgevel. Ook het dakvlak heeft een binnenschil van gips met aanvullend een damprem en steenwolisolatie. Bij de keuze voor de beglazing in het pand is met geluidwering rekening gehouden. Het dubbel glas bestaat uit twee glasplaatdikten (waardoor er een andere trillingen optreden) en een wat grotere glasplaat afstand. Dit geeft een reductie van ten minste 33 dB. Gezien de geluidsbelasting van maximaal 62 dB, kan er voldaan worden aan de binnenwaarde zoals vastgelegd in het bouwbesluit.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Oss&id=a96622f1-7f83-48f3-976a-6f2e5f0e0274