Bijlage 2A Toelichting - bijlage 02 Dorpenweg ong. (nabij nr. 21) Deursen-Dennenburg
Tekst van het document
Bespreking goede ruimtelijke ordening Ten aanzien van een beoordeling in het kader van een goede ruimtelijke ordening is de geluidskwaliteit ter hoogte van de buitenruimte vastgesteld. Ter hoogte van de voorgevel heerst een “Tamelijk slechte” milieukwaliteit en ter hoogte van de achtergevel een “Goede” milieukwaliteit. Ter hoogte van het terras heerst een “Matige” milieukwaliteit. Alhier kan een langer verblijf buiten worden verwacht. Met de oprichting van een scherm kan alhier een geluidluwe buitenruimte worden gecreëerd.
Ruimtelijke onderbouwing Dorpenweg 21a en 21b, Ravenstein, pag. 41 van 51 Datum 20-02-2018
Derhalve kan worden verondersteld dat wordt voldaan aan het vereiste uit het Osse geluidbeleid en dat het aspect geluid een goede ruimtelijke ordening niet in de weg hoeft te staan. Op basis van het akoestisch onderzoek is aangetoond dat de grenswaarde (>53 dB) van de voorgevel wordt overschreden. Een dove gevel is noodzakelijk. Over de uitvoering hiervan zal later bij de aanvraag om omgevingsvergunning overleg moeten plaatsvinden met de afdeling vergunningverlening. Het pand is immers een cultuur historisch waardevol pand. Voor de oost en westgevel moet een hogere grenswaarde aangevraagd worden. Ten aanzien van aanvraag om omgevingsvergunning is aanvullend nog een gevelweringonderzoek nodig om vast te stellen of het binnenniveau van 33 dB gewaarborgd is. Daarnaast is er gekeken wat de gecombineerde geluidsbelasting is van het wegverkeerslawaai in combinatie met het spoorweglawaai. Dit is te berekenen volgend de formule voor gecombineerd (SPL1/10) (SPL2/10) + 10 ). geluidsniveau; 10 x log(10 De geluidsbelasting van het wegverkeer bedraagt 57,0 dB. De geluidsbelasting van het spoorverkeer bedraagt 8,7 dB. (57,0/10)
Voor onderhavige plan betekent dit dat de berekening als volgt is: 10 x log(10 57,00006424 dB.
(8,7/10)
+ 10
)=
Dit betekent dat de het spoorweglawaai een verwaarloosbare invloed heeft op de totale geluidsbelasting op de woning. Een nader onderzoek naar het spoorweglawaai in combinatie met het wegverkeerslawaai is niet noodzakelijk. 4.3 Waarden Binnen het plangebied voorkomende waarden op het vlak van natuur, archeologie of cultuurhistorie dienen te worden gerespecteerd en beschermd, mogelijk zelfs bevorderd. Bij ontwikkelingen moet proactief rekening worden gehouden met de aanwezige waarden. Achtereenvolgens komen aan bod: - Archeologie en cultuurhistorie (§ 4.3.1) - Natuur (§ 4.3.2) - Kwaliteitsverbetering van het landschap (§ 4.3.3) 4.3.1
Archeologie en cultuurhistorie
Archeologie Op de verbeelding van het bestemmingsplan Buitengebied is de archeologische verwachtingswaarden opgenomen doormiddel van de dubbelbestemming. Onderhavig plangebied is gelegen binnen de dubbelbestemming ‘Waarde archeologie – 1’. Deze gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de instandhouding en bescherming van op of in die gronden aanwezige archeologische waarden. Indien er werken en/of werkzaamheden uit worden gevoerd over een oppervlakte van 35 m² of meer en dieper dan 0,3 m ten opzichte van het maaiveld geldt een onderzoeksplicht. Voorgenomen ontwikkeling gaat niet met een bodemverstoring gepaard. Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor de uitvoering van onderhavig plan. Cultuurhistorie Zoals eerder aangegeven bevinden zich belangrijke cultuurhistorische waarden in het plangebied. Het pand waar onderhavig plan betrekking op heeft betreft een zogenaamde langsdeelschuur, die dateert uit 1886. De schuur wordt als beeldbepalend aangeduid. Afgezien van de waarden van het gebouw zelf, is de situering waardevol als beeldbepalend onderdeel van de historische boerderijbebouwing langs de hoofdweg van Ravenstein naar Deursen, mede gelet op de verhoogde ligging en de situering in het open buitengebied, en mede gezien in relatie tot de naastgelegen T-boerderij.
Zonder onderhavige ontwikkeling blijft het pand leeg staan, waardoor het niet langer mogelijk is te investeren in het pand. Dit levert de kans op dat het pand zal verloederen. Door voorgenomen
Ruimtelijke onderbouwing Dorpenweg 21a en 21b, Ravenstein, pag. 42 van 51 Datum 20-02-2018
ontwikkeling kan een cultuurhistorisch waardevol pand behouden blijven. Onderhavige ontwikkeling heeft dan ook een positief effect op de cultuurhistorische waarden in en in de omgeving van het plangebied. 4.3.2 Natuur Bij de bescherming van natuurwaarden gaat het enerzijds om soortenbescherming en anderzijds om gebiedsbescherming. Beschermde plant- en diersoorten ontlenen hun bescherming onder andere aan opname in de Flora- en faunawet. Deze bescherming moet er toe leiden dat het voortbestaan van de soort niet in gevaar komt. De gebiedsbescherming is verankerd in de Natuurbeschermingswet.
Flora- en faunawet De Flora- en faunawet beschermt in het wild levende planten- en diersoorten. Ruimtelijke ontwikkelingen kunnen leiden tot verstoring, aantasting van broedplaatsen en vernietiging van verblijfplaatsen van beschermde soorten. De mate van bescherming hangt samen met de zeldzaamheid en kwetsbaarheid van de soort. Artikel 2 van de Flora- en faunawet houdt een algemene zorgplicht in. Op basis hiervan worden ook niet beschermde soorten zoveel mogelijk ontzien. De Flora- en faunawet hanteert het ‘nee, tenzij’ principe. Activiteiten die mogelijk leiden tot negatieve effecten op beschermde soorten zijn in principe verboden, tenzij maatregelen kunnen worden genomen om dit te voorkomen. In sommige gevallen dient voor een ruimtelijke ontwikkeling een ontheffing bij het ministerie te worden aangevraagd. Deze ontheffing wordt alleen verleend, als aangetoond wordt dat de voorgenomen ruimtelijke ingreep geen afbreuk zal doen aan de gunstige staat van instandhouding van de beschermde soorten. De aanwezigheid van beschermde planten en dieren is sterk gerelateerd door de aanwezigheid van bepaalde kleine landschapselementen (bosjes, wielen/poelen, heggen/hagen e.d.). In onderhavige situatie is er sprake van een functieverandering van een kantoor naar een woonfunctie waarbij een aan huis gebonden beroep mogelijk is.
Hierbij is er slechts sprake van een beperkte interne verbouwing van de bestaande verblijfsruimte. Er zijn geen wijzigingen in de gevels of in de dakconstructie (plaatsen dakkapel/dakraam of het dicht maken van bestaande openingen). Mogelijk aanwezige soorten die van gebouwen gebruik maken (vogels, vleermuizen) worden dan ook niet verstoord. Een ecologisch onderzoek als bedoeld in de Flora- en Fauna wet kan dan ook achterwege blijven. Vanuit het aspect flora en fauna zijn er geen belemmeringen voor het uitvoeren van onderhavig initiatief. Natuurbeschermingswet 1998 De bescherming van specifieke natuurgebieden is geregeld in de Natuurbeschermingswet 1998. Het gaat om de volgende gebieden: Natura 2000-gebieden Beschermde Natuurmonumenten Aangewezen gebieden ter uitvoering van verdragen of andere internationale verplichtingen zoals Wetlands De Natura 2000-gebieden zijn aangewezen op grond van de Vogel- en Habitatrichtlijn en genieten op basis daarvan wettelijke bescherming. Natura 2000 is een Europees netwerk van beschermde natuurgebieden. In Natura 2000-gebieden worden bepaalde diersoorten en hun natuurlijke leefomgeving beschermd om de biodiversiteit te behouden. In de gemeente Oss zijn geen van de hiervoor genoemde gebieden aanwezig. Wel liggen dergelijke gebieden in de nabijheid van de gemeente Oss. Voor de Natura 2000-gebieden zijn aanwijzingsbesluiten opgesteld.
In het aanwijzingsbesluit staat welke doelen worden nagestreefd voor een bepaald gebied, bijvoorbeeld welke soorten en leefomgevingen bescherming verdienen. Dit zijn de zogenaamde kwalificerende soorten en habitats. Vervolgens komt er in nauw overleg met betrokken partijen een beheerplan, waarin onder andere staat beschreven welke maatregelen nodig zijn om de doelen te behalen. Voor plannen of projecten die een (significant) negatief effect hebben op de kwalificerende soorten of habitats van het betreffende gebied geldt een vergunningplicht. Dit is een Natuurbeschermingswetvergunning. Of een plan of project (significant) negatieve effecten heeft op kwalificerende soorten of habitats van een bepaald gebied moet op grond van de Natuurbeschermingswet worden getoetst aan de hand van een Habitattoets. Een Habitattoets kan de
Ruimtelijke onderbouwing Dorpenweg 21a en 21b, Ravenstein, pag. 43 van 51 Datum 20-02-2018
vorm hebben van een verslechteringstoets (wanneer op voorhand significant negatieve effecten uit te sluiten zijn, maar negatieve effecten niet) of van een passende beoordeling (wanneer significant negatieve effecten niet op voorhand uit te sluiten zijn). Op deze manier is in Nederland een zorgvuldige afweging gegarandeerd bij plannen of projecten die gevolgen kunnen hebben voor natuurgebieden. In de meeste situaties is de provincie het bevoegde gezag voor de vergunningverlening. In sommige situaties is dit het ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie (EL&I). Dit is geregeld in het Besluit vergunningen Natuurbeschermingswet 1998. Gezien de aard (functieverandering naar wonen) van de ontwikkeling en de ruime afstand tot aan de beschermende gebieden zijn er geen negatieve effecten te verwachten. Natuur Netwerk Nerderland Natuurgebieden in Nederland zijn erg versnipperd waardoor de biodiversiteit afneemt. Het Natuur Netwerk Nederland (NNN) heeft als doel om natuurgebieden te vergroten en te verbinden. Door natuurgebieden te vergroten en te verbinden met hun omgeving, kunnen planten en dieren zich makkelijker verspreiden over meer gebieden. Hierdoor zijn deze gebieden beter bestand tegen negatieve milieu-invloeden. In grotere natuurgebieden kunnen bovendien meer soorten planten en dieren leven.
Het NNN is door het Rijk globaal begrensd, waarna de provincies de begrenzing gedetailleerd vastleggen. Ook in de gemeente Oss is NNN aanwezig. Het plangebied bevindt zich niet in of grenst niet aan delen van het NNN. Het plan vormt derhalve geen belemmering voor de aanleg of instandhouding van het NNN. 4.3.3
Kwaliteitsverbetering van het landschap
Regeling ‘kwaliteitsverbetering van het landschap’ In 2010 is de regeling ‘Kwaliteitsverbetering van het landschap’ uit de Verordening ruimte (destijds art. 2.2, nu artikel 3.2) in werking getreden. In het RRO van januari 2013 is het afsprakenkader over de toepassing en uitwerking van deze regeling vastgesteld. In 2014 – 2015 is de regeling geëvalueerd en zijn aanbevelingen opgesteld voor bijstelling van het afsprakenkader. Toepassingsbereik De notitie toepassingsbereik vormt het basisdocument voor het afsprakenkader van de provincie met de gemeenten in de regio Noordoost. Deze notitie bevat de categorie-indeling voor de niet-planmatige ruimtelijke ontwikkelingen in het buitengebied en de bijbehorende tegenprestatie. Voor planmatige ontwikkelingen in het buitengebied is art. 3.2. altijd van toepassing. Deze notitie geeft de minimale inspanning aan die we regionaal hebben afgesproken. Gemeenten hebben alle vrijheid om meer kwaliteitsverbetering te verlangen als ze dat nodig vinden op basis van beleids- of gebiedsambities. Het afsprakenkader is nadrukkelijk geen ruimtelijk afwegingskader. Gemeenten moeten zelf beoordelen of een ontwikkeling ruimtelijk gewenst is. Vervolgens kan aan de hand van het afsprakenkader beoordeeld worden waar de kwaliteitsverbetering minimaal aan moet voldoen. Afspraken toepassingsbereik 1.
de notitie Toepassingsbereik en met name de verdeling van ruimtelijke ontwikkelingen over de verschillende categorieën is de basis voor het afsprakenkader over toepassingsbereik. 2. bij planmatige (stedelijke) ontwikkelingen is kwaliteitsverbetering altijd van toepassing; 3. bij niet-planmatige ontwikkelingen: tegenprestatie gerelateerd aan impact: • cat. 1 geen impact: geen tegenprestatie • cat. 2 beperkte impact: landschappelijke inpassing • cat. 3 grote impact: berekende kwaliteitsverbetering van het landschap Kwaliteitsverbetering Binnen de regio is geen unaniem beeld over de toepassing van de landschappelijke tegenprestatie die geleverd moet worden. Er wordt ingezet op keuzevrijheid voor de afzonderlijke gemeenten.
Ruimtelijke onderbouwing Dorpenweg 21a en 21b, Ravenstein, pag. 44 van 51 Datum 20-02-2018
Afspraken kwaliteitsverbetering 1. Bij planmatige (stedelijke) ontwikkelingen: storting in een landschapsfonds of bijdrage in natura in landschapsversterkend project. 2. Bij niet-planmatige ontwikkelingen zijn gemeenten zelf verantwoordelijk voor de toepassing: in natura (op of nabij de projectlocatie), financiële bijdrage in landschapsfonds of een combinatie van beide. 3. Bij kwaliteitsverbetering in natura (op of nabij de projectlocatie) bevat het ruimtelijk plan de verantwoording van de kwaliteitsverbetering. 4. De regio kiest niet voor een (sub)regionaal landschapsfonds. Indien gemeenten een grensoverschrijdend landschapsproject willen realiseren, weten zij elkaar te vinden. Methodiek bij niet-planmatige ‘categorie 3’ ontwikkelingen De regio vindt het belangrijk dat er ruimte is voor lokaal maatwerk. Uitgangspunt is een methodiek die uitgaat van een forfaitair bedrag op basis van grondwaardevermeerdering (bestemmingswinst). Afspraken methodiek bij niet-planmatige ‘categorie 3’ ontwikkelingen - berekening van een vorm van forfaitair bedrag gebaseerd op een percentage van de grondwaardeverandering (bestemmingswinst).
Dit berekende forfaitair bedrag bepaalt de omvang van de te leveren prestatie; - gedifferentieerd systeem van functies, inspanningen en (grond)waarden; - een minimale basisinspanning voor de kwaliteitsverbetering, gemeenten kunnen een hogere inspanning vragen; - duidelijkheid aan initiatiefnemers bij start planontwikkeling. Basisinspanning De notitie Toepassingsbereik is het vertrekpunt voor bepalen van de basisinspanning die bij de verschillende ruimtelijke ontwikkelingen wordt voorgestaan. Voor planmatige (stedelijke) ontwikkelingen wordt aangesloten bij de eerdere afspraken voor rood-voor-groenkoppeling bij stedelijke uitbreidingen en het voorstel uit de handreiking. Afspraken basisinspanning Voor niet-planmatige ontwikkelingen in het buitengebied: - categorie 1: geen inspanning; - categorie 2: een goede landschappelijke inpassing op basis van een goedgekeurd landschapsplan en borging van uitvoering en beheer; - categorie 3: de beschreven forfaitaire methode, waarbij uitgegaan wordt van minimaal 20% van de grondwaardevermeerdering.
Voor planmatige ontwikkelingen in het buitengebied: - Stedelijke ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied, in zoekgebied voor verstedelijking: Vaste afdracht per m2, te stellen op 1% van de uitgifteprijs; - Infrastructuur: Maatwerk waarbij kwaliteitsverbetering integraal onderdeel is van de gebiedsontwikkeling; - Overige (planmatige) ontwikkelingen zoals windturbines, reclamemasten, zendmasten voor telecommunicatie: Maatwerk aanpak. Maatregelen kwaliteitsverbetering landschap In de evaluatie kwam onduidelijkheid over de maatregelen en kosten die kunnen worden ingebracht voor kwaliteitsverbetering van het landschap naar voren. Om de aanpak voor kwaliteitsverbetering binnen de regio gelijk te schakelen zijn de richtlijnen hieronder kort samengevat. Fysieke maatregelen Op basis van de regeling voor kwaliteitsverbetering landschap uit de Verordening ruimte is voorwaarde dat de kwaliteitsverbetering moet resulteren in fysieke en zichtbare verbetering van het landschap. Investeringen die geen fysieke kwaliteitsverbetering voor het landschap opleveren, zoals milieumaatregelen in de vorm van (asbest)sanering, duurzaamheid en dierenwelzijn, afschrijving economische boekwaarde en aanbrengen van functioneel groen op erf, vallen niet onder het toepassingsbereik van kwaliteitsverbetering landschap.
Ruimtelijke onderbouwing Dorpenweg 21a en 21b, Ravenstein, pag. 45 van 51 Datum 20-02-2018
Richtlijn inbreng kosten kwaliteitsverbetering landschap: Inrichting- en beheerkosten voor aanleg of herstel van natuur- en landschapselementen baseren/ relateren aan gegevens (prijzen, minimale oppervlakten, soorten) die beschikbaar zijn vanuit STIKA dan wel andere gestandaardiseerde normbedragen voor maatregelen.
Ruimtelijk kwaliteitsbeleid Bij de gemeenten in de regio Noordoost is voldoende beleidskader voor de beoordeling en sturing van ruimtelijke ontwikkelingen en de daarmee verbonden kwaliteitsverbetering van het landschap. Dit betekent dat gemeenten in de regio beschikken over: - een structuurvisie of voornemens zijn deze op te stellen/ te actualiseren; - een actueel beleidskader en/ of parate gebiedskennis om de inrichtingsvoorstellen voor kwaliteitsverbetering te beoordelen en aan te sturen. - een ambitiekaart met regionale landschapsopgaven voor investering in (sub)regionale landschapsversterkende projecten. Afspraak ruimtelijk kwaliteitsbeleid 1. Gemeenten dragen zelf zorg voor het benodigde ruimtelijk kwaliteitskader. 2. Gemeenten hebben regierol voor kwaliteitsverbetering van het landschap. Verantwoording en monitoring In de Verordening Ruimte is opgenomen dat van de kwaliteitsverbetering die is verzekerd via een financiële bijdrage in een landschapsfonds regelmatig verslag moet worden gedaan in het regionaal ruimtelijk overleg. Voor de kwaliteitsverbetering via een bestemmingsplan zijn geen nadere vereiste voor de verantwoording opgenomen. Gemeenten zijn zelf verantwoordelijk voor de uitvoering en handhaving van de kwaliteitsverbetering. Afspraken verantwoording en monitoring 1.
Regelmatig wordt in het kader van de Monitor Verordening ruimte verslag gedaan van de financiële bijdrage aan en besteding van het landschapsfonds voor kwaliteitsverbetering van het landschap. 2. Gemeenten zijn zelf verantwoordelijk voor de uitvoering en de handhaving van de kwaliteitsverbetering. 3. Initiatieven om kennis en kunde over kwaliteitsverbetering te delen, worden in principe door regio /provincie ondersteund. Categorie 1: geen inpassing of tegenprestatie Tot deze categorie behoren in ieder geval de volgende concreet benoemde ontwikkelingen: - vergroten inhoud van een burgerwoning tot 750 m3; - vergroten inhoud van een bedrijfswoning tot 750 m3; - vergroten aantal m2 bijgebouwen bij woning tot 100 m2 in totaal; - realisatie Ruimte voor ruimte woning(en); - ontwikkeling ter realisatie van EHS compensatie; - wijzigen bestemming naar Bos/Natuur en treffen bestemmingsregeling/aanleg voorzieningen die een fysieke verbetering van de aanwezige of potentiële kwaliteiten van bodem, water, natuur, landschap of cultuurhistorie of van extensieve recreatieve mogelijkheden tot gevolg hebben; - vestiging van of de splitsing in meerdere wooneenheden in monumentale/ karakteristieke/cultuurhistorisch waardevolle bebouwing; - uitbreiding bestemmingsvlak wonen tot 1500 m2; - herbouw woning binnen geldend bestemmingsvlak; - wijziging bestemming agrarisch bedrijf (inclusief agrarisch
verwant en agrarisch-technisch hulpbedrijf) of niet-agrarisch bedrijf met een omvang van minimaal 1 ha, in bestemming wonen of andere bestemming zoals horeca, niet-agrarisch bedrijf, maatschappelijke doeleinden of recreatie mits het bestemmingsvlak wordt verkleind tot maximaal 1500m2, overtollige voormalige
Ruimtelijke onderbouwing Dorpenweg 21a en 21b, Ravenstein, pag. 46 van 51 Datum 20-02-2018
-
-
-
bedrijfsbebouwing wordt gesloopt en maximaal 200m2 aan bijgebouwen/ voormalige bedrijfsbebouwing resteert; bed & breakfast en kleinschalige recreatieve nevenactiviteiten in/bij (bedrijfs)woning binnen vigerende bouwregeling (oppervlakte bijgebouwen) en binnen geldend bestemmingsvlak wonen of niet-agrarisch bedrijf tot een maximum van 200 m2; nevenactiviteiten en verbrede landbouwactiviteiten bij een agrarisch bedrijf of Wonen-VAB binnen bestaande bebouwingsmogelijkheden tot een maximum van 200 m2; aan huis gebonden beroep/bedrijf in/bij woning binnen geldende bouwregeling (oppervlakte bijgebouwen); ontheffing mantelzorg in/bij woning binnen geldende bouwregeling (oppervlakte bijgebouwen); ontheffing tijdelijke huisvesting seizoenarbeiders binnen geldende, bestaande bebouwing (dit mag niet leiden tot het ontstaan van een zelfstandige woonruimte); huisvesting reclasseringsjongeren op (agrarisch) bedrijf binnen geldende, bestaande bebouwing; toestaan tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen; verkoop van op het eigen (agrarisch) bedrijf vervaardigde producten (inclusief de verkoop van streekeigen producten) tot een maximum van 200 m2 binnen geldende bouwregeling bedrijfsbebouwing; omzetten van vrijkomende agrarische bedrijfswoning naar plattelandswoning; bouw van ooievaarsnesten; toestaan Bosman-molens tot 5 m.
Voor het overige behoren tot deze categorie: - ontwikkelingen onder toepassing van de directe bouwmogelijkheden/bouwregels en gebruiksregels van een geldend bestemmingsplan; - binnenplanse 10%-afwijking: kleine afwijkingen ten behoeve van hoogte en situering. Tenzij de ontwikkeling concreet benoemd wordt in een andere categorie. In het voormalige provinciale ruimtelijke beleid (Streekplan, Paraplunota ruimtelijke ordening) waren de hiervoor genoemde oppervlakte- en inhoudsmaten opgenomen als gangbare bovenmaten tot waar gemeenten de mogelijkheid kregen deze ruimtelijke ontwikkelingen te faciliteren. Het zou niet juist zijn voor deze mogelijkheden nu opeens een extra inspanning te eisen.
Categorie 2: landschappelijke inpassing Tot deze categorie behoren in ieder geval de volgende concreet benoemde ontwikkelingen: - minicampings met kleinschalige kampeergelegenheden tot een maximum van 25 mobiele kampeermiddelen; - bed & breakfast en kleinschalige recreatieve nevenactiviteiten in/bij (bedrijfs)woning binnen vigerende bouwregeling (oppervlakte bijgebouwen) en binnen geldend bestemmingsvlak wonen of niet agrarisch bedrijf vanaf een oppervlakte van 200 m2; - nevenactiviteiten en verbrede landbouwactiviteiten bij een agrarisch bedrijf binnen bestaande bebouwingsmogelijkheden vanaf 200 m2; - vormverandering van een agrarisch bouwvlak of een bestemmingsvlak; - paardenbakken aansluitend aan het bouwvlak; - omschakeling van agrarische bedrijfsvoering (grondgebonden, intensief, overig nietgrondgebonden) zonder vergroting van het bouwvlak; - voor zover de locatie is gelegen in het agrarisch gebied, als bedoeld in de Verordening ruimte: vergroten agrarisch bouwvlak tot 1,5 ha, of vergroting met differentiatievlak van maximaal 0,5 ha specifiek ten behoeve van opslag van ruwvoer; - voor zover de locatie is gelegen in de groenblauwe mantel, als bedoeld in de Verordening ruimte: vergroten agrarisch bouwvlak tot 1 ha, of vergroting met differentiatievlak van maximaal 0,5 ha specifiek ten behoeve van opslag van ruwvoer;.
- Wijziging bestemming agrarisch bedrijf (inclusief agrarisch verwant en agrarisch-technisch hulpbedrijf) of niet-agrarisch bedrijf in bestemming wonen of wonen met VAB aanduiding, of andere bestemming, zoals horeca, niet-agrarisch bedrijf, maatschappelijke doeleinden of recreatie, mits het bestemmingsvlak wordt verkleind tot maximaal 5000m2, overtollige voormalige bedrijfsbebouwing wordt gesloopt en maximaal 500m2 voormalige bedrijfsbebouwing resteert.
Ruimtelijke onderbouwing Dorpenweg 21a en 21b, Ravenstein, pag. 47 van 51 Datum 20-02-2018
Bovenstaande opsomming is niet limitatief. Mits voorzien van een goede onderbouwing hiervan, kunnen ook andere ontwikkelingen tot deze categorie worden beschouwd. Voor het overige behoren tot deze categorie alle ontwikkelingen welke mogelijk worden gemaakt via de (binnenplanse) afwijkingsbevoegdheid, tenzij de ontwikkeling concreet benoemd wordt in een andere categorie. Tevens kan in het bestemmingsplan bepaald worden dat een specifieke afwijking wel als categorie 3 behandeld moet worden.
Categorie 3: berekende kwaliteitsverbetering van het landschap Tot deze categorie behoren alle ruimtelijke ontwikkelingen die niet onder categorie 1 of categorie 2 vallen; dit betreft onder andere de volgende ontwikkelingen: -
uitbreiding bestemmingsvlak Bedrijf, Wonen (>1500 m2), Horeca, Recreatie etc.; vergroten aantal m2 bebouwing binnen Bedrijf, Recreatie, Horeca etc.; vergroten inhoud van een (agrarische Bedrijfswoning boven 750 m3; vergroten inhoud van een burgerwoning boven 750m3; vergroten aantal m2 bijgebouwen bij een woning groter dan 100 m2; nieuwbouw (eerste) bedrijfswoning.
Voor het overige behoren tot deze categorie alle ontwikkelingen welke mogelijk worden gemaakt via een wijzigingsplan of een bestemmingsplanherziening, tenzij de ontwikkeling concreet benoemd wordt in een andere categorie. Notie mbt woningen via art. 8.2 / art. 9.2 Vr Het realiseren van een woning op basis van artikel 8.2 en artikel 9.2 uit de Verordening ruimte, kwaliteitsverbetering in bebouwingsconcentraties binnen zoekgebied verstedelijking, is slechts toegestaan bij een kwaliteitsverbetering die gelijkwaardig is met de aanschaf van een ruimte-voor-ruimte titel. De benodigde kwaliteitsverbetering kan op basis van de Verordening ruimte niet worden gebaseerd op een berekening van 20% van de bestemmingswinst. Voorgenomen ontwikkeling voorziet in de vestiging van een woning met de mogelijkheid voor een beroep aan huis in karakteristieke/cultuurhistorisch waardevolle bebouwing. De ontwikkeling valt hiermee binnen Categorie 1. Er is geen inpassing of tegenprestatie noodzakelijk. Vanuit het gemeentelijke beleid verlangt de gemeente Oss wel, een in dit geval beperkte, landschappelijke inpassing. Dit inpassingsplan is opgesteld door Ir Guido W.F.M. Paumen, Tuin- & landschapsarchitect Bnt (zie bijlage 3). Het uitgangspunt betreft het ruimtelijke kader. Het ruimtelijk kader wordt gevormd door; a. de bomenrijen langs de Dorpenweg, b.
de bebouwing en opgaande beplanting op de ten zuiden en noorden gelegen buurerven. De bebouwing en beplanting op de buurerven beperkt het zicht op het plangebied en vormt een kader. Het plangebied kan gedurende korte tijd worden waargenomen door verkeer op de Dorpenweg. Daarbij tonen zich de noordkant, de westkant en de oostkant korte tijd aan het verkeer.
Ruimtelijke onderbouwing Dorpenweg 21a en 21b, Ravenstein, pag. 48 van 51 Datum 20-02-2018
Situatie De aangetroffen bebouwing bestaat uit als kantoor- en vergaderruimte benutte oude hoeve. verharding De bebouwing wordt ontsloten via een oprit aan de noordwestkant (recht van overpad). De aangrenzend gelegen ruimte wordt benut voor het parkeren van voertuigen. beplanting De ten noorden en oosten van de bebouwing gesitueerde ruimte is in gebruik als terras en gazon. De ruimte aan de oostkant wordt omgeven door een Beukenhaag. De parkeerstrook aan de westkant van het gebouw wordt gesegmenteerd door Beukenhagen. Inpassing In de uitgangssituatie wordt de inpassing van het verscholen gesitueerde plangebied verzorgd door de goed bij de context passende Beukenhagen. Op grond van het voorgenomen gebruik als woonhuis wordt voorgesteld de ruimte ten noorden van de bebouwing eveneens in te ramen met een Beukenhaag.
Ruimtelijke onderbouwing Dorpenweg 21a en 21b, Ravenstein, pag. 49 van 51 Datum 20-02-2018
Inpassingsplan 4.3.4 Defensie Uit oogpunt van defensie kunnen er beperkingen gesteld worden aan ruimtelijke ontwikkelingen in een gebied. Belangrijke aandachtspunten met betrekking tot het defensiebelang zijn: - Radarverstoringsgebieden; - Obstakelbeheergebieden; - Laagvliegroutes voor jachtvliegtuigen; - Geluidszones voor militaire luchtvaartterreinen. Het gehele plangebied is gelegen binnen het radarverstoringsgebied van een radar van de vliegbasis Volkel. Binnen dit gebied is het in beginsel niet toegestaan om hogere bebouwing op te richten dan 114 meter boven NAP. Indien er initiatieven zijn voor het oprichten van hogere bouwwerken of gebouwen, dan kan dit toegestaan worden als blijkt dat de radar niet onevenredig wordt verstoord. Dit kan door TNO worden berekend. Dit bestemmingsplan voorziet echter nergens in bouwmogelijkheden tot een dergelijke hoogte. Daarmee is het belang van het radarverstoringsgebied binnen dit bestemmingsplan voldoende gewaarborgd. Bij een eventueel toekomstig initiatief voor een bouwwerk met een hoogte tot 114 meter boven NAP of hoger dient het defensiebelang nadrukkelijk betrokken te worden bij de aanvaardbaarheid van de ontwikkeling.
Ruimtelijke onderbouwing Dorpenweg 21a en 21b, Ravenstein, pag. 50 van 51 Datum 20-02-2018
Voor het overige geldt dat het plangebied niet gelegen is binnen een obstakelbeheergebied, een laagvliegroute voor jachtvliegtuigen of een geluidszone voor militaire luchtvaartterreinen. Aan deze aspecten hoeft dan ook geen verdere aandacht besteed te worden. 4.3.5 Milieueffectrapportage (M.e.r.) Op grond van het Besluit milieueffectrapportage, mede in relatie tot bijlage III bij de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling, moet voor bepaalde projecten een m.e.r. worden gemaakt of een m.e.r.-beoordeling worden uitgevoerd. Met een m.e.r. worden vooraf de milieugevolgen van een besluit in beeld gebracht. Voor dit project hoeft op grond van de Wet milieubeheer geen milieueffectrapport te worden gemaakt. Mede gelet op wat elders in deze ruimtelijke onderbouwing wordt opgemerkt over de afzonderlijke milieuaspecten, heeft het project geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu in de zin van het Besluit milieueffectrapportage en de Europese richtlijn.
Ruimtelijke onderbouwing Dorpenweg 21a en 21b, Ravenstein, pag. 51 van 51 Datum 20-02-2018
Hoofdstuk 5
Haalbaarheid
5.1 Economische uitvoerbaarheid In deze situatie is er sprake van een particulier initiatief, waarbij de gemeente alleen medewerking verleent doormiddel van het volgen van de benodigde procedure. De kosten die verbonden zijn aan deze procedure en eventuele planschade zijn voor rekening en risico van de initiatiefnemer. 5.2
Inspraak
Het voorontwerp-bestemmingsplan heeft ingevolge de Inspraakverordening gemeente Oss 2007 en afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht met ingang van 12 mei gedurende zes weken voor iedereen ter inzage gelegen en is tegelijkertijd elektronisch beschikbaar gesteld via de gemeentelijke website en de landelijke website (ruimtelijkeplannen.nl). Hiervan is op 11 mei mededeling gedaan in het plaatselijke blad Oss Actueel en op de gemeentelijke website. Gedurende deze periode konden ingezetenen van de gemeente Oss en belanghebbenden hun reactie geven op het voorontwerpbestemmingsplan. Het eindverslag van deze inspraak is als bijlage opgenomen bij deze toelichting. 5.3
Vooroverleg
Artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening bepaalt dat ‘het bestuursorgaan dat belast is met de voorbereiding van een bestemmingsplan daarbij overleg pleegt met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn’. Ter uitvoering daarvan zijn bij per mail van 9 mei de in dat artikel genoemde instanties in de gelegenheid gesteld om te reageren op het voorontwerp-bestemmingsplan. Het eindverslag van dit vooroverleg is als bijlage opgenomen bij deze toelichting.
Inpandig bijgebouw
Ingang woning
3 parkeerplaasten voor bij woning
Woning/Kantoor
Extra 3 parkeerplaatsen bij geheel gebruik als kantoor
Extra 2 parkeerplaatsen bij Woning met Kantoor
Toekomstige indeling van het perceel
Ingang woning Inpandig bijgebouw
Begane grond
Ingang Kantoor
Verdieping
AKOESTISCH ONDERZOEK WEGVERKEERSLAWAAI voor het herbestemmen van een bedrijfsruimte tot woonruimte aan
DORPENWEG 21A EN 21B TE RAVENSTEIN
31-08-2015
Colofon Rapport:
Akoestisch onderzoek Dorpenweg 21a en 21b te Ravenstein
Rapportnummer: Status: Datum:
3255ao0615 v2 definitief 31 augustus 2016
Opdrachtgever Princen Bouwprocesbegeleiding B.V. De heer W. Princen De Hammen 40 5371 Ravenstein
Opdrachtnemer G&O Consult Postbus 12 5845 ZG Sint Anthonis www.go-consult.nl
Burgemeester Wijtvlietlaan 1 5764 PD De Rips
Contactpersoon De heer A.J. van den Broek adviseur 0493 – 597 505 tvandenbroek@go-consult.nl
©AUGUSTUS 2016
G&O CONSULT, POSTBUS 12, NL-5845 ZG SINT ANTHONIS, TEL: (0493) 597505 FAX: (0493) 597509 WWW.GO-CONSULT.NL
ALLE RECHTEN VOORBEHOUDEN. NIETS UIT DEZE UITGAVE MAG WORDEN VERVEELVOUDIGD DOOR MIDDEL VAN DRUK, FOTOKOPIE, MICROFILM, GELUIDSBAND, ELEKTRONISCH OF OP WELKE ANDERE WIJZE DAN OOK, EN EVENMIN IN EEN GEAUTOMATISEERD GEGEVENSBESTAND WORDEN OPGESLAGEN, ZONDER VOORAFGAANDE SCHRIFTELIJKE TOESTEMMING VAN G&O CONSULT. AAN DE INHOUD VAN DIT RAPPORT KUNNEN GEEN RECHTEN WORDEN ONTLEEND. G&O CONSULT VERWERPT ELKE AANSPRAKELIJKHEID VOOR EEN ANDER GEBRUIK VAN DEZE TEKST DAN VOOR DE SITUATIE WAARVOOR HIJ WORDT UITGEBRACHT. DE INFORMATIE IN DEZE TEKST IS ONDER VOORBEHOUD EN KAN VERANDERD WORDEN ZONDER VOORAFGAANDE KENNISGEVING.
Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai Dorpenweg 21a en 21b te Ravenstein
2
INHOUDSOPGAVE
HOOFDSTUK 1
INLEIDING ................................................................. 5
HOOFDSTUK 2
UITGANGSPUNTEN ................................................... 6
2.1
Algemeen ................................................................. 6
2.2
Gegevens wegverkeer .............................................. 6
2.3
Gebouwen ................................................................ 6
HOOFDSTUK 3
BEREKENINGSMETHODE .......................................... 7
3.1
Modellering .............................................................. 7
3.2
Algemeen ................................................................. 7
3.3
Rekenparameters ..................................................... 7
HOOFDSTUK 4
RANDVOORWAARDEN WET GELUIDHINDER ........... 8
4.1
Inleiding .................................................................... 8
4.2
Geluidzones .............................................................. 8
4.3
Artikel 110g .............................................................. 8
4.4
Stedelijk en buitenstedelijk gebied .......................... 9
4.5
Maximale geluidbelasting ........................................ 9
4.6
Geluidbeleid Oss..................................................... 10
HOOFDSTUK 5
BEREKENING GELUIDBELASTING............................ 13
5.1
Resultaten .............................................................. 13
5.2
Beoordeling geluidbelasting tuin/buitenruimte .... 13
HOOFDSTUK 6
CONCLUSIE ............................................................. 15
6.1
Bespreking resultaten en aanbevelingen............... 15
6.2
Bespreking geluidsbelasting irt Bouwbesluit ......... 16
6.3
Bespreking goede ruimtelijke ordening ................. 17
Bijlage 1: Invoer rekenmodel Bijlage 2: Resultaten rekenmodel
Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai Dorpenweg 21a en 21b te Ravenstein
3
SAMENVATTING In opdracht van de heer W. Princen van Princen Bouwprocesbegeleiding B.V. te Ravenstein is door G&O Consult een akoestisch onderzoek uitgevoerd naar een her te bestemmen bedrijfsruimte tot woonruimte gelegen aan Dorpenweg 21a en 21b te Ravenstein. Op basis van verkeersintensiteiten welke door de gemeente Oss beschikbaar zijn gesteld, is de gevelbelasting berekend. Het geluidniveau op de gevels voldoet ter hoogte van de voor- en zijgevels niet aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. De geluidbelasting bedraagt ten hoogste 57 dB ter hoogte van de voorgevel en 52 dB ter hoogte van de zijgevels. De maximale ontheffingswaarde wordt ter hoogte van de voorgevel met 4 dB overschreden. Al hier wordt een dove gevel voorgesteld. Voor beide zijgevels is een hogere waarde benodigd. Maatregelen om de geluidbelasting te verlagen stuiten op bezwaren van verkeerskundige landschappelijke, stedenbouwkundige of financiële aard. Conform het Bouwbesluit moet aan een binnenwaarde van 33 dB worden voldaan om een goed woon- en leefklimaat in de woning te garanderen. Hierbij wordt er met het Bouwbesluit van uitgegaan dat de specifieke gevelwering GA;k ten minste 20 dB bedraagt ten opzichte van de vast te stellen hogere waarde zonder art 110g. Met een standaard gevelwering wordt niet voldaan aan het vereiste binnen geluidsniveau van 33 dB, dit geldt voor nieuwbouw.
Omdat het hier gaat om bestaande bebouwing dient met de aanvraag om een vergunning voor het onderdeel bouwen het van rechtens verkregen niveau beschouwd te worden. Het bouwwerk is opgericht in 1901. Destijds werden er nog geen eisen gesteld aan het binnenniveau. Met de aanvraag voor het onderdeel bouwen zal duidelijk worden of een gevelweringsrapport benodigd is. Ten aanzien van een beoordeling in het kader van een goede ruimtelijke ordening is de geluidskwaliteit ter hoogte van de buitenruimte vastgesteld. Ter hoogte van de voorgevel heerst een “Tamelijk slechte” milieukwaliteit en ter hoogte van de achtergevel een “Geode” milieukwaliteit. Ter hoogte van het terras heerst een “Matige” milieukwaliteit. Alhier kan een langer verblijf buiten worden verwacht. Met de oprichting van een scherm kan alhier een geluidluwe buitenruimte worden gecreëerd. Derhalve kan worden verondersteld dat wordt voldaan aan het vereiste uit het Osse geluidbeleid en dat het aspect geluid een goede ruimtelijke ordening niet in de weg hoeft te staan. Figuur 1___________________ Luchtfoto van het plangebied Bron: BAG-viewer
Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai Dorpenweg 21a en 21b te Ravenstein
4
HOOFDSTUK
1
INLEIDING
In opdracht van de heer W. Princen van Princen Bouwprocesbegeleiding B.V. te Ravenstein is door G&O Consult een akoestisch onderzoek uitgevoerd naar een her te bestemmen bedrijfsruimte tot woonruimte gelegen aan Dorpenweg 21a en 21b te Ravenstein. Hiervoor wordt een vergunning aangevraagd op basis van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Het akoestisch onderzoek maakt deel uit van deze aanvraag. Voor deze situatie is de geluidbelasting van het wegverkeerslawaai bepaald ter hoogte van de nieuwe woning, zodat bezien kan worden of het plan realiseerbaar is binnen de Wet geluidhinder en of er extra geluidwerende maatregelen noodzakelijk zijn. Ten slotte wordt een uitspraak gedaan over het woon- en leefklimaat binnen en buiten de woningen. Voor wegverkeerslawaai is het plan gelegen binnen de wettelijke geluidzone van de Dorpenweg, Rector Nuijensweg en de Elleboogstraat. De Ellboogstraat en de Rector Nuijensweg kennen een lage verkeersintensiteit waardoor deze niet relevant. Om die reden is enkel de Dorpenweg beschouwd met het onderzoek.
Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai Dorpenweg 21a en 21b te Ravenstein
5
HOOFDSTUK
2.1
2
UITGANGSPUNTEN
ALGEMEEN Het plangebied is buiten de bebouwde kom gelegen. De op te richten woning is gelegen binnen de zone van het Dorpenweg, Rector Nuijensweg en de Elleboogstraat. De Ellboogstraat en de Rector Nuijensweg kennen een lage verkeersintensiteit waardoor deze niet relevant. Om die reden is enkel de Dorpenweg beschouwd met het onderzoek.
2.2
GEGEVENS WEGVERKEER Voor de wegen is uitgegaan van de verkeersgegevens welke zijn verstrekt door de Gemeente Oss. Voor de Dorpenweg is voor het jaar 2020 een intensiteit van 7.674 motorvoertuigen per etmaal verstrekt. Met een groei van 1,5% per jaar resteert dit in 2015 in 8391 motorvoertuigen per etmaal. Zie bijlage 1 voor de gegevens. Het wegdek is verharding bestaande uit een Dunne Deklaag A. De maximaal toegestane rijsnelheid bedraagt ter hoogte van de te bestemmen woning 60 km/uur, net ten oosten bedraagt de rijsnelheid 50 km/uur.
2.3
GEBOUWEN De gebouwen in het rekenmodel zijn overgenomen uit de Basis Administratie Gebouwen (BAG).
Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai Dorpenweg 21a en 21b te Ravenstein
6
HOOFDSTUK
3.1
3
BEREKENINGSMETHODE
MODELLERING Ten behoeve van het akoestisch onderzoek is er een model opgezet met gebruikmaking van het computerprogramma Geomilieu v.3.11 van dgmr raadgevende ingenieurs BV te Den Haag. De overdrachtsberekeningen in het model gebeuren conform de voorschriften van de Standaard Rekenmethode II zoals beschreven in het Reken- en meetvoorschrift geluidhinder 2012. In het model zijn met de overdrachtberekeningen meegerekend: • Geometrische uitbreiding (afstand); • Afname ten gevolge van akoestisch goed isolerende obstakels; • Afname / toename ten gevolge van reflectie, door verstrooiing tegen en absorptie van de bodem. • Afname /toename door reflecties tegen /absorptie van obstakels; • Afname van het geluidsniveau door absorptie in lucht.
3.2
ALGEMEEN De geluidbelastingen zijn bepaald met behulp van “Standaard Rekenmethode II” zoals beschreven in het Reken- en meetvoorschrift geluidhinder 2012. Er is ter plaatse van het bouwplan geen hellingcorrectie of optrekcorrectie toegepast. In de berekeningen is als rekenparameter bodemfactor 1,0 (akoestisch zacht) aangehouden voor het gebied buiten de ingevoerde bodemgebieden. Voor de ingevoerde bodemgebieden is akoestisch hard (0,0) aangehouden. Hierbij is gelet op de bouwtekening de geluidsbelasting op een hoogte van 1,5 en 4,5 beoordeeld. Artikel 110g Wgh is separaat met de resultaten in beeld gebracht. Beschouwd zijn de voor- en achtergevel en 1 zijgevel.
3.3
REKENPARAMETERS Met het onderzoek zijn de volgende modeleigenschappen aangehouden: Standaard maaiveldhoogte: 0 Standaard bodemfactor: 1,0 (akoestisch zacht) Verharde bodemfactor: 0,0 (zie bijlage) Meteorologische correctie: Standaard RMW 2012, SRM II Standaardluchtdemping: Standaard RMW 2012, SRM II Luchtabsorptie: frequentie (Hz):
31,5
63
125
250
500
1k
2k
4k
8k
demping (dB/km):
0,00
0,00
0,00
1,00
2,00
4,00
10,00
23,00
58,00
Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai Dorpenweg 21a en 21b te Ravenstein
7
HOOFDSTUK
4
4.1
RANDVOORWAARDEN WET GELUIDHINDER
INLEIDING Met de geluidbelasting in dB van een weg wordt bedoeld de LDEN-waarde van het geluidniveau in dB. LDEN is de geluidbelasting in dB op een plaats en vanwege een bron over alle perioden van 07.00 - 19.00 uur, van 19.00 - 23.00 uur en van 23.00 - 07.00 uur van een jaar als omschreven in bijlage I, onderdeel 1, van richtlijn nr. 2002/49/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 25 juni 2002 inzake de evaluatie en de beheersing van omgevingslawaai (PbEG L 189).
4.2
GELUIDZONES Volgens de Wet geluidhinder worden aan weerszijden van een weg zones aangegeven (art. 74 Wgh). Binnen deze zones worden eisen gesteld aan de geluidbelasting. Buiten de zones worden geen eisen gesteld. Een weg is niet zoneplichtig indien er sprake is dat: • deze is gelegen in binnen een woonerf; • er een maximum snelheid van 30 km/uur geldt.
Tabel 4.1__________________
Soort Gebied Breedte geluidszones langs wegen
Stedelijk Buitenstedelijk
4.3
Aantal rijstroken of sporen 1 of 2 3 of meer 1 of 2 3 of 4 5 of meer
Breedte geluidzone (m) 200 350 250 400 600
ARTIKEL 110G Binnen de Wet geluidhinder wordt middels artikel 110g van deze wet de mogelijkheid geboden om rekening te houden met een verdere reductie van de geluidproductie van motorvoertuigen. Dit conform artikel 3.4 van het besluit geluidhinder. De ingevolge artikel 110g van de Wet geluidhinder toe te passen aftrek op de geluidsbelasting vanwege een weg, van de gevel van woningen of van andere geluidsgevoelige gebouwen of aan de grens van geluidsgevoelige terreinen bedraagt tot 1 juli 2018:
Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai Dorpenweg 21a en 21b te Ravenstein
8
a. 3 dB voor wegen waarvoor de representatief te achten snelheid van lichte motorvoertuigen 70 km/uur of meer bedraagt en de geluidsbelasting vanwege de weg zonder toepassing van artikel 110g van de Wet geluidhinder 56 dB is; b. 4 dB voor wegen waarvoor de representatief te achten snelheid van lichte motorvoertuigen 70 km/uur of meer bedraagt en de geluidsbelasting vanwege de weg zonder toepassing van artikel 110g van de Wet geluidhinder 57 dB is; c. 2 dB voor wegen waarvoor de representatief te achten snelheid van lichte motorvoertuigen 70 km/uur of meer bedraagt en de geluidsbelasting afwijkt van de onder a en b genoemde waarden; d. 5 dB voor de overige wegen; e. 0 dB bij toepassing van de artikelen 3.2 en 3.3 van het Bouwbesluit 2012 en bij toepassing van de artikelen 111b, tweede en derde lid, 112 en 113 van de Wet geluidhinder. De ingevolge artikel 110g van de Wet geluidhinder toe te passen aftrek op de geluidsbelasting vanwege een weg, van de gevel van woningen of van andere geluidsgevoelige gebouwen of aan de grens van geluidsgevoelige terreinen bedraagt met ingang van 1 juli 2018: a. 2 dB voor wegen waarvoor de representatief te achten snelheid van lichte motorvoertuigen 70 km/uur of meer bedraagt; b. 5 dB voor de overige wegen; c.
0 dB bij toepassing van de artikelen 3.2 en 3.3 van het Bouwbesluit 2012 en bij toepassing van de artikelen 111b, tweede en derde lid, 112 en 113 van de Wet geluidhinder.
4.4
STEDELIJK EN BUITENSTEDELIJK GEBIED Binnen de Wet geluidhinder is de toetsing van de geluidbelasting afhankelijk gesteld van de ligging van de onderhavige weg. Er wordt volgens Artikel 1 van de Wet geluidhinder onderscheiden: Stedelijk gebied:
het gebied binnen de bebouwde kom, doch, voor de toepassing van de hoofdstukken VI en VII van de Wet geluidhinder, met uitzondering van gebied binnen de bebouwde kom, voor zover liggend binnen de zone langs een autoweg of autosnelweg als bedoeld in het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990. Buitenstedelijk gebied: het gebied buiten de bebouwde kom alsmede, voor toepassing van de hoofdstukken VI en VII, het gebied binnen de bebouwde kom, voor zover liggend binnen de zone langs een autoweg of autosnelweg als bedoeld in het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990.
4.5
MAXIMALE GELUIDBELASTING Artikel 82 tot en met 85 van de Wet geluidhinder geven nadere uitleg met betrekking tot de geluidbelasting in zogenaamde “Nieuwe situaties” (er dient een bestemmingsplanprocedure te worden gevolgd). De zogenaamde voorkeursgrenswaarde bedraagt 48 dB. Is de geluidbelasting lager dan 48 dB dan legt de Wet geluidhinder geen restricties op aan het onderhavige plan. Wordt deze voorkeursgrenswaarde overschreden dan kan door de gemeente een hogere waarde worden vastgesteld. Indien de geluidbelasting lager is dan de maximale ontheffingswaarde, kan de gemeente ontheffing verlenen indien maatregelen gericht op het terugbrengen van de geluidbelasting tot de voorkeursgrenswaarde van 48 dB, op overwegende bezwaren stuiten van stedenbouwkundige, verkeerskundige, landschappelijke of financiële aard.
Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai Dorpenweg 21a en 21b te Ravenstein
9
Voor nog niet-geprojecteerde woningen in een stedelijk gebied gelden de volgende normen: • Voorkeursgrenswaarde : 48 dB • Maximale ontheffingswaarde : 63 dB • Maximale ontheffingswaarde (vervangende nieuwbouw): 68 dB. Voor nog niet-geprojecteerde woningen in een buitenstedelijk gebied gelden de volgende normen: • Voorkeursgrenswaarde : 48 dB • Maximale ontheffingswaarde : 53 dB • Maximale ontheffingswaarde (agrarische bedrijfswoning): 58 dB • Maximale ontheffingswaarde (vervangende nieuwbouw, buiten de bebouwde kom): 58 dB • Maximale ontheffingswaarde (vervangende nieuwbouw gelegen binnen de bebouwde kom, binnen de zone langs een autoweg of autosnel weg): 63 dB.
4.6
GELUIDBELEID OSS Door de gemeente Oss is een beleidsnotitie opgesteld “Geluidskwaliteit in de Leefomgeving”. De gemeente heeft hierin gebiedstyperingen opgenomen en hieraan ambitiewaarden en grenswaarden opgenomen. Het gebied waarin de voorgenomen ontwikkeling is gelegen wordt getypeerd als een gebied met Kernen en bebouwingsclusters.
Figuur 2___________________ Gebiedstypering Bron: Geluidbeleid Oss
De ambitiewaarde is hierbij gesteld op 48 dB. In zijn algemeenheid geldt hier de maximale ontheffingswaarde voor een nieuwe woning is gesteld op 53 dB.
Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai Dorpenweg 21a en 21b te Ravenstein
10
Gesteld wordt dat ontwikkelingen ook in deze gebieden wenselijk zijn en dat deze gebieden derhalve niet op slot gezet worden. Wel worden extra voorwaarden gesteld om de leefkwaliteit in deze gebieden te beschermen. Onderzocht dient te worden of maatregelen worden getroffen zoals bronmaatregelen, overdrachtsmaatregelen en gevelmaatregelen. Wel dient er aan de Wettelijke ontheffingscriteria te worden voldaan zoals hieronder in de paragraaf Woningen is omschreven. Hierbij dient afgewogen te worden of de mogelijke maatregelen bezwaren ondervinden van doelmatigheid, landschappelijk, verkeers- of vervoerskundige of financiële aard. De gemeente Oss kiest er verder voor om de aanvraag te toetsen aan eigen aanvullende criteria. Zoals de situering van de woning, verblijfsruimten en buitenruimte zoals beschreven in de overige pargrafen. Woningen 1 De woningen vervullen door de gekozen situering of bouwvorm een doelmatige akoestische afschermende functie voor andere woningen of andere geluidsgevoelige objecten. Bij woningen moet het aantal woningen dat een verbetering ondervindt ten minste de helft zijn van het aantal woningen waaraan de afschermende functie wordt toegekend. Bij andere geluidsgevoelige bestemmingen gaat het zowel om het aantal objecten als om het aantal geluidsgehinderden. De afscherming mag zijn gericht op zowel nieuwe als bestaande geluidsgevoelige bestemmingen.
2 Er is sprake van grond- of bedrijfsgebondenheid van woningen. Hieronder worden o.a.(agrarische) bedrijfswoningen en aanleunwoningen bij een bestaande zorginstelling verstaan. 3 De woningen vullen een open plaats op tussen de aanwezige bebouwing. Het gaat om woningen die worden gebouwd in een planmatige verdichting van de woonbebouwing ter verbetering van de bestaande stede bouwkundige structuur. De woningen vervangen de bestaande bebouwing. Het vervangen van bestaande bebouwing, die niet per definitie een geluidsgevoelige bestemming heeft door een geluidsgevoelige bestemming. Hierbij kan gedacht worden aan het omzetten van zorginstellingen of van bedrijfspanden naar woonruimte. Ook bij dorpsvernieuwing kan hier sprake van zijn. 4 De woningen worden gesitueerd in de omgeving van het spoorstation (binnen een straal van 500 meter afstand, gerekend vanaf het einde van het perron). 5 Er is sprake van een positieve (functie)verandering. Bij stadsvernieuwing is het belangrijk om functieverandering mogelijk te maken. Voorwaarde geluidsluwe gevel • De woning heeft ten minste één gevel met een lager (luw) geluidsniveau. Het geluidsniveau op deze gevel is niet hoger dan de streefwaarde voor elk van de te onderscheiden geluidsbronnen.
Op deze voorwaarde worden uitzonderingen gemaakt: • Bij vervangende nieuwbouw zijn de inpassingsmogelijkheden van de woningen in de bestaande geluidssituatie vaak beperkter dan voor een nieuwe situatie. Daarom wordt hier voor een geluidsluwe gevel een ruimere marge aangehouden: 5 dB boven de streefwaarde. • Voor niet-zelfstandige woonruimte (bijvoorbeeld bejaardencentrum) worden op individueel woningniveau geen eisen gesteld. Op gebouwniveau moet minimaal 50% van de wooneenheden worden gesitueerd aan een gevel met een geluidsbelasting van maximaal 5 dB boven de streefwaarde. • In gebieden met lichte bedrijvigheid zal de eis van een geluidsluwe gevel veelal haalbaar zijn, met uitzondering van een aantal specifieke omstandigheden (zoals bij incidentele vrijstaande bedrijfswoningen). Een verdere differentiatie naar gevelbelasting ligt hier voor de hand. Bij hogere waarden tot nabij de maximale ontheffingswaarde wordt als voorwaarde gesteld dat er minimaal
Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai Dorpenweg 21a en 21b te Ravenstein
11
één gevel aanwezig moet zijn waarbij de geluidsbelasting op zijn minst 10 dB lager is. • Op een gezoneerd industrieterrein zijn woningen niet gewenst. Het is echter mogelijk dat er hier en daar een bedrijfswoning voorkomt. Voor deze gebieden is het niet realistisch voorwaarden te stellen aangezien het geluid van alle kanten kan komen. Deze woningen hoeven geen geluidsluwe gevel te hebben. De eisen van het Bouwbesluit blijven hier van kracht om een acceptabel akoestisch binnenklimaat te garanderen. Voorwaarde woningindeling De woning bevat voldoende verblijfsruimte(n) aan de zijde van de geluidsluwe gevel. Dit geldt voor ten minste 50% van het aantal verblijfsruimten of 50% van het oppervlakte van het verblijfsgebied. Voorwaarde geluidsluwe buitenruimte Indien een woning beschikt over een buitenruimte, dan is deze bij voorkeur gelegen aan de geluidsluwe zijde. Het geluidsniveau mag in ieder geval niet meer dan 5 dB hoger zijn dan bij de geluidsluwe gevel. Deze eis geldt voor maximaal één buitenruimte per woning. Op deze voorwaarde wordt een uitzondering gemaakt voor de bedrijfswoningen op een gezoneerd industrieterrein. Hier is het niet realistisch om voorwaarden te stellen aangezien het geluid van alle kanten kan komen. Deze woningen hoeven geen geluidsluwe buitenruimte te hebben.
In gebieden met lichte bedrijvigheid zal een buitenruimte gelegen aan de geluidsluwe zijde veelal wel haalbaar zijn, met uitzondering van een aantal specifieke omstandigheden.
Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai Dorpenweg 21a en 21b te Ravenstein
12
HOOFDSTUK
5
5.1
BEREKENING GELUIDBELASTING
RESULTATEN De geluidbelasting ten gevolge van het wegverkeer van de Dorpenweg is weergegeven in tabel 5.1. De resultaten zijn weergegeven zowel met als zonder correctie voor artikel 110 g.
Tabel 5.1__________________ Gevelbelasting 2026 Ten gevolge van de Dorpenweg.
Toetspunt
Geluidsbelasting excl. art 110 Wgh
Geluidsbelasting incl. art 110 Wgh
m
dB
dB
61 62 55 57 45 47 55 57
48 53 56 57 50 52 40 42 50 52
Voorkeursgrenswaarde Maximale ontheffingswaarde 01 Voorgevel 02 Oostgevel 03 Achtergevel 04 Westgevel
5.2
Hoogte
1,5 4,5 1,5 4,5 1,5 4,5 1,5 4,5
BEOORDELING GELUIDBELASTING TUIN/BUITENRUIMTE Naast de fysieke toetsing van de geveldelen is ook een prognose gemaakt van de tuin c.q. buitenverblijven van de woning. Hiertoe is een rekenraster op de projectlocatie neergelegd, alwaar op een hoogte van 1,5 meter geluidscontouren zijn bepaald. De resultaten zijn terug te vinden in figuur 3 op de volgende pagina.
Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai Dorpenweg 21a en 21b te Ravenstein
13
Figuur 3___________________ Geluidcontouren LDEN op 1,5 m+mv, exclusief art. 110g Wgh Bron: Geomilieu
Een methode om geluid te beoordelen op hinderlijkheid is vermeld in de Handreiking cumulatie en saldobenadering geluid, uitgegeven door de Regiegroep Geluid Limburg. In deze notitie wordt in hoofdstuk 3 een Classificering op basis van LDEN vermeld. Aangezien in onderhavig onderzoek enkel wegverkeerslawaai is beschouwd, geeft dit een aardig handvat voor de beoordeling in het kader van een goede ruimtelijke ordening. Tabel 5.2__________________ Classificering milieukwaliteit LDEN
Gecumuleerde LDEN (dB) < 50 50 - 55 55 - 60 60 - 65 65 - 70 > 70
Classificering milieukwaliteit Goed Redelijk Matig Tamelijk slecht Slecht Zeer slecht
Hieruit blijkt dat de milieukwaliteit in het plangebied ter hoogte van de voorgevel als “Tamelijk slecht” getypeerd wordt en ter hoogte van de achtergevel overwegend als “Goed” kan worden gekwalificeerd. Ter hoogte van het terras kan de milieukwaliteit als “Matig” worden gekwalificeerd. Door een scherm met een hoogte van 2 meter in de tuin te plaatsen kan een geluidluwe buitenruimte worden gecreëerd.
Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai Dorpenweg 21a en 21b te Ravenstein
14
HOOFDSTUK
6.1
6
CONCLUSIE
BESPREKING RESULTATEN EN AANBEVELINGEN In opdracht van de heer W. Princen van Princen Bouwprocesbegeleiding B.V. te Ravenstein is door G&O Consult een akoestisch onderzoek uitgevoerd naar een her te bestemmen bedrijfsruimte tot woonruimte gelegen aan Dorpenweg 21a en 21b te Ravenstein. Op basis van verkeersintensiteiten welke op 14 december 2015 beschikbaar zijn gesteld is de gevelbelasting berekend. De her te bestemmen woning is op basis van de Wet geluidhinder gelegen binnen de zone van de Dorpenweg, Rector Nuijensweg en de Elleboogstraat. De Ellboogstraat en de Rector Nuijensweg kennen een lage verkeersintensiteit waardoor deze niet relevant zijn. Om die reden is enkel de Dorpenweg beschouwd met het onderzoek. Het geluidniveau op de gevels voldoet ter hoogte van de voor- en zijgevels niet aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. De geluidbelasting bedraagt ten hoogste 57 dB ter hoogte van de voorgevel en 52 dB ter hoogte van de zijgevel. De maximale ontheffingswaarde van 53 dB wordt ter hoogte van de voorgevel met 4 dB overschreden. De voorgevel zal worden uitgevoerd als een dove gevel. Ter hoogte van de zijgevels wordt de maximale ontheffingswaarde niet overschreden. Voor de zijgevels is het mogelijk om een beschikking hogere grenswaarde aan te vragen bij de gemeente Oss.
Dan wel kan het bevoegd gezag ambtshalve een besluit nemen met de informatie welke in deze rapportage en de ruimtelijke onderbouwing is opgenomen. De hogere waarde kan worden verleend, indien er overwegende bezwaren zijn om de geluidbelasting door bron- en overdrachtsmaatregelen terug te brengen en voldaan wordt aan de eisen uit het gemeentelijk geluidbeleid. Bij maatregelen aan de geluidbron wordt bekeken of het geluidniveau van de veroorzaker van het geluid gereduceerd kan worden. Dit kan o.a. door stillere voertuigen, verlaging van de maximum snelheid, verlaging van de verkeersintensiteit of een stiller wegdek toe te passen. Op de Dorpenweg is reeds een stil wegdek toegepast, hierdoor kan de geluidbelasting slechts zeer beperkt naar beneden worden gebracht door het toepassen van een nog stiller wegdek. De verlaging van de Dorpenweg met een stiller wegdek dan nu toegepast is gelet op de trajectlengte vanuit kosten oogpunt niet doelmatig nu het enkel om 1 op te richten woning gaat en het effect zeer beperkt is.
Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai Dorpenweg 21a en 21b te Ravenstein
15
Het terugdringen van de verkeersintensiteit dan wel het verlagen van de rijsnelheid op de Dorpenweg ondervindt gelet op de aard van de weg overwegend bezwaren verkeers- of vervoerskundige aard. De initiatiefnemer is hierbij ook niet bij machte om deze maatregel door te voeren. Daarnaast dienen deze maatregelen in een groter geheel te worden beschouwd. Het terugdringen van de intensiteit door het treffen van maatregelen zal meer verkeer op andere wegen genereren. Bij overdrachtsmaatregelen wordt bekeken of tussen geluidbron en ontvanger de geluidoverdracht belemmerd kan worden. Dit kan o.a. door een geluidscherm of een grotere afstand in acht te nemen tussen de bron en de ontvanger. Daar het gebouw reed fysiek aanwezig is kan is deze maatregel redelijkerwijs niet te realiseren Een scherm of wal direct voor de betreffende woning zou 6 meter hoog moeten zijn, gelet op de hoogte van de ontvanger. Gelet op de beperkte ruimte tussen de bebouwing en de weg zal dit op voorhand op bezwaren van landschappelijke dan wel stedenbouwkundige aard stuiten. Met een scherm met deze hoogte en een lengte van 35 meter kan de geluidbelasting omlaag worden gebracht met circa 7 dB doch kan niet worden voldaan aan de voorkeursgrenswaarde. Dit nog afgezien van de kosten van € 42.000,00 (bij een richtprijs van € 200,00 per m2).
Maatregelen in de overdracht ondervinden hierdoor bezwaar van financiële aard. Een hogere waarde is voor de realisatie van de bedrijfswoning benodigd. Een hogere waarde kan middels een door het bevoegd gezag beschikbaar gesteld aanvraagformulier worden aangevraagd, anderzijds is uit deze rapportage samen met de aanvraag in het kader van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht alle benodigde informatie te herleiden waardoor de gemeente de hogere waarde ambtshalve kan verlenen zonder aanvraag. De aanvraag samen met onderhavig akoestisch onderzoek worden dan tevens beschouwd als een aanvraag om een hogere waarde. Met de herbestemming wordt voldaan aan het 3e criteria van het Osse geluidbeleid. Op basis van figuur 3 kan worden afgeleid dat een geluidluwe gevel aanwezig is. Met de aanvraag voor het onderdeel bouwen dient rekening te worden gehouden dat 50% van de gevoelige ruimten is gelegen aan de geluidluwe gevel. Middels een schutting/scherm van 10 kg/m2 kan een geluidluwe buitenruimte worden gecreëerd. Waardoor kan worden voldaan aan het Osse geluidbeleid.
6.2
BESPREKING GELUIDSBELASTING IRT BOUWBESLUIT Volgens het Bouwbesluit is de karakteristieke geluidwering van geveldelen (GA;k) in een woning tenminste 20 dB (artikel 3.2 Bouwbesluit). Conform het Bouwbesluit moet aan een binnenwaarde van 33 dB worden voldaan om een goed woon- en leefklimaat in de woning te garanderen. Hierbij wordt er met het Bouwbesluit van uitgegaan dat de specifieke gevelwering GA;k ten minste 20 dB bedraagt ten opzichte van de vast te stellen hogere waarde zonder art 110g. Met een standaard gevelwering wordt niet voldaan aan het vereiste binnen geluidsniveau van 33 dB, dit geldt voor nieuwbouw. Omdat het hier gaat om bestaande bebouwing dient met de aanvraag om een vergunning voor het onderdeel bouwen het van rechtens verkregen niveau beschouwd te worden. Het bouwwerk is opgericht in 1901. Destijds werden er