CConstaterende datOss
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2A Toelichting - bijlage 02 Dorpenweg ong. (nabij nr. 21) Deursen-Dennenburg

Gemeenteraad 12 december 2024, gemeente OssBij agendapunt: A Herstelbesluit vaststelling bestemmingsplan ‘Buitengebied Oss – 2020’28.450 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 4

BESTEMMINGSPLAN Buitengebied Oss - 2020 Bijlagen bij toelichting

Bijlage 2 - ruimtelijke onderbouwing Dorpenweg ong. (nabij nummer 21), Deursen-Dennenburg

Gemeente Oss | Raadhuislaan 2 | 5341 GM | Oss | T: 14 0412 | F: 0412 642605 | www.oss.nl |

Ruimtelijke onderbouwing Dorpenweg 21a en 21b, Ravenstein, pag. 1 van 51 Datum 20-02-2018

Ruimtelijke onderbouwing Dorpenweg 21a en 21b, Ravenstein

Gemeente Oss, Datum 20-02-2018

Ruimtelijke onderbouwing Dorpenweg 21a en 21b, Ravenstein, pag. 2 van 51 Datum 20-02-2018

INHOUDSOPGAVE Ruimtelijke onderbouwing Hoofdstuk 1

Inleiding .......................................................................................................................... 6

1.1

Aanleiding ................................................................................................................................... 6

1.2

Begrenzing plangebied .............................................................................................................. 6

1.3

Vigerend bestemmingsplan....................................................................................................... 7

Hoofdstuk 2

Bestaande situatie en programma ............................................................................... 8

2.1

Ontstaansgeschiedenis ............................................................................................................. 8

2.2

Bestaande situatie ...................................................................................................................... 9

2.3

Beoogde situatie ......................................................................................................................... 9

2.4

Stedenbouwkundige karakteristiek .......................................................................................... 9

2.5

Functionele karakteristiek ......................................................................................................... 9

2.6

Groen en water ......................................................................................................................... 10

2.7

Beeldkwaliteit ............................................................................................................................ 10

Hoofdstuk 3

Beleidskader ................................................................................................................ 11

3.1

Wettelijk kader .......................................................................................................................... 11

3.2

Rijksbeleid ................................................................................................................................. 12

3.3

Provinciaal beleid ..................................................................................................................... 15

3.4

Gemeentelijk beleid .................................................................................................................. 23

Hoofdstuk 4

Verantwoording ........................................................................................................... 30

4.1

Milieu- en omgevingsaspecten ............................................................................................... 30

4.3

Waarden..................................................................................................................................... 41

4.3.4

Defensie ..................................................................................................................................... 49

4.3.5

Milieueffectrapportage (M.e.r.) ................................................................................................ 50

5.1 Economische uitvoerbaarheid ....................................................................................................... 51

BIJLAGEN

Ruimtelijke onderbouwing Dorpenweg 21a en 21b, Ravenstein, pag. 3 van 51 Datum 20-02-2018

Ruimtelijke onderbouwing Dorpenweg 21a en 21b, Ravenstein, pag. 4 van 51 Datum 20-02-2018

Ruimtelijke onderbouwing Bestemmingsplan Dorpenweg 21a en 21b, Ravenstein

Ruimtelijke onderbouwing Dorpenweg 21a en 21b, Ravenstein, pag. 5 van 51 Datum 20-02-2018

Ruimtelijke onderbouwing Dorpenweg 21a en 21b, Ravenstein, pag. 6 van 51 Datum 20-02-2018

Hoofdstuk 1 1.1

Inleiding

Aanleiding

Voorliggende ruimtelijke onderbouwing is opgesteld voor het wijzigen van de bestemming van het perceel Dorpenweg 21a en 21b te Ravenstein. Dit betreft een cultuurhistorisch waardevol pand. Dit pand is bestemd als en op dit moment in gebruik als bedrijf (kantoorfunctie). De wens is de gebruiksmogelijkheden van het pand flexibeler te maken. Tot voor kort heeft het pand lange tijd leeggestaan. Deze leegstand heeft het pand geen goed gedaan. Aangezien het een cultuurhistorisch waardevol pand betreft is het wenselijk dat in toekomst voorkomen wordt dat het pand weer lange tijd leeg staat. Hiertoe is het wens om de gebruiksmogelijk van het pand worden verruimd. De gemeente Oss heeft aangegeven hieraan medewerking te willen verlenen, onder voorwaarde dat de bedrijfsmatige gebruiksmogelijkheden enigszins worden beperkt. De verruiming bestaat uit de mogelijkheid om het pand geheel als woning te gebruiken en als combinatie tussen wonen en kantoor. De beperking in de bedrijfsmatige activiteiten bestaat eruit dat het pand uitsluitend aan kantoorfunctie krijgt. Andere bedrijvigheid is niet langer toegestaan. De locatie is gelegen in de bebouwingsconcentratie ‘Zuidelijke rand Deursen-Dennenburg’. Op basis van het vigerende bestemmingsplan is het niet toegestaan om de bebouwing ter plaatse te gebruiken voor woondoeleinden.

Echter is er in onderhavige situatie sprake van een cultuurhistorisch waardevol gebouw. De vestiging van een woonfunctie in cultuurhistorische waardevolle bebouwing is, gericht op het behoud of herstel van de cultuurhistorische waarde, onder voorwaarden mogelijk. Voorliggende ruimtelijke onderbouwing is opgesteld om aan te tonen dat, het voorgestelde gebruik van de locatie Dorpenweg 21a en 21b te Ravenstein als woonfunctie, met eventueel een aan huis gebonden activiteit passend is in de omgeving. waarbij het tevens mogelijk is om het gehele pand in gebruik te nemen ten behoeve van een kantoorfunctie. 1.2

Begrenzing plangebied

Het plangebied beslaat de gronden zoals weergegeven in navolgend figuur. Het plangebied omvat het voorste gedeelte van het perceel aan de Dorpenweg 21, kadastraal bekend gemeente Ravenstein, sectie D, nummer 1260.

Ruimtelijke onderbouwing Dorpenweg 21a en 21b, Ravenstein, pag. 7 van 51 Datum 20-02-2018

Ligging en begrenzing plangebied 1.3

Vigerend bestemmingsplan

Voor de locatie aan de Dorpenweg 21a en 21b te Ravenstein vigeert het bestemmingsplan “Buitengebied Oss – 2010”, vastgesteld op 21 januari 2011.

Ruimtelijke onderbouwing Dorpenweg 21a en 21b, Ravenstein, pag. 8 van 51 Datum 20-02-2018

Hoofdstuk 2 2.1

Bestaande situatie en programma

Ontstaansgeschiedenis

De omgeving van het plangebied kende al in vroege tijden bewoning vanwege de hoge ligging op een rivierduin van de Maas. De belangrijkste vorm van bestaan is altijd de landbouw geweest. De eerste ontginningen waren gebaseerd op het reliëf en uitgevoerd in blokverkaveling met voornamelijk langs de wegen verspreide agrarische bebouwing. De ligging van de bebouwingsconcentratie op een rivierduin vormde een hoge, droge plek binnen de omliggende natte komgebieden. Op deze rivierduin ontstond de eerste bebouwing. De ondergrond van dit landschap is rivierduin en oeverwal bestaand uit poldervaaggronden. De oorspronkelijke begroeiing bestond vooral uit fruitgaarden en perceelbeplanting. Het landschap heeft een kleinschalig, halfopen karakter. Door schaalvergroting is veel van de oorspronkelijke verkaveling verdwenen, maar het kleinschalige karakter is behouden. Onderhavige locatie lag in het Land van Ravenstein, dat niet onder Staats-Brabant viel, maar toebehoorde aan katholieke vorsten. Dit had tot gevolg dat hier, godsdienstvrijheid heerste en er dus ook kloosters konden bestaan. Zo is in 1732 het Klooster Soeterbeeck gesticht op het landgoed "Den Bogaert". Vanaf de Franse tijd behoorde het plangebied tot de gemeente Deursen en Dennenburg. In 1923 is de gemeente opgegaan in de gemeente Ravenstein. Deze is op haar beurt in 2003 opgegaan in de gemeente Oss.

Topografische situatie rond 1900 Tot midden jaren tachtig was op onderhavige locatie een agrarisch loonbedrijf gevestigd. Deze bestond uit een boerderij met twee schuren. Na de beëindiging van dit bedrijf is het eigendom gesplitst in een 2 gedeelte met de boerderij (en de direct aangrenzende schuur) en een gedeelte van circa 637 m met daarop de betreffende schuur waarop deze onderbouwing betrekking heeft. Het betreft een zogenaamde langsdeelschuur, die dateert uit 1886. De schuur heeft in het huidige bestemmingsplan geen aanduiding ‘cultuurhistorische waarden’. De Monumentenkamer Oss heeft op 24 november 2015 ingestemd om het object aan te wijzen als cultuurhistorisch waardevol. Afgezien van de waarden van het gebouw zelf, is de situering waardevol als beeldbepalend onderdeel van de historische boerderijbebouwing langs de hoofdweg van Ravenstein naar Deursen. Dit mede gelet op de verhoogde ligging en de situering in het open buitengebied, en gezien in relatie tot de naastgelegen T-boerderij. Omdat de schuur zich in slechte staat bevond, is deze in de jaren 90 ingrijpend gerenoveerd en onder meer voorzien van een nieuw pannendak. Momenteel wordt het pand gebruikt als bedrijfspand.

Ruimtelijke onderbouwing Dorpenweg 21a en 21b, Ravenstein, pag. 9 van 51 Datum 20-02-2018

2.2

Bestaande situatie

Zoals in de voorgaande paragraaf vermeld wordt het pand aan de Dorpenweg 21a en 21b momenteel gebruikt als bedrijfspand. Het pand betreft een cultuurhistorisch waardevol pand. Binnen de bestemming is naast de kantoorfunctie bedrijvigheid in de categorie 1 en 2 toegestaan, met een oppervlakte van 2 maximaal 240 m . Direct bij het pand ligt een eigen parkeerterrein met 8 plaatsen. Voor Dorpenweg 21a zijn 4 parkeerplaatsen ter beschikking.

Bestaande situatie 2.3

Beoogde situatie

In de beoogde situatie kan het pand flexibeler worden gebruikt. De flexibiliseren betreft enerzijds een verruiming van de gebruiksmogelijkheden, terwijl er anderzijds een beperking in deze gebruiksmogelijkheden wordt doorgevoerd. De verruiming bestaat uit de mogelijkheid om het pand geheel als woning te gebruiken en als combinatie tussen wonen en kantoor. De beperking in de bedrijfsmatige activiteiten bestaat eruit dat het pand uitsluitend aan kantoorfunctie krijgt. Andere bedrijvigheid is niet langer toegestaan. Met deze flexibelere gebruiksmogelijkheden wordt voorkomen dat het pand in de toekomst weer langere tijd leeg komt te staan. Het flexibeler maken van het gebruik draagt bij aan het behoud van het cultuurhistorisch waardevolle pand. Er zijn meer mogelijkheden om geld te genereren voor het onderhoud van het pand. Zie bijlage 1 voor de toekomstige indeling van het perceel. 2.4

Stedenbouwkundige karakteristiek

De planlocatie wordt aan de oostzijde begrensd door de Dorpenweg. De Dorpenweg is een verbindingsweg van de kernen gelegen tussen Oss en Ravenstein. Aan de oost- en zuidzijde wordt de locatie omarmt door een burgerwoonbestemming. Dit betreft de boerderij waar onderhavig pand ook deel van uitmaakte. Aan de westzijde is het klooster Soeterbeeck gevestigd. De overzijde van de Dorpenweg in het noorden bestaat uit een opengebied van weide. Meer in het noordoosten zijn diverse vrijstaande burgerwoningen met bijgebouwen gelegen. In het zuidwesten bevinden zich enkele agrarische bedrijven. 2.5

Functionele karakteristiek

De locatie aan de Dorpenweg 21a en 21b is gelegen in de bebouwingsconcentratie, bestaande uit de zuidelijke rand van de kerkdorpen Deursen en Dennenburg. De bebouwingsconcentratie bestaat uit verspreide bebouwing. Het gebied loopt in noordelijke en zuidelijke richting over in het landelijk gebied. In oostelijke richting grenst de bebouwingsconcentratie aan het dorp Ravenstein. De bebouwing aan de

Ruimtelijke onderbouwing Dorpenweg 21a en 21b, Ravenstein, pag. 10 van 51 Datum 20-02-2018

Dorpenweg heeft in hoofdzaak een woonfunctie. Enige uitzondering is onderhavige locatie met een bedrijfsbestemming en het naastgelegen klooster, waarin een studiecentrum is gevestigd. De planlocatie zal in de voorgenomen situatie een woonfunctie krijgen, met de nadere aanduiding kantoor. Hierdoor kan het gebruikt wordt als wonen, wonen met kantoor of kantoor. Meer van de Dorpenweg af bevinden zich enkele agrarische bedrijven. Op een afstand van 157 meter is het dichtstbij gelegen agrarisch bedrijf gelegen met als nadere functieaanduiding ‘intensieve veehouderij’. De afstand tot deze locatie wijzigt met onderhavig voornemen niet. De spoorlijn Nijmegen – Oss vormt een duidelijke fysieke grens van de kern Ravenstein. Op circa 300 meter ten zuidoosten is het bedrijventerrein ‘De Kolk’ Gelegen. Hier zijn bedrijven tot de milieucategorie 3.2, conform de uitgave ‘Bedrijven en milieuzonering’ van de VNG.

Uitsnede Verbeelding bestemmingsplannen in de omgeving

2.6

Groen en water

In onderhavig plan gaat het enkel om een verruiming van de gebruiksmogelijkheden van een bestaand gebouw. Qua bebouwing en erfverharding zijn er geen veranderingen. Er zijn dan ook geen waterhuishoudkundige gevolgen. Het bestaande groen zal behouden blijven en waar mogelijk worden versterkt. Kwaliteitsverbetering is niet van toepassing. Het gaat om een verruiming van de gebruiksmogelijkheden met als doel om een bestaand cultuurhistorisch waardevol pand te behouden. Het pand wordt landschappelijk ingepast in de vorm van een haag (meidoorn) aan de voorzijde van het perceel. 2.7

Beeldkwaliteit

U hoeft niets te doen, de gemeente vult deze paragraaf in. .

Ruimtelijke onderbouwing Dorpenweg 21a en 21b, Ravenstein, pag. 11 van 51 Datum 20-02-2018

Hoofdstuk 3 3.1

Beleidskader

Wettelijk kader

3.1.1 Wet ruimtelijke ordening Op 1 juli 2008 is de Wet ruimtelijke ordening in werking getreden. De hoofdlijnen van de nieuwe wet zijn samengevat: - Decentraal wat kan en centraal wat moet: rijk en provincie moeten en mogen niet meer regelen dan wat de taak van deze overheden direct met zich brengt; - Rijk, provincie en gemeente hebben gelijke instrumenten en kunnen die inzetten voor de eigen taken op het gebied van de ruimtelijke ordening: structuurvisie, bestemmingsplan en projectafwijkingsbesluit; - Rijk en provincie kunnen zaken voor gemeente dwingend voorschrijven via een verordening en via een aanwijzing; - Er is een strikte scheiding tussen beleid en bestemmingsplan; beleidsdocumenten hebben geen directe juridische werking meer; - De goedkeuring van de provincie op bestemmingsplannen is vervallen; - De gemeente moet meer werk maken van de herziening van bestemmingsplannen: o Er komt een sanctie op verouderde bestemmingsplannen: geen legesheffing meer mogelijk; o Voor de realisering van projecten kan een projectafwijkingsbesluit genomen worden; - Voor gebieden waar geen ruimtelijke ontwikkelingen spelen kan de gemeente kiezen om een beheersverordening te maken in plaats van een bestemmingsplan; - Er is een drempel voor planschade van 2%; - De mogelijkheid van kostenverhaal bij grondexploitatie is verbeterd; - Bestemmingsplannen moeten analoog en digitaal worden gemaakt.

3.1.2 Grondexploitatiewet Tegelijk met de Wet ruimtelijke Ordening is de nieuwe Grondexploitatiewet (Grex-wet) in werking getreden. De grondexploitatiewet is als paragraaf 6.4 in de nieuwe Wet ruimtelijke ordening opgenomen. De Grex-wet is noodzakelijk omdat eerdere wettelijke instrumenten voor kostenverhaal, te weten de exploitatieverordening en de baatbelasting, niet toereikend bleken. Doelstelling van de nieuwe wet is een goede regeling voor kostenverhaal, binnenplanse verevening en enkele locatie-eisen bij particuliere grondexploitatie. Onder de Grex-wet is kostenverhaal mogelijk via het privaatrechtelijke spoor (door middel van een vrijwillige samenwerkingsovereenkomst) en door middel van het publiekrechtelijke spoor. Eén van de belangrijkste vernieuwingen die de wet brengt, is het verplichtende karakter van kostenverhaal. Privaatrechtelijke afspraken hebben de voorkeur. Maar als een gemeente er niet in geslaagd is met alle particuliere eigenaren in een gebied een overeenkomst te sluiten over grondexploitatie moet de gemeente publiekrechtelijk kosten verhalen bij partijen waarmee geen contract is gesloten. Dit publiekrechtelijke verhaal gaat door middel van een exploitatieplan, waarvan de totstandkoming gelijk op moet lopen met een bestemmingsplan. De verplichting tot een publiekrechtelijke regeling is gekoppeld aan twee voorwaarden: 1.

In de eerste plaats is een ruimtelijk besluit op grond van de Wet ruimtelijke ordening nodig. Het publiekrechtelijk instrumentarium is alleen van toepassing bij de vaststelling van een bestemmingsplan, wijziging van een bestemmingsplan, of een projectafwijkingsbesluit. 2. De tweede voorwaarde is dat het ruimtelijk besluit voorziet in nieuwbouw of in belangrijke en omvangrijke verbouwplannen met functiewijzigingen. De bouwplannen waar het om gaat zijn in het Besluit ruimtelijke ordening aangewezen. Dit bestemmingsplan voorziet in nieuwe bouwmogelijkheden. De Grondexploitatie-wetgeving is dan ook van toepassing. Dat betekent dat meerkosten voor de planologische procedure als gevolg van particuliere

Ruimtelijke onderbouwing Dorpenweg 21a en 21b, Ravenstein, pag. 12 van 51 Datum 20-02-2018

ontwikkelingen dienen te worden verhaald op de initiatiefnemer(s). De verhaal van deze kosten kan op twee manieren worden geregeld, namelijk via een anterieure overeenkomst of via een exploitatieplan. De gemeente Oss heeft nadrukkelijk de voorkeur om dit via een anterieure overeenkomst met de initiatiefnemer te regelen omdat het opstellen van een exploitatieplan aanzienlijke meerkosten voor gemeente én initiatiefnemer tot gevolg heeft. 3.1.3 Wet op de archeologische monumentenzorg In de Wet op de archeologische monumentenzorg, aangenomen in 2006, is het doel van het in 1992 gesloten Verdrag van Valletta (Malta) verwerkt: bescherming van het archeologische erfgoed als bron van het Europese gemeenschappelijke geheugen en als middel voor geschiedkundige en wetenschappelijke studie. Om dat doel te bereiken moet de wetgever het archeologisch erfgoed betrekken bij de ruimtelijke ordening. Met de wet wordt het Verdrag van Valletta in de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd. De kern van de wet is dat gemeenten verantwoordelijk worden voor de archeologische monumentenzorg binnen de gemeentegrenzen. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan dient de gemeente rekening te houden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische waarden. 3.1.4

Flora- en faunawet

3.1.4 Wet Natuurbescherming De Wet natuurbescherming is op 1 januari 2017 in werking getreden en beschermt Nederlandse natuurgebieden en planten- en diersoorten. Het is belangrijk voor de natuur dat er veel verschillende planten- en diersoorten zijn. Wanneer het met de natuur goed gaat, is er ook meer ruimte voor economische en andere maatschappelijke activiteiten. Maar sommige soorten zijn kwetsbaar, zoals vleermuizen en mussen. Een goede natuurbescherming is dan ook belangrijk. De Wet natuurbescherming vervangt 3 wetten die tot 1 januari 2017 golden: • De Natuurbeschermingswet 1998. Deze wet regelde de natuurbescherming van gebieden. • De Flora- en faunawet. Deze wet beschermde in het wild voorkomende diersoorten en plantensoorten. • De Boswet. Deze wet beschermde de Nederlandse bossen. Met één wet en minder regels wordt de regelgeving voor natuurbescherming overzichtelijker. Rolverdeling tussen provincies en Rijk Sinds 1 januari 2017 bepalen de provincies wat wel en niet mag in de natuur binnen de provincie. De provincies zorgen voor de vergunningen en ontheffingen. De Rijksoverheid blijft verantwoordelijk voor het beleid van grote wateren en internationaal beleid (zoals Natura2000).

Ruimtelijke plannen en omgevingsvergunningen die invloed hebben op beschermde natuur moeten passen binnen de Wet natuurbescherming, Daarnaast gelden ook provinciale regelingen voor natuurbescherming. Meer informatie over vergunningen en ontheffingen Wet natuurbescherming staat op de site van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland. 3.2

Rijksbeleid

3.2.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte Op 13 maart 2012 heeft de minister van Infrastructuur en Ruimte de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) vastgesteld. De visie stelt het (integrale) kader voor het ruimtelijk- en mobiliteitsbeleid op rijksniveau in Nederland. In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte schetst het kabinet hoe Nederland er in 2040 uit moet zien: concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig. Tot 2028 heeft het kabinet in de SVIR drie Rijksdoelen geformuleerd: - Het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de ruimtelijkeconomische structuur van Nederland. (concurrerend) - Het verbeteren en ruimtelijk zekerstellen van de bereikbaarheid waarbij de gebruiker voorop staat. (bereikbaar)

Ruimtelijke onderbouwing Dorpenweg 21a en 21b, Ravenstein, pag. 13 van 51 Datum 20-02-2018

-

Het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin unieke cultuurhistorische waarden behouden zijn. (leefbaar en veilig)

De SVIR vervangt onder meer de volgende nota’s: - de Nota Ruimte; - de Structuurvisie Randstad 2040; - de Nota Mobiliteit; - de MobiliteitsAanpak; - de Structuurvisie voor de Snelwegomgeving. Verder vervallen met de SVIR de ruimtelijke doelen en uitspraken uit de Agenda Landschap, Agenda Vitaal Platteland en Pieken in de Delta. Oplossingsrichtingen Verstedelijkings- en landschapsbeleid wordt overgelaten aan gemeenten en provincies. Gemeenten krijgen ruimte voor kleinschalige natuurlijke groei geënt op het bouwen van huizen die aansluiten bij de woonwensen van mensen. Bij het beheren en ontwikkelen van natuur krijgen boeren en particulieren in het landelijk gebied een grotere rol. Bij gebiedsontwikkelingen moet de daadwerkelijke vraag van bewoners, bedrijven en organisaties leidend worden. Om zorgvuldig ruimtegebruik te bevorderen wordt een ladder voor duurzame verstedelijking geïntroduceerd: eerst kijken of er vraag is naar een bepaalde nieuwe ontwikkeling, vervolgens kijken of het bestaande stedelijk gebied of bestaande bebouwing kan worden hergebruikt en, mocht nieuwbouw echt nodig zijn, altijd zorgen voor een optimale (multimodale) bereikbaarheid. Bij het verbeteren van de bereikbaarheid wordt sterk gelet op het samenspel tussen alle modaliteiten (weg, spoor, water) in samenhang met ruimtelijke ontwikkeling.

Er moet innovatief worden omgegaan met de benutting van de infrastructuur. Het Rijk kiest voor een selectieve inzet van rijksbeleid op dertien nationale belangen. Voor die belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaat boeken. Buiten deze dertien belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid. De 13 nationale belangen zijn: Vergroten van de concurrentiekracht van Nederland 1. Een excellente ruimtelijk-economische structuur van Nederland door een aantrekkelijk vestigingsklimaat in en goede internationale bereikbaarheid van de stedelijke regio’s met een concentratie van topsectoren. 2. Ruimte voor het hoofdnetwerk voor (duurzame) energievoorziening en de energietransitie. 3. Ruimte voor het hoofdnetwerk voor vervoer van (gevaarlijke) stoffen via buisleidingen. 4. Efficiënt gebruik van de ondergrond. Verbeteren en ruimtelijk zekerstellen van de bereikbaarheid. 5. Een robuust hoofdnet van wegen, spoorwegen en vaarwegen rondom en tussen de belangrijkste stedelijke regio’s inclusief de achterlandverbindingen. 6. Betere benutting van de capaciteit van het bestaande mobiliteitssysteem. 7. Het instandhouden van het hoofdnet van wegen, spoorwegen en vaarwegen om het functioneren van het mobiliteitssysteem te waarborgen. Waarborgen kwaliteit leefomgeving 8.

Verbeteren van de milieukwaliteit (lucht, bodem, water) en bescherming tegen geluidsoverlast en externe veiligheidsrisico’s. 9. Ruimte voor waterveiligheid, een duurzame zoetwatervoorziening en kaders voor klimaatbestendige stedelijke (her)ontwikkeling. 10. Ruimte voor behoud en versterking van (inter)nationale unieke cultuurhistorische en natuurlijke kwaliteiten. 11. Ruimte voor een nationaal netwerk van natuur voor het overleven en ontwikkelen van flora- en faunasoorten. 12. Ruimte voor militaire terreinen en activiteiten. Overkoepelend 13. Zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten.

Ruimtelijke onderbouwing Dorpenweg 21a en 21b, Ravenstein, pag. 14 van 51 Datum 20-02-2018

3.2.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) Indien nationale belangen met het oog op een goede ruimtelijke ordening dat vergen, kan de minister regels stellen aan de inhoud van bestemmingsplannen. Dit heeft de minister, in de vorm van een algemene maatregel van bestuur, gedaan in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Op 30 december 2011 is dit besluit in werking getreden. Het kabinet heeft in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) vastgesteld dat voor een aantal onderwerpen verdere regels gesteld moeten worden. In het Barro komen dertien nationale belangen als titels terug. De volgende kunnen relevant zijn voor ruimtelijke plannen in de gemeente Oss: - Rijksvaarwegen - Grote rivieren - Defensie - Hoofdwegen en hoofdspoorwegen - Elektriciteitsvoorziening - Buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen - Ecologische hoofdstructuur - Primaire waterkeringen buiten het kustfundament De regels in het besluit zijn concreet normstellend benoemd en moeten direct of indirect (door tussenkomst van de provincie) doorwerken tot het niveau van de lokale besluitvorming. De indirecte doorwerking komt enkel bij de Ecologische Hoofdstructuur en de Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarden voor. Het Barro voorziet verder in een hoofdstuk overige bepalingen en gaat gepaard met meerdere bijlagen.

In deze bijlagen worden onder andere de belangen van de grote rivieren en defensie geografisch begrensd. Bij het opstellen van bestemmingsplannen (en andere ruimtelijke besluiten) dient rekening te worden gehouden met de bepalingen van het Barro. Voor de gemeente Oss zijn met name de titels met betrekking tot de rijksvaarwegen, de grote rivieren, primaire waterkeringen buiten het kustfundament en defensie (rechtstreeks) van belang. De regels in titel 2.4 Grote rivieren vormen feitelijk de doorwerking van de Beleidsregels Grote rivieren. Ten aanzien van titel 2.6 Defensie wordt de enige mogelijke beperking gevormd door de bescherming van het radarverstoringsgebied van de vliegbasis Volkel. 3.2.3 Ladder voor duurzame verstedelijking Op 1 oktober 2012 is het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gewijzigd, en is ‘de ladder voor duurzame verstedelijking’ daaraan toegevoegd. De ladder ondersteunt gemeenten en provincies in vraaggerichte programmering van hun grondgebied, het voorkomen van overprogrammering en de keuzes die daaruit volgen (Bro, artikel 3.1.d). Doel van de ladder voor duurzame verstedelijking is een goede ruimtelijke ordening in de vorm van een optimale benutting van ruimte in stedelijke gebieden.

Overheden dienen nieuwe stedelijke ontwikkeling te motiveren met de drie opeenvolgende stappen: a) er wordt beschreven dat de voorgenomen stedelijke ontwikkeling voorziet in een actuele regionale behoefte (trede 1); b) indien uit de beschrijving, bedoeld onder a, blijkt dat van een actuele regionale behoefte sprake is, dan wordt beschreven in hoeverre in die behoefte kan worden voorzien in bestaand stedelijk gebied van de betreffende regio door benutting van beschikbare gronden door herstructurering, transformatie of anderszins (trede 2); c) blijkt dat de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied van de betreffende regio plaats kan vinden, dan wordt beschreven in hoeverre in die behoefte wordt voorzien op locaties die, gebruik makend van verschillende middelen van vervoer, passend ontsloten zijn of als zodanig worden ontwikkeld (trede 3) De realisatie van een woonfunctie met de mogelijkheid tot een beroep aan huis kan worden aangemerkt als verstedelijking. Wat betreft de toets van de ontwikkeling aan de Ladder voor duurzame verstedelijking kan het volgende worden geconstateerd: wat onder stedelijke ontwikkeling wordt verstaan is in het Besluit ruimtelijke ordening opgenomen.

Een stedelijke ontwikkeling is volgens het besluit ‘een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen’. Uit jurisprudentie blijkt dat woningbouwplannen

Ruimtelijke onderbouwing Dorpenweg 21a en 21b, Ravenstein, pag. 15 van 51 Datum 20-02-2018

met minder dan 12 woningen niet hoeven te worden aangemerkt als stedelijke ontwikkeling. In onderhavige situatie is er sprake het toevoegen van 1 woning. Dit mede ten behoeve van het behoud van een cultuurhistorisch waardevol pand. Concluderend kan gesteld worden dat dit project niet als stedelijke ontwikkeling aangemerkt kan worden. Gezien het feit dat artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro in dit geval niet van toepassing is, hoeft het plan niet verder aan de Ladder te worden getoetst: de ontwikkeling is niet in strijd met de ladder voor duurzaam ruimtegebruik. De bedrijfsfunctie is reeds toegestaan. Hiervoor geldt dat er geen sprake is van een stedelijke ontwikkeling. 3.3

Provinciaal beleid

3.3.1 Structuurvisie Ruimtelijke Ordening 2010 – partiële herziening 2014 Op 19 maart 2014 hebben Gedeputeerde Staten van de provincie Noord-Brabant de Structuurvisie Ruimtelijke Ordening 2014 vastgesteld. Deze structuurvisie is een actualisatie van de visie die in 2010 werd vastgesteld. Met deze structuurvisie geeft de provincie de hoofdlijnen van het provinciaal ruimtelijke beleid tot 2025, met een doorkijk naar 2040. De visie is bindend voor het ruimtelijk handelen van de provincie en vormt de basis voor de wijze waarop de provincie de instrumenten die de Wet ruimtelijke ordening biedt inzet. Naast de Structuurvisie stelt de provincie een verordening ruimte op. In deze verordening vertaalt de provincie de kaderstellende elementen uit het provinciaal beleid in regels die van toepassing zijn op (gemeentelijke) bestemmingsplannen. Aanvullend zijn ook gebiedspaspoorten opgesteld. Deze vormen een uitwerking van de visie en bevatten de landschapskenmerken die bepalend zijn voor de kwaliteit van een gebied of een landschapstype en hoe ruimtelijke ontwikkelingen kunnen bijdragen aan het behoud en versterking daarvan. De provincie kiest met de structuurvisie voor een duurzame ontwikkeling waarin de kwaliteiten van de provincie sturend zijn bij de ruimtelijke keuzes die de komende jaren op de provincie af komen.

Nieuwe ontwikkelingen moeten bijdragen aan de kracht en identiteit van Noord-Brabant. Provinciale belangen en ruimtelijke keuzes De provincie wil sturen op ruimtelijke kwaliteit. De ruimtelijke keuzes geven inhoud aan het streven naar ruimtelijke kwaliteit en zijn van provinciaal belang. De belangrijkste keuzes voor de gemeente Oss zijn: - Regionale contrasten De provincie wil de contrasten tussen klei, zand en veenontginningen versterken. - Een multifunctioneel landelijk gebied De provincie kiest voor een integrale aanpak. Waar de landbouw de drager van het landschap is wordt ruimte gegeven aan optimale en duurzame ontwikkeling van de aanwezige landbouwsector. In de jonge rivierkleigebieden moet de agrarische functie (rundveehouderij) behouden blijven. Op de oeverwallen langs de rivieren wordt ruimte geboden voor menging van landbouw, natuur, landschap, recreatie, wonen, werken en zorg. Dit is van belang voor de plattelandseconomie. - Een robuust en veerkrachtig water- en natuursysteem Het patroon van beken en kreken moet beter beleefbaar worden. De ecologische hoofdstructuur wordt versterkt door het natuursysteem nog beter aan het watersysteem te koppelen. - Een betere waterveiligheid door preventie Gestreefd wordt naar vergroting van de watervoerende capaciteit van het rivierbed in combinatie met het concept van de doorbraakvrije dijk.

- Concentratie van verstedelijking Brabant heeft de ambitie zich te ontwikkelen tot een top kennis- en innovatieregio op Europees niveau. De provincie vindt het daarom belangrijk dat er verschil blijft tussen de steden en de kernen in het landelijk gebied, de zogenaamde mozaïekstructuur. - Sterk stedelijk netwerk De provincie wil een sterk stedelijk netwerk van Brabantse steden. Goede bereikbaarheid tussen de steden onderling en andere omliggende stedelijke netwerken is belangrijk. - Groene geledingszones tussen steden De provincie zet in op behoud en ontwikkeling van groene geledingszones tussen de stedelijke kernen. - Gedifferentieerd aanbod goed bereikbare vrijetijdsvoorzieningen

Ruimtelijke onderbouwing Dorpenweg 21a en 21b, Ravenstein, pag. 16 van 51 Datum 20-02-2018

Een kwalitatief goede vrijetijdsbesteding is een belangrijke voorwaarde voor het realiseren van een goed leef-, werk- en vestigingsklimaat. Belangrijk aandachtspunt daarbij is dat er een breed aanbod aan vrijetijdsvoorzieningen is met een goede toegankelijkheid en bereikbaarheid. Zorgplicht voor ruimtelijke kwaliteit Nieuwe ontwikkelingen bieden een kans voor behoud en ontwikkeling van het landschap. De hoofdregel is dat ontwikkelruimte dient bij te dragen aan het versterken van de ruimtelijke kwaliteit. Het ontwikkelen van landschap reikt verder dan vasthouden aan wat er is, ontwikkelen van het landschap gaat ook om het toevoegen van nieuwe kwaliteiten. De zorgplicht voor ruimtelijke kwaliteit bepaalt dat: - er zorgvuldig wordt omgegaan met het ruimtegebruik; - er rekening wordt houden met de omgeving; - de ontwikkeling bijdraagt aan het behoud of de versterking van de ruimtelijke kwaliteit. Dit principe is van toepassing op zowel het stedelijk als het landelijk gebied en wordt uitgewerkt in de Verordening ruimte 2012. Zorgvuldig ruimtegebruik De provincie wil dat gemeenten bij ruimtelijke afwegingen het principe van zorgvuldig ruimtegebruik toepassen. Nieuw ruimtebeslag moet zoveel mogelijk voorkomen worden. In eerste instantie krijgen initiatieven een plek binnen bestaand bebouwd gebied.

Pas als hier geen mogelijkheden zijn of de kwaliteiten van de geplande ontwikkeling hier niet bij passen, wordt er in de omgeving gezocht naar de best mogelijke plek. Naast zuinig ruimtegebruik richt de provincie zich ook op herstructurering en hergebruik van verouderde locaties in het stedelijk gebied en op sanering van ongewenste functies in het buitengebied. Rekening houden met de omgeving Gebiedskenmerken en omliggende waarden, gebaseerd op de lagenbenadering, zijn leidend bij de vraag “waar” en “hoe” de nieuwe ruimte wordt aangesneden. De ruimtelijke onderbouwing van een ontwikkeling geeft aan hoe is omgegaan met de ambities zoals verwoord in de structuren en in de gebiedspaspoorten. Hierbij wordt een relatie gelegd tussen de ruimtelijke ontwikkeling en de gebiedskenmerken van de plek. Kwaliteitsverbetering van het landschap Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen wil de provincie dat de initiatiefnemer zorgt voor een kwaliteitsverbetering van het landschap om daarmee het verlies aan omgevingskwaliteit te beperken. Dit uitgangspunt geldt voor ontwikkelingen buiten bestaand stedelijk gebied én buiten de ecologische hoofdstructuur en maakt de principes van ontwikkelingsplanologie toepasbaar. Concreet betekent dit dat passende functies zich kunnen ontwikkelen als er ook een prestatie voor het landschap tegenover staat.

Daardoor wordt aantasting van de basiskwaliteit (bodem, water) en verlies aan ecologische, cultuurhistorische en landschappelijke waarden voorkomen. Ontwikkelingen die passen bij de aard, schaal en functie van het landelijk gebied, zoals agrarische en recreatieve ontwikkelingen en kleinschalige dienstverlening zijn mogelijk. Ook de ontwikkeling van andere (rode) functies is onder voorwaarden mogelijk. De ruimtelijke onderbouwing van een besluit geeft aan welke bijdrage wordt geleverd aan de kwaliteitsverbetering van het landschap en hoe dit is geborgd. In principe gaat de provincie uit van de realisering van een fysieke prestatie op de projectlocatie en/of de directe projectomgeving. Indien dat niet mogelijk is, is de vorming van gemeentelijk of regionaal landschapsfonds een optie. Structuren: ambitie, beleid en uitvoering De structuren geven een hoofdkoers aan, een ruimtelijk ontwikkelingsperspectief voor een combinatie van functies. Maar ook waar functies worden uitgesloten of welke randvoorwaarden de provincie aan functies stelt. Binnen de structuren is ruimte voor regionaal maatwerk. De volgende vier structuren worden onderscheiden. - De groenblauwe structuur - Het landelijk gebied - De stedelijke structuur - De infrastructuur

Ruimtelijke onderbouwing Dorpenweg 21a en 21b, Ravenstein, pag. 17 van 51 Datum 20-02-2018

Structurenkaart

De groenblauwe structuur Deze omvat de samenhangende gebieden in Noord-Brabant waar natuur- en waterfuncties behouden en ontwikkeld worden. Niet alleen in, maar ook buiten de natuurgebieden. Er is ruimte voor de ontwikkeling van een natuurlijk en robuust watersysteem. Het vormt de groenblauwe ruggengraat van het landschap en is van belang voor een goede, aantrekkelijke en gezonde woon- en werkomgeving in Noord-Brabant. Binnen deze groenblauwe structuur wil de provincie het volgende bereiken: 1. Positieve ontwikkeling van de biodiversiteit, natuur- en watersystemen zijn beschermd en worden verbeterd door een goede onderlinge verbinding; 2. Een robuuste en veerkrachtige structuur. 3. De natuurlijke basis en landschappelijke contrasten versterken. Versterken van de identiteit van de landschappen; 4. Gebruikswaarde van natuur en water verbeteren. De gebieden in de groenblauwe structuur zijn belangrijk voor recreatie en toerisme. In de groenblauwe structuur worden drie perspectieven onderscheiden: - Het kerngebied groenblauw Natuurgebieden in de ecologische hoofdstructuur, robuuste ecologische verbindingszones en belangrijke waterstructuren horen in dit perspectief. De hoofdfunctie is behoud en ontwikkeling van het natuur- en watersysteem. - De groenblauwe mantel Overwegend gemengd landelijk gebied met belangrijke nevenfunctie voor natuur en water.

Gebieden grenzend aan het kerngebied die bijdragen aan de bescherming van de waarden. Het behoud en vooral de ontwikkeling van natuur, water(-beheer) en landschap is in de groenblauwe mantel een belangrijke opgave. Vormen van grondgebonden agrarisch gebruik zijn van blijvend belang voor de ontwikkeling van groene en blauwe waarden. Verder liggen er kansen voor recreatie en toerisme. - De gebieden voor waterberging Deze gebieden zijn van belang voor hoogwaterbescherming (ruimte voor de rivier) en waterberging (regionale waterberging). Het landelijk gebied Het landelijk gebied omvat het gebied buiten de groenblauwe structuur en de stedelijke structuur zoals steden, dorpen en bedrijventerreinen. Het gebied biedt een multifunctionele gebruiksruimte. Naast landen tuinbouw is er ruimte voor niet-agrarische functies. Binnen het landelijk gebied wil de provincie het volgende bereiken: 1. Ruimte voor een breed georiënteerde plattelandseconomie; 2. Ruimte voor duurzame agrarische ontwikkeling; 3. Versterking van het landschap. Er worden binnen het landelijk gebied twee perspectieven onderscheiden: Gemengd landelijk gebied De provincie beschouwt het hele landelijk gebied als een gebied waarbinnen een menging van functies aanwezig is: het gemengd landelijk gebied. Binnen dit gebied wordt de agrarische functie vaak in samenhang met andere functies (in de omgeving) uitgeoefend.

Hier kan worden

Ruimtelijke onderbouwing Dorpenweg 21a en 21b, Ravenstein, pag. 18 van 51 Datum 20-02-2018

-

voldaan aan de vraag naar kleinschalige stedelijke voorzieningen, recreatie en ondernemingen in een groene setting. Daarnaast wil de provincie ook dat er ruimte beschikbaar blijft om de agrarische productiestructuur te behouden en te versterken. Dat betekent dat (stedelijke) functies die ten koste gaan van de ruimte voor agrarisch gebruik of die strijdig zijn met de landbouw in die gebieden geweerd worden. Hierdoor blijft er ruimte gereserveerd voor agrarische ontwikkelingen. De provincie vraagt aan gemeenten om deze gebieden vast te leggen en te beschermen. De landbouwontwikkelingsgebieden en de vestigingsgebieden glastuinbouw beschouwt de provincie in ieder geval als primair agrarisch gebied. Ook delen van het verwevingsgebied richten zich vaak primair op agrarische ontwikkeling. Accentgebied agrarische ontwikkeling Binnen deze gebieden ziet de provincie ruimte en kansen om de agrarische productiestructuur te verduurzamen en te versterken. Op de structurenkaart zijn vanuit een regionaal schaalniveau vier accentgebieden agrarische ontwikkeling aangeduid. De komgebieden van de gemeente Lith maken hiervan deel uit. Hier liggen mogelijkheden voor schaalvergroting en intensivering van de landbouw.

Transitie naar een zorgvuldige veehouderij De wens tot verduurzaming van de agrarische sector heeft geleid tot de denklijn ‘Ontwikkelruimte moet je verdienen en is niet onbegrensd’. De denklijn bestaat uit drie uitgangspunten: - ontwikkelruimte is alleen mogelijk als dit op bedrijfsniveau bijdraagt aan een verdere verduurzaming door het treffen van extra maatregelen; - de som van het effect van alle bedrijven in een gebied kan de draagkracht van een gebied te boven gaan; - door het bieden van een economisch perspectief aan de landbouw en agrofood door meer toegevoegde waarde van het product, transparantie en nieuwe verdienmodellen. De ontwikkeling van de agrarische sector is gericht op inpassing in het landschap en een transitie naar duurzame en zorgvuldige veehouderij. De stedelijke structuur De stedelijke structuur bestaat uit de steden en dorpen in Noord-Brabant. Binnen de stedelijke structuur heeft de provincie de volgende doelen: 1. Concentratie van verstedelijking 2. Inspelen op demografische ontwikkelingen 3. Zorgvuldig ruimtegebruik 4. Meer aandacht voor ruimtelijke kwaliteit 5. Betere verknoping van stedelijke ontwikkelingen aan de infrastructuur 6.

Versterking van de economische clusters Er worden binnen de stedelijke structuur twee perspectieven onderscheiden: - Stedelijk concentratiegebied In het stedelijk concentratiegebied met de bijhorende zoekgebieden voor verstedelijking wordt het merendeel van de verstedelijkingsopgave opgevangen. De groene ruimten tussen de steden worden open gehouden. - Kernen in landelijk gebied De kernen in het landelijk gebied worden zo veel mogelijk ontzien van verdere verstedelijking doordat daar alleen de opvang van de eigen verstedelijkingsbehoefte wordt opgevangen (migratiesaldo-nul). Planspecifiek Groene geledingszone tussen steden Onderhavige locatie is op de visiekaart gelegen in de ‘groene geledingszone tussen Bergen op Zoom tot Oss. In het stedelijke kralensnoer op de overgang van zand naar klei (van Bergen op Zoom tot Oss) zet de provincie in op behoud en ontwikkeling van groene geledingszones tussen de grote stedelijke kernen. De geledingszones hebben als doel de openheid tussen de stedelijke gebieden te garanderen. Dit wil de provincie bereiken door in te zetten op de verbetering van de groene en recreatieve kwaliteiten van deze

Ruimtelijke onderbouwing Dorpenweg 21a en 21b, Ravenstein, pag. 19 van 51 Datum 20-02-2018

gebieden. Dit draagt bij aan een gezond, schoon en aantrekkelijk vestigings- en leefklimaat van NoordBrabant. Ook het behouden en versterken van de cultuurhistorische waarden draagt hier aan bij. Gemengd landelijk gebied Onderhavige locatie is op de structurenkaart gelegen binnen het gemengd landelijk gebied. Het gemengd landelijk gebied is een veelzijdige gebruiksruimte. Ontwikkelingen, zoals wonen, werken, (historische) landgoederen, recreatie en toerisme, passen qua aard, schaal en functie bij de omgeving en houden rekening met de omgevingskwaliteiten. De ontwikkeling van functies is in beginsel alleen mogelijk op vrijkomende locaties. Er wordt rekening gehouden met (ontwikkelingsmogelijkheden van) omliggende bestaande functies, zoals volwaardige agrarische bedrijven, recreatiebedrijven of woonfuncties. Cultuurhistorie Op de kaart gebiedsgericht werken is onderhavige locatie gelegen in een cultuurhistorisch landschap. Om de samenhang te benadrukken is het belangrijk deze landschappen verder te ontwikkelen, gericht op behoud en waar nodig verbetering van de leesbaarheid (belevingswaarde) van het landschap. Hierdoor wordt de ruimtelijke kwaliteit van Noord-Brabant versterkt. Het pand waar onderhavig plan betrekking op heeft betreft een zogenaamde langsdeelschuur, die dateert uit 1886. De schuur wordt als beeldbepalend aangeduid.

Afgezien van de waarden van het gebouw zelf, is de situering waardevol als beeldbepalend onderdeel van de historische boerderijbebouwing langs de hoofdweg van Ravenstein naar Deursen, mede gelet op de verhoogde ligging en de situering in het open buitengebied, en mede gezien in relatie tot de naastgelegen T-boerderij. Zonder onderhavige ontwikkeling blijft het pand leeg staan, waardoor het niet langer mogelijk is te investeren in het pand. Dit levert de kans op dat het pand zal verloederen. Door voorgenomen ontwikkeling kan een cultuurhistorisch waardevol pand behouden blijven. Onderhavige ontwikkeling heeft dan ook een positief effect op de cultuurhistorische waarden in en in de omgeving van het plangebied. De ontwikkelingsmogelijkheden zijn opgenomen in de Verordening ruimte. Verdere toetsing ten aanzien van bovengenoemde gebieden dient dan ook plaats te vinden aan de Verordening Ruimte van Provincie Noord-Brabant. 3.3.2 Verordening ruimte Noord-Brabant In de Verordening ruimte Noord-Brabant vertaalt de provincie Noord-Brabant de kaderstellende elementen uit haar beleid en rijksbeleid, waaronder het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening, in regels die van toepassing zijn op (gemeentelijke) bestemmingsplannen. De Verordening ruimte NoordBrabant geldt als vervanging van de Verordening ruimte 2014.

In artikel 3 van de regels in de Verordening ruimte Noord-Brabant worden de algemene regels ten aanzien van het bevorderen van de ruimtelijke kwaliteit gegeven. In het algemeen houdt ruimtelijke kwaliteit in dat gebruikers van een gebied rekening houden met het karakter, de grootte en de functie ervan. De bevordering van de ruimtelijke kwaliteit is uiteengezet in drie artikelen: - Zorgplicht voor ruimtelijke kwaliteit Een bestemmingsplan dat voorziet in een ruimtelijke ontwikkeling moet bijdragen aan behoud en ontwikkeling van de ruimtelijke kwaliteit. Er moet in ieder geval sprake zijn van een goede landschappelijke inpassing en zorgvuldig ruimtegebruik. Zorgvuldig ruimtegebruik is het gebruik van bestaande ruimte. Dit betekent dat gebruik gemaakt wordt van bestaande bouwpercelen en dat ontwikkelingen worden verantwoord middels de ‘ladder voor duurzame verstedelijking’. Er moet ook rekening worden gehouden met de maat en schaal van de ontwikkeling en de impact op de omgeving. - Kwaliteitsverbetering van het landschap Een ruimtelijke ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied moet gepaard gaan met een fysieke verbetering van het gebied of de omgeving. De verbetering moet zijn financieel, juridisch en feitelijk zijn geborgd en passen in het ruimtelijk beleid.

Er moet ook verantwoord worden hoe de regionale afspraken over de kwaliteitsverbetering van het landschap worden nagekomen. - Afwijking in verband met maatwerk Bij ontwikkelingen van een groot openbaar belang kan worden afgeweken van provinciaal beleid. Nieuwvestiging is echter alleen mogelijk als aangetoond kan worden dat er geen mogelijkheden zijn voor vestiging.

Ruimtelijke onderbouwing Dorpenweg 21a en 21b, Ravenstein, pag. 20 van 51 Datum 20-02-2018

Deze algemene regels zijn van toepassing op zowel stedelijk, als landelijk gebied. Ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied: In de Verordening ruimte 2014 worden voor het buitengebied regels gesteld met betrekking tot ruimtelijke ontwikkeling binnen de volgende structuren: de ecologische hoofdstructuur de groenblauwe mantel het gemengd landelijk gebied Ecologische Hoofd Structuur De provincie kiest in de Structuurvisie ruimtelijke ordening voor een vitaal en mooi landelijk gebied in Brabant. In de groenblauwe structuur kiest de provincie voor een koppeling van het water- en natuursysteem van Brabant. Door meer samenhang in natuur en water worden het landschap en recreatiemogelijkheden versterkt. De in artikel 5 opgenomen ecologische hoofdstructuur maakt deel uit van de kern van de groenblauwe structuur. Om de robuustheid van het systeem te bevorderen, zijn er binnen de groenblauwe structuur ook gebieden opgenomen als verbinding tussen de ecologische hoofdstructuur en het landelijk gebied; de groenblauwe mantel (artikel 6). De Ecologische Hoofd Structuur (EHS) is een samenhangend netwerk van natuurgebieden en landbouwgebieden met natuurwaarden van (inter)nationaal belang. Voorbeelden van dergelijke gebieden in Brabant zijn: de bossen, de heide en vennen, de stuifduinen, de schraalgraslanden en wateren zoals rivieren en beken.

Het doel van het EHS-beleid is het veiligstellen van ecosystemen en het realiseren van leefgebieden met goede condities voor de biodiversiteit. Deze leefgebieden zijn belangrijk voor dier- en plantensoorten. In artikel 5 zijn de regels opgenomen voor ruimtelijke ontwikkelingen binnen de EHS. Deze regels gaan vooral over de (planologische) bescherming van de EHS, de wijziging van begrenzing en de mogelijkheden tot fysieke en financiële compensatie van aantasting van ecologische waarden. Gemengd landelijk gebied Dit artikel geeft twee mogelijke ontwikkellijnen aan om op te nemen in een bestemmingsplan in agrarisch gebied: een gemengde plattelandseconomie en een agrarische economie. Gemeenten houden bij het bepalen van het lokale beleid rekening met de aard van de economieën die in een bepaald gebied aanwezig zijn. Het artikel veronderstelt dat het bedoelde lokale beleid een ruimtelijke ontwikkelvisie op het agrarische gebied bevat, bij voorkeur gebaseerd op de gemeentelijke structuurvisie. De aanduiding van een gebied als gemengde plattelandseconomie impliceert meer ruimte voor niet-agrarische functies. Het gaat daarbij onder andere om het zoeken naar nieuwe economische dragers voor een vitaal platteland. Op delen van het gemengd landelijk gebied is een aanduiding zoekgebied stedelijke ontwikkeling of integratie stad-land gelegd.

Indien toepassing wordt gegeven aan de mogelijkheden voor stedelijke ontwikkeling geldt deze bepaling niet. Binnen de structuur gemengd landelijk gebied worden kaders gegeven voor ruimtelijke ontwikkelingen. Er worden regels gesteld voor: - beschrijving gemengd landelijk gebied - (vollegronds)teeltbedrijven - veehouderijen - afwijkende regels veehouderij - glastuinbouwbedrijven - overige agrarische bedrijven - wonen - ruimte-voor-ruimte - landgoederen - niet-agrarische functies - afwijkende regels voor agrarisch-technische hulpbedrijven en agrarisch-verwante bedrijven

Ruimtelijke onderbouwing Dorpenweg 21a en 21b, Ravenstein, pag. 21 van 51 Datum 20-02-2018

-

afwijkende regels voor mestbewerking afwijkende regels recreatieve bedrijven afwijkende regels voor horecabedrijven en maatschappelijke voorzieningen afwijkende regels voor tuincentra kleinschalige voorzieningen watergebonden voorzieningen lawaaisporten wegen

Artikel 7.7 van de Verordening ruimte bevat regels voor wonen in het gemengd landelijk gebied. Het eerste lid bepaald dat in een bestemmingsplan dat is gelegen in gemengd landelijk gebied: a. nieuwbouw van een bedrijfs- of burgerwoning en van solitaire recreatiewoningen is uitgesloten; b. zelfstandige bewoning van bedrijfsgebouwen, al dan niet solitaire recreatiewoningen en andere niet voor bewoning bestemde gebouwen is uitgesloten. In lid 3 sub b is bepaald dat in afwijking van het eerste lid het bestemmingsplan kan voorzien in de vestiging van of de splitsing in meerdere woonfuncties in cultuurhistorisch waardevolle bebouwing indien dit is gericht op het behoud of herstel van deze bebouwing. Hiervan is in onderhavige situatie sprake. Het plan past hiermee binnen de regels welke worden gesteld aan nieuwe woningen in het gemengd landelijk gebied. De bedrijfsfunctie is reeds toegestaan, en wordt niet uitgebreid. De maximale bedrijfscategorie is 1 2 (kantoor), terwijl de omvang van het perceel ruim onder de 5.000 m is. Bovendien betreft zal er sprake zijn van één bedrijf. Hiermee voldoet bedrijfsgedeelte aan de regels van de Verordening Ruimte NoordBrabant, zoals vastgelegd in artikel 7.10 van deze verordening. De Verordening ruimte Noord-Brabant kent verder meerdere gebiedsaanduidingen en/of aandachtsvelden die doorwerking dienen te krijgen in bestemmingsplannen.

Hieronder wordt aangegeven hoe aan de voorwaarden van de aanduidingen wordt voldaan. Natuur Netwerk Brabant Met betrekking tot de Natuur Netwerk Brabant (NNB) zijn er, naast de ecologische hoofdstructuur zelf, twee aanduidingen opgenomen in de Verordening ruimte: - ecologische verbindingszones; - attentiegebieden NNB. Onderhavige locatie is niet gelegen of grenst niet aan delen van de NNB. Water Ten aanzien van water zijn in de Verordening ruimte wateraanduidingen opgenomen. Deze aanduidingen zijn: - Regionale waterberging - Reservering waterberging - Waterwingebied - Grondwaterbeschermingsgebied - Aansluiting primaire waterkering - Rivierbed - Boringsvrije zone - Behoud en herstel van watersystemen Onderhavige locatie is niet gelegen of grenst niet aan de hierboven genoemde wateraanduidingen. . Aardkunde en cultuurhistorie In de verordening stelt de provincie aanduidingen op ten aanzien van: - aardkundig waardevolle gebieden; - cultuurhistorische vlakken; - de Nieuwe Hollandse Waterlinie;

Ruimtelijke onderbouwing Dorpenweg 21a en 21b, Ravenstein, pag. 22 van 51 Datum 20-02-2018

-

complexen van cultuurhistorisch belang.

In het plangebied zijn geen onderdelen van de Nieuwe Hollandse Waterlinie gelegen. De betreffende regels van de verordening vinden dan ook geen doorwerking in dit bestemmingsplan. Onderhavige locatie grenst aan de aanduiding ‘Complex van cultuurhistorisch belang’. Dit betreft het Klooster Soeterbeeck. Door voorgenomen ontwikkeling kan een cultuurhistorisch waardevol pand behouden blijven. Onderhavige ontwikkeling heeft dan ook een positief effect op de cultuurhistorische waarden in en in de omgeving van het plangebied, ook in relatie met het klooster. Onderhavige ontwikkeling vormt geen belemmeringen voor de cultuurhistorische waarden van het klooster. In de Verordening ruimte worden slechts de cultuurhistorische vlakken aangegeven. De beschrijving van de cultuurhistorische waarden en kenmerken binnen die vlakken is te vinden in de Cultuurhistorische Waardenkaart (2010) van de provincie Noord-Brabant. Integratie stad – land Onder specifieke voorwaarden is stedelijke ontwikkeling mogelijk in gebieden met bijzondere landschappelijke kwaliteiten, de zogenoemde ‘gebieden integratie stad-land’. In deze gebieden kan stedelijke ontwikkeling plaatsvinden in samenhang met een groene en blauwe landschapsontwikkeling. Ontwikkeling van een middelzwaar of zwaar bedrijventerrein is nadrukkelijk uitgesloten.

De voorwaarden waaronder stedelijke ontwikkeling mogelijk is, zijn: - de stedelijke ontwikkeling aansluit bij het bestaand stedelijk gebied of plaatsvindt in een nieuw cluster van stedelijke bebouwing - stedenbouwkundig en landschappelijk rekening houden met ruimtelijke kwaliteiten en structuren - de stedelijke ontwikkeling is in omvang en ruimtelijke kwaliteit evenredig met groene en blauwe landschapsontwikkeling Een bestemmingsplan dat ligt in een zoekgebied voor stedelijke ontwikkeling kan voorzien in de nieuwbouw van één of meer woningen als het in een bebouwingsconcentratie ligt. Voorwaarden hiervoor zijn: - verzekeren van een goede landschappelijke inpassing van de te bouwen woningen - geen sprake van aanzet tot stedelijke ontwikkeling (zoals bedoeld in artikel 4) - geen inbreuk wordt gedaan aan de artikelen 6.8 en 7.8 (ruimte-voor-ruimte). Onderhavige locatie is niet gelegen binnen de aanduiding ‘gebieden integratie stad-land’. Regionaal bedrijventerrein Bestemmingsplannen kunnen ter plaatse van de aanduiding regionaal bedrijventerrein voorzien in 2 bedrijfspercelen met een omvang groter dan 5000 m . Dit is niet van toepassing op onderhavig initiatief.

Agrarische gebieden Bestemmingsplannen kunnen gebieden aanduiden als: - Beperkingen veehouderij - Vestigingsgebied glastuinbouw - Doorgroeigebied glastuinbouw - Teel ondersteunende kassen - Teeltgebied Zundert - Maatwerk glastuinbouw Beperkingen veehouderij Voor de begrenzing van de gebieden met de aanduiding ‘beperkingen veehouderij’ is aangesloten bij de grenzen van het extensiveringsgebied die op grond van de Reconstructiewet waren vastgesteld. De regels binnen het gebied Beperkingen veehouderij gelden in tegenstelling tot de extensiveringsgebieden voor alle veehouderijen. Ook binnen de melkrundveehouderij, die van oudsher als extensief werd aangemerkt, is een tendens waar te nemen naar toenemende intensivering. Doel van de aanduiding is om een verdere intensivering vanwege ontwikkelingen in de veehouderij in de aangeduide gebieden

Ruimtelijke onderbouwing Dorpenweg 21a en 21b, Ravenstein, pag. 23 van 51 Datum 20-02-2018

tegen te gaan. Binnen het gebied wordt een uitzondering gemaakt voor grondgebonden veehouderijen; de voorwaarden die hieraan worden gesteld zijn voor alle veehouderijen gelijk. Onderhavige locatie voorziet niet in de vestiging, omschakeling of uitbreiding van een veehouderijbedrijf. Sanerings- en verplaatsingslocatie Een bestemmingsplan kan in gebieden ter plaatse van de aanduiding sanerings- en verplaatsingslocatie voorzien in een passende herbestemming op locaties waar de volgende regelingen zijn toegepast: - Regeling Beëindiging Veehouderijtakken (RBV) - Subsidieregeling Beëindiging Intensieve Veehouderijen (BIV) - Subsidieregeling sanering glastuinbouwbedrijven in kwetsbare gebieden (GTB) - Verplaatsingsregeling Intensieve veehouderij (VIV) Dit is niet van toepassing op onderhavig initiatief. Zoekgebied voor stedelijke ontwikkeling Ter plaatse van de aanduiding zoekgebied voor stedelijke ontwikkeling kan worden voorzien in stedelijke ontwikkeling.

Het geldende bestemmingsplan dient te verantwoorden dat: - de stedelijke ontwikkeling aansluit bij bestaand stedelijk gebied of plaatsvindt in een nieuw cluster van stedelijke bebouwing - bij stedenbouwkundige en landschappelijke inrichting rekening wordt gehouden met de aanwezige ruimtelijke kwaliteiten en structuren Een bestemmingsplan dat ligt in een zoekgebied voor stedelijke ontwikkeling kan voorzien in de nieuwbouw van één of meer woningen als het in een bebouwingsconcentratie ligt. Voorwaarden hiervoor zijn: - verzekeren van een goede landschappelijke inpassing van de te bouwen woningen - geen sprake van aanzet tot stedelijke ontwikkeling (zoals bedoeld in artikel 4) - geen inbreuk wordt gedaan aan de artikelen 6.8 en 7.8 (ruimte-voor-ruimte). Onderhavige locatie is niet gelegen in een zoekgebied voor een stedelijke ontwikkeling. Zoekgebied voor windturbines De ontwikkeling van windturbines is mogelijk binnen de aanduiding ‘zoekgebied voor windturbines’ als de ontwikkeling aansluit bij het karakter en de kwaliteit van het landschap in Noord-Brabant. Binnen de gemeente Oss zijn echter geen gebieden aangewezen als zoekgebieden voor windturbines. 3.4.1

Kwaliteitsverbetering van het landschap

Onderhavig initiatief is gelegen buiten het bestaand stedelijk gebied. De notitie toepassingsbereik vormt het basisdocument voor het afsprakenkader van de provincie met de gemeenten in de regio Noordoost. Deze notitie bevat de categorie-indeling voor de niet-planmatige ruimtelijke ontwikkelingen in het buitengebied en de bijbehorende tegenprestatie. Voorgenomen ontwikkeling voorziet in de vestiging van een woning met de mogelijkheid voor een beroep aan huis in karakteristieke/cultuurhistorisch waardevolle bebouwing. De ontwikkeling valt hiermee binnen Categorie 1. Er is geen inpassing of tegenprestatie noodzakelijk. De kwaliteitsverbetering is het behoud van een cultuurhistorisch waardevol pand. 3.4

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Oss&id=a96622f1-7f83-48f3-976a-6f2e5f0e0274