CConstaterende datOss
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2A Toelichting

Gemeenteraad 12 december 2024, gemeente OssBij agendapunt: A Herstelbesluit vaststelling bestemmingsplan ‘Buitengebied Oss – 2020’38.021 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 5

Andere diersoorten zijn de rugstreeppad, levendbarende hagedis, kamsalamander, wespendief, groene specht, das, bruine eikenpage, boombewonende vleermuizen, vos en ree. Een oeverzwaluwwand aan de oever van de Geffense Plas biedt broedgelegenheid aan oeverzwaluwen. De Erfdijk is ingericht als ecologische verbinding tussen Herperduin en Keent. Het kleinschalige kampenlandschap biedt leefgebied voor struweelvogels als geelgors, fitis, grasmus en braamsluiper. Voor de das biedt deze afwisseling in biotoop een geschikt leefgebied. Ook de nachtzwaluw komt hier voor. Natuur Netwerk Brabant en ecologische verbindingszones De uiterwaarden van de Maas en de grotere bosgebieden in het zuiden behoren bijna geheel tot het Natuur Netwerk Brabant (NNB). Ook de watergangen en plassen, Ossermeer en Hertogswetering, de Erfdijk, Putwielen, de Groenendijk en enkele bosjes en wielen maken, al dan niet als ecologische verbindingszones, deel uit van het NNB. Nog niet alle delen van het NNB zijn gerealiseerd. Langs de weteringen, de Erfdijk en delen van de Maasdijk lopen ecologische verbindingszones (EVZ). Hoewel grote delen al gerealiseerd zijn, is er nog een opgave voor volledige realisatie.

Buitengebied Oss – 2020, pag. 48 van 148 vastgesteld

Op de kaart ‘Natuur netwerk Brabant’ uit de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant is het Natuur Netwerk Brabant inclusief EVZ’s weergegeven. Voor de EVZ’s geldt dat de ligging indicatief is, bij de realisatie kan een ander tracé worden gekozen. EVZ’s kunnen als lijnvormig element worden ontwikkeld, of in de vorm van stapstenen. Naast het Natuur Netwerk Brabant is op de provinciale kaart ook de groenblauwe mantel opgenomen. Deze gebieden vormen als het ware een buffer, of overgang tussen de natuurgebieden en het ‘reguliere’ buitengebied.

Natuur Netwerk Brabant Groenblauwe mantel Ligging Natuur Netwerk Brabant inclusief ecologische verbindingszones, en de groenblauwe mantel

Eendenkooien In het buitengebied is een vijftal zogenaamde eendenkooien te vinden. Ze zijn op kaarten te herkennen aan de typische vorm die lijkt op een roggenei (in de vorm van een H of X). Drie daarvan zijn echte eendenkooien, twee zijn gereconstrueerde kooien of relicten. Een eendenkooi is van oorsprong een plek waar diverse soorten in het wild levende eenden werden gevangen voor consumptie. Eendenkooien worden ook steeds vaker gebruikt voor wetenschappelijk onderzoek. In Nederland zijn nog ongeveer 119 eendenkooien geregistreerd. Over het algemeen liggen de eendenkooien in natte, waterrijke veelal afgelegen en dus rustige gebieden. Het zijn die gebieden die voor het vangen van waterwild het gunstigst waren. Factoren die voor een eendenkooi van belang zijn, is de aanwezigheid van: broedgelegenheid, foerageergebieden, ook de afstand en ligging hiervan, en rust en stilte. Ook is het belangrijk dat de eendenkooi in de trek van de eenden ligt. De Lithse Polder is zo’n gebied dat gunstig was voor het vangen van eenden, vandaar dat er hier relatief veel voorkomen. Elke kern had vroeger zijn eigen kooi: de Marense Kooi, de Kesselse Kooi en de Lithse Kooi zijn nog steeds aanwezig en geregistreerd. De Wildse Kooi is gereconstrueerd op een andere locatie. Tussen Macharen en Haren, in de oksel van de N329 en de Dorpenweg, is ook nog een kooirelict aanwezig.

Op de afbeelding op de volgende bladzijde is de ligging aangegeven. Een eendenkooi valt in het landschap op, omdat het uit een vrij groot rechthoekig bos bestaat. In het bos bevindt zich een grote plas. Op vier plekken komen smalle sloten op de plas uit, de zogenaamde vangpijpen. De pijp is aan weerszijden voorzien van rietschermen zodat de eenden de kooiker niet zien.

Buitengebied Oss – 2020, pag. 49 van 148 vastgesteld

Ligging van de eendenkooien

De eenden worden door de kooikerhond de vangpijp ingelokt. De eenden vliegen uiteindelijk tegen een net aan het einde van de pijp. Aan het einde van de pijp is er een vanghokje. De kooiker laat het vanghokje dichtvallen zodat de eenden gevangenzitten en niet meer terug kunnen. Vaak is een kooikershuisje onderdeel van de eendenkooi. Dit huisje deed dienst als winterverblijf voor de kooiker. Het is een eenvoudig bouwwerk met een beperkte omvang. Elke kooi heeft zijn eigen zogenaamde ‘kooicirkel’. Binnen deze cirkel moet rust in acht worden genomen voor de eenden. De kooien lagen zo ver mogelijk van de bewoonde wereld af, juist vanwege deze rust. Binnen de kooicirkel geldt van oudsher het kooikersrecht, ook wel recht op afpaling genoemd. Door dit recht heeft de pachter van dit recht het alleenrecht op de eendenvangst binnen een straal van 1130 meter. Het recht van eendenkooi bestaat eigenlijk uit twee aparte rechten. Het kooirecht maakt het mogelijk om op een bepaald stuk grond eenden te vangen met behulp van een daarvoor gemaakte installatie: de eendenkooi. Die kan echter alleen functioneren onder de bescherming van het afpalingsrecht. Dat recht verbood om in de omgeving van de eendenkooi dingen te doen waardoor de eenden in de kooi zouden kunnen worden verstoord.

Lawaai maken, bijvoorbeeld door geweerschoten, mocht niet binnen een cirkel van 400 vademen – dat is 753 meter – rondom de kooi. Een ring van bosschages hielp mee om zo’n stiltecirkel te maken. Vanaf 1814 werden ook palen gebruikt om dit beschermde gebied te markeren. Het regelen van de kooicirkels bevorderde onbedoeld het ontstaan van natuurgebieden in en om de eendenkooien. De bescherming van de geregistreerde eendenkooien is tegenwoordig verankerd in de Flora- en faunawet/ Wet natuurbescherming. Het kooirecht was en is bovendien een oud zakelijk recht. De eendenkooien hebben zowel visueel-ruimtelijke als landschappelijke, cultuurhistorische en natuurlijke waarden. Cultuurhistorisch zijn de eendenkooien waardevol omdat ze al uit de late Middeleeuwen stammen en typisch Nederlands zijn. Rond 1840 waren er in het Lithse buitengebied maar liefst acht eendenkooien aanwezig. Hier zijn er dus nog vier van overgebleven. Visueel-ruimtelijk zijn de eendenkooien waardevol omdat ze een heel kenmerkend element vormen in het verder heel open komgebied. De hoogopgaande beplanting is van heinde en verre waar te nemen. Tot slot zijn de eendenkooien voor de natuur waardevol omdat ze –met name door de rust in het gebied– voor allerlei vogels en andere dieren een schuilplek bieden.

Buitengebied Oss – 2020, pag. 50 van 148 vastgesteld

2.9.2

Water

De belangrijke waterwegen in het gebied zijn de Maas, Hertogswetering, de Roode en Teeffelense Wetering en het Burgemeester Delenkanaal. De Hertogswetering voert zowel water aan vanuit Grave als water af naar de Maas (via het gemaal bij Gewande). De Teeffelense Wetering voert water aan richting de Lithse Polder en de Hertogswetering. De Roode Wetering voert water uit de Lithse Polder af naar de Maas. De Roode Wetering ligt meer dan een meter lager dan de Hertogswetering. Er is een flink aantal wielen aanwezig in het Osse buitengebied, zoals het Bovendijkse Wiel, Wiel bij Lithoijen, Soldatenwiel en het Kleine Wiel. In de uiterwaarden zijn nog enkele geulen terug te vinden; in Keent en de Hemelrijkse Waard liggen twee duidelijke oude Maaslopen. Door de ontgravingen bij de Lithse Ham en het natuurgebied Kesselse Waard zijn geulen verloren gegaan. Ook binnendijks zijn nog oude geulen van de Maas te vinden, bijvoorbeeld het Ossemeer, het water bij de zendmast van Haren en de Putwielen tussen Herpen en Overlangel. Het oppervlaktewatersysteem in het komgebied is opvallend: in het natte gebied zijn zeer veel sloten, slootjes en greppels te vinden. De huidige inrichting van de hoofdwaterwegen in dit gebied, de zogenaamde A- en B-wateren (vroeger leggerlopen) zijn ontstaan tijdens de laatste ruilverkaveling.

Ze zijn vaak onzichtbaar in het landschap omdat ze niet gekoppeld zijn aan wegen. Daarnaast volgen ze soms een schijnbaar onlogische route, waarbij de hoogtelijnen niet gevolgd worden. Op de rand van de oeverwal en het komgebied liggen de aanvoersloten. Vanuit de Hertogswetering worden deze waterlopen voorzien van water, zodat ook in droge tijden altijd water beschikbaar is voor de landbouw. Ook voeren ze het water van de hoger gelegen oeverwal af richting het komgebied. Kenmerkend voor het gebied is het verschil tussen de lagere natte gronden die bemalen moeten worden, en hogere drogere gronden. De lagere komgronden kennen als polders een uitgekiend peilbeheer door be- en ontwatering. Hierdoor is het gebied geschikt voor de landbouw. De hogere zandgronden op de dekzandrug zijn daarentegen veel droger. De natuurgebieden zijn verdrogingsgevoelig en vragen om ingrepen om het water langer vast te houden. Op de overgang van hoog naar laag, de dekzandrand, komt kwel voor waardoor het op plaatsen natter kan zijn. Het water in de gemeente Oss heeft meerdere functies. Zoals hiervoor al genoemd maakt het water de landbouw mogelijk en zorgt het ook voor verschillende soorten natuur. Het water heeft verder een belangrijke economische functie: de beroepsvaart en de haven van Oss die multimodaal ontsloten is naar het achterland. Daarnaast wordt er op en aan het water volop gerecreëerd.

In het gebied zijn meerdere jachthavens, aanlegsteigers, er wordt gezwommen, er wordt langs gefietst, er wordt gevist en er wordt simpelweg naar het water gekeken. De verschillende pontjes in het gebied maken het bovendien mogelijk om de Maas van beide oevers te beleven. Tenslotte draagt de beleefbaarheid en de nabijheid van water ook bij aan het woongenot. Maar het water kent ook bedreigingen. De komgebieden liggen lager dan de Maas en in sommige gebieden ook lager dan de Hertogswetering. Dat maakt die gebieden kwetsbaar voor overstroming. Door de aanleg en versterking van dijken (primaire en regionale keringen) en rivierverruimende maatregelen proberen we de risico’s voor die gebieden zo klein mogelijk te maken. Maar we kunnen de kans op een overstroming nooit volledig uitsluiten. Dat maakt dat het wonen en werken in overstromingsgevoelige gebieden altijd gepaard gaat met een zeker risico. In het plangebied zijn verder een rioolwaterzuiveringsinstallatie en twee waterwingebieden ten behoeve van drinkwater aanwezig. De rioolwaterzuivering ligt ten zuidwesten van Oijen. De waterwingebieden liggen ten zuiden van Macharen en ten zuiden van Maren-Kessel. Rondom deze wingebieden rust een

Buitengebied Oss – 2020, pag. 51 van 148 vastgesteld

grondwaterbeschermingsgebied, die op onderstaande kaart ‘Grondwaterbeschermingsgebied’ weergegeven zijn.

Ligging waterwingebieden en beschermingszones

De grondwaterwinning bij Macharen is inmiddels beëindigd. Op 18 februari 2020 hebben Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant besloten de beschermingsregels voor deze locatie te laten vervallen. Dat is in dit bestemmingsplan verwerkt.

2.10

Doelstellingen Natuur en Water

Natuurontwikkeling vindt vooral plaats in de uiterwaarden en in de Maashorst Om tot een fijnmazig robuust netwerk te komen is het ook nodig om natuur (groen en blauw) te ontwikkelen in de ‘natuurarme’ delen. Daarom zetten we ook nadrukkelijk in op natuur in de polder en in de stad. De realisatie van het Natuur Netwerk Brabant (NNB) en robuustere ecologische verbindingszones zijn belangrijk om tot een goed functionerend netwerk van natuurgebieden te komen. De rijksoverheid heeft in het verleden de realisatie van de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) gedecentraliseerd naar de provincies. Daarbij is de EHS het Natuur Netwerk Nederland gaan heten. Het rijk heeft aan deze decentralisatie een forse bezuiniging gekoppeld. Ook de begrenzing van het Natuur Netwerk Nederland is daarbij afgenomen ten opzichte van de eerdere EHS. De provincie Noord-Brabant heeft haar ambitie om de volledige ‘oude’ EHS te realiseren gehandhaafd. De Ecologische Hoofdstructuur en de ecologische verbindingszones zijn binnen Brabant verder gegaan onder de naam Natuur Netwerk Brabant (NNB). Er zijn mogelijkheden voor herbegrenzing van het NNB. De kwaliteit van de te realiseren natuurdoeltypen staat daarbij voorop. Met het Groen Ontwikkelfonds Brabant kan op basis van cofinanciering subsidie worden gekregen voor de realisatie van het NNB. Voor die cofinanciering zijn nieuwe verdienmodellen nodig.

Wij ondersteunen de ambitie van de provincie Noord-Brabant om het volledige NNB te realiseren en willen samen met de provincie bekijken waar we de natuur kunnen versterken. Wij staan open voor nieuwe initiatieven die op een passende wijze een verdienmodel koppelen aan realisatie van natuur. De kwaliteit van de nieuwe natuur moet daarbij net zo volhoudbaar en consistent zijn als de economische drager. De gemeente kan samen met het waterschap de aangewezen ecologische verbindingszones realiseren langs de weteringen. Tussen het Arboretum, Herperduin en overige delen van de Maashorst worden ook verbindingszones gerealiseerd.

Buitengebied Oss – 2020, pag. 52 van 148 vastgesteld

Verder wil de gemeente de bos- en natuurgebieden versterken door de ontwikkeling van nieuwe natuur. Binnen de gemeente is hier ruimte voor in natuurontwikkelingsgebieden als Herperduin en de Rijsvennen.

2.10.1 Natuur De gemeente Oss wil de kwaliteit en kwantiteit van de natuur in de gehele gemeente verbeteren. En de gemeente wil bereiken dat deze natuur breed herkend en gewaardeerd wordt door haar inwoners, maar ook door bezoekers. In de Routekaart Groen, Blauw, Natuur (GBN) zetten we in op projecten op basis van twee pijlers: - GBN in de gehele gemeente Oss; We verfijnen en verbeteren het bestaande Natuur Netwerk Brabant (NNB) door ons eigen Osse netwerk GBN te maken. Dit doen we samen met onze partners. Het landschap en de ontstaansgeschiedenis van de gemeente Oss vormen daarbij de basis. - We gaan het bestaande en nieuwe GBN actief promoten en communiceren. We dagen bewoners, ondernemers en andere partijen uit te komen met groene initiatieven. Eén van de projecten uit de GBN is ‘ecologische bermen’: het Osse natuurnetwerk beter en fijnmaziger maken door meer ecologische bermen te maken. Ook de bomenstructuur wordt waar mogelijk hersteld. Daarnaast hebben we het concept ‘bijenlandschap’ opgesteld, een netwerk van gebieden met voldoende voedsel- en nestelgelegenheid, stapstenen en verbindende landschappen. De bij is essentieel voor de bestuiving van bloemen en planten. Zonder bestuiving gaat de regenererende werking van de natuur verloren en daarmee haar veerkracht. Het gaat zeer slecht met (wilde) bijen en vlinders.

Dat heeft óók gevolgen voor de diersoorten die van insecten afhankelijk zijn, zoals vleermuizen en insectenetende vogels. Om bij te dragen aan het keren van deze trend is een bijenkansenkaart voor de Lithse Polder gemaakt. In 2017 is een start gemaakt met de uitvoering daarvan: 30 kilometer berm wordt meer ecologisch beheerd. Voor een volwaardig bijenlandschap is echter ook nodig dat boeren (met randenbeheer) en waterschap (slootbeheer) meedoen. Uiterwaarden De hoofdfuncties van het grootste deel van de uiterwaarden zijn natuur en water(veiligheid). Het overgrote deel van de uiterwaarden behoort tot het Natuur Netwerk Brabant. In principe is natuurontwikkeling mogelijk en wenselijk in het hele gebied van de uiterwaarden. In de uiterwaarden kan bijvoorbeeld natuur worden ontwikkeld door het uitgraven van oude rivierarmen, ooibossen en riet- en moerasgebieden, het vervangen van de vastgelegde oevers door natuurlijke oevers met periodiek meestromende geulen en het omvormen van intensief agrarisch gebruikt land naar natuurlijke, rijke uiterwaarden. Bij deze natuurontwikkeling moet wel nadrukkelijk rekening worden gehouden met bestaande aardkundige, landschappelijke en cultuurhistorische waarden binnen het gebied. Zo zijn er op diverse plekken waardevolle kronkelwaarden met geulen en rillen aanwezig.

Soms gaan die ontwikkelingen en waarden niet samen; dan is nadere afweging noodzakelijk. In een aanlegvergunningenstelsel worden deze waarden beschermd. Oeverwal Op de oeverwal zijn eveneens enkele gebieden aangewezen als onderdeel van het Natuur Netwerk Brabant, zoals het noordwestelijk deel van het waterwinbosje bij Macharen en de Groenedijk. Verdere realisatie en het verder aanzetten van dit netwerk is wenselijk. Verder wordt de oeverwal op enkele plaatsen doorsneden door de weteringen die inlaten van of afwateren op de Maas. Op deze plaatsen langs de weteringen kunnen waar deze logisch en mogelijk zijn ecologische verbindingen worden ontwikkeld.

Buitengebied Oss – 2020, pag. 53 van 148 vastgesteld

Ten behoeve van de landschappelijke versterking van de kleinschaligheid op de oeverwal is de aanleg van erfbeplantingen en kleinschalige landschapselementen wenselijk. Deze kleinschalige landschapselementen dragen bij aan een groen raamwerk op de oeverwal en een beter ecologisch functioneren. Komgebied Binnen het komgebied is een beperkt aantal (potentiële) natuurwaarden aanwezig. Het meest in het oog springend zijn de weidevogelgebieden. Landeigenaren kunnen in het kader van het collectief Agrarische Natuur- en Landschapsbeheer (ANL Beerse Overlaat) subsidie krijgen voor aanleg en beheer van natuurmaatregelen (o.a. voor weidevogels en kruiden). Rust, de openheid en bij voorkeur een hogere waterstand zijn cruciale factoren voor de aanwezigheid van weidevogels. Op basis van vrijwillige medewerking kan het areaal weidevogelgebied vergroot worden aansluitend aan de verschillende natuurgebieden. Uitbreiding van agrarische bouwvlakken binnen het weidevogelgebied behoort in principe tot de mogelijkheden. Bij uitbreiding van agrarische bouwvlakken zal wel nagegaan moeten worden in hoeverre schade aan het weidevogelgebied is te voorkomen (door bijvoorbeeld van de kern van het gebied af te bouwen) danwel in het beplantingsplan hiermee rekening te houden (door bijvoorbeeld geen opgaande beplanting maar waterpartijen te ontwikkelen en in de architectuur hier rekening mee te houden).

Compensatie van verlies aan oppervlakte van het weidevogelgebied is niet noodzakelijk. Het is gewenst om de ecologische verbindingszones langs de Hertogswetering, Roode Wetering en Teeffelense Wetering verder te ontwikkelen. Deze verbindingszones bestaan uit een schakeling van natuurelementen in de vorm van stapstenen of lijnelementen. We zetten in op ecologische bermen en het treffen van maatregelen voor bijen in met name de Lithse Polder . Om de biodiversiteit in het komgebied te vergroten, is het wenselijk natte verbindingszones via sloten en greppels aan te leggen. Eendenkooien De aanwezige eendenkooien worden een hoge waarden toegekend, zowel visueel-ruimtelijk, landschappelijk, cultuurhistorisch als natuurlijk. Daarbij vormen ze ook belangrijke oriëntatiepunten en dragen ze bij aan de identiteit van het gebied. Het is gewenst om de nog aanwezige eendenkooien en het kooirelict te behouden en waar mogelijk de waarden verder te ontwikkelen. Bij de nog geregistreerde eendenkooien, in de zin van Flora- en faunawet, dienen ook de kooicirkels met de bijbehorende afpaalrechten gerespecteerd te worden. Ook privaatrechtelijk geldt de kooicirkel bij de geregistreerde eendenkooien als een zakelijk recht, waarbinnen de kooieigenaar bepaalde rechten heeft. Dekzandrand Er wordt gestreefd naar behoud en ontwikkeling van waardevolle (kwel-)vegetaties in sloten en aan slootkanten.

De potenties voor de ontwikkeling van natte hooilanden met bloemrijke kruidenvegetaties en amfibieënpoelen worden benut. Vanuit ecologisch oogpunt is het leggen van een relatie tussen zand- en kleigebied wenselijk. De bestaande ‘landschapszone’ tussen Herperduin en de Hertogswetering zou hiertoe verbreed moeten worden. Ook kunnen nieuwe landschapszones aangelegd worden. Net als op de oeverwal is ook hier de aanleg van erfbeplantingen en kleinschalige landschapselementen wenselijk. Herstel en ontwikkeling van kavelrandbeplanting loodrecht op de dekzandrug, zoals ten zuiden van Berghem, is gewenst.

Buitengebied Oss – 2020, pag. 54 van 148 vastgesteld

Dekzandrug Het toevoegen van bosjes en brede houtsingels in het kleinschalige landschap is wenselijk. Het aantal droge ecologische verbindingszones wordt hiermee vermeerderd en de natuurwaarden in het gebied worden verhoogd. Het creëren van open plekken, al dan niet met vennen, in de besloten bosgebieden verhoogd de biodiversiteit. Aan de zuidzijde van de Geffense Plas kunnen de natuurwaarden verder ontwikkeld worden. De op de dekzandrug gelegen grotere en kleinere bosgebieden: Geffense Bosjes, de Landerij VanTosse/ Zuidelijke Geledingszone en Herperduin vormen een onderdeel van de Maashorst. Hier wordt ingezet op verbinding met elkaar door ecologische verbindingszones. Verbindingen tussen landschappen Alle verbindingen lopen oost-west (met de landschapstypen mee). Om een netwerk te kunnen creëren zijn noord-zuid verbindingen (haaks op de landschapstypen) noodzakelijk. Dit om de verschillende landschapstypen (en habitats) met elkaar te verbinden. Tussen de bovengenoemde gebieden liggen slechts enkele verbindingen: De Teeffelense Wetering verbindt de Hertogswetering bij het Osse Meer met de Maasuiterwaarden bij Teeffelen. De Erfdijk verbindt het natuurgebied Herperduin met het Maasgebied bij Keent, maar de A59 en smalle ecologische inrichting zijn hier nog aanzienlijke knelpunten.

Versterking en verbreding van deze verbindingen en het toevoegen van meer verbindingen is ecologisch gezien noodzakelijk. Beheer Gronden met de bestemming Natuur kunnen bestaan uit bossen, maar ook uit graslanden. De doelstelling voor deze natuurgebieden is het bereiken van een grote(re) diversiteit aan plantensoorten, insecten, vogels en zoogdieren. Voor de graslanden wordt specifiek gestreefd naar meer soortenrijk, kruiden- en bloemrijk grasland. Om dit te bereiken dient het gras gemaaid en afgevoerd te worden (1 a 2 x per jaar). Dit kan ook bereikt worden door extensieve begrazing van het gebied. In verband met verschraling van terreinen dient bemesting minimaal te zijn. De norm voor begrazing bedraagt maximaal 1 GVE (grootvee eenheid) per hectare (ter informatie: melkkoe = 1 GVE, paard = 1GVE, schaap = 0,15 GVE).

Wijze van bestemmen Bestaande gebieden die ingericht zijn als natuur, waaronder ook de gerealiseerde delen van de ecologische verbindingszones, hebben de bestemming ‘Natuur’. De natuurakkers in de Landerij van Tosse hebben ook de bestemming ‘Natuur’. De bestaande houtwallen ten zuiden van Berghem worden bestemd als ‘Natuur’. Ook gebieden waarvan al vaststaat dat ze op korte termijn naar natuur worden omgevormd, hebben de bestemming ‘Natuur’ gekregen. De wijze van bestemmen van het Natuur Netwerk Brabant wordt beschreven in § 4.3.3 van deze toelichting. Binnen de bestemming ‘Natuur’ is ook water toegestaan. Grote delen van de uiterwaarden hebben de bestemming ‘Natuur’ gekregen. Het gebied nabij de sluizen bij Lith heeft de bestemming ‘Groen’ gekregen, het gebied heeft geen natuurdoelstelling. De aanwezige eendenkooien en kooirelicten hebben de bestemming ‘Natuur’ met functieaanduiding ‘eendenkooi’ gekregen. Binnen de bestemmingsomschrijving is opgenomen dat deze, binnen de functieaanduiding eendenkooi, tevens bestemd zijn voor behoud, herstel of ontwikkeling van de cultuurhistorische waarde van de eendenkooi en de kooicirkels. Tevens is een aanlegvergunningenstelsel binnen de bestemming ‘Natuur’ opgenomen ter bescherming van het functioneren en de waarden van de kooi, bijvoorbeeld voor het dempen van sloten of water.

Buitengebied Oss – 2020, pag. 55 van 148 vastgesteld

Drie van de vijf eendenkooien en eendenkooirelicten hebben een kooicirkel. Op grond van de Flora- en Faunawet geldt hier een verbod op verstorende activiteiten. Ook privaatrechtelijk gelden hier bepaalde rechten van de kooieigenaar. Wij hebben de kooicirkels met een gebiedsaanduiding op de verbeelding opgenomen. Aan de gebiedsaanduiding is geen bouwverbod gekoppeld. Dat is niet nodig. Bouwrechten van agrarische bedrijven (vastgelegd met een bouwvlak) die zijn gelegen binnen de kooicirkel respecteren we. En bij uitbreiding van een bouwvlak moet altijd een (wijzigings)bestemmingsplanprocedure worden gevoerd in het kader waarvan ook het belang van onder andere flora en fauna en de eendenkooi moet worden betrokken. De gebiedsaanduiding heeft dan ook vooral een signalerende functie en geeft uitdrukking aan de cultuurhistorische waarde die wij hechten aan de eendenkooien en de kooicirkels. De weidevogelgebieden zijn bestemd als ‘Agrarisch met Waarden- Landschap en Natuur’.

2.10.2 Water De Maas De Maas behoort tot de hoofdvaarwegen in het rivierengebied. Na de Maaskanalisatie en de aanleg van het Maas-Waalkanaal is het scheepvaartverkeer op de Maas sterk gegroeid. De Maas heeft tegenwoordig de CEMT-vaarwegklasse Va. Deze vaarwegen zijn geschikt voor (tot) het type Groot Rijnschip, die een lengte van maximaal 110 m, een breedte van maximaal 11,4 m en een diepgang van maximaal 2,5 m hebben. Deze schepen hebben een laadvermogen van 1500 – 3000 ton. De verwachting is dat in de toekomst de Maas tot CEMT-klasse Vb zal behoren. De vaarweg is ook van belang voor de haven van Oss bij bedrijventerrein Elzenburg, dat via het Burgemeester Delenkanaal verbonden is met de Maas. Uiterwaarden Naast natuur is de andere hoofdfunctie van de uiterwaard water en waterberging. Ruimte voor (rivier)waterberging, veiligheid en ‘ruimte voor de rivier’ staan voorop in dit gebied. Voorkomen moet worden dat de doorstroming van de Maas te veel wordt belemmerd of beperkt. Bij natuurontwikkeling in dit gebied moet nadrukkelijk worden nagegaan of het belang van water(berging ) niet in het gedrang komt. Ook het belang van waterveiligheid kan strijdig zijn met andere belangen en wensen in het gebied. In die gevallen is een nadere afweging noodzakelijk, waarbij het veiligheidsaspect van zeer groot belang is.

De oude meanders en strangen worden behouden en waar mogelijk teruggebracht. Oeverwal De oeverwal wordt op enkele plaatsen doorsneden door de weteringen die inlaten van of afwateren op de Maas. Op deze plaatsen langs de weteringen kunnen waar deze logisch en mogelijk zijn ecologische verbindingen worden ontwikkeld. Aanleg van kleinere poelen is mogelijk. Komgebied De watergangen, weteringen en het slotenpatroon in het komgebied zorgen ervoor dat agrarische bedrijvigheid mogelijk is. Dit is en zal de hoofdfunctie zijn en blijven van de watergangen. Het is wenselijk de bestaande sloten zoveel mogelijk te handhaven, ook vanuit ruimtelijk oogpunt. Het waterschap stimuleert het ontwikkelen van natuurlijke/ecologische oevers. Hierbij wordt gestreefd naar het verwerven van een aantal meters grond direct naast de watergangen ten behoeve van de natuurlijke oevers. Het aanleggen van natuurvriendelijke oevers levert tevens extra mogelijkheden op voor waterberging. Aanleg van kleinere poelen is mogelijk. Het is gewenst om de ecologische verbindingszones nabij Hertogswetering, Roode Wetering en Teeffelense Wetering verder te ontwikkelen.

Buitengebied Oss – 2020, pag. 56 van 148 vastgesteld

Op de provinciale kaarten bij de structuurvisie is het gebied nabij de Roode wetering aangegeven als potentieel waterbergingsgebied. Dit betreft een zogenaamd voorlopig reserveringsgebied 2050. Concrete ontwikkelingen zijn hier nu niet voorzien. Echter, nieuwe kapitaalintensieve functies zijn in dit gebied niet gewenst (maar die zijn beleidsmatig/planologisch toch reeds uitgesloten); uitbreiding van bestaande functies behoort wel tot de mogelijkheden. Dekzandrand De aanwezige kwelsloten blijven gehandhaafd. Zo mogelijk worden extra sloten aangelegd. Aanleg van kleinere poelen is mogelijk. Dekzandrug De aanwezige vennen en zogenaamde ‘fruitvijvers’ blijven gehandhaafd. Mogelijk wordt een aantal nieuwe vennen in de bosgebieden aangelegd. In de zogenaamde ‘zuidelijke geledingszone’ ten zuiden van Oss wordt een oostwest lopende natte verbindingszone gecreëerd door herstel van een oude beekloop.

Wijze van bestemmen Bestaande relevante waterpartijen en met name leggerwatergangen hebben de bestemming ‘Water’. Ook binnen de bestemmingen ‘Verkeer’ en ‘Verkeer – Verblijf’ zijn bepalingen ten aanzien van water opgenomen. De Maas en het Burgemeester Delenkanaal hebben, gezien het grote belang voor de scheepvaart, de bestemming ‘Water – Vaarweg’. De in het plangebied aanwezige rioolgemalen zijn gelegen binnen de bestemming ‘Verkeer’ of ‘Verkeer – Verblijf’, waar ze als nutsvoorzieningen dan wel waterhuishoudkundige voorzieningen positief zijn bestemd. Op een zelfde wijze zijn de binnen deze bestemming aanwezige riooltransportleidingen beschermd. Daar waar deze niet binnen de bestemming ‘Verkeer’ of ‘Verkeer – Verblijf’ zijn gelegen is de dubbelbestemming ‘Leiding – Riool’ opgenomen. Deze dubbelbestemming beslaat ook de vrijwaringszone van 3,5 meter aan weerszijde van de riooltransportleiding. De grotere gemalen ten behoeve van de afwatering hebben de bestemming ‘Bedrijf’ met een specifieke functieaanduiding ‘Gemaal’. Ten behoeve van de sluis en stuw nabij Lith is binnen de bestemming ‘Water – Vaarweg’ een functieaanduiding ‘Sluis’ opgenomen. Binnen de agrarische bestemmingen is opgenomen dat nieuwe poelen een maximale maat van 200 m2 mogen hebben. Dit, omdat we willen voorkomen dat er grote vijvers en waterpartijen in het agrarisch gebied ontstaan.

Voor het bepalen van de oppervlakte wordt uitgegaan van de gemiddelde grondwaterstand. Er is één poel per kadastraal kavel toegestaan. Vis(kweek)vijvers met een ‘agrarische’ functie horen binnen het agrarisch bouwvlak. Verder worden binnen de bestemming ‘Water’ en ‘Water – Vaarweg’ nog de volgende functieaanduidingen onderscheiden: Aanlegsteiger; Aquaduct; Botenverhuur; Jachthaven; Laad- en losplaats; Ligplaats; Loswal; Meetstation; Museum; Strand;

Buitengebied Oss – 2020, pag. 57 van 148 vastgesteld

Verenigingsleven; Verkooppunt motorbrandstoffen zonder LPG; Vissershaven; Watersportgerelateerd bedrijf. Watersport; Waterrecreatie; Woonschepenligplaats; Ten behoeve van de realisatie van de ecologische verbindingszone en behoud en herstel van het watersysteem is langs de Hertogswetering, Roode Wetering en Teeffelense Wetering een Wro-zone met wijzigingsbevoegdheid opgenomen. Deze wijzigingsbevoegdheid is opgenomen ten behoeve van de bestemming ‘Natuur’ en voorziet tevens in een rechtstreeks werkend aanlegvergunningenstelsel. Primaire keringen De Maasdijk is een belangrijke primaire kering in het gebied. Ten behoeve van de waterveiligheid dienen primaire keringen, inclusief een beschermingszone, te worden beschermd. Titel 2.11 van het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening schrijft voor hoe primaire keringen en de bijbehorende beschermingszones bestemd moeten worden. Conform de artikelen in deze titel is voor de primaire kering zelf de dubbelbestemming ‘Waterstaat – Waterkering’ opgenomen. Voor de beschermingszone van de kering is de gebiedsaanduiding ‘vrijwaringszone – dijk’ opgenomen. Deze vrijwaringszone beslaat de gehele beschermingszone zoals die in de Keur van waterschap Aa en Maas is vastgelegd, een zone van 50 meter vanaf de teen van de dijk.

Zowel de dubbelbestemming ‘Waterstaat – Waterkering’ als de gebiedsaanduiding ‘vrijwaringszone – dijk’ strekken tot behoud en bescherming van de primaire kering ten behoeve van de waterveiligheid. De kering en de beschermingszones worden tevens beschermd door de bepalingen van de Keur. Voor sommige (bouw)werkzaamheden kan een keurvergunning vereist zijn. Regime van het rivierbed Het buitendijkse deel van het plangebied valt binnen het toepassingsbereik van de Beleidsregels grote rivieren. Het grootste gedeelte daarvan heeft in de beleidsregels een ‘stroomvoerend regime’ gekregen. Dit plandeel heeft de dubbelbestemming ‘Waterstaat – Stroomvoerend rivierbed’ gekregen. In het zuiden van de Hemelrijkse Waard en de Diedensche Uiterdijk heeft een deel een ‘bergend regime’. Dit plandeel heeft de dubbelbestemming ‘Waterstaat – Bergend rivierbed’ gekregen. In deze dubbelbestemmingen is een regeling opgenomen waarbij het bevoegd gezag de water- of rivierbeheerder raadplegen om een juiste afweging omtrent de toelaatbaarheid van activiteiten te kunnen maken. De Beleidsregels grote rivieren vormen hierbij een belangrijk kader. Bouwen binnen het rivierbed geschied voor eigen risico, het Rijk is niet aansprakelijk voor eventuele schade.

De gebieden met de dubbelbestemmingen ‘Waterstaat – Stroomvoerend rivierbed’ en ‘Waterstaat – Bergend rivierbed’ zijn in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant aangeduid als ‘Rivierbed’. Naast deze dubbelbestemming komen in deze gebieden de bestemmingen ‘Natuur’, ‘Agrarisch met waarden – Natuur en landschap’, ‘Agrarisch met waarden – Landschap’, ‘Groen’, ‘Recreatie’, ‘Horeca’ en ‘Verkeer – Verblijf’ voor. Binnen de agrarische bestemmingen komen in het rivierbed geen bouwvlakken voor. Met de gegeven bestemmingen en dubbelbestemmingen wordt voldaan aan de in de Interim omgevingsverordening vereiste bescherming van het rivierbed. Veiligheid van de scheepvaart In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) worden regels gesteld met betrekking tot de veiligheid van de scheepsvaart. Artikel 2.1.3 van het Barro stelt dat bij de vaststelling van een bestemmingsplan dat betrekking heeft op gronden binnen de begrenzing van een rijksvaarweg of op een vrijwaringszone rekening wordt gehouden met het voorkomen van belemmeringen voor: a. de doorvaart van de scheepvaart in de breedte, hoogte en diepte;

Buitengebied Oss – 2020, pag. 58 van 148 vastgesteld

b. c. d. e.

de zichtlijnen van de bemanning en de op het schip aanwezige navigatieapparatuur voor de scheepvaart; het contact van de scheepvaart met bedienings- en begeleidingsobjecten; de toegankelijkheid van de rijksvaarweg voor hulpdiensten, en het uitvoeren van beheer en onderhoud van de rijksvaarweg.

De vrijwaringszone van dit deel van de Maas bedraagt 25 meter aan weerszijden van de rijksvaarweg, en 50 meter binnen een afstand van 300 meter van een vaarwegsplitsing of havenuitvaart. Binnen de delen van dit bestemmingsplan die binnen de gestelde vrijwaringszone en rijksvaarweg vallen worden geen ontwikkelingen mogelijk gemaakt die een belemmering kunnen vormen zoals bedoeld in artikel 2.1.3 van het Barro. De rijksvaarweg valt geheel binnen de bestemming ‘Water – Vaarweg’ waar de beroeps- en pleziervaart rechtstreeks deel uit maken van de bestemmingsomschrijving. Waterwingebied en grondwaterbeschermingsgebied Voor het waterwingebied ten zuiden van Maren-Kessel zijn de bestemmingen ‘Natuur’ en ‘Bedrijf’ met een specifieke functieaanduiding drinkwatervoorziening opgenomen. De bedrijfsbestemming is opgenomen voor het deel van de grondwaterwinning waar de bedrijfsbebouwing en verharde oppervlaktes aanwezig zijn, het bedrijfsbouwvlak. Het overige deel van de waterwinning heeft een natuurbestemming. Verder zijn een ‘Milieuzone – grondwaterbeschermingsgebied’ en ‘Milieuzone – waterwingebied’ opgenomen. Deze milieuzones voorzien in een regeling, waaronder een aanlegvergunningenstelsel, ter bescherming van de grondwaterwinning ten behoeve van drinkwater. De bescherming van dit gebied wordt beschreven in § 4.3.3 van deze toelichting.

De waterwinning ten zuiden van Macharen is inmiddels beëindigd. Omdat er nog geen herbestemming voorzien is, is de bedrijfsbestemming gehandhaafd. Op 18 februari 2020 hebben Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant besloten de beschermingsregels voor deze locatie te laten vervallen. Dat is in dit bestemmingsplan verwerkt. Binnen alle bestemmingen zijn voorzieningen voor water en waterberging toegestaan.

2.11

Wonen

Het buitengebied heeft nooit een zelfstandige volkshuisvestelijke taak gehad. Het wonen was in dit gebied van oudsher onlosmakelijk verbonden aan de aanwezige agrarische bedrijven. Later kwamen daar met de schaalvergroting van de agrarische bedrijven soms nog een tweede agrarische bedrijfswoning bij. Aan de andere kant konden niet alle agrarische bedrijven die schaalvergroting volgen, of kwamen ze door strengere milieuregelgeving of een gebrek aan opvolging in de knel. Met het beëindigen van het agrarische bedrijf bleef dan vaak de woonfunctie in stand. Een vergelijkbare ontwikkeling deed en doet zich voor bij de tweede agrarische bedrijfswoningen. Als gevolg van verdergaande mechanisatie en technologische ontwikkeling verdween bij veel bedrijven de noodzaak van deze tweede bedrijfswoning. Niet zelden werden deze woningen vervolgens aan derden verkocht, ongeacht de eventuele strijd met het bestemmingsplan. Het komgebied is grotendeels vrij gebleven van burgerwoningen. Woningen komen wel verspreid voor in de andere delen van het buitengebied. Ze zijn vooral gelegen op de oeverwallen, op de hoger gelegen zandgronden en langs de uitvalswegen rond de kernen. Het buitengebied als geheel heeft duidelijk nog geen woonkarakter, daarvoor is de aanwezigheid te extensief en verspreid. Wel hebben sommige bebouwingsconcentraties een woonkarakter gekregen.

Wonen is dan de dominante functie in het cluster.

Buitengebied Oss – 2020, pag. 59 van 148 vastgesteld

De laatste decennia geldt een stringent beleid ten aanzien van nieuwe (burger)woningen in het buitengebied. Deze zijn in beginsel uitgesloten. Toch zijn er enkele uitzonderingen op dit beginsel. De regeling ruimte-voor-ruimte en de voormalige provinciale beleidslijn Buitengebied in Ontwikkeling maakten het mogelijk om met name binnen bebouwingsconcentraties en kernrandgebieden burgerwoningen te realiseren. Deze woningen zijn vaak groter en meer divers in verschijningsvorm dan ‘oudere’ burgerwoningen. Met de tijd zijn met deze regelingen toch de nodige burgerwoningen in het buitengebied bijgekomen. We zien verder dat niet alle agrarische bedrijfswoningen meer nodig zijn voor de huisvesting van het gezin van de agrariër. Dat komt bijvoorbeeld door schaalvergroting, waarbij wordt uitgebreid door de aankoop van een ander agrarisch bouwvlak. De daarbij behorende woning is dan niet meer nodig voor het huishouden van de agrariër. Leegstand vinden wij ongewenst. Een oplossing hiervoor zou de plattelandswoning kunnen zijn. Wij vinden het in het algemeen voorstelbaar dat iedere agrarische bedrijfswoning wordt gebruikt als plattelandswoning en nemen hiervoor een binnenplanse afwijkingsregeling op. Wel moet het bijbehorende agrarische bedrijf nog in werking zijn en moet ook voor de plattelandswoning een goed woon- en leefklimaat worden gegarandeerd.

Uit jurisprudentie over woonen leefklimaat is gebleken dat de plattelandswoning niet de mogelijkheden biedt die in eerste instantie hiervan werden verwacht.

2.12

Doelstelling wonen

Het buitengebied heeft geen volkshuisvestelijke opgave. Uitgangspunt is dat nieuwe burgerwoningen in het buitengebied niet nodig of gewenst zijn. Wonen is in beginsel een stedelijke functie en hoort in de kernen van de gemeente thuis. Het stedelijk gebied Oss – Berghem heeft daarbij de grootste opgave. Door sterk te sturen op inbreiding en herstructurering wordt de stedelijke structuur versterkt en (onnodige) verstening van het buitengebied tegen gegaan. Bovendien kunnen (burger) woningen in het buitengebied een belemmering vormen voor de ontwikkelingsmogelijkheden van agrarische bedrijven. Daar staat tegenover dat er nog steeds wel een behoefte is aan écht landelijk wonen: vrijstaande woningen in het landelijk gebied. De bestaande voorraad burgerwoningen in het buitengebied vult die vraag grotendeels in. Hoewel de kwaliteit van de bestaande woningen niet altijd aansluit bij de actuele behoefte. Nieuwbouw van burgerwoningen kan alleen binnen bebouwingsconcentraties. Hieraan zijn voorwaarden verbonden. De bouw van een woning moet bijdragen aan de verbetering van de ruimtelijke kwaliteit van het buitengebied. Dat kan bijvoorbeeld door het oplossen van knelpunten en/of bijdragen aan een grote kwaliteitswinst. Ook moet de Ruimte-voor-ruimteregeling, of de regeling kwaliteitsverbetering bebouwingsconcentraties (vroeger Buitengebied in Ontwikkeling) worden toegepast.

De toepassing van de regeling kwaliteitsverbetering bebouwingsconcentraties mag niet concurreren met de regeling Ruimte voor ruimte. Dit betekent dat bij de bouw van een (B.i.O.)woning de tegenprestatie gelijk moet zijn aan die van een ruimte-voor-ruimte bouwtitel. Bij de realisatie van een ruimte-voor-ruimte woning moet er sprake zijn van een substantiële ruimtelijke kwaliteitswinst in de gemeente. Bijvoorbeeld door het saneren van een agrarisch bedrijf. Het enkel aankopen of toepassen van een ruimte-voor-ruimte titel is niet voldoende. Woningbouw is niet in alle bebouwingsconcentraties gewenst. In de Structuurvisie Buitengebied Oss – 2015 staan de gewenste ontwikkelingsrichtingen voor de verschillende bebouwingsconcentraties. Naast nieuwbouw, kunnen ook burgerwoningen ontstaan door omschakeling, bijvoorbeeld van een voormalige agrarische bedrijfswoning. In beginsel is deze omschakeling buiten het primair agrarisch gebied voorstelbaar, op voorwaarde dat omliggende bedrijven niet in hun mogelijkheden worden beperkt.

Buitengebied Oss – 2020, pag. 60 van 148 vastgesteld

Wonen kan zo bijdragen aan de vitaliteit en de leefbaarheid van het buitengebied. Hetzelfde geldt voor cultuurhistorisch waardevolle bebouwing. Als het bijdraagt aan het behoud, zijn daar ook mogelijkheden voor wonen. Voor het behoud van grote karakteristieke woonboerderijen is woningsplitsing voorstelbaar. De mogelijkheden voor toevoeging van nieuwe woningen moeten ook in relatie tot de totale woningbouwbehoefte en –programmering worden gezien. Afstemming met behoefte en programma (portefeuillemanagement wonen) is noodzakelijk. De behoefte aan écht landelijk wonen is beperkt ten opzichte van de behoefte in het stedelijk gebied. Het beperkte aantal woningen dat we kunnen realiseren in het buitengebied moet vooral bijdragen aan het oplossen van knelpunten en/of bijdragen aan een grote kwaliteitswinst. wijzigingsregeling Weverstraat 25 woningen Geffen In het bestemmingsplan Weverstraat in Geffen is een wijzigingsregeling opgenomen voor de realisering van 25 woningen. Inmiddels is er in het gebied tussen Geffen en Oss veel woningbouw gerealiseerd. Wij vinden het dan ook uit stedenbouwkundig en planologisch oogpunt niet meer gewenst om op de locatie van de wijzigingsregeling deze 25 grote woningen te realiseren. Er wordt hier geen kwaliteit toegevoegd aan het buitengebied.

Wel is woningbouw in combinatie met een feitelijke ruimtelijke kwaliteitswinst (bijvoorbeeld in de vorm van sanering van een bedrijf) wenselijk. Deze 25 woningen kunnen we dan ook inzetten in combinatie met saneringstrajecten in het gebied tussen Geffen en Oss. Wel moet voor een dergelijke woning de gebruikelijke tegenprestatie worden geleverd. We passen hiervoor de wijzigingsbevoegdheid aan. Bed and breakfast en andere kleinschalige recreatieve nevenactiviteiten Bed en Breakfast voor maximaal 4 personen in maximaal 2 kamers is rechtstreeks toegestaan in een woning. Voor andere kleinschalige recreatieve nevenactiviteiten kan met een binnenplanse afwijking medewerking worden verleend. Het betreft hier bijvoorbeeld recreatie-appartementen, een kleine camping of dagrecreatieve activiteiten. Ook een bed and breakfast voor maximaal 10 personen is onder voorwaarden mogelijk met een binnenplanse afwijking. Aan huis gebonden activiteiten Het beleid ten aanzien van aan huis gebonden activiteiten is in de regels van dit bestemmingsplan vertaald. Rechtstreeks zijn er mogelijkheden tot 35 m2, met een afwijking of vergunning kan er ook medewerking worden verleend voor een groter oppervlakte of voor groepsmatige activiteiten. Mantelzorg Op basis van het Besluit omgevingsrecht (Bor) bestaan vergunningvrije mogelijkheden voor mantelzorg.

In het bestemmingsplan is ook de bestaande binnenplanse afwijkingsregeling voor mantelzorg nog opgenomen. Wat de mogelijkheden zijn voor een mantelzorgwoning en of een vergunning nodig is, is per situatie anders. Met een mantelzorgindicatie is er veel vergunningsvrij mogelijk. In het buitengebied kan men dan bijvoorbeeld een tijdelijke (kant-en-klare) mantelzorgwoning plaatsen. Er gelden wel bouwregels voor onder andere de oppervlakte en de hoogte. Op 18 juli 2017 heeft het college van burgemeester en wethouders besloten om de mantelzorgregels voor mensen met een langzaam progressieve ziekte te versoepelen. Is er nu nog geen mantelzorgindicatie, maar over maximaal 5 jaar wel? Dan mag nu (onder voorwaarden en met vergunning) al een mantelzorgwoning gerealiseerd worden. Deze regeling wordt verwerkt in een paraplubestemmingsplan voor de hele gemeente. Tot de inwerkingtreding van dat paraplubestemmingsplan werkt de gemeente in deze gevallen met een tijdelijke vergunning.

Buitengebied Oss – 2020, pag. 61 van 148 vastgesteld

Wijze van bestemmen Bestaande burgerwoningen zijn in principe bestemd als ‘Wonen’. Per bestemmingsvlak is één woning toegestaan, dan wel het op de verbeelding aangegeven aantal. Uitgangspunt is een inhoudsmaat van maximaal 750 m3 inclusief aan- en uitbouwen en aangebouwde bijgebouwen. Voor burgerwoningen in de zone van de Maasdijk en Erfdijk en cultuurhistorisch waardevolle panden is een andere regeling opgenomen. Daarbinnen is standaard 600 m3 toegestaan. Met een binnenplanse afwijking is onder voorwaarden een grotere inhoudsmaat mogelijk. De omvang van het bestemmingsvlak is afhankelijk van bestaande rechten, de ruimtelijke configuratie ter plaatse en de waarden van het omliggende gebied. Tevens geldt als uitgangspunt dat bebouwing zo veel mogelijk geconcentreerd wordt. Het bestemmingsplan laat bij woningen in ieder geval 100 m² vrijstaande bijgebouwen toe. Eventuele verdere mogelijkheden zijn afhankelijk van het Bor en de feitelijke situatie, met een maximum van 150 m². Via een afwijking is het mogelijk de inhoud van een woning te vergroten tot 1000 m3. Deze afwijking wordt niet standaard toegepast. Een grotere woning moet passen in zijn omgeving en bovendien moet sprake zijn van een kwaliteitsverbetering. Het bestemmingsplan voorziet in een wijzigingsbevoegdheid waarmee de bouw van één of meerdere woningen mogelijk is.

De toepassing van deze bevoegdheid mag niet leiden tot een stedelijke ontwikkeling.

2.13

Detailhandel en commerciële dienstverlening

In het plangebied zijn binnen de bebouwingsconcentraties enkele detailhandelsvoorzieningen gelegen. De voorzieningen zijn te verspreid om te kunnen spreken van een structuur of karakteristiek. De bewoners van het buitengebied zijn voor hun dagelijkse en minder dagelijkse boodschappen en benodigdheden aangewezen op de kernen, met name hoofdkernen van de clusters en de stad Oss. Het beleid is gericht op concentratie van deze voorzieningen in de kernen. Om de bestaande voorzieningenstructuur te beschermen worden detailhandelsfuncties al lange tijd geweerd in het buitengebied. Het beperkte voorzieningenaanbod in het buitengebied is een gevolg van dat beleid. In het plangebied speelt commerciële dienstverlening geen noemenswaardige rol.

2.14

Doelstellingen detailhandel en commerciële dienstverlening

Het beleid is gericht op concentratie van detailhandel en commerciële dienstverlening in de kernen. Nieuwe locaties voor detailhandel en commerciële dienstverlening zijn in het buitengebied niet gewenst. Internetverkoop waarbij sprake is van klantcontact ter plaatse, of waar een showroom aanwezig is wordt gezien als detailhandel. In beperkte vorm biedt de regeling aan huis gebonden activiteiten ruimte voor vormen van kleinschalige commerciële dienstverlening. Verkoop van ter plaatse (legaal) vervaardigde producten is onder voorwaarden op een beperkt oppervlak voorstelbaar. Hiervoor wordt geen detailhandelsbestemming opgenomen.

Buitengebied Oss – 2020, pag. 62 van 148 vastgesteld

Wijze van bestemmen Bestaande legale bedrijven worden positief bestemd en voorzien van een passende regeling. Binnen de bestaande rechten kunnen nog bouwmogelijkheden bestaan. Wij bieden met toepassing van een binnenplanse afwijkingsregeling een beperkte uitbreidingsruimte van 15% van de in het bestemmingsplan opgenomen bebouwingsoppervlakte tot een maximale totale bebouwingsoppervlakte van 1.000 m 2. Hierboven bestaan er geen uitbreidingsmogelijkheden. Met een wijzigingsregeling kan wel het bestemmingsvlak worden vergroot tot 5000 m². Nieuwvestiging van en omschakeling naar detailhandel of commerciële dienstverlening is uitgesloten. In bijlage 5 bij de regels worden deze locaties genoemd tezamen met de toegestane oppervlakte.

2.15

Horeca

Net als bij de hiervoor beschreven detailhandelsvoorzieningen is het beleid ten aanzien van zelfstandige horeca in het verleden ook sterk gericht geweest op concentratie in de kernen. Binnen het plangebied komt dan ook maar een beperkt aantal horecagelegenheden voor. De gelegenheden zijn te verspreid om te kunnen spreken van een structuur of karakteristiek. De ondersteunende horeca is niet geïnventariseerd, maar is op meer plekken aanwezig.

2.16

Doelstelling horeca

Het landelijk gebied is in principe horecaluw. De nadruk ligt in het landelijk gebied van oudsher op de landbouw. Maar het buitengebied heeft ook een toeristisch-recreatieve functie. Binnen het landelijk gebied is er een verschil tussen gebieden met hoofdzakelijk een agrarische functie en gebieden waar meer de nadruk ligt op (routegebonden) recreatie en toerisme. Voorbeelden zijn het gebied langs de Maas, Maashorst en kernrandzones. Horeca vormt een belangrijk onderdeel van de toeristisch-recreatieve sector. Het sluit aan bij het gastvrije karakter dat we willen uitstralen. In sommige gevallen kan horeca zelfs een belangrijke trekker zijn voor een gebied. De verschillende vormen van horeca moeten echter wel passen bij de locatie en de omgeving. Hieronder leggen we uit hoe horeca zich in de verschillende gebieden kan ontwikkelen. In het agrarisch gebied is onder voorwaarden horeca van ondersteunende aard toelaatbaar. Dit betekent dat horeca alleen ondersteunend aan een agrarische of recreatieve hoofdbestemming mag zijn. Dit is toelaatbaar als dit passend is in wet- en regelgeving. De horeca mag hierbij niet de hoofdfunctie overheersen. In het agrarisch gebied moet de nadruk liggen op agrarische bedrijven. Dit betekent ook dat er geen ruimte bestaat voor zelfstandige horecabestemmingen binnen hoofdzakelijk agrarisch gebied.

In andere delen van het landelijk gebied ligt de nadruk meer op wonen, natuur, toerisme en recreatie. Binnen deze gebieden vinden veelal route-gebonden, extensieve en kleinschalige recreatief-toeristische activiteiten plaats. Voorbeelden hiervan zijn fiets- en wandelrecreatie en kleinschalige verblijfsrecreatie, zoals kamperen bij de boer of een bed and breakfast. Het is belangrijk dat bezoekers in dit gebied de mogelijkheid hebben om te verblijven, iets te drinken en te eten. Wij vinden dergelijke horeca-activiteiten daarom ook toelaatbaar, mits dit past bij de aard en schaal van de activiteiten, de locatie en het gebied. Ook zelfstandige horeca kan een bijdrage leveren aan de ontwikkeling van toerisme en recreatie in een gebied. In deze vorm is horeca de hoofdbestemming. Wij vinden horecabestemmingen in het

Buitengebied Oss – 2020, pag. 63 van 148 vastgesteld

buitengebied dan ook voorstelbaar, mits aan een aantal voorwaarden wordt voldaan. Een dergelijke voorziening moet naar aard en schaal passen in het gebied, aansluiten bij toeristisch-recreatieve routestructuren en passen in het beleid voor toerisme en recreatie. Bij het beoordelen van mogelijkheden voor zelfstandige horeca in het landelijk gebied is altijd sprake van maatwerk. Het horecabeleidsplan geeft ook de kaders voor horeca in het buitengebied aan. Maatwerk is ook van toepassing op gevallen waar ondersteunende horeca feitelijk is uitgegroeid naar een zelfstandige horecafunctie. Daar moet eenzelfde zorgvuldige afweging gemaakt worden. Uiteraard spelen aspecten zoals geluid, een goede bereikbaarheid en parkeervoorzieningen hierbij een rol.

Wijze van bestemmen Bestaande legale zelfstandige horecagelegenheden hebben de bestemming ‘Horeca’ gekregen. Vormen van ondersteunende horeca worden in de regels van andere bestemmingen geregeld. In bijlage 5 bij de regels worden de bestaande legale (zelfstandige) locaties genoemd tezamen met de toegestane oppervlakte. Wij bieden met toepassing van een binnenplanse afwijkingsregeling een beperkte uitbreidingsruimte van 25% van de in het bestemmingsplan opgenomen bebouwingsoppervlakte tot een maximale totale bebouwingsoppervlakte van 1.000 m2. Nieuwvestiging is niet toegestaan.

2.17

Overige bedrijvigheid

Naast de hiervoor beschreven bedrijfsmatige voorzieningen komen binnen het plangebied nog andere soorten van bedrijvigheid voor. In sommige gevallen is nog sprake van een verwantschap met typische buitengebiedfuncties, zoals een loonbedrijf. Maar in andere gevallen is sprake van bedrijvigheid die eigenlijk geen of zeer weinig binding met het buitengebied heeft. Deze bedrijven komen verspreid in het buitengebied voor, er is geen sprake van een duidelijke structuur of karakteristiek. In het primair agrarisch gebied is geen bedrijvigheid aanwezig die geen relatie heeft met de agrarische sector. Er zijn geen zelfstandige kantoorlocaties binnen het plangebied aanwezig. Aan huis gebonden activiteiten De binnen het plangebied gevestigde praktijken van aan huis verbonden beroepen of kleinschalige aan huis gebonden bedrijvigheid zijn niet in beeld gebracht. De ruimtelijke impact en uitstraling van dergelijke functies is zeer beperkt. In het verleden ingediende aanvragen om vrijstelling, ontheffing of afwijking zijn getoetst aan het destijds geldende beleidskader voor aan-huis-verbonden beroepen. Op 22 november 2012 is door de gemeenteraad het nieuwe beleid aan huis gebonden activiteiten vastgesteld.

2.18

Doelstellingen overige bedrijvigheid

Overige of niet-agrarische bedrijvigheid onderscheiden we in de volgende categorieën: - Agrarisch technische hulpbedrijven. Deze zijn overwegend gericht op het verlenen van diensten aan agrarische bedrijven, zoals loonbedrijven, landbouwmechanisatiebedrijven etc. - Agrarisch verwante bedrijvigheid. Deze zijn overwegend gericht op het verlenen van diensten aan particulieren en niet-agrarische bedrijven, zoals een hovenier of hondenkennel. - Overige niet-agrarische bedrijvigheid. Dit betreft de overige bedrijven in het buitengebied, zoals aannemers, autobedrijven, ambachtelijke bedrijven, etc.

Buitengebied Oss – 2020, pag. 64 van 148 vastgesteld

Bij de agrarisch technische hulpbedrijven en agrarisch verwante bedrijven is nog sprake van een zekere binding met het buitengebied. Bij de overige niet-agrarische bedrijvigheid is hier geen sprake (meer) van. Functioneel hoort deze laatste groep bedrijven van oudsher niet in het buitengebied thuis. Om uiteenlopende redenen zijn deze bedrijven toch in het buitengebied terecht gekomen. Nieuwvestiging is voor alle categorieën niet-agrarische bedrijven niet gewenst en daarom niet mogelijk gemaakt. Wel zijn er mogelijkheden voor omschakeling van agrarische bedrijven naar niet-agrarische bedrijvigheid of van al bestaande niet-agrarische bedrijven naar andere vormen van niet-agrarische bedrijvigheid. Voor de omschakeling van agrarische bedrijven is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen. Verdere omschakelingsmogelijkheden van agrarische bedrijven worden gegeven in het beleid voor vrijkomende agrarische bebouwing (VAB-beleid). Hoe meer ruimte we in het buitengebied bieden voor niet-agrarische bedrijvigheid, hoe aantrekkelijker het kan worden voor bedrijven uit de kern om naar het buitengebied te vertrekken. Dit kan leiden tot leegstand in de kernen en afbreuk doen aan de structuur voor werklocaties. Deze ongewenste ontwikkeling moeten we tegen gaan. Ook om die reden moet de ontwikkelingsruimte voor niet-agrarische bedrijven in het buitengebied beperkt blijven.

Bij de omschakelingsmogelijkheden van bestaande nietagrarische bedrijven mag in ieder geval geen zwaardere milieucategorie ontstaan. In de primair agrarische gebieden staat het behoud van de agrarische productiestructuur voorop. Wij gaan zeer terughoudend om met uitbreiding van zowel bestemmingsvlak als bebouwingsoppervlak van niet aan het buitengebied gebonden bedrijvigheid. Binnen de bedrijfsbestemming zijn er me afwijking onder voorwaarden ook mogelijkheden voor kleinschalige recreatieve voorzieningen, zoals een grotere bed and breakfast mogelijk, met uitzondering van in het primair agrarisch gebied.

Wijze van bestemmen Bestaande legale bedrijven worden positief bestemd. Binnen de bestemming ‘Bedrijf’ worden met functieaanduidingen agrarisch-technisch hulpbedrijven, agrarisch verwant bedrijven en niet-agrarischtechnisch hulpbedrijf en niet-agrarisch verwant bedrijven onderscheiden. Wij bieden agrarisch-technische hulpbedrijven en agrarisch-verwante bedrijvigheid met toepassing van een binnenplanse afwijkingsregeling een beperkte uitbreidingsruimte van 25% van de in het bestemmingsplan opgenomen bebouwingsoppervlakte tot een maximale totale bebouwingsoppervlakte van 1.000 m2. Met een wijzigingsplan kan de maximale oppervlakte worden vergroot tot 5.000 m². Nieuwvestiging is niet toegestaan. Wij bieden verder voor overige niet-agrarische bedrijvigheid met toepassing van een binnenplanse afwijkingsregeling een beperkte uitbreidingsruimte van 15% van de in het bestemmingsplan opgenomen bebouwingsoppervlakte tot een maximale totale bebouwingsoppervlakte van 1.000 m 2. Met een wijzigingsplan kan het bestemmingsvlak voor bedrijven worden vergroot tot maximaal 5.000 m 2. Nieuwvestiging is niet toegestaan. Binnen de bestemming ‘Bedrijf’ worden onder voorwaarden mogelijkheden geboden voor omschakeling naar andere vormen van niet-agrarische bedrijvigheid. Zo is omschakeling tussen agrarisch-technisch en agrarisch verwant mogelijk.

Ook omschakeling van agrarisch-technisch of agrarisch-verwant naar overige vormen van niet-agrarische bedrijvigheid is onder voorwaarden mogelijk. Afhankelijk van de omvang en of het bestemmingsvlak moet worden aangepast kan dat met een binnenplanse afwijking of wijzigingsplan.

Buitengebied Oss – 2020, pag. 65 van 148 vastgesteld

De regeling maakt omschakeling naar een zwaardere milieucategorie niet mogelijk, wel naar lichtere. Nieuwe bedrijvigheid in milieucategorie 4 of hoger is niet toegestaan. In bijlage 5 bij de regels worden de bestaande legale locaties genoemd tezamen met de toegestane hoeveelheid vierkante meters.

2.19

Recreatie en sport

Het buitengebied heeft een belangrijke functie voor vrijetijdsbesteding. Zowel door de bewoners van het buitengebied zelf, de inwoners van de kernen als door mensen van buiten de gemeente wordt er volop gerecreëerd en gesport. Fietsen, wandelen en natuurbeleving komen veruit het meeste voor. Maar ook voor waterrecreatie, overnachtingen, horeca en actieve sportbeleving wordt het buitengebied gebruikt. De recreatieve routes voor fietsen, wandelen en paardrijden zijn de afgelopen jaren goed ontwikkeld, wat het gebruik gestimuleerd heeft. De zwaartepunten van het recreatief gebruik liggen met name op de Maasdijk, de Lithse Ham, de Lithoijense Maasarm, de Geffense Plas en in de grotere natuurgebieden zoals Maashorst-Herperduin. De gebieden direct rondom de kernen hebben een belangrijke functie als uitloopgebied. De Lithse Ham vormt een grootschalig dag- en verblijfsrecreatief gebied, met de nadruk op waterrecreatie. Ook de jachthaven bij Lithoijen vormt een hotspot voor de waterrecreatie. Verder komen op diverse plekken aanlegsteigers en kleine jachthaventjes bij de kernen voor. Verspreid over het buitengebied, maar met nadruk op de oeverwal en de dekzandrug en -rand, komen kleinschalige voorzieningen voor verblijfsrecreatie voor. Variërend van kamperen bij de boer en groepsaccommodaties tot bed and breakfast gelegenheden en recreatieappartementen.

Vakantiepark Herperduin vormt een grootschalig verblijfsrecreatieve voorziening in het buitengebied. Nabij dat vakantiepark is een Natuurpoort met natuurspeelbos ontwikkeld. Deze liggen echter buiten het plangebied van dit bestemmingsplan. In de uiterwaarden wordt gestruind. Daarnaast zijn er enkele zandstrandjes waar gezond en gezwommen wordt. In het gebied rond de oeverwal en vooral op de Maasdijk wordt veel gefietst en gewandeld. In het komgebied wordt weinig gerecreëerd. Uitzondering vormen de Ganzeweide, die door vogelaars is ontdekt. Ook wordt er wel gefietst door de polder. De verbindingen tussen de kernen en de oeverwal zijn nog niet overal voldoende ontwikkeld. In het buitengebied zijn enkele sportvoorzieningen gelegen. Veelal zijn deze voorzien van kleed- en verenigingsgebouwen. De sportcomplexen zijn feitelijk volledig gericht op de kernen en hebben een zeer beperkte ruimtelijk-functionele relatie met het buitengebied.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Oss&id=bdfcc32f-ecc7-46df-9587-dc7c5b9a0997