Bijlage 2A Toelichting
Tekst van het document
In zo’n geval springt het hekwerk minder in het beeld, hetgeen wenselijk is - Voor het hekwerk geldt een transparantie van minimaal 75% - Uitstraling; een natuurlijke, niet industriële uitstraling - Hoogte; hoe dichter bij de 1.20, hoe beter - Materiaal; toepassing van hout geeft het geheel een natuurlijke uitstraling - Dikte palen en planken; hoe smaller, hoe minder opvallend, en transparanter, zie hierboven - Aantal planken; over het algemeen volstaan 2 horizontale planten, eventueel 3 - Kleur; bruin, onbehandeld hout. Geen wit of andere opvallende kleur - Grootte weiland; geen ‘kamertjes’ . Bij toepassing rond kleine percelen is een afrastering al snel te nadrukkelijk aanwezig; er ontstaan ‘hokjes’ met een erg strak en onnatuurlijk karakter. Met name op de zandgrond is toepassing van (vlecht)heggen ecologisch en voor het beeld wenselijker dan een hekwerk.
Buitengebied Oss – 2020, pag. 27 van 148 vastgesteld
Draad
Niet gewenst; niet transparant genoeg
Hout
Gewenst
Dakgevelverhouding Tussen de bebouwing onderling is een goede samenhang en afstemming van de architectuur van belang. Nieuwe bebouwing moet aansluiten bij de aanwezige bouwstijl en bij de bestaande karakteristiek. In het buitengebied is het dakvlak beeldbepalend. Een dakgevelverhouding van 2:1 is optimaal en draagt bij aan een goede landschappelijke inpassing. Een verhouding waarbij het dakvlak groter is dan de gevel is een voorwaarde. Als deze verhouding niet haalbaar is, dan streven wij naar een verhouding die dit zo veel mogelijk benadert en die in ieder geval groter is dan 1:1. Bijvoorbeeld bij a-symmetrische kappen zijn afwijkingen bespreekbaar waarbij de hoge zijde aan het erf staat en de lage zijde aan het landschap. De dakhelling van de bedrijfsbebouwing moet tussen de 15 en de 30 graden liggen.
Een goed dakgevelverhouding
Geen goede dakgevelverhouding
Buitengebied Oss – 2020, pag. 28 van 148 vastgesteld
Staltypen Met het oog op aspecten als kosten, dierenwelzijn en duurzaamheid zijn er de laatste jaren nieuwe staltypen ontwikkeld. Ruimtelijk passen niet al deze staltypen in het landschap. Enerzijds wordt er ruimte gegeven voor vernieuwing in de landbouw. Anderzijds moeten de kwaliteiten van het buitengebied behouden blijven en worden versterkt. Zo zijn open stallen en vrijloopstallen met een zadeldak over het algemeen goed inpasbaar. Terwijl boogstallen en serrestallen slecht inpasbaar zijn in het landschap. Op de oeverwal zijn deze staltypen niet mogelijk, vanwege de voorgeschreven maximale goothoogte.
2.5
Functionele karakteristiek
Het buitengebied herbergt verschillende functies. Het gebied is al lang niet meer alleen bestemd voor agrariërs. Recreanten, nieuwe bewoners en ondernemers hebben hun weg naar het buitengebied gevonden. Deze diversiteit kenmerkt het multifunctionele karakter van het buitengebied. De diversiteit aan functies komt niet overal in dezelfde mate voor. De functionele karakteristiek van het buitengebied is in grote lijnen sterk bepaald door de verschillende landschapstypen. Functioneel onderscheiden we in eerste instantie het gemengd landelijk gebied, het primair agrarisch gebied en het overig agrarisch. Verder liggen er nog bebouwingsconcentraties en enkele grote natuurgebieden in het plangebied.
Functionele zonering
Buitengebied Oss – 2020, pag. 29 van 148 vastgesteld
Gemengd landelijk gebied Het gemengd landelijk gebied bestaat grofweg uit de landschapstypen oeverwal, dekzandrand, dekzandrug en de rivierduinen. Het gebruik van de gronden in dit gebied is gemengd. We spreken hier ook wel van een gemengde plattelandseconomie. In deze gebieden is het gebruik in de afgelopen decennia verkleurd van min of meer puur agrarisch naar een mix van functies als wonen, niet-agrarische bedrijvigheid, recreatie en agrarische bedrijvigheid. Het aandeel agrarische bedrijven zal hier in de toekomst verder afnemen. Dit komt mede doordat de ontwikkelmogelijkheden voor agrarische bedrijven (met name voor veeteelt) in dit gebied beperkt zijn. De bebouwingsconcentraties liggen allen in het gemengd landelijk gebied. In sommige bebouwingsconcentraties zijn de agrarische bedrijven vrijwel helemaal verdwenen door omschakeling naar andere functies.
Gemend landelijk gebied
Primair agrarisch gebied De landbouw heeft echter nog steeds een belangrijke rol in het buitengebied. Als fundament van het hele agrifoodcomplex is de agrarische sector van grote waarde voor de economie van Oss en van de hele regio Noordoost-Brabant. Het grootschalige agrarische (grond)gebruik concentreert zich met name in de open komgebieden. Hier vindt nauwelijks functiemenging plaats. Dit gebied vormt het primair agrarisch gebied. Op een paar plekken komen het daadwerkelijke gebruik en de uitstraling niet overeen met de landschappelijke ondergrond. Delen van de dekzandrand en de dekzandrug hebben ook een grootschalig agrarisch karakter. Deze gebieden komen door het grondgebruik en het grootschalige karakter vooral overeen met het komgebied. Dit is bijvoorbeeld het geval in het gebied tussen Oss-West en Geffen. Het agrarisch karakter van deze gebieden is de afgelopen jaren versterkt door keuzes in het ruimtelijk beleid, zoals in het reconstructieplan. Hierdoor zijn deze gebieden onderdeel van het primair agrarisch gebied geworden.
Buitengebied Oss – 2020, pag. 30 van 148 vastgesteld
Maar ook buiten het primair agrarisch gebied zijn nog veel agrarische bedrijven actief. De onbebouwde agrarische percelen, weilanden en akkers beslaan nog steeds een groot deel van het buitengebied en liggen tot aan de kernranden en in de bebouwingsconcentraties.
Primair agrarisch gebied
Overig agrarisch gebied Delen van de komgronden liggen in het provinciale ‘gebied beperkingen veehouderij’. Vanwege de beperkingen die deze aanduiding in het provinciaal beleid met zich brengen, rekenen we deze gebieden niet tot het primair agrarisch gebied. Het deel van de komgebieden die in het ‘gebied beperkingen veehouderij’ liggen noemen we het overig agrarisch gebied. In het overig agrarisch gebied heeft de agrarische functie nog wel de overhand. Maar door de beleidsmatige beperkingen is het toekomstperspectief voor agrarische bedrijven in dit gebied beperkter dan in het primair agrarisch gebied. Bebouwingsconcentraties Bebouwingsconcentraties zijn luchtige bebouwingszwermen in het buitengebied waarbinnen verschillende functies voorkomen. De wisselwerking tussen landschap en stedenbouw is hier heel belangrijk. De bebouwingsconcentraties liggen allen in het gemengd landelijk gebied. In sommige bebouwingsconcentraties zijn de agrarische bedrijven vrijwel helemaal verdwenen door omschakeling naar andere functies. Het toekomstperspectief voor de agrarische sector is hier beperkt. De bebouwingsconcentraties zijn nader beschreven in hoofdstuk 9 van de Structuurvisie Buitengebied Oss – 2015 (‘Ontwikkelingsvisie bebouwingsconcentraties’).
Buitengebied Oss – 2020, pag. 31 van 148 vastgesteld
Overig agrarisch gebied
Bebouwingsconcentraties
Buitengebied Oss – 2020, pag. 32 van 148 vastgesteld
Stads- en dorpsranden Het karakter van de zones aan de rand van Oss en haar kernen komt in de praktijk vaak overeen met die van bebouwingsconcentraties. Het perspectief voor de agrarische sector is hier beperkt en al langere tijd wordt de aanwezige functiemix sterker ontwikkeld.
Stads- en dorpsranden
Grote natuurgebieden In het buitengebied liggen ook nog meerdere grote natuurgebieden. Op de dekzandrug vormt de gordel van Herperduin – Landerij VanTosse – Geffense Bosjes een groot geschakeld natuurgebied. In de Maas en haar uiterwaarden vormen de oude meanders bij de Hemelrijkse Waard, Diedensche Uiterdijk, Middelwaard en Keent al grote natuurgebieden, aangevuld met de natuurvriendelijke oevers langs de Maas. In het komgebied vormt de Hertogswetering een belangrijke ecologische verbindingszone als lijnelement en met stapstenen. In de polders liggen bovendien nog enkele eendenkooien en weidevogelgebieden met belangrijke natuurwaarden. Verbinding stad – land Het buitengebied van Oss staat niet op zichzelf. Tegenover een vitaal buitengebied staat een vitaal stedelijk gebied: de steden en dorpen in de gemeente Oss. Die twee-eenheid, stad en land, maken Oss tot de aantrekkelijke en diverse gemeente die zij is. Oss is daarmee eigenlijk een schoolvoorbeeld van het Brabantmozaïek. Aantrekkelijk wonen en werken in kernen met een goed voorzieningenniveau, met de directe nabijheid van het groene buitengebied voor toerisme, recreatie, voedselvoorziening, natuurbeleving, rust en ruimte of juist flinke inspanning.
Buitengebied Oss – 2020, pag. 33 van 148 vastgesteld
Eeuwenlang is er een nauwe wederkerige relatie tussen stad en land geweest. In de afgelopen 50 jaar is die relatie onder druk komen te staan en staan stad en land soms met de rug naar elkaar toe. Wij willen die band weer aanhalen en de verbindingen tussen stad en land versterken. Dat kan op allerlei manieren, zowel fysiek als programmatisch. Het buitengebied kan de stad in komen, maar de stad kan ook het buitengebied opzoeken. Op basis van partijen die kansen zien, kunnen mooie cross-overs ontstaan. Denk bijvoorbeeld aan de Klasseboeren waar kinderen leren hoe een modern boerenbedrijf werkt, of Landerij VanTosse die als ‘poort naar het buitengebied’ ook nog eens producten levert voor diverse restaurants. Maar ook de reclasseringsjongeren die via werk op een agrarisch bedrijf weer voorbereid worden op deelname aan de maatschappij. Wij worden graag uitgedaagd om mee te werken aan nieuwe initiatieven die deze stad – land verbinding versterken.
2.6
Doelstelling functionele karakteristiek
Een vitaal en multifunctioneel buitengebied Het is de uitdaging om het multifunctionele karakter van het buitengebied op de juiste manier te versterken. Het aantal agrarische bedrijven in het buitengebied neemt af. Om de vitaliteit in het buitengebied te behouden en om verloedering en verpaupering tegen te gaan, bieden we ruimte aan nieuwe functies in het gemengd landelijk gebied. Deze nieuwe functies kunnen als omschakeling of nevenactiviteit zorgen voor een nieuwe economische drager voor bestaande bedrijven. Het bieden van ontwikkelruimte gaat uit van het principe ‘voor wat hoort wat’. In de landbouwparagrafen (§ 2.7 en § 2.8) gaan we hier verder op in. Het belang van toerisme, recreatie, natuurbeleving, klimaatadaptatie en bewoning in het buitengebied neemt verder toe. Als de verschillende functies op een zorgvuldige wijze worden ingepast en afgestemd op elkaar, dan behouden we een vitaal, leefbaar en aantrekkelijk buitengebied voor iedereen. Gemengd landelijk gebied Het gebruik van de gronden in dit gebied is en blijft gemengd. Het aandeel agrarische bedrijven zal hier in de toekomst verder afnemen. Dit komt mede doordat de ontwikkelmogelijkheden voor agrarische bedrijven in dit gebied vaak beperkt zijn. We bieden agrarische bedrijven ruimte voor verbreding of omschakeling.
De mogelijkheden voor omschakeling of nevenactiviteiten zijn in het gemengd landelijk gebied dan ook vrij uitgebreid. Hiermee willen we leegstand voorkomen en bijdragen aan een meer vitaal buitengebied. De verbreding- en omschakelingsmogelijkheden kunnen dan ook bijdragen aan een betere beleving van het gebied. Ook buiten de mogelijkheden van dit bestemmingsplan zijn ontwikkelingen voorstelbaar. Hiervoor moet dan een zelfstandige procedure doorlopen worden. De mogelijkheden zijn evengoed niet onbeperkt. Bij de afweging van verzoeken moeten we ook rekening houden met de belangen van de voorzieningenstructuur en bedrijventerreinen in de kernen. De gebieden langs de Maas en rond natuurgebied de Maashorst zijn zeer geschikt voor toeristischrecreatieve functies. De aantrekkingskracht van deze gebieden biedt kansen voor ondernemers om deze gebieden te ondersteunen. Andere voorbeelden van geschikte functies zijn zorg of horeca. Voor zorginitiatieven is het belangrijk dat de locatie op redelijk korte afstand van voorzieningen ligt. Dit geldt vooral voor zorgfuncties waar ook gewoond wordt. De bewoners kunnen zo gebruik maken van voorzieningen in de omgeving. Horecafuncties dienen vooral aan te sluiten op de toeristisch-recreatieve routes in het buitengebied en te passen binnen het horecabeleid.
Op de juiste plekken kunnen zij de aantrekkelijkheid van het gebied vergroten en aangename rustmogelijkheden bieden voor recreanten.
Buitengebied Oss – 2020, pag. 34 van 148 vastgesteld
Primair agrarisch gebied Ondanks dat het aantal bedrijven terugloopt blijft de agrarische sector in de toekomst een belangrijke rol spelen in het buitengebied. De bijdrage aan het agrifoodcomplex blijft belangrijk voor de regionale economie. We willen het primair agrarisch gebied behouden voor ontwikkelingen in de agrarische sector. Een goed functionerende agrarische productiestructuur staat voorop. Bedrijven krijgen hier meer ruimte om uit te breiden. Functies die agrarische bedrijven belemmeren in de ontwikkelingsmogelijkheden staan we om deze reden in het primair agrarisch gebied niet toe. De mogelijkheden voor omschakeling en nevenactiviteiten in het primair agrarisch gebied zijn dan ook zeer beperkt. Alleen voor agrarischtechnische hulpbedrijven nemen we een binnenplanse afwijkingsmogelijkheid op. Ook buiten het primair agrarisch gebied zijn nog altijd agrarische bedrijven actief. In veel gevallen worden de ontwikkelingsmogelijkheden voor deze bedrijven beperkt door provinciaal beleid. In de regels nemen we deze beperkingen voor veehouderij over. De uitbreidingsmogelijkheden verschillen daarbij per landschapstype. Overig agrarisch gebied In het overig agrarisch gebied heeft de agrarische functie nog wel de overhand. Maar door de beleidsmatige beperkingen is het toekomstperspectief voor agrarische bedrijven in dit gebied beperkter dan in het primair agrarisch gebied.
Dit maakt het instandhouden van de agrarische productiestructuur minder kansrijk. Het bieden van alternatieve ontwikkelingsmogelijkheden draagt in deze gebieden dan bij aan het behouden van de vitaliteit. Anders dan in het primair agrarisch gebied zijn er in het overig agrarisch gebied wel meer mogelijkheden voor nevenactiviteiten en omschakeling. Bebouwingsconcentraties De vaak al bestaande functiemix in bebouwingsconcentraties kan zich verder ontwikkelen. De beschrijving van de bebouwingsconcentraties in de structuurvisie vormen daarbij een basis. In dit bestemmingsplan bieden we met name voor agrarische bedrijven diverse mogelijkheden voor nevenactiviteiten en omschakeling. De beperkte mogelijkheden voor nieuwe (burger)woningen in het buitengebied beperken zich tot de bebouwingsconcentraties. In § 2.12 gaan we hier verder op in. Stads- en dorpsranden De mogelijkheden in deze zone komen overeen met die van de bebouwingsconcentraties. Het grote verschil is dat in deze gebieden nieuwe burgerwoningen in beginsel niet mogelijk zijn. Grote natuurgebieden Langs de Maas liggen nog grote opgaven voor de realisatie van het Natuur Netwerk Brabant. Deze natuurontwikkeling maakt deel uit van een integrale gebiedsontwikkeling, ingegeven vanuit waterveiligheid.
Door een combinatie van dijkversterking, ruimte voor de rivier en natuurontwikkeling versterken we de veiligheid, biodiversiteit en aantrekkelijkheid van onze gemeente. Andere natuuropgaven worden ingegeven vanuit de routekaart Groen, Blauw en Natuur. Deze worden verder in deze toelichting behandeld. Verbinding stad – land Wij willen de band tussen stad en land weer aanhalen en de verbindingen tussen stad en land versterken. Dat kan op allerlei manieren, zowel fysiek als programmatisch. Het buitengebied kan de stad in komen, maar de stad kan ook het buitengebied opzoeken. Op basis van partijen die kansen zien, kunnen mooie cross-overs ontstaan. Denk bijvoorbeeld aan de Klasseboeren waar kinderen leren hoe een modern boerenbedrijf werkt, of Landerij VanTosse die als ‘poort naar het buitengebied’ ook nog eens producten levert voor diverse restaurants. Maar ook de
Buitengebied Oss – 2020, pag. 35 van 148 vastgesteld
reclasseringsjongeren die via werk op een agrarisch bedrijf weer voorbereid worden op deelname aan de maatschappij. Wij worden graag uitgedaagd om mee te werken aan nieuwe initiatieven die deze stad – land verbinding versterken. Duurzame energie Een grote transformatie naar duurzame energie is onvermijdelijk. Oss probeert die opgave voor duurzame energie concreet te maken en nu al de noodzakelijke stappen te zetten. Het buitengebied zal een belangrijke rol hebben in het opwekken van duurzame energie. Zowel voor het grootschalig opwekken van windenergie in de open polders als voor zonne-energie. Deze ontwikkelingen zullen grote impact hebben op de beleving van het buitengebied. De opgave wordt daarom vorm gegeven via een eigen breed en intensief proces waarin veel aandacht is voor participatie. Binnen dit bestemmingsplan bieden we verschillende mogelijkheden voor kleinschalige voorzieningen op en rond het erf (gericht op eigen behoefte). Structuurvisie Buitengebied Oss – 2015 De Structuurvisie Buitengebied Oss – 2015 is gemaakt als opmaat naar dit bestemmingsplan. Het vormt een belangrijk kader voor de beoordeling van initiatieven in aanloop naar dit nieuwe bestemmingsplan. Het bestemmingsplan is meer afgebakend en concreet dan de structuurvisie. Dit betekent dat we niet alle gewenste ontwikkelingen rechtstreeks mogelijk kunnen maken in het bestemmingsplan.
Waar mogelijk bieden we deze mogelijkheden wel. Daarnaast nemen we afwijkings- of wijzigingsmogelijkheden op voor komende ontwikkelingen. Het kan voorkomen dat ontwikkelingen niet passen binnen de mogelijkheden van het bestemmingsplan, maar wel in lijn zijn met de structuurvisie. Het is mogelijk om deze initiatieven te faciliteren met zelfstandige procedures. De planologische aanvaardbaarheid moet uiteraard wel worden aangetoond met een goede ruimtelijke onderbouwing.
Wijze van bestemmen Bij de bestemming wordt in beginsel uitgegaan van de bestaande legale situatie. Voor de gewenste flexibiliteit is er in dit bestemmingsplan een veelheid aan afwijkingsmogelijkheden en wijzigingsbevoegdheden opgenomen. Hiermee kunnen diverse nevenactiviteiten en omschakelingen mogelijk worden gemaakt. Landschappelijke en functionele zonering buitengebied We hanteren in dit bestemmingsplan een landschappelijke en een functionele zonering van het buitengebied. Hiervoor is al beschreven hoe de functionele zonering overlapt met de verschillende landschapszones. De landschappelijke zonering heeft vooral betrekking op bouwen, inrichting, inpassing en aanlegvergunningsplichtige werken. De functionele zonering heeft vooral betrekking op de gebruiksmogelijkheden van bebouwing en gronden. Op een ruimtelijke ontwikkeling kunnen dus beide zoneringen van toepassing zijn.
2.7
Landbouw
De landbouw vormt de grootste grondgebruiker van het buitengebied. Oss is dan ook met recht nog een agrarische gemeente te noemen. In dit bestemmingsplan zijn 372 agrarische bouwvlakken opgenomen. Daarnaast liggen er binnen de bebouwde kommen ook nog een aantal agrarische bedrijven. Niet al die bouwvlakken zijn nu nog daadwerkelijk in gebruik als agrarisch bedrijf. Van deze bouwvlakken zijn er:
Buitengebied Oss – 2020, pag. 36 van 148 vastgesteld
-
208 rundveebedrijven 97 varkensbedrijven 55 bedrijven met paarden 41 bedrijven zonder vee of dieren 14 pluimveebedrijven 14 geitenhouderijen 3 overige agrarische bedrijven (champignonteelt en viskwekerij) 2 glastuinbouwbedrijven 1 nertsenbedrijf, en 1 konijnenfokkerij.
Als je de voorgaande aantallen optelt, dan kom je boven de 372 bedrijven. Er is dan ook een aantal gemengde bedrijven dat meerdere bedrijfsmatige takken heeft op het bedrijf. Van de 372 bedrijven zijn er 85 gemengde bedrijven met meerdere bedrijfsmatige takken. In het komgebied van Lith liggen veel agrarische bedrijven geconcentreerd langs de verschillende noordzuid lopende landbouwlinten. In de rest van de gemeente zijn de agrarische bedrijven verspreid gesitueerd. De dichtheid van de bedrijven varieert per gebied. Zo liggen er in het komgebied tussen de kernen Haren, Deursen-Dennenburg, Herpen en Berghem relatief weinig bedrijven. In het komgebied bevinden zich hoofdzakelijk melkveehouderijen. Maar ook de intensieve veehouderij is er gevestigd, met zowel varkenshouderijen als pluimveebedrijven. De open komgebieden vormen de basis van het primair agrarisch gebied, zoals in § 2.5 beschreven. De bedrijven in het komgebied hebben vaak een groter bouwvlak dan bedrijven op de oeverwal of op de zandgronden. Op de oeverwal en de zuidelijke zandgronden zijn ook diverse agrarische bedrijven te vinden. Hier is niet één type bedrijf in overwegende mate aanwezig. De landschappelijke inpassing van de bedrijven varieert. Een deel van de bedrijven heeft reeds erfbeplanting aangebracht. Een groot deel van de bedrijven ligt echter ‘open en bloot’ in het landschap.
Ontwikkelingen in de sector We zien een aantal ontwikkelingen in de agrarische sector die van grote invloed zijn op de ruimtelijke uitstraling en het maatschappelijk draagvlak van de sector. Zo neemt het aantal agrarische bedrijven al geruime tijd af. Deze ontwikkeling zet zich door in de toekomst. Het areaal landbouwgrond neemt echter in veel mindere mate af. Hier laat zich de schaalvergroting van de sector duidelijk zien. Je zou grofweg vier soorten agrarische ondernemers kunnen onderschrijven: groeiers, verbreders, specialisten en stoppers. Groeiers zetten in op schaalvergroting van hun bedrijf, door groei op één locatie, of door het overnemen van bedrijven op andere locaties. Verbreders ontplooien naast hun agrarische bedrijf activiteiten die wel of geen relatie met het agrarische kunnen hebben. Bekende voorbeelden zijn minicampings, groepsaccommodatie, caravanopslag, kaas- of ijsmakerijen. Maar de activiteiten kunnen ook in een andere hoek zitten, zoals de installatietechniek. Specialisten richten zich op een onderscheidend product en proberen zo een eigen (niche)markt aan te boren. Stoppers beëindigen hun agrarisch bedrijf volledig en zoeken al dan niet aan andere bedrijfsmogelijkheden. Al deze ondernemers hebben invloed op hoe het buitengebied eruit ziet en hoe het beleefd wordt.
De diversiteit aan soorten ondernemingen en eigen perspectieven maken dat de landbouw niet als eendimensionale sector weggezet kan worden.
Buitengebied Oss – 2020, pag. 37 van 148 vastgesteld
2.8
Doelstellingen landbouw
2.8.1
Algemeen
Hoewel de toekomst onzeker is en de ontwikkelingen erg hard gaan, zijn we ervan overtuigd dat de landbouw van groot belang blijft voor het plangebied en voor de gemeente en regio als geheel. Als voedselproducent, als proeftuin voor innovaties in het agrifoodcomplex en als beheerder en beeldbepalende drager van het landschap. Voor maatschappelijke vraagstukken zoals gezonde voeding, gezonde leefomgeving, dierenwelzijn, natuur en duurzaamheid zoeken we samen oplossingen. Belangrijk daarbij is dat agrarische activiteiten wel volhoudbaar blijven in het buitengebied: economisch en ecologisch duurzaam. Binnen het hele agrifoodcomplex vormt de agrarische sector de onmisbare basis. Het is daarom belangrijk dat er een goede agrarische productiestructuur blijft bestaan. Er moeten gebieden blijven waar het primaat ligt bij de landbouw. Dit doen we in het primair agrarisch gebied. De uitdaging is om deze gebieden toch ook voor de recreant en de toerist aantrekkelijk en beleefbaar te houden. In het plangebied moeten bestaande agrarische bedrijven reële ontwikkelingsmogelijkheden krijgen. De ruimtelijke randvoorwaarden moeten hierop toegesneden worden. Toch verschillen de mogelijkheden nogal. De ontwikkelingsruimte moet passen binnen de mogelijkheden die het provinciale beleid biedt.
We maken bij de ontwikkelingsmogelijkheden wel onderscheid in gebieden waar de landbouw meer of minder ontwikkelingsmogelijkheden heeft. Ook maken we bij het bieden van ontwikkelingsmogelijkheden onderscheid naar type agrarische bedrijvigheid. De landschappelijke draagkracht is mede bepalend voor de ontwikkelings- (of uitbreidings)mogelijkheden van agrarische bedrijven. Wij hebben als uitgangspunt in dit bestemmingsplan geen agrarische bouwvlakken ambtshalve wegbestemd. Ook niet als er geen agrarische bedrijfsactiviteiten meer plaatsvinden op het perceel. Dat komt omdat er bij een herbestemming van een agrarisch locatie naar een andere bestemming afspraken nodig zijn over bijvoorbeeld inpassing, sloop van bedrijfsbebouwing en planschade. Wel is in dit bestemmingsplan een aantal herbestemmingen opgenomen van agrarische bouwvlakken. Deze herbestemmingen zijn voorzien van een ruimtelijke onderbouwing waarin de planologische aanvaardbaarheid aangetoond is.
2.8.2
Onderscheid in verschillende typen agrarische bedrijven
In dit bestemmingsplan onderscheiden we verschillende typen agrarische bedrijven. In onderstaande subparagrafen gaan we in op de verschillende typen. 2.8.2.1 Veehouderij Grondgebondenheid Het traditionele planologisch onderscheid tussen (grondgebonden) melkrundveehouderij en intensieve veehouderij zoals dat bleek uit de geldende bouwvlakken voor grondgebonden bedrijven en voor intensieve veehouderij vervaagt. Waar voorheen de melkrundveehouderij nog echt grondgebonden was, is dat nu door schaalvergroting steeds minder het geval. Het provinciaal beleid maakt dan ook buiten het gebied ‘beperkingen veehouderij’ geen onderscheid meer tussen grondgebonden en niet-grondgebonden veehouderij. In de ‘Structuurvisie Buitengebied Oss – 2015’ hebben we dit provinciaal uitgangspunt overgenomen door op een bouwvlak waar een veehouderij gevestigd is buiten het gebied ‘beperkingen
Buitengebied Oss – 2020, pag. 38 van 148 vastgesteld
veehouderij’ ook andere vormen van veehouderij toe te staan. Het onderscheid tussen bouwvlakken voor grondgebonden en niet-grondgebonden veehouderij zou daarmee in dit gebied verdwijnen. Het provinciaal beleid leidt wel tot de volgende nuancering op het hiervoor genoemde uitgangspunt. We maken in het gebied ‘beperkingen veehouderij’ wel nog steeds onderscheid tussen grondgebonden en niet-grondgebonden veehouderijen, omdat alleen grondgebonden veehouderijen in dit gebied nog mogen uitbreiden. Niet-grondgebonden veehouderijen hebben een slot op de muur voor gebouwen en ‘bouwwerken geen gebouw zijnde’. We hanteren bij de beoordeling van het begrip ‘grondgebondenheid’ de provinciale definitie daarvan in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant en de daarop gebaseerde nadere regels. Dat betekent dat de inhoud van dit begrip kan wijzigen. In het bestemmingsplan worden daarom ook grondgebonden en niet-grondgebonden bedrijven niet als zodanig aangeduid. Veetype Op basis van de milieuberekeningen die gemaakt zijn bij het plan-MER en het MER (meer hierover in § 5.4) , nemen we nu in dit bestemmingsplan, in afwijking van het beleid in de structuurvisie, toch regels op voor het veetype dat op een bouwvlak mag worden gehouden.
Het vrijgeven van het veetype dat op een bouwvlak mag worden gehouden, kan (theoretisch) tot een forse intensivering buiten het gebied ‘beperkingen veehouderij’ leiden en daarmee theoretisch tot forse toename van de uitstoot van geur, fijn stof en endotoxinen. Deze toename kan leiden tot een aantasting van het woon- en leefklimaat, omdat geen toetsing van de cumulatieve aspecten hiervan in het milieuspoor kan plaatsvinden. Om te voorkomen dat het woon- en leefklimaat verslechtert, nemen wij nu in het ruimtelijk spoor (dit bestemmingsplan) maatregelen. De hoofdregel voor een veehouderij wordt dan dat alleen een veehouderij is toegestaan op een bouwvlak dat als ‘veehouderij’ is aangeduid en dat per bouwvlak alleen de dieren mogen worden gehouden die zijn opgenomen in een tabel die als bijlage bij de regels van dit bestemmingsplan is opgenomen. Het veetype in deze tabel is gebaseerd op de milieuvergunning en niet op de feitelijke veebezetting van het bedrijf. Voor het houden van andere dieren op een agrarisch bedrijf dan de dieren die zijn opgenomen in de tabel in het bestemmingsplan, is een binnenplanse afwijking opgenomen met voorwaarden waaraan voldaan moet worden om medewerking te kunnen verlenen. Hobbymatig te houden vee blijft buiten de ’veetype-regeling’ en mogen dus ook op het bouwvlak worden gehouden.
Als hobbymatig houden we in dit verband het volgende aan: - het houden van minder dan 5 paarden; - het houden van 5 stuks rundvee; - het houden van minder dan 10 schapen; - het houden van minder dan 10 geiten; - Het houden van 10 varkens; - het houden van minder dan 250 stuks pluimvee; - het houden van minder dan 25 konijnen. In het bestemmingsplan hebben we deze tabel concreet in de regels opgenomen. Deze diersoorten mogen cumulatief gehouden worden. Bij bijvoorbeeld een volwaardige rundveehouderij mogen hobbymatig bijvoorbeeld 2 paarden en 25 stuks pluimvee worden gehouden. De ‘veetype-regeling’ heeft, voor de duidelijkheid, verder alleen betrekking op diersoorten die het bestemmingsplan definieert als ‘vee’ en op paarden. Dat zijn dus runderen, varkens, schapen, geiten, pluimvee, tamme konijnen, pelsdieren en paarden. Op andere dieren, zoals (hobbymatige) katten, honden en knaagdieren en exotische dieren als kamelen is de regeling niet van toepassing.
Buitengebied Oss – 2020, pag. 39 van 148 vastgesteld
2.8.2.2 Paardenhouderij De paardenhouderij valt niet onder de definitie van veehouderij van de provincie en hoeft dus niet aan de specifieke eisen te voldoen die alleen gelden voor de veehouderij, zoals de BZV en staldering. Wij volgen dit provinciaal beleid. De paardenhouderij heeft echter wel raakvlakken met de veehouderij. In het bestemmingsplan is dan ook geregeld dat een paardenhouderij wel onder de hiervoor genoemde ‘veetype- regeling’ valt en dus alleen mag worden uitgeoefend op een bouwvlak dat als zodanig is benoemd.
2.8.2.3 Akkerbouw en tuinbouw Een grondgebonden agrarisch bedrijf zonder dieren, zoals akkerbouw, fruitteelt en tuinbouw, is toegestaan op ieder agrarisch bouwvlak, zowel als hoofd- als neventak. Agrarische bedrijven met alleen akkerbouw, fruitteelt of tuinbouw hebben geen specifieke aanduiding.
2.8.2.4 Glastuinbouw De uitoefening van een glastuinbouwbedrijf is alleen toegestaan op een bouwvlak dat als zodanig is aangeduid. In principe zijn er op basis van het provinciaal en gemeentelijk beleid geen mogelijkheden voor nieuwvestiging van een glastuinbouwbedrijf. Binnen dit plangebied worden in het provinciaal beleid geen mogelijkheden geboden voor nieuwvestiging en slechts zeer beperkt voor uitbreiding.
2.8.2.5 Overige agrarische bedrijven Ook de uitoefening van een overig agrarisch bedrijf is alleen mogelijk op een bouwvlak dat als zodanig is aangeduid. Onder overige agrarische bedrijven vallen bijvoorbeeld champignonkwekerijen of insectenkwekerijen.
2.8.2.6 Deelnemers beëindigingsregelingen Er is een aantal bedrijven dat, al sinds 2000, heeft deelgenomen aan provinciale en landelijke beëindigingsregelingen als RBV, VIV en BIV. De planologische vertaling van de deelnemers aan deze regelingen heeft in het verleden al plaatsvonden. Maar doorvertaling moet nu opnieuw in dit bestemmingsplan. Doorvertaling van deelname aan deze regelingen is lastig, omdat bijvoorbeeld definities van typen agrarische bedrijven zijn aangepast. Het bedrijfstype ‘intensieve veehouderij’ wordt niet meer gebruikt en wat destijds onder een grondgebonden veehouderij werd verstaan, is ook gewijzigd. Met het opnemen van de ‘veetype-regeling’ in dit bestemmingsplan hebben we deelname aan een beëindigingsregeling ondervangen. In de afwijkingsregeling die we hebben opgenomen om van veetype te wijzigen, hebben we opgenomen dat er geen sprake mag zijn van een veetype of bedrijfsvorm die eerder is beëindigd in het kader van één van de provinciale en landelijke beëindigingsregelingen als RBV, VIV, BIV en SUN.
2.8.3 Uitbreidingsruimte In deze paragraaf gaan we in op de mogelijkheden van uitbreiding van agrarische bedrijven. Dat betreft zowel de mogelijkheden van uitbreiding van bebouwing of gebruik binnen het bouwvlak als om uitbreiding van het bouwvlak.
2.8.3.1 Uitbreiding van bebouwing binnen het bouwvlak Uitgangspunt is nog steeds, zoals in het verleden ook al het geval was, dat een bouwvlak volledig mag worden bebouwd. Dat uitgangspunt is, met name door provinciaal beleid, steeds verder onder druk komen staan. Met name voor een veehouderij zijn de provinciale regels steeds beperkender geworden.
Buitengebied Oss – 2020, pag. 40 van 148 vastgesteld
Veehouderij Uitbreiding van bebouwing (zowel gebouwen als bouwwerken geen gebouw zijnde) van een nietgrondgebonden veehouderij in het gebied ‘beperkingen veehouderij’ is niet toegestaan op basis van het provinciaal beleid. Niet-grondgebonden bedrijven horen in dit gebied in principe niet (meer) thuis. Daarom krijgen ze geen uitbreidingsmogelijkheden. Dat geldt ook voor bebouwing voor nevenactiviteiten of voor bebouwing die milieutechnisch juist tot verbetering leidt, zoals een luchtwasser buiten de stal. Ruimte voor deze bebouwing moet gevonden worden binnen de bestaande hoeveelheid bebouwing. Uitbreiding van bebouwing van een veehouderij buiten het gebied ‘beperkingen veehouderij’ of van een grondgebonden veehouderij in het gebied ‘beperkingen veehouderij’ is onder voorwaarden wel mogelijk. Wij hechten belang aan verduurzaming van de agrarische sector. De provincie Noord-Brabant stelt onder andere de Brabantse Zorgvuldigheidsscore Veehouderij (BZV) verplicht bij iedere uitbreiding van stalruimte van deze veehouderijen. Het gaat dan om uitbreidingen buiten de bestaande vierkante meters aan stalruimte. Wij volgen het provinciaal beleid hierin en passen de BZV alleen toe bij uitbreiding van vierkante meters stalruimte. Datzelfde geldt ook voor in het in gebruik nemen van bebouwing als stalruimte; ook daarvoor moet voldaan worden aan de BZV.
Herbouw binnen de bestaande vierkante meters stalruimte mag zonder toepassing van de BZV. Daarnaast moet, als sprake is van een hokdierbedrijf, aan de eisen van staldering worden voldaan. Wat een hokdierbedrijf is, is gedefinieerd in de definities. Een rundveehouderij valt daar op dit moment niet onder. Voor de uitbreiding van bebouwing op een veehouderij is een binnenplanse afwijking opgenomen met voorwaarden. Wij kiezen voor een binnenplanse afwijking in plaats van voor het rechtstreeks vergunning onder voorwaarden, omdat met name onderdeel b van de voorwaarden beoordelingsruimte biedt. Een ‘regeling onder voorwaarden’ vereist een helder en concreet toetsingskader dat geen beoordelingsruimte biedt. De criteria van de binnenplanse afwijkingsregeling komen (rechtstreeks) uit de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant, en zijn de volgende: a. maatregelen worden getroffen en in stand gehouden die invulling geven aan een zorgvuldige veehouderij, een en ander conform de door Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant vastgestelde regels van de Brabantse Zorgvuldigheidscore Veehouderij zoals die gelden ten tijde van de aanvraag om omgevingsvergunning b. de ontwikkeling is vanuit een goede leefomgeving inpasbaar in de omgeving. Het betreft hier onder andere verkeersafwikkeling, milieuaspecten en volksgezondheid c.
er is aangetoond dat de kans op cumulatieve geurhinder (achtergrondbelasting) op geurgevoelige objecten, in de bebouwde kom niet hoger is dan 12% en in het buitengebied niet hoger is dan 20%, tenzij er -als blijkt dat de achtergrondbelasting hoger is dan voornoemde percentages- maatregelen worden getroffen door de veehouderij die tot een daling leiden van de achtergrondbelasting, die ten minste de eigen bijdrage aan de overschrijding van de achtergrondbelasting compenseert d. er is aangetoond dat de achtergrondconcentratie, vermeerderd met de bijdrage van het initiatief, een jaargemiddelde fijnstofconcentratie (PM10) op gevoelige objecten veroorzaakt van maximaal 31,2 μg/m3 e. er is een zorgvuldige dialoog gevoerd, gericht op het betrekken van de belangen van de omgeving in de planontwikkeling f. als sprake is van een niet-grondgebonden veehouderij: de veehouderij is niet geheel of gedeeltelijk gelegen in de zone 'overige zone - beperkingen veehouderij' g. voldaan moet worden aan de eisen van staldering andere soorten agrarische bedrijven Voor de uitbreiding van andere agrarische bedrijven dan veehouderijen worden geen specifieke regels gesteld in dit bestemmingsplan. Dat betekent dat uitbreiding van bebouwing van deze bedrijven
Buitengebied Oss – 2020, pag. 41 van 148 vastgesteld
rechtstreeks mogelijk is. Ook paardenhouderijen vallen hieronder, hoewel deze wel op een bouwvlak met de aanduiding ‘veehouderij’ zijn gelegen.
2.8.3.2 Uitbreiding van een bouwvlak Er zijn gebieden in het buitengebied waar in het algemeen agrarische bedrijven in aanmerking kunnen komen voor uitbreiding. Dat is met name het ‘primair agrarisch gebied’. Maar uitbreiding van een agrarisch bedrijf mag alleen op een planologisch ‘goede’ locatie. Dat kan betekenen dat in zo’n gebied door concrete omstandigheden uitbreiding in een individueel geval toch niet mogelijk is. Los van de maximale maatvoering per deelgebied vinden wij het gewenst om globaal aan te geven onder welke voorwaarden uitbreiding mogelijk is. In de reconstructieplannen was hiervoor het begrip ‘duurzame locatie’ van belang. Binnen verwevingsgebied mocht een intensieve veehouderij uitbreiden als sprake was van een duurzame locatie. In de provinciale definitie hiervan was opgenomen aan welke aspecten werd getoetst. De reconstructieplannen zijn echter ingetrokken. Het begrip ‘duurzame locatie’ staat inmiddels niet meer in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant. Wij hebben de criteria waaraan voldaan moet worden om een bouwvlak te kunnen uitbreiden, opgenomen in de wijzigingsbevoegdheden voor uitbreiding in artikel 40 van het bestemmingsplan. Concreet gaat het hierbij om de volgende aspecten: a.
de noodzaak ervan is aangetoond aan de hand van een ondernemersplan, in welk kader burgemeester en wethouders advies inwinnen van de Adviescommissie Agrarische Bouwaanvragen; b. aangetoond is dat voldaan wordt aan de eisen van de milieuwetgeving (ammoniak, geur, volksgezondheid en dergelijke) en er geen onevenredige nadelige gevolgen zijn voor de in de omgeving aanwezige waarden (zoals water, ecologie, Natura 2000-gebied, landschap, cultuurhistorie en archeologie) en voor de belangen van derden; c. het bouwvlak goed en zorgvuldig landschappelijk wordt ingepast met inheemse beplanting; d. een goede uitstraling van het geheel in stedenbouwkundige, landschappelijke en/of architectonische zin wordt bereikt; e. de uitbreiding een positieve bijdrage levert aan de bescherming en ontwikkeling van de onderkende ecologische en landschappelijke waarden en kenmerken; deze voorwaarde geldt uitsluitend indien het uit te breiden bouwvlak en/of de uitbreiding geheel of gedeeltelijk ligt binnen de aanduiding 'overige zone - groenblauwe mantel'; f. voor zover er sprake is van veehouderij: - er geborgd is dat ter plaatse alleen een zorgvuldige veehouderij is toegestaan; - de ontwikkeling vanuit een goede leefomgeving inpasbaar is in de omgeving.
Het betreft hier onder andere bodemkwaliteit, de waterhuishouding, de in de grond aanwezige of te verwachten monumenten, de cultuurhistorische waarden, de ecologische waarden, de aardkundige waarden en de landschappelijke waarden, verkeersafwikkeling, milieuaspecten en volksgezondheid; - is aangetoond dat de kans op cumulatieve geurhinder (achtergrondbelasting) op geurgevoelige objecten, in de bebouwde kom niet hoger is dan 12% en in het buitengebied niet hoger is dan 20%, tenzij er -als blijkt dat de achtergrondbelasting hoger is dan voornoemde percentages- maatregelen worden getroffen door de veehouderij die tot een daling leiden van de achtergrondbelasting, die ten minste de eigen bijdrage aan de overschrijding van de achtergrondbelasting compenseert; - is aangetoond dat de achtergrondconcentratie, vermeerderd met de bijdrage van het initiatief, een jaargemiddelde fijnstofconcentratie (PM10) op gevoelige objecten veroorzaakt van maximaal 31,2 µg/m3; - de landschappelijke inpassing ten minste 10% van de omvang van het bouwperceel omvat;
Buitengebied Oss – 2020, pag. 42 van 148 vastgesteld
de toelichting een verantwoording bevat dat een zorgvuldige dialoog is gevoerd, gericht op het betrekken van de belangen van de omgeving in de planontwikkeling; - binnen de zone 'overige zone - beperking veehouderij' sprake is van een grondgebonden veehouderij. Over de grootte van het bouwvlak merken wij het volgende op. De maximale oppervlakte van een bouwvlak is afhankelijk van het landschapstype waarin het bouwvlak is gelegen. In meer kleinschalige landschappen zoals oeverwal, dekzandrand en dekzandrug staan we bouwvlakken toe tot een maximale maat van 1,5 ha. In meer grootschalige gebieden zoals het komgebied is een bouwvlak van maximaal 2 ha of 2,5 ha toelaatbaar. Een bouwvlak van 2,5 ha is slechts in zeer uitzonderlijke situaties mogelijk, omdat hiervoor zeer specifieke voorwaarden gelden die uit het provinciaal beleid afkomstig zijn. Voor uitbreiding van het bouwvlak is een wijzigingsregeling opgenomen. -
Voor akker- en tuinbouwbedrijven geldt een andere regeling. Met een wijzigingsregeling kan het bouwvlak van deze bedrijven onder voorwaarden uitbreiden tot 2 hectare, ongeacht de ligging. Bij een vergroting van het bouwvlak van een akker- of tuinbouwbedrijf boven de 2 hectare is hiervoor een zelfstandige procedure vereist. Wij hanteren daarnaast de volgende algemene uitgangspunten voor (uitbreiding van) agrarische bedrijven: 1. Alle voorzieningen van een agrarisch bedrijf (dus ook sleuf- en mestsilo’s, erfverharding en dergelijke) moeten binnen het agrarische bouwvlak worden gerealiseerd. Dit met uitzondering van sommige tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen. Die voorzieningen kunnen onder voorwaarden buiten het bouwvlak (zie hiervoor de volgende paragraaf). . 2. Nieuwvestiging van een agrarisch bedrijf is in principe niet toegestaan. 3. De uitbreidingsmogelijkheden van het bouwvlak van een agrarisch bedrijf zijn afhankelijk van de zonering waarbinnen het bedrijf is gelegen. Alleen wanneer opslag van ruwvoer nodig is en er binnen het huidig bouwvlak geen ruimte is, kan extra uitbreiding plaatsvinden van het bouwvlak met 0,5 ha sleufsilo’s, buiten de maximale maatvoering van 1,5 ha. Wij passen deze regeling niet toe in kleinschalige landschapstypen. In deze gebieden is de maximale maatvoering van een agrarisch bedrijf 1,5 ha, inclusief sleufsilo’s.
2.8.3.4 Teeltondersteunende voorzieningen De regeling van teeltondersteunende voorzieningen (tov) in het bestemmingsplan is ingewikkeld. Dat komt omdat er veel verschillende vormen van dergelijke voorzieningen zijn. Wij onderscheiden enerzijds tijdelijke (met een duur van maximaal 8 maanden) en permanente tov, en anderzijds voorzieningen die als gebouw (bijvoorbeeld een tunnelkas), als bouwwerk dat geen gebouw is (bijvoorbeeld een hagelnet) of niet als bouwwerk beschouwd moet worden (bijvoorbeeld een containerveld). Voor tijdelijke voorzieningen die als bouwwerk beschouwd kunnen worden, hebben wij een binnenplanse afwijking opgenomen die buiten het bouwvlak teeltondersteunende voorzieningen tot 0,5 meter hoog toestaat in het komgebied, en tot 4,5 m buiten het komgebied. Voor de voorzieningen die geen bouwwerk zijn, is geen specifieke regeling opgenomen, maar vaak zijn deze voorzieningen wel aanlegvergunningplichting op basis van de regeling voor oppervlakteverharding of vergraving. Wij nemen geen maximale maatvoering op voor deze voorzieningen. Een maatvoering is moeilijk hanteerbaar, omdat er lang niet altijd een ‘bijbehorend’ bouwvlak is bij de voorzieningen en percelen zomaar ‘los’ in het veld liggen. Uitgangspunt is dat permanente voorzieningen die een gebouw zijn (zoals tunnelkassen of teeltondersteunende kassen) binnen een bouwvlak moeten worden gebouwd.
Het bouwvlak kan hiervoor met een wijzigingsprocedure worden vergroot. Dat geldt ook voor andere teeltondersteunende voorzieningen met een grote invloed op de omgeving, zoals aardbeienstellages en schaduwhallen. Wij
Buitengebied Oss – 2020, pag. 43 van 148 vastgesteld
onderkennen de behoefte aan deze voorzieningen. In de wijzigingsregeling voor vergroting van een bouwvlak voor een grondgebonden agrarisch bedrijf zonder vee nemen wij dan ook een maximale oppervlakte van een bouwvlak op van 2 ha. Voor grotere bouwvlakken met eventueel differentiatievlakken voor teeltondersteunende voorzieningen, kan een bestemmingsplanprocedure worden gevoerd. Wij vinden permanente voorzieningen (die geen gebouw zijn) met minder of weinig invloed op de omgeving in principe wel ruimtelijk voorstelbaar buiten het bouwvlak. Het gaat daarbij bijvoorbeeld om hagelnetten boven fruitbomen of netten rond kersenbomen. Voor deze voorzieningen nemen we een binnenplanse afwijking op, die een dergelijke voorziening tot 6 m mogelijk maakt. Voorwaarde hierbij is dat de invloed van de voorziening op de omgeving beperkt moet zijn. Wij nemen hierbij geen maximale maatvoering in ha op. Wij nemen verder een regeling op voor teeltondersteunend glas door in de binnenplanse afwijking hiervoor maximaal 5.000 m² buiten de groenblauwe mantel toe te staan.
2.8.4 Verbreding Buiten het primair agrarisch gebied krijgt de verbrede landbouw meer ontwikkelingskansen. Voorwaarde hierbij is dat er een goed evenwicht tussen economische, milieutechnische en landschappelijke aspecten wordt bereikt. Nevenactiviteiten zijn ondersteunend aan de agrarische bedrijfsvoering, maar hoeven niet in het verlengde daarvan te liggen. Dit betekent wel dat er een substantiële agrarische tak aanwezig moet zijn op het agrarisch bedrijf. De verhouding tussen hoofdtak en neventak is anders niet meer in evenwicht. Als geen sprake meer is van een substantiële agrarische tak bij de ontwikkeling van een nieuwe activiteit, is er sprake van omschakeling. Initiatieven moeten dan passen binnen het beleid voor omschakeling of het bredere beleid voor vrijkomende agrarische bebouwing (nog op te stellen). De mogelijkheden voor nevenactiviteiten bij een agrarisch bedrijf zijn afhankelijk van de ligging. De functionele zonering is bepalend voor welke activiteiten voorstelbaar zijn. De mogelijkheden sluiten aan bij de doelstellingen voor de functionele karakteristiek zoals beschreven in § 2.6. Gemengd landelijk gebied Wij bieden ruimte aan verschillende vormen van nevenactiviteiten in het gemengd landelijk gebied. Hiermee willen we bijdragen aan een meer vitaal buitengebied en leegstand helpen voorkomen.
De verbredingsmogelijkheden kunnen dan ook bijdragen aan een betere beleving van het gebied. Primair agrarisch gebied De mogelijkheden voor omschakeling en nevenactiviteiten in het primair agrarisch gebied zijn dan ook zeer beperkt. We willen het primair agrarisch gebied behouden voor ontwikkelingen in de agrarische sector. Functies die agrarische bedrijven belemmeren in de ontwikkelingsmogelijkheden staan we om deze reden in het primair agrarisch gebied niet toe. Alleen voor agrarisch-technische activiteiten bieden we ruimte. Overig agrarisch gebied Anders dan in het primair agrarisch gebied zijn er in het overig agrarisch gebied wel meer mogelijkheden voor nevenactiviteiten. Door beleidsmatige beperkingen is het toekomstperspectief voor agrarische bedrijven in dit gebied beperkter dan in het primair agrarisch gebied. Het bieden van alternatieve ontwikkelingsmogelijkheden draagt in het overig agrarisch gebied bij aan het behouden van de vitaliteit. Bebouwingsconcentraties en stads- en dorpsranden
Buitengebied Oss – 2020, pag. 44 van 148 vastgesteld
In de bebouwingsconcentraties zijn de mogelijkheden voor nevenactiviteiten het ruimste. Dat past bij het gemengde karakter dat ze meestal al hebben. Agrarisch-technische hulpbedrijven sluiten we als nevenactiviteit uit om overlast richting de aanwezige woonfuncties te voorkomen. In de zones voor stads- en dorpsranden bieden we dezelfde mogelijkheden. De precieze mogelijkheden voor nevenactiviteiten staan beschreven in bijlage 2 van de regels. Als aanvulling op de rechtstreekse regeling voor bed and breakfast maakt deze afwijkingsregeling ook een grotere bed and breakfast of verblijfsrecreatieve functie mogelijk, met uitzondering van in het primair agrarisch gebied.
2.8.5
Mestbewerking
Wij volgen het provinciaal beleid met betrekking tot mestbewerking op agrarische bouwvlakken. Dat betekent dat er alleen bewerking van mest mag plaatsvinden op een bouwvlak die ook afkomstig is van dat bouwvlak. Deze bewerking van ‘eigen’ mest is rechtstreeks planologisch toegestaan. Onder zeer strikte voorwaarden kan met een binnenplanse afwijking medewerking worden verleend aan mestbewerking van ander dan eigen mest. De voorwaarden hierbij zijn, conform het provinciaal beleid, streng.
2.8.6
Omschakeling
Het brede beleid voor vrijkomende agrarische bebouwing (het VAB-beleid) vormt geen onderdeel van dit bestemmingsplan. Dat beleid moet in een apart beleidskader worden vastgelegd. Dat beleid beperkt zich mogelijk niet alleen tot herbestemming, maar kan zich ook beraden op niet her te bestemmen opstallen. Ruimtelijke ontwikkelingen moeten bijdragen aan de kwaliteit van het landschap (provinciale regeling kwaliteitsverbetering van het landschap). Dit geldt ook voor VAB-locaties. Vrijkomende bebouwing mag niet onbeperkt voor alle denkbare functies gebruikt worden. Wij zetten in op ontstening van het buitengebied. Tenslotte moeten we ook de relatie met de bedrijventerreinen in de kernen in het oog houden. Dit bestemmingsplan biedt voor de meer voorkomende omschakelingen van agrarisch naar een andere functie wel een aantal standaardmogelijkheden. Bij de omschakelingsmogelijkheden voor agrarische bedrijven maken we onderscheid tussen de gebiedsaanduidingen. Hieronder wordt per gebiedsaanduiding beschreven wat wij, onder voorwaarden, voorstelbare functieveranderingen vinden in deze gebieden. In het primair agrarisch gebied bieden we ruimte aan ontwikkeling van agrarische bedrijven. Andere functies kunnen de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende bedrijven belemmeren. Om deze reden zijn we zeer terughoudend met functieveranderingen in dit gebied.
Alleen omschakeling naar een agrarisch technische hulpbedrijf vinden wij hier onder voorwaarden voorstelbaar. Het overig agrarisch gebied bestaat uit de komgronden die niet tot het primair agrarisch gebied behoren. Het open landschap kenmerkt nog het agrarisch gebruik. Doordat deze gebieden vaak dichter tegen kernen of bebouwingsconcentraties aan liggen, zijn ze meer geschikt voor functiemenging. Omschakeling naar andere functies vinden wij hier dan ook eerder voorstelbaar. Naast agrarisch technische en agrarisch verwante bedrijvigheid, vinden wij hier ook recreatieve activiteiten voorstelbaar. Dit is natuurlijk wel afhankelijk van de locatie van het initiatief. We kijken hierbij naar de opzet van het bedrijf, de bereikbaarheid en mogelijke belemmeringen in de omgeving.
Buitengebied Oss – 2020, pag. 45 van 148 vastgesteld
Voor het gemengd landelijk gebied zien we veel mogelijkheden voor omschakeling naar andere functies. Het gebied omvat de landschapstypen oeverwal, dekzandrand en dekzandrug. Deze landschapstypen zijn vaak aantrekkelijk voor toeristisch-recreatieve doeleinden. De oeverwal ligt langs de Maas, de dekzandrand en –rug liggen rond aantrekkelijke gebieden als de Maashorst, Landerij van Tosse en de Geffense Plas. Sportfuncties en zorgfuncties met woonvoorzieningen vinden we niet direct geschikt voor dit gebied. De afstand tot aan voorzieningen is vaak te groot. Deze functies passen beter in bebouwingsconcentraties of aan de randen van kernen. Zorg in de vorm van dagbesteding, maneges en horecavoorzieningen kunnen onder voorwaarden wel mogelijke nieuwe bestemmingen van agrarische bedrijven zijn. In de bebouwingsconcentraties en gebieden binnen 250 meter van de komgrenzen zien we veel mogelijkheden voor omschakeling van agrarische bedrijven. In deze gebieden is vaak al sprake van een zekere functiemenging. Het aandeel van de woonfunctie is in de meeste gevallen groot. Agrarische bedrijven hebben hier weinig tot geen ruimte voor uitbreiding. Omschakeling naar andere functies draagt dan ook bij aan de levendigheid in deze gebieden en vormt een aanvulling op bestaande voorzieningen.
Binnen bebouwingsconcentraties vinden we omschakeling voorstelbaar naar alle in bijlage 1 van de regels genoemde functies. Agrarisch technische hulpbedrijven vormen daarop een uitzondering. Deze functies hebben een behoorlijke impact op de omgeving. Gezien de aanwezigheid van woningen en andere activiteiten vinden we deze vorm van bedrijvigheid niet voorstelbaar. In de gebieden binnen 250 meter van de bebouwde komgrenzen vinden we naast agrarisch technische hulpbedrijven, ook sportfuncties niet direct voorstelbaar. Sportfuncties beschouwen we als meer stedelijke voorzieningen en horen bij voorkeur binnen de bebouwde kom thuis.
Wijze van bestemmen Agrarische gronden Bestaande agrarische percelen krijgen een agrarische bestemming. Afhankelijk van de voorkomende waarden is de bestemming ‘Agrarisch met waarden – Landschap’ of ‘Agrarisch met waarden – Landschap en natuur’. Gronden die niet feitelijk als agrarische percelen worden gebruikt, maar aansluitend aan woonbestemmingen liggen kunnen een agrarische bestemming krijgen. De agrarische bestemming dient dan mede ter voorkoming van ‘vertuining’. Agrarische bedrijven Bestaande (legale) agrarische bedrijfsbebouwing wordt voorzien van een bouwvlak. Daarbij geldt dat alle voorzieningen van het agrarische bedrijf komen te liggen binnen één agrarisch bouwvlak. In beginsel worden de bestaande planologische bouwvlakken overgenomen. Daar waar vergroting of vormverandering van het bouwvlak plaatsvindt, is de planologische aanvaardbaarheid met een ruimtelijke onderbouwing aangetoond. Nevenactiviteiten In een bijlage bij de regels zijn mogelijkheden voor nevenactiviteiten opgenomen. Met een binnenplanse procedure kan aan deze initiatieven medewerking worden verleend. Als het verzoek niet binnen deze mogelijkheden past moet een nadere afweging plaatsvinden. Omschakeling Een aantal concrete mogelijkheden voor omschakeling van een agrarisch bedrijf is opgenomen in wijzigingsbevoegdheden in dit bestemmingsplan.
Belangrijke voorwaarde daarbij is dat voor de omschakeling alle overtollige bebouwing moet worden gesloopt. Er kan maximaal 1000 m2 als nietovertollig worden verklaard.
Buitengebied Oss – 2020, pag. 46 van 148 vastgesteld
2.9
Natuur en water
2.9.1
Natuur
Bij de beschrijving van de natuurwaarden in Oss wordt de landschappelijke indeling aangehouden. Er is gebruik gemaakt van de gegevens van Het Natuurloket en lokale en provinciale gegevens. Uiterwaarden De natuurwaarden van de uiterwaarden liggen vooral in de oude meanders: zij vormen natte natuurgebieden met kruiden, wilgenstruweel en riet. Hier is stroomdalflora te vinden, een soortenrijke vegetatie op de zanderige hogere delen van de waard met soorten als kruisdistel, kattedoorn en beemdkroon, geel walstro. De uiterwaarden zijn belangrijke gebieden voor natuurontwikkeling. Door de natuurontwikkelingsprojecten is het leefgebied van de bever sterk verbeterd en uitgebreid. Ook de das komt in de uiterwaarden voor. Het aantal bevers, dassen en reeën breidt zich in dit gebied uit. De Maasuiterwaarden zijn een belangrijk broed- en foerageergebied voor watervogels, weidevogels en ganzen. Wintergasten zijn smient, kolgans en rietgans. Ook als broedgebied voor weidevogels/steltlopers hebben de uiterwaarden betekenis, vooral bij de nieuwe natuurontwikkelingsgebieden als Hemelrijkse waard met veel slikoppervlak, de gradiënt nat en droog. Langs de randen tussen de basaltblokken van de oeverbekleding komt de rivierdonderpad veelvuldig voor. Daarnaast komen in de stilstaande wateren mogelijk de grote modderkruiper en kamsalamander voor.
Verder zijn typische ‘stroomdalplanten’ zoals geel walstro, kattendoorn en kruisdistel aanwezig. Deze bijzondere flora heeft positieve effecten op allerlei soorten insecten, waaronder bijvoorbeeld dagvlinderpopulaties. De ondiepe wateren met hun vegetatie, bijvoorbeeld in de dode Maasarm bij Keent, ontwikkelen zich tot belangrijke paaiplaatsen voor vissen als de snoek. Natuurontwikkelingsgebieden in de uiterwaarden zijn onder andere Keent, de Middelwaard, de Diedense Uiterdijk, Ossekamp / De Waarden, Hemelrijkse Waard, Lithse Ham en de Kesselse Waard. Aan de buitendijkse kant zijn meerdere (restanten van) wielen aanwezig. Veel van deze wielen zijn met de Maaswerken van de jaren ’30 (20e eeuw) opgevuld. Oeverwal Op de oeverwal zijn de belangrijkste natuurwaarden te vinden in de bosjes, struwelen en boomgaarden rondom de dorpen. De steenuil is een typische hier voorkomende soort van het kleinschalige landschap. Ook vleermuizen zijn hier veel aangetroffen. Het gebied is verder belangrijk voor struweelvogels. Lokaal komen marterachtigen voor. Langs de dijken aan de komzijde is een aantal wielen te vinden. De meeste zijn inmiddels opgeknapt en in een meer natuurlijk beheer genomen. Met name de grote modderkruiper is een soort die zich hier gevestigd heeft. De dijken zijn veelal in gebruik als graslanden. Lokaal zijn bloemrijke ruigtes aanwezig.
Hier komen onder andere vlinders voor zoals het bruin blauwtje. Daarnaast zijn dijken belangrijk voor stroomdalflora. Komgebied Vanwege de openheid is het gebied belangrijk voor weidevogels, zoals kievit, scholekster, tureluur en grutto en overwinterende watervogels. Bij de Hertogswetering zijn weidevogelgebieden aangewezen. Door het intensief agrarisch gebruik, de daarmee gepaard gaande ontwatering en ook door de aanwezigheid van opgaande beplanting is de biodiversiteit in de polder de afgelopen decennia aanzienlijk afgenomen en neemt het aantal weidevogels af.
Buitengebied Oss – 2020, pag. 47 van 148 vastgesteld
De komgronden zijn belangrijk als overwinteringsgebied voor ganzen en zwanen. Er is een groot ganzenfoerageergebied aangewezen. De botanische waarden zijn in het agrarische gebied beperkt tot oevers van watergangen en perceelranden. De grote pimpernel is een bekende voorkomende plantensoort. In het komgebied komen enkele kleine bosjes (eendenkooien en het waterwinbosje) voor. De Hertogswetering wordt in 2018 -2020 doorontwikkeld tot ecologische verbindingszone (met moeras). Deze verbindingszone is al voor een aanzienlijk deel gerealiseerd. Hier rusten smienten en krakeenden en broedt bijvoorbeeld de patrijs. Langs de Hertogswetering komen riet- en moerasvogels zoals bruine kiekendief, rietgors en kleine karekiet voor. Het natuurgebied ten westen van de Lithse Kooi, de Ganzeweide, bestaat uit natte laagtes. Dit is een belangrijk foerageergebied voor vogels als bijvoorbeeld de grutto. De eendenkooien zijn van belang voor kleine zoogdieren en struweelvogels. Ook vossen en buizerds voelen zich hier thuis. In de polders komen vissoorten als grote modderkruiper, bermpje en kleine modderkruiper voor. Om de biodiversiteit in de polder de plek te geven die het decennia geleden had, is de natuuropgave nog groot. Dekzandrand Door de kwel in dit gebied komen waardevolle vegetaties in en langs de sloten voor.
Op de overgang van zand naar klei komen waardevolle planten en plantengemeenschappen voor. Een voorbeeld van een bijzondere plantensoort die hier voorkomt is de drijvende waterranonkel. Vooral tussen Herpen en Koolwijk bevindt zich een groot kalkrijk kwelgebied. Ook hier komen dassen voor. Doordat in dit gebied veel kwelwater uit de hogere zandgronden omhoog komt, is het gebied grotendeels in lange, smalle kavels met slootjes opgedeeld, loodrecht op de hogere dekzandrug. Ten zuiden van Berghem zijn fraaie overblijfselen zichtbaar van lijnvormige houtwallen op de kavelgrenzen. Een smalle ‘landschapszone’ van Herperduin naar de Hertogswetering (bij Koolwijk) verbindt de zandmet de kleigebieden. De waardevolle oude bomen langs oude wegen herbergen vaak bijzondere diersoorten, zoals uilen en vleermuizen. Dekzandrug In het bosgebied Maashorst-Herperduin komen onder andere de das en de vos voor. Bij de vennen komen soorten als kleine zonnedauw, veelstengelige waterbies, veenpluis en buntgras voor. Andere waardevolle flora zijn oeverkruid, moeraswolfsklauw, moerashertshooi en witte waterranonkel. Bijzondere insectensoorten die hier voorkomen zijn tengere pantserjuffer, bruine winterjuffer, venwitsnuitlibel, parelmoervlinder, bruin blauwtje en sikkelsprinkhaan.