Bijlage 2 - Eindevaluatie Proeftuin Ruwaard.PDF
Tekst van het document
4.3
Toegang in Oss
De toegang in Oss heeft een belangrijke rol in het doorverwijzen van inwoners naar de juiste instantie. Uitgezocht is hoe de medewerkers bij Toegang de SWW ervaren en of zij verschillen zien tussen de proeftuin/Ruwaard en andere wijken. Toegang krijgt de meeste telefoontjes met hulpvragen binnen. Dit kunnen vragen van inwoners zijn of beroepskrachten met een vraagstuk of signaal. Toegang hoort eerst het vraagstuk aan en vraagt vervolgens naar de desbetreffende postcode. In alle wijken worden vragen betreffende een woonvoorziening, vervoersvoorziening of huishoudelijke hulp doorgezet naar WMO-consulenten. In Ruwaard worden andere vragen, inclusief vragen over begeleiding en dagbesteding, doorgegeven aan het Sociaal team. In andere wijken worden vragen over begeleiding en dagbesteding doorgezet naar Wmo-consulenten (voor een beschikking) en de overige vragen naar het Sociaal team. Deze werkwijze van doorverwijzen loopt inmiddels. Dit betekent overigens niet dat alle medewerkers van Toegang al geschoold zijn in de SWW. De gemeente is nog bezig met een scholingstraject SWW voor Toegang en de Wmo-consulenten. Nu wisselt de kennis per medewerker. Het scholen van alle medewerkers kan de bijdrage van Toegang en de Wmo-consulenten in de SWW versterken. Sommige proeftuinpartijen hebben ook aangegeven dit wenselijk te vinden.
Uit de gesprekken met medewerkers van de toegang blijkt dat de aanpak uit de Ruwaard enkele voordelen heeft: ‘Wanneer het sociaal team een vraag oppakt wordt deze vanuit verschillende invalshoeken benaderd. Zo kan er vanuit diverse perspectieven een probleem geanalyseerd worden en vanuit veel achtergronden gezocht worden naar een oplossing. Omdat het sociaal team in de Ruwaard ook vragen omtrent dagbesteding en of begeleiding oppakt zal ook hiernaar multidisciplinair gekeken worden. Zo komt men sneller tot de kern van het vraagstuk en is het makkelijker om kwesties in samenwerking tussen maatschappelijke partijen op te pakken.’ De rol van het Sociaal team in Ruwaard is dus groter dan in andere wijken. Hierdoor kan de SWW op meer casussen worden toegepast. Dat heeft in elk geval als voordeel dat er vanuit diverse expertises naar een vraag gekeken wordt en de passende expertise/organisatie makkelijker ingezet kan worden. Ondanks de grotere rol van het Sociaal team zijn de wachttijden in Ruwaard doorgaans kleiner dan in andere wijken (begin november is de wachttijd in de Ruwaard 4 weken en in andere wijken 6 à 10 weken). Dit valt te verklaren door de andere werkwijze van het sociaal team in Ruwaard. In Ruwaard pakken ook andere organisaties casussen op. Als er al een zorgaanbieder betrokken is bij de inwoner, dan organiseert deze zorgaanbieder een Samenwerkoverleg (SO).
Als de vraag past bij de expertise van een van de andere proeftuinorganisaties, dan vraagt het Sociaal team die organisatie om het intakegesprek te doen en indien nodig een SO te organiseren. De samenstelling van de sociale teams
22
zijn in Oss min of meer gelijk en bestaan de sociale teams uit een multidisciplinair team vanuit Ons Welzijn (jeugd, ouderen), een wijkverpleegkundige en consulenten van de gemeente (W&I, Wmo, Schuldhulpverlening). Het sociaal team kan een beroep doen op het kernteam (geen vast onderdeel van het sociaal team) waar onder andere de woninbouwcorporatie en de politie in is vertegenwoordigd. In de proeftuin wordt volgens de geïnterviewden sneller en vaker geschakeld tussen organisaties. Inwoners komen op deze manier sneller bij de juiste organisatie(s) terecht. In andere wijken is dit minder vanzelfsprekend. De lagere wachttijden komen niet door een andere omvang van het Sociaal team in Ruwaard. De omvang van het team is kleiner dan het team in Schadewijk, maar groter dan in andere wijken. Deze omvang wordt gebaseerd op het aantal vragen dat een team krijgt en hangt (dus) samen met de aard van de wijk.
4.4
Voorbeelden integrale samenwerking proeftuin
In deze paragraaf worden enkele voorbeelden uit de proeftuin beschreven waarbij de integrale aanpak een belangrijke rol speelt. Zoals deze voorbeelden laten zien, zijn de effecten op het eerste gezicht positief, maar blijkt dat het ondanks de positieve effecten niet makkelijk is de aanpak structureel te borgen.
4.4.1 Urgentieplusregeling / Uitstroom beschermd wonen Voor mensen die van een beschermde woonplek naar een gewone huurwoning willen verhuizen zijn betrokken partijen in de regio Brabant Noordoost-Oost een urgentieplusproces aan het inrichten met alle woningcorporaties en gemeenten in de regio. Dit proces wordt de opvolger van de Urgentieplustafel die als voorloper vanaf 1 maart 2021 officieel is gestart met een aantal partijen in Oss zoals BrabantWonen, Verdihuis en ONS Welzijn. Omdat het zo moeilijk is voor deze doelgroep voldoende woningen te creëren, is het van belang om breder afspraken te maken om de doorstroom en uitstroom uit opvangvoorzieningen op gang te krijgen. Het doel is afspraken maken zodat de uitstroom naar de wijk duurzaam en met voldoende steunstructuren geregeld kan worden. In plaats van een aparte beoordelingscommissie, is het doel aan te sluiten op samenwerkvormen en lokale werkwijzen zoals de samenwerkwijze in Oss. Randvoorwaarden om uitstroom goed te laten verlopen zijn o.a. het zorgen voor kwalitatief goede uitstroomplannen en steunstructuren in de wijk, waarbij alle partijen betrokken worden. Insteek van de in maart 2021 gestarte Urgentieplustafel is dat de aanbieder van beschermd wonen voorafgaand aan de toetsingscommissie met de inwoner een samenwerkplan maakt waarin staat wat er nodig is om het zelfstandig wonen mogelijk te maken.
Hiermee wordt de professional die de inschatting wat iemand aankan kan maken, medeverantwoordelijk. In dit plan moet integraal worden gekeken: het netwerk moet zijn betrokken, financiën/werk, huisvesting. Op deze manier is de samenwerkwijze vervlochten in de aanpak. Aan deze Urgentieplustafel nemen het Verdihuis, Brabant Wonen, Ons Welzijn en de gemeente Oss met een onafhankelijk voorzitter een besluit over wie hiervoor in aanmerking komt. In totaal zijn er 48 aanvragen (zie tabel) behandeld in 2021. “Na een tijd in het Verdihuis ging het gelukkig een stuk beter en kon ik gaan denken aan op mezelf wonen. In een SO heb ik gezegd dat het tijd was voor een eigen plek en via een plaatsing op de Urgentielijst is het gelukt om een eigen plek te krijgen. Hierdoor kan ik weer stappen vooruit gaan zetten”. In de loop van 2021 werden knelpunten ervaren. Gebleken is dat er regelmatig onvoldoende integrale (duurzame) ondersteuning is georganiseerd voor de inwoner, waardoor er risico’s ontstaan voor
23
duurzame uitstroom. Het ontbreekt dan aan kwalitatief goede uitstroomplannen. Sommige partners hadden nog geen ervaring in de SWW. Gevolg is dat aanvragen werden afgewezen en de uitstroom stokte. De gemeente hecht aan een goede doorstroom en wil in deze fase cliënten met een beperkt plan minder snel een afwijzing voor uitstroom uit Beschermd wonen geven. Ons Welzijn vindt dit een gemiste kans: ‘Het gevaar bestaat dat dit draaideurcliënten worden. Als er geen goed plan is, dan komt de problematiek uiteindelijk toch bij Ons Welzijn terecht. Deze wijze van besluitvorming, waar de gemeente eenzijdig de aanpak wijzigt, past niet bij de proeftuin en de SWW.’ De gemeente ziet dit anders en wil de ontwikkeling tijd geven. Dit voorbeeld toont aan dat het soms lastig is dat proeftuinpartijen in principe gelijkwaardige partners zijn, maar een andere positie hebben, waardoor de gelijkheid in elk geval niet altijd wordt ervaren. De Urgentieplustafel wordt wel gecontinueerd en partners die geen ervaring hebben in de SWW worden via het Leerhuis getraind. Als de werkwijze voldoende is ingebed, is het nog steeds de bedoeling dat de aanpak in de hele regio wordt uitgerold. Status aanvragen urgentieplus 2021 In behandeling Toekenning Afwijzing Ingetrokken Totaal
Status op 31 augustus 2021 7 17 18 6 48
De meeste aanvragen (15) komen van het Verdihuis. Onderstaande tabel laat de redenen voor afwijzing zien: Reden afwijzing Financiën niet op orde Kamer is goed alternatief Onvoldoende onderbouwd Onvoldoende aangetoond zelfstandig te kunnen wonen/niet toe aan een woning Buiten de regio Geen urgent woonprobleem Enkelvoudig woonprobleem/voldoet niet aan criteria Urgentieplus
Aantal aanvragen 2 2 2 7
1 3 1
Ook aan de voorkant, waar de gemeente bepaalt of iemand recht heeft op een beschermd woonplek, zou de SWW een preventieve rol kunnen hebben. In een Samenwerkoverleg kan worden gekeken of er laagdrempeliger zorg en ondersteuning kan worden ingezet om een beschermd woonplek te voorkomen. Dit is nog niet standaard in de aanpak opgenomen en daarom niet onderzocht in deze eindevaluatie.
4.4.2 Verbinding Justitie en sociale domein: Koers en Kansen Het project Koers en Kansen betreft de verbinding van Proeftuin Ruwaard met de justitiële keten. Het overkoepelende doel is bij te dragen aan een veilige, vitale wijk, waarin inwoners een betere positieve gezondheid ervaren en participeren in de samenleving. Op projectniveau betekent dit het leggen van een verbinding tussen de organisaties in Proeftuin Ruwaard en de justitiële keten. De verbinding heeft als beoogd effect dat professionals van de deelnemende organisaties elkaar weten te vinden om
24
samenwerking te kunnen laten plaatsvinden, dat de organisaties leren van elkaars taal en werkwijze en dat recidive wordt verminderd. Het project richt zich op inwoners uit de wijk Ruwaard die verdacht worden van het plegen van een strafbaar, ZSM5 waardig feit. Het pilotproces start als een zaak vanaf de ZSM tafel of de backoffice van de reclassering naar de pilot wordt doorgezet. De Reclassering (of in het geval van een minderjarige de Raad voor de Kinderbescherming) neemt contact op met de verdachte, introduceert de samenwerkwijze en vraagt de verdachte om toestemming voor het delen van informatie en het organiseren van een SO (Samenwerkoverleg). Dit project is onderzocht en een uitgebreide beschrijving inclusief bevindingen en resultaten zijn in een rapport gepubliceerd6. ‘Samengevat lijken de 22 deelnemende casussen te duiden op effectiviteit van de werkwijze; wanneer aan de voorkant samenwerking plaatsvindt tussen het sociaal domein en de justitiële keten, gaan inwoners na het plegen van een delict minder snel opnieuw de fout in. De samenwerking tussen domeinen maakt dat er een kwalitatief beter advies kan worden gegeven. Daarnaast kan direct lokale hulpverlening worden georganiseerd. Hoewel er geen harde conclusies kunnen worden getrokken, zijn de bevindingen tot nu toe wel positief en geven zij aanleiding om verder te experimenteren met deze werkwijze.
Om deze werkwijze voort te zetten, breder te implementeren en te borgen binnen de organisaties en systemen, zijn echter nog wel een aantal dingen nodig. De belangrijkste aandachtspunten daarbij zijn de bekendheid binnen organisaties en bij professionals en de wijze van financiering.’ Uit een tweede onderzoek 7 komt aanvullend hierop een belangrijk knelpunt naar voren: ‘Heel duidelijk is naar voren gekomen dat het op diverse gebieden schuurt tussen project en organisatie en tussen opdracht en ruimte. Over de toekomst zijn alle professionals van mening dat het project moet worden voortgezet en uitgebreid. Wel is men huiverig voor de organisatie hiervan. Hoe groter de schaal, hoe groter de kans op ‘overregulering’ en met dichtgetimmerd beleid vreest men het verdwijnen van de vrije ruimte van de professionals. De reclassering zal strategische keuzes moeten maken over de toekomst van de samenwerking in dit project en de vervolginzet aan het einde ervan. De veranderde financiering binnen Reclassering Nederland betekent dat er alleen maar inzet gepleegd kan worden als er een opdracht aan ten grondslag ligt. Dit schuurt met het afgesproken werkproces van de Verbinding. Daar wordt namelijk ook ingezet op cliënten waarbij mogelijk geen justitieel traject volgt.
Reclasseringsbelang is in die gevallen niet de enige afweging, het belang van inzet voor de (vermeende) problematiek van een cliënt en/of het wijkbelang wordt ook afgewogen.’ Om de integrale aanpak duurzaam te borgen zijn ook financiële afspraken nodig tussen de domeinen. Als de extra inzet vanuit welzijn recidive voorkomt, dan bespaart dat kosten bij justitie. Maar het is nog niet mogelijk gebleken hier afspraken over te maken.
4.4.3 Verbinding medische zorg en sociaal domein voor palliatieve zorg en begeleiding thuis Uitbehandelde patiënten (65-85 jaar) met chronisch hartfalen en COPD blijken niet altijd de zorg te krijgen die is gericht op kwaliteit van leven. Daarom wordt de Samenwerkwijze in concrete casuïstiek
5 De ZSM aanpak is voor zaken waarbij een verdachte is aangehouden voor een licht misdrijf zoals diefstal of vernieling. Op
een ZSM-locatie kan de officier van justitie dan snel beslissen wat er met de zaak gebeurt. ZSM staat voor Zorgvuldig, Snel en op Maat. 6 Eindrapportage verbinding Proeftuin Ruwaard en de justitiële keten (augustus 2021). 7 Willen, kunnen en nodig hebben. Onderzoek van Reclassering Nederland naar de samenwerking met de Proeftuin Ruwaard – 2020/2021 (Y. Edens - Reclassering Nederland september 2021).
25
ingezet en wordt in het project gewerkt aan een samenhangend netwerk, het versterken van de eigen regie en het ontwikkelen van een patiëntenpad met scenario’s voor proactieve zorgplanning. Dit project is door corona vertraagd en vooralsnog niet opnieuw opgestart. De integrale aanpak maakt het opnieuw opstarten ook moeilijker. Dit project kan daarom nog geen resultaten laten zien.
4.4.4 Afdeling Werk & Inkomen Oss werkt ook volgens de Samenwerkwijze De afdeling Werk & Inkomen (W&I) heeft de Samenwerkwijze omarmd. Veel medewerkers zijn inmiddels geschoold en de SWW wordt standaard gebruikt. ‘Nieuwe instromers’ krijgen een intakegesprek, waarna een profiel wordt vastgesteld, waarin de afstand tot de arbeidsmarkt wordt bepaald. Met behulp van de Samenwerkwijze wordt het vervolg bepaald. Dit houdt concreet in dat er een of meer gesprekken plaatsvinden waarin gevraagd wordt hoe de inwoner erbij zit, hoe zijn netwerk eruitziet en wat de inwoner wil, kan en nodig heeft. Deze uitvraag is levensbreed en niet beperkt tot werk en inkomen. Vervolgens kan een Samenwerkoverleg nodig zijn, de inzet van SEC, coaching, een arbeidstraining, een proefplaatsing, psychische begeleiding, etcetera. Bij inwoners die niet kunnen werken en de bijstand ingaan wordt periodiek, minimaal één keer per jaar gecheckt of iemand nog recht heeft op bijstand en wat meedoen betekent. De SWW wordt ingezet op de nieuwe instroom en inmiddels ook voor mensen die al een bijstandsuitkering ontvangen. Ambitie is dat de inwoners in Oss meedoen aan de samenleving. Vanuit de afdeling wordt ingezet op (arbeids)participatie door het verbeteren van de persoonlijke levenssituatie. Kan een inwoner dat niet op eigen kracht, dan wordt gekeken naar de juiste ondersteuning.
Inwoners worden gemotiveerd om mee te doen door het geven van individuele aandacht vanuit één contactpersoon, het opbouwen van vertrouwen, het breed over de leefgebieden heen kijken en het versterken van het geloof in eigen kunnen. De werkende principes van de SWW worden hierbij gebruikt. Ter borging en kwaliteitsimpuls zitten de medewerkers in ontmoetingen waarin ze de SWW bespreken en via actieleren komen tot een handelingskader. De basis is er, maar de afdeling W&I moet echter ook nog een slag maken, blijkt uit gesprekken met zowel de manager als enkele medewerkers. Van oudsher is W&I meer gericht op het eigen domein. De omslag naar het meenemen van andere domeinen is nog niet (volledig) gemaakt. Het monitoren van effecten kan medewerkers gaan overtuigen. Tegelijkertijd wordt ook aangegeven dat deze verbreding niet altijd nodig is. Er zijn ook veel enkelvoudige vragen, veel tijdelijke uitkeringen. De uitdaging is om die inschatting correct te maken. Er is nog geen registratie om de effecten van de SWW te monitoren. Het registratiesysteem van de gemeente is hier niet op ingericht, mede omdat de wijkgerichte aanpak pas recent is ingevoerd. Gekeken is of op basis van bestaande cijfers van de gemeente conclusies kunnen worden getrokken over de effecten van de Samenwerkwijze op de resultaten van de afdeling Werk & Inkomen. Hiervoor zijn de cijfers per wijk handmatig uitgezocht.
In bijlage 5 zijn de resultaten weergegeven. Geconcludeerd moet worden dat er op dit moment nog geen conclusies uit kunnen worden getrokken. De registratie is te globaal, het volume te klein en de tijd relatief kort. Wel kan het een opstart zijn naar een passende registratie. Aanvullend op de bestaande data is interessant welke beoordelingen er uit de eerste gesprekken met de inwoner komen, welke ondersteuning wordt ingezet en in hoeverre deze ondersteuning effect heeft. Een specificatie per wijk is op termijn minder noodzakelijk aangezien de SWW zowel in de hele afdeling Werk & Inkomen wordt uitgerold als in heel Oss. De verschillen tussen de aanpak per wijk worden hiermee op termijn verwaarloosbaar. De samenwerking tussen de afdeling W&I en de afdeling Zorg loopt op consulentenniveau goed. De professionals weten elkaar goed te vinden. Op het gebied van processen, registratie, verslaglegging en formats is nog winst te behalen, geeft een manager aan: “Dit zou veel klantvriendelijker kunnen. We zouden toe moeten groeien naar één integraal plan voor de inwoner, zodat de inwoner slechts éénmaal zijn verhaal hoeft te doen en de problematiek integraal opgepakt kan worden. Eén regiesysteem waar door de verschillende afdelingen in kan worden gewerkt en waar de inwoner ook toegang toe heeft, zou een grote verbetering zijn.”
26
4.4.5 Jeugd Sinds januari 2019 wordt geëxperimenteerd met het inzetten van de Samenwerkwijze in het jeugddomein. Bij (zorg)vragen van (gezinnen met) kinderen en jongeren zijn in veel gevallen meerdere organisaties nodig om een passende oplossing te bieden. Vaak is de afstemming tussen de verschillende zorgorganisaties onvoldoende en ervaren inwoners beperkt regie en overzicht, geven enkele geïnterviewde professionals en managers aan. Het inzetten van de Samenwerkwijze zou dit kunnen verbeteren. Hierdoor kan de zorg verbeteren en kunnen de problemen op volwassen leeftijd mogelijk verminderen. In 2020 zijn vier jeugdcasussen aan de hand van micro-analyses onderzocht8. De resultaten hiervan zijn samengevat: • Het gebruik van de Samenwerkwijze, voornamelijk de inzet van een Samenwerkoverleg, wordt door de cliënt, ouders en beroepskrachten als positief ervaren. Cliënten en naasten voelen zich gehoord en serieus genomen en ervaren de betrokkenheid van alle verschillende partijen direct. Beroepskrachten krijgen een beter beeld van de context van een casus en meer inzicht in de rol van andere beroepskrachten. Dit draagt bij aan een betere afstemming en het samen vinden van een beter passende oplossing. • Het welbevinden van cliënt en ouders is na de proeftuinoplossing gestegen met 1 tot 2 punten. Dit blijkt ook na zes maanden nog het geval.
De vier gekozen casussen zijn echter geen ‘doorsnee’ jeugdcasussen, zodat we voorzichtig moeten zijn met het trekken van conclusies. • De maatschappelijke kosten na inzet van de Samenwerkwijze variëren per casus, van een (forse) toename tot gelijkblijvende kosten of tot een afname. Bij twee casussen is door professionals ingeschat dat de situatie in de gezinnen zou verslechteren zonder proeftuin waardoor de maatschappelijke kosten zouden zijn gestegen met ruim een ton per gezin (kosten multiprobleemgezin). Ook denkbaar is dat bij jeugdcasussen de maatschappelijke opbrengsten op langere termijn hoger zijn. Dit is echter niet onderzocht. Op basis van deze micro-analyses kunnen geen conclusies worden getrokken over het maatschappelijk rendement van de Samenwerkwijze in de jeugdzorg. Inmiddels is gebleken dat het implementeren van de Samenwerkwijze in het jeugddomein is gestagneerd. Jeugdprofessionals met specifieke expertise zijn vaak moeilijker in te zetten. Dit komt door wachttijden in de jeugdzorg en doordat de meeste jeugdzorgaanbieders niet verbonden zijn aan de proeftuin. Ook gelden er soms andere kaders, zoals daar waar Veilig Thuis een rol speelt. Dit vraagt dan om een andere wijze van monitoren en verantwoorden.
4.5
Conclusie
Samengevat zijn professionals erg positief over de integrale manier van werken in de proeftuin en de oplossingen die hierdoor worden gevonden. Niet meer denken vanuit je eigen expertise, kader en financiering, maar met de inwoner kijken naar wat nodig is. Professionals die eenmaal de voordelen van deze manier van werken hebben ervaren, willen niet meer anders. Deze professionals zijn erg positief over de proeftuin en hebben inmiddels vaak een rol als aanjager van de proeftuin. Professionals met verschillende expertise weten elkaar goed te vinden en te betrekken in de proeftuin. Dit wordt gezien als een grote meerwaarde. Daarnaast zijn er enkele concrete projecten en ontwikkelingen die de samenhang tussen de domeinen wil bevorderen. De Urgentieplusregeling en Koers en Kansen (justitie) laten zien dat het zinvol is om domeinen met elkaar te verbinden. Daarnaast zijn er ook uitdagingen in beide projecten. Ook in het 8
Rapportage micro-analyses verbreding Samenwerkwijze Jeugd. Resultaten en ervaringen (Jet van Ballegooij, oktober 2020).
27
jeugddomein zijn er uitdagingen en komt samenwerking niet automatisch tot stand. Dit vraagt de komende periode extra inzet, ook omdat veel organisaties in het jeugddomein niet verbonden zijn aan de proeftuin. Wat een uitdaging voor de volgende fase is, is om ook financiële stromen over de domeinen heen te verbinden. Zowel professionals als managers geven aan dat ook uit de niet-Wmo domeinen financiële beschikbaarheid nodig is, zodat partijen uit deze domeinen beschikbaar zijn. Daarnaast is het nodig om substitutie te financieren. Investering aan de voorkant of in welzijn zal immers niet alleen leiden tot besparingen in Wmo zorg, maar ook in de Wlz, Zvw, justitiële uitgaven, uitkeringen, en dergelijke (zie substitutie, paragraaf 6.1.5). De scholing in de SWW van Toegang en de afdeling Werk & Inkomen dragen bij aan betere inbedding van de integrale manier van werken in Oss. Het onderscheid tussen Ruwaard en andere wijken wordt daarmee ook kleiner. Tegelijkertijd vraagt de omslag tijd en zal er de komende tijd nog fors geïnvesteerd moeten worden om de SWW duurzaam te borgen in Oss.
5
Meer mensen helpen voor hetzelfde geld
Om te beoordelen of de proeftuin meer mensen helpt voor hetzelfde geld wordt in dit hoofdstuk gekeken naar: • De ontwikkeling van de subsidie, de daadwerkelijke kosten, de ureninzet en het aantal cliënten in de proeftuin (5.1). • De verschillen in uitgaven en aantal cliënten tussen proeftuin en niet-proeftuin (Ruwaard), Oss en tien omringende gemeenten (5.2). • De kostenontwikkeling op microniveau, oftewel de uitkomsten van de micro-analyses (5.3).
5.1
Kosten, uren en cliënten in de proeftuin
In 2020 zijn de kosten per organisatie in de Proeftuin in beeld gebracht en zijn de ontwikkeling van de kosten vergeleken met de ontwikkeling van de (Wmo-)kosten buiten de Proeftuin. Vanaf 2020 worden de kosten gemonitord volgens het Nza-model. Dit gaat op termijn meer inzicht geven in de mate van substitutie die wordt bereikt in de Proeftuin. In onderstaande tabellen zijn de subsidie, de daadwerkelijk bestede uren en kosten en het aantal cliënten (waar beschikbaar) weergegeven. De indexatie van de subsidie is opgenomen in de tabellen. Tabellen Kosten, uren en cliënten per organisatie9 Brabant Subsidie Kosten Zorg10 2018 € 658.163 € 792.114 2019 € 663.024 € 747.011 (-5,7%) 2020 € 685.270 € 720.232 (-3,6%)
Uren 24.579 24.203 22.941
GGZ OB
Subsidie
Kosten
Uren
2018 2019 2020
€ 24.462 € 24.829 € 375.47011
€ 151.632 € 217.805 (+43,6%) € 279.424 (+28%)
2.163 2.751 3.492
Aantal cliënten 274 331 332 Aantal cliënten Niet beschikbaar
9 De gegevens zijn door de individuele organisaties aangeleverd. 10 Betreft subsidie en kosten voor huishoudelijke hulp, begeleiding en dagbesteding. 11 GGZ Oost-Brabant ontvangt in 2020 en 2021 het budget voor de besparing van zes bedden Beschermd wonen (€ 350.000)
voor de extra inzet in de proeftuin. Er moet nog een besluit worden genomen over de langere termijn (na 2021).
28
JIJ A&C
Subsidie
Kosten
Uren
2018 (50%) 2019 2020
€ 43.756 € 88.824 € 91.116
€ 38.600 € 95.000 (+23%) € 93.400 (-2,1%)
772 1.400 1.868
Pantein
Subsidie
Kosten
Uren
2018 2019 2020
€ 89.760 € 91.106 € 93.457
€ 86.620 € 134.282 (+55%) € 144.679 (+7,7%)
1.808 1.493 2.282
UniK
Subsidie
Kosten
Uren
2018 2019 2020
€ 244.668 € 248.340 € 254.747
€ 297.625 € 326.168 (+9,6%) € 181.540 (-54,2%)
4.279 4.784 3.655
Ons Welzijn 2018 2019 2020
Subsidie
Kosten
Uren
€ 622.000 € 631.330 € 647.618
Niet beschikbaar Niet beschikbaar € 826.357
10.425
Aantal cliënten 13 19 21 Aantal cliënten 31 45 51 Aantal cliënten 55 55 43 Aantal cliënten Niet beschikbaar
De subsidie is (met uitzondering van de indexatie en met uitzondering van GGZ Oost-Brabant) gelijk gebleven, terwijl het aantal cliënten bij de organisaties die dat registreren met 20% is toegenomen. Bij deze organisaties geldt dus dat er meer mensen worden geholpen met hetzelfde budget. De daadwerkelijk gemaakte kosten zijn echter wel toegenomen. Organisaties hebben deze extra kosten zelf bekostigd met andere middelen. De zorgzwaarte van de ingezette zorg is niet bekend. Van Ons Welzijn en GGZ Oost-Brabant zijn er geen gegevens over cliëntaantallen. Wel is bekend dat de expertise van de GGZ regelmatig wordt ingezet in de proeftuin. Ons Welzijn maakt ook de inschatting dat zij meer mensen zijn gaan ondersteunen in de Ruwaard. De teamcoördinator geeft aan: ‘De Haard en de profilering in de wijk heeft een aanzuigende werking. In de Haard hebben we nu op drie dagen een inloopspreekuur waar veel inwoners naartoe komen. Deze mensen zijn meteen geholpen of krijgen een goede doorverwijzing’ (zie paragraaf 3.2). De organisaties, die meer cliënten helpen met gelijkblijvende subsidie, geven echter wel aan meer kosten te maken dan zij gesubsidieerd krijgen. Alleen UniK maakt in 2020 minder uur dan op basis van hun subsidie verwacht had kunnen worden. Als verklaring geven zij aan dat de inzet door corona en de lockdown lager dan normaal was.
Ons Welzijn lijkt aanzienlijk meer kosten te maken dan op basis van hun subsidie te verwachten valt. Dat komt omdat Ons Welzijn naast de (wijkgerichte) subsidie van de proeftuin ook subsidies krijgt voor projecten in heel Oss. Van die subsidies wordt ook een deel besteed in de Ruwaard. Die kosten staan ook in de tabel.
29
5.2 Kosten en cliënten Ruwaard niet-Proeftuin, rest van Oss en omringende gemeenten In deze paragraaf worden de kosten en cliënten vergeleken tussen proeftuin en niet-proeftuin in Ruwaard12, heel Oss13 en tien omringende gemeenten14. Er is met name informatie beschikbaar over de geïndiceerde voorzieningen begeleiding en dagbesteding. Data over huishoudelijke hulp (HH) is niet op cliëntniveau beschikbaar. Ook de organisaties in de proeftuin die begeleiding en dagbesteding bieden, registreren nog steeds het aantal cliënten en uren voor deze diensten. Hierdoor is het goed mogelijk de ontwikkeling van de kosten en de cliënten te vergelijken en te beoordelen of er in de proeftuin meer mensen worden geholpen met hetzelfde geld dan elders. Over de zorgvorm en zorgzwaarte is geen informatie bekend bij de proeftuinpartijen, dus dat is niet meegewogen bij de analyse. Informatie over zorgvormen en zorgzwaarte is wel bekend bij de niet-proeftuinpartijen (zie pagina 33). Dat is van belang om te analyseren of er verschuiving is van zwaardere zorgvragen tussen proeftuin en niet-proeftuin. Vergelijking begeleiding en dagbesteding proeftuin en niet-proeftuin in Ruwaard
Begeleiding aantal cliënten proeftuin en nietproeftuin Ruwaard 140
Kosten begeleiding Ruwaard €1,000,000 €800,000 €600,000
120 100
€400,000
80
€200,000
60 €0
40
2016
20
2017
2018
2019
2020
subsidie proeftuin
0 2016
2017
Proeftuin
2018
2019
2020
Niet-proeftuin Ruwaard
kosten proeftuin kosten niet-proeftuin
12 Deze data is door de gemeente aangeleverd. 13 Wmo monitorrapportage Brabant Noordoost-Oost. 14 Wmo monitorrapportage Brabant Noordoost-Oost.
30
Aantal cliënten dagbesteding proeftuin en niet-proeftuin Ruwaard 70 60 50 40 30 20 10
Kosten dagbesteding Ruwaard €500,000 €450,000 €400,000 €350,000 €300,000 €250,000 €200,000 €150,000 €100,000 €50,000 €0 2016
0 2016
2017
Proeftuin
2018
2019
2020
2017
subsidie proeftuin
Niet-proeftuin Ruwaard
2018
2019
2020
kosten proeftuin
Niet-proeftuin
Inzichtelijk wordt dat de kosten voor de gemeente in de proeftuin stabiel blijven (vast lumpsumbedrag), terwijl het aantal cliënten de eerste twee jaar fors toenam, meer dan bij nietproeftuinpartijen. De werkelijke kosten voor de proeftuinpartijen nemen wel toe. Dit geldt alleen voor dagbesteding en niet voor begeleiding. In 2020 is een afname van het aantal cliënten te zien in de proeftuin. Dit zou een gevolg van corona kunnen zijn, maar dan zou deze afname ook bij niet-proeftuinpartijen te verwachten zijn. Daar stabiliseert het aantal cliënten echter in 2020. De kosten voor dagbesteding nemen daar wel af met 7%. Bij de niet-proeftuinpartijen in Ruwaard is er in de jaren 2017 – 2019 een opvallende groei te zien van de kosten en het aantal cliënten, fors hoger dan in andere wijken van Oss en andere gemeenten in Brabant Noordoost-Oost (zie ook volgende pagina). Het aantal cliënten groeit in de Ruwaard bij de niet-proeftuinpartijen in 2017 met 48% en de kosten met 49%. De proeftuin was toen nog niet formeel gestart. Een gevonden verklaring is dat er relatief veel nieuwe zorgaanbieders zijn aangetreden in de wijk Ruwaard. De groei in uitgaven is voor een groot deel afkomstig van twee nieuwe organisaties die zich richten op mensen met een migrantenachtergrond.
Zorgvormen en zorgzwaarte De zwaarte van de indicaties (waakvlam, basis, extra) neemt sinds 2016 steeds verder af (zie onderstaande tabel) en is dus geen reden voor een toename van de kosten bij niet-proeftuinpartijen. Ook laat deze afname zien dat er geen aanleiding is te veronderstellen dat de proeftuin cliënten met een zwaarder zorgprofiel zou doorverwijzen naar niet-proeftuinpartijen. De zorgzwaarte wordt alleen door niet-proeftuinpartijen geregistreerd. In de proeftuin wordt dit niet bijgehouden. Het tegenovergestelde kan dus ook niet worden aangetoond: dat de proeftuin vaker cliënten met een zwaarder zorgprofiel opneemt dan niet-proeftuinpartijen. Cijfers Oss – zwaarte indicaties 2016* Begeleiding** Basis 74% Extra 25% Dagbesteding Basis 62% Extra 38%
2017*
2018
2019
2020
71% 29%
70% 27%
77% 21%
76% 22%
69% 31%
71% 28%
82% 18%
94% 5%
31
*De cijfers van 2016 en 2017 zijn inclusief proeftuinpartijen **Het percentage ZG-begeleiding is niet meegenomen in de tabel. Vergelijking begeleiding en dagbesteding proeftuin en niet-proeftuin in Ruwaard, Oss en tien omringende gemeenten In onderstaande grafieken is dezelfde vergelijking als hierboven gemaakt, maar dan ook in vergelijking met heel Oss en met de tien omringende gemeenten. Door de lumpsumafspraken in de proeftuin blijven de uitgaven daar stabiel, terwijl de uitgaven bij niet-proeftuin partijen in Ruwaard, Oss en in de omringende gemeenten toenemen. Het aantal cliënten is desondanks in de proeftuin het sterkst toegenomen, al zwakt dit in 2020 weer wat af.
Kostenontwikkeling BG en Dagbesteding 1.60 1.40 1.20 1.00
0.80 0.60
0.40 0.20
0.00 2017
2018
subsidie proeftuin
kosten proeftuin
Oss
10 gemeenten
2019
2020
Niet-proeftuin Ruwaard
Ontwikkeling cliëntenaantallen BG en Dagbesteding 200% 150% 100% 50% 0% 2017 proeftuin
2018 Niet-proeftuin Ruwaard
2019 Oss
2020 10 gemeenten
32
5.3
Opbrengsten individuele casussen (micro-analyses)
Sinds de start van de proeftuin zijn micro-analyses uitgevoerd. Hier zijn meerdere rapporten over uitgebracht.15 De resultaten van de micro-analyses uit 2016-2020 zijn meegenomen in dit rapport. In 2021 zijn opnieuw micro-analyses uitgevoerd en nu ook bij casussen buiten de proeftuin. Daarbij is onderscheid gemaakt in casussen buiten de Ruwaard die volgens de SWW zijn uitgevoerd en casussen buiten de Ruwaard die niet volgens de SWW zijn uitgevoerd. Er wordt in de berekeningen onderscheid gemaakt tussen bestaande casussen en nieuwe casussen. De besparing bij nieuwe casussen gaat uit van de kosten die op termijn zouden zijn gemaakt als niets gedaan wordt. Bij alle micro-analyses geldt dat de besparing wordt ingeschat door de betrokken professional in de casus en niet objectief wordt bepaald. De micro-analyses geven daarmee een beeld van de maatschappelijke kosten en opbrengsten. Het is geen wetenschappelijk onderbouwde methode. Bovendien betreft een micro-analyse een momentopname. Kosten kunnen tijdelijk toenemen om kort daarna sterk te dalen. In de micro-analyses uit 2021 was helaas geen tijd om na zes maanden een herhaalmeting te doen. Laatste kanttekening is dat de onderzoekers afhankelijk zijn van de aangeleverde casuïstiek en dat niet goed te beoordelen is in hoeverre de geanalyseerde casussen de werkelijkheid representeren.
Kortom: de micro-analyses geven een impressie, een beeld van de opbrengsten, maar de uitkomsten kunnen niet gegarandeerd worden voor toekomstige casussen. Onderstaande tabellen laten de besparingen per inwoner zien in de verschillende categorieën (proeftuin, buiten Ruwaard/SWW en buiten Ruwaard geen SWW), waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen bestaande casussen en nieuwe casussen. De bestaande casussen laten een opvallend verschil zien. De casussen in 2021 laten grotere besparingen zien dan in eerdere jaren. Dat komt met name doordat er relatief veel casussen van beschermd wonen naar zelfstandig wonen zijn onderzocht en deze casussen veel besparingen opleveren. In het totaaloverzicht op de volgende pagina is inzichtelijk gemaakt wat de besparingen zijn inclusief en exclusief casussen beschermd wonen. De besparingen bij nieuwe casuïstiek loopt in lijn met eerdere jaren. Verder valt op dat de proeftuin relatief goedkopere oplossingen vindt bij nieuwe casuïstiek in vergelijking met andere wijken. Bestaande casussen Bestaande proeftuin 2016-2018 2020 2021
casussen Aantal 32 4 Jeugd 3 Volwassenen 14
Totale besparing (-) of Gem. besparing (-) of extra kosten (+) extra kosten (+)/cliënt - € 132.394,50 - € 4.137,+ € 23.442,50 + € 4.642,50 • € 12.070,36 - € 4.023,45 - € 192.439,53 - € 13.745,69
Bestaande casussen Aantal SWW buiten Ruwaard 2021 12
Totale besparing (-) of Gem. besparing (-) of extra kosten (+) extra kosten (+)/cliënt - € 38.565,36 - € 3.213,78
Bestaande regulier Ruwaard 2021
Totale besparing (-) of Gem. besparing (-) of extra kosten (+) extra kosten (+)/cliënt
casussen Aantal buiten 15
- € 50.585,95
- € 3.372,40
15 Rapportage micro-analyses 2018, Verslag micro-analyses 2020, Rapportage micro-analyses verbreding Samenwerkwijze
Jeugd oktober 2020, Verslag micro-analyses GGZ Oost-Brabant Uitstroom beschermd naar zelfstandig wonen.
33
Nieuwe casussen Nieuwe casussen Aantal proeftuin 2016 - 2018 10 2021 8
Totale besparing (-) of Gem. besparing (-) of extra kosten (+) extra kosten (+)/cliënt - € 102.015,00- € 10.201,50 - € 85.585 - € 10.698,13
Nieuwe casussen Aantal SWW buiten Ruwaard 2021 4
Totale besparing (-) of Gem. besparing (-) of extra kosten (+) extra kosten (+)/cliënt - € 4.388,75 - € 17.599
Nieuwe regulier Ruwaard 2021
Totale besparing (-) of Gem. besparing (-) of extra kosten (+) extra kosten (+)/cliënt
casussen Aantal buiten 7
- € 42.968,36
- € 6.138,34
Totaaloverzicht verschillen proeftuin en niet-proeftuin SWW en niet-SWW
Micro-analyses 2021 Regulier buiten Ruwaard SWW buiten Ruwaard Proeftuin 2021 incl beschermd wonen Proeftuin 2021 zonder beschermd wonen
€ 0 € 2,000€ 4,000 € 6,000€ 8,000€ 10,000€ 12,000 Bestaande casussen
Nieuwe casussen
Tot slot is ook onderzocht of de besparing per domein of thema verschillend is. Dit blijkt zo te zijn, blijkt uit onderstaande tabel. Dit is logisch te verklaren. De kosten voor beschermd wonen zijn bijvoorbeeld vele malen hoger dan de kosten voor huishoudelijke verzorging of ambulante begeleiding: een dag beschermd wonen kost volgens de effectencalculator 100,- terwijl ambulante begeleiding, wat vaak één keer per week plaatsvindt, 65,- kost. Dit verklaart de grote verschillen tussen de domeinen. Een transitie van beschermd naar zelfstandig wonen bespaart veel meer geld dan een afname van ambulante begeleiding. Daarnaast zijn de besparingen bij casussen Bijstand-uitstroom relatief groot. Het besparen op bijstand bespaart de maatschappij veel kosten. De maatschappelijke opbrengsten moeten in samenhang met het individueel welbevinden gezien worden. Soms is de besparing gering, maar is wel een forse toename van het individueel welbevinden. Dan kan je ook spreken van een waardevolle investering. Bij de verdeling van de casussen in thema’s moet een belangrijke kanttekening worden gemaakt. Veel casussen passen vaak niet in één hokje. Vaak is er sprake van multi-problematiek en soms is de oplossing in een ander domein te vinden dan de oorspronkelijke vraag. Deze integrale benadering is juist een belangrijke meerwaarde van de SWW. Een persoon kan bijvoorbeeld baat hebben bij
34
ambulante begeleiding om stappen te zetten op het gebied van re-integratie op de arbeidsmarkt. De meest op de voorgrond liggende vraag is als uitgangspunt gekozen voor de indeling. Voor details over Besparingen in Proeftuin (28) Buiten Ruwaard/SWW Buiten bedrag per cliënt (16) Ruwaard/Regulier (22) Wmo € 2.863 € 3.287 € 3.448 (zes casussen) (zeven casussen) (vijf casussen) Bijstand € 11.600,63 € 8.858,09 € 10.346,26 (vier casussen) (vier casussen) (negen casussen) Werk/re-integratie € 1.604 X 209,50 (vier casussen) (vier casussen) Daginvulling € 3.246,11 -€ 463 -€ 4.410 (zeven casussen) (vijf casussen) (vier casussen) Beschermd wonen € 25.535,14 x x (zeven casussen) Totaal € 278.924,53 € 56.126,36 93.554,31 Totaal per cliënt
€ 9.961,60
€ 3.507,90
€ 4.252,47
de casussen kan het rapport Micro-analyses 2021 worden geraadpleegd.
5.4
Conclusie
In de proeftuin worden in vergelijking met niet-proeftuin in Ruwaard, heel Oss en 10 omringende gemeenten meer cliënten geholpen met hetzelfde geld voor wat betreft de producten begeleiding en dagbesteding. Dat is zeker het geval als alleen naar de ontvangen subsidie wordt gekeken (kosten gemeente), maar het geldt ook als naar de werkelijke kosten van de organisaties wordt gekeken. Helaas is er onvoldoende informatie beschikbaar om een vergelijking in kosten en cliënten te maken voor de inzet van de andere organisaties, zoals Ons Welzijn en GGZ Oost-Brabant. De micro-analyses laten ook een positief beeld zien op micro-niveau: de SWW in de proeftuin levert een grotere besparing per cliënt op dan de SWW en de reguliere aanpak in andere wijken. Dit geldt zowel voor bestaande als voor nieuwe casuïstiek, waarbij de kanttekening gemaakt moet worden dat bij bestaande casuïstiek veel casussen Beschermd wonen zijn opgepakt en die laten een relatief grote besparing zien. Zonder deze casussen beschermd wonen levert de proeftuin bij nieuwe casussen geen grotere besparing op dan buiten de proeftuin. Bij bestaande casussen is dat dan wel nog steeds het geval. De cijfers zijn echter onvoldoende compleet en de methode van de micro-analyses te weinig wetenschappelijk om te concluderen dat de proeftuin als geheel daadwerkelijk meer mensen helpt voor hetzelfde geld.
Om meer inzicht te krijgen, zal er structureel en frequenter gemonitord moeten worden (zie ook substitutie en aanbevelingen).
6
Steunende systemen
Onder steunende systemen verstaan we de factoren die de proeftuin ondersteunen. We maken in deze eindevaluatie onderscheid in: • De principes die het fundament van de proeftuin vormen (6.1). • De organisatie van de proeftuin (6.2). • Het leerhuis en de leersessies (6.3).
35
6.1
Werken de principes van de Proeftuin zoals beoogd?
De proeftuin onderscheidt zich van een meer reguliere aanpak door een combinatie van principes of uitgangspunten. Deze principes zijn bij de start van de proeftuin opgesteld. Hierbij is een aanname gedaan over de principes. Een overzicht van de principes en de aannames is hieronder opgenomen. Onderzocht is of er in de proeftuin daadwerkelijk volgens deze principes wordt gewerkt, of de aannames die zijn gedaan in de praktijk blijken te kloppen en of deze principes in de deelnemende organisaties zijn geborgd. Dit is onderzocht door inwoners, professionals, managers en bestuurders te bevragen via een enquête, interviews en focusgroepen. Daarnaast is gekeken in hoeverre de principes zichtbaar zijn in projecten en in de onderzochte casussen voor de micro-analyses. Principes en aannames proeftuin 1. De inwoner staat centraal: door de inwoner centraal te stellen gaat het welbevinden van de inwoner omhoog (6.1.1). 2. Samenwerking op individuele casussen: door samen te werken op individuele casussen worden integrale oplossingen gecreëerd waardoor het welbevinden stijgt en maatschappelijke kosten dalen (6.1.2). 3. Samenwerking op collectieve casuïstiek (vraagstukken die op meerdere inwoners van toepassing is): door samen te werken op collectieve casuïstiek worden integrale oplossingen gecreëerd en worden maatschappelijke kosten bespaard (6.1.3). 4.
Preventief werken: door preventief te werken wordt het individuele en collectieve welbevinden verhoogd en maatschappelijke kosten bespaard (6.1.4). 5. Substitutie waar mogelijk bevorderen: door substitutie worden maatschappelijke kosten bespaard (6.1.5). 6. Gebiedsgerichte financiering: door gebiedsgerichte financiering wordt het denken in vaste producten/diensten losgelaten wat leidt tot meer integrale oplossingen en kostenbesparing (6.1.6). Tot slot wordt stilgestaan bij het loslaten van de eigen bijdrage van inwoners, waar in de proeftuin voor is gekozen (6.1.7).
6.1.1 De inwoner centraal De inwoner staat centraal: door de inwoner centraal te stellen gaat het welbevinden van de inwoner omhoog. Professionals en organisaties zetten de inwoner centraal door: - De inwoner, waar mogelijk, regie te laten houden/geven en waar nodig te ondersteunen in de regievoering. - Het niveau van communicatie af te stemmen op het niveau van de inwoner; - Het goed en open doorvragen van ‘ik wil, ik kan, ik heb nodig.’ door gebruik te maken van gesprekstechnieken die alle levensgebieden betrekken in een brede vraagverheldering; - De gewenste situatie van wat de inwoner wil bereiken goed omschrijven door het stellen van open vragen, vanuit een open houding, in plaats van een oplossing of resultaat te bedenken.16 Ervaringen professionals, managers en bestuurders Professionals, managers en bestuurders zijn (erg) positief over het centraal stellen van de inwoner. Zij geven aan dat als de inwoner bepaalt wat hij nodig heeft daar de beste oplossingen uitkomen. Men is ervan overtuigd dat deze aanpak leidt tot een hoger persoonlijk welbevinden. Verder denkt men dat deze aanpak veelal leidt tot verrassende oplossingen of oplossingen die buiten de WMO vallen. Alle groepen respondenten geven aan het principe ook in de praktijk toe te passen. De overgrote 16 Dit is onderdeel van het Leertraject SWW van het Leerhuis.
36
meerderheid stelt de inwoner altijd of vaak centraal in hun aanpak. Qua kostenbesparing is men eveneens positief. Iedereen geeft aan dat de kosten hetzelfde blijven of zelfs dalen wanneer de inwoner centraal staat. Grote verschillen tussen de groepen zijn er niet. De professionals zijn iets overtuigender als het aan komt op de voordelen van de inwoner centraal zetten. Enkele zaken vallen op, ook al betreffen het lage percentages. Eén proeftuinbestuurder geeft aan dat wanneer de inwoner bepaalt dit niet leidt tot de beste oplossing, 11 procent van de professionals en managers stellen dat professionals het beste kunnen bepalen wat de inwoner nodig heeft ten opzichte van de inwoner zelf en ten slotte is 2% van de professionals negatief over de inwoner centraal stellen. Alhoewel dit dus lage percentages zijn, is het opvallend dat er enkele betrokkenen bij de proeftuin meningen hebben die haaks staan op proeftuinprincipes. Quotes over de inwoner centraal zetten ‘Doordat we de inwoner centraal stelden en met meerdere professionals naar haar verhaal luisterden, voelde zij zich al gehoord. Gehoord in de zin van dat haar last te hoog was en dat wij er met elkaar waren om haar te ondersteunen. Zonder dat we ook nog maar iets gedaan hadden, ervaarde zij dit al als winst.’ ‘Bij een Samenwerkoverleg de inwoner zijn verhaal laten doen, mensen mee laten nemen in zijn verhaal.
Waardoor iedereen direct iets wilde betekenen. Deze inwoner zelf het gesprek laten leiden en alleen waar nodig sturen. Hem laten kiezen uit een aantal zorgaanbieders na gesprekken met twee door hem uitgekozen partijen.’ Conclusie Het centraal stellen van de inwoner lijkt in de proeftuin zeer goed geïmplementeerd. De Samenwerkwijze heeft erg geholpen om deze omslag te maken. Professionals en aanjagers geven daarbij wel aan dat het een soort blijvende alertheid vraagt om de inwoner centraal te blijven stellen.
6.1.2 Samenwerking op individuele casussen Door samen te werken op individuele casussen worden integrale oplossingen gecreëerd waardoor het welbevinden stijgt en maatschappelijke kosten dalen. Professionals werken samen op individuele casussen door - Het (leren) opbouwen van een netwerk en het inzetten van dit netwerk bij het bedenken van wie de inwoner kan ondersteunen. - Het zien en aanvoelen welke rol nodig is om samen met anderen te komen tot gedragen oplossingen. En hierbij bereid zijn om anderen te helpen; - Het faciliteren van een Samenwerkoverleg (MDO) met inwoners. Waarbij iedereen aan bod komt, ieders visie belangrijk is, er doorgevraagd wordt, alles op tafel komt, knopen worden doorgehakt, mensen worden aangesproken op alles wat wordt besproken en dit leidt tot Wie, Wat, Wanneer; - Organisatie en expertise overstijgend te denken in het beschrijven van de gewenste situatie en het samen, met de inbreng van expertise van anderen, bedenken van oplossingen.17 Ervaringen professionals, managers en bestuurders Ook bestuurders, managers en professionals is gevraagd hoe ze de samenwerking op individueel niveau ervaren. Bijna iedereen in de enquête, interviews en focusgroepen geeft aan dat dit principe goed is geborgd in de proeftuin. Ook zijn zij positief over de gevolgen van de samenwerking: men 17 Dit is onderdeel van het Leertraject SWW van het Leerhuis.
37
verwacht dat door samenwerking de gezondheid en het welzijn van inwoners zal toenemen. De bestuurders, managers en professionals hebben meer plezier in hun werk. Men is van mening dat ze betere kwaliteit van zorg leveren en men denkt dat de hulpverlening door de samenwerking beter op elkaar is afgestemd. Professionals zijn het meest enthousiast. Zij geven ook aan dat de samenwerking tijd scheelt. Aan de voorkant wordt meer tijd geïnvesteerd, maar dit levert aan de achterkant veel tijd op. Een wijkverpleegkundige gaf aan dat dat haar tot wel 70% tijd scheelt. Aangegeven wordt dat het juiste specialisme sneller wordt ingezet en dat betere oplossingen worden gevonden door vanuit meerdere specialismen en invalshoeken naar een casus te kijken. Professionals benoemen dat ze meer eigenaarschap bij de inwoners zien. In de Ruwaard zijn bijvoorbeeld veel inwoners actief als vrijwilliger. De drie vragen helpen om de inwoners in hun kracht te zetten en niet alleen naar hun probleem te kijken maar ook naar hun oplossing. Naast alle positieve reflectie zijn enkele aandachtspunten genoemd in de interviews en focusgroepen: • Door sommigen wordt aangestipt dat de Samenwerkwijze (SWW) niet altijd volledig wordt uitgevoerd, terwijl dan door de professional wel wordt gedacht dat de SWW volledig wordt toegepast.
Professionals geven aan dat de SWW in ontwikkeling is, mede doordat nieuwkomers moeten worden meegenomen in het gedachtegoed. Meestal gebeurt dit vlot en de leersessies worden daarin als erg belangrijk gezien. Het niet fysiek bij elkaar kunnen komen (door coronamaatregelen), wordt door sommigen genoemd als een belemmering. • De Wmo-consulenten moeten meer onderdeel worden van de proeftuin en de SWW en niet alleen maar indiceren en beoordelen, zie ook paragraaf 4.3. • Niet altijd is helder wanneer een SO toegevoegde waarde heeft en wanneer niet. Hier wordt soms verschillend over gedacht. Belangrijk is dat dit in de onderlinge overleggen en in het Leerhuis aandacht krijgt. Bij de afweging om al dan niet een SO te organiseren, speelt soms mee dat het vanwege volle agenda’s niet altijd makkelijk op korte termijn te plannen is. Daarnaast is aangegeven is dat professionals kritisch moeten durven zijn wat echt nodig is en welke partijen echt nodig zijn. Ook is de regierol niet altijd duidelijk benoemd. Conclusie Samenwerking op individuele casuïstiek is goed geborgd in de proeftuin. In de communicatie naar inwoners kan mogelijk nog wel beter worden aangegeven op welke wijze professionals rondom de inwoner samenwerken. In de interviews zijn daarnaast enkele verbeterpunten genoemd, die relevant zijn voor het Leerhuis en de Leersessies.
6.1.3 Samenwerking op collectieve casussen Door samen te werken op collectieve casuïstiek (vraagstukken die op meerdere inwoners van toepassing zijn) worden integrale oplossingen gecreëerd en worden maatschappelijke kosten bespaard. Ervaringen inwoners Inwoners zijn niet specifiek bevraag op de collectieve aanpak. Wel zijn er in de enquête enkele voorbeelden genoemd, zie het kader. Daarnaast geeft het onderzoek in de Haard een beeld van de ervaringen van inwoners bij deze vormen van samenwerking (zie paragraaf 3.2). Quotes over collectieve aanpakken ‘Een groep jonge vrouwen die op zichzelf gaat wonen met kinderen, praten samen over geldzaken en vragen er een deskundige bij. Professionals hoeven niet 10 keer dat verhaal te vertellen, maar 1x voor zo’n groep.’
38
‘Ik heb meerdere echtscheidingscasussen in mijn caseload. Waarvan er eentje wel voorlichting wilde geven, omdat ze al zover in het proces zat. We hebben samen het doel van de groep opgesteld, een professional erbij gezocht die de groep kan sturen i.s.m. de inwoner en andere inwoners uit de caseload eraan gekoppeld. Deze groep draait nu voor de tweede keer. Er worden nog steeds inwoners met soortgelijke vraagstukken naartoe gestuurd.’ Ervaringen professionals, managers en bestuurders In de enquête is men positiever over de samenwerking op collectieve casussen dan in de interviews en de focusgroepen. In de enquête geeft het grootste deel van de respondenten aan soms, vaak of altijd in te zetten op een collectieve aanpak (professionals: 67%; managers: 67%; bestuurders: 80%). Dit beeld komt niet terug in de interviews en focusgroepen. Daar geeft men aan dat het samenwerken op collectieve casussen is verbeterd, maar dat het niet goed is ingebed in de proeftuin. Soms wordt een project gestart, maar niet structureel geborgd. Soms is er wel een idee, maar komt het niet tot stand. Er lijkt behoefte aan een afwegingskader en aan ondersteuning om te komen van een idee naar een project. Wel ziet bijna iedereen de voordelen van een collectieve aanpak. De respondenten geven over het algemeen aan dat een collectieve aanpak leidt tot snellere en betere oplossingen voor inwoners.
Ook ziet men mogelijkheden om te besparen op maatschappelijke kosten door een collectieve aanpak. Een collectieve aanpak waar iedereen (erg) tevreden over is, zijn Ons Huis van de Wijk en de totstandkoming van De Haard. Dit wordt gezien als een mooie opbrengst van de proeftuin, alhoewel de totstandkoming niet volledig aan de proeftuin toe te rekenen is. Conclusie Samenwerking op collectieve casuïstiek gebeurt wel, maar hier is nog winst te behalen. Het proces om van idee naar uitvoering en van uitvoering naar structurele borging te komen verdient verbetering.
6.1.4 Preventie Door preventief te werken wordt het individuele en collectieve welbevinden verhoogd en worden maatschappelijke kosten bespaard. Preventie houdt in: het voorkomen dat (zwaardere) zorg en ondersteuning nodig is. Ervaringen inwoners Een meerderheid van de inwoners geeft in de enquête aan dat er veel activiteiten gericht op positieve gezondheid worden georganiseerd in de wijk. Men geeft aan deze activiteiten belangrijk te vinden. Met name de activiteiten rondom positieve gezondheid door middel van bewegen worden herkend, maar ook de bijeenkomsten die te maken hebben met veiligheid ziet men terug in de wijk. Men voelt zich met 67% over het algemeen vrij om aan te sluiten bij deze activiteiten en 55% geeft aan dat het bijdraagt aan een prettiger gevoel. Negentien procent geeft aan een rol te hebben gehad in de organisatorische taken van de activiteiten. Ervaringen professionals, managers en bestuurders Men is vrij positief over de mate waarin de proeftuin probeert (zwaardere) zorg en hulp te voorkomen (professionals: 73%, managers: 89%, bestuurders: 56%). Ook zijn de respondenten overtuigd van de meerwaarde van preventie: preventie leidt tot een stijging van zowel het persoonlijk welbevinden als het welbevinden van een grote groep in de wijk. Bovendien is iedereen ervan overtuigd dat preventie maatschappelijke kosten bespaart.
In de verdiepende interviews en focusgroepen wordt echter aangegeven dat de preventieve aanpak onvoldoende is geborgd in de proeftuin. Als een inwoner zich meldt, dan wordt ingezet op het
39
versterken van zijn regie en er wordt ook gekeken welke zorg en/of hulp voorliggend is. Maar een meer collectieve preventieve aanpak komt nog onvoldoende van de grond, geeft men aan. Professionals geven aan meer te willen doen op het gebied van preventie, maar hier onvoldoende ruimte in te krijgen van hun organisatie en manager. Ook is genoemd dat het afschalen van zorg en de nazorg nog niet zijn geregeld. Een van de geïnterviewden geeft aan dat de proeftuin aandacht heeft voor de sociaal zwakkeren, maar niet voor de sociaal sterkeren. Preventie zou zich volgens deze geïnterviewde juist ook op deze groep moeten richten. Wijkpreventieaanpak vanuit programma preventie coalities Preventie was vanaf de start van de proeftuin een van de speerpunten. Met steun van het VWS programma “preventie coalities” is daarom in 2017 een aanpak opgesteld gericht op het daadwerkelijk realiseren van succesvolle preventieve interventies en het verbeteren van de samenwerking op dit gebied tussen de betrokken (institutionele) partners, waaronder met name de gemeente en de betrokken zorgverzekeraars. In de jaren 2017 – 2019 is met deze subsidie extra geïnvesteerd in preventie.
Er is onder andere: • een wijkaanjager aangesteld • een wijk gezondheidsprofiel gemaakt • kansrijke, preventieve interventies benoemd • een gezamenlijke preventie visie en agenda opgesteld en • een werkgroep preventie opgericht voor het (laten) ontwikkelen, selecteren en begeleiden van kansrijke, preventie interventies. De werkgroep bestond uit vertegenwoordigers van gemeente, aanbieders en bewoners, en werd begeleid door leden van het programma team. Deze werkgroep is mede door corona een tijdlang niet bij elkaar gekomen. Inmiddels is de preventiewerkgroep weer actief, maar het aantal deelnemers is fors verminderd. Professional over de preventiewerkgroep: "Een jaar of 2/3 geleden begon de werkgroep erg krachtig. Het is een mooie mix tussen professionals en inwoners. Sinds corona is er echter minder commitment, met name bij de professionals. Het is onduidelijk wat hier de reden achter is. We zaten oorspronkelijk op 16 leden, nu zijn er nog maar 6 actief. We gaan nu evalueren waardoor dit komt." De resultaten en lessen zijn in april 2020 verschenen in het rapport ‘Preventie in de praktijk.
Doorbraken vanuit de coalitie in de proeftuin Ruwaard Oss.’ Preventief zijn in deze periode een dertigtal sociale activiteiten en een tiental positieve gezondheidspilots gerealiseerd op heel diverse thema’s, steeds in samenspel tussen bewoners (organisaties) en beroepskrachten (bij aanbieders). De meeste projecten lopen nog 18, maar sommige projecten zijn ook gestopt19. Voor betrokkenen is het niet altijd helder waarom een project stopt. Het lijkt te maken te hebben met een gebrek aan geld en coördinatie. Corona heeft ook een belemmerende werking gehad op deze projecten, omdat fysieke bijeenkomsten niet mogelijk waren. Uit interviews en focusgroepen blijkt dat organisaties het lastig vinden de waarde van projecten in te schatten, mede omdat de opbrengsten meestal niet gemeten worden. Regels spelen soms ook een belemmerende rol. Wanneer een deelnemer niet uit de Ruwaard of uit Oss komt, telt dit voor sommige 18 Cursus voluit leven, Buurtsport, AAA & DAA, Verwerkingsplaats, Buurtpreventie (een groep van 80 inwoners die actief de
straten ‘aflopen), Activiteiten voor mensen met armoede- en schuldenproblematiek, het digitale wijkplatform (voor professionals; inwoners gebruiken het platform niet of nauwelijks), Opvoedondersteuning jonge moeders. 19 Stoppen met roken, Aanpak laaggeletterdheid.
40
partijen niet als een resultaat. Ook is het lastig de winst voor inwoners in cijfers uit te drukken. Geïnterviewden geven aan dat er soms te nauw gekeken wordt naar de baten. Een preventieproject kan als een olievlek werken in de wijk, maar dat is niet direct aantoonbaar.
Quotes over preventie ‘Door mensen begeleiding te bieden die op de wachtlijst staan voor behandeling. Door de inzet worden de problemen zoveel mogelijk beperkt en wordt er aan een stabiele situatie gewerkt waardoor straks de behandeling meer effect heeft.’ ‘Voor-de-voordeur-werken, bemoeizorg, collectief situationeel casusoverleg, terugverwijzen (met communicatie) naar lichtere vormen van ondersteuning zijn voorbeelden van preventie die we toepassen.’ Conclusie Geconcludeerd kan worden dat de inzet op preventie behoorlijk is verbeterd door de inzet uit de proeftuin, maar nog beter kan worden ingebed. De subsidie van VWS heeft een impuls gegeven aan het opstarten van preventieprojecten en aan het creëren van de randvoorwaarden om preventie in te bedden in de wijk. Na de subsidie lijken sommige activiteiten echter gestagneerd en is er minder aandacht voor het opstarten of duurzaam borgen van preventieve activiteiten. Dit kwam deels door corona en daarnaast zien organisaties het nog onvoldoende als hun verantwoordelijkheid om aandacht, menskracht en middelen voor preventie beschikbaar te stellen. Dit is ook zichtbaar in de afname van het aantal deelnemers in de preventiewerkgroep. Kansen worden wel gezien en benoemd, maar onvoldoende benut, geven veel geïnterviewden aan. Het invoeren van een systeem voor op- en afschalen van zorg en nazorg is hier een voorbeeld van.
Het lijkt onduidelijk wie hier de regie en verantwoordelijkheid heeft waardoor dit in de ideeënfase blijft hangen. Er lijkt meer winst behaald te kunnen worden op preventie als duidelijker wordt wie welke rol en verantwoordelijkheid heeft. Aan ideeën bij professionals is geen gebrek. Wie verzamelt deze ideeën, hoe wordt een selectie gemaakt en wie zorgt voor een projectplan? Waar ligt het eigenaarschap? Hoe wordt besloten over de continuïteit van een project? Wat wordt gemonitord om hier een besluit over te kunnen nemen? Deze vragen gaan ook over de samenhang en samenwerking tussen de verschillende lagen (professionals, managers en bestuurders). Hier is bij veel betrokkenen onduidelijkheid over en dat komt de slagvaardigheid van de proeftuin niet altijd ten goede. Hetzelfde speelt bij een collectieve aanpak en bij substitutie.
6.1.5
Substitutie
Door substitutie worden maatschappelijke kosten bespaard. Substitutie houdt in: van zwaardere naar lichtere vormen van zorg en ondersteuning. Dat kan zijn van individueel naar collectief, van (na)zorg naar preventie, van zwaardere zorg naar lichtere zorg, van professionele zorg naar zelfzorg en/of ondersteuning van vrijwilligers. Substitutie kan binnen een organisatie of tussen organisaties plaatsvinden. Ook kan substitutie tussen stelsels plaatsvinden (Wmo, Wlz, Zvw, Jeugdwet, Participatiewet). Een SIRM-onderzoek20 dat VWS recentelijk naar de tweede kamer heeft gestuurd schat de potentiële besparing van substitutie in zijn geheel op € 2,7 miljard (inclusief verrekening van de kosten van de 20 Bronnen: SIRM, Substantieel potentieel: Schatting van de potentiële opbrengst van substitutie van