CConstaterende datOss
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1A Toelichting - BP Paradijs - Peperstraat 15 Haren - 2024

Gemeenteraad 12 september 2024, gemeente OssBij agendapunt: A Vaststelling bestemmingsplan Paradijs - Peperstraat 15 Haren - 202422.612 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Paradijs – Peperstraat 15 Haren – 2024, pag. 28 van 63 Vastgesteld, september 2024

5.2

Natuur

5.2.1 Wet natuurbescherming De Wet natuurbescherming beschermt Nederlandse natuurgebieden en planten- en diersoorten. Het is belangrijk voor de natuur dat er veel verschillende planten- en diersoorten zijn. Wanneer het met de natuur goed gaat, is er ook meer ruimte voor economische en andere maatschappelijke activiteiten. Maar sommige soorten zijn kwetsbaar, zoals vleermuizen en mussen. Een goede natuurbescherming is dan ook belangrijk. Rolverdeling tussen provincies en Rijk Sinds 1 januari 2017 bepalen de provincies wat wel en niet mag in de natuur binnen de provincie. De provincies zorgen voor de vergunningen en ontheffingen. De Rijksoverheid blijft verantwoordelijk voor het beleid van grote wateren en internationaal beleid (zoals Natura2000). Ruimtelijke plannen en omgevingsvergunningen die invloed hebben op beschermde natuur moeten passen binnen de Wet natuurbescherming. Daarnaast gelden ook provinciale regelingen voor natuurbescherming. 5.2.2 Groen en natuur/biodiversiteit Natuurinclusief bouwen De gemeente streeft er naar om bij (ver)bouwen zoveel als mogelijk rekening te houden met de natuur en de biodiversiteit ofwel ‘natuurinclusief’ te bouwen. Aan initiatiefnemers wordt gevraagd om dit ook te doen.

Bijzonder waardevolle bomen In 1998 is de beleidsnota “Bijzonder waardevolle bomen” opgesteld, waarin bomen zijn opgenomen die vanwege specifieke waarden bescherming verdienen. De lijst met waardevolle bomen wordt periodiek geactualiseerd. De laatste actualisatie van de regels en criteria voor een bijzondere boom is opgenomen in de nota “Bijzondere bomen in Oss 2018”. In deze nota is vastgelegd dat de aanvraag van een omgevingsvergunning voor de aangewezen waardevolle bomen altijd geweigerd moet worden tenzij het kappen van deze bomen vanuit het algemene belang noodzakelijk is. Dit is verder vertaald in de Algemene Plaatselijke Verordening (APV). Op grond van de APV is voor het kappen van bomen die op de Beschermde bomenlijst staan een vergunning vereist. De vergunning kan op grond van verschillende criteria door het college van burgemeester en wethouders worden geweigerd. De laatste actuele lijst van de bijzondere bomen is te vinden op www.oss.nl/bijzondereboom. 5.2.3 Natuurtoets Bij de bescherming van natuurwaarden gaat het enerzijds om soortenbescherming en anderzijds om gebiedsbescherming. Gebiedsbescherming is gericht op de bescherming van kwetsbare natuurgebieden. Soortenbescherming moet er toe leiden dat het voortbestaan van soorten niet in gevaar komt. Binnen Nederland zijn 166 Natura 2000-gebieden aangewezen. Dit zijn gebieden met een Europese beschermingsstatus.

Veel van deze gebieden zijn (ook) gevoelig voor stikstofdepositie. Een verdere toename van de stikstofdepositie kan leiden tot ‘significante negatieve effecten’ op de instandhoudingsdoelstellingen van de Natura 2000-gebieden. Programma Aanpak Stikstof (PAS) Op 29 mei 2019 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State uitspraak gedaan in enkele beroepszaken tegen Natura 2000-vergunningen die zijn gebaseerd op het Programma Aanpak Stikstof (PAS) 2015-2021 (Kamerstuk 32 670, nr. 146). Het is een stevige uitspraak die per direct forse consequenties heeft voor individuele ondernemers, maar ook voor ambities van gemeenten, provincies

Paradijs – Peperstraat 15 Haren – 2024, pag. 29 van 63 Vastgesteld, september 2024

en Rijksoverheid op het terrein van onder meer waterveiligheid, infrastructuur, woningbouw en klimaat. De uitspraak komt er op neer dat de PAS ‘gesneuveld’ is als aanpak en systeem voor vergunningverlening van stikstofvergunningen op basis van de Wet natuurbescherming. Wet stikstofreductie en natuurverbetering (Wsn) Sinds 1 juli 2021 is de Wsn samen met het bijbehorende Besluit stikstofreductie en natuurverbetering van kracht. Deze regelgeving wijzigt de Wet en het Besluit natuurbescherming en moet voorzien in een nieuwe, structurele aanpak van de stikstofproblematiek. 5.2.3.1. Gebiedsbescherming Voor de Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen opgesteld. Activiteiten en ontwikkelingen die een negatief effect op de instandhoudingsdoelstellingen hebben, zijn verboden. Voor een plan geldt op grond van artikel 2.7 lid 1 van de Wet natuurbescherming dat bepalend is of het significante gevolgen kan hebben voor een (of meer) Natura 2000-gebied(en). Is dat het geval, dan dient het bestuursorgaan, onderscheidenlijk de aanvrager van de vergunning, bij de vaststelling van een plan met toepassing van artikel 2.7 Wnb, een passende beoordeling te maken, zoals bedoeld in artikel 2.8 Wnb. In een toetsing wordt bepaald of er negatieve effecten kunnen optreden.

Een eerste toetsing (voortoets) geeft aan of er negatieve effecten kunnen optreden en zo ja of deze van dien aard kunnen zijn dat de instandhoudingsdoelstellingen in gevaar kunnen komen. Indien dat het geval is, wordt een tweede toetsing verricht welke dieper ingaat op de mate van effect (passende beoordeling). Beoordeling plan In de directe omgeving van het plangebied ligt geen NNB (ca. 330 m) of Natura-2000-gebied. De ontwikkeling heeft daarvoor geen gevolgen omdat er geen bouwwerkzaamheden plaatsvinden in NNB zelf. De bouw van de woningen en het gebruik hebben geen significante effecten op de Natura 2000gebieden blijkens de uitgevoerde AERIUS-berekening. Deze zijn opgenomen in de bijlage bij deze toelichting. 5.2.3.2. Soortenbescherming De Wnb geeft kaders voor de bescherming van planten en dieren. Zo is het verboden om dieren te vangen of verwonden en om vaste rust- en verblijfplaatsen te vernielen. Dit is vastgelegd in drie vergelijkbare beschermingsregimes voor soorten. Indien deze verbodsbepalingen overtreden worden, is er een ontheffing nodig. Voor ieder ruimtelijk plan is het verplicht om te toetsen of deze leiden tot overtreding van de verbodsbepalingen. Beoordeling plan Voor de locatie ‘Het Paradijs’ heeft Blom Ecologie een QuickScan Wet natuurbescherming uitgevoerd. Deze is toegevoegd als bijlage bij deze toelichting.

De conclusie is dat de beoogde ruimtelijke ingreep niet leidt tot overtreding van verbodsbepalingen omtrent soortenbescherming, en houtopstanden in het kader van de Wet natuurbescherming. Om negatieve effecten omtrent gebiedsbescherming uit te sluiten, dient vooraf een berekening door middel van de AERIUS Calculator (zie paragraaf 5.3.2.1) uitgevoerd te worden. Daarnaast dient tijdens de uitvoering van werkzaamheden rekening te worden gehouden met de (mogelijke) aanwezigheid van zoogdieren en algemene broedvogels. Voor deze soorten dienen maatregelen te worden getroffen om effecten te voorkomen. In paragraaf 5.2.3.1 worden de effecten omtrent gebiedsbescherming behandeld. Voor de locatie ‘Peperstraat 15’ geldt dat de aanwezigheid van beschermde planten en dieren sterk gerelateerd is aan de aanwezigheid van bepaalde kleine landschapselementen (bosjes, wielen/poelen,

Paradijs – Peperstraat 15 Haren – 2024, pag. 30 van 63 Vastgesteld, september 2024

heggen/hagen e.d.). Gezien het gebruik van het perceel als agrarisch perceel met agrarisch bebouwde gronden, is het niet aannemelijk dat beschermde soorten zich permanent op de locatie hebben gevestigd. Wel in het groen rondom de locatie dat behouden zal blijven. Verder wordt de bestaande varkensstal gesloopt, waarin zich beschermde dieren zouden kunnen bevinden. Voor de ontwikkeling is daarom een QuickScan Flora en Fauna uitgevoerd. In dit onderzoek worden de volgende conclusies en aanbevelingen gedaan. Voor de volledige rapportage wordt verwezen naar de bijlagen. Conclusie en aanbevelingen Peperstraat 15 Voor de bepaling van de effecten en voor de beantwoording van de vraag of men in strijd komt met de Wet natuurbescherming, wordt de relatie gelegd tussen het initiatief met deze wet door waar mogelijk antwoord te geven op de volgende vragen: 1. Welke wettelijk beschermde soorten komen in het plangebied voor? Welke status hebben deze soorten? 2. Welke invloed heeft de geplande ingreep in het betreffende gebied op de beschermde soorten en de staat van instandhouding? 3.

Hoe dient omgegaan te worden met eventuele negatieve effecten van het plan op wettelijk beschermde planten- en diersoorten, en welke vervolgstappen zijn nodig? Het voornemen zoals opgenomen in de inleiding en de daarbij behorende werkzaamheden, zal naar verwachting geen negatief effect hebben op de staat van instandhouding van beschermde soorten. Binnen het plangebied zijn geen (verblijfsplaatsen van) strikt beschermde soorten aangetroffen die door de werkzaamheden worden beïnvloed. Uit de effectenbeschrijving blijkt dat er geen onevenredige directe of indirecte gevolgen zijn van de voorgenomen activiteiten op de voortplanting en instandhouding van beschermde dieren/ of plantsoorten. Lokaal zullen mogelijk algemene soorten uit het plangebied trekken op zoek naar een vervangende biotoop. Voor aanvang van de werkzaamheden dient derhalve geen aanvullende onderzoek plaats te vinden. Een ontheffing met betrekking tot aantasting van beschermde soorten is niet nodig. De werkzaamheden kunnen leiden tot een beschadiging of vernietiging van mogelijke verblijfplaatsen en/of verstoring van eventueel aanwezige algemene soorten. Een algehele vrijstellen op basis van de Verordening natuurbescherming voor ruimtelijke ontwikkelingen is hierop van toepassing. De algemene zorgplicht blijkt onverminderd van toepassing. 5.3

Archeologie en Cultuurhistorie

5.3.1 Erfgoedwet en overgangsregeling omgevingswet De Erfgoedwet beschermt het cultureel erfgoed in Nederland. In deze wet staan regels om belangrijk cultureel erfgoed beter te beschermen en behouden. In de Erfgoedwet staat wat cultureel erfgoed is, hoe de overheid omgaat met roerend cultureel erfgoed (zoals schilderijen), wie welke verantwoordelijkheden heeft en hoe de overheid daar toezicht op houdt. Het beschermingsregime voor de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten (lees archeologische resten) net als de bescherming van gebouwde rijksmonumenten wordt opgenomen in de Omgevingswet. Vooruitlopend op de ingang van de Omgevingswet is het deel van de Monumentenwet 1988 dat gaat over de fysieke leefomgeving geregeld in het overgangsrecht van de Erfgoedwet. Het gaat om: • vergunningen tot wijziging, sloop of verwijdering van rijksmonumenten.

Paradijs – Peperstraat 15 Haren – 2024, pag. 31 van 63 Vastgesteld, september 2024

• verordeningen, bestemmingsplannen, vergunningen en ontheffingen op het gebied van archeologie. • bescherming van stads- en dorpsgezichten. Het erfgoed in de ruimtelijke ordening wordt nu nog voor een belangrijk deel geregeld via de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Ruimtelijke plannen die toepassing hebben op cultureel erfgoed moeten passen binnen wettelijke kaders van de Erfgoedwet en ook de regelingen die in andere wetten en regelgeving is opgenomen, zoals de Wabo en het Bro. 5.3.2 Archeologiebeleid Het provinciale archeologisch beleid is neergelegd in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant van 25 oktober 2019 en op de provinciale Cultuurhistorische waardenkaart 2010, herzien 2016. Hierin is de bescherming van aardkundig waardevolle gebieden en archeologische landschappen geregeld. Het gemeentelijk archeologisch beleid is veel gedetailleerder dan het algemene provinciale beleid op dit punt en prevaleert daarom ook boven het provinciale archeologisch beleid. In april 2024 heeft de gemeente Oss haar ‘archeologiebeleid’ opnieuw vastgesteld (De archeologische schatkamet Oss; Beleidsnota archeologie gemeente Oss 2024). Gelijktijdig met het opstellen van deze nieuwe beleidsnota heeft RAAP de bestaande archeologische kaarten van Oss geactualiseerd (Boshoven, E. en L. Keunen, 2024.

Archeologie in de gemeente Oss; Actualisatie archeologische verwachtings- en beleidskaart. RAAP-rapport 5923). Deze kaarten, met uitgebreide toelichting, zijn eveneens vastgesteld en vormen daarmee een deel van het archeologiebeleid van Oss. In de archeologische beleidsnota De archeologische schatkamer Oss is per categorie vastgelegd en gemotiveerd wanneer sprake is van een onderzoeksplicht en wanneer ontwikkelingen hiervan zijn vrijgesteld. Op basis hiervan zijn er op de archeologische beleidskaart 9 categorieën onderscheiden (zie onderstaande tabel). Vrijstellingsgrens Deelgebied

verstoringsoppervlakte

Vrijstellingsgrens diepte

1

Archeologisch beschermd rijksmonument

Bindend advies door RCE.

2

Archeologisch (AMK) monument en bekende vindplaats

0 m2

Historische stads-/dorpskern

tot 50 m2

(uitzondering: historische kern Ravenstein)

(tot 35 m2)

Historische huisplaats

tot 100 m2

Hoge verwachting (onbebouwd)

tot 250 m2

Hoge verwachting (bebouwd;overig stedelijk, bedrijventerrein)

tot 500 m2

3 4 5* * 6* *

Hoge verwachting, maar beperktere kennismeerwaarde (obv Jansen &

*

Laan, 2022)

tot 1000 m2

*

Maaiveld Tot 0,30 m beneden Maaiveld Uitzondering agrarische werkzaamheden tot 0,50 m

Specifieke verwachting (eendenkooien) 8*

beneden

reguliere

Middelhoge verwachting 7*

Tot 0,30 m

beneden maaiveld Lage verwachting

tot 5 ha

Paradijs – Peperstraat 15 Haren – 2024, pag. 32 van 63 Vastgesteld, september 2024

9

Geen verwachting (verstoord en/of volledig onderzocht en/of onvoldoende kennismeerwaarde obv Jansen & Laan, 2022)

Geen onderzoeksplicht

5.3.3 Archeologietoets Voor de locatie ‘Het Paradijs’ geldt dat de archeologische waarden in het bestemmingsplan ‘Groenstraat – Haren – 2012’ uitvoerig onderzocht. Dit heeft er toe geleid dat er geen archeologische dubbelbestemming is opgenomen voor het plangebied. Hiermee vormt het aspect archeologie geen belemmering voor het plan. Voor de locatie ‘Peperstraat 15’ geldt het volgende. De locatie ligt in gebied met categorie 3 (historische stads-/dorpskern) en categorie 7 (middelhoge verwachting). De omgeschakelde bedrijfswoning en bijgebouw heeft een hogere archeologische waarde. Echter worden de twee nieuwe woningen op het achterliggende terrein gerealiseerd. Hier geldt een archeologische onderzoeksplicht indien de bodemingrepen dieper reiken dan 30 cm beneden huidig maaiveld en de omvang groter is dan 1.000 m². De verwachting is dat de realisatie van de twee toekomstige woningen onder de 1.000 m² blijft. De archeologische waarden zijn opgenomen in de planregels.

Paradijs – Peperstraat 15 Haren – 2024, pag. 33 van 63 Vastgesteld, september 2024

5.3.4 Cultuurhistorie Wettelijk kader Door een wijziging van het Bro moeten cultuurhistorische waarden voortaan vooraf in het proces van ruimtelijke ordening worden meegenomen, met name bij de voorbereiding en vaststelling van bestemmingsplannen. Het Bro bevat eisen waaraan de voorbereiding van een bestemmingsplan moet voldoen. Zo wordt er onder meer een beschrijving verlangd van de manier waarop met in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. Dat wordt veranderd in: met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten. De regering wil hiermee bereiken dat aandacht voor cultuurhistorische waarden voortaan in het planproces naar voren wordt gehaald. Doordat plannen nu nog pas na afloop van het planproces worden getoetst aan de regelgeving van de monumentenzorg, wordt monumentenzorg dikwijls ervaren als hindernis. Dit is door de regering erkend en daarbij is de ambitie uitgesproken om de positie van cultuurhistorie aan het begin van het ruimtelijk ordeningsproces juridisch te versterken. Door de verankering van cultuurhistorische waarden in de bestemmingsplannen vermindert tegelijkertijd de noodzaak tot het aanwijzen van nieuwe beschermde monumenten, omdat het belang van de cultuurhistorie wordt geborgd via het proces van de ruimtelijke ordening.

In de Wet tot wijziging van de Monumentenwet 1988 en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in verband met modernisering van de monumentenzorg is daarom al de mogelijkheid voor burgers en belangengroepen om een aanvraag in te dienen om een monument aan te wijzen als beschermd monument, geschrapt. Dit instrument werd door belangengroepen nogal eens ingezet om afgifte van bouwvergunningen te frustreren of te vertragen. Met de wijziging van het Bro wordt tevens de adviesrol van Gedeputeerde Staten beperkt. Tot nu toe moet bij alle ingrepen aan een beschermd monument buiten de bebouwde kom advies aan Gedeputeerde Staten worden gevraagd. Met de wijziging van het besluit hoeft dat alleen nog, als het gaat om monumenten die door de minister op grond van de Monumentenwet 1988 zijn aangewezen. Daarnaast voorziet het besluit in een aantal versoepelingen van vergunningvrij wijzigen of bouwen in, aan of bij beschermde monumenten. Samengevat komen die versoepelingen er op neer, dat voor gewoon onderhoud of voor inpandige veranderingen aan beschermde monumenten geen monumentenvergunning meer nodig is, als de betreffende onderdelen geen monumentale waarde hebben. Bij twijfelgevallen zal men het bevoegd gezag moeten raadplegen.

De bedoeling van het wijzigingsbesluit is om enerzijds cultuurhistorische waarden een duidelijke plaats te geven aan het begin van het planproces en anderzijds onnodige regeldruk, vooral wanneer het gaat om ondergeschikte wijzigingen aan een monument, weg te nemen. Cultuurhistorie: gemeentelijk en provinciaal beleid Het beleid van de gemeente Oss voor wat betreft cultuurhistorie is onder meer neergelegd in het Erfgoedplan Oss 2006 “Op gemengde bodem”. Hierin zijn onder andere opgenomen: historisch bebouwde gebieden, oude verkavelingspatronen, de invloed van de Maas en Rijksmonumenten. Deze nota heeft (nog) geen betrekking op het grondgebied van de voormalige gemeente Lith. Daarnaast heeft de gemeente Oss een Monumentenlijst 2019. Hierin zijn de Rijks- en gemeentelijke monumenten opgenomen. Het provinciale cultuurhistorische beleid is verankerd in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant en op de Cultuurhistorische waardenkaart 2010. Hierin zijn onder andere opgenomen: cultuurhistorische vlakken en complexen van cultuurhistorisch belang. Cultuurhistorie: bestemmingsplanregels en regels in de provinciale Interim omgevingsverordening NoordBrabant Met de onder het kopje ‘archeologie’ genoemde bestemmingsplanregels, is het ook mogelijk om cultuurhistorische waarden in bestemmingsplannen te beschermen.

Een en ander voor zo ver het terreinen betreft (inbouwen sloopvergunningstelsel voor bebouwing). Kortheidshalve wordt naar het kopje ‘archeologie: bestemmingsplanregels’ verwezen. De provincie Noord-Brabant heeft in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant bindende regels opgenomen ter bescherming van cultuurhistorische waarden.

Paradijs – Peperstraat 15 Haren – 2024, pag. 34 van 63 Vastgesteld, september 2024

Beoordeling plan Het aspect cultuurhistorie is uitvoerig onderzocht in het bestemmingsplan ‘Groenstraat – Haren – 2012’ voor de locatie ‘Het Paradijs’. Uit de Cultuurhistorische Waardenkaart van de provincie Noord-Brabant (onderstaande afbeelding) blijkt dat er geen cultuurhistorische elementen aanwezig zijn die aangetast kunnen worden door de ontwikkeling aan de Peperstraat 15 in Haren.

Met onderhavig plan worden geen cultuurhistorische waarden verstoord.

Paradijs – Peperstraat 15 Haren – 2024, pag. 35 van 63 Vastgesteld, september 2024

5.4

Mobiliteit en parkeren

5.4.1 Verkeer De Mobiliteitsvisie Oss uit 2009 heeft als doel het in balans brengen van bereikbaarheid, leefbaarheid en veiligheid. De mobiliteitsvisie is uitgewerkt in het Mobiliteitsplan 2020 Oss. Het deelplan Wegen werkt het gewenste netwerk voor het autoverkeer uit. Per weg is de gewenste functie vastgelegd. Van belang is de vraag of een initiatief leidt tot extra verkeersbewegingen en of de toename van verkeersbewegingen passen binnen de normen die voor ontsluitingswegen gelden. Verkeer: extra verkeersbewegingen Voor de locatie ‘Het Paradijs’ geldt het volgende. In het bestemmingsplan ‘Groenstraat – Haren – 2012’ is de onderbouwing gegeven dat er een toename van verkeersbewegingen plaatsvindt (voor ca. 30 woningen), maar dat het beperkte aantal toegenomen verkeersbewegingen worden verdeeld over een paar straten. Daarom is de toename van het aantal verkeersbewegingen per straat gering. Ten opzichte van het oude plan worden er nog twee woningen extra toegevoegd. Dit leidt niet tot een dusdanige toename van het aantal verkeersbewegingen dat dit belemmering oplevert voor de omgeving. Onderstaand de tabel met de verkeersbewegingen per dag volgens CROW publicatie ‘Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie (publicatie 381)’. Soort woning Vrijstaande woning (1 woning) Twee-onder-een-kapwoning (2 woningen) Rij- en hoekwoning (4 woningen) Totaal

Verkeersgeneratie per dag 8,2 7,8

Totale verkeersgeneratie 8,2 15,6

7,4

29,6 53,4

De huidige agrarische functie van de locatie ‘Peperstraat 15’ zorgt voor de volgende verkeersbewegingen.

Voor de vleesvarkenstak, zoogkoeien en de akkerbouwtak zijn geen specifieke kencijfers beschikbaar. De aantallen zijn op basis van ervaring van de initiatiefnemer. De verkeersbewegingen voor deze takken bestaan voornamelijk uit vrachtverkeer (vleesvarkens) of verkeer met landbouwvoertuigen. Voor de bedrijfswoning is uitgegaan van de kencijfers voor een vrijstaande woning in rest bebouwde kom, hiervoor geldt een verkeersgeneratie van maximaal 8,2 bewegingen per dag, volgens CROW publicatie ‘Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie (publicatie 381)’.

Paradijs – Peperstraat 15 Haren – 2024, pag. 36 van 63 Vastgesteld, september 2024

Uit de tabellen is op te maken dat er in de nieuwe situatie sprake is van een geringe toename aan verkeersbewegingen, te weten: 3,2 verkeersbewegingen per dag. Echter door het wegvallen van het agrarisch bedrijf aan de Peperstraat 15 en hiermee het zwaar verkeer (vrachtwagens en landbouwvoertuigen) komt te vervallen is deze geringe toename aan verkeersbewegingen met enkel licht verkeer in de nieuwe situatie acceptabel. Verkeer: ontsluitingswegen De nieuwe woningen aan Het Paradijs en de parkeerplaatsen sluiten aan op de bestaande weg ‘Het Paradijs’. Hiermee wordt het plan ontsloten via de al bestaande situatie. De twee nieuwe woningen op de locatie ‘Peperstraat 15’ worden ontsloten via de Luensestraat. Deze weg komt uit op de kruising met de Peperstraat en loopt door tot de kruising Groote Woordstraat en Groenstraat. De projectlocatie is gelegen aan de rand van de kern waar een maximumsnelheid geldt van 30 km/uur. De Luensestraat heeft voldoende capaciteit om de geringe verkeersbewegingen afkomstig van de nieuwe woningen op te vangen. Om de nieuwe woningen bereikbaar te maken wordt er een afzonderlijke inrit voor elke woning aangelegd ter plaatse van de bestaande inrit naar de varkensstal, welke aansluiting heeft op de Luensestraat. 5.4.2 Parkeren De gemeente Oss heeft een gemeentelijk parkeerbeleidsplan vastgesteld.

De nota ‘Parkeernormen 2017’ geeft aan welke parkeernormen voor welke gebieden gelden. Aangezien dit plan zorgt voor de afronding van het project ‘Het Paradijs’ is voor wat betreft de benodigde parkeerplaatsen gekeken naar het gehele project. De al bestaande woningen zijn daarom meegenomen. De parkeereis is als volgt: - 8 vrijstaande woningen (koop): 2,3 pp - 8 twee-onder-een-kapwoningen (koop): 2,2 pp - 16 tussen/hoekwoningen (koop): 2,0 pp - totaal: 68 pp In het project (inclusief fase 3) ‘Het Paradijs’ is het parkeren als volgt ingedeeld: - bestaand openbaar: 23 pp - bestaand eigen terrein: 32 pp - nieuw openbaar: 4 pp - nieuw eigen terrein: 10 pp - totaal: 69 pp Onderstaand het stedenbouwkundig plan in combinatie met de aanwezige en toekomstige parkeerplaatsen. Op de afbeelding zijn de parkeerplaatsen voor de al bestaande woningen ook ingetekend. In de huidige situatie wordt er anders geparkeerd dan hoe de parkeerplaatsen zijn gesitueerd op onderstaande afbeelding. Doordat hier al lange tijd de tijdelijke bestrating aanwezig waarbij er geen parkeervakken zijn aangegeven langs de woonstraat, wordt hier op een andere manier geparkeerd dan oorspronkelijk bedoeld is. Deze manier van parkeren voldoet niet aan de vereiste maatvoeringen. Een aanpassing hiervan, naar de oorspronkelijk bedoelde inrichting is daarom noodzakelijk.

Er moet in ieder geval wel worden voldaan aan het bovenstaand genoemd aantal benodigde parkeerplaatsen.

Paradijs – Peperstraat 15 Haren – 2024, pag. 37 van 63 Vastgesteld, september 2024

Voor de twee vrijstaande woningen aan de Peperstraat 15 geldt een parkeernorm van 2,3 parkeerplaatsen per woningen. Dit betekent in het totaal 6 extra parkeerplaatsen ten behoeve van de twee nieuwe woningen. Het parkeren vindt plaats op eigen terrein. Hier is voldoende ruimte voor aanwezig. 5.5

Water

5.5.1 Wetgeving en beleid De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater. Ook verbetert de Waterwet de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) stelt een watertoets verplicht voor ruimtelijke plannen waarin waterbelangen spelen. De watertoets bewaakt de waterkwaliteit en waterkwantiteit. Een watertoets is het hele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en beoordelen. Waterhuishoudkundige aspecten zijn onder meer veiligheid, wateroverlast, waterkwaliteit, verzilting en verdroging. De watertoets heeft betrekking op alle wateren: rijkswateren, regionale wateren, gemeentelijke en particuliere wateren en grondwater. De gemeente Oss heeft in december 2022 een Water- en Rioleringsprogramma vastgesteld (WRP 20232029). Het programma biedt een kader voor de gemeentelijke watertaken en regelt de zorg voor inzameling en transport van afvalwater, doelmatige verwerking van afvloeiend (overtollig) hemelwater en overtollig grondwater. De gemeente is verantwoordelijk voor de openbare ruimte. In bebouwd gebied vraagt de zorg voor oppervlaktewater extra aandacht. De gemeente is ook verantwoordelijk voor een goede ruimtelijke ordening. Het gaat om voldoende ruimte voor water in ruimtelijke plannen. De watertoets is opgenomen in het Besluit op de ruimtelijke ordening (Bro).

Beleid van gemeente, provincie en rijk is van toepassing bij een watertoets. Toetsing van uw waterparagraaf gebeurt op kwaliteit en kwantiteit. De verwerking van hemelwater, afvalwater en planologische ‘waterbestemmingen’ komen aan bod. Waterbeheerplan Op 19 november 2021 is het nieuwe waterbeheerplan van waterschap Aa en Maas vastgesteld.

Paradijs – Peperstraat 15 Haren – 2024, pag. 38 van 63 Vastgesteld, september 2024

In dit plan is beschreven welke doelstellingen het waterschap nastreeft in de periode 2022-2027 en hoe zij die doelstellingen wil gaan halen. Het plan geldt van 22 december 2021 tot en met 21 december 2027. Het waterbeheerplan is uitgewerkt in de volgende drie programma’s: 1. Waterveiligheid; Het programma ‘Waterveiligheid’ draait om de bescherming tegen overstromingen vanuit de Maas en het regionale watersysteem. 2. Klimaatbestendig en gezond watersysteem; Het programma ‘Klimaatbestendig en gezond watersysteem’ draait om een goed functionerend watersysteem in normale én in extreem droge en natte situaties: klimaatbestendig, robuust, veerkrachtig en stuurbaar. Daarbij let het waterschap op de hoeveelheid (goede waterpeilen, het vasthouden van water en het omgaan met wateroverlast en droogte); en op de kwaliteit van het water (chemisch en ecologisch). 3. Schoon Water; In het programma ‘Schoon Water’ speelt het zuiveren van afvalwater een centrale rol. Voor bebouwde gebieden heeft het waterschap specifieke doelen geformuleerd.

In bebouwd gebied werkt het waterschap toe naar een klimaatrobuust watersysteem waarin: • schoon water niet naar de zuivering gaat, maar het grondwater voedt; • de waterkwaliteit geen risico’s geeft voor de volksgezondheid en geschikt is voor een goede ontwikkeling van flora en fauna, maar ook voor recreatie en evenementen; • de kans op wateroverlast en problemen door droogte en hittestress acceptabel is; • de betrokkenheid en het waterbewustzijn van inwoners, bedrijven en andere stedelijke partners is toegenomen. Deze programma’s zijn verder uitgewerkt in het WBP naar concrete doelstellingen. Deze doelstellingen vinden onder andere een doorwerking in de beschikbare instrumenten van het waterschap; Keur, legger, communicatie en stimuleringsmiddelen. ‘ Waterschap Aa en Maas is verantwoordelijk voor het waterbeheer in haar beheersgebied. Het gaat om het waterkwantiteits- en waterkwaliteitsbeheer, de waterkeringszorg, waterzuivering, grondwaterbeheer en waterbodembeheer. De regels zijn vastgelegd in de Keur (met Algemene- en Beleidsregels) in de vorm van een aantal gebods- en verbodsbepalingen. Keur De Keur is een waterschapsverordening en omvat samen met de Waterwet alle gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen of activiteiten die consequenties hebben voor de waterkwantiteit, waterkwaliteit en waterveiligheid.

De Keur is verder uitgewerkt beleids- en algemene regels. Legger De Keur verwijst in de gebods- en verbodsbepalingen volop naar de legger. De legger legt de status en afmetingen behorende bij de regels van de Keur vast in een overzichtskaart van het waterbeheersgebied. Op deze kaart zijn onder andere dijken, waterlopen en bijbehorende beschermingszones aangegeven. Sinds 1 maart 2015 hanteert waterschap Aa en Maas onderstaande (beleids)uitgangspunten voor het beoordelen van plannen waarbij het verhard oppervlak toeneemt. Deze (beleids)uitgangspunten zijn opgenomen in ‘Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen’. Voor een toename van het verhard oppervlak tussen de 500 m2 en 10.000 m2 kan de vereiste compensatie berekend worden door de toename van het verhard oppervlak (m2) te vermenigvuldigen met een waterschijf van 60 mm. De uitgangspunten bij het toetsen van ruimtelijke plannen zijn: Gescheiden houden van vuil (afval)water en schoon hemelwater; Voorkomen van vervuiling van water;

Paradijs – Peperstraat 15 Haren – 2024, pag. 39 van 63 Vastgesteld, september 2024

Schoon hemelwater kan volgens de voorkeursvolgorde worden verwerkt: 1. Hergebruik 2. Infiltratie/bergen 3. Afvoer Hydrologisch neutraal ontwikkelen (HNO), zodat een ontwikkeling niet leidt tot een hydrologische achteruitgang, zowel in als buiten het plangebied. Ook mogen geen hydrologische knelpunten ontstaan voor huidige en vastgelegde toekomstige landgebruik functies. Dit betekent dat: 1. De afvoer uit het gebied niet groter wordt dan in de referentiesituatie; 2. De grondwateraanvulling in het plangebied gelijk blijft of toeneemt; 3. Grond- en oppervlaktewaterstanden in de omgeving gelijk blijven, of verbeteren voor de huidige en toekomstige landgebruiksfuncties; 4. De (grond)waterstanden in het plangebied aansluiten op de (nieuwe) functie(s) van het plangebied; 5. Het plangebied zo wordt ingericht dat de hydrologische gevolgen van vastgestelde toekomstige ontwikkelingen in de omgeving niet leiden tot knelpunten in het plangebied. In het plangebied zijn geen A, B of C-watergangen gelegen. Water- en Rioleringsprogramma Oss 2023-2029 De gemeente Oss heeft een Water- en Rioleringsprogramma (Wrp) Oss 2023-2029 opgesteld. In dit Wrp geeft de gemeente Oss voor de komende jaren weer hoe zij de gemeentelijke watertaken wenst in te vullen.

De gemeente heeft de wettelijke taak om voor de riolering en het stedelijk water te zorgen waarbij zij een zorgplicht heeft voor stedelijk afvalwater, voor afvloeiend hemelwater en voor grondwatermaatregelen. Dit Wrp geeft aan hoe dat de gemeente deze watertaken uitvoert. Hierbij is een nauwe relatie met de taken van het waterschap; zuivering van afvalwater, waterkwaliteits- en kwantiteitsbeheer. Naast deze watertaken heeft de gemeente tevens de taak om in te spelen op klimaatadaptatie om ervoor te zorgen dat de leefomgeving beter bestand is tegen het veranderd klimaat met meer hevige neerslag, langere periodes van droogte en intensieve hittegolven. Zij zal hiervoor maatregelen moeten nemen om regenwater veilig en lokaal te bergen en aan het grondwater toe te voegen (infiltreren) en ook hittestress te beperken en droogteschade zo veel als mogelijk te voorkomen. Deze watertaken dragen bij aan de zorg voor een klimaatrobuust Oss in 2050. De gemeente heeft in het Water- en Rioleringsprogramma 11 beleidsdoelen opgesteld: 1. Het realiseren van een aantrekkelijk en zichtbaar watersysteem; 2. Goede communicatie met burgers omtrent water; 3. Het op een duurzame wijze beschermen van de volksgezondheid; 4. Het op peil houden van de kwaliteit van de leefomgeving; 5. Het beschermen van het grond- en wateroppervlaktewater en bodem; 6.

Het voorkomen van wateroverlast door (hevige) neerslag; 7. Het klimaatadaptief inrichten van de leefomgeving; 8. Het voorkomen en beperken van grondwateroverlast; 9. Het beschermen van de waterkwaliteit; 10. Het voorkomen van wateroverlast vanuit het watersysteem; 11. Het bijdragen aan het minimaliseren van effecten van droogte. Het stedelijk afvalwater wordt ingezameld en getransporteerd naar de rioolwaterzuiveringsinrichting (RWZI). Ten aanzien van het hemelwater wordt gestreefd naar een waterrobuust systeem, waarbij zoveel mogelijk hemelwater verwerkt kan worden in de openbare ruimte zonder dat er wateroverlast ontstaat in woningen en bedrijven. Daarvoor is het afkoppelen en infiltreren een belangrijk middel, om ervoor te zorgen dat zo min mogelijk schoon water naar de RWZI verplaatst hoeft te worden. Dit betekent dat bij

Paradijs – Peperstraat 15 Haren – 2024, pag. 40 van 63 Vastgesteld, september 2024

nieuwbouw voldaan moet worden aan nieuwe eisen om meer hemelwater te kunnen verwerken. Deze waterberging moet deels in het openbaar gebied en deels op het terrein van bewoners en bedrijven worden gerealiseerd. In het programma zijn dan ook normen gesteld ten aanzien van nieuwbouw. Bij ver- en nieuwbouw binnen de bebouwde kom met een toename van 500 m2 of meer verhard oppervlak moet 60 mm hemelwater op eigen terrein kunnen worden vastgehouden en lokaal worden geïnfiltreerd (bergings/infiltratievoorziening, vijver, wadi of lager gelegen gronden). Het surplus mag bovengronds op de erfgrens aangeboden worden. Ontwikkelingen met een toename onder de 500 m2 verhard oppervlak moeten 25 mm hemelwater op eigen terrein kunnen bergen. Als dit aantoonbaar niet mogelijk is, dan is een directe of gebufferde afvoer vanaf het perceel naar de riolering of de openbare ruimte bespreekbaar. Alles wat meer valt moet in het openbaar gebied worden opgevangen en daar in de bodem infiltreren of via bestaande systemen worden geborgen en afgevoerd. Buiten de bebouwde kom verwachten we dat iedereen zelf het hemelwater verwerkt. Hier is voldoende ruimte om hemelwater op eigen perceel te infiltreren in de bodem of te lozen op lokaal oppervlaktewater. Het is verboden om hemelwater aan te sluiten op de in het buitengebied aanwezige mechanische riolering. 5.5.2

Watertoets

Hemelwaterverwerking locatie ‘Het Paradijs’ Voor wat betreft hemelwaterverwerking wordt vastgehouden aan het gemeentelijk beleid. Dit betekent dat binnen het plangebied 60 mm geborgen moet worden ten opzichte van het totaal verhard oppervlak. Voor de particuliere percelen geldt dat 25 mm geborgen moet worden op eigen terrein met oppervlakkige overloop naar het openbaar gebied. Op deze locatie is de sprake van een slecht doorlatende grond, waardoor op particulier terrein wel grondverbetering moet plaatsvinden dit mogelijk te maken. De nieuwe woningen aan de zuidzijde kunnen ook een oppervlakkige overloop naar de watergang aan de achterzijde realiseren in plaats van oppervlakkig naar de openbare ruimte. Hemelwaterverwerking locatie ‘Peperstraat 15’ Bij de bouw van twee nieuwe woningen moet uitgegaan worden van een dakoppervlak van 400 m2 (100 m2 woning met 100 m2 bijgebouw x 2 woningen). Hiermee wordt onder de 500 m2 verhard oppervlak gebleven. In dit geval zal 25 mm hemelwater op eigen terrein geborgen moeten worden. Voor de hemelwaterafvoer afkomstig van het dakoppervlak van de nieuwe woningen zal gebruik worden gemaakt van grindkoffers. Grindkoffers bestaan uit een worteldoek gevuld met grind. De regenpijp komt hier boven op uit. In dit geval is de volgende capaciteit benodigd: 0.025 x 400 m2 = 10 m3 hemelwater dat geborgen moet worden.

Uitgaande van grindkoffers, waarbij 1/3 deel uit holle ruimte bestaat komt op uit op een capaciteit van 10 m3/0,33 = 30 m3. De grindkoffers zullen in ieder geval in zijn geheel aangelegd moeten worden boven de GHG. Uitgaande dat de grindkoffers 40 cm diep kunnen worden aangelegd, zal de totale oppervlakte 75 m2 bedragen (30 m3/0,4 m). De grindkoffers worden bij voorkeur aangelegd langs de gevels van de woningen en/of langs de bestrating (inrit). In dit kader is dus sprake van hydrologisch neutraal ontwikkelen.

Paradijs – Peperstraat 15 Haren – 2024, pag. 41 van 63 Vastgesteld, september 2024

Voor de inrit kan gebruik worden gemaakt van waterpasserende verharding. Dit is bestrating met een onderlaag van gebroken lavasteen. Waterpasserende verharding kan vlak komen te liggen en hoeft niet onder afschot te liggen. Dit in verband met dat anders alles van de verharding afloopt voordat het kan infiltreren. Ook kan gekozen worden om de afvoer van het hemelwater op de inrit via een goot naar de nieuw te realiseren grindkoffers af te voeren. Bij een T=100 bui is een overstort mogelijk op de reeds aanwezige greppel aan de oost- en noordwestzijde van het perceel, waarna het hemelwater langzaam zal wegvloeien in de bodem en het omliggende groen. Verhard oppervlak locatie ‘Het Paradijs’ Om te bepalen wat het totaal verhard oppervlak van dit plan is, is gebruikt gemaakt van een percentage verhard oppervlak in verhouding met de oppervlakte van het perceel. Voor dit plan betekent dat er een toename van totaal 1.498,6 m² aan verhard oppervlak is. Het totaal te bergen op particulier terrein is ongeveer 32 m³.

Oppervlakte perceel

Percentage verhard

Toename verhard oppervlak

228 m²

75%

171 m²

123 m²

90%

110,7 m²

134 m²

90%

120,6 m²

268 m²

75%

201 m²

307 m²

75%

230,25 m²

251 m²

75%

188,25 m²

478 m²

60%

286,8 m²

114 m², 55 m², 21 m²

Stoep, parkeerplaatsen en

190 m²

inritten

Paradijs – Peperstraat 15 Haren – 2024, pag. 42 van 63 Vastgesteld, september 2024

Totaal

1.498,6 m²

Totaal moet er 1.498,6 x 0,06 = 89,92 m³ geborgen kunnen worden. Dit betekent dat de aan te leggen wadi nog 57,9 m³ hemelwater moet kunnen bergen. De wadi heeft een oppervlakte van 225 m². Met een oppervlakte van 225 m² en uitgaande van een stijging van minimaal 30 cm is dit ruim voldoende om de benodigde 57,9 m³ te kunnen bergen. Verhard oppervlak locatie ‘Peperstraat 15’ Er is sprake van een lichte toename in verharding. Er worden twee nieuwe woningen van ca. 8 m bij 12,5 m (100 m2) met elk een bijgebouw van in totaal 100 m2 gerealiseerd. Dit betekent dat in totaal 400 m2 aan bebouwing gerealiseerd zou mogen worden. De bestaande varkensstal heeft een omvang van 350 m². Dit betekent een toename van 50 m² dakoppervlak binnen de locatie. De toename van verharding is < 500 m2, wat betekent dat vanuit het waterschap een vrijstelling geldt en compensatie dus kan uitblijven. In het gemeentelijk beleid wordt uitgegaan van een berging van minimaal 25 mm op eigen terrein. In de huidige situatie bedraagt de erfverharding ca. 175 m2. In de nieuwe situatie zal de erfverharding veelal bestaan uit inritten en terrassen. Hierbij kan worden uitgegaan van een nagenoeg gelijkblijvende oppervlakte aan erfverharding. Riolering locatie ‘Het Paradijs’ Bij de uitvoering van het plan uit 2012 is al riolering binnen het plangebied aangelegd.

Voor de vuilwateraansluiting zijn in het plangebied al verschillende aansluitingen aanwezig. Waar dit mogelijk is wordt hierop aangesloten. Indien dit niet nodig is wordt er een nieuwe aansluiting gemaakt. Riolering locatie ‘Peperstraat 15’ Voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater van de nieuwe woningen wordt een aparte rioolaansluiting aangesloten. Deze loopt langs de Luensestraat. Slechts het vuile huishoudelijk afvalwater wordt afgevoerd via het riool. In hoofdstuk 3 staat de situatietekening waarop de riolering staat aangegeven. 5.6 Defensie Uit oogpunt van defensie kunnen er beperkingen gesteld worden aan ruimtelijke ontwikkelingen in een gebied. Belangrijke aandachtspunten met betrekking tot het defensiebelang zijn: - Radarverstoringsgebieden; - Obstakelbeheergebieden; - Laagvliegroutes voor jachtvliegtuigen; - Geluidszones voor militaire luchtvaartterreinen. Het gehele plangebied is gelegen binnen het radarverstoringsgebied van een radar van de vliegbasis Volkel. Binnen dit gebied is het in beginsel niet toegestaan om hogere bebouwing op te richten dan 114 meter boven NAP. Indien er initiatieven zijn voor het oprichten van hogere bouwwerken of gebouwen, dan kan dit toegestaan worden als blijkt dat de radar niet onevenredig wordt verstoord. Dit kan door TNO worden berekend.

Beoordeling plan Dit bestemmingsplan voorziet echter nergens in bouwmogelijkheden tot een dergelijke hoogte. Daarmee is het belang van het radarverstoringsgebied binnen dit bestemmingsplan voldoende gewaarborgd.

Paradijs – Peperstraat 15 Haren – 2024, pag. 43 van 63 Vastgesteld, september 2024

Bij een eventueel toekomstig initiatief voor een bouwwerk met een hoogte tot 114 meter boven NAP of hoger dient het defensiebelang nadrukkelijk betrokken te worden bij de aanvaardbaarheid van de ontwikkeling. Voor het overige geldt dat het plangebied niet gelegen is binnen een obstakelbeheergebied, een laagvliegroute voor jachtvliegtuigen of een geluidszone voor militaire luchtvaartterreinen. Aan deze aspecten hoeft dan ook geen verdere aandacht besteed te worden. 5.7 Milieuaspecten In deze paragraaf wordt ingegaan op de milieu- en omgevingsaspecten die verband houden met, of betrekking hebben op de ruimtelijke ontwikkeling. Het gaat daarbij meestal om de wisselwerking met de omgeving. Welke gevolgen heeft het initiatief voor de omgeving en omwonenden? Maar ook, welke gevolgen hebben activiteiten in de omgeving voor de mogelijkheden op de projectlocatie? Achtereenvolgens komen de volgende aspecten aan bod: - Bedrijven en milieuzonering - Bodem - Externe veiligheid - Geurhinder: agrarisch - Geur: industrieel - Luchtkwaliteit - Straling - Weg-, spoor-, en industrielawaai - Gezondheid - Spuitzones 5.7.1 Bedrijven en milieuzonering Een goede ruimtelijke ordening voorkomt hinder en gevaar. Dit kan door voldoende afstand te houden tussen milieubelastende activiteiten van bedrijven en gevoelige functies, zoals woningen.

Het doel van milieuzonering is om de kwaliteit van het woon- en leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Daarnaast kan milieuzonering bedrijven voldoende zekerheid bieden om hun activiteiten duurzaam uit te voeren. De handreiking Bedrijven en milieuzonering van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) geeft richtafstanden om de milieuzonering van bedrijven te kunnen bepalen. Beoordeling plan Aan de Groenstraat 2A in Haren is een timmerbedrijf gevestigd. Het timmerbedrijf valt in milieucategorie 2. De richtafstand voor geluid bedraagt 30 meter. Aan deze richtafstand wordt niet voldaan voor de nieuwe woningen aan ‘Het Paradijs’. Het aspect industrielawaai dient daarom verder te worden uitgewerkt. Direct grenzend aan het timmerbedrijf zijn al woningen gerealiseerd. Deze woningen zijn in 2012 planologisch mogelijk gemaakt door middel van het bestemmingsplan ‘Groenstraat-Haren – 2012’. Om deze woningen destijds mogelijk te maken is een onderzoek naar industrielawaai verricht. In dit onderzoek is ook uitgegaan van woningbouw op de locatie van de nieuwe woningen. Uit dit onderzoek is gebleken dat het timmerbedrijf geen belemmering vormt voor de woningbouw. De verdere onderbouwing m.b.t. het aspect industrielawaai vindt plaats in paragraaf 5.7.8. Voor de twee nieuwe woningen aan de Peperstraat 15 geldt dat deze woningen op voldoende afstand (100 m) liggen van dit timmerbedrijf.

In de directe nabijheid van het plangebied zijn geen (intensieve) veehouderijen. Met het plan worden dan ook geen agrarische bedrijven belemmerd in hun bedrijfsvoering. De dichtstbijzijnde veehouderij zonder

Paradijs – Peperstraat 15 Haren – 2024, pag. 44 van 63 Vastgesteld, september 2024

een geuremissiefactor (melkvee) ligt op een afstand van ca. 350 m. Deze bevindt zicht buiten de aan te houden afstand van 100 m voor geur. Het aspect bedrijf- en milieuzonering vormt geen belemmering voor onderhavig plan. 5.7.2 Bodem Op basis van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening en artikel 3.2 Algemene wet bestuursrecht, moet in planvorming rekening gehouden worden met de bodemkwaliteit in relatie tot de gewenste functies. In de Bouwverordening van de gemeente Oss is geregeld dat onder bepaalde omstandigheden het oprichten van gebouwen pas kan plaatsvinden als de bodem geschikt is (of geschikt is gemaakt) voor het beoogde doel. Om die reden dient bij iedere nieuwbouwactiviteit de bodemkwaliteit door middel van onderzoek te worden vastgesteld. Beoordeling plan Voor de locatie ‘Het Paradijs’ geldt het volgende. Bij het opstellen van het bestemmingsplan ‘Groenstraat – Haren – 2012’ is het aspect bodem uitvoerig onderzocht. Daarnaast is de grond van het plangebied al gesaneerd. Voor de locatie ‘Peperstraat 15’ geldt het volgende. Voor het gehele perceel, waaronder de bouwlocatie van twee nieuwe woningen op het perceel is een verkennend bodemonderzoek NEN 5740 en verkennend en ander asbestonderzoek (NEN 5707/NEN 5897) uitgevoerd. De rapportages zijn opgenomen in de bijlagen. Met betrekking tot de bodemkwaliteit is het volgende van toepassing.

Historische gegevens Uit het verrichte vooronderzoek zijn (voormalige) potentiële bronnen vastgesteld die bodemverontreiniging tot gevolg kunnen hebben. Het betreft de voormalige spoelplaats. In het kader van beëindiging van bedrijfsactiviteiten worden deze beschouwd als verdachte locatie met een plaatse bodembelasting met een duidelijke verontreinigingskern (VEP). Het overige terrein wordt, met het oog op het voormalig bedrijfsmatig/agrarisch gebruik, beschouwd als verdachte locatie, diffuse bodembelasting, heterogeen verdeelde verontreiniging op schaal van monsterneming (VED-HE). De bodem ter plaatse van de druppelzone van het asbesthoudende dak zonder goot van de stal wordt als verdacht beschouwd op aanwezigheid van asbest en PCB. De overige bodem binnen de onderzoeklocatie wordt op basis van het vooronderzoek en de terreinverkenning niet als asbestverdacht beschouwd. Vanuit de directe omgeving wordt geen beïnvloeding verwacht op de bodemkwaliteit. In de regio worden gehalten aan zware metalen (met name barium) in het grondwater aangetoond. Deze kunnen als regionaal verhoogd worden beschouwd. Bodemkwaliteit voormalige spoelplaats Zintuiglijke waarnemingen Tijdens het verrichte veldwerk ter plaatse van de spoelplaats zijn geen bodemvreemde bijmengingen aangetroffen in de opgeboorde grond.

Analyseresultaten (meng-)monsters In mengmonster BG1, samengesteld uit visueel schone bovengrond ter plaatse van de voormalige spoelplaats, zijn gehaltes aan PCB en zink aangetoond boven de achtergrondwaarden. De aangetoonde verhoogde gehaltes kunnen gerelateerd worden aan het voormalige gebruik van de spoelplaats. De gemeten gehalten vormen geen aanleiding voor aanvullend onderzoek.

Paradijs – Peperstraat 15 Haren – 2024, pag. 45 van 63 Vastgesteld, september 2024

Analyseresultaten grondwater In het grondwater ter plaatse van peilbuis 1, gesitueerd ter plaatse van de voormalige spoelplaats, is een gehalte aan barium gemeten boven de streefwaarde. De aangetoonde concentratie gehalte aan barium kan als natuurlijk verhoogd worden beschouwd. Conclusie De aanwezigheid van de voormalige spoelplaats heeft niet geleid tot matige of sterke verontreiniging in grond en/of grondwater. Bodemonderzoek overige locatiedelen Zintuiglijke waarnemingen verkennend bodemonderzoek Tijdens het verrichten van veldwerk zijn geen bijzonderheden aangetroffen in de bodem die duiden op bodemverontreiniging zoals een visuele bijmenging van baksteen, puin, asbest, kooltjes en slakken of een waarneming van afwijkende kleur of geur. De beoordeling van de opgeboorde grond vormt geen aanleiding voor aanpassingen van de onderzoeksstrategie. Het aangetroffen menggranulaat rondom de spoelplaats is duidelijk visueel herkenbaar als eenduidig materiaal en, voor zover in eerste instantie zintuiglijk beoordeeld kon worden, niet vermengd met asbesthoudend materiaal. De halfverharding wordt niet als bodem beschouwd en valt buiten de scope van dit onderzoek. Analyseresultaten (meng-)monsters In mengmonster BG2, samengesteld uit visueel schone bovengrond, zijn geen gehaltes aan onderzochte stoffen aangetoond boven de achtergrondwaarden.

In mengmonster BG3, samengesteld uit visueel schone bovengrond, zijn gehaltes aan kobalt, koper, zink en cadmium aangetoond boven de achtergrondwaarden. In mengmonster BG4, samengesteld uit visueel schone bovengrond ter plaatse van de dierweide, zijn gehaltes aan kobalt, zink en lood aangetoond boven de achtergrondwaarden. De aangetoonde verhoogde gehaltes aan zware metalen in BG3 en BG4 kunnen gerelateerd worden aan het gebruik van de locatie door de jaren heen. Conclusie Ter plaatse van de onderzoeklocatie zijn geen verontreinigingen aangetoond die aanleiding vormen voor het uitvoeren van nader of aanvullend bodemonderzoek. Asbestonderzoek druppelzone Veldwaarnemingen asbestonderzoek Tijdens inspectie van maaiveld is geen asbestverdacht plaatmateriaal visueel waargenomen. Analyse (fractie > 20 cm) heeft derhalve niet plaatsgevonden. Analyseresultaten PCB en asbest In mengmonster BG5, samengesteld uit de toplaag ter plaatse van de druppelzone van de stal, is een gehalte aan PCB-’s aangetoond boven de achtergrondwaarde. Het gehalte kan gerelateerd zijn aan de verwering van de coatinglaag van de golfplaten. De aangetoonde concentratie vormt geen aanleiding voor aanvullend onderzoek. In het geanalyseerde grondmengmonster mm1 is een concentratie asbest aangetroffen. Uit de berekening van het gewogen gehalte blijkt een gehalte van 50 mg/kgds.

Uit de aanvullende SEM-analyse blijkt dat sprake is van een gehalte aan respirabele asbestvezels van minder dan 1,1 mg/kgds. Dit gehalte overschrijdt de grenswaarde voor respirabele vezels (norm <10 mg/kgds) niet.

Paradijs – Peperstraat 15 Haren – 2024, pag. 46 van 63 Vastgesteld, september 2024

Conclusie Er is geen aanvullend onderzoek naar asbest in de druppelzone noodzakelijk. Verkennend en nader asbestonderzoek Er is aansluitend een verkennend en nader asbestonderzoek uitgevoerd. Aanleiding voor het verkennend bodemonderzoek wordt gevormd door asbestverdachte halverharding (menggranulaat/puin) onder klinkerverharding ten oosten van de stal. Verkennend asbestonderzoek NEN5897 en NEN5707 In de halfverharding ter plaatse van meetpunt 1 en 3 zijn stukjes vlakke plaat waargenomen tijdens het zeven met veldgewicht van totaal 29 gram. Uit de berekening van de homogeniteitstoets van de halfverhardingslaag blijkt dat de proefgaten 1 t/m 3 op basis van de aangetroffen fragmenten niet significant van elkaar verschillen. In het geanalyseerde mengmonster mm1 van de halfverhardingslaag is een concentratie asbest aangetroffen. Uit de analyse van het aangeleverde mengmonster is een asbestgehalte van 65 mg/kg.d.s. vastgesteld. Uit de berekening van het gewogen gehalte van asbestgehalte groter en kleiner dan 20 mm blijkt een gehalte van 65 mg/kg.d.s. In het geanalyseerde mengmonster mm2 van de bodemlaag (klei) is een concentratie asbest aangetroffen. Uit de analyse van het aangeleverde mengmonster is een asbestgehalte van 10 mg/kg.d.s. vastgesteld.

Het gewogen asbestgehalte van de onderzochte halfverharding overschrijdt de grens voor nader onderzoek (0,5 x Interventiewaarde = 50 mg/kg.d.s.). De bodemlaag onder de halfverharding (klei) overschrijdt de grens voor nader onderzoek niet. De bodem is onverdacht op aanwezigheid van asbest in de bodem in een gehalte boven de interventiewaarde. Geadviseerd wordt nader onderzoek te verrichten naar het asbestgehalte van de halfverharding. De nader te onderzoeken RE (ruimtelijke eenheid) komt overeen met de deellocatie zoals in dit onderzocht. Het aantal te inspecteren proefsleuven bedraagt 3 stukt. De onderliggende bodem is voldoende onderzocht. Nader asbestonderzoek NEN5897 Op basis van het verkennend asbestonderzoek in puin en in bodem wordt ter plaatse van de asbestinspectiegaten 1, 2 en 3 uit voorgaand verkennend asbestonderzoek uitgegaan van een verdachte halfverharding op de locatie met betrekking tot de aanwezigheid van asbest. Op basis van de veldwerkbevindingen wordt één ruimtelijke eenheid (RE1) bepaald. RE1: afgedekte funderingslaag ter plaatse van de klinkerverharde oprit. Het nader asbestonderzoek is uitgevoerd door het graven en inspecteren van proefsleuven middels zeven alle uitgegraven materiaal. - In proefsleuf 101 is 2,67 kg asbesthoudend materiaal aangetroffen dat groter is dan 20 mm.

- In proefsleuf 102 is 44,4 gram asbesthoudend materiaal aangetroffen dat groter is dan 20 mm. - In proefsleuf 103 is geen asbesthoudend materiaal waargenomen tijdens het zeven. De halfverharding ter plaatse van proefsleuf 101 is verontreinigd met asbest boven interventiewaarde. De halfverharding dient als sterk verontreinigd beschouwd te worden. De omvang van de verontreinigde bovengrond wordt ingeschat op 60 m² tot een diepte van maximaal 0,6 minus maaiveld, zijnde circa 30 m³. Geadviseerd wordt de halfverharding, voor zover deze verontreinigd is met asbest boven de interventiewaarde te verwijderen van de locatie op basis geldende wetgeving en veiligheidseisen.

Paradijs – Peperstraat 15 Haren – 2024, pag. 47 van 63 Vastgesteld, september 2024

Conclusie Voor het asbest in de stortlaag (halfverharding) wordt een voorwaardelijke verplichting opgenomen in de planregels. Bij de aanvraag omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen moet dit verder worden uitgevoerd. Voor het asbest in druppelzone wordt geadviseerd het asbest in de toplaag (contactzone) te verwijderen. Dit om contact met het asbest in de toekomstige situatie (wonen met tuin) te voorkomen. 5.7.3 Externe veiligheid Rijkskader Externe veiligheid behandelt de risico's die ontstaan als gevolg van opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen. Deze risico’s kunnen hun weerslag hebben op de omgeving. Het wettelijke kader voor externe veiligheid bestaat onder meer uit: - het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) - het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) - het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Enerzijds gaat het over de risicobronnen (bedrijven of transportroutes). Anderzijds gaat het over de risicoontvangers (omstanders die niets met de opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen te maken hebben). Wat betreft de risico-ontvangers maakt de wetgeving onderscheid in kwetsbare objecten en beperkt kwetsbare objecten. Kwetsbare objecten zijn gebouwen, waarin (of waarbij) groepen van circa 50 personen of groter, gedurende langere aaneengesloten tijd verblijven.

Ook sommige gebouwen waarin/waarbij kleinere groepen verblijven, worden als kwetsbaar object gezien, wanneer die personen beperkt zelfredzaam zijn (zoals zieken, bejaarden of gehandicapten). Beperkt kwetsbare objecten zijn verspreid liggende woningen en bedrijven waarin/waarbij groepen van minder dan 50 personen gedurende langere aaneengesloten tijd verblijven. In de landelijke wetgeving wordt meer gedetailleerd beschreven wat er onder kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten wordt verstaan. Belangrijk is hierbij dat de opsomming in de wetgeving niet limitatief is, zodat er in de verdere uitwerking van het beleid nog enige vrijheid rest. Verder maakt de wetgever onderscheid tussen het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico (PR) geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De kans heeft betrekking op een fictief persoon die continu op die plaats aanwezig is. Het PR kan op de kaart worden weergegeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. De wetgever schrijft voor hoe moet worden omgegaan met de PR 10-6/jaar. Binnen deze contour heeft iemand die hier continu aanwezig is de kans van 1 op één miljoen om te overlijden als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen.

Het groepsrisico (GR) is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang. Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting bij een calamiteit. Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Dit invloedsgebied wordt begrensd door de 1% letaliteitsgrens (tenzij anders bepaald): de afstand waarop niet meer dan 1% van de blootgestelde mensen in de omgeving komt te overlijden bij een calamiteit met gevaarlijke stoffen. Gemeentelijk kader Ook in de gemeente Oss zijn risicobronnen aanwezig in de vorm van transportassen en stationaire activiteiten. Dit vraagt om een gemeentelijke visie. Op 19 mei 2011 heeft de gemeenteraad de Beleidsvisie Externe veiligheid vastgesteld. Deze beleidsvisie beschrijft op welke manier de gemeente Oss externe veiligheid in haar afwegingen betrekt. Onderstaand een uitsnede van de signaleringskaart Externe Veiligheid (rode punt is de locatie van het plangebied).

Paradijs – Peperstraat 15 Haren – 2024, pag. 48 van 63 Vastgesteld, september 2024

Beoordeling plan Volgens de risicokaart d.d. oktober 2023, ligt onderhavig plangebied niet binnen het invloedsgebied van wegen of inrichtingen. Er vindt transport van gevaarlijke stoffen plaats over de Dorpenweg in Haren. De Dorpenweg ligt op ruime afstand van het plangebied en het vervoer van gevaarlijke stoffen over deze weg is minimaal (geen invloedsgebied). Het aspect externe veiligheid is geen belemmering voor onderhavig plan. 5.7.4 Geurhinder: agrarisch De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) is het beoordelingskader voor geur bij milieuvergunningen, bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen. Het gaat uitdrukkelijk om agrarische geur van landbouwhuisdieren uit dierstallen. De wet maakt onderscheid tussen geurnormen voor intensieve en extensieve veehouderijen. De geurbelasting van intensieve veehouderijen wordt berekend en uitgedrukt in de vorm van een geurcontour. De geurbelasting van extensieve veehouderijen wordt uitgedrukt in vaste afstanden. De gemeente Oss heeft op basis van de wet een eigen geurbeleid opgesteld. Het geurbeleid bestaat uit twee delen: de “Geurgebiedsvisie 2013” en de “Agrarische geurverordening gemeente Oss 2017”.

Het hanteert per soort gebied een eigen geurnorm en streeft de volgende doelen na: - de burger beschermen tegen geurhinder; - de veehouderijen niet onnodig beperken; - ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk maken, onder de voorwaarde dat er een aanvaardbaar woon- en leefklimaat is. De gemeentelijke “Beleidsregel ruimtelijke ontwikkelingen en geurhinder” is van belang voor de vraag of een ruimtelijke ontwikkeling kan plaatsvinden. De beleidsregel geeft aan wanneer sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. In de Verordening geurhinder en veehouderij gemeente Oss 2017 wordt de maximale waarde voor de geurbelasting van een veehouderij op een geurgevoelig object binnen de gemeente Oss vastgelegd. Conform Artikel 3 Waarden voor de geurbelasting van de verordening zijn de volgende waarden vastgelegd: Lid 1. Op grond van artikel 6, lid 1 van de wet en in afwijking van artikel 3, lid 1 van de wet bedraagt de maximale waarde voor de geurbelasting van een veehouderij op een geurgevoelig object in het gebied als genoemd in artikel 2, lid 1 van deze verordening: A. Stad Oss

1,0 Ou

B. Woonkern met geen/enige intensieve veehouderij

2,0 Ou

Paradijs – Peperstraat 15 Haren – 2024, pag. 49 van 63 Vastgesteld, september 2024

C. Plangebied (bij kern A en B)

3,0 Ou

D. Woonkern met intensieve veehouderij

6,0 Ou

E. Zoekgebied + plangebied Maren-Kessel West en Liesdaal

6,0 Ou

F. Recreatiegebieden

8,0 Ou

G. Extensiveringsgebieden

8,0 Ou

H. Bedrijventerreinen

8,0 Ou

I. Bedrijventerrein Vorstengrafdonk

12,0 Ou

J. Verwevingsgebied

14,0 Ou

K. Landbouwontwikkelingsgebied

14,0 Ou

Beoordeling plan Het dichtstbijzijnde agrarisch bedrijf (Peperstraat 15) voor de nieuwe woningen aan Het Paradijs wordt middels onderhavig bestemmingsplan gesaneerd en herbestemd tot ‘Wonen’. Toch heeft ‘De Roever Omgevingsadvies’ een onderzoek naar geurhinder veehouderijen gedaan (d.d. april 2021) m.b.t. het agrarisch bedrijf aan de Peperstraat 15. Het onderzoek is opgenomen in de bijlage van deze toelichting. Uit het onderzoek blijkt dat ter plaatse van het hoogst belaste punt op de rand van een bouwvlak binnen het plangebied: - ruimschoots wordt voldaan aan de afstandseis van 50 m; - de voorgrondbelasting 3 ouE/m³ bedraagt; - de achtergrondbelasting op zijn hoogst 4,9 ouE/m³ bedraagt. Omdat voldaan wordt aan de afstandseis uit de geurverordening kan worden gesteld dat ten aanzien van de afstanden sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. De hoogst berekende voorgrondbelasting binnen het plangebied bedraagt 3 ouE/m³. Deze waarde voor de voorgrondbelasting komt volgens tabel 2 in paragraaf 3.4 overeen met een ‘goed’ woon- en leefklimaat. In paragraaf 3.3.1 is toegelicht dat de geurnorm voor geurgevoelige objecten binnen het plangebied 6,0 ouE/m³ bedraagt. Aan deze geurnorm (die overeenkomst met een ‘redelijk goed’ woonen leefklimaat) wordt voldaan.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Oss&id=8e5bd36f-0551-40e8-abfb-4d1c7e464d9e