Bijlage 1A - Toelichting BP Kromstraat 2a Overlangel - 2024
Tekst van het document
‘ Waterschap Aa en Maas is verantwoordelijk voor het waterbeheer in haar beheersgebied. Het gaat om het waterkwantiteits- en waterkwaliteitsbeheer, de waterkeringszorg, waterzuivering, grondwaterbeheer en waterbodembeheer. De regels zijn vastgelegd in de Keur (met Algemene- en Beleidsregels) in de vorm van een aantal gebods- en verbodsbepalingen. Keur De Keur is een waterschapsverordening en omvat samen met de Waterwet alle gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen of activiteiten die consequenties hebben voor de waterkwantiteit, waterkwaliteit en waterveiligheid. De Keur is verder uitgewerkt beleids- en algemene regels. Legger De Keur verwijst in de gebods- en verbodsbepalingen volop naar de legger. De legger legt de status en afmetingen behorende bij de regels van de Keur vast in een overzichtskaart van het waterbeheersgebied. Op deze kaart zijn onder andere dijken, waterlopen en bijbehorende beschermingszones aangegeven. Sinds 1 maart 2015 hanteert waterschap Aa en Maas onderstaande (beleids)uitgangspunten voor het beoordelen van plannen waarbij het verhard oppervlak toeneemt. Deze (beleids)uitgangspunten zijn opgenomen in ‘Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen’.
Voor een toename van het verhard oppervlak tussen de 500 m2 en 10.000 m2 kan de vereiste compensatie berekend worden door de toename van het verhard oppervlak (m2) te vermenigvuldigen met een waterschijf van 60 mm. De uitgangspunten bij het toetsen van ruimtelijke plannen zijn: Gescheiden houden van vuil (afval)water en schoon hemelwater; Voorkomen van vervuiling van water; Schoon hemelwater kan volgens de voorkeursvolgorde worden verwerkt: 1. Hergebruik 2. Infiltratie/bergen 3. Afvoer Hydrologisch neutraal ontwikkelen (HNO), zodat een ontwikkeling niet leidt tot een hydrologische achteruitgang, zowel in als buiten het plangebied. Ook mogen geen hydrologische knelpunten ontstaan voor huidige en vastgelegde toekomstige landgebruik functies. Dit betekent dat:
Kromstraat 2A Overlangel – 2024, pag. 48 van 78 vastgesteld 23 mei 2024
1. De afvoer uit het gebied niet groter wordt dan in de referentiesituatie; 2. De grondwateraanvulling in het plangebied gelijk blijft of toeneemt; 3. Grond- en oppervlaktewaterstanden in de omgeving gelijk blijven, of verbeteren voor de huidige en toekomstige landgebruiksfuncties; 4. De (grond)waterstanden in het plangebied aansluiten op de (nieuwe) functie(s) van het plangebied; 5. Het plangebied zo wordt ingericht dat de hydrologische gevolgen van vastgestelde toekomstige ontwikkelingen in de omgeving niet leiden tot knelpunten in het plangebied. 5.5.2 Watertoets Door Nipa Milieutechniek is voor het planvoornemen een watertoets uitgevoerd. De watertoets is bijgevoegd bij deze toelichting (bijlage 10). Hieruit blijkt het volgende. Voor de toename van het verharde oppervlak en bebouwing met circa 3.186 m3 moet een bergingsvoorziening worden aangelegd met een inhoud van 3.186 x 0,06 (compensatie-eis waterschap) x 1 (van toepassing zijnde gevoeligheidsfactor) = 191,16 m3. Voorgesteld wordt om een bovengrondse bergingsvoorziening te realiseren, omdat sprake is van een hoge grondwaterstand en een slechte waterdoorlatendheid van de bodem. Het voorstel dat hiervoor is uitgewerkt bestaat uit de aanleg van één infiltratiesloot op eigen terrein (westzijde) en de vergroting van de bestaande sloot aan de noordzijde van het terrein met een wadi.
Deze voorzieningen kunnen een waterhoeveelheid bergen van 245,8 m3 (bestaande voorzieningen niet meegeteld). Dit resulteert in een sluitende waterbalans. Verder kent de watertoets de navolgende samenvatting en conclusies: “In dit onderzoek is gekeken naar de wijze waarop met hemelwater kan worden omgegaan bij de ontwikkeling van sport- en ontmoetingspark aan de locatie Kromstraat te Overlangel: - De locatie ligt deels in een gebied dat gevoelig is voor overstroming. Het voetbalveld zal derhalve verhoogd moeten worden aangelegd. Met het waterschap is afgesproken dat het veld op minimaal 7,65m+NAP moet worden aangelegd en de onderliggende drainage op minimaal 7,15+NAP. Voor een goede afwatering richting de omgeving is de eis van de gemeente dat de drainage op minimaal 7,35+NAP komt te liggen. Hiermee wordt rekening gehouden. Het aanleggen van deze verhoging is zonder vergunning van waterschap Aa en Maas, op grond van de keurregels niet toegestaan. Derhalve dient hiervoor een vergunning te worden aangevraagd. - Geadviseerd wordt een vergunning aan te vragen voor het aanbrengen van een ophoging voor een gedraineerd voetbalveld in beschermingszones A en B langs de dijk.
- Het water afkomstig van de drainage en het regenwaterstelsel kan via een nader uit te werken voorziening overgebracht worden naar een wadi op het terrein waarmee de sloot aan de noordzijde van het plangebied wordt uitgebreid. Het veiligheidsrisico wordt afdoende afgedekt door de aanwezigheid van een hekwerk tussen het verblijfsgebied en de sloot met wadi; - Doordat het opgevangen hemelwater inclusief drainage onder afschot of indien nodig via een pompput naar de bestaande uit te breiden sloot met wadi wordt geleid, is de afvoer van water t.b.v. de sportvelden voldoende te waarborgen. Het overige hemelwater wordt opgevangen in de infiltratiesloot aan de westzijde welke verbonden wordt met de waterbergingsvoorziening in het naastgelegen inbreidingsplan ten westen van de Kromstraat (BIO). - Door de hoge waarde van de GHG (gemiddeld hoogste grondwaterstand) is het aanleggen van een ondergrondse bergings- en infiltratievoorziening geen optie. - De beoogde ontwikkeling heeft geen verstorend effect op het grondwatersysteem. - Materialen die in contact kunnen komen met regenwater mogen niet uitlogen. - Alle maatregelen zullen voorafgaand aan de aanvraag omgevingsvergunning voor de activiteiten 'Bouwen' en ' Aanleggen' moeten worden uitgewerkt door een civieltechnisch adviseur en worden voorgelegd aan en goedgekeurd door de gemeente Oss en het waterschap Aa en Maas.”
Kromstraat 2A Overlangel – 2024, pag. 49 van 78 vastgesteld 23 mei 2024
Op basis van de bevindingen, voorstellen en het advies zoals opgenomen in de waterparagraaf zal bezien moeten worden wat de beste wijze van waterbergen in het plangebied is alsook het afvoeren. Uit de waterparagraaf blijkt in ieder geval dat sprake is van een haalbaar plan v.w.b. het aspect ‘water’. In het kader van het wettelijk vooroverleg is dit bestemmingsplan inclusief watertoets voorgelegd aan Waterschap Aa en Maas. Het waterschap heeft aangegeven dat zij een samenvatting van de watertoets in de toelichting van het bestemmingsplan opgenomen wil zien. Dit is verwerkt. Verder ligt het planvoornemen dicht bij een primaire waterkering. Vanuit inhoudelijk oogpunt is de primaire waterkering een belangrijk aandachtspunt in relatie tot de beoogde ontwikkeling. Het waterschap is thans bezig met de uitwerking van een dijkversterkingsplan voor het dijktraject tussen Cuijk en Ravenstein. Hiervoor is een voorkeursvariant vastgesteld die overlapt met de zuidoosthoek van het plangebied. Hierover heeft enkele malen overleg plaatsgevonden op grond waarvan de situering van het voetbalveld iets is aangepast. Activiteiten binnen de bufferzone van 5 meter zijn niet zonder meer te vergunnen. Aandachtspunten hierbij zijn: 1.
Boven- en ondergrondse objecten zoals bijvoorbeeld beplanting, hekwerken en palen binnen 5 meter van de toekomstige waterkering (geplande scherm) zijn vanuit beheer en onderhoud van de toekomstige waterkering niet of slechts onder voorwaarden toegestaan; In de bufferzone is geen beplanting gepland (zie landschappelijk inpassingsplan), over de plaatsing van hekwerken en palen zijn tussen het waterschap en de initiatiefnemer van het plan afspraken gemaakt. 2. Voor nieuwe (groen)voorzieningen of andere natuurvoorzieningen binnen een zone van 30 meter van de nieuwe waterkering dient rekening gehouden te worden dat deze geen aantrekkende werking hebben op de vestiging van dassen of andere dieren met risico op graafschade in de waterkering; Hiermee is in het landschappelijk inpassingsplan rekening gehouden. Omdat de locatie van de nieuwe waterkering c.q. het geplande scherm nog niet definitief is vastgelegd is afgesproken dat bij de verdere uitwerking van de diverse plannen (voetbalveld, dijkversterking) nader overleg zal plaatsvinden waarbij gezocht wordt naar goede onderlinge inpassing, met waar nodig een tijdelijke watervergunning voor boven- en ondergrondse objecten. Hieraan moet bij het vervolg invulling gegeven worden.
Water vormt – mits voorafgaand aan de aanvraag omgevingsvergunning voor in ieder geval de activiteiten ‘Bouwen’ en ‘Aanleggen’ de hemelwaterberging en -afvoer civieltechnisch wordt uitgewerkt en akkoord bevonden door de gemeente en het waterschap en nader overleg plaatsvindt met het waterschap i.v.m. het dijkverzwaringsproject - geen belemmering voor het planvoornemen. Deze randvoorwaarden zijn juridisch geborgd via een voorwaardelijke verplichting in de regels van dit bestemmingsplan. 5.6
Defensie
Uit oogpunt van defensie kunnen er beperkingen gesteld worden aan ruimtelijke ontwikkelingen in een gebied. Belangrijke aandachtspunten met betrekking tot het defensiebelang zijn: - Radarverstoringsgebieden; - Obstakelbeheergebieden; - Laagvliegroutes voor jachtvliegtuigen; - Geluidszones voor militaire luchtvaartterreinen. Het gehele plangebied is gelegen binnen het radarverstoringsgebied van een radar van de vliegbasis Volkel. Binnen dit gebied is het in beginsel niet toegestaan om hogere bebouwing op te richten dan 114 meter boven NAP. Indien er initiatieven zijn voor het oprichten van hogere bouwwerken of gebouwen,
Kromstraat 2A Overlangel – 2024, pag. 50 van 78 vastgesteld 23 mei 2024
dan kan dit toegestaan worden als blijkt dat de radar niet onevenredig wordt verstoord. Dit kan door TNO worden berekend. Dit bestemmingsplan voorziet echter nergens in bouwmogelijkheden tot een dergelijke hoogte. Daarmee is het belang van het radarverstoringsgebied binnen dit bestemmingsplan voldoende gewaarborgd. Bij een eventueel toekomstig initiatief voor een bouwwerk met een hoogte tot 114 meter boven NAP of hoger dient het defensiebelang nadrukkelijk betrokken te worden bij de aanvaardbaarheid van de ontwikkeling. Voor het overige geldt dat het plangebied niet gelegen is binnen een obstakelbeheergebied, een laagvliegroute voor jachtvliegtuigen of een geluidszone voor militaire luchtvaartterreinen. Aan deze aspecten hoeft dan ook geen verdere aandacht besteed te worden.
Kromstraat 2A Overlangel – 2024, pag. 51 van 78 vastgesteld 23 mei 2024
5.7
Milieuaspecten
In deze paragraaf wordt ingegaan op de milieu- en omgevingsaspecten die verband houden met, of betrekking hebben op de ruimtelijke ontwikkeling. Het gaat daarbij meestal om de wisselwerking met de omgeving. Welke gevolgen heeft het initiatief voor de omgeving en omwonenden? Maar ook, welke gevolgen hebben activiteiten in de omgeving voor de mogelijkheden op de projectlocatie? Achtereenvolgens komen de volgende aspecten aan bod: - Bedrijven en milieuzonering - Bodem - Externe veiligheid - Geurhinder: agrarisch - Geur: industrieel - Luchtkwaliteit - Straling - Weg-, spoor-, en industrielawaai - Gezondheid - Spuitzones 5.7.1 Bedrijven en milieuzonering Een goede ruimtelijke ordening voorkomt hinder en gevaar. Dit kan door voldoende afstand te houden tussen milieubelastende activiteiten van bedrijven en gevoelige functies, zoals woningen. Het doel van milieuzonering is om de kwaliteit van het woon- en leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Daarnaast kan milieuzonering bedrijven voldoende zekerheid bieden om hun activiteiten duurzaam uit te voeren. De handreiking Bedrijven en milieuzonering van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) geeft richtafstanden om de milieuzonering van bedrijven te kunnen bepalen. Het planvoornemen bestaat uit de realisatie van een milieubelastende functie. Het planvoornemen bevat geen milieugevoelig object.
Rondom het planvoornemen liggen diverse milieugevoelige objecten. In onderhavige situatie is het met die reden van belang dat door het planvoornemen geen milieugevoelige objecten in hun woon- en leefklimaat worden aangetast. Milieubelastende functies Voor een veldsportcomplex met verlichting (SBI-code 931) geldt op basis van de VNG-brochure Bedrijven en Milieuzonering een richtafstand van 50 meter voor geluid. Voor geur, stof en gevaar geldt voor deze functie geen richtafstand. Aanvullend op bovenstaande is voor deze functie ook het aspect lichthinder relevant. In het plangebied wordt ook ruimte gemaakt voor ontmoeten. Dit is gelijk te stellen met een buurt- en clubhuis (SBI-code 94991), waarvoor op basis van de VNG-brochure Bedrijven en Milieuzonering een richtafstand van 30 meter geldt. Toetsing woon- en leefklimaat De ruimte voor ontmoeten is specifiek aangeduid op de verbeelding van dit bestemmingsplan, wat ingevolge de regels inhoudt dat het alleen op die plek mag plaatsvinden. Vanaf de aanduidingsgrens wordt de richtafstand van 30 meter tot aan de dichtsbij gelegen gevels van gevoelige functies ruimschoots gehaald. Dit aspect vormt geen belemmering voor een goed woon- en leefklimaat rondom het plangebied. Aan de richtafstand van 50 meter die geldt voor een veldsportcomplex met verlichting tot aan gevels van nabijgelegen milieugevoelige functies niet wordt voldaan.
Met die reden is door Nipa Milieutechniek voor het gehele planvoornemen een akoestisch onderzoek uitgevoerd naar industrielawaai (zie bijlage 12 bij deze toelichting). Hieruit blijkt dat geluid afkomstig van het veldsportcomplex inclusief ondergeschikte
Kromstraat 2A Overlangel – 2024, pag. 52 van 78 vastgesteld 23 mei 2024
voorzieningen en ruimte voor ontmoeten (conform stap 3) geen belemmering vormt voor het woon- en leefklimaat ter plaatse van omliggende geluidgevoelige functies. Voor meer inhoudelijke informatie hierover wordt verwezen naar paragraaf 5.7.8 Weg-, spoor- en industrielawaai van deze toelichting. Om te beoordelen of in verband met het aspect lichthinder sprake is van een belemmering voor de omgeving is door Lux4U een onderzoek naar lichthinder afkomstig van het veldsportcomplex (voet- en korfbal) uitgevoerd. Het onderzoek is bijgevoegd bij deze toelichting (bijlage 13) en kent de navolgende conclusie: “Met betrekking tot de gekozen waarnemers en gevels, voldoet de voorgestelde sportverlichtingsinstallatie aan de "Richtlijn Lichthinder van de Nederlandse Stichting voor Verlichtingskunde (NSVV) van maart 2020 (3e herziene druk) voor zone E3 (stedelijk gebied). Wanneer in plaats van omgevingszone E3, de omgevingszone voor landelijk gebied (E2) wordt gehanteerd, wordt de grenswaarde voor verlichtingssterkte (Ev) en lichtsterkte met de voorgestelde installatie eveneens niet overschreden. Conform de richtlijn lichthinder bedraagt de grenswaarde voor de lichtsterkte zone E2, als gevolg van de beperkte afstand tussen armatuur en woningen, namelijk eveneens 2.500 candela (*) en bedraagt de maximale verlichtingssterkte (lux level, Emax) tegen de gevel 5 lux.
De maximaal toelaatbare hoeveelheid licht die door het armatuur naar boven mag worden uitgestraald, de ULR (Upward Light Ratio), bedraagt in zone E2 in geïnstalleerde stand 2,5%. Met een gevonden waarde van 0,00 wordt ook hieraan voldaan. Om de lichtbelasting naar de omgeving te bepreken zijn op het voetbalveld smallere lichtbundels toegepast met maximale afscherming (interne louvre type LO). De toepassing van smallere bundels in combinatie met toegepaste interne louvre kan resulteren in zichtbaar donkere vlekken op het voetbalveld ondanks dat de gemeten waarde wel voldoen.” Uit voorgaande blijkt dat het planvoornemen geen belemmering vormt voor het woon- en leefklimaat ter hoogte van nabijgelegen geluidgevoelige objecten. De beoogde milieubelastende activiteiten kunnen ter plaatse worden uitgevoerd. 5.7.2 Bodem Op basis van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening en artikel 3.2 Algemene wet bestuursrecht, moet in planvorming rekening gehouden worden met de bodemkwaliteit in relatie tot de gewenste functies. In de Bouwverordening van de gemeente Oss is geregeld dat onder bepaalde omstandigheden het oprichten van gebouwen pas kan plaatsvinden als de bodem geschikt is (of geschikt is gemaakt) voor het beoogde doel. Om die reden dient bij iedere nieuwbouwactiviteit de bodemkwaliteit door middel van onderzoek te worden vastgesteld.
Door Van Oort Bodemonderzoek is in opdracht van de opsteller van dit bestemmingsplan voor de nog niet eerder onderzochte delen van het plangebied (bestaande locatie die in gebruik is door de korfbalvereniging) een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Het onderzoek is bijgevoegd bij deze toelichting (bijlage 14) en kent de hieronder opgenomen samenvatting en advies. “Het doel van het onderzoek is het vastleggen van de kwaliteit van grond en grondwater en te beoordelen of er milieutechnische bezwaren zijn tegen een herbestemming en het verlenen van een omgevingsvergunning voor een bouwuitbreiding van het clubgebouw.
Kromstraat 2A Overlangel – 2024, pag. 53 van 78 vastgesteld 23 mei 2024
Bij de uitvoering van het onderzoek is gebruik gemaakt van de NEN 5725 en NEN 5740. De strategie van het onderzoek is afgestemd op het vooronderzoek (historie). Gebruik is gemaakt van een onderzoeksopzet voor een onverdachte niet lijnvormige locatie (ONV-NL). Het veldwerk is uitgevoerd op basis van de BRL SIKB 2000. De analyses (AS3000) zijn uitgevoerd door SGS Environmental Analytics BV uit Rotterdam. Zintuiglijk zijn tijdens de veldwerkzaamheden in de bodem geen verontreinigingen, bijmengingen of andere bijzonderheden waargenomen. Met laboratoriumonderzoek is aangetoond dat de bovengrond rond het clubgebouw niet verontreinigd is (<Aw) en de bovengrond van het sportveld licht verontreinigd met koper, lood, zink, PCB en soms minerale olie (>Aw). De ondergrond is niet verontreinigd (<Aw). In het grondwater is een lichte verontreiniging met barium (>Sw) en een matige verontreiniging met zink (>Tw) waargenomen. Naar aanleiding van het matig verhoogd zinkgehalte in het grondwater dient in principe een aanvullend onderzoek te worden aanbevolen. Vanwege het ontbreken van een bron van verontreiniging en het gegeven dat regionaal in het grondwater verhoogde gehaltes zware metalen voor kunnen komen wordt aanvullend grondwateronderzoek niet zinvol geacht.
Op basis van het totaal aan onderzoeksgegevens behoeft de bodemkwaliteit naar ons inziens geen belemmering te vormen voor een herbestemming en bouwuitbreiding. Vanwege de aangetroffen lichte verontreinigingen dient bij grondverzet rekening te worden gehouden met mogelijke gebruiksbeperkingen bij hergebruik van de vrijkomende bovengrond op een andere locatie.” De gemeente Oss is het bevoegd gezag aangaande het bodemonderzoek en beoordeelt of het onderzoek volstaat of niet en ingestemd kan worden met de resultaten. Het onderzoek is door de gemeente Oss beoordeeld en akkoord bevonden. De overige gronden die onderdeel uitmaken van het plangebied en niet door Van Oort Bodemonderzoek zijn onderzocht zijn eerder in het kader van de aankoop van de gronden in opdracht van de gemeente Oss onderzocht. Uit dat onderzoek bleken – net als uit het onderzoek dat hierboven is aangehaald - geen belemmeringen voor het planvoornemen. Het bodemonderzoek is bijgevoegd bij deze toelichting (bijlage 15) en kent de navolgende conclusie: “In het uitgevoerde bodemonderzoek is overeenkomstig de NEN 5740 de milieuhygiënische bodemkwaliteit ter plaatse van de onderzoekslocatie vastgesteld. Asbestonderzoek is uitgevoerd conform de NEN 5707. Deellocatie 1: Perceel 722 In de bovengrond zijn geen verhoogde gehalten aan geanalyseerde parameters aangetoond.
In de ondergrond zijn maximaal licht verhoogde gehalten aan kobalt en nikkel gemeten. In het grondwater is maximaal een licht verhoogd gehalte aan barium aangetoond. Uit de indicatieve toetsing aan het Besluit bodemkwaliteit voor vrijkomende grond volgt dat zowel de boven- en ondergrond in het algemeen voldoet aan de kwaliteitsklasse “Achtergrondwaarde”. De vooraf opgestelde hypothese ‘onverdachte locatie’ wordt verworpen, vanwege het aantreffen van licht verhoogde gehalten/concentraties in de ondergrond en het grondwater. Deellocatie 2: Perceel 1.055 + 362 (ged) In de bovengrond zijn maximaal licht verhoogde gehalten aan lood, koper en/of PAK aangetoond. In de ondergrond is maximaal een licht verhoogd gehalte aan PAK gemeten. In het grondwater
Kromstraat 2A Overlangel – 2024, pag. 54 van 78 vastgesteld 23 mei 2024
zijn geen verhoogde gehalten aan geanalyseerde parameters aangetoond. Uit de indicatieve toetsing aan het Besluit bodemkwaliteit voor vrijkomende grond volgt dat de bovengrond grotendeels voldoet aan de kwaliteitsklasse “Achtergrondwaarde” en plaatselijk aan de kwaliteitsklasse “Industrie”. De ondergrond voldoet aan de kwaliteitsklasse “Achtergrondwaarde”. De vooraf opgestelde hypothese ‘onverdachte locatie’ wordt verworpen, vanwege het aantreffen van licht verhoogde gehalten in zowel de ondergrond. Deellocatie 3: Clubgebouw (perceel 1275) In de bovengrond zijn maximaal licht verhoogd gehalten aan PCB en/of molybdeen aangetoond. In de ondergrond zijn geen verhoogde gehalten gemeten. In boring 302 is een asbestverdachte bijmenging (sterk puin) aangetroffen. Hierin is zowel visueel als analytisch is geen asbest aangetoond. Het grondwater is op verzoek van de opdrachtgever voor deze locatie niet onderzocht. Uit de indicatieve toetsing aan het Besluit bodemkwaliteit voor vrijkomende grond volgt dat de sterk puinhoudende bovengrond voldoet aan kwaliteitsklasse ‘Wonen’ en de zintuiglijk schone bovengrond voldoet aan de kwaliteitsklasse “Achtergrondwaarde”. De ondergrond voldoet aan de kwaliteitsklasse “Achtergrondwaarde”. Op basis van de veldwaarnemingen en de analyseresultaten wordt deze locatie als een ‘verdachte locatie’ beschouwd.
De onderzoeksresultaten geven vanuit de Wet bodembescherming geen aanleiding tot het uitvoeren van vervolgonderzoek, omdat de gemeten concentraties kleiner zijn dan de betreffende interventiewaarde. De resultaten vormen ons inziens geen milieuhygiënische belemmering voor de voorgenomen aankoop van de percelen, de uiteindelijke beslissing hiertoe is aan het bevoegd gezag. Voornoemde conclusies zijn gebaseerd op het vooronderzoek, de zintuiglijke waarnemingen en analyseresultaten van dit onderzoek.” De gemeente Oss is het bevoegd gezag aangaande het bodemonderzoek en beoordeelt of het onderzoek volstaat of niet en ingestemd kan worden met de resultaten. Het onderzoek is door de gemeente Oss beoordeeld en akkoord bevonden. Niet gesprongen explosieven Het plangebied is geheel onverdacht van ontplofbare oorlogsresten uit WOII op basis van de bodembelastingkaart ontplofbare oorlogsresten en het daaraan gekoppelde vooronderzoek van AVG uit 2016, zie de afbeelding - dat een uitsnede van de kaart betreft ter hoogte van het plangebied - hieronder.
Kromstraat 2A Overlangel – 2024, pag. 55 van 78 vastgesteld 23 mei 2024
Dit wil zeggen dat de kans dat tijdens grondwerkzaamheden binnen het plangebied explosieven of munitie wordt gevonden zeer klein is. Het is niet nodig om hier onderzoek naar te doen. Echter kan het voorkomen dat bij toeval toch een artikel wordt gevonden wat er uit ziet als een explosief of munitie. In dat geval geldt het protocol toevalsvondsten: stop de werkzaamheden, iedereen verlaat lopend het werkterrein (i.v.m. trillingen door voertuigen en machines) en bel de politie op 0900-8844. De Explosieven Verkenner (EV) of Teamleider Explosieven Veiligheid (TEV) van de politie komt op de locatie beoordelen of het om munitie gaat die moet worden geruimd. Zo ja, schakelt deze de Explosieven Opruimingsdienst van Defensie (EODD) in. Zo nee, dan kunnen werkzaamheden worden hervat. Bodem vormt geen belemmering voor onderhavig initiatief. 5.7.3 Externe veiligheid Rijkskader Externe veiligheid behandelt de risico's die ontstaan als gevolg van opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen. Deze risico’s kunnen hun weerslag hebben op de omgeving. Het wettelijke kader voor externe veiligheid bestaat onder meer uit: - het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) - het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) - het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Enerzijds gaat het over de risicobronnen (bedrijven of transportroutes).
Anderzijds gaat het over de risicoontvangers (omstanders die niets met de opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen te maken hebben). Wat betreft de risico-ontvangers maakt de wetgeving onderscheid in kwetsbare objecten en beperkt kwetsbare objecten. Kwetsbare objecten zijn gebouwen, waarin (of waarbij) groepen van circa 50 personen of groter, gedurende langere aaneengesloten tijd verblijven. Ook sommige gebouwen waarin/waarbij kleinere groepen verblijven, worden als kwetsbaar object gezien, wanneer die personen beperkt zelfredzaam zijn (zoals zieken, bejaarden of gehandicapten). Beperkt kwetsbare objecten zijn verspreid liggende woningen en bedrijven waarin/waarbij groepen van minder dan 50 personen gedurende langere aaneengesloten tijd verblijven. In de landelijke wetgeving wordt meer gedetailleerd beschreven wat er onder kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten wordt verstaan. Belangrijk is hierbij dat de opsomming in de wetgeving niet limitatief is, zodat er in de verdere uitwerking van het beleid nog enige vrijheid rest. Verder maakt de wetgever onderscheid tussen het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico (PR) geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De kans heeft betrekking op een fictief persoon die continu op die plaats aanwezig is.
Het PR kan op de kaart worden weergegeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. De wetgever schrijft voor hoe moet worden omgegaan met de PR 10-6/jaar. Binnen deze contour heeft iemand die hier continu aanwezig is de kans van 1 op één miljoen om te overlijden als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico (GR) is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang. Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting bij een calamiteit. Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Dit invloedsgebied wordt begrensd door de 1% letaliteitsgrens (tenzij anders bepaald): de afstand waarop niet meer dan 1% van de blootgestelde mensen in de omgeving komt te overlijden bij een calamiteit met gevaarlijke stoffen. Gemeentelijk kader Ook in de gemeente Oss zijn risicobronnen aanwezig in de vorm van transportassen en stationaire activiteiten. Dit vraagt om een gemeentelijke visie. Op 19 mei 2011 heeft de gemeenteraad de Beleidsvisie Externe veiligheid vastgesteld. Deze beleidsvisie beschrijft op welke manier de gemeente Oss externe veiligheid in haar afwegingen betrekt.
Kromstraat 2A Overlangel – 2024, pag. 56 van 78 vastgesteld 23 mei 2024
Op basis van het Bevi (artikel 1) betreft de ontwikkeling een kwetsbaar object. Het nieuwe object is niet gelegen binnen een plaatsgebonden risicocontour (PR10-6/jaar). Zie onderstaande uitsnede van de risicokaart waarop met een blauwe cirkel en een rode pin het plangebied is weergegeven.
Het nieuwe kwetsbare object is wel gelegen binnen het invloedsgebied van meerdere risicobronnen, in dit geval een spoorweg (’s-Hertogenbosch – Nijmegen) en een Seveso inrichting (gasdrukverdeelstation van de Gasunie, Ganzenweg 10). Zie de uitsnede van de kaart behorende bij de beleidsvisie externe veiligheid Oss en de daarop aangegeven grijze zone (en rode stip) hieronder waar het plangebied binnen valt.
Kromstraat 2A Overlangel – 2024, pag. 57 van 78 vastgesteld 23 mei 2024
Zie ook onderstaande afbeelding van de signaleringskaart EV van het IPO waarop zichtbaar is dat het plangebied is gelegen in het invloedsgebied van een Seveso inrichting.
Spoortraject ’s-Hertogenbosch-Nijmegen Het plangebied ligt op 1,6 kilometer van spoortraject ‘s-Hertogenbosch-Nijmegen (64D.1) waarover o.a. LT3 stoffen over vervoerd worden. LT3 heeft een invloedsgebied >4000 meter. Het scenario dat voor kan komen is dat een toxische stof vrijkomt. In samenwerking met de veiligheidsregio heeft de ODBN een standaard verantwoording toxisch opgesteld. Deze verantwoording is hieronder opgenomen. “Verantwoording groepsrisico (beperkt) toxisch Vanwege de ligging van de planlocatie in het invloedsgebied van een risicobron waarvan een toxische wolk het maatgevende scenario is, dient een beperkte verantwoording van het groepsrisico plaats te vinden. Hierbij is de Veiligheidsregio om advies gevraagd. Het advies is verwerkt in de verantwoording. Scenario(‘s) Het relevante scenario voor het plangebied i.r.t. het transport van gevaarlijke stoffen is het overdrijven van een toxische wolk. Door bijvoorbeeld een incident tijdens de verlading of door een mechanische impact op de tank ontstaat een gat waardoor in korte tijd een groot deel van de toxische stof vrijkomt en met de wind mee wordt verspreidt. De kans op een dergelijk ongeval is bijzonder klein. De gevolgen voor personen zijn afhankelijk van de concentratie en blootstellingstijd aan de stof.
Mogelijkheden tot bestrijdbaarheid van een calamiteit Bij het scenario toxische wolk zal de brandweer proberen de toxische wolk neer te slaan. Bij een snelle verspreiding van de toxische wolk zal dit echter beperkt effect hebben. De bestrijdbaarheid wordt om deze reden als matig beoordeeld.
Kromstraat 2A Overlangel – 2024, pag. 58 van 78 vastgesteld 23 mei 2024
De mogelijkheden tot zelfredzaamheid Zelfredzaamheid is het zichzelf kunnen onttrekken aan een dreigend gevaar. Het zelfredzame vermogen van personen is een belangrijke voorwaarde om grote aantallen slachtoffers bij een incident te voorkomen. De mogelijkheden voor zelfredzaamheid bestaan globaal uit schuilen binnen bebouwing en ontvluchten van het plangebied. Mogelijkheden zelfredzaamheid De mogelijkheden ten aanzien van de zelfredzaamheid zijn goed. Er verblijven geen verminderd zelfredzame personen in het plangebied. Hierdoor is het risico beperkt, omdat de personen in het plangebied de instructies welke via NL-Alert worden verspreid kunnen opvolgen en adequaat kan worden gevlucht. Is het gebied voldoende ingericht om de zelfredzaamheid te kunnen faciliteren? Behalve de vraag of zelfredding mogelijk is, zijn de fysieke eigenschappen van gebouwen en omgeving van invloed op de vraag of die zelfredding optimaal kan plaatsvinden. Vanuit de hierboven geschetste mogelijkheden is het dus van belang, dat het plangebied: - goed te alarmeren is; - goed te schuilen is; - goed te ontvluchten is. Alarmering In geval van een calamiteit zal NL-Alert worden ingezet. NL-Alert is een aanvullend alarmmiddel van de overheid voor de mobiele telefoon. Met NL-Alert kan de overheid mensen in de directe omgeving van een noodsituatie met een tekstbericht informeren.
In het bericht staat specifiek wat er aan de hand is en wat je op dat moment het beste kunt doen. Schuilmogelijkheden Schuilen in de afgesloten bebouwing zal in beginsel de beste manier zijn om de calamiteit met het scenario toxische wolk te overleven. Schuilen voor een toxische wolk is mogelijk binnen de bebouwing op de planlocatie. Om veilig schuilen binnen de bebouwing mogelijk te maken dient de bebouwing aan bepaalde veiligheidseisen te voldoen. Als gevolg van energieprestatie-eisen zijn nieuwe woningen goed geïsoleerd en bieden daarom een goede bescherming. Eventuele aanwezige ventilatieopeningen moeten afgesloten kunnen worden. Vluchtmogelijkheden Mocht vluchten noodzakelijk zijn, dan is het plangebied naar meerdere zijden te ontvluchten. Ontvluchten kan in alle gevallen van de risicobron af. Conclusie Er bestaat vanuit extern veiligheidsoogpunt geen bezwaar tegen de gewenste ontwikkeling. Er is geen reden voor nader advies. De veiligheidsregio ziet geen reden tot het geven van een nader advies ten aanzien van de zelfredzaamheid van personen binnen het plangebied en de bestrijdbaarheid van een ramp op de wegen.” Seveso inrichting Ten westen van het plangebied ligt op een afstand van circa 1 kilometer het compressorstation van de Nederlandse Gasunie NV.
Deze bestaat uit een compressor/mengstation voor het op druk brengen en op de juiste kwaliteit brengen van het aardgas dat uit Noord-Nederland wordt aangevoerd. Van en naar de installatie lopen verschillende hogedruk aardgastransportleidingen. Het maatgevend scenario voor deze inrichting is een fakkelbrand. Hierbij ontstaat als gevolg van werkzaamheden een gaslekkage waarna het ontsnappende gas ontsteekt. Bij een brand van binnen deze inrichting kunnen er slachtoffers zijn tot op een afstand van 550 meter. Tot op een afstand van 300 meter kunnen secundaire branden ontstaan. Het
Kromstraat 2A Overlangel – 2024, pag. 59 van 78 vastgesteld 23 mei 2024
invloedsgebied van dit station reikt daarmee over het plangebied, waardoor een verantwoording van het groepsrisico benodigd is. De plangebied is niet gelegen binnen de plaatsgebonden risicocontour van het compressorstation. Voor bedrijventerrein De Bulk, gelegen direct ten noordwesten van het compressorstation, is destijds het groepsrisico in kaart gebracht en berekend. Zie bijlage 17 bij deze toelichting. Uit de QRA van de Gasunie blijkt dat het groepsrisico in het gebied zich onder de oriëntatiewaarde bevindt. Dit blijft zelfs het geval als uitgegaan wordt van 500 aanwezige personen, vier keer zoveel als ingeschat op basis van het aantal bedrijven. In het kader van het planvoornemen is het realistisch om aan te nemen dat het groepsrisico in de beoogde situatie de oriëntatiewaarde (nog steeds) niet overschrijdt. Om deze reden is er geen volledige QRA uitgevoerd. Wel is het planvoornemen voorgelegd aan de Veiligheidsregio. Zij hebben over de ligging van het planvoornemen in het invloedsgebied van het compressorstation (Seveso inrichting) advies uitgebracht. Het advies van de Veiligheidsregio is als volgt. “Het relevante scenario i.r.t. het plangebied is een fakkelbrand. Vanwege (graaf)werkzaamheden ontstaat een breuk in een hogedruk aardgasleiding. Het aardgas stroomt onder hoge druk uit. Het brandbare gas ontsteekt waardoor een fakkelbrand optreedt.
De afstand tot de inrichting is erg groot maar valt binnen de 10kW/m2 en binnen de 1% letaliteit. Beoordeling zeflredzaamheid: Voor het scenario fakkelbrand is vluchten het beste handelingsperspectief. Dit betekent dat aanwezigen op tijd gealarmeerd en geïnstrueerd moeten worden en er voldoende vluchtwegen van de risicobron aflopend aanwezig moeten zijn. Nabij het plangebied kan via de Kromstraat, Maasdijk en Keenstseweg van de risicobron af gevlucht worden. De mogelijkheden ten aanzien van de zelfredzaamheid zijn goed. Er worden geen niet- of verminderd zelfredzame mensen in het plangebied gehuisvest. De aanwezigen zijn normaal gesproken in staat om zelfstandig conform instructies bijvoorbeeld via NL-Alert te reageren. Beoordeling bestrijdbaarheid: Voor het scenario fakkelbrand bij de buisleiding is de bestrijdbaarheid slecht. Bij een incident met een Buisleiding kan de fakkelbrand alleen worden bestreden door de toevoer dicht te draaien. Hiervoor dient contact opgenomen te worden met de leidingbeheerder en dit kost veel tijd. De brandweer kan tot de leiding is afgesloten niet handelend optreden. Advies: De veiligheidsregio adviseert om de volgende maatregelen te nemen om de bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid in het plangebied te verhogen: - Informeer de initiatiefnemers actief over het aanwezige risico en handelingsperspectief.
Deze informatie zorgt er ook voor dat de bewoners op het moment dat een incident plaats vindt direct weten hoe te handelen, dit heeft een positieve invloed op de mate van zelfredzaamheid. Daarnaast wordt geadviseerd om dit te laten beoefenen.” Externe veiligheid vormt – mits het advies van de Veiligheidsregio door de initiatiefnemer wordt opgevolgd - geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling. 5.7.4 Geurhinder: agrarisch De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) is het beoordelingskader voor geur bij milieuvergunningen, bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen. Het gaat uitdrukkelijk om agrarische geur van landbouwhuisdieren uit dierstallen. De wet maakt onderscheid tussen geurnormen voor intensieve en extensieve veehouderijen. De geurbelasting van intensieve veehouderijen wordt berekend en uitgedrukt in de vorm van een geurcontour. De geurbelasting van extensieve veehouderijen wordt uitgedrukt in vaste afstanden.
Kromstraat 2A Overlangel – 2024, pag. 60 van 78 vastgesteld 23 mei 2024
De gemeente Oss heeft op basis van de wet een eigen geurbeleid opgesteld. Het geurbeleid bestaat uit twee delen: de “Geurgebiedsvisie 2013” en de “Agrarische geurverordening gemeente Oss 2017”. Het hanteert per soort gebied een eigen geurnorm en streeft de volgende doelen na: - de burger beschermen tegen geurhinder; - de veehouderijen niet onnodig beperken; - ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk maken, onder de voorwaarde dat er een aanvaardbaar woon- en leefklimaat is. De gemeentelijke “Beleidsregel ruimtelijke ontwikkelingen en geurhinder” is van belang voor de vraag of een ruimtelijke ontwikkeling kan plaatsvinden. De beleidsregel geeft aan wanneer sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. In de Verordening geurhinder en veehouderij gemeente Oss 2017 wordt de maximale waarde voor de geurbelasting van een veehouderij op een geurgevoelig object binnen de gemeente Oss vastgelegd. Conform Artikel 3 Waarden voor de geurbelasting van de verordening zijn de volgende waarden vastgelegd: Lid 1. Op grond van artikel 6, lid 1 van de wet en in afwijking van artikel 3, lid 1 van de wet bedraagt de maximale waarde voor de geurbelasting van een veehouderij op een geurgevoelig object in het gebied als genoemd in artikel 2, lid 1 van deze verordening: A. Stad Oss
1,0 Ou
B. Woonkern met geen/enige intensieve veehouderij
2,0 Ou
C. Plangebied (bij kern A en B)
3,0 Ou
D. Woonkern met intensieve veehouderij
6,0 Ou
E. Zoekgebied + plangebied Maren-Kessel West en Liesdaal
6,0 Ou
F. Recreatiegebieden
8,0 Ou
G. Extensiveringsgebieden
8,0 Ou
H. Bedrijventerreinen
8,0 Ou
I. Bedrijventerrein Vorstengrafdonk
12,0 Ou
J. Verwevingsgebied
14,0 Ou
K. Landbouwontwikkelingsgebied
14,0 Ou
Het planvoornemen bevat een bestaand geurgevoelig object dat wordt vergroot. Het planvoornemen bevat geen nieuwe bron die geurhinder kan veroorzaken. Ingevolge de Verordening geurhinder en veehouderij Gemeente Oss 2017 geldt in het plangebied een maximale toegestane waarde voor de geurbelasting van 8,0 Ou/m3. Dit is op de kaart ‘Harmonisatie geurnormen gemeente Oss’, die bij de verordening is gevoegd zichtbaar. Een uitsnede van de kaart is hieronder opgenomen. Het plangebied is met een rode cirkel weergegeven.
Kromstraat 2A Overlangel – 2024, pag. 61 van 78 vastgesteld 23 mei 2024
Vaste afstanden Binnen een straal van 100 meter van het plangebied zijn geen veehouderijen met dieren gelegen waarvoor een vaste afstand geldt. Vaste afstanden van een veehouderij vormen met die reden geen belemmering voor het planvoornemen. Voorgrondbelasting De meest nabijgelegen veehouderij met geuremissiefactor ligt op circa 320 meter van het planvoornemen. Het gaat om een varkenshouderij aan Vlierbosstraat 1. Tussen het planvoornemen en de veehouderij zijn bestaande burgerwoningen gelegen, het gaat om Kromstraat 3, 5 en 7. Het bedrijf heeft een aangepaste vergunning aangevraagd, die is toegekend op 7 oktober 2021 (bron: KRD Noord Brabant). In het kader van de vergunningswijziging heeft een onderzoek naar de voorgrondbelasting op de bestaande woningen in de omgeving van het bedrijf plaatsgehad. De uitkomsten van dit onderzoek zijn in de navolgende tabel weergegeven.
In de tabel is zichtbaar dat de geurbelasting afkomstig van dit bedrijf op Kromstraat 3, 5 en 7 respectievelijk 7, 7,4 en 6,8 Ou/m3 is. Dit is beneden de norm van 8. Gezien het planvoornemen verder weg is gelegen dan deze woningen, is aannemelijk dat de geurbelasting net als bij de woningen lager zal zijn dan 8 Ou/m3. Daarnaast geldt ook dat het planvoornemen niet belemmerend is voor de veehouderij aan Vlierbosstraat 1, omdat tussen het planvoornemen en de veehouderij andere geurgevoelige objecten zijn gelegen die maatgevend zijn. Voorgrondbelasting vormt met die redenen geen belemmering voor het planvoornemen. Achtergrondbelasting Naast de vaste afstanden en voorgrondbelasting is ook de cumulatieve geurhinder aan de orde: de achtergrondbelasting. Deze is relevant voor wat betreft het woon- en leefklimaat in het plangebied. De ODZOB heeft de achtergrondbelasting voor de provincie Noord-Brabant op een kaart in beeld gebracht. Een uitsnede van de kaart ter hoogte van het plangebied (blauwe cirkel) is hieronder weergegeven.
Kromstraat 2A Overlangel – 2024, pag. 62 van 78 vastgesteld 23 mei 2024
Op de kaart is af te lezen dat in het plangebied sprake is van een redelijk goed tot goed woon- en leefklimaat. Uit voorgaande blijkt dat geurhinder geen belemmering vormt voor het planvoornemen en dat het planvoornemen voor wat betreft het aspect geurhinder niet belemmerend is voor de omgeving. 5.7.5 Geur: industrieel Het nationale industriële geurbeleid is vastgelegd in de Nederlandse emissierichtlijn (NeR). De brief van het ministerie van Infrastructuur en Milieu van 30 juni 2005 stelt het rijksbeleid in grote lijnen vast. Het algemene uitgangspunt is het voorkomen van (nieuwe) hinder. Dit uitgangspunt vormt samen met het toepassen van de Beste Beschikbare Techniek (BBT) de kern van het geurbeleid. Uitgangspunten van het rijksbeleid zijn: - als er geen hinder is, zijn maatregelen niet nodig; - als er wel hinder is, worden maatregelen getroffen op basis van het Beste Beschikbare Techniekprincipe; - de gemeente stelt vast welke mate van hinder acceptabel is. Gemeenten en provincies hebben de bevoegdheid om een eigen geurbeleid vast te stellen. De provincie Noord-Brabant heeft een eigen geurbeleid voor provinciale bedrijven, de Beleidsregel beoordeling geurhinder omgevingsvergunningen industriële bedrijven Noord-Brabant. De gemeente Oss heeft geen eigen industrieel geurbeleid. Per situatie stelt de gemeente Oss vast of sprake is van een acceptabel geurniveau.
Er zijn verschillen in het niveau van bescherming mogelijk. Voor een bedrijfswoning kan bijvoorbeeld een hogere geurbelasting gehanteerd worden dan voor aaneengesloten woonbebouwing. Het initiatief maakt een nieuwe milieubelastende activiteit mogelijk. Het gaat om een veldsportcomplex met verlichting en een ontmoetingsruimte (gelijk te stellen met buurt- en clubhuis). Afgaande op de VNGbrochure bedrijven en milieuzonering geldt voor beide functies voor het aspect geur geen richtafstand t.o.v. milieugevoelige objecten. Aanvullend hierop is het relevant dat het planvoornemen een keuken bevat. Voor wat betreft de afzuiging hiervan is in het kader van artikel 3.103 van het Activiteitenbesluit aan de orde dat de afvoer van het emissiepunt 2 meter hoger moet zijn dan de daklijn van bebouwing binnen een straal van 25 meter. De situering van het emissiepunt is nog niet bepaald. Echter als het emissiepunt op de rand van de functieaanduiding ‘maatschappelijk’ komt te liggen, is er binnen 25 meter vanaf het emissiepunt geen andere bebouwing gelegen, waardoor hieraan in ieder geval wordt voldaan.
Kromstraat 2A Overlangel – 2024, pag. 63 van 78 vastgesteld 23 mei 2024
Industriële geurhinder vormt geen belemmering voor het planvoornemen. Het planvoornemen vormt aangaande het aspect geurhinder geen belemmering voor de omgeving. 5.7.6 Luchtkwaliteit Het beleid en de regelgeving over luchtkwaliteit heeft tot doel om mensen te beschermen tegen de gezondheidseffecten van luchtverontreiniging. Ze bevatten luchtkwaliteitsnormen voor verschillende stoffen. Ruimtelijke plannen of projecten die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit, zoals bestemmingsplannen, dienen getoetst te worden aan de Wet milieubeheer (afdeling 5.2.). Deze wet bevat grenswaarden voor de stoffen zwaveldioxide, stikstofdioxide, stikstofoxiden, fijn stof, lood, benzeen en koolmonoxide in de buitenlucht. In Nederland zijn de maatgevende luchtverontreinigende stoffen stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Overschrijding van de grenswaarden van andere stoffen komt bijna niet voor. De wet maakt onderscheid tussen kleine en grote ruimtelijke projecten. Kleine projecten zijn projecten die de luchtkwaliteit niet ‘in betekende mate’ (NIBM) verslechteren. Deze projecten hoeven niet meer beoordeeld te worden op luchtkwaliteit. Ze zijn namelijk zo klein dat ze geen wezenlijke invloed hebben op de luchtkwaliteit.
Er is geen belemmering als een klein project niet of nauwelijks bij draagt aan luchtverontreiniging, óók niet in overschrijdingsgebieden (gebieden met te veel luchtvervuiling). De ministeriële Regeling NIBM geeft aan in welke gevallen een nieuw project in ieder geval een NIBMproject is. Dit is bijvoorbeeld het geval als er minder dan 500 woningen worden gebouwd bij minimaal één ontsluitingsweg, of minder dan 1.000 woningen bij twee ontsluitingswegen. Het Besluit gevoelige bestemmingen beperkt de vestiging van zogeheten ‘gevoelige bestemmingen’, zoals een school, in de nabijheid van provinciale en rijkswegen. Het besluit is gericht op bescherming van mensen met een verhoogde gevoeligheid voor fijn stof (PM10) en stikstofdioxide (NO2), met name kinderen, ouderen en zieken. Daartoe voorziet het besluit in zones waarbinnen luchtkwaliteitsonderzoek nodig is: 300 meter aan weerszijden van rijkswegen en 50 meter langs provinciale wegen, gemeten vanaf de rand van de weg. Waar in zo’n onderzoekszone de grenswaarden voor PM10 of NO2 (dreigen te) worden overschreden, mag het totaal aantal mensen dat hoort bij een ‘gevoelige bestemming’ niet toenemen. Dit wordt bereikt door op zo’n plek de vestiging van bijvoorbeeld een school niet toe te staan. Bij uitbreidingen van bestaande gevoelige bestemmingen is een eenmalige toename van maximaal 10% van het totale aantal blootgestelden toegestaan.
De volgende gebouwen met de bijbehorende terreinen zijn aangemerkt als gevoelige bestemming: scholen, kinderdagverblijven, en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Het gaat hierbij niet om bestemmingen in de meest enge zin van het woord, maar om alle vergelijkbare functies, ongeacht de exacte aanduiding ervan in bestemmingsplannen en andere besluiten. Van doorslaggevend belang is de (voorziene) functie van het gebouw en het bijbehorende terrein. In de context van dit besluit worden ziekenhuizen, woningen en sportaccommodaties dus niet als gevoelige bestemming gezien. De gemeente heeft geen eigen regelgeving en beleid over luchtkwaliteit. Grenswaarden luchtkwaliteit Voor de meest voorkomende stoffen zijn de luchtkwaliteitsnormen als volgt:
Kromstraat 2A Overlangel – 2024, pag. 64 van 78 vastgesteld 23 mei 2024
In de tabel hieronder zijn de waarden weergegeven van NO2, PM10 en PM2,5 van het dichtstbijzijnde meetpunt (zie meetpunt (rood omcirkeld) op de afbeelding eronder). Hieruit blijkt dat de luchtkwaliteit in het plangebied aanvaardbaar is. De totale concentratie is als volgt: Stof Waarde ter plaatse NO2 13,2738 ug/m3 PM10 16,6438 ug/m3 PM2,5 9,8724 ug/m3
Kromstraat 2A Overlangel – 2024, pag. 65 van 78 vastgesteld 23 mei 2024
Voor het planvoornemen is in de NIBM-tool het aantal verkeersbewegingen (148,68) dat het genereert ingevoerd (afgerond 149). Hieruit blijkt dat het planvoornemen een NIBM-project betreft. Een screenshot van de ingevulde NIBM-tool is hieronder weergegeven.
Het planvoornemen maakt geen gevoelige bestemming in de zin van het Besluit gevoelige bestemmingen mogelijk. Het planvoornemen draagt Niet in Betekenende Mate bij aan de luchtkwaliteit en de luchtkwaliteit ter plaatse voldoet aan een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor het planvoornemen. 5.7.7 Straling Het beleid voor elektromagnetische velden is opgenomen in het Nationaal Milieubeleidsplan (NMP4), de Toekomstagenda Milieu en de beleidsnota Nuchter Omgaan met Risico's, beslissen met gevoel voor onzekerheden (2004). Het ministerie van Infrastructuur en milieu heeft het beleid voor bovengrondse hoogspanningslijnen uitgewerkt in een advies van oktober 2005. Dit advies is verder toegelicht in een brief van november 2008. De gemeente Oss heeft in het Milieubeleidsplan 2010-2014 het rijksadvies vastgelegd als beleidsuitgangspunt. Dit houdt in dat er bij nieuwbouwplannen of het realiseren van nieuwe hoogspanningslijnen voorkomen dient te worden dat er gevoelige bestemmingen terecht komen in een zone waar het magnetische veld gemiddeld over een jaar hoger is dan de norm van 0,4 microtesla. Het plangebied is niet gelegen nabij een hoogspanningslijn, wat betekent dat ter hoogte van het plangebied geen sprake is van een magnetische veldsterkte van meer dan 0,4 microtesla ten gevolge van hoogspanningslijnen.
Straling vormt geen belemmering voor de ontwikkeling. 5.7.8 Weg-, spoor- en industrielawaai De Wet geluidhinder (Wgh) biedt bescherming tegen (spoor)weglawaai en tegen industrielawaai van inrichtingen voor zover gelegen op een gezoneerd industrieterrein. In de Wgh wordt een beperkt aantal typen objecten beschermd, de zogenoemde geluidgevoelige objecten. De Wet geluidhinder kent een stelsel van normen ter voorkoming van geluidhinder. Ter bescherming van woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen zijn grenswaarden opgenomen. Hierbij is een ondergrens (voorkeursgrenswaarde) en een bovengrens (maximaal toelaatbare grenswaarde)
Kromstraat 2A Overlangel – 2024, pag. 66 van 78 vastgesteld 23 mei 2024
opgenomen. De Wgh biedt gemeenten de mogelijkheid om gericht in te spelen op de lokale situatie door maatwerk te leveren. Burgemeester en wethouders kunnen een hogere waarde vaststellen dan de ondergrens, maar mogen daarbij de bovengrens niet overschrijden. In 2010 heeft de gemeenteraad van Oss de geluidsnota “Geluidskwaliteit in de leefomgeving” vastgesteld. De gemeente Oss maakt hierbij gebruik van gebiedsgericht geluidbeleid. Per gebied wordt een geluidskwaliteit nagestreefd. Zo zijn er ‘rustige gebieden’, ‘dynamische gebieden’ en er zijn gebieden die ten aanzien van geluid onder druk staan. De geluidsnota gaat ook in op de realistische inzet van onderzoek, het stellen van eigen criteria voor het toestaan van een hogere waarde en bedrijfswoningen op industrieterreinen. De gemeente Oss streeft naar een leefbare woonsituatie, ook op locaties met een hoge geluidsbelasting. Deze leefbaarheid wordt bereikt door terughoudend te zijn met hogere grenswaarden en door hieraan voorwaarden te verbinden. Deze voorwaarden leggen de initiatiefnemer of de beheerder een inspanning op voor een leefbare woonomgeving als compensatie voor het bouwen en het veroorzaken van een lawaaiige situatie.
Zonering van industrielawaai in het kader van de Wet geluidhinder is het ruimtelijk scheiden van industrieterreinen waarop (grote) lawaaimakers zijn gevestigd enerzijds en woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen anderzijds. Ook in Oss is er een aantal gezoneerde industrieterreinen. Met zonering wordt beoogd rechtszekerheid te bieden aan zowel bedrijven als aan bewoners/gebruikers van woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen. Bedrijven kunnen aan de ene kant hun geluid producerende activiteiten niet onbeperkt uitbreiden ter bescherming van woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen binnen en buiten de zone. Aan de andere kant wordt, ter bescherming van hun akoestische ruimte, voorkomen dat woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen te veel oprukken naar de bedrijven toe. Het planvoornemen bevat geen geluidgevoelig object. Weg- en railverkeerslawaai zijn met die reden in onderhavige situatie niet relevant. Het planvoornemen bevat wel een milieubelastende activiteit. Het gaat om een veldsportcomplex met verlichting en een buurt- en clubhuis. Hiervoor geldt in het kader van industrielawaai een richtafstand van respectievelijk 50 en 30 meter vanaf respectievelijk de bestemmingsgrens ‘Sport’ en de functieaanduiding die voor de ontmoetingsruimte geldt ten opzichte van de meest nabij gelegen gevels van gevoelige objecten in nabij het plangebied.
Deze afstand wordt voor wat betreft het veldsportcomplex met verlichting niet gehaald. Met die reden is door Nipa Milieutechniek voor het gehele plangebied een onderzoek uitgevoerd naar industrielawaai. Het onderzoek is bijgevoegd bij deze toelichting (bijlage 12) en kent de navolgende conclusie. “In dit onderzoek zijn de geluidniveaus berekend in de representatieve en voor zover relevante, incidentele bedrijfssituaties van de gehele inrichting voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr,LT) en het maximale geluidniveau (Lmax ) ter plaatse van de meest kritisch gelegen woningen van derden ten opzichte van de planlocatie. De vastgestelde geluidniveaus worden getoetst in het kader van een goed woon- en leefklimaat conform de VNG-publicatie: “Bedrijven en milieuzonering”. Langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus Uit de berekening volgt dat in de maatgevende bedrijfssituatie niet zonder aanvullende maatregelen wordt voldaan aan de toetsingswaarde van stap 2 voor de optredende langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus voor industrielawaai overeenkomstig hoofdstuk 2. De aanvullende maatregelen zijn onderzocht en beschreven in hoofdstuk 4.4 van deze rapportage. De conclusie is dat de maatregelen op grond van stedenbouwkundige bezwaren niet uitvoerbaar zijn.
Omdat er aan de toetsingswaarden van stap 3 wordt voldaan én dat het woon- en leefklimaat bij relevante woningen van derden is gewaarborgd wordt om instemming verzocht voor dit plan conform de onderzochte bedrijfssituatie zonder nadere maatregelen te realiseren.
Kromstraat 2A Overlangel – 2024, pag. 67 van 78 vastgesteld 23 mei 2024
Maximale geluidniveaus Uit de berekening volgt dat in de maatgevende bedrijfssituatie niet zonder aanvullende maatregelen wordt voldaan aan de toetsingswaarde van stap 2 voor de optredende maximale geluidniveaus voor industrielawaai overeenkomstig hoofdstuk 2. De aanvullende maatregelen zijn onderzocht en beschreven in hoofdstuk 4.4 van de rapportage. Conclusie De conclusie is dat de maatregelen op grond van stedenbouwkundige bezwaren niet uitvoerbaar zijn. Omdat er aan de toetsingswaarden van stap 3 wordt voldaan én dat het woon- en leefklimaat bij relevante woningen van derden is gewaarborgd wordt om instemming verzocht voor dit plan conform de onderzochte bedrijfssituatie zonder nadere maatregelen te realiseren.” Geluid vormt geen belemmering voor het planvoornemen of voor het woon- en leefklimaat van omliggende woningen. 5.7.9 Gezondheid Uit de VGO-rapporten die afgelopen jaren zijn gepubliceerd door het RIVM komt duidelijk naar voren dat er een relatie wordt gevonden tussen veehouderijen en de gezondheid van omwonenden. Deze relatie is door de onderzoeker op verschillende manieren vastgesteld. Daarbij komt dichtheid van veehouderijbedrijven en afstand tot bepaalde type individuele veehouderijen concreet naar voren als factoren die van invloed zijn op de gezondheid van omwonenden.
Verder blijkt uit VGO-onderzoek dat er in een straal van twee kilometer rond geitenhouderijen een verhoogde incidentie van longontstekingen (ca. 25-30% hoger) voorkomt. De oorzaak van het verhoogde risico op longontsteking rond geitenbedrijven is vooralsnog onbekend en onderwerp van vervolgonderzoek. Op dit moment kan er geen enkele bron-effect relatie worden beschreven tussen de verhoogde longontsteking incidentie en de uitstoot vanuit geitenhouderijen. Wel is er een causaal verband geconstateerd waarbij de associatie sterker is naarmate de afstand tot een geitenhouderij kleiner is. Tot er meer duidelijkheid is over de bron van de verhoogde incidentie longontstekingen kan niet worden geadviseerd over beschermde maatregelen. Afstand houden en goed informeren is de enige maatregel die de GGD op dit moment adviseert. In afwachting van het vervolgonderzoek heeft de provincie besloten dat geitenstallen uitbreiden of in gebruik nemen niet meer is toegestaan. Het moratorium is in beginsel tijdelijk. Als de uitkomsten van het vervolgonderzoek bekend worden, wordt er gekeken of er redenen zijn het besluit in te trekken of aan te passen. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het bevoegd gezag verplicht om alle bekende risico's bij een nieuwe ontwikkeling af te wegen.
Er is geen sprake van een omgekeerde werking van het moratorium (met andere woorden de 'stop' op uitbreidingen van geitenbedrijven zorgt niet voor een stop op ontwikkelingen binnen de 2 km straal van een geitenhouderij), maar wel van een risico dat beoordeeld en meegewogen moet worden bij nieuwe ontwikkelingen. Het verantwoorden van dit verhoogde risico is aan het bevoegd gezag, in casu de gemeente. Deze geeft een oordeel over en maakt een afweging of sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat (m.b.t. onder andere gezondheid & geitenhouderijen). Het college van B&W besloot op 5 december 2017 dat wenselijke ontwikkelingen na een zorgvuldige afweging met betrekking tot volksgezondheid kunnen worden toegestaan binnen een straal van twee kilometer rondom een geitenhouderij.
Kromstraat 2A Overlangel – 2024, pag. 68 van 78 vastgesteld 23 mei 2024
Het beleid voor geitenhouderijen in Oss houdt in dat bij de realisering van een ruimtelijke ontwikkeling binnen een straal van 2 kilometer van een geitenhouderij rekening moet worden gehouden met de volgende criteria: a. het infomeren van de aanvragers over het risico b. terughoudend omgaan met ontwikkelingen betreffende het huisvest of opvangen van kinderen, kwetsbare mensen en ouderen c. na een zorgvuldige afweging en eventueel maatwerk kunnen wenselijke ontwikkelingen binnen een straal van 2 kilometer van een geitenhouderij worden toegestaan. ‘De Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0’ (versie mei 2018) bevat een praktisch stappenplan om te beoordelen of nadere advisering vanuit de GGD wenselijk is. De zeven stappen dienen allen te worden doorlopen en beantwoord om na te gaan of er aandachtspunten worden gevonden. Toetsing aan het stappenplan moet plaatsvinden, zodat kan worden bepaald of een advies van de GGD nodig is voor de beoogde ontwikkeling. Geitenhouderijen Het plangebied is gelegen binnen een straal van 2 km van een geitenhouderij, namelijk op 1,3 kilometer. Pluimvee- en varkenshouderijen Binnen 1 kilometer van het plangebied zijn geen pluimveehouderijen gelegen. Het plangebied is ook niet binnen 250 meter van een varkenshouderij gelegen.
Advisering GGD De Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0 (versie mei 2018) bevat een praktisch stappenplan om te beoordelen of nadere advisering vanuit de GGD wenselijk is. Door alle zeven stappen te doorlopen en beantwoorden kan worden nagegaan of er knelpunten aan de orde zijn en het zinvol is de GGD om advies te vragen. Hieronder is aan het stappenplan getoetst. Stap 1 De ontwikkeling voldoet aan de endotoxine ‘richtafstand’ tussen een veehouderij en gevoelige bestemming. GGD-advies is niet aan de orde, ga verder naar stap 2. Stap 2 De ontwikkeling leidt niet tot een toename in de emissie voor geur en/ of fijnstof en/ of ammoniak. GGDadvies is niet aan de orde, ga verder naar stap 3a. Stap 3a Sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat a.d.h.v. het wettelijk kader voor geur. GGD-advies is niet aan de orde, ga verder naar stap 3b. Stap 3b Sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat a.d.h.v. de gezondheidskundige advieswaarde. GGD-advies is niet aan de orde, ga verder naar stap 4. Stap 4a+b Er zijn geen veehouderijen in de buurt waar meer dan één diersoort wordt gehouden. Er zijn geen varkens- en/ of pluimveebedrijven in de buurt waarvan de afstand tussen de inrichtingsgrenzen minder dan 100 meter bedraagt. GGD-advies is niet aan de orde, ga verder naar stap 5.
Stap 5a Binnen een afstand van 2 km van nieuwe woon- en verblijfsruimten is één geitenhouderij gelegen. GGDkan zinvol zijn.