Bijlage 1A - Toelichting BP Kromstraat 2a Overlangel - 2024
Tekst van het document
Kromstraat 2A Overlangel – 2024, pag. 69 van 78 vastgesteld 23 mei 2024
Binnen een afstand van 1 km van nieuwe woon- en verblijfsruimten is geen pluimveebedrijf gelegen. Dit leidt niet tot GGD-advies. Binnen een afstand van 250m van nieuwe woon- en verblijfsruimten zijn geen varkenshouderijen gelegen. GGD-advies is niet aan de orde. Check of stap 6 nog tot een GGD-advies leidt. Stap 6 Er is geen sprake van mestbe- of verwerking als nevenactiviteit of als zelfstandige activiteit. Dit leidt niet tot GGD-advies. Check of stap 7 nog tot een GGD-advies leidt. Stap 7 Bij omwonenden is geen sprake van ongerustheid over de volksgezondheid. Dit leidt niet tot GGD-advies. Aanleiding voor het eventueel opvragen van een GGD-advies ligt in de uitkomsten van stap 5a. Met betrekking tot stap 5a geldt het volgende. Hierover kan de GGD op dit moment niet anders adviseren dan hetgeen in het VGO-3 is opgenomen: afstand houden en goed informeren. Over eventueel te nemen beschermde maatregelen kan pas worden geadviseerd als meer duidelijkheid is over de bron van de verhoogde incidentie longontstekingen. Met deze reden is het niet zinvol een advies bij de GGD te vragen. Verder geldt dat, omdat geen sprake is van permanent verblijf het gezondheidsrisico als klein wordt beoordeeld, waardoor het eveneens niet nodig is om een GGD advies te vragen. Bij de GGD is met op basis van voorgaande dan ook geen advies gevraagd.
5.7.10 Spuitzones In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient te worden beoordeeld of het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen onaanvaardbare gevolgen heeft voor het woon- en leefklimaat. Uit jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State volgt als vuistregel dat een richtafstand van 50 meter tussen het perceel waarop de teelt plaatsvindt en te realiseren nieuwe gevoelige functies zoals woningen kan worden gehanteerd. Kleinere afstanden zijn mogelijk mits er een locatie specifiek onderzoek wordt uitgevoerd. Rondom het plangebied zijn agrarische percelen gelegen. Deze zijn in gebruik als grasland en voor wisselteelt (o.a. mais). Geen sprake is van permanente teelt, zoals boom- of fruitteelt waarbij bestrijdingsmiddelen worden gebruikt. De verwachting is dat dit gebruik op deze percelen in de toekomst (in ieder geval binnen het invloedsgebied: 50 meter van het planvoornemen) ook niet toegepast zal gaan worden. Namelijk, binnen die afstand zijn reeds woningen gelegen die dan belemmerd zullen gaan worden. Mocht dit aan de orde komen dan zal Stichting HONK in overleg treden met de eigenaar/pachter over het momentum waarop gespoten wordt (niet tijdens sporten). Daarnaast is de Europese Unie al geruime tijd bezig met de voorbereiding van wetgeving ten aanzien van het gebruik van minder schadelijke bestrijdingsmiddelen.
De verwachting is dat deze binnen afzienbare tijd van kracht zal worden. Verder geldt dat tussen de agrarische percelen en het planvoornemen beplanting is gelegen. De beplanting vormt een windhaag om drift afkomstig van het gebruik van bestrijdingsmiddelen tegen te houden. Het aspect spuitzones vormt met die redenen geen belemmering voor het planvoornemen. 5.8
Milieueffectrapportage (M.e.r.)
Een milieueffectrapportage (m.e.r.) brengt de milieugevolgen van een plan in beeld voordat er een besluit over wordt genomen. In een milieueffectrapport worden de gevolgen voor het milieu beschreven. Zo kan de overheid die het besluit neemt de milieugevolgen bij haar afwegingen betrekken. Het doel van m.e.r. is om het milieu een volwaardige plaats te geven in de besluitvorming over plannen en projecten. In een
Kromstraat 2A Overlangel – 2024, pag. 70 van 78 vastgesteld 23 mei 2024
m.e.r.-beoordeling kijkt het bevoegd gezag of een project mogelijk belangrijke nadelige milieugevolgen heeft. Als dat zo is, moet een m.e.r.-procedure worden doorlopen. Wanneer speelt een m.e.r.-beoordeling? In het Besluit m.e.r. staat wanneer m.e.r. of een m.e.r.-beoordeling aan de orde is. De activiteit die het project mogelijk maakt en het besluit over de activiteit zijn daarbij bepalend. In de C- en D-lijst in de Bijlage bij het Besluit m.e.r. staat of sprake is van m.e.r.-plicht of m.e.r.-beoordelingsplicht. Per categorie van activiteiten is een drempelwaarde voor de omvang van de activiteit gegeven. Boven de C-drempel geldt een m.e.r.-plicht, tussen de C- en D-drempel geldt een plan-m.e.r.-plicht en onder de D-drempel geldt een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Bij de vormvrije m.e.r.-beoordeling dient onderbouwd te worden of de activiteit belangrijke nadelige milieugevolgen heeft. Sinds de implementatie van de gewijzigde M.e.r.-richtlijn op 16 mei 2017 is de procedure voor de vormvrije en de formele m.e.r.-beoordeling bijna gelijk. Het enige verschil is dat van het besluit bij de vormvrije m.e.r.-beoordeling geen kennisgeving wordt gedaan. Het m.e.r.-beoordelingsbesluit De initiatiefnemer stelt een aanmeldnotitie op, waarover het bevoegd gezag binnen zes weken een m.e.r.-beoordelingsbesluit moet nemen.
Het bevoegd gezag motiveert het besluit door in te gaan op de selectiecriteria van Bijlage III van de M.e.r.-richtlijn. Het gaat daarbij om de hoofdcategorieën: 1. kenmerken van het project 2. plaats van het project 3. kenmerken van het potentiële effect. Is het bevoegd gezag zelf initiatiefnemer, dan is het bevoegd gezag, anders dan een derde, niet verplicht een aanmeldnotitie op te stellen. Verantwoording Hier dient u aan te geven of er sprake is van m.e.r., een m.e.r.-beoordeling of een vormvrije m.e.r.beoordeling. Onderzocht is of een m.e.r. of een m.e.r.-beoordeling nodig is. In bijlage C en D van het Besluit m.e.r. is aangegeven in welke gevallen voor een project een mer (beoordeling) nodig is. In overweging kan worden genomen of het initiatief een stedelijke ontwikkeling zoals bedoeld in kolom 1 van categorie 11.2 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. betreft. Op basis van jurisprudentie over wat wel en niet als stedelijke ontwikkeling wordt gezien is voor onderhavige situatie beoordeeld dat de ontwikkeling gezien de aard en de omvang ervan - geen stedelijke ontwikkeling betreft. De omvang is te klein, het ruimtebeslag beperkt. Het initiatief komt gezien voorgaande motivatie niet voor in bijlage C of D van het Besluit m.e.r. en is met die reden niet m.e.r. of m.e.r.-beoordelingsplichtig.
Kromstraat 2A Overlangel – 2024, pag. 71 van 78 vastgesteld 23 mei 2024
Hoofdstuk 6 6.1
Toelichting op de regels
Algemeen
Het bestemmingsplan bevat regels die het juridisch instrumentarium geven voor het regelen van het gebruik van de gronden en opstallen én bepalingen over de toelaatbaarheid van bebouwing. Het bestemmingsplan kan worden verbeeld op papier, en gaat vergezeld van deze toelichting. De toelichting heeft geen bindende werking en maakt juridisch geen deel uit van het bestemmingsplan. Wel heeft zij een belangrijke functie bij de onderbouwing van het plan. De Wet ruimtelijke ordening biedt zowel de mogelijkheid om een globaal bestemmingsplan te maken als de mogelijkheid van een gedetailleerd bestemmingsplan. In het bestemmingsplan Kromstraat 2A Overlangel – 2024 is gekozen voor een gedetailleerde regeling. Voor de opzet van de regels is aangesloten bij de “Standaardregels bestemmingsplannen Oss”. De regels bestaan uit vier hoofdstukken. Dit zijn de inleidende regels (artikelen 1 en 2), de bestemmingsregels (artikel 3), de algemene regels (artikelen 4 tot en met 11) en de overgangs- en slotregels (de artikelen 12 en 13). Bij de regels hoort 1 bijlage, te weten 1. inrichtingsplan Kromstraat 2A Overlangel. In de volgende paragraaf worden de diverse artikelen uit de regels en de bijlage toegelicht. 6.2
Regels
Hoofdstuk 1: Inleidende regels Artikel 1: Begrippen In dit artikel worden de in de regels gehanteerde begrippen nader verklaard om verschillen in interpretatie te voorkomen. Artikel 2: Wijze van meten Dit artikel geeft aan op welke manier het meten van in de regels genoemde begrippen moet plaatsvinden. Hoofdstuk 2: Bestemmingsregels De in dit hoofdstuk geregelde bestemmingen zijn achtereenvolgens: Artikel 3: Sport Dit artikel regelt het gebruik van het plangebied als veldsportcomplex voor buitensporten. Verder is via de aanduiding ‘maatschappelijk’ binnen deze bestemming het gebruik van de bebouwing als buurt- en dorpshuis geregeld. Binnen dit artikel zijn naast gebruiksregels ook bouwregels opgenomen. Hoofdstuk 3: Algemene regels Dit hoofdstuk geeft een aantal gebruikelijke algemene regels. Het betreft achtereenvolgens: Artikel 4: Anti-dubbeltelregel Dit artikel regelt dat grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing blijft.
Kromstraat 2A Overlangel – 2024, pag. 72 van 78 vastgesteld 23 mei 2024
Artikel 5: Landschappelijke tegenprestatie Dit artikel is opgenomen om ervoor te zorgen dat bij afwijkingen/wijzigingen een landschappelijke tegenprestatie wordt gedaan. Artikel 6: Algemene bouwregels Dit artikel geeft een aantal bouwregels die algemene werking hebben, en dus niet in één of meerdere specifieke bestemmingen gegeven worden. Artikel 7: Algemene gebruiksregels Dit artikel geeft aan wat in ieder geval onder strijdig gebruik wordt verstaan. Artikel 8: Algemene aanduidingsregels In dit artikel zijn de regels opgenomen die horen bij de algemene aanduidingen die in het plangebied van toepassing zijn. Artikel 9: Afwijken van de bouw- en gebruiksregels algemeen Dit artikel geeft een algemene regeling voor afwijking van de bouw- en gebruiksregels. Artikel 10: Wijzigingsregels Dit artikel regelt een algemene regeling waarmee burgemeester en wethouders binnen aangegeven grenzen het plan kunnen wijzigen. Artikel 11: Overige regels Dit artikel regelt de verwijzing naar andere wettelijke regelingen. Hoofdstuk 4: Overgangs- en slotregels Artikel 12: Overgangsrecht Dit artikel regelt het overgangsrecht voor bebouwing en gebruik van gronden en bouwwerken. Artikel 13: Slotregel Dit artikel regelt de formele titel waaronder het bestemmingsplan kan worden aangehaald. Bijlage: Inrichtingsplan 1 Kromstraat 2A Overlangel.
Kromstraat 2A Overlangel – 2024, pag. 73 van 78 vastgesteld 23 mei 2024
Hoofdstuk 7 7.1
Handhaving
Beleidskader
Naar aanleiding van een landelijk traject heeft de gemeente Oss in 2005 de nodige besluiten genomen om de handhaving te professionaliseren. De gemeente wil namelijk een professionele organisatie zijn. Om haar handhavingstaken zo transparant en objectief mogelijk uit te voeren, heeft zij een toezicht-, sanctie- en gedoogstrategie opgesteld. De wijze waarop de gemeente handelt bij overtredingen is daarin vastgelegd. Het uitgangspunt voor handhaving is: elke norm die het verdient te worden gesteld, verdient het ook te worden gehandhaafd. De gemeente is verantwoordelijk voor het algemeen belang, dat concreet wordt in de belangen van veiligheid, volksgezondheid, natuurlijk milieu en ruimtelijke kwaliteit. Deze belangen vragen om een actieve handhaving. Een goede handhaving start echter al bij het opstellen van beleid, regels en voorschriften. Om in dit verband bestemmingsplannen actief te kunnen handhaven moet voldaan zijn aan de volgende criteria: - het opstellen van uitvoerbaar beleid en duidelijke regels; - het verstrekken van duidelijke informatie op basis waarvan burgers en bedrijven hun keuzes kunnen maken; - zorgen voor de naleving van regels door middel van toezicht en de inzet van handhavingsinstrumenten.
Als primaire verantwoordelijkheid van burgers en bedrijven wordt gezien: - het aanvaarden van de consequenties van de eigen keuzes; - nakoming van afspraken en naleving van regels. In het Handhavingsprogramma wordt het concrete belang van handhaving van regels van bestemmingsplannen aangegeven. De negatieve effecten van niet-handhaving kunnen immers groot zijn, zoals schade aan natuur en ruimtelijke kwaliteit, financieel-economische schade en onveiligheid. Maar ook kunnen burgers en bedrijven worden benadeeld door illegale activiteiten van hun buren/omwonenden. De ruimte in Nederland is schaars en iedereen heeft belang bij een goede woon-, werk- en leefomgeving. De kwaliteit hiervan wordt grotendeels in bestemmingsplannen vastgelegd en die kwaliteit verdient het om te worden beschermd, onder meer door toezicht op naleving van de regels en desnoods bestuursrechtelijke handhaving. Het bestuurlijke belang van een adequate handhaving van bestemmingsplannen is dus groot, maar dat geldt ook voor de individuele belangen van burgers en bedrijven. 7.2
Professionele handhaving en handhavingsprogramma
De gemeente Oss voldoet aan de wettelijke kwaliteitscriteria voor een professionele handhavingsorganisatie. Elke vier jaar wordt er een Handhavingsprogramma opgesteld waarin de prioriteiten voor de uitvoering worden vastgelegd. Dit gebeurt na de aantreding van een nieuwe gemeenteraad en de vorming van een nieuw college van burgemeester en wethouders. Elk jaar wordt aan de hand van een probleem- of omgevingsanalyse een voortschrijdend programma gemaakt, waarin rekening wordt gehouden met gewijzigde wetgeving en de op dat moment concrete problematiek. Handhaving van bestemmingsplannen is een vaste prioriteit in het programma.
Kromstraat 2A Overlangel – 2024, pag. 74 van 78 vastgesteld 23 mei 2024
7.3
Handhaafbaarheid, positief bestemmen, overgangsrecht
De regels van dit bestemmingsplan zijn getoetst op handhaafbaarheid. De Wet algemene bepalingen omgevingsrecht voorziet in een verbod op het (laten) gebruiken van gronden en bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan. Overtreding van dit verbod is een strafbaar feit. In beginsel worden bouwwerken die in overeenstemming zijn met het vorige bestemmingsplan positief bestemd. Hetzelfde geldt voor gebruik in overeenstemming met het vorige bestemmingsplan. Met andere woorden: bestaande rechten worden gerespecteerd. Zij zijn in beginsel alleen onder het algemene overgangsrecht gebracht als te voorzien is dat zij binnen de planperiode van tien jaar zullen verdwijnen. Als sprake is van een naar huidige beleidsinzichten onwenselijke situatie die in het vorige bestemmingsplan al onder het overgangsrecht valt, is bezien of deze onder het persoonsgebonden overgangsrecht kan worden gebracht. Dat wil zeggen dat het overgangsrecht voor de betreffende percelen is beperkt tot degenen die die percelen gebruiken op het moment van inwerkingtreding van het bestemmingsplan. Voortgezet gebruik door anderen wordt niet als bestaand gebruik aangemerkt. Wij geven hieraan de voorkeur boven een uitsterfconstructie. Een uitsterfconstructie houdt in feite een positieve bestemming in, die afloopt na beëindiging van het betreffende gebruik. Dit maakt opvolging in de tijd door meerdere gebruikers mogelijk.
Daarmee kan in beginsel het ongewenste gebruik eindeloos lang duren. Persoonsgebonden overgangsrecht heeft als voordeel dat het gekoppeld is aan gebruik door één specifieke gebruiker of een beperkt aantal specifieke gebruikers. Daarmee kan het ongewenste gebruik in de praktijk eerder beëindigd worden, en zeker niet eindeloos lang voort blijven duren, waarmee meer recht wordt gedaan aan de bedoeling van overgangsrecht. Het persoonsgebonden overgangsrecht heeft zeker bij situaties die illegaal zijn ontstaan onze voorkeur boven een uitsterfregeling. Daarnaast kan het voorkomen dat bouwwerken in strijd met het vorige bestemmingsplan zijn opgericht, of dat bestaand gebruik in strijd is met dat plan. Een positieve bestemming ligt dan in de rede als de met het vorige bestemmingsplan strijdige situatie naar huidige beleidsinzichten ruimtelijk aanvaardbaar is. Indien de betreffende situatie ruimtelijk niet aanvaardbaar is, zal hiertegen in beginsel handhavend worden opgetreden. Indien dat in een uitzonderlijk geval niet (meer) mogelijk is, is bezien of de situatie onder het persoonsgebonden overgangsrecht gebracht kan worden. Overigens zijn strijdige situaties op grond van de planregels standaard uitgezonderd van het algemene overgangsrecht. Het Besluit ruimtelijke ordening schrijft dit voor.
Uiteindelijk is altijd maatwerk vereist om te bepalen of een positieve bestemming, algemeen overgangsrecht of persoonsgebonden overgangsrecht mogelijk is.
Kromstraat 2A Overlangel – 2024, pag. 75 van 78 vastgesteld 23 mei 2024
Hoofdstuk 8
Economische uitvoerbaarheid
Dit bestemmingsplan voorziet in nieuwe bouwmogelijkheden. De Grondexploitatie-wetgeving is dan ook van toepassing. Dat betekent dat meerkosten voor de planologische procedure als gevolg van particuliere ontwikkelingen dienen te worden verhaald op de initiatiefnemer(s). Het verhaal van deze kosten kan op twee manieren worden geregeld, namelijk via een anterieure overeenkomst of via een exploitatieplan. De gemeente Oss heeft nadrukkelijk de voorkeur om dit via een anterieure overeenkomst met de initiatiefnemer te regelen, omdat het opstellen van een exploitatieplan aanzienlijke meerkosten voor gemeente én initiatiefnemer tot gevolg heeft. Dit plan is een particulier initiatief. Met initiatiefnemer is een anterieure overeenkomst gesloten. De kosten die voortvloeien uit het plan zijn voor rekening en risico van initiatiefnemer. Hiermee is de financiële haalbaarheid voor de gemeente gegarandeerd. In de anterieure overeenkomst is ook vastgelegd dat de eventuele planschade voor rekening komt voor de initiatiefnemer. De economische uitvoerbaarheid is hiermee voldoende aangetoond.
Kromstraat 2A Overlangel – 2024, pag. 76 van 78 vastgesteld 23 mei 2024
Hoofdstuk 9
Overleg en maatschappelijke uitvoerbaarheid
9.1 Omgevingsdialoog Door Stichting HONK is een omgevingsdialoog georganiseerd. Allereerst is het plan tot stand gekomen in samenspraak met de gebruikersraad en omwonenden. Toen de plannen in verder gevorderd stadium waren zijn ze aan hen gepresenteerd voor een ‘laatste feedbackronde’. De verslagen hiervan zijn bijgevoegd bij deze toelichting. Voor de inwoners van de kernen Overlangel, Neerloon en Keent is ook een planpresentatie georganiseerd. Ook hiervan is een verslag gemaakt dat is bijgevoegd bij deze toelichting (bijlage 7). Uit de verslagen blijkt dat grootschalig is gecommuniceerd met de gebruikers, omgeving en de inwoners van de kernen waarvoor dit alles wordt georganiseerd. Inhoudelijk zijn er vanuit de omgeving op dit moment geen ‘openstaande’ punten meer die nog opgelost moeten worden. De omgevingsdialoog is positief afgesloten en kan als afgerond worden beschouwd. 9.2 Vooroverleg Artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening bepaalt dat ‘het bestuursorgaan dat belast is met de voorbereiding van een bestemmingsplan daarbij overleg pleegt met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn’.
Ter uitvoering daarvan zijn de zijn Rijkswaterstaat Zuid-Nederland, het Ministerie van Defensie, Provincie Noord-Brabant, Waterschap Aa en Maas en de Veiligheidsregio Brabant-Noord in de gelegenheid gesteld om te reageren op het concept ontwerpbestemmingsplan. Ook is het concept ontwerpbestemmingsplan ter informatie toegestuurd naar de Dorpsraad Herpen. Het vooroverleg heeft het volgende opgeleverd. 9.2.1 Rijkswaterstaat Zuid-Nederland Rijkswaterstaat Zuid-Nederland heeft op 7 augustus 2023 aangegeven dat het plan niet binnen het beheersgebied van Rijkswaterstaat Zuid-Nederland ligt en geen van hun belangen raakt. Vanuit Rijkswaterstaat Zuid-Nederland komt er daarom geen reactie. 9.2.2 Ministerie van Defensie Het ministerie van Defensie heeft geen reactie gegeven op het concept ontwerpbestemmingsplan. 9.2.3 Provincie Noord-Brabant In het kader van het wettelijk vooroverleg ex artikel 3.1.1 Besluit ruimtelijke ordening is het concept ontwerpbestemmingsplan op 5 september 2023 besproken met de provincie. De provincie geeft aan dat het zeer te waarderen is dat het initiatief vanuit de dorpen zelf komt. Het is positief dat de locatie in het zoekgebied voor verstedelijking ligt. Daarnaast geeft de provincie het belang van een goede landschappelijke inpassing mee. Verder geven zij groen ligt om verder te gaan met het plan.
De provincie geeft aan dat formeel insturen van het plan na bespreking op 5 september 2023 niet nodig is. 9.2.4 Waterschap Aa en Maas Waterschap Aa en Maas heeft op 1 augustus 2023 aangegeven dat het concept ontwerpbestemmingsplan is beoordeeld. Zij geven aan dat er een watertoets is meegestuurd, die een volledig beeld weergeeft van de waterhuishoudkundige situatie, maar hierover is niets opgenomen in de toelichting. Zij verzoeken om een samenvatting van de watertoets in de toelichting toe te voegen of volwaardig te refereren naar de verschillende huishoudkundige aspecten. Daarnaast geven zij de volgende inhoudelijke beoordeling: “Vanuit inhoudelijk oogpunt is de primaire waterkering een belangrijk aandachtspunt in relatie tot de beoogde ontwikkeling. Waterschap Aa en Maas is thans bezig met de uitwerking van een dijkversterkingsplan voor het dijktraject tussen Cuijk en Ravenstein. Hiervoor is een voorkeursvariant
Kromstraat 2A Overlangel – 2024, pag. 77 van 78 vastgesteld 23 mei 2024
vastgesteld die overlapt met de zuidoosthoek van het plangebied. Hierover heeft enkele malen overleg plaatsgevonden op grond waarvan de situering van het voetbalveld iets is aangepast. Activiteiten binnen de bufferzone van 5 meter zijn niet zonder meer te vergunnen. Aandachtspunten hierbij zijn: 1. Boven- en ondergrondse objecten zoals bijvoorbeeld beplanting, hekwerken en palen binnen 5 meter van de toekomstige waterkering (geplande scherm) zijn vanuit beheer en onderhoud van de toekomstige waterkering niet of slechts onder voorwaarden toegestaan; 2. Voor nieuwe (groen)voorzieningen of andere natuurvoorzieningen binnen een zone van 30 meter van de nieuwe waterkering dient rekening gehouden te worden dat deze geen aantrekkende werking hebben op de vestiging van dassen of andere dieren met risico op graafschade in de waterkering; Omdat de locatie van de nieuwe waterkering c.q. het geplande scherm nog niet definitief is vastgelegd is afgesproken dat bij de verdere uitwerking van de diverse plannen (voetbalveld, dijkversterking) nader overleg zal plaatsvinden waarbij gezocht wordt naar goede onderlinge inpassing, met waar nodig een tijdelijke watervergunning voor boven- en ondergrondse objecten.
Graag het verzoek om deze formulering in de waterparagraaf van de toelichting op te nemen” Verder zijn er geen inhoudelijke opmerkingen en zien we de aangepaste waterparagraaf tegemoet komen. 9.2.5 Veiligheidsregio Brabant-Noord De Veiligheidsregio Brabant-Noord heeft op 31 augustus 2023 advies gegeven over het concept ontwerpbestemmingsplan. Zij geven het volgende advies: “Omdat de ruimtelijek ontwikkeling plaatsvindt in het invloedsgebied van de Gasunie Transport Services B.V. en het spoortraject ’s_-HertogenboschNijmegen dient conform art 7 BEVT het groepsrisico te worden verantwoord. Voor het scenario toxische wolk wordt in het bestemmingsplan het standaard advies gehanteerd. De veiligheidsregio onderschrijft deze paragraaf. Op de Basunie wordt niet ingegaan in het bestemmingsplan. In dit advies wordt geadviseerd over de Gasunie. Scenario’s: Het relevante scenario i.r.t. het plangebied is een fakkelbrand. Vanwege (graaf)werkzaamheden ontstaat een breuk in een hogedruk aardgasleiding. Het aardgas stroomt onder hoge druk uit. Het brandbare gas ontsteekt waardoor een fakkelbrand optreedt. De afstand tot de inrichting is erg groot maar valt binnen de 10kW/m2 en binnen de 1% letaliteit. Beoordeling zeflredzaamheid: Voor het scenario fakkelbrand is vluchten het beste handelingsperspectief.
Dit betekent dat aanwezigen op tijd gealarmeerd en geïnstrueerd moeten worden en er voldoende vluchtwegen van de risicobron aflopend aanwezig moeten zijn. Nabij het plangebied kan via de Kromstraat, Maasdijk en Keenstseweg van de risicobron afgevlucht worden. De mogelijkheden ten aanzien van de zelfredzaamheid zijn goed. Er worden geen niet- of verminderd zelfredzame mensen in het plangebied gehuisvest. De aanwezigen zijn normaal gesproken in staat om zelfstandig conform instructies bijvoorbeeld via NL-Alert te reageren. Beoordeling bestrijdbaarheid: Voor het scenario fakkelbrand bij de buisleiding is de bestrijdbaarheid slecht. Bij een incident met een Buisleiding kan de fakkelbrand alleen worden bestreden door de toevoer dicht te draaien. Hiervoor dient contact opgenomen te worden met de leidingbeheerder en dit kost veel tijd. De brandweer kan tot de leiding is afgesloten niet handelend optreden. Advies: De veiligheidsregio adviseert om de volgende maatregelen te nemen om de bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid in het plangebied te verhogen: - Informeer de initiatiefnemers actief over het aanwezige risico en handelingsperspectief. Deze informatie zorgt er ook voor dat de bewoners op het moment dat een incident plaats vindt direct weten hoe te
Kromstraat 2A Overlangel – 2024, pag. 78 van 78 vastgesteld 23 mei 2024
handelen, dit heeft een positieve invloed op de mate van zelfredzaamheid. Daarnaast wordt geadviseerd om dit te laten beoefenen.” Ze geven aan graag het definitief bestemmingsplan ter inzage te zien. 9.2.6 Dorpsraad Dorpsraad Herpen is via de wijkcoördinator geïnformeerd. Zij hebben geen reactie gegeven op het plan. 9.3 Inspraak De gemeente is wettelijk niet verplicht om een voorontwerpbestemmingsplan te maken en daar een inspraakprocedure voor te volgen. Het gemeentelijke beleid voor de toepassing van inspraak bij ruimtelijke plannen biedt de mogelijkheid om bij kleine plannen af te zien van inspraak. Dit is aan de orde bij plannen die een beperkte impact hebben. In dit geval gaat het om een plan waarvoor de initiatiefnemer van het planvoornemen een uitgebreide omgevingsdialoog heeft gevoerd. Dit heeft geleid tot het besluit om voor het planvoornemen geen voorontwerpbestemmingsplan te maken en inspraakprocedure te volgen. 9.4 Zienswijzen Het ontwerpbestemmingsplan heeft op grond van de Wet ruimtelijke ordening en de Algemene wet bestuursrecht van 21 december 2023 tot en met 31 januari 2024 voor iedereen voor 6 weken ter inzage gelegen. Tegelijkertijd is het plan elektronisch beschikbaar gesteld via de gemeentelijke website en de landelijke website www.ruimtelijkeplannen.nl.
Burgemeester en wethouders hebben de terinzagelegging vooraf meegedeeld in het plaatselijke blad Oss Actueel, in het Gemeenteblad en op de gemeentelijke website en hebben het plan toegezonden aan de wettelijke vooroverlegpartners. Iedereen kon zijn zienswijze schriftelijk of mondeling over het ontwerpbestemmingsplan bij de gemeenteraad naar voren brengen tijdens de terinzagelegging. Tijdens de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan heeft de gemeente één zienswijze ontvangen. Het gaat om een zienswijze van het Waterschap Aa en Maas. Met het waterschap is overleg gevoerd over de ingediende zienswijze en het bestemmingsplan is naar aanleiding van de zienswijze van wijzigingen voorzien. De zienswijze is via een nota van zienswijzen en ambtshalve wijzigingen beantwoord. In de nota is ook aangegeven tot welke wijzigingen de zienswijze heeft geleid. De zienswijze ziet op drie onderdelen: de primaire waterkering (Maasdijk), de hoogteligging van het voetbalveld en hydrologisch neutraal ontwikkelen (compensatie van hemelwaterberging).