Bijlage 1A - Toelichting BP Kromstraat 2a Overlangel - 2024
Tekst van het document
Kromstraat 2A Overlangel – 2024, pag. 28 van 78 vastgesteld 23 mei 2024
-
-
Nieuwe impulsen voor toerisme en recreatie, met bijzondere aandacht voor versterking van de recreatie in de Maashorst en het Maasgebied en het ontwikkelen van aantrekkelijke uitloopgebieden met natuur en recreatie nabij de stad Oss en toeristisch-recreatieve verbindingen tussen kernen op afstand van de Maas en de Maasdijk Het bieden van ruimte voor waterveiligheid, waterkwantiteit en waterkwaliteit
De bovenstaande doelstellingen worden vertaald naar een ontwikkelingsvisie per landschapstype. We maken onderscheid tussen: - Uiterwaarden - Oeverwal - Komgebied - Dekzandrand - Dekzandrug - Primair agrarisch gebied Per landschapstype is een gebiedsbeschrijving, een ruimtelijke en een functionele visie opgenomen in de Structuurvisie. Naast de visies per landschapstype zijn er ook ontwikkelingsvisies opgesteld per bebouwingsconcentratie. Per bebouwingsconcentratie is een beschrijving van de ruimtelijke situatie van het gebied gegeven, evenals een visie over landschappelijke kenmerken en de mogelijkheden voor ontwikkelingen en transformaties. We beschrijven in welke bebouwingsconcentraties de realisatie van nieuwe woningen ruimtelijk voorstelbaar is. Daarnaast geven we aan welke andere functies eventueel mogelijk zijn. Uitgangspunt is nieuwe burgerwoningen in het buitengebied niet gewenst zijn. In hoofdlijn zijn de mogelijkheden voor het bouwen van nieuwe burgerwoningen in het buitengebied beperkt tot drie mogelijkheden: in de vorm van een stedelijke ontwikkeling binnen zoekgebied verstedelijking, in de vorm van een ruimte-voor-ruimte woning binnen een bebouwingsconcentratie, of met de regeling kwaliteitsverbetering bebouwingsconcentraties binnen zoekgebied verstedelijking. In de Structuurvisie Buitengebied Oss - 2015 is aangegeven dat het plangebied is gelegen op een oeverwal.
Voor het plangebied geldt buiten deze ‘typering’ als oeverwal en de bijbehorende visie die voor de oeverwallen in zijn algemeenheid geldt geen specifieke ontwikkelrichting. Het plangebied is namelijk niet gelegen in een bebouwingsconcentratie. Wel heeft het plangebied in het vigerende bestemmingsplan ‘Buitengebied Oss – 2020’ de gebiedsaanduiding ‘stads- en dorpsranden’. Oeverwal De oeverwal is een hooggelegen rug, parallel aan de Maas. Van oorsprong worden de oeverwallen gekenmerkt door een relatief kleinschalig cultuurlandschap met een grote diversiteit. Door de aanwezigheid van veel landschapselementen heeft de oeverwal over het algemeen een groen en halfopen karakter. Naast de acht kleine kernen liggen op de oeverwal ook een zevental bebouwingsconcentraties. Onderhavig plangebied ligt niet in één van deze kernen, maar in het buitengebied, niet zijnde een bebouwingsconcentratie. Hieronder zijn de kwaliteiten en bedreigingen van de Oeverwal opgenomen. Kwaliteiten • Het kleinschalige, halfopen karakter van de oeverwal heeft een hoge belevingswaarde • De oeverwal heeft een grote cultuurhistorische waarde, door monumentale gebouwen, wielen, grienden, de Maasdijk en oude paden • De Maasdijk vormt de drager van de oeverwal, waarop de dorpen zijn gelegen als een kralensnoer.
Hierdoor is een optimale wisselwerking tussen dorp en het landschap mogelijk • De afwisseling van functies maakt de oeverwal een prettig gebied om te wonen, werken en recreëren • De oeverwal heeft grote toeristisch-recreatieve waarde
Kromstraat 2A Overlangel – 2024, pag. 29 van 78 vastgesteld 23 mei 2024
Bedreigingen • Op de oeverwal dreigen de kleinschaligheid en cultuurhistorisch waardevolle gebieden te verdwijnen door functieveranderingen. Dit is bijvoorbeeld te zien aan verkavelingsstructuren, boomgaarden en wielen. Door het verdwijnen van deze kleinschalige landschapselementen verdwijnt de kleinschaligheid van de oeverwal. • Het toegenomen aantal burgerbewoningen kan de aanwezige agrarische bedrijven belemmeren • De sterk toegenomen recreatie op de Maasdijk kan het woongenot en verkeersveiligheid aantasten Het planvoornemen past – als voorzieningencluster voor de inwoners van Overlangel, Neerloon en Keent, waarbij binnen de kwaliteiten van de ‘oeverwal’ wordt ontwikkeld, zonder die te bedreigen - binnen de visie voor de Oeverwal. Conclusie Het planvoornemen is niet strijdig met de Structuurvisie Buitengebied Oss – 2015. 4.4.5 Welstandsbeleid Op 24 september 2020 is “Samen bouwen aan een mooi Oss, Nota uiterlijk van bouwwerken Oss 2020” vastgesteld. Dit welstandsbeleid legt meer verantwoordelijkheid bij de inwoners en bedrijven van de gemeente Oss. Met deze nota geldt in principe voor het gehele grondgebied van de gemeente een welstandsvrij beleid. Nieuwe bouwaanvragen hoeven niet te worden voorgelegd aan het Adviesteam Architectuur om te worden getoetst aan ‘redelijke eisen van welstand’.
Er gelden drie uitzonderingssituaties: bebouwing binnen beschermde stads- en dorpsgezichten; monumenten en de panden in de directe omgeving van een monument (binnen een straal van 25 meter vanaf een monument); bebouwing binnen gebieden waar een beeldkwaliteitsplan geldt. In deze gevallen is voor bebouwing een welstandadvies wél verplicht. In het welstandsvrije deel van de gemeente blijft de mogelijkheid bestaan om bouwplannen voor te leggen aan het Adviesteam Architectuur voor een vrijblijvend welstandsadvies. Het plangebied ligt niet in een beschermd stads- en dorpsgezicht of in de nabijheid van een monument. Voor het plan is geen beeldkwaliteitsplan opgesteld waaraan de bebouwing zal worden getoetst. De plannen zullen vrijwillig aan het Adviesteam Architectuur worden voorgelegd, omdat het hier een maatschappelijke functie betreft. Het adviesteam heeft het plan nog niet beoordeeld. 4.4.8 Horeca In het Integraal Horecabeleidsplan zijn de sociaal-maatschappelijke, economische en ook ruimtelijke aspecten van de horecabranche betrokken.
Ruimtelijk gezien zijn de volgende uitgangspunten uit het horecabeleidsplan van belang: gestreefd wordt naar een clustering van horeca met andere publieksgerichte voorzieningen; gebieden met een overheersende woonfunctie zijn horecaluwe gebieden; het beleid is niet gericht op uitbreiding van de horecafuncties; in de gemengde gebieden met voorzieningen (wijk- en buurtcentra) en langs hoofdstraten waar al meerdere publieksgerichte voorzieningen aanwezig zijn, is horeca met een gebiedsgerichte functie toelaatbaar.
Kromstraat 2A Overlangel – 2024, pag. 30 van 78 vastgesteld 23 mei 2024
-
voor de wijk- en buurtcentra gaat het vooral om daghoreca die zich richt op het winkelende publiek, zoals een lunchroom of cafetaria. In specifieke situaties kan bij voorzieningenclusters de vestiging van een café als gerichte buurtontmoetingsplek voorstelbaar zijn. De bestaande horecavoorzieningen in de buurten en wijken liggen veelal aan de hoofdstraten waar al meerdere publieksgerichte voorzieningen aanwezig zijn. Het ruimtelijk beleid is hier consoliderend, dat wil zeggen dat deze voorzieningen overwegend gehandhaafd kunnen blijven. In het beleidsplan wordt verder aangegeven dat het streven erop is gericht om bij de actualisering van bestemmingsplannen de regels te standaardiseren aan de hand van standaardregels. Voor de horeca zijn hiertoe vijf horecabestemmingen geformuleerd. De horecabestemming categorie 1 t/m 3 omvat zogenaamde lichte, winkelondersteunende horeca, zoals een snackbar en een restaurant. De categorieën 4 en 5 betreffen de zogenaamde zware uitgaanshoreca, zoals een café, discotheek en casino. Horeca in de vorm van onderschikte horeca en daghoreca maakt onderdeel uit van het planvoornemen en is – gezien de uitgangspunten zoals geformuleerd in het integraal horecabeleidsplan – volledig in lijn met het Osse horecabeleid.
Namelijk gaat het hier om een functie vergelijkbaar met een wijk- en buurtcentrum (ontmoeten) waarvoor in het beleid aangegeven wordt dat daghoreca passend is. De ondergeschikte horeca is voor de te vestigen (sport)verenigingen is standaard onderdeel van de bestemmingsomschrijving voor dergelijke functies. Het planvoornemen voldoet aan het integraal horecabeleidsplan.
Kromstraat 2A Overlangel – 2024, pag. 31 van 78 vastgesteld 23 mei 2024
Hoofdstuk 5
5.1
Omgevingsaspecten
Landschap
5.1.1 Nota Landschapsbeleid Binnen de gemeente Oss bestaat grote aandacht voor het landschap en het landelijke gebied. De Nota Landschapsbeleid 2015 zorgt voor een beleidskader welke een sturende werking heeft bij ruimtelijke ontwikkeling in het buitengebied. Ruimtelijke ingrepen en nieuwe functies in het buitengebied hebben een grote uitstraling naar de omgeving. Dit betekent dat bij deze ingrepen (bijvoorbeeld de bouw van agrarische bedrijfsgebouwen) eisen aan de landschappelijke inpassing van objecten moeten worden gesteld. De gemeente wordt verder geconfronteerd met de aanleg (of juist verwijdering) van (landschaps)elementen door particulieren op agrarische percelen in het buitengebied. Dergelijke initiatieven komen vaak niet overeen met de ter plaatse aanwezige en te behouden landschappelijke kwaliteit (bijvoorbeeld behoud van openheid of gebruik van niet-inheemse boomsoorten). Goede toetsingskaders en sturingsinstrumenten zijn voor bescherming maar ook voor ontwikkeling van het landschap onmisbaar. In de Nota Landschapsbeleid wordt per deelgebied beschreven wat de landschappelijke visie is. De verschillende deelgebieden zijn: Uiterwaarden Oeverwal Komgebied Dekzandrand Dekzandrug Per deelgebied wordt aangegeven wat de ontwikkelingsvisie is. Daarbij worden aandachtspunten voor uitwerking en uitvoering geschetst.
In de Nota Landschapsbeleid – 2015 is een matrix opgenomen t.b.v. sterke en zwakke punten en kansen en bedreigingen per gebiedstype. Hieronder zijn deze punten, kansen en bedreigingen voor het gebiedstype ‘Oeverwal’ – waarin het planvoornemen is gelegen - overgenomen. Sterk - Cultuurhistorisch gevormd landschap met onregelmatig verkavelingspatroon - Prachtige authentieke dorpen - Belvedere stadjes Megen en Ravenstein - Historisch waardevolle beplanting op de dijk en in de dorpen - Wielen en kleiputten - Afwisseling open en besloten plekken - Bos waterwingebied Macharen Zwak - Kleinschaligheid van het landschap gaat verloren - Veel houtsingels zijn verdwenen - Leefbaarheid in dorpen - Onvoldoende focus op Belvedere stadjes Megen en Ravenstein Kans - Terugbrengen hoogstamboomgaarden - Ontwikkeling open kleinschaligheid bos waterwingebied Macharen
Kromstraat 2A Overlangel – 2024, pag. 32 van 78 vastgesteld 23 mei 2024
-
Inzetten landbouwgronden voor nieuwe cultuurhistorische ontwikkelingen Recreatieve uitloop kleine kernen Ontwikkeling nieuwe landgoederen
Bedreiging - Mogelijke dijkverzwaring - Kleinschaligheid dreigt verder verloren te gaan Op basis van deze kansen en bedreigingen is per gebiedstype de landschappelijke ontwikkelingsvisie opgesteld. Voor de ‘Oeverwal’ betekent dit, samengevat naar aard van onderhavig plangebied, dat het ruimtelijk gezien wenselijk is om de hoogteligging van de oeverwal in het landschap duidelijker te laten zien. Daarnaast is het wenselijk om de kleinschaligheid en het groene karakter van de oeverwal te versterken. Op grotere afstand van de kernen verschuift het beeld geleidelijk van besloten naar halfopen. Verder van de kernen af zal het zicht op het open komgebied gehandhaafd blijven. Bomenrijen staan vooral loodrecht op de dijk. Streven naar kleinschaligheid en een groen karakter kan op verschillende manieren: door het weren van grootschalige bebouwing en grote percelen, maar ook door de schaal te verkleinen, door de aanleg van houtwallen, houtsingels, bosjes, laanbeplanting en (hoogstam)boomgaardjes en door het behoud (en de versterking) van bestaande landschapselementen (zoals grienden, wielen, houtwallen en hakhoutbosjes). Hierdoor ontstaat een afwisseling tussen open en besloten gebieden. Het onregelmatige, kleinschalige verkavelingspatroon moet versterkt worden.
Door de aanleg van kavelgrens- en erfbeplantingen wordt het kleinschalige verkavelingspatroon benadrukt en kunnen droge ecologische verbindingszones ontstaan. Door het versterken van verkavelingspatronen wordt het oorspronkelijke karakter van het landschap op de oeverwal verduidelijkt. Het aanleggen van hoogstamboomgaarden zal bijdragen aan een afwisselend beeld op de oeverwal. Voor de uitwerking en uitvoering zijn diverse aandachtspunten genoemd. Algemeen geldt: - Herstel landschapselementen als voorwaarde bij ontwikkelingen in bestemmingsplan opnemen - Nieuwe ontwikkelingen landschappelijk inpassen - Bij ruimtelijke ontwikkelingen landschappelijke eisen stellen toetsen: - Behoud van karakteristieke dijkenpatroon; - Bestaande landschapselementen beschermen in het bestemmingsplan stimuleren; - In dit gebied is ruimte voor vernieuwing, bijvoorbeeld voor nieuwe landgoederen; - Toevoegen nieuwe landschapselementen, zoals houtwallen, grienden en bosjes stimuleren; - Aanleg hoogstamboomgaarden stimuleren; - Onregelmatige blokstructuur versterken; - Herstel oude padenstructuur (kerkepaden); - In het Maasbandproject rekening houden met de landschappelijke eenheden. Verder zijn ook richtlijnen voor erfbeplanting op de ‘Oeverwal’ opgenomen. Dit zijn de volgende: - De oeverwallen hebben een kleinschalig, halfopen karakter.
- Beplanting in het algemeen, en erfbeplanting in het bijzonder, kan dit karakter versterken door toepassing van dichte opgaande beplanting. - Ook hoogstamfruitbomen voor of naast de bebouwing zijn elementen die fraai passen bij de kenmerken van de oeverwal. De bodem van de oeverwal bestaat vaak uit zavelachtig zand (relatief voedselrijk en vochtig) en is geschikt voor een groot assortiment bomen en struiken. Geschikte bomen als overstaanders in
Kromstraat 2A Overlangel – 2024, pag. 33 van 78 vastgesteld 23 mei 2024
houtwallen of -singels zijn bijvoorbeeld inlandse eik, veldesdoorn en esdoorn. Voor afschermend groen kunnen bijvoorbeeld meidoorn, hazelaar en sleedoorn worden gebruikt. Meidoorn of veldesdoorn kunnen als haag worden toegepast. Daar waar fruitbomen staan geen meidoorn toepassen, vanwege het overdragen van ziekten. Als onderdeel van het planvoornemen is een landschapsplan opgesteld. Het landschapsplan is met de Nota Landschapsbeleid – 2015 als één van de uitgangspunten tot stand gekomen. Invulling wordt dan ook gegeven aan de ontwerprichtlijnen die in de Nota Landschapsbeleid – 2015 voor ontwikkelingen op de oeverwal zijn geformuleerd. Hieronder is een afbeelding opgenomen van het landschapsplan. Voor de toelichting hierop wordt verwezen naar bijlage 1 bij deze toelichting.
Geconcludeerd kan worden dat in het plangebied voor wat betreft het landschapsplan is aangesloten bij de ontwerprichtlijnen, welke in de Nota Landschapsbeleid – 2015 voor de oeverwal zijn geformuleerd. Hiermee wordt voldaan aan de Nota Landschapsbeleid – 2015. 5.1.2
Kwaliteitsverbetering van het landschap
Regeling ‘kwaliteitsverbetering van het landschap’ De Interim omgevingsverordening Noord-Brabant eist, bij een bestemmingsplan dat een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk maakt in het landelijk gebied, een fysieke kwaliteitsverbetering van de landschappelijke kwaliteit. Dit staat in artikel 3.9 van de Interim omgevingsverordening. In januari 2013 is het afsprakenkader over de toepassing en uitwerking van deze regeling vastgesteld. Dit regionale
Kromstraat 2A Overlangel – 2024, pag. 34 van 78 vastgesteld 23 mei 2024
afsprakenkader is oorspronkelijk bedoeld als uitwerking van regeling ‘Kwaliteitsverbetering van het landschap’ uit de Verordening ruimte. Het afsprakenkader geldt nog steeds. Toepassingsbereik De notitie toepassingsbereik vormt het basisdocument voor het afsprakenkader van de provincie met de gemeenten in de regio Noordoost. Deze notitie bevat de categorie-indeling voor de niet-planmatige ruimtelijke ontwikkelingen in het buitengebied en de bijbehorende tegenprestatie. Deze notitie geeft de minimale inspanning aan die de gemeente Oss regionaal heeft afgesproken. Gemeenten hebben alle vrijheid om meer kwaliteitsverbetering te verlangen als ze dat nodig vinden op basis van beleids- of gebiedsambities. Het afsprakenkader is nadrukkelijk geen ruimtelijk afwegingskader. Gemeenten moeten zelf beoordelen of een ontwikkeling ruimtelijk gewenst is. Vervolgens kan aan de hand van het afsprakenkader beoordeeld worden waar de kwaliteitsverbetering minimaal aan moet voldoen. Afspraken toepassingsbereik 1. de notitie Toepassingsbereik en met name de verdeling van ruimtelijke ontwikkelingen over de verschillende categorieën is de basis voor het afsprakenkader over toepassingsbereik. 2. bij planmatige (stedelijke) ontwikkelingen is kwaliteitsverbetering altijd van toepassing; 3. bij niet-planmatige ontwikkelingen: tegenprestatie gerelateerd aan impact: • cat.
1 geen impact: geen tegenprestatie • cat. 2 beperkte impact: landschappelijke inpassing • cat. 3 grote impact: berekende kwaliteitsverbetering van het landschap Afspraken kwaliteitsverbetering 1. Bij planmatige (stedelijke) ontwikkelingen: storting in een landschapsfonds of bijdrage in natura in landschapsversterkend project. 2. Bij niet-planmatige ontwikkelingen zijn gemeenten zelf verantwoordelijk voor de toepassing: in natura (op of nabij de projectlocatie), financiële bijdrage in landschapsfonds of een combinatie van beide. 3. Bij kwaliteitsverbetering in natura (op of nabij de projectlocatie) bevat het ruimtelijk plan de verantwoording van de kwaliteitsverbetering. 4. De regio kiest niet voor een (sub)regionaal landschapsfonds. Indien gemeenten een grensoverschrijdend landschapsproject willen realiseren, weten zij elkaar te vinden. Het planvoornemen betreft een planmatige stedelijke ontwikkeling, waarvoor geldt dat 1% van uitgifteprijs per m2 moet worden geïnvesteerd in het landschap. Dit kan ter plaatse, maar ook door storting in een landschapsfonds voor investering elders. Voor de gemeente Oss staan de geldende gronduitgifteprijzen in de grondprijzenbrief 2023-2024. Hieruit blijkt voor maatschappelijke voorzieningen een uitgifteprijs van € 125,- per m2/BVO. Met het plan wordt het mogelijk om een gebouw te realiseren van 763 m2 i.p.v. 185 m2.
Dit leidt tot de volgende berekening: (763 – 185) x € 125,- x 1% = € 722,50. In de grondprijzenbrief 2023-2024 is geen grondprijs opgenomen voor onbebouwde grond met maatschappelijke functie. Om toch een berekening te kunnen maken is de bestemmingswaarde ‘Beleidsactualisatie RO Buitengebied 2021’ gebruikt. Deze is voor ‘sport onbebouwd’ € 15/m2. Dit leidt tot de volgende berekening: (2459 m2 + 1197 m2 _ 4492 M2) x € 15 x 1% = € 1222,-. De totale bijdrage kwaliteitsverbetering komt daarmee op € 722,50 + € 1.222,- = € 1944,50. Buiten de landschappelijke inpassing (bijlage 1 bij deze toelichting) zal er een bijdrage van € 1944,50 gedaan moeten worden. Omdat er op het eigen terrein en ook vlak ernaast geen ruimte is om iets te realiseren, zal dit via een storting in het groenfonds gebeuren.
Kromstraat 2A Overlangel – 2024, pag. 35 van 78 vastgesteld 23 mei 2024
5.2
Natuur
5.2.1 Wet natuurbescherming De Wet natuurbescherming beschermt Nederlandse natuurgebieden en planten- en diersoorten. Het is belangrijk voor de natuur dat er veel verschillende planten- en diersoorten zijn. Wanneer het met de natuur goed gaat, is er ook meer ruimte voor economische en andere maatschappelijke activiteiten. Maar sommige soorten zijn kwetsbaar, zoals vleermuizen en mussen. Een goede natuurbescherming is dan ook belangrijk. Rolverdeling tussen provincies en Rijk Sinds 1 januari 2017 bepalen de provincies wat wel en niet mag in de natuur binnen de provincie. De provincies zorgen voor de vergunningen en ontheffingen. De Rijksoverheid blijft verantwoordelijk voor het beleid van grote wateren en internationaal beleid (zoals Natura2000). Ruimtelijke plannen en omgevingsvergunningen die invloed hebben op beschermde natuur moeten passen binnen de Wet natuurbescherming. Daarnaast gelden ook provinciale regelingen voor natuurbescherming. 5.2.2 Groen en natuur/biodiversiteit Natuurinclusief bouwen De gemeente streeft ernaar om bij (ver)bouwen zoveel als mogelijk rekening te houden met de natuur en de biodiversiteit ofwel ‘natuurinclusief’ te bouwen. Aan initiatiefnemers wordt gevraagd om dit ook te doen. Het planvoornemen houdt hier rekening mee.
Zo zijn groene daken onderdeel van het initiatief en worden nestvoorzieningen voor vleermuizen, gierzwaluwen en huismussen in de nieuwbouw ingebouwd. Dit is geborgd via een voorwaardelijke verplichting in de regels van dit bestemmingsplan. Met het planvoornemen wordt voldaan aan het verzoek om natuurinclusief te bouwen. Bijzonder waardevolle bomen In 1998 is de beleidsnota “Bijzonder waardevolle bomen” opgesteld, waarin bomen zijn opgenomen die vanwege specifieke waarden bescherming verdienen. De lijst met waardevolle bomen wordt periodiek geactualiseerd. De laatste actualisatie van de regels en criteria voor een bijzondere boom is opgenomen in de nota “Bijzondere bomen in Oss 2018”. In deze nota is vastgelegd dat de aanvraag van een omgevingsvergunning voor de aangewezen waardevolle bomen altijd geweigerd moet worden tenzij het kappen van deze bomen vanuit het algemene belang noodzakelijk is. Dit is verder vertaald in de Algemene Plaatselijke Verordening (APV). Op grond van de APV is voor het kappen van bomen die op de Beschermde bomenlijst staan een vergunning vereist. De vergunning kan op grond van verschillende criteria door het college van burgemeester en wethouders worden geweigerd. De laatste actuele lijst van de bijzondere bomen is te vinden op www.oss.nl/bijzondereboom.
In het plangebied worden bomen gekapt, omdat anders het planvoornemen niet gerealiseerd kan worden (voor een overzicht van de te kappen bomen wordt verwezen naar bijlage 1 bij deze toelichting). Zo moet een boom wijken om een inrit te maken tot het parkeerterrein en ligt er een struweel rondom de bestaande korfbalvelden, dat moet worden verwijderd omdat anders niet tot een efficiënte en doelmatige inrichting van de verschillende functies binnen het plangebied gekomen kan worden. Aan de hand van de kaart behorende bij de nota “Bijzondere bomen in Oss 2018” is nagegaan of in/nabij het plangebied sprake is van waardevolle bomen. Hieronder is een uitsnede van de kaart ter hoogte van het plangebied opgenomen, de ligging van het plangebied is hierop met een rode cirkel aangeduid. Op
Kromstraat 2A Overlangel – 2024, pag. 36 van 78 vastgesteld 23 mei 2024
de afbeelding is zichtbaar dat in of nabij het plangebied geen waardevolle bomen (geen rode sterren) aanwezig zijn.
De te kappen bomen zijn geen bijzonder waardevolle bomen. Het planvoornemen schaadt met die reden geen bijzonder waardevolle bomen. 5.2.3 Natuurtoets Bij de bescherming van natuurwaarden gaat het enerzijds om soortenbescherming en anderzijds om gebiedsbescherming. Gebiedsbescherming is gericht op de bescherming van kwetsbare natuurgebieden. Soortenbescherming moet er toe leiden dat het voortbestaan van soorten niet in gevaar komt. 5.2.3.1. Gebiedsbescherming Binnen Nederland zijn 166 Natura 2000-gebieden aangewezen. Dit zijn gebieden met een Europese beschermingsstatus. Voor de Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen opgesteld. Activiteiten en ontwikkelingen die een negatief effect op de instandhoudingsdoelstellingen hebben, zijn verboden.
Kromstraat 2A Overlangel – 2024, pag. 37 van 78 vastgesteld 23 mei 2024
Voor een plan geldt op grond van artikel 2.7 lid 1 van de Wet natuurbescherming dat bepalend is of het significante gevolgen kan hebben voor een (of meer) Natura 2000-gebied(en). Is dat het geval, dan dient het bestuursorgaan, onderscheidenlijk de aanvrager van de vergunning, bij de vaststelling van een plan met toepassing van artikel 2.7 Wnb, een passende beoordeling te maken, zoals bedoeld in artikel 2.8 Wnb. Veel van de Natura 2000-gebieden zijn gevoelig voor stikstofdepositie. Een verdere toename van de stikstofdepositie kan leiden tot ‘significante negatieve effecten’ op de instandhoudingsdoelstellingen van de Natura 2000-gebieden. Sinds 1 juli 2021 is de Wsn samen met het bijbehorende Besluit stikstofreductie en natuurverbetering van kracht. Deze regelgeving wijzigt de Wet en het Besluit natuurbescherming en moet voorzien in een structurele aanpak van de stikstofproblematiek. De Wsn regelt ook een aanpassing van het Besluit natuurbescherming, waardoor een vrijstelling geldt voor bouw-, aanleg- en sloopactiviteiten van bouwprojecten. Deze vrijstelling is op 2 november 2022 echter tenietgedaan via de uitspraak van de Raad van State inzake Porthos (ECLI:NL:RVS:2022:3159). Sindsdien geldt de vrijstelling niet meer en moet zowel voor de gebruiks- als aanlegfase worden bepaald of er negatieve effecten kunnen optreden.
Een eerste toetsing (voortoets) geeft aan of er negatieve effecten kunnen optreden en zo ja of deze van dien aard kunnen zijn dat de instandhoudingsdoelstellingen in gevaar kunnen komen. Indien dat het geval is, wordt een tweede toetsing verricht welke dieper ingaat op de mate van effect (passende beoordeling). Uit de ‘Handreiking Voortoets Stikstof’ (3 maart 2021) blijkt dat een voortoets moet worden overlegd bestaande uit een beschrijving van de uitgangspunten van de emissieberekening, de AERIUS-resultaten en de conclusie. In de handreiking is hierover opgenomen “Op grond van de AERIUS-resultaten kunnen significant negatieve gevolgen van een plan of project op voorhand uitgesloten worden als het plan of project niet leidt tot een depositietoename op een stikstofgevoelig habitattype of leefgebiedtype waar de KDW (bijna) wordt overschreden. De Voortoets bestaat dan enkel uit een beschrijving van de uitgangspunten van de emissieberekening, de AERIUS-resultaten en de conclusie dat significante gevolgen zijn uitgesloten”. Op basis van artikel 2.7, lid 1 en 2 jo. artikel 2.8 lid 1 van de wet Natuurbescherming geldt dat er een Passende Beoordeling moet worden gemaakt wanneer een plan of project (afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten), significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied.
Wanneer deze gevolgen in de Voortoets op grond van objectieve gegevens met zekerheid kunnen worden uitgesloten, is geen Passende Beoordeling vereist en bij projecten geen vergunning. Het onderscheid tussen de Passende Beoordeling en de Voortoets is niet wettelijk vastgelegd. Wel zijn het Rijk en provincies akkoord gegaan met de Handreiking Voortoets stikstof en wordt deze als landelijke lijn gehanteerd. Voor het planvoornemen is voor de niet-vrijgestelde activiteiten (gebruiksfase) een Voortoets gedaan (bijlage 3 bij deze toelichting). Uit de Voortoets blijkt dat het planvoornemen geen significante gevolgen heeft voor Natura 2000-gebieden. 5.2.3.2. Soortenbescherming De Wnb geeft kaders voor de bescherming van planten en dieren. Zo is het verboden om dieren te vangen of verwonden en om vaste rust- en verblijfplaatsen te vernielen. Dit is vastgelegd in drie vergelijkbare beschermingsregimes voor soorten. Indien deze verbodsbepalingen overtreden worden, is er een ontheffing nodig. Voor ieder ruimtelijk plan is het verplicht om te toetsen of deze leiden tot overtreding van de verbodsbepalingen.
Kromstraat 2A Overlangel – 2024, pag. 38 van 78 vastgesteld 23 mei 2024
Door Buro Maerlant is een quickscan flora en fauna uitgevoerd. De rapportage van de quickscan is bijgevoegd bij deze toelichting (bijlage 4). De quickscan kent de navolgende conclusies en aanbevelingen. “Conclusie In het plangebied zijn de volgende potentiële en actuele natuurwaarden aangetroffen waar rekening mee gehouden dient te worden: - Broedvogels algemeen. - Functie van het te amoveren deel van de houtsingel voor de das en mogelijk voor kleinere - marters. Effecten Doordat de werkzaamheden op het land plaatsvinden, beperkt van aard zijn, en preventief afdoende maatregelen kunnen worden getroffen, zijn over het algemeen géén negatieve effecten op strikter beschermde soorten te verwachten. Mede doordat de houtsingel voor een groot deel blijft behouden en in de nieuwe situatie mogelijkheden kunnen worden geboden worden geen negatieve effecten verwacht. Op basis van het advies zijn de ingrepen zonder meer mogelijk. Inzake de das en kleinere marters is voorafgaand aan de feitelijke ingrepen een PvA benodigd dat is gebaseerd op een goedgekeurde gedragscode. De gedragscode Stadswerk is geschikt voor de ingrepen en kan hiervoor worden gebruikt. Een ontheffing is in dit geval niet noodzakelijk. Blijvende effecten worden met de juiste aanpak voorkomen.
Advies Vogels Doordat er een kans bestaat, dat broedende vogels binnen de invloedssfeer van de ingrepen aanwezig zijn, wordt aanbevolen rekening te houden met broedende vogels en de ingrepen bij voorkeur uit te voeren buiten de broedperiode: na 1 augustus en vóór 1 maart. Indien een ter zake deskundige heeft vastgesteld dat er geen broedende vogels binnen de invloedssfeer van de ingrepen aanwezig zijn, is het ook mogelijk binnen deze periode te werken. Het wegnemen van nesten van broedende vogels is conform de Wet natuurbescherming niet toegestaan. Das en kleinere marters Geadviseerd wordt na afronding van het nader onderzoek een PvA op te stellen voorafgaand aan de uitvoer gebaseerd op een goedgekeurde gedragscode. Op basis van de resultaten tot nu toe dient men rekening te houden met de volgende randvoorwaarden: - Zoveel mogelijk behoud van de bestaande houtsingel en opname van te behouden delen in het ontwerp. Het benodigde grondwerk bij de singel uit te voeren buiten de voorplantingsperiode van kleinere marters. - Realisatie vergelijkbare singels rondom het toekomstige voetbalveld. Bij voorkeur wordt hier ook een greppel voorzien. - Het (eventueel) aanbrengen van kunstmatige pijpen in deze nieuwe singel in de vorm van korte betonnen buizen. Compacte grond te combineren met vergraafbare lossere grond. - Dezelfde soorten aan te planten als aanwezig in de te behouden singels.
- Toepassen van de verlichting te beperken tot het strikt noodzakelijke: tijdens het sporten zelf. Buiten openingstijden dient het terrein slechts spaarzaam te worden verlicht.” Op basis van de quickscan is door Buro Maerlant een nader onderzoek naar dassen en kleine marters uitgevoerd. Voorafgaand hieraan is de landschappelijke inpassing voor het planvoornemen uitgewerkt, wat naast de bevindingen van de quickscan input is geweest voor het nadere onderzoek. De rapportage van het nader onderzoek is bijgevoegd bij deze toelichting (bijlage 5). Het nader onderzoek kent de navolgende conclusies en aanbevelingen.
Kromstraat 2A Overlangel – 2024, pag. 39 van 78 vastgesteld 23 mei 2024
“Conclusie Aangetroffen beschermde natuurwaarden en effecten In het plangebied zijn de volgende soorten en functies aangetroffen waar gedurende de ingrepen en in de nieuwe situatie rekening mee gehouden dient te worden: - Functie van de groenstrook voor de das als foerageergebied en onregelmatig gebruik van de aangetroffen pijp (bijburcht of vluchtpijp). - Functie van de groenstrook voor de steenmarter, de wezel en de bunzing als foerageergebied en kans dat holen worden gebruikt als verblijfplaats in de kraamtijd. - De aanwezigheid van het konijn en grondgebonden zoogdieren algemeen, waardoor vanuit de zorgplicht maatregelen benodigd zijn. Ten behoeve van de ingrepen dient een mitigatieplan (Plan van Aanpak) te worden opgesteld met een gerichte aanpak om effecten te voorkomen. Grondwerk dient buiten de kwetsbare periode (kraamtijd) te worden uitgevoerd én op het moment dat zeker is dat de das niet aanwezig is in de burcht. In de nieuwe situatie dient voldoende vergelijkbaar gebied te worden gerealiseerd. Met een juiste aanpak worden effecten voorkomen en is geen sprake van overtreding van de Wet natuurbescherming doordat sprake is van behoud van functionaliteit. Advies Geadviseerd wordt voorafgaand aan de ingrepen een mitigatieplan op te stellen met in detail de te nemen beschermende maatregelen tijdens aanleg en in de nieuwe situatie.
Indien gehandeld wordt conform dit mitigatieplan worden effecten voorkomen. De provincie Noord-Brabant stelt, dat als effecten kunnen worden voorkomen, voor het tijdelijk wegnemen van verblijfplaatsen geen ontheffing benodigd is (mitigatieplan). Onderstaande maatregelen en voorzieningen dienen te worden uitgewerkt. Onderstaande maatregelen voor de das zijn gebaseerd op de actuele resultaten van het onderzoek. Voorgestelde maatregelen uit de quickscan komen deels te vervallen. Das - Uitvoer grondwerk ter hoogte van de te amoveren groenstrook buiten de zoogtijd. De periode waar de pijp met zekerheid niet in gebruik is geniet de voorkeur: periode oktober - februari. - Realisatie voldoende alternatief door gerichte aanleg van singels rondom het nieuwe sportveld. De singels dienen te worden aangelegd en beheerd als struweelhaag. Deze bieden beschutting en voedsel. Kleine marters - Het grondwerk voor het verwijderen van de groenstrook dient te worden uitgevoerd buiten de kraamtijd: tussen september en vóór 1 maart. - Herstel van het te amoveren deel van de groenstrook door aanleg van voldoende groen rondom het nieuwe sportveld. De maatregel zoals vermeld bij de das is ook voor kleine marters gunstig en een voorwaarde om effecten te voorkomen. Zorgplichtmaatregel konijn Het konijn is voldoende mobiel om werkvakken te verlaten.
Geadviseerd wordt grondwerk aan de groenstrook uit te voeren als jongen voldoende zelfstandig zijn. De maanden oktober en november, zoals voorgesteld bij de das, zijn ruim buiten de zoogtijd en in dit kader optimaal. Broedvogels algemeen Het advies uit de quickscan inzake broedvogels algemeen blijft op de ingrepen van toepassing(citaat): “Doordat er een kans bestaat, dat broedende vogels binnen de invloedssfeer van de ingrepen aanwezig zijn, wordt aanbevolen rekening te houden met broedende vogels en de ingrepen bij voorkeur uit te voeren buiten de broedperiode: na 1 augustus en vóór 1 maart. Indien een ter zake deskundige heeft vastgesteld dat er geen broedende vogels binnen de invloedssfeer van de ingrepen aanwezig zijn, is het
Kromstraat 2A Overlangel – 2024, pag. 40 van 78 vastgesteld 23 mei 2024
ook mogelijk binnen deze periode te werken. Het wegnemen van nesten van broedende vogels is conform de Wet natuurbescherming niet toegestaan”. Beschermde soorten vormen geen belemmering voor het planvoornemen, omdat de bestaande houtwal deels blijft behouden en diverse nieuwe aanplant is voorzien die voor de das in dezelfde functie als de bestaande houtwal voorziet. Hierbij geldt aanvullend dat voorafgaand aan de ingrepen wel nog een mitigatieplan moet worden opgesteld, waarin wordt ingegaan op de te nemen maatregelen tijdens de aanleg en dat als zodanig moet worden uitgevoerd. Via een voorwaardelijke verplichting in de regels van dit bestemmingsplan is deze eis verzekerd. 5.3
Archeologie en Cultuurhistorie
5.3.1 Erfgoedwet en overgangsregeling omgevingswet De Erfgoedwet beschermt het cultureel erfgoed in Nederland. In deze wet staan regels om belangrijk cultureel erfgoed beter te beschermen en behouden. In de Erfgoedwet staat wat cultureel erfgoed is, hoe de overheid omgaat met roerend cultureel erfgoed (zoals schilderijen), wie welke verantwoordelijkheden heeft en hoe de overheid daar toezicht op houdt. Het beschermingsregime voor de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten (lees archeologische resten) net als de bescherming van gebouwde rijksmonumenten wordt opgenomen in de Omgevingswet. Vooruitlopend op de ingang van de Omgevingswet is het deel van de Monumentenwet 1988 dat gaat over de fysieke leefomgeving geregeld in het overgangsrecht van de Erfgoedwet. Het gaat om: • vergunningen tot wijziging, sloop of verwijdering van rijksmonumenten. • verordeningen, bestemmingsplannen, vergunningen en ontheffingen op het gebied van archeologie. • bescherming van stads- en dorpsgezichten. Het erfgoed in de ruimtelijke ordening wordt nu nog voor een belangrijk deel geregeld via de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Ruimtelijke plannen die toepassing hebben op cultureel erfgoed moeten passen binnen wettelijke kaders van de Erfgoedwet en ook de regelingen die in andere wetten en regelgeving is opgenomen, zoals de Wabo en het Bro.
5.3.2 Archeologiebeleid Het provinciale archeologisch beleid is neergelegd in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant van 25 oktober 2019 en op de provinciale Cultuurhistorische waardenkaart 2010, herzien 2016. Hierin is de bescherming van aardkundig waardevolle gebieden en archeologische landschappen geregeld. Het gemeentelijk archeologisch beleid is veel gedetailleerder dan het algemene provinciale beleid op dit punt en prevaleert daarom ook boven het provinciale archeologisch beleid. Op 14 oktober 2010 heeft de gemeente Oss haar ‘archeologiebeleid’ vastgesteld. In 2015 heeft de gemeenteraad het archeologiebeleid opnieuw vastgesteld. Dit was nodig vanwege de gemeentelijke herindeling met Maasdonk. Onderdeel van de vaststelling in 2015 is het rapport 'Actualisatie archeologiebeleid gemeente Oss, een herziene archeologische beleidskaart voor het nieuwe grondgebied van de gemeente Oss' (Goddijn, 2012). Aan de hand van onderzoeken, inzichten en boringen in het veld zijn de eerdere archeologische kaarten gedeeltelijk bijgesteld. Op de beleidskaart is
Kromstraat 2A Overlangel – 2024, pag. 41 van 78 vastgesteld 23 mei 2024
sprake van meerdere beleidscategorieën (zie onderstaande tabel). In het beleid is per beleidscategorie vastgelegd wanneer sprake is van een onderzoeksplicht en wanneer ontwikkelingen hiervan zijn vrijgesteld. Verwachting/waarde Archeologisch beschermd rijksmonument Archeologisch (AMK-) monument Beschermde stadsgezichten Historische stads-/dorpskern Hoge verwachtingswaarde Hoge verwachtingswaarde – bedrijventerrein Middelhoge verwachtingswaarde Lage verwachtingswaarde Reeds onderzocht Verstoord
Vrijstellingsgrenzen 0 m2 / 30 cm -Mv 35 m2 / 30 cm -Mv 50 m2 / 30 cm -Mv 100 m 2 / 30 cm -Mv 1000 m2 / 30 cm -Mv 5 hectare / 30 cm -Mv Afhankelijk van de resultaten van het reeds uitgevoerde onderzoek. Geen onderzoeksplicht
5.3.3 Archeologietoets Volgens de archeologische beleidskaart van de gemeente is aan het bestemmingsplangebied een hoge verwachtingswaarde toegekend. Concreet betekent dit dat er een archeologische onderzoeksplicht geldt indien de bodemingrepen dieper reiken dan 30 cm beneden huidig maaiveld én de omvang van het gebied groter is dan 100 m². Toetsing van de plannen Met het planvoornemen worden de vrijstellingsgrenzen overschreden. Met die reden is door KSP Archeologie een archeologisch verkennend bureau- en booronderzoek uitgevoerd. De rapportage van het onderzoek is bijgevoegd bij deze toelichting (bijlage 8) en kent de navolgende samenvatting. “Uitkomsten bureauonderzoek Het doel van het archeologisch bureauonderzoek was het opstellen van een gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied. Op de gemeentelijke, archeologische verwachtingskaart is aan het plangebied een hoge archeologische verwachting toegekend, maar ligt het plangebied buiten de historische kern (Figuur 8). Deze hoge archeologische verwachting kan voor de periode LaatPaleolithicum tot Volle Middeleeuwen door de ligging binnen een terrasrestvlakte die mogelijk bedekt is geraakt met rivierklei behouden blijven. Met name voor de Romeinse tijd t/m Volle Middeleeuwen is de ligging binnen een oeverwal van de Maas en daarmee archeologische verwachting duidelijk.
Op basis van de historische ontwikkeling lijkt de kans op een huisplaats uit de Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd klein. Het is nog onduidelijk wat de landschappelijke ligging van het plangebied was in de prehistorie. Als het plangebied in het Allerød in een kompositie heeft gelegen zal er een lagere verwachting gelden voor vuursteensites, in een oever- of verlaten beddingpositie zal het plangebied een hoge verwachting kennen voor vuursteensites. De verwachting voor bewoning in de Brons- en IJzertijd zal hoog zijn als het plangebied in een oeverpositie van de Haren stroomgordel lag of als de Pleistocene terrasrest niet bedekt is geraakt met komklei. Als er sprake was van bedekking met komklei zal het plangebied in die periode een lagere verwachting hebben. Uitkomsten booronderzoek Vervolgens is deze verwachting getoetst door middel van een inventariserend veldonderzoek, verkennende fase. Uit het booronderzoek blijkt dat over de terrasvlakte lemig/siltig materiaal (Laag van Wijchen) en (verspoeld) (dek)zand is afgezet. Deze afzettingen zijn op hun beurt afgedekt door siltige kleien die veelal sterk tot uiterst siltig zijn. In het oosten van het plangebied ligt de top van het pleistocene
Kromstraat 2A Overlangel – 2024, pag. 42 van 78 vastgesteld 23 mei 2024
terras dieper en ontbreekt dekzand. Hier komt een fase voor met zwaardere kleiafzettingen (zwak tot matig siltige kleien). In deze afzettingen is geen bodemvorming waargenomen. De archeologische verwachting voor vuursteenvindplaatsen uit het Laat-Paleolithicum tot Neolithicum en de verwachting voor nederzettingen uit de periode Bronstijd tot Midden-Romeinse tijd kan daardoor bijgesteld worden naar een lage archeologische verwachting. In de bovengrond (bovenste 60 à 80 cm) komen humeuze afzettingen voor van zand en zandige klei die in het westen ook grind bevatten. In het oosten lijken dit oeverafzettingen van de Maas en bestaan deze afzettingen veelal uit sterk zandige klei (zeer lichte zavel). In het westen van het plangebied kunnen ook oeverafzettingen door de Maas afgezet zijn. Hier is de textuur zandiger en komt vaker een grindige bijmenging voor. Mogelijk is hier sprake van een overslaggrond die over het plangebied is afgezet. Aangezien in de top van de sterk tot uiterst siltige klei geen bodemvorming is waargenomen is het niet uitgesloten dat de afzetting van sterk zandige klei tot zandige oever/overslaggrond door de Maas toch ook voor erosie gezorgd heeft. Indien er sprake is van oeverafzettingen van de Maas dan kent het plangebied een hoge archeologische verwachting voor nederzettingen vanaf de Laat-Romeinse tijd t/m de Volle Middeleeuwen.
Indien er sprake is van overslaggrond dan is er sprake van een lage archeologische verwachting voor nederzettingsresten uit die periode. Op basis van boringen is het lastig om onderscheid te maken tussen een overslaggrond en een oeverafzettingen, omdat beiden dicht nabij de rivier zandig zijn en ook grind kunnen bevatten. Er zijn geen aanwijzingen om de lage verwachting voor een huisplaats uit de periode Late Middeleeuwen tot Nieuwe tijd bij te stellen. Advies Op basis van de intactheid van de bodem in het plangebied kan een archeologische vindplaats niet uitgesloten worden. Wanneer de geplande graafwerkzaamheden dieper reiken dan 30 cm beneden maaiveld kunnen eventueel aanwezig archeologische resten verloren gaan en wordt een vervolgonderzoek geadviseerd. Eerst zal gekarteerd moeten worden of er archeologische resten/indicatoren aanwezig zijn. Karterend onderzoek kan plaatsvinden door middel van boringen of proefsleuven (op basis van een goedgekeurd PvE). De gemeente Oss is over het algemeen geen voorstander van karterend booronderzoek, omdat de vindplaatsen uit de IJzertijd in het dekzandgebied in de gemeente Oss gekenmerkt worden door sterk gefragmenteerd aardewerk en daardoor slecht op te sporen zijn met boringen. Het huidige plangebied ligt in het rivierengebied en kent een hoge verwachting voor vindplaatsen jonger dan de IJzertijd.
Om die reden raadt KSP Archeologie een karterend booronderzoek (methode C3, Tol e.a. 2012, 29 boringen/ha) aan voor dit plangebied binnen de gemeente Oss. Reactie gemeente Oss Het rapport is op 19 september 2022 beoordeeld door de gemeente Oss en deze geeft aan in stemmen met het selectieadvies. Er zijn twee opties: Conform het advies van KSP Archeologie: karterend booronderzoek. Op basis van dit onderzoek zal dan bepaald worden of verder (gravend)onderzoek nodig is. OF direct gravend onderzoek in de vorm van een proefsleuvenonderzoek (met eventuele doorstart naar een opgraving). Dit onderzoek dient nog voorafgaand aan (en als input voor) het nieuwe bestemmingsplan te worden aangeleverd.” Op basis van de uitkomsten van het archeologisch verkennend bureau- en booronderzoek en de beoordeling ervan door de gemeente Oss is een inventariserend veldonderzoek (karterend booronderzoek) uitgevoerd. De rapportage van het onderzoek is bijgevoegd bij deze toelichting (bijlage 9) en kent de navolgende samenvatting. “In eerste instantie is een archeologisch bureauonderzoek en verkennend booronderzoek uitgevoerd (KSP Rapport 21159). Op basis van de gegevens die in het bureauonderzoek zijn verzameld, is een hoge
Kromstraat 2A Overlangel – 2024, pag. 43 van 78 vastgesteld 23 mei 2024
verwachting toegekend voor de Laat-Romeinse tijd t/m Volle Middeleeuwen voor de oeverafzettingen aan het plangebied. Dit karterende booronderzoek is uitgevoerd om deze hoge verwachting te toetsen door te onderzoeken of de oeverafzettingen archeologische indicatoren bevatten. De hoge archeologische verwachting voor de Laat-Romeinse tijd t/m Volle Middeleeuwen uit het bureauen verkennend booronderzoek voor de bovengrond van de oeverafzettingen in het plangebied is getoetst door middel van een inventariserend veldonderzoek, karterende fase. Gezien de grovere bijmenging in het westen van het plangebied is hier het beeld versterkt dat hier sprake is van een overslaggrond. In het centrale deel van het plangebied lijkt dit gezien het zandige sediment ook het geval. In het oosten van het plangebied zijn lichte oeverafzettingen aanwezig. Tijdens het karterend booronderzoek zijn in het centrale en oostelijke dele antropogene bijmengingen waargenomen in de vorm van baksteenpuin en industrieel wit aardewerk. In het centrale deel zijn daarnaast ook fragmenten glas en plastic waargenomen. In het oosten van het plangebied zijn daarnaast houtskool en kolengruisfragmenten waargenomen. De antropogene bijmengingen worden niet gezien als archeologische indicatoren die duiden op een vindplaats, maar zijn vermoedelijk het gevolg van het landgebruik als korfbalveld en landbouwgrond.
De hoge verwachting voor vindplaatsen uit de LaatRomeinse tijd t/m Volle Middeleeuwen kan daarom bijgesteld worden naar een lage archeologische verwachting. De resultaten van het booronderzoek geven geen aanleiding om de lage verwachting voor resten uit de Late Middeleeuwen (vanaf de 13e eeuw) tot en met de Nieuwe tijd bij te stellen. De dieper gelegen sedimenten hadden een lage verwachting op basis van het verkennend booronderzoek. Op grond van het ontbreken van archeologische indicatoren in het plangebied en daarmee lage archeologische verwachting adviseert KSP Archeologie geen archeologisch vervolgonderzoek en om in nieuwe bestemmingplan geen archeologische dubbelbestemming op te nemen. Bovenstaand advies vormt een zogenaamd selectieadvies. Dit selectieadvies betekent nog niet dat reeds bodemverstorende activiteiten of daarop voorbereidende activiteiten kunnen worden ondernomen. De resultaten van dit onderzoek zullen namelijk eerst moeten worden beoordeeld door de bevoegde overheid (gemeente Oss), die vervolgens een selectiebesluit neemt. De gemeente Oss heeft het rapport beoordeeld. Het rapport versie 1.0 kan direct worden omgezet in een eindversie. Het selectiebesluit zal bevatten dat op basis van verkennende en karterende booronderzoeken archeologisch vervolgonderzoek niet meer nodig is.
Ook hoeft het plangebied niet meer beschermd te worden middels een archeologische dubbelbestemming.” Bestemmingsplanregels De gemeente Oss vertaalt de wet en het archeologisch beleid ook door in standaard bestemmingsplanregels. Zo heeft de gemeente bestemmingsplanregels (dubbelbestemmingen: dat wil zeggen dat deze naast de hoofdbestemming gelden) voor bescherming van historische kernen, beschermde monumenten, monumenten en voor gebieden met een middelhoge of hoge archeologische verwachtingswaarde. Met deze regels kan, ter bescherming van archeologische waarden, worden bepaald wanneer er een omgevingsvergunning voor bepaalde werkzaamheden nodig is, wanneer dat niet het geval is en onder welke omstandigheden en met welke nadere eisen en voorwaarden een omgevingsvergunning kan worden verleend. Het volledige plangebied is met een archeologisch verkennend bureau- en booronderzoek en inventariserend veldonderzoek onderzocht. Gezien de resultaten van het onderzoek heeft de gemeente Oss een selectiebesluit genomen, waarmee het plangebied archeologisch vrijgegeven. Het selectiebesluit
Kromstraat 2A Overlangel – 2024, pag. 44 van 78 vastgesteld 23 mei 2024
is bijgevoegd bij deze toelichting (bijlage 16) en kent de volgende redactie: “De gemeente Oss neemt het advies van KSP over. - Besloten wordt dat voor het terrein geen archeologische restricties meer gelden ten aanzien van de werkzaamheden. Archeologisch vervolgonderzoek is niet noodzakelijk. In het gebied geld echter wel een meldingsplicht bij het aantreffen van archeologische resten. - In het bestemmingsplan hoeft het plangebied ook niet meer planologisch beschermd te blijven door middel van een dubbelbestemming ‘Waarde-archeologie.” Archeologie vormt geen belemmering voor het planvoornemen. Conform het selectiebesluit is voor het plangebied in dit bestemmingsplan geen dubbelbestemming i.v.m. de bescherming van eventuele archeologische waarden opgenomen. 5.3.4 Cultuurhistorie Wettelijk kader Door een wijziging van het Bro moeten cultuurhistorische waarden voortaan vooraf in het proces van ruimtelijke ordening worden meegenomen, met name bij de voorbereiding en vaststelling van bestemmingsplannen. Het Bro bevat eisen waaraan de voorbereiding van een bestemmingsplan moet voldoen. Zo wordt er onder meer een beschrijving verlangd van de manier waarop met in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. Dat wordt veranderd in: met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten.
De regering wil hiermee bereiken dat aandacht voor cultuurhistorische waarden voortaan in het planproces naar voren wordt gehaald. Doordat plannen nu nog pas na afloop van het planproces worden getoetst aan de regelgeving van de monumentenzorg, wordt monumentenzorg dikwijls ervaren als hindernis. Dit is door de regering erkend en daarbij is de ambitie uitgesproken om de positie van cultuurhistorie aan het begin van het ruimtelijk ordeningsproces juridisch te versterken. Door de verankering van cultuurhistorische waarden in de bestemmingsplannen vermindert tegelijkertijd de noodzaak tot het aanwijzen van nieuwe beschermde monumenten, omdat het belang van de cultuurhistorie wordt geborgd via het proces van de ruimtelijke ordening. In de Wet tot wijziging van de Monumentenwet 1988 en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in verband met modernisering van de monumentenzorg is daarom al de mogelijkheid voor burgers en belangengroepen om een aanvraag in te dienen om een monument aan te wijzen als beschermd monument, geschrapt. Dit instrument werd door belangengroepen nogal eens ingezet om afgifte van bouwvergunningen te frustreren of te vertragen. Met de wijziging van het Bro wordt tevens de adviesrol van Gedeputeerde Staten beperkt. Tot nu toe moet bij alle ingrepen aan een beschermd monument buiten de bebouwde kom advies aan Gedeputeerde Staten worden gevraagd.
Met de wijziging van het besluit hoeft dat alleen nog, als het gaat om monumenten die door de minister op grond van de Monumentenwet 1988 zijn aangewezen. Daarnaast voorziet het besluit in een aantal versoepelingen van vergunningvrij wijzigen of bouwen in, aan of bij beschermde monumenten. Samengevat komen die versoepelingen er op neer, dat voor gewoon onderhoud of voor inpandige veranderingen aan beschermde monumenten geen monumentenvergunning meer nodig is, als de betreffende onderdelen geen monumentale waarde hebben. Bij twijfelgevallen zal men het bevoegd gezag moeten raadplegen. De bedoeling van het wijzigingsbesluit is om enerzijds cultuurhistorische waarden een duidelijke plaats te geven aan het begin van het planproces en anderzijds onnodige regeldruk, vooral wanneer het gaat om ondergeschikte wijzigingen aan een monument, weg te nemen. Cultuurhistorie: gemeentelijk en provinciaal beleid Het beleid van de gemeente Oss voor wat betreft cultuurhistorie is onder meer neergelegd in het Erfgoedplan Oss 2006 “Op gemengde bodem”. Hierin zijn onder andere opgenomen: historisch bebouwde gebieden, oude verkavelingspatronen, de invloed van de Maas en Rijksmonumenten. Deze nota heeft (nog) geen betrekking op het grondgebied van de voormalige gemeente Lith.
Kromstraat 2A Overlangel – 2024, pag. 45 van 78 vastgesteld 23 mei 2024
Daarnaast heeft de gemeente Oss een Monumentenlijst 2019. Hierin zijn de Rijks- en gemeentelijke monumenten opgenomen. Het provinciale cultuurhistorische beleid is verankerd in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant en op de Cultuurhistorische waardenkaart 2010. Hierin zijn onder andere opgenomen: cultuurhistorische vlakken en complexen van cultuurhistorisch belang. Cultuurhistorie: bestemmingsplanregels en regels in de provinciale Interim omgevingsverordening NoordBrabant Met de onder het kopje ‘archeologie’ genoemde bestemmingsplanregels, is het ook mogelijk om cultuurhistorische waarden in bestemmingsplannen te beschermen. Een en ander voor zo ver het terreinen betreft (inbouwen sloopvergunningstelsel voor bebouwing). Kortheidshalve wordt naar het kopje ‘archeologie: bestemmingsplanregels’ verwezen. De provincie Noord-Brabant heeft in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant bindende regels opgenomen ter bescherming van cultuurhistorische waarden. In het plangebied is geen sprake van cultuurhistorische waarden. 5.4
Mobiliteit en parkeren
5.4.1 Verkeer De Mobiliteitsvisie Oss uit 2009 heeft als doel het in balans brengen van bereikbaarheid, leefbaarheid en veiligheid. De mobiliteitsvisie is uitgewerkt in het Mobiliteitsplan 2020 Oss. Het deelplan Wegen werkt het gewenste netwerk voor het autoverkeer uit. Per weg is de gewenste functie vastgelegd. Van belang is de vraag of een initiatief leidt tot extra verkeersbewegingen en of de toename van verkeersbewegingen passen binnen de normen die voor ontsluitingswegen gelden. Verkeer: extra verkeersbewegingen Voor de sportvelden is de verkeersgeneratie bepaald op basis van de kengetallen uit de nota ‘Parkeernormen Oss 2017’. Het CROW heeft namelijk geen kengetallen voor verkeersgeneratie van sportvelden. De verkeersgeneratie kan echter wel berekend worden op basis van de parkeernorm. Dit is in onderhavige situatie dan ook gedaan. De parkeernorm voor sportvelden die de gemeente Oss hanteert is 20 per hectare terrein (norm is incl. bijbehorende voorzieningen). Het netto terrein is 10.395 m2. Voor de berekening van de verkeersgeneratie is uitgaan van 2 ritten per auto (heen en terug) en een turnover van twee, wat resulteert in 21 x 2 x 2 x 1 = 84 motorvoertuigen per etmaal voor de sportvelden in het plangebied. Voor de ontmoetingsfunctie is de verkeersgeneratie bepaald op basis van de kengetallen uit de nota ‘Parkeernormen Oss 2017’.
Het CROW heeft namelijk geen kengetallen voor verkeersgeneratie van de ontmoetingsfunctie als we daarvoor uitgaan van een wijkgebouw. De verkeersgeneratie kan echter wel berekend worden op basis van de parkeernorm. Dit is in onderhavige situatie dan ook gedaan. Het gaat om 3 parkeerplaatsen per 100 m2 bvo. Het bvo voor ontmoeten is 539 m2. Voor de berekening van de verkeersgeneratie is uitgaan van 2 ritten per auto (heen en terug) en een turnover van twee, wat resulteert in 3 x 2 x 2 x 5,39 = 64,68 motorvoertuigen per etmaal voor de ontmoetingsfunctie in het plangebied. Het totaal aantal te verwachten verkeersbewegingen per etmaal is 148,68 motorvoertuigen per etmaal. De omliggende wegen kunnen deze (deels) extra verkeersgeneratie prima verwerken. Het wegprofiel is afdoende. De verkeersbewegingen passen binnen de huidige functie van de weg (erftoegangsweg type II).
Kromstraat 2A Overlangel – 2024, pag. 46 van 78 vastgesteld 23 mei 2024
Verkeer: ontsluitingswegen De ontsluiting van het plangebied vindt op twee plekken plaats. Aan de noordzijde bij het clubgebouw annex dorpshuis (voor calamiteiten) en aan de westzijde bij de parkeerplaats (voor gebruikers). De ontsluiting aan de westzijde is de meest belangrijke. Deze ligt op een overzichtelijke plek, wat de verkeersveiligheid ten goede komt. De ontsluiting voldoet aan de normen van het Mobiliteitsplan 2020. 5.4.2 Parkeren De gemeente Oss heeft een gemeentelijk parkeerbeleidsplan vastgesteld in 2017 en in 2023. Voor plannen waarvoor een principe-uitspraak is gedaan voordat het beleidsplan van 2023 is vastgesteld geldt het parkeerbeleidsplan van 2017, anders geldt die van 2023. In onderhavige situatie moet uitgegaan worden van het gemeentelijk parkeerbeleidsplan van 2017. Op basis van de nota ‘Parkeernormen Oss 2017’ geldt dat in het plangebied 39 parkeerplaatsen nodig zijn. - Sportvelden = 20 pp/ha x 1.0395 ha = 20,8 parkeerplaatsen - Wijkgebouw = 3 pp/100m2 x 539 m2 = 16,17 parkeerplaatsen Totaal = 36,97 parkeerplaatsen In het plangebied worden 37 parkeerplaatsen gerealiseerd. Voldaan wordt aan de parkeerbehoefte die het planvoornemen met zich meebrengt. 5.5
Water
5.5.1 Wetgeving en beleid De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater. Ook verbetert de Waterwet de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) stelt een watertoets verplicht voor ruimtelijke plannen waarin waterbelangen spelen. De watertoets bewaakt de waterkwaliteit en waterkwantiteit. Een watertoets is het hele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en beoordelen. Waterhuishoudkundige aspecten zijn onder meer veiligheid, wateroverlast, waterkwaliteit, verzilting en verdroging. De watertoets heeft betrekking op alle wateren: rijkswateren, regionale wateren, gemeentelijke en particuliere wateren en grondwater. De gemeente Oss heeft in december 2022 een Water- en Rioleringsprogramma vastgesteld (WRP 20232029). Het programma biedt een kader voor de gemeentelijke watertaken en regelt de zorg voor inzameling en transport van afvalwater, doelmatige verwerking van afvloeiend (overtollig) hemelwater en overtollig grondwater. De gemeente is verantwoordelijk voor de openbare ruimte. In bebouwd gebied vraagt de zorg voor oppervlaktewater extra aandacht. De gemeente is ook verantwoordelijk voor een goede ruimtelijke ordening. Het gaat om voldoende ruimte voor water in ruimtelijke plannen. De watertoets is opgenomen in het Besluit op de ruimtelijke ordening (Bro).
Beleid van gemeente, provincie en rijk is van toepassing bij een watertoets. Toetsing van uw waterparagraaf gebeurt op kwaliteit en kwantiteit. De verwerking van hemelwater, afvalwater en planologische ‘waterbestemmingen’ komen aan bod. Waterbeheerplan Op 19 november 2021 is het nieuwe waterbeheerplan van waterschap Aa en Maas vastgesteld. In dit plan is beschreven welke doelstellingen het waterschap nastreeft in de periode 2022-2027 en hoe zij die doelstellingen wil gaan halen. Het plan geldt van 22 december 2021 tot en met 21 december 2027. Het waterbeheerplan is uitgewerkt in de volgende drie programma’s: 1. Waterveiligheid; Het programma ‘Waterveiligheid’ draait om de bescherming tegen overstromingen vanuit de Maas en het regionale watersysteem. 2. Klimaatbestendig en gezond watersysteem;
Kromstraat 2A Overlangel – 2024, pag. 47 van 78 vastgesteld 23 mei 2024
Het programma ‘Klimaatbestendig en gezond watersysteem’ draait om een goed functionerend watersysteem in normale én in extreem droge en natte situaties: klimaatbestendig, robuust, veerkrachtig en stuurbaar. Daarbij let het waterschap op de hoeveelheid (goede waterpeilen, het vasthouden van water en het omgaan met wateroverlast en droogte); en op de kwaliteit van het water (chemisch en ecologisch). 3. Schoon Water; In het programma ‘Schoon Water’ speelt het zuiveren van afvalwater een centrale rol. Voor bebouwde gebieden heeft het waterschap specifieke doelen geformuleerd. In bebouwd gebied werkt het waterschap toe naar een klimaatrobuust watersysteem waarin: • schoon water niet naar de zuivering gaat, maar het grondwater voedt; • de waterkwaliteit geen risico’s geeft voor de volksgezondheid en geschikt is voor een goede ontwikkeling van flora en fauna, maar ook voor recreatie en evenementen; • de kans op wateroverlast en problemen door droogte en hittestress acceptabel is; • de betrokkenheid en het waterbewustzijn van inwoners, bedrijven en andere stedelijke partners is toegenomen. Deze programma’s zijn verder uitgewerkt in het WBP naar concrete doelstellingen. Deze doelstellingen vinden onder andere een doorwerking in de beschikbare instrumenten van het waterschap; Keur, legger, communicatie en stimuleringsmiddelen.