Bijlage 1A Toelichting BP Burgemeester van Erpstraat 80 Berghem - 2023
Tekst van het document
Archeologie en Cultuurhistorie
5.3.1 Erfgoedwet en overgangsregeling omgevingsw et
De Erfgoedwet beschermt het cultureel erfgoed in Nederland. In deze wet staan regels om belangrijk cultureel erfgoed beter te beschermen en behouden.
Burgemeester van Erpstraat 80 te Berghem – 2023, pag. 26 van 54 Vastgesteld 14 december 2023
In de Erfgoedwet staat wat cultureel erfgoed is, hoe de overheid omgaat met roerend cultureel erfgoed (zoals schilderijen), wie welke verantwoordelijkheden heeft en hoe de overheid daar toezicht op houdt. Het beschermingsregime voor de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten (lees archeologische resten) net als de bescherming van gebouwde rijksmonumenten wordt opgenomen in de Omgevingswet. Vooruitlopend op de ingang van de Omgevingswet is het deel van de Monumentenwet 1988 dat gaat over de fysieke leefomgeving geregeld in het overgangsrecht van de Erfgoedwet. Het gaat om: • vergunningen tot wijziging, sloop of verwijdering van rijksmonumenten. • verordeningen, bestemmingsplannen, vergunningen en ontheffingen op het gebied van archeologie. • bescherming van stads- en dorpsgezichten. Het erfgoed in de ruimtelijke ordening wordt nu nog voor een belangrijk deel geregeld via de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Ruimtelijke plannen die toepassing hebben op cultureel erfgoed moeten passen binnen wettelijke kaders van de Erfgoedwet en ook de regelingen die in andere wetten en regelgeving is opgenomen, zoals de Wabo en het Bro.
5.3.2 Archeologiebeleid
Het provinciale archeologisch beleid is neergelegd in de IOVNoord-Brabant van 25 oktober 2019 en op de provinciale Cultuurhistorische waardenkaart 2010, herzien 2016. Hierin is de bescherming van aardkundig waardevolle gebieden en archeologische landschappen geregeld. Het gemeentelijk archeologisch beleid is veel gedetailleerder dan het algemene provinciale beleid op dit punt en prevaleert daarom ook boven het provinciale archeologisch beleid. Op 14 oktober 2010 heeft de gemeente Oss haar ‘archeologiebeleid’ vastgesteld. In 2015 heeft de gemeenteraad het archeologiebeleid opnieuw vastgesteld. Dit was nodig vanwege de gemeentelijke herindeling met Maasdonk. Onderdeel van de vaststelling in 2015 is het rapport 'Actualisatie archeologiebeleid gemeente Oss, een herziene archeologische beleidskaart voor het nieuwe grondgebied van de gemeente Oss' (Goddijn, 2012). Aan de hand van onderzoeken, inzichten en boringen in het veld zijn de eerdere archeologische kaarten gedeeltelijk bijgesteld. Op de beleidskaart is sprake van meerdere beleidscategorieën (zie onderstaande tabel). In het beleid is per beleidscategorie vastgelegd wanneer sprake is van een onderzoeksplicht en wanneer ontwikkelingen hiervan zijn vrijgesteld. Verwachting/waarde
Vrijstellingsgrenzen
Archeologisch beschermd rijksmonument Archeologisch (AMK-) monument Beschermde stadsgezichten Historische stads-/dorpskern Hoge verwachtingswaarde Hoge verwachtingswaarde – bedrijventerrein Middelhoge verwachtingswaarde Lage verwachtingswaarde Reeds onderzocht
0 m2 / 30 cm -Mv
Verstoord
35 m2 / 30 cm -Mv 50 m2 / 30 cm -Mv 100 m 2 / 30 cm -Mv 1000 m2 / 30 cm -Mv 5 hectare / 30 cm -Mv Afhankelijk van de resultaten van het reeds uitgevoerde onderzoek. Geen onderzoeksplicht
Burgemeester van Erpstraat 80 te Berghem – 2023, pag. 27 van 54 Vastgesteld 14 december 2023
5.3.3 Archeologietoets
Volgens de archeologische beleidskaart van de gemeente is aan het bestemmingsplangebied een middelhoge verwachtingswaarde toegekend. Concreet betekent dit dat er een archeologische onderzoeksplicht geldt indien de bodemingrepen dieper reiken dan 30 cm beneden huidig maaiveld én de omvang van het gebied groter is dan 1.000 m².
Toetsing
van
de
plannen
Er worden geen bodemingrepen dieper dan 30 cm beoogd voor het initiatief en de omvang van het gebied bedraagt ook minder dan 1.000 m2.
Bestemmingsplanregels
De gemeente Oss vertaalt de wet en het archeologisch beleid ook door in standaard bestemmingsplanregels. Zo heeft de gemeente bestemmingsplanregels (dubbelbestemmingen: dat wil zeggen dat deze naast de hoofdbestemming gelden) voor bescherming van historische kernen, beschermde monumenten, monumenten en voor gebieden met een middelhoge of hoge archeologische verwachtingswaarde. Met deze regels kan, ter bescherming van archeologische waarden, worden bepaald wanneer er een omgevingsvergunning voor bepaalde werkzaamheden nodig is, wanneer dat niet het geval is en onder welke omstandigheden en met welke nadere eisen en voorwaarden een omgevingsvergunning kan worden verleend. Voor het gebied is en blijft de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie verwachtingswaarde middelhoog’ van toepassing.
5.3.4 Cultuurhistorie Wettelijk kader
Door een wijziging van het Bro moeten cultuurhistorische waarden voortaan vooraf in het proces van ruimtelijke ordening worden meegenomen, met name bij de voorbereiding en vaststelling van bestemmingsplannen. Het Bro bevat eisen waaraan de voorbereiding van een bestemmingsplan moet voldoen. Zo wordt er onder meer een beschrijving verlangd van de manier waarop met in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. Dat wordt veranderd in: met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten. De regering wil hiermee bereiken dat aandacht voor cultuurhistorische waarden voortaan in het planproces naar voren wordt gehaald. Doordat plannen nu nog pas na afloop van het planproces worden getoetst aan de regelgeving van de monumentenzorg, wordt monumentenzorg dikwijls ervaren als hindernis. Dit is door de regering erkend en daarbij is de ambitie uitgesproken om de positie van cultuurhistorie aan het begin van het ruimtelijk ordeningsproces juridisch te versterken. Door de verankering van cultuurhistorische waarden in de bestemmingsplannen vermindert tegelijkertijd de noodzaak tot het aanwijzen van nieuwe beschermde monumenten, omdat het belang van de cultuurhistorie wordt geborgd via het proces van de ruimtelijke ordening.
In de Wet tot wijziging van de Monumentenwet 1988 en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in verband met modernisering van de monumentenzorg is daarom al de mogelijkheid voor burgers en belangengroepen om een aanvraag in te dienen om een monument aan te wijzen als beschermd monument, geschrapt. Dit instrument werd door belangengroepen nogal eens ingezet om afgifte van bouwvergunningen te frustreren of te vertragen. Met de wijziging van het Bro wordt tevens de adviesrol van Gedeputeerde Staten beperkt. Tot nu toe moet bij alle ingrepen aan een beschermd monument buiten de bebouwde kom advies aan Gedeputeerde Staten worden gevraagd. Met de wijziging van het besluit hoeft dat alleen nog, als het gaat om monumenten die door de minister op grond van de Monumentenwet 1988 zijn aangewezen. Daarnaast voorziet het besluit in een aantal versoepelingen van vergunningsvrij wijzigen of bouwen in, aan of bij beschermde monumenten. Samengevat komen die versoepelingen er op neer, dat voor gewoon
Burgemeester van Erpstraat 80 te Berghem – 2023, pag. 28 van 54 Vastgesteld 14 december 2023
onderhoud of voor inpandige veranderingen aan beschermde monumenten geen monumentenvergunning meer nodig is, als de betreffende onderdelen geen monumentale waarde hebben. Bij twijfelgevallen zal men het bevoegd gezag moeten raadplegen. De bedoeling van het wijzigingsbesluit is om enerzijds cultuurhistorische waarden een duidelijke plaats te geven aan het begin van het planproces en anderzijds onnodige regeldruk, vooral wanneer het gaat om ondergeschikte wijzigingen aan een monument, weg te nemen.
Cultuurhistorie: gemeentelijk en provinciaal beleid
Het beleid van de gemeente Oss voor wat betreft cultuurhistorie is onder meer neergelegd in het Erfgoedplan Oss 2006 “Op gemengde bodem”. Hierin zijn onder andere opgenomen: historisch bebouwde gebieden, oude verkavelingspatronen, de invloed van de Maas en Rijksmonumenten. Deze nota heeft (nog) geen betrekking op het grondgebied van de voormalige gemeente Lith. Daarnaast heeft de gemeente Oss een Monumentenlijst 2019. Hierin zijn de Rijks- en gemeentelijke monumenten opgenomen. Het provinciale cultuurhistorische beleid is verankerd in de IOV Noord-Brabant en op de Cultuurhistorische waardenkaart 2010. Hierin zijn onder andere opgenomen: cultuurhistorische vlakken en complexen van cultuurhistorisch belang.
Cultuurhistorie: bestemmingsplanregels en regels in de provinciale IOV Noord-Brabant
Uit de bestemmingsplanregels blijkt dat het ook mogelijk om cultuurhistorische waarden in bestemmingsplannen te beschermen. Een en ander voor zo ver het terreinen betreft (inbouwen sloopvergunningstelsel voor bebouwing). Kortheidshalve wordt naar het kopje ‘archeologie: bestemmingsplanregels’ verwezen. De provincie Noord-Brabant heeft in de IOV Noord-Brabant bindende regels opgenomen ter bescherming van cultuurhistorische waarden. Het plangebied is niet gelegen in een gebied met cultuurhistorische waarden. 5.4
Mobiliteit en parkeren
5.4.1 Verkeer
De Mobiliteitsvisie Oss uit 2009 heeft als doel het in balans brengen van bereikbaarheid, leefbaarheid en veiligheid. De mobiliteitsvisie is uitgewerkt in het Mobiliteitsplan 2020 Oss. Het deelplan Wegen werkt het gewenste netwerk voor het autoverkeer uit. Per weg is de gewenste functie vastgelegd. Van belang is de vraag of een initiatief leidt tot extra verkeersbewegingen en of de toename van verkeersbewegingen passen binnen de normen die voor ontsluitingswegen gelden. Verkeer: extra verkeersbewegingen Door het realiseren van de reclasseringseenheden op het bedrijf wordt er rekening gehouden met meer verkeersbewegingen ten behoeve van begeleiding, zorgverleners of de bewoners zelf. Uitgaande van CROW gaat het tussen een niet-zelfstandige kamerverhuur of een serviceflat. Wat resulteert in 1 á 2 extra verkeersbewegingen per dag, per woningeenheid. Uitgaande van 4 eenheden, gaat het dus maximaal over 8 extra verkeersbewegingen. Verkeer: ontsluitingswegen Gezien de huidige bedrijfsvoering op de planlocatie kan ervan uit worden gegaan dat de planlocatie over een adequate infrastructuur beschikt. Bovendien is het plangebied gelegen aan de Burgemeester van Erpstraat. Deze weg beschikt over voldoende capaciteit om de extra verkeersbewegingen af te wikkelen.
5.4.2 Parkeren
De gemeente Oss heeft een gemeentelijk parkeerbeleidsplan vastgesteld. De nota ‘Parkeernormen 2017’ geeft aan welke parkeernormen voor welke gebieden gelden.
Burgemeester van Erpstraat 80 te Berghem – 2023, pag. 29 van 54 Vastgesteld 14 december 2023
Voor de reclasseringseenheden (uitgegaan van aanleunwoning/ serviceflat) dient volgens bovenstaande nota uitgegaan te worden van 1,2 parkeerplaatsen per eenheid. Binnen het plangebied worden deze parkeerplaatsen gesitueerd op eigen terrein, conform de nota. Overigens is er voldoende ruimte aanwezig om te voorzien in meer parkeerplaatsen. Mocht er toch een tekort zijn aan parkeerplaatsen, dan zal deze erfverharding hiervoor worden gebruikt. De beoogde ontwikkeling vormt dus geen belemmering voor wat betreft het aspect parkeren. 5.5
Water
5.5.1 Wetgeving en beleid
De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater. Ook verbetert de Waterwet de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) stelt een watertoets verplicht voor ruimtelijke plannen waarin waterbelangen spelen. De watertoets bewaakt de waterkwaliteit en waterkwantiteit. Een watertoets is het hele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en beoordelen. Waterhuishoudkundige aspecten zijn onder meer veiligheid, wateroverlast, waterkwaliteit, verzilting en verdroging. De watertoets heeft betrekking op alle wateren: rijkswateren, regionale wateren, gemeentelijke en particuliere wateren en grondwater. De gemeente Oss heeft in december 2022 een water- en rioleringsprogramma (WRP 2023-2029) vastgesteld. Het programma biedt een kader voor de gemeentelijke watertaken en regelt de zorg voor inzameling en transport van afvalwater, doelmatige verwerking van afvloeiend (overtollig) hemelwater en overtollig grondwater. De gemeente is verantwoordelijk voor de openbare ruimte. In bebouwd gebied vraagt de zorg voor oppervlaktewater extra aandacht. De gemeente is ook verantwoordelijk voor een goede ruimtelijke ordening. Het gaat om voldoende ruimte voor water in ruimtelijke plannen. De watertoets is opgenomen in het Besluit op de ruimtelijke ordening (Bro).
Beleid van gemeente, provincie en rijk is van toepassing bij een watertoets. Toetsing van uw waterparagraaf gebeurt op kwaliteit en kwantiteit. De verwerking van hemelwater, afvalwater en planologische ‘waterbestemmingen’ komen aan bod. Waterbeheerplan Op 19 november 2021 is het nieuwe waterbeheerplan van waterschap Aa en Maas vastgesteld. In dit plan is beschreven welke doelstellingen het waterschap nastreeft in de periode 2022-2027 en hoe zij die doelstellingen wil gaan halen. Het plan geldt van 22 december 2021 tot en met 21 december 2027. Het waterbeheerplan is uitgewerkt in de volgende drie programma’s: 1. Waterveiligheid; Het programma ‘Waterveiligheid’ draait om de bescherming tegen overstromingen vanuit de Maas en het regionale watersysteem. 2. Klimaatbestendig en gezond watersysteem; Het programma ‘Klimaatbestendig en gezond watersysteem’ draait om een goed functionerend watersysteem in normale én in extreem droge en natte situaties: klimaatbestendig, robuust, veerkrachtig en stuurbaar. Daarbij let het waterschap op de hoeveelheid (goede waterpeilen, het vasthouden van water en het omgaan met wateroverlast en droogte); en op de kwaliteit van het water (chemisch en ecologisch). 3. Schoon Water; In het programma ‘Schoon Water’ speelt het zuiveren van afvalwater een centrale rol. Voor bebouwde gebieden heeft het waterschap specifieke doelen geformuleerd.
In bebouwd gebied werkt het waterschap toe naar een klimaat robuust watersysteem waarin: • schoon water niet naar de zuivering gaat, maar het grondwater voedt; • de waterkwaliteit geen risico’s geeft voor de volksgezondheid en geschikt is voor een goede ontwikkeling van flora en fauna, maar ook voor recreatie en evenementen;
Burgemeester van Erpstraat 80 te Berghem – 2023, pag. 30 van 54 Vastgesteld 14 december 2023
• de kans op wateroverlast en problemen door droogte en hittestress acceptabel is; • de betrokkenheid en het waterbewustzijn van inwoners, bedrijven en andere stedelijke partners is toegenomen. Deze programma’s zijn verder uitgewerkt in het WBP naar concrete doelstellingen. Deze doelstellingen vinden onder andere een doorwerking in de beschikbare instrumenten van het waterschap; Keur, legger, communicatie en stimuleringsmiddelen. ‘ Waterschap Aa en Maas is verantwoordelijk voor het waterbeheer in haar beheersgebied. Het gaat om het waterkwantiteits- en waterkwaliteitsbeheer, de waterkeringszorg, waterzuivering, grondwaterbeheer en waterbodembeheer. De regels zijn vastgelegd in de Keur (met Algemene- en Beleidsregels) in de vorm van een aantal gebods- en verbodsbepalingen. Keur De Keur is een waterschapsverordening en omvat samen met de Waterwet alle gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen of activiteiten die consequenties hebben voor de waterkwantiteit, waterkwaliteit en waterveiligheid. De Keur is verder uitgewerkt beleids- en algemene regels. Legger De Keur verwijst in de gebods- en verbodsbepalingen volop naar de legger. De legger legt de status en afmetingen behorende bij de regels van de Keur vast in een overzichtskaart van het waterbeheersgebied. Op deze kaart zijn onder andere dijken, waterlopen en bijbehorende beschermingszones aangegeven.
Sinds 1 maart 2015 hanteert waterschap Aa en Maas onderstaande (beleids)uitgangspunten voor het beoordelen van plannen waarbij het verhard oppervlak toeneemt. Deze (beleids)uitgangspunten zijn opgenomen in ‘Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen’. Voor een toename van het verhard oppervlak tussen de 500 m2 en 10.000 m2 kan de vereiste compensatie berekend worden door de toename van het verhard oppervlak (m2) te vermenigvuldigen met een waterschijf van 60 mm. De uitgangspunten bij het toetsen van ruimtelijke plannen zijn: Gescheiden houden van vuil (afval)water en schoon hemelwater; Voorkomen van vervuiling van water; Schoon hemelwater kan volgens de voorkeursvolgorde worden verwerkt: 1. Hergebruik 2. Infiltratie/bergen 3. Afvoer Hydrologisch neutraal ontwikkelen (HNO), zodat een ontwikkeling niet leidt tot een hydrologische achteruitgang, zowel in als buiten het plangebied. Ook mogen geen hydrologische knelpunten ontstaan voor huidige en vastgelegde toekomstige landgebruik functies. Dit betekent dat: 1. De afvoer uit het gebied niet groter wordt dan in de referentiesituatie; 2. De grondwateraanvulling in het plangebied gelijk blijft of toeneemt; 3. Grond- en oppervlaktewaterstanden in de omgeving gelijk blijven, of verbeteren voor de huidige en toekomstige landgebruiksfuncties; 4.
De (grond)waterstanden in het plangebied aansluiten op de (nieuwe) functie(s) van het plangebied; 5. Het plangebied zo wordt ingericht dat de hydrologische gevolgen van vastgestelde toekomstige ontwikkelingen in de omgeving niet leiden tot knelpunten in het plangebied.
Burgemeester van Erpstraat 80 te Berghem – 2023, pag. 31 van 54 Vastgesteld 14 december 2023
5.5.2 W atertoets
In de online watertoets zijn de gegevens behorende bij het initiatief ingevuld. Er is bij voorliggend initiatief geen sprake van lozing op oppervlaktewater, maar wel van functieverandering van bedrijfsbebouwing. De samenvatting en het resultaat van de watertoets is als separate bijlage bijgevoegd bij deze toelichting (bijlage 6). Hieruit kan worden geconcludeerd dat er ten aanzien van het aspect water geen belemmeringen zijn voor het initiatief. 5.6
Defensie
Uit oogpunt van defensie kunnen er beperkingen gesteld worden aan ruimtelijke ontwikkelingen in een gebied. Belangrijke aandachtspunten met betrekking tot het defensiebelang zijn: - Radarverstoringsgebieden; - Obstakelbeheergebieden; - Laagvliegroutes voor jachtvliegtuigen; - Geluidszones voor militaire luchtvaartterreinen. Het gehele plangebied is gelegen binnen het radarverstoringsgebied van een radar van de vliegbasis Volkel. Binnen dit gebied is het in beginsel niet toegestaan om hogere bebouwing op te richten dan 114 meter boven NAP. Indien er initiatieven zijn voor het oprichten van hogere bouwwerken of gebouwen, dan kan dit toegestaan worden als blijkt dat de radar niet onevenredig wordt verstoord. Dit kan door TNO worden berekend. Dit bestemmingsplan voorziet echter nergens in bouwmogelijkheden tot een dergelijke hoogte. Daarmee is het belang van het radarverstoringsgebied binnen dit bestemmingsplan voldoende gewaarborgd. Bij een eventueel toekomstig initiatief voor een bouwwerk met een hoogte tot 114 meter boven NAP of hoger dient het defensiebelang nadrukkelijk betrokken te worden bij de aanvaardbaarheid van de ontwikkeling. Voor het overige geldt dat het plangebied niet gelegen is binnen een obstakelbeheergebied, een laagvliegroute voor jachtvliegtuigen of een geluidszone voor militaire luchtvaartterreinen.
Aan deze aspecten hoeft dan ook geen verdere aandacht besteed te worden.
Onverdacht plangebied
Het plangebied (groen gearceerd in onderstaande afbeelding) is geheel onverdacht van ontplofbare oorlogsresten uit WOII op basis van de bodembelastingkaart ontplofbare oorlogsresten en het daaraan gekoppelde vooronderzoek van AVG uit 2016. Dit wil zeggen dat de kans dat tijdens grondwerkzaamheden binnen het plangebied explosieven of munitie wordt gevonden zeer klein is. Het is niet nodig om hier onderzoek naar te doen. Echter kan het voorkomen dat bij toeval toch een artikel wordt gevonden wat er uit ziet als een explosief of munitie. In dat geval geldt het protocol toeval vondsten: stop de werkzaamheden, iedereen verlaat lopend het werkterrein (i.v.m. trillingen door voertuigen en machines) en bel de politie op 0900-8844. De Explosieven Verkenner (EV) of Teamleider Explosieven Veiligheid (TEV) van de politie komt op de locatie beoordelen of het om munitie gaat die moet worden geruimd. Zo ja, schakelt deze de Explosieven Opruimingsdienst van Defensie (EODD) in. Zo nee, dan kunnen werkzaamheden worden hervat.
Burgemeester van Erpstraat 80 te Berghem – 2023, pag. 32 van 54 Vastgesteld 14 december 2023
Afbeelding 9: Uitsnede bodembelastingkaart, niet-gesprongen explosieven 5.7 Milieuaspecten In deze paragraaf wordt ingegaan op de milieu- en omgevingsaspecten die verband houden met, of betrekking hebben op de ruimtelijke ontwikkeling. Het gaat daarbij meestal om de wisselwerking met de omgeving. Welke gevolgen heeft het initiatief voor de omgeving en omwonenden? Maar ook, welke gevolgen hebben activiteiten in de omgeving voor de mogelijkheden op de planlocatie? Achtereenvolgens komen de volgende aspecten aan bod: Bedrijven en milieuzonering Bodem Externe veiligheid Geurhinder: agrarisch Geur: industrieel Luchtkwaliteit Straling Weg-, spoor-, en industrielawaai Gezondheid Spuitzones
5.7.1 Bedrijven en milieuzonering
Een goede ruimtelijke ordening voorkomt hinder en gevaar. Dit kan door voldoende afstand te houden tussen milieubelastende activiteiten van bedrijven en gevoelige functies, zoals woningen. Het doel van milieuzonering is om de kwaliteit van het woon- en leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Daarnaast kan milieuzonering bedrijven voldoende zekerheid bieden om hun activiteiten duurzaam uit te voeren. De handreiking Bedrijven en milieuzonering van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) geeft richtafstanden om de milieuzonering van bedrijven te kunnen bepalen. De VNG-publicatie is een hulpmiddel om de afstanden tussen bedrijvigheid en woningen concreet in te vullen. Gemeenten beslissen uiteindelijk zelf over een bepaalde locatie. De handreiking geeft informatie over de ruimtelijk relevante milieuaspecten (geur, stof, geluid en veiligheid) en bijbehorende richtafstanden van een scala aan bedrijfsactiviteiten. Deze richtafstanden zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit. Er wordt onderscheid gemaakt in de omgevingstypen:
Burgemeester van Erpstraat 80 te Berghem – 2023, pag. 33 van 54 Vastgesteld 14 december 2023
-
-
Rustige woonwijk en rustig buitengebied: een woonwijk (of vergelijkbaar omgevingstype) die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Er komen enkel wijkgebonden voorzieningen voor en er is weinig verstoring door verkeer. Gemengd gebied: een gebied met matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen functies zoals winkels, horeca en kleine bedrijven voor of er is sprake lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid. Ook gebieden die direct naast de hoofdinfrastructuur liggen behoren tot het omgevingstype gemengd gebied, hier is sprake van verhoogde milieubelasting door geluid. Hier zijn dan ook kleinere richtafstanden te rechtvaardigen (behalve voor het aspect veiligheid).
Het plangebied ligt in omgevingstype ‘gemengd gebied’. Dit omgevingstype wordt gekenmerkt door een matige tot sterke functiemenging. In de omgeving bevinden zich diverse functies zoals o.a. veehouderijen en de doorgaande weg Burgemeester van Erpstraat; daardoor is hier reeds sprake van verhoogde milieubelasting door geluid. De dichtstbijzijnde niet-agrarische bedrijvigheid is gelegen aan de Burg. van Erpstraat 91 te Berghem. Conform de handreiking geldt voor deze bedrijven in deze milieucategorie, liggend in een gemengd gebied, een richtafstand van 10 meter. Het bedrijf ligt in de huidige situatie op circa 85 meter van het plangebied. Er wordt dus ruimschoots voldaan aan de richtafstanden voor een verantwoorde afstand tussen bedrijvigheid en de beoogde reclasseringseenheden. Andere niet-agrarische bedrijvigheid is gelegen op een grotere afstand. Op grond hiervan kan worden gesteld dat ruimschoots wordt voldaan aan de richtafstanden. De dichtstbijzijnde agrarische bedrijvigheid is gelegen aan de Burg. van Erpstraat 72 te Berghem. Conform de handreiking geldt voor deze bedrijven in deze milieucategorie, liggend in een gemengd gebied, een richtafstand van 50 meter. Het bedrijf ligt in de huidige situatie op circa 95 meter van het plangebied.
Er wordt dus ruimschoots voldaan aan de richtafstanden voor een verantwoorde afstand tussen bedrijvigheid en de beoogde reclasseringseenheden. Andere agrarische bedrijvigheid is gelegen op een grotere afstand. Op grond hiervan kan worden gesteld dat ruimschoots wordt voldaan aan de richtafstanden.
5.7.2 Bodem
Op basis van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening en artikel 3.2 Algemene wet bestuursrecht, moet in planvorming rekening gehouden worden met de bodemkwaliteit in relatie tot de gewenste functies. In de Bouwverordening van de gemeente Oss is geregeld dat onder bepaalde omstandigheden het oprichten van gebouwen pas kan plaatsvinden als de bodem geschikt is (of geschikt is gemaakt) voor het beoogde doel. Om die reden dient bij iedere nieuwbouwactiviteit de bodemkwaliteit door middel van onderzoek te worden vastgesteld, dit onderzoek is toegevoegd aan deze toelichting als bijlage 7. Ten behoeve van onderhavig initiatief zijn een historisch vooronderzoek (NEN 5725) en een verkennend bodemonderzoek (NEN 5740) uitgevoerd. Vanuit het historische vooronderzoek worden er geen verontreinigingen verwacht, de locatie krijgt de hypothese “onverdachte, niet lijnvormige locatie”. Voor asbest is er ook geen aanleiding gevonden in het historische vooronderzoek om een verkennend asbestonderzoek uit te voeren. Het gesaneerde dak van de vervallen loods is altijd voorzien van een goot aan de achterzijde en duurzame verharding aan de voorzijde van de loods. De gronden zijn daarom voor wat betreft asbest onverdacht bevonden. In het verkennende onderzoek wordt minerale olie in de bovengrond van de planlocatie aangetoond, echter is dit in zeer geringe mate aangetroffen.
Verder zijn er geen verontreinigingen aangetroffen in de bodem
Burgemeester van Erpstraat 80 te Berghem – 2023, pag. 34 van 54 Vastgesteld 14 december 2023
en wordt de conclusie getrokken dat er geen belemmeringen zijn geconstateerd in verband met de realisatie van de huisvesting.
5.7.3 Externe veiligheid Rijkskader
Externe veiligheid behandelt de risico's die ontstaan als gevolg van opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen. Deze risico’s kunnen hun weerslag hebben op de omgeving. Het wettelijke kader voor externe veiligheid bestaat onder meer uit: het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Enerzijds gaat het over de risicobronnen (bedrijven of transportroutes). Anderzijds gaat het over de risicoontvangers (omstanders die niets met de opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen te maken hebben). Wat betreft de risico-ontvangers maakt de wetgeving onderscheid in kwetsbare objecten en beperkt kwetsbare objecten. Kwetsbare objecten zijn gebouwen, waarin (of waarbij) groepen van circa 50 personen of groter, gedurende langere aaneengesloten tijd verblijven. Ook sommige gebouwen waarin/waarbij kleinere groepen verblijven, worden als kwetsbaar object gezien, wanneer die personen beperkt zelfredzaam zijn (zoals zieken, bejaarden of gehandicapten). Beperkt kwetsbare objecten zijn verspreid liggende woningen en bedrijven waarin/waarbij groepen van minder dan 50 personen gedurende langere aaneengesloten tijd verblijven. In de landelijke wetgeving wordt meer gedetailleerd beschreven wat er onder kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten wordt verstaan.
Belangrijk is hierbij dat de opsomming in de wetgeving niet limitatief is, zodat er in de verdere uitwerking van het beleid nog enige vrijheid rest. Verder maakt de wetgever onderscheid tussen het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico (PR) geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De kans heeft betrekking op een fictief persoon die continu op die plaats aanwezig is. Het PR kan op de kaart worden weergegeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. De wetgever schrijft voor hoe moet worden omgegaan met de PR 10-6/jaar. Binnen deze contour heeft iemand die hier continu aanwezig is de kans van 1 op één miljoen om te overlijden als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico (GR) is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang. Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting bij een calamiteit. Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Dit invloedsgebied wordt begrensd door de 1% letaliteitsgrens (tenzij anders bepaald): de afstand waarop niet meer dan 1% van de blootgestelde mensen in de omgeving komt te overlijden bij een calamiteit met gevaarlijke stoffen.
Gemeentelijk kader
Ook in de gemeente Oss zijn risicobronnen aanwezig in de vorm van transportassen en stationaire activiteiten. Dit vraagt om een gemeentelijke visie. Op 19 mei 2011 heeft de gemeenteraad de Beleidsvisie Externe veiligheid vastgesteld. Deze beleidsvisie beschrijft op welke manier de gemeente Oss externe veiligheid in haar afwegingen betrekt. Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan normen vermeld in bovengenoemde regelgeving. Een ontwikkeling is niet toegestaan indien deze leidt tot een overschrijding van de grenswaarden. Van de richtwaarden kan gemotiveerd worden afgeweken. Toetsing aan het beleid begint met de inventarisatie van de omgeving van het plangebied. Dit is inzichtelijk gemaakt middels onderstaande uitsnede van de EV signaleringskaart Nederland, zie navolgende afbeelding.
Burgemeester van Erpstraat 80 te Berghem – 2023, pag. 35 van 54 Vastgesteld 14 december 2023
Afbeelding 10: uitsnede signaleringskaart EV Zoals in bovenstaande afbeelding wordt weergeven, is de planlocatie gelegen op een ruime afstand van het spoor. De gemeten afstand van het te realiseren woongebouw tot het spoor bedraagt circa 380 meter. Hierdoor valt de planlocatie volgens de ‘beleidsvisie externe veiligheid Oss 2011’ in zone IV, door de afstand van meer dan 300 meter. Voor zone IV geldt een standaard verantwoordingsplicht, hierbij wordt alleen rekening gehouden met de effecten van een toxische gaswolk. Conform de beleidsvisie van Oss is de standaard verantwoording opgenomen. Zie navolgend kader.
Verantwoording groepsrisico De bestrijdbaarheid van de omvang van een ramp of zwaar ongeval
Voor deze gebieden speelt het bestrijdbaarheidsvraagstuk niet. De bestrijding vindt plaats bij de bron, op afstand van deze gebieden. Ten aanzien van de algemene mogelijkheden van de bestrijdbaarheid wordt verwezen naar het door de regionale brandweer/de Veiligheidsregio opgestelde 'risicoprofiel'.
Mogelijkheden tot zelfredzaamheid
Omdat blootstelling aan een toxisch gas het bepalende scenario is, biedt ‘schuilen’ de beste wijze van zelfredzaamheid. Schuilen vindt plaats binnen bouwwerken. De mate waarin deze bouwwerken afsluitbaar zijn tegen de indringing van toxisch gas en de tijdsduur dat deze bouwwerken worden blootgesteld zijn hierbij parameters. Bij bestaande bouwwerken worden geen aanvullende maatregelen getroffen om mogelijke indringing van toxisch gas te verminderen. Aanpassing van bijvoorbeeld oude woningen op dit punt is ingrijpend en kostbaar. Bij nieuwe bouwwerken is sprake van een steeds betere isolatie, welke zorgt voor een goede bescherming tegen het binnendringen van het toxische gas. Nieuwe gebouwen die voorzien zijn van een luchtbehandelinginstallatie, waardoor het toxisch gas naar binnen kan worden gezogen dienen voorzien te zijn van mogelijkheden om dit systeem met één druk op de knop uit te schakelen.
Burgemeester van Erpstraat 80 te Berghem – 2023, pag. 36 van 54 Vastgesteld 14 december 2023
Van belang is dat bewoners tijdig gewaarschuwd worden. Dit gebeurt door het in werking stellen van het WAS29 als onderdeel van de algemene Rampenbestrijding. De zone III gebieden in de bebouwde kom van Oss vallen geheel binnen het dekkingsgebied van het WAS
Bron: Beleidsvisie externe veiligheid Oss, 2011 Aanvullend op deze standaard verantwoording adviseert de veiligheidsregio het volgende: Informeer met name de BHV organisatie en uitbater van het toekomstige bedrijf (reclassering) actief over het aanwezig risico en handelingsperspectief. Adviseer hen om het beschreven scenario in het noodplan op te nemen en te beoefenen. Dit zal ertoe leiden dat de bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid worden verhoogd.
Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi)
Gezien de aard van de voorgenomen activiteiten binnen het plangebied is het Bevi niet van toepassing. De werkzaamheden omvatten niet het gebruik, opslag of vervoer van gevaarlijke stoffen. Uit de risicokaart blijkt dat er geen risicovolle inrichtingen en kwetsbare objecten aanwezig zijn op of nabij het plangebied. Er ontstaan daardoor geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkelingen. Het plan voorziet ook niet in de realisatie van nieuwe beperkt kwetsbare objecten. Aangezien het plangebied niet binnen een risicoaanduiding of binnen veiligheidsafstanden ligt zijn er geen risico’s aanwezig voor de voorgenomen ontwikkelingen. Daarom kan worden geconcludeerd dat er voor dit plan geen belemmeringen zijn vanuit het oogpunt van externe veiligheid.
Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt)
Er zijn geen rijkswegen in de nabijheid van de locatie. Er is wel een spoortraject in de nabijheid van de locatie, op een afstand van ca. 300 meter. In de beleidsvisie externe veiligheid Oss 2011 is een planologisch kader geschetst hoe om te gaan met initiatieven binnen het invloedsgebied van het spoor. Hiervoor zijn vier zoneringen aangebracht, waarvan zone IV een initiatief op meer dan 300 meter afstand van het spoor betreft. Bij deze zone, vanaf 300 meter wordt alleen rekening gehouden met de effecten van een toxische gaswolk. In dit gebied zijn geen functies uitgesloten, bescherming wordt geboden door ‘ramen en deuren te sluiten’. In bijlage 2 van de beleidsvisie is een standaardtekst opgenomen, welke samen met deze beleidsvisie kan worden gebruikt bij ruimtelijke plannen die op meer dan 300 meter van een transportas liggen. Een verdere beoordeling aan het Bevt is daarom niet van toepassing.
Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb)
In het geldende bestemmingsplan ‘Buitengebied Oss - 2020’ is in de nabijheid geen dubbelbestemming ‘Leiding – […]’ opgenomen. De voorgenomen ontwikkelingen liggen buiten deze dubbelbestemming en de voorgenomen ontwikkelingen hebben geen invloed op het bepaalde in de bijbehorende regels. De ontwikkeling ligt buiten de invloedsfeer van de in het Bevb opgenomen buisleidingen. Daarom is verdere beoordeling aan het Bevb niet van toepassing. Aangaande de locatie Burgemeester van Erpstraat 80 zijn er volgens de risicokaart geen risico’s aanwezig. De beoogde ontwikkeling ondervindt geen belemmeringen op het gebied van externe veiligheid. Daarnaast vormen de beoogde ontwikkelingen geen belemmeringen op basis van veiligheid voor de omgeving.
5.7.4 Geurhinder: agrarisch
De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) is het beoordelingskader voor geur bij milieuvergunningen, bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen. Het gaat uitdrukkelijk om agrarische geur van landbouwhuisdieren uit dierstallen. De wet maakt onderscheid tussen geurnormen voor intensieve en extensieve veehouderijen. De geurbelasting van intensieve veehouderijen wordt berekend en uitgedrukt in
Burgemeester van Erpstraat 80 te Berghem – 2023, pag. 37 van 54 Vastgesteld 14 december 2023
de vorm van een geurcontour. De geurbelasting van extensieve veehouderijen wordt uitgedrukt in vaste afstanden. De gemeente Oss heeft op basis van de wet een eigen geurbeleid opgesteld. Het geurbeleid bestaat uit twee delen: de “Geurgebiedsvisie 2013” en de “Agrarische geurverordening gemeente Oss 2017”. Het hanteert per soort gebied een eigen geurnorm en streeft de volgende doelen na: - de burger beschermen tegen geurhinder; - de veehouderijen niet onnodig beperken; - ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk maken, onder de voorwaarde dat er een aanvaardbaar woon- en leefklimaat is. De gemeentelijke “Beleidsregel ruimtelijke ontwikkelingen en geurhinder” is van belang voor de vraag of een ruimtelijke ontwikkeling kan plaatsvinden. De beleidsregel geeft aan wanneer sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. In de Verordening geurhinder en veehouderij gemeente Oss 2017 wordt de maximale waarde voor de geurbelasting van een veehouderij op een geurgevoelig object binnen de gemeente Oss vastgelegd. Conform Artikel 3 Waarden voor de geurbelasting van de verordening zijn de volgende waarden vastgelegd: Lid 1. Op grond van artikel 6, lid 1 van de wet en in afwijking van artikel 3, lid 1 van de wet bedraagt de maximale waarde voor de geurbelasting van een veehouderij op een geurgevoelig object in het gebied als genoemd in artikel 2, lid 1 van deze verordening: A. Stad Oss
1,0 Ou
B. Woonkern met geen/enige intensieve veehouderij
2,0 Ou
C. Plangebied (bij kern A en B)
3,0 Ou
D. Woonkern met intensieve veehouderij
6,0 Ou
E. Zoekgebied + plangebied Maren-Kessel West en Liesdaal
6,0 Ou
F. Recreatiegebieden
8,0 Ou
G. Extensiveringsgebieden
8,0 Ou
H. Bedrijventerreinen
8,0 Ou
I. Bedrijventerrein Vorstengrafdonk
12,0 Ou
J. Verwevingsgebied
14,0 Ou
K. Landbouwontwikkelingsgebied
14,0 Ou
Initiatief betreft het realiseren van reclasseringseenheden, wat inhoudt dat de functie van het nieuwe gebouw het permanent huisvesten van mensen betreft. Volgens de kaart die is opgenomen Verordening geurhinder en veehouderij 2017 van de gemeente Oss, geldt voor de planlocatie een norm van 8 odour units. De reclasseringseenheden behoren tot het agrarische bedrijf, waardoor er alleen getoetst hoeft te worden aan vaste afstanden ten opzichte van veehouderijen van derden. In de toetsing worden de veehouderij aan de Burgemeester van Erpstraat 72 en 86, maar ook de veehouderij aan de Halve Morgensstraat 15 meegenomen.
Toetsing vaste afstanden dieren met geuremissiefactor
Indien het geurgevoelig object onderdeel uitmaakt van een andere veehouderij (of onderdeel van een veehouderij heeft uitgemaakt) gelden volgens de wet niet de geurnormen maar zijn vaste afstanden van toepassing. Bovenstaande geldt alleen voor dieren waarvoor geuremissiefactoren zijn opgenomen in de Regeling geurhinder en veehouderij. vleeskalveren zijn opgenomen in deze regeling. Volgens artikel 4 van de Verordening geurhinder en veehouderij van de gemeente Oss, moet de afstand tussen het emissiepunt van de stal en een geurgevoelig object minimaal 25 meter zijn buiten de bebouwde kom. De afstand tussen
Burgemeester van Erpstraat 80 te Berghem – 2023, pag. 38 van 54 Vastgesteld 14 december 2023
het de reclasseringseenheden en de vleesveehouderij aan de Halve Morgensstraat 15 bedraagt 330 meter. En voldoet hiermee aan de vaste afstand die is gesteld.
Toetsing vaste afstanden dieren zonder geuremissiefactor
Voor dieren zonder geuremissiefactor gelden ook minimaal aan te houden afstanden. In de Verordening geurhinder en veehouderij is in artikel 4 de afstand tussen een geurgevoelig object en een dierverblijf waarin dieren worden gehouden zonder vast gestelde geuremissiefactor. Deze vaste bepaalde afstand bedraagt 25 meter voor een geurgevoelig object buiten de bebouwde kom in de gemeente Oss. De afstand tussen de reclasseringseenheden en het emissiepunt van de koeienstal aan de Burgemeester van Erpstraat 72 bedraagt 95 meter. Hiermee wordt voldaan aan de toetsing voor vaste afstanden.
Toetsing buitenzijde dierenverblijf
In artikel 4 van de Verordening geurhinder en veehouderij gemeente Oss is opgenomen wat de afstand van de buitenzijde van het dierenverblijf tot de buitenzijde van een geurgevoelig object minimaal moet bedragen buiten de bebouwde kom, namelijk 25 meter. De afstand tussen de rand van de koeienstal aan de Burgermeester van Erpstraat 72 en de reclasseringseenheden bedraagt 110 meter. Hiermee wordt voldaan ook voldaan aan de normen gesteld in artikel 4.
Achtergrondgeurbelasting
In onderstaande afbeelding is te zien dat op de planlocatie aan de Burgemeester van Erpstraat 80 een cumulatieve achtergrondgeurbelasting is berekend van 0-3 odour units per m3. Deze waarde ligt ruim onder de gestelde norm van 8,0 Ou/m3. Deze norm is gesteld in de Verordening geurhinder en veehouderij gemeente Oss 2017. Geurhinder vormt dus geen gevaar voor het beoogde initiatief, aangezien er een aanvaardbaar woon- en leefklimaat is ter plaatse van de planlocatie.
Afbeelding 11: Cumulatieve kaart achtergrondbelasting geur, met in blauw de planlocatie. (bron: www.atlas.odzob.nl)
Burgemeester van Erpstraat 80 te Berghem – 2023, pag. 39 van 54 Vastgesteld 14 december 2023
5.7.5 Geur: industrieel
Het nationale industriële geurbeleid is vastgelegd in de Nederlandse emissierichtlijn (NeR). De brief van het ministerie van Infrastructuur en Milieu van 30 juni 2005 stelt het rijksbeleid in grote lijnen vast. Het algemene uitgangspunt is het voorkomen van (nieuwe) hinder. Dit uitgangspunt vormt samen met het toepassen van de Beste Beschikbare Techniek (BBT) de kern van het geurbeleid. Uitgangspunten van het rijksbeleid zijn: - als er geen hinder is, zijn maatregelen niet nodig; - als er wel hinder is, worden maatregelen getroffen op basis van het Beste Beschikbare Techniekprincipe; - de gemeente stelt vast welke mate van hinder acceptabel is. Gemeenten en provincies hebben de bevoegdheid om een eigen geurbeleid vast te stellen. De provincie Noord-Brabant heeft een eigen geurbeleid voor provinciale bedrijven, de Beleidsregel beoordeling geurhinder omgevingsvergunningen industriële bedrijven Noord-Brabant. De gemeente Oss heeft geen eigen industrieel geurbeleid. Per situatie stelt de gemeente Oss vast of sprake is van een acceptabel geurniveau. Er zijn verschillen in het niveau van bescherming mogelijk. Voor een bedrijfswoning kan bijvoorbeeld een hogere geurbelasting gehanteerd worden dan voor aaneengesloten woonbebouwing. Aan de Burgemeester van Erpstraat wordt huisvesting ten behoeve van reclassering gerealiseerd, dit valt onder permanente verblijfsplaatsen.
De regels voor woningen gelden. De onderhavige locatie ligt niet in de nabijheid van een industrieterrein, afstand tot het dichtbij zijnde aangewezen bedrijventerrein is 1.600 meter. Wel ligt aan de overzijde een aantal bedrijfsbestemmingen, doch deze mag tot maximaal milieucategorie 1 en 2 behoren. Dit bepaalt dat de richtafstand maximaal 50 meter mag zijn. De afstand van de woningeenheden ligt op 70 meter afstand van het dichtstbijzijnde bedrijf. Bovendien zijn aan beide zijden van dit bedrijf burgerwoningen aanwezig. De bedrijfsvoering wordt afgestemd op de dichtstbijzijnde woningen, hetgeen niet de beoogde woningeenheden aan de Burgemeester van Erpstraat 80 is.
5.7.6 Luchtkw aliteit
Het beleid en de regelgeving over luchtkwaliteit heeft tot doel om mensen te beschermen tegen de gezondheidseffecten van luchtverontreiniging. Ze bevatten luchtkwaliteitsnormen voor verschillende stoffen. Ruimtelijke plannen of projecten die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit, zoals bestemmingsplannen, dienen getoetst te worden aan de Wet milieubeheer (afdeling 5.2.). Deze wet bevat grenswaarden voor de stoffen zwaveldioxide, stikstofdioxide, stikstofoxiden, fijn stof, lood, benzeen en koolmonoxide in de buitenlucht. In Nederland zijn de maatgevende luchtverontreinigende stoffen stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Overschrijding van de grenswaarden van andere stoffen komt bijna niet voor. De wet maakt onderscheid tussen kleine en grote ruimtelijke projecten. Kleine projecten zijn projecten die de luchtkwaliteit niet ‘in betekende mate’ (NIBM) verslechteren. Deze projecten hoeven niet meer beoordeeld te worden op luchtkwaliteit. Ze zijn namelijk zo klein dat ze geen wezenlijke invloed hebben op de luchtkwaliteit. Er is geen belemmering als een klein project niet of nauwelijks bij draagt aan luchtverontreiniging, óók niet in overschrijdingsgebieden (gebieden met te veel luchtvervuiling). De ministeriële Regeling NIBM geeft aan in welke gevallen een nieuw project in ieder geval een NIBM-project is.
Dit is bijvoorbeeld het geval als er minder dan 500 woningen worden gebouwd bij minimaal één ontsluitingsweg, of minder dan 1.000 woningen bij twee ontsluitingswegen. Het Besluit gevoelige bestemmingen beperkt de vestiging van zogeheten ‘gevoelige bestemmingen’, zoals een school, in de nabijheid van provinciale en rijkswegen. Het besluit is gericht op bescherming van mensen
Burgemeester van Erpstraat 80 te Berghem – 2023, pag. 40 van 54 Vastgesteld 14 december 2023
met een verhoogde gevoeligheid voor fijn stof (PM10) en stikstofdioxide (NO2), met name kinderen, ouderen en zieken. Daartoe voorziet het besluit in zones waarbinnen luchtkwaliteitsonderzoek nodig is: 300 meter aan weerszijden van rijkswegen en 50 meter langs provinciale wegen, gemeten vanaf de rand van de weg. Waar in zo’n onderzoekszone de grenswaarden voor PM10 of NO2 (dreigen te) worden overschreden, mag het totaal aantal mensen dat hoort bij een ‘gevoelige bestemming’ niet toenemen. Dit wordt bereikt door op zo’n plek de vestiging van bijvoorbeeld een school niet toe te staan. Bij uitbreidingen van bestaande gevoelige bestemmingen is een eenmalige toename van maximaal 10% van het totale aantal blootgestelden toegestaan. De volgende gebouwen met de bijbehorende terreinen zijn aangemerkt als gevoelige bestemming: scholen, kinderdagverblijven, en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Het gaat hierbij niet om bestemmingen in de meest enge zin van het woord, maar om alle vergelijkbare functies, ongeacht de exacte aanduiding ervan in bestemmingsplannen en andere besluiten. Van doorslaggevend belang is de (voorziene) functie van het gebouw en het bijbehorende terrein. In de context van dit besluit worden ziekenhuizen, woningen en sportaccommodaties dus niet als gevoelige bestemming gezien. De gemeente heeft geen eigen regelgeving en beleid over luchtkwaliteit.
Het begrip 'niet in betekenende mate' is gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor NO2 en PM10. Voor het beoogde initiatief dient bepaalt te worden of de eventuele toename in het aantal verkeersbewegingen van en naar de inrichting invloed hebben op de luchtkwaliteit in de omgeving. In de beoogde situatie is uitgegaan van een toename van 12 verkeersbewegingen (worst-case). NIBM-tool De NIBM-tool is in 2008 ontwikkeld door het ministerie van Infrastructuur en Milieu in samenwerking met Kenniscentrum InfoMil. De NIBM-tool wordt jaarlijks door InfoMil geactualiseerd. Het doel van de NIBM-tool is: Eenvoudig en snel bepalen of een plan niet-in-betekenende-mate bijdraagt aan de concentratie van een stof in de buitenlucht. Het beperken van de onderzoekslast bij kleinere projecten. Het vaststellen van grenzen voor het aantal extra voertuigbewegingen, dat niet zal leiden tot een concentratietoename die groter is dan de NIBM-grens. Hierna is de NIBM-tool ingevuld. Hierbij is de maximale worst-case situatie weergegeven voor onderhavig initiatief. Waarbij de additionele verkeersgeneratie conform CROW voor “niet-zelfstandige kamerverhuur” of een “serviceflat” in het buitengebied gemiddeld 2 bezoeken per dag per eenheid bedragen. Worst-case wordt eruit gegaan van een verkeersgeneratie van 3 per reclasseringseenheid. Uitgegaan van 4 eenheden.
Afbeelding 12: Uitsnede resultaat NIBM-tool
Burgemeester van Erpstraat 80 te Berghem – 2023, pag. 41 van 54 Vastgesteld 14 december 2023
De NIBM-tool is alleen bedoeld om op een eenvoudige en snelle manier te bepalen of een plan niet-inbetekenende-mate bijdraagt. Voor onderhavig plan is de beoogde situatie ingevuld in de NIBM-tool. Hieruit blijkt dat de bijdrage als niet-in-betekenende-mate kan worden gezien. Er is dus geen additioneel onderzoek nodig. Aangezien het initiatief geen negatieve effecten heeft op de luchtkwaliteit in de omgeving. Dus het aspect luchtkwaliteit zal geen belemmering vormen voor het initiatief.
5.7.7 Straling
Het beleid voor elektromagnetische velden is opgenomen in het Nationaal Milieubeleidsplan (NMP4), de Toekomstagenda Milieu en de beleidsnota Nuchter Omgaan met Risico's, beslissen met gevoel voor onzekerheden (2004). Het ministerie van Infrastructuur en milieu heeft het beleid voor bovengrondse hoogspanningslijnen uitgewerkt in een advies van oktober 2005. Dit advies is verder toegelicht in een brief van november 2008. De gemeente Oss heeft in het Milieubeleidsplan 2010-2014 het rijksadvies vastgelegd als beleidsuitgangspunt. Dit houdt in dat er bij nieuwbouwplannen of het realiseren van nieuwe hoogspanningslijnen voorkomen dient te worden dat er gevoelige bestemmingen terecht komen in een zone waar het magnetische veld gemiddeld over een jaar hoger is dan de norm van 0,4 microtesla. In de nabijheid van het plangebied zijn geen hoogspanningslijnen gelegen. Een verdere toetsing met betrekking tot straling is voor dit initiatief niet noodzakelijk.
5.7.8 Weg-, spoor- en industrielawaai
De Wet geluidhinder (Wgh) biedt bescherming tegen (spoor)weglawaai en tegen industrielawaai van inrichtingen voor zover gelegen op een gezoneerd industrieterrein. In de Wgh wordt een beperkt aantal typen objecten beschermd, de zogenoemde geluidgevoelige objecten. De Wet geluidhinder kent een stelsel van normen ter voorkoming van geluidhinder. Ter bescherming van woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen zijn grenswaarden opgenomen. Hierbij is een ondergrens (voorkeursgrenswaarde) en een bovengrens (maximaal toelaatbare grenswaarde) opgenomen. De Wgh biedt gemeenten de mogelijkheid om gericht in te spelen op de lokale situatie door maatwerk te leveren. Burgemeester en wethouders kunnen een hogere waarde vaststellen dan de ondergrens, maar mogen daarbij de bovengrens niet overschrijden. In 2010 heeft de gemeenteraad van Oss de geluidsnota “Geluidskwaliteit in de leefomgeving” vastgesteld. De gemeente Oss maakt hierbij gebruik van gebiedsgericht geluidbeleid. Per gebied wordt een geluidskwaliteit nagestreefd. Zo zijn er ‘rustige gebieden’, ‘dynamische gebieden’ en er zijn gebieden die ten aanzien van geluid onder druk staan. De geluidsnota gaat ook in op de realistische inzet van onderzoek, het stellen van eigen criteria voor het toestaan van een hogere waarde en bedrijfswoningen op industrieterreinen.
De gemeente Oss streeft naar een leefbare woonsituatie, ook op locaties met een hoge geluidsbelasting. Deze leefbaarheid wordt bereikt door terughoudend te zijn met hogere grenswaarden en door hieraan voorwaarden te verbinden. Deze voorwaarden leggen de initiatiefnemer of de beheerder een inspanning op voor een leefbare woonomgeving als compensatie voor het bouwen en het veroorzaken van een lawaaiige situatie. Zonering van industrielawaai in het kader van de Wet geluidhinder is het ruimtelijk scheiden van industrieterreinen waarop (grote) lawaaimakers zijn gevestigd enerzijds en woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen anderzijds. Ook in Oss is er een aantal gezoneerde industrieterreinen. Met zonering wordt beoogd rechtszekerheid te bieden aan zowel bedrijven als aan bewoners/gebruikers van woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen. Bedrijven kunnen aan de ene kant hun geluid producerende activiteiten niet onbeperkt uitbreiden ter bescherming van woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen binnen en buiten de zone. Aan de andere kant wordt, ter bescherming van
Burgemeester van Erpstraat 80 te Berghem – 2023, pag. 42 van 54 Vastgesteld 14 december 2023
hun akoestische ruimte, voorkomen dat woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen te veel oprukken naar de bedrijven toe. De reclasseringsfuntie van het woongebouw bedraagt een geluidsgevoelige functie, aangezien er mensen voor langere tijd verblijven en overnachten. In de nabije omgeving van de locatie Burgemeester van Erpstraat 80 ligt de spoorweg op ruim 350 meter afstand van de geluidsgevoelige locatie. De locatie ligt wel binnen de geluidszone van de Burgemeester van Erpstraat, namelijk op 40 meter. De voerkeursgrenswaarden voor geluidsgevoelige gebieden betreft op een nieuwe bestemming met een woonfunctie 48 dB. Uit onderstaande afbeelding blijkt dat de geluidsbelasting 60 dB bedraagt. Hiermee voldoet de realisatie van de reclasseringseenheden niet aan de voorkeursgrenswaarde. Daarom is er een akoestisch onderzoek voor weg- en railverkeerlawaai uitgevoerd.
Afbeelding 13: cumulatieve geluidsbelastingkaart met op de blauwe stip de beoogde locatie van de reclasseringseenheden. (bron: www.atlasleefomgeving.nl) Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat geluid van railverkeer niet de voorkeursgrenswaarden van 55 dB overschrijdt. Voor wegverkeer daarentegen, wordt de voorkeursgrenswaarde van 48 dB wél overschreden. De maximale ontheffingswaarde, zoals deze is opgenomen in de geluidsnota van Oss, voor nieuwe woningen langs een bestaande weg bedraagt 63 dB. Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat deze maximale overschrijdingswaarden niet worden bereikt. Voor de verdere uitwerking van het akoestische onderzoek, wordt verwezen naar bijlage 8. Het akoestische onderzoek is uitgevoerd met de verouderde verkeersgegevens, welke door de Gemeente Oss zijn aangeleverd. De impact van de juiste vertaling van de aangeleverde gegevens, zorgt ervoor dat verkeerslawaai in werkelijkheid lager uit zal vallen. In essentie is er dus met een worst-case gerekend ten tijde van de uitvoering van het akoestisch onderzoek. Ter plaatse van de Burgemeester van Erpstraat 80 geldt een correctie van 1 tot 2 dB. Hiermee blijft de conclusie van het akoestisch onderzoek ongewijzigd. De voorkeursgrenswaarde wordt nog steeds overschreden en de geluidsbelasting blijft onder de maximale ontheffingswaarde van 63 dB.
De procedure voor een hogere grenswaarde, waarbij een gevelweringsonderzoek zal worden uitgevoerd, blijft van kracht.
Burgemeester van Erpstraat 80 te Berghem – 2023, pag. 43 van 54 Vastgesteld 14 december 2023
Het nieuwe gebouw zal in gebruik worden genomen als reclasseringseenheden ten behoeve van maatschappelijke werkzaamheden (nevenactiviteit). Er wordt verwacht dat er geen (extra) geluidhinder zal ontstaan door de nieuwe functie van dit gebouw. De bedrijfswoning en veehouderij binnen het plangebied blijven onderdeel van de inrichting; er hoeft dus niet getoetst te worden aan geluidsnormen door de ingebruikname van het woongebouw ten behoeve van reclasseringseenheden. Daarnaast wordt er voldaan aan de afstanden zoals vermeld in de bedrijven en milieuzonering. Er kan worden geconcludeerd dat er voor wat betreft het aspect geluid geen belemmeringen zijn voor het initiatief, mits de ontheffing wordt verleend om te mogen voldoen aan de hogere grenswaarde.
5.7.9 Gezondheid
Uit de VGO-rapporten die afgelopen jaren zijn gepubliceerd door het RIVM komt duidelijk naar voren dat er een relatie wordt gevonden tussen veehouderijen en de gezondheid van omwonenden. Deze relatie is door de onderzoeker op verschillende manieren vastgesteld. Daarbij komt dichtheid van veehouderijbedrijven en afstand tot bepaalde type individuele veehouderijen concreet naar voren als factoren die van invloed zijn op de gezondheid van omwonenden. Verder blijkt uit VGO-onderzoek dat er in een straal van twee kilometer rond geitenhouderijen een verhoogde incidentie van longontstekingen (ca. 25-30% hoger) voorkomt. De oorzaak van het verhoogde risico op longontsteking rond geitenbedrijven is vooralsnog onbekend en onderwerp van vervolgonderzoek. Op dit moment kan er geen enkele bron-effect relatie worden beschreven tussen de verhoogde longontsteking incidentie en de uitstoot vanuit geitenhouderijen. Wel is er een causaal verband geconstateerd waarbij de associatie sterker is naarmate de afstand tot een geitenhouderij kleiner is. Tot er meer duidelijkheid is over de bron van de verhoogde incidentie longontstekingen kan niet worden geadviseerd over beschermde maatregelen. Afstand houden en goed informeren is de enige maatregel die de GGD op dit moment adviseert.
In afwachting van het vervolgonderzoek heeft de provincie besloten dat geitenstallen uitbreiden of in gebruik nemen niet meer is toegestaan. Het moratorium is in beginsel tijdelijk. Als de uitkomsten van het vervolgonderzoek bekend worden, wordt er gekeken of er redenen zijn het besluit in te trekken of aan te passen. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het bevoegd gezag verplicht om alle bekende risico's bij een nieuwe ontwikkeling af te wegen. Er is geen sprake van een omgekeerde werking van het moratorium (met andere woorden de 'stop' op uitbreidingen van geitenbedrijven zorgt niet voor een stop op ontwikkelingen binnen de 2 km straal van een geitenhouderij), maar wel van een risico dat beoordeeld en meegewogen moet worden bij nieuwe ontwikkelingen. Het verantwoorden van dit verhoogde risico is aan het bevoegd gezag, in casu de gemeente. Deze geeft een oordeel over en maakt een afweging of sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat (m.b.t. onder andere gezondheid & geitenhouderijen). Het college van B&W besloot op 5 december 2017 dat wenselijke ontwikkelingen na een zorgvuldige afweging met betrekking tot volksgezondheid kunnen worden toegestaan binnen een straal van twee kilometer rondom een geitenhouderij.
Burgemeester van Erpstraat 80 te Berghem – 2023, pag. 44 van 54 Vastgesteld 14 december 2023
Het beleid voor geitenhouderijen in Oss houdt in dat bij de realisering van een ruimtelijke ontwikkeling binnen een straal van 2 kilometer van een geitenhouderij rekening moet worden gehouden met de volgende criteria: a. het infomeren van de aanvragers over het risico b. terughoudend omgaan met ontwikkelingen betreffende het huisvest of opvangen van kinderen, kwetsbare mensen en ouderen c. na een zorgvuldige afweging en eventueel maatwerk kunnen wenselijke ontwikkelingen binnen een straal van 2 kilometer van een geitenhouderij worden toegestaan. ‘De Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0’ (versie mei 2018) bevat een praktisch stappenplan om te beoordelen of nadere advisering vanuit de GGD wenselijk is. De zeven stappen dienen allen te worden doorlopen en beantwoord om na te gaan of er aandachtspunten worden gevonden. Toetsing aan het stappenplan moet plaatsvinden, zodat kan worden bepaald of een advies van de GGD nodig is voor de beoogde ontwikkeling. Stap 1. endotoxine varkens-/pluimveehouderijen: Indien niet voldaan kan worden aan de endotoxine afstand voor varkenshouderijen en pluimveehouderijen, dient een GGD-advies te worden aangevraagd. De dichtstbijzijnde varkens- of pluimveehouderij betreft de leghennenhouderij aan de Valendonkstraat 12 te Oss.
Conform het endotoxine toetsingskader dient er minimaal een afstand van 179 meter tot de beoogde woning te worden gehouden (3.153 kg emissie fijnstof per jaar). De woning ligt op een afstand van 1,0 kilometer van de leghennenhouderij. Er wordt dus voldaan aan de afstand in het kader van endotoxine. Stap 2. Emissies; De beoogde ontwikkeling leidt niet tot een toename in emissies. De fijnstofemissie die de beoogde vervoersbewegingen meebrengen, dragen in niet betekende mate bij. Stap 3. Geur, toetsen aan aanvaardbaar woon-/leefklimaat In paragraaf 5.7.4 is gemotiveerd dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voor het aspect geur. Stap 4a. Worden binnen één veehouderij meerdere diersoorten gehouden? De planlocatie betreft een rundveehouderij. Er worden geen verschillende diersoorten gehouden. Stap 4b. De afstand tussen de inrichtingsgrenzen van een varkensbedrijf en een pluimveebedrijf bedraagt in de nieuwe situatie minder dan 100 meter. De dichtstbijzijnde pluimveehouderij ligt op een afstand van 1000 meter. Er liggen geen varkenshouderijen dichter in de buurt van de planlocatie. Stap 5. De afstand van de veehouderij tot omliggende woningen De veehouderij op de planlocatie wijzigt niet, ook de afstanden ten opzichte van de omliggende woningen veranderen niet.
De reclasseringswoningen zijn vrij van toetsing aan afstand tot de bedrijfseigen veehouderij aangezien de reclassering een nevenactiviteit betreft. Het oprichten van de reclasseringswoningen binnen een straal van 2 km tot de geitenhouderij aan de Harenseweg vormt in het beginsel geen belemmering. Toekomstige cliënten betreffen geen kwetsbare doelgroepen en kunnen vooraf goed geïnformeerd worden alvorens te komen wonen aan de Burgemeester van Erpstraat 80.