Bijlage_15_Passende_beoordeling_Amsteleind_definitief_inclusief_bijlagen__Antea_Group__28_oktober_2025_
Tekst van het document
Om die reden wordt ook gelet op de rechtspraak niet toegekomen aan het additionaliteitsvereiste. Het betreffen salderingsmaatregelen die (gelet op de locatie) weliswaar geschikt zijn om in te zetten als mitigerende maatregel. Maar, gelet op de aard van de salderingsmaatregel, de kosten in relatie tot de zeer geringe stikstofwinst per bedrijf is evenwel duidelijk dat deze agrarische bedrijven nimmer als instandhoudings- of passende maatregel zouden worden beëindigd. Het additionaliteitsvereiste staat dan ook in dit geval niet in de weg aan de vaststelling van de bestemmingsplannen. Desondanks wordt in de hierna volgende subparagrafen volledigheidshalve nog nader getoetst aan het additionaliteitsvereiste. Daaruit volgt dat gelet op de ingezette en geprognosticeerde structurele daling van de stikstofdepositie op Natura 2000, met het oog op het realiseren van de geldende instandhoudingsdoelstellingen en het voorkomen van verslechtering van de kwaliteit van habitats, ook op een andere wijze door het treffen van andere maatregelen kan en zal worden bereikt. Denk hierbij aan - naast de instandhoudingsmaatregelen die al worden getroffen en volgen uit de Beheerplannen, PAS-gebiedsanalyses en de Natuurdoelanalyses vastgestelde maatregelpakketten in het kader van de Structurele Aanpak Stikstof en de provinciale gebiedsprogramma’s.
Daar wordt in de volgende subparagrafen op gebiedsniveau op ingegaan voor de gebieden met een planbijdrage zonder saldering > 0,01 mol/ha/jr (zie tabel 5.1). Voor de gebieden met een toename ≤ 0,01 mol/ha/jr zonder salderen is het effect van salderen dermate gering dat deze geen (onderdeel van) een passende maatregel kan zijn en dus sprake is van additionaliteit.
22
Amsteleind Passende beoordeling projectnummer 0470075.100 28 oktober 2025 definitief Gemeente Oss
6.4.2
Additionaliteit Rijntakken Uit de natuurdoelanalyse (NDA) van het Natura 2000-gebied Rijntakken blijkt voor alle habitattypen en de stikstofgevoelige kwartelkoning en watersnip met uitzondering van het habitattype H9120 Beuken-eikenbossen met hulst is het eindoordeel ‘ja’. Verslechtering is uitgesloten, en waar dit van toepassing is kunnen uitbreidings- en verbeterdoelstellingen op termijn behaald worden. Er treedt tussen 2026 (huidige rekenjaar AERIUS 2024) en 2030 na uitvoering van aanvullende bronmaatregelen een sterke daling op van de stikstofdepositie in de Rijntakken. Voor alle habitattypen en leefgebieden van stikstofgevoelige soorten is dan (vrijwel) nergens in het gebied meer sprake van een overschrijding van de KDW. Door de sterke daling van de stikstofdepositie worden de ecologische effecten van stikstof op deze habitattypen geleidelijk aan steeds geringer, en is verslechtering uitgesloten. Omdat stikstofdepositie op de korte termijn geen knelpunt is, is het additionaliteitsvraagstuk voor dit Natura 2000-gebied niet aan de orde.
6.4.3
Additionaliteit Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek Blijvende daling De eerste stap om met succes het additionaliteitsvereiste te doorlopen, is het gebiedsspecifiek aannemelijk maken dat sprake is van “een (blijvende) daling” van de stikstofdepositie in de Natura 2000-gebieden. Het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) berekent tweejaarlijks in de Klimaat-en Energieverkenning (KEV) het verwachte effect van de op dat moment geldende maatregelen (vastgesteld en voorgenomen beleid) op de stikstofontwikkeling. In figuur 6.6 is duidelijk dat er sprake is van een (blijvende) daling van de stikstofdepositie.
Figuur 6.1 Ontwikkeling stikstofdepositie Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek (AERIUS Monitor)
Andere maatregelen Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek Uit de natuurdoelanalyse (NDA)2 van het Natura 2000-gebied Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek blijkt dat de (stikstofgevoelige) instandhoudingsdoelstellingen van dat gebied niet gehaald kunnen worden zonder aanvullende maatregelen. Gezien de lokaal matige tot sterke overschrijding van de kritische depositiewaarde van veel van de habitats in het gebied, is verlaging van de stikstofdepositie één van de noodzakelijke maatregelen. Alleen voor het habitattypen H3150 Meren met krabbenscheer en fonteinkruiden en H7140A Overgangs- en trilvenen (trilvenen) is geen sprake van een overbelasting.
2
Provincie Noord-Brabant, 2023. Natuurdoelanalyse 132 Vlijmens Ven, Moerputten en Bossche Broek. Versie 28 februari 2023.
23
Amsteleind Passende beoordeling projectnummer 0470075.100 28 oktober 2025 definitief Gemeente Oss
Gezien de conclusies uit de NDA’s is alleen het gegeven van “een blijvende daling” niet toereikend. Inzichtelijk moet worden gemaakt met welke andere maatregelen (dan de beëindiging van het saldogevende bedrijf/de saldogevende activiteit) natuurherstel voor het Natura 2000-gebied Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek kan worden gerealiseerd. Het Uitvoeringsprogramma Natuur bevat zowel generieke als gebiedsspecifieke maatregelen. Wat betreft de generieke maatregelen gaat het om algemene maatregelen die voor heel Nederland gelden. Provincies hebben primair de regie over gebiedsspecifieke maatregelen, waarbij afstemming plaats vindt met de voortouwnemers van de Natura 2000-beheerplannen. Voor de generieke maatregelen blijven de afspraken gemaakt in het Natuurpact van kracht, zoals de afronding van het NNN in 2027. Daarnaast zijn er vier nieuwe, aanvullende maatregelen die nader vorm worden gegeven: 1. Verhoging beheervergoedingen vanuit het Subsidiestelsel Natuur en Landschap (SNL); 2. Boscompensatie: bosgebied dat is of wordt gekapt voor het behalen van de instandhoudingsdoelen in Natura 2000-gebieden wordt gecompenseerd op een andere plek; 3. Kwaliteitsverhoging Riviernatuur door het ministerie van IenW; 4. Verbeteren basiskwaliteit van de natuur en experimenten en onderzoek rond het intensiveren van het natuurbeleid.
Naast bron- en natuurherstelmaatregelen, bestaat de structurele aanpak stikstof ook uit een derde spoor: een natuurinclusieve ruimtelijke inrichting. Voor het realiseren van de landelijk gunstige staat van instandhouding van de beschermde natuur in Nederland is een natuurinclusieve ruimtelijke inrichting met name relevant in de directe omgeving van Natura 2000-gebieden. Elke provincie heeft met een provinciaal programma Landelijk Gebied de provinciale invulling van het Nationaal Programma Landelijk Gebied (NPLG) uitgewerkt. Op woensdag 4 september 2024 werd duidelijk dat het NPLG wordt geschrapt. De provincies zijn in afwachting van de plannen van het nieuwe kabinet en benadrukken dat ze zich blijven inzetten om met een gebiedsgerichte aanpak de doelen voor stikstofdepositie/Natura 2000. Met het verdwijnen van het NPLG is die opgave niet verdwenen. Het enige wat wel zeker is, zijn de gelden die nu vrijkomen voor de eerste maatregelenpakketten die zicht geven op uitvoering van de provinciale programma’s Landelijk gebied. Het Rijk heeft op basis van de eerste Wageningen Economic Research-toets het bedrag van 1,5 miljard euro vrijgegeven over de 12 provincies voor koploperprojecten in het Nationaal Programma Landelijk Gebied (NPLG). Dit zijn maatregelen die aannemelijk bij zullen dragen aan doelbereik en daarnaast maatregelen bedoeld om gebiedsprocessen op te kunnen starten.
De provincie Noord-Brabant heeft 231 miljoen euro ontvangen. Het geld is bedoeld voor projecten en maatregelen die bijdragen aan de doelen op het gebied van het verminderen van stikstofuitstoot, natuurherstel en klimaatmaatregelen. Ook de maatregelen vanuit het pakket natuurherstel en klimaatmaatregelen kunnen impact hebben op de Natura 2000-gebieden. De Provincie Noord-Brabant heeft begin 2025 de Brabantse Ontwikkelaanpak Stikstof (BOS) 2.0 2024-2027 vastgesteld. Dit plan volgt op het wegvallen van het Nationaal Programma Landelijk Gebied (NPLG) en het bijbehorende Transitiefonds. De herijkte BOS, de BOS 2.0, geeft een nadere uitwerking aan de ambities uit het bestuursakkoord ‘Samen maken we Brabant’. Dit gebeurt langs de drie lijnen Verminderen, Versterken en Vooruitgaan. De aanpak in de BOS 2.0 gaat hoofdzakelijk over de lijn ‘Verminderen’. Er zijn maatregelen die in de hele provincie gelden. Denk aan strenge normen voor ammoniakuitstoot uit stallen en verbeterde technieken om mest te verwerken. Boeren krijgen hulp bij de overstap naar vormen van landbouw met milieuvriendelijkere methoden. Daarnaast worden er gebiedsgerichte maatregelen opgesteld. Tegelijkertijd biedt de provincie ruimte voor projecten die bijdragen aan de gestelde doelen, bijvoorbeeld op het gebied van duurzame landbouw en waterbeheer.
In het BOS zijn ook aanvullende maatregelen bovenop natuurdoelanalyses benoemd (zie tabel 6.8).
24
Amsteleind Passende beoordeling projectnummer 0470075.100 28 oktober 2025 definitief Gemeente Oss
Tabel 6.3 aanvullende maatregelen bovenop Natuurdoelanalyses (BOS 2.0)
Interne en externe saldering zijn geen (onderdeel van) een passende maatregel Afname van bemest areaal is als maatregel in de BOS genoemd. Echter, in casu wordt intern gesaldeerd met bronnen die op grote afstand zijn gelegen van het Natura 2000-gebied Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek, op ten minste 14 kilometer. De volledige saldogevende activiteit draagt zonder afstandscriterium zorg voor een maximale stikstofafname van het plan (in zoverre slechts) 0,40 tot 0,91 mol N/ha/jaar op het Natura 2000-gebied (zie tabel 6.2). Deze bijdrage is zo gering en de kosten voor het beëindigen van de mestaanwending zo hoog dat het beëindigen van de mestaanwending op deze percelen geen reëel onderdeel van een passende maatregel kan zijn. Met andere maatregelen, dichter bij het Natura 2000-gebied en met generieke maatregelen is op veel minder kostbare wijze een substantiëlere verlaging van de achtergronddepositie te realiseren. Dat betekent dat het stopzetten van de mestaanwending op de landbouwpercelen geen (onderdeel van) een passende maatregel kan zijn en dus sprake is van additionaliteit. Bovendien is de interne saldering niet als een instandhoudings- of passende maatregel door de provincie aangemerkt. En gelet op de inhoud van de Natura 2000-Beheerplannen en de Natuurdoelanalyses ook niet nodig. De instandhoudingsdoelstellingen kunnen namelijk op andere wijze worden gehaald.
Daarbij wordt gewezen - naast de instandhoudingsmaatregelen die al worden getroffen en volgen uit de Beheerplannen en de Natuurdoelanalyses - op het succes van de Landelijke beëindigingsregeling veehouderijlocaties (Lbv en Lbv-plus) (onderdeel van de bronmaatregelen Land bouw van de Structurele Aanpak Stikstof van het kabinet). Op de peildatum 16 oktober 2025 zijn er 1.576 aanvragen voor lbv en/of lbv-plus ingediend, waarvan 365 aanvragen afkomstig zijn uit de provincie Noord-Brabant (zie figuur 6.2). Dit betreffen bedrijven die (veel) dichter bij de stikstofoverbelaste – door het plan Amsteleind beïnvloede Natura 2000-gebieden zijn gelegen. Die bedrijven hebben een veel grotere totale stikstofdepositie op die gebieden dan die in Amsteleind. Die bedrijven voldoen aan de voorwaarden van de LBV-plus-regeling. Al gelet op de 1.576 aangemelde bedrijven is het dan ook niet aannemelijk dat de bedrijven in Amsteleind nodig zijn om de instandhoudingsdoelstellingen te behalen. Dat het hier om een ‘aannemelijkheidstoets’ gaat (en de te nemen bronmaatregelen c.q. bedrijfsbeëindigingen nog niet hoeven te zijn verwezenlijkt en volledig vaststaan) volgt ook uit de uitspraak Rb. Oost-Brabant 19 oktober 2023 ECLI:NL:RBOBR:2023:4983.
In het geval sprake is van een beperkt benodigd depositiesaldo, betrekt de rechtbank in het oordeel of voldaan wordt aan het additionaliteitsvereiste met name of de intrekking wel ‘absoluut noodzakelijk’ is om de instandhoudingsdoelstellingen of verbeterdoelstellingen te behalen.
25
Amsteleind Passende beoordeling projectnummer 0470075.100 28 oktober 2025 definitief Gemeente Oss
Figuur 6.2: Landelijke beëindigingsregeling veehouderijlocaties (LBV) en Lbv-plus in beeld (Bron: https://www.rvo.nl/onderwerpen/lbv-plus-actueel).
26
Amsteleind Passende beoordeling projectnummer 0470075.100 28 oktober 2025 definitief Gemeente Oss
6.4.4
Additionaliteit Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen Blijvende daling In figuur 6.3 is duidelijk dat er sprake is van een (blijvende) daling van de stikstofdepositie.
Figuur 6.3 Ontwikkeling stikstofdepositie Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen (AERIUS Monitor)
Andere maatregelen voor natuurherstel Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen Uit de NDA3 van het Natura 2000-gebied Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen blijkt dat de meeste (stikstofgevoelige) instandhoudingsdoelstellingen van dat gebied niet gehaald kunnen worden zonder aanvullende maatregelen (tabel 6.4). Gezien de lokaal matige tot sterke overschrijding van de kritische depositiewaarde van veel van de habitats in het gebied, is verlaging van de stikstofdepositie één van de noodzakelijke maatregelen. Tabel 6.4 conclusie doelbereik Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen op basis van de NDA Stikstofgevoelige instandhoudingsdoelen per categorie doelbereik Ja Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen
Ja, mits
Nee, tenzij
Kamsalamander
H2310, H2330, H3130, H4030, H6410, H9120, H9190, H91E0C, drijvende waterweegbree
Gezien de conclusies uit de NDA is alleen het gegeven van “een blijvende daling” niet toereikend. Inzichtelijk moet worden gemaakt met welke andere maatregelen (dan de beëindiging van het saldogevende bedrijf/de saldogevende activiteit) natuurherstel voor het Natura 2000-gebied Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen kan worden gerealiseerd. Het uitvoeringsprogramma Natuur, het feit dat de provincie Noord-Brabant geld heeft ontvangen voor projecten uit het Provinciaal Programma Landelijk Gebied en het vaststellen van het BOS 2.0 is beschreven bij het Natura 2000-gebied Vlijmens Ven, Bossche Broek & Moerputten. Deze hebben ook een effect op de Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen.
3
Provincie Noord-Brabant, 2023. Natuurdoelanalyse 131 Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen. Versie 28 februari 2023.
27
Amsteleind Passende beoordeling projectnummer 0470075.100 28 oktober 2025 definitief Gemeente Oss
Saldering is geen (onderdeel van) een passende maatregel Afname van bemest areaal is als maatregel in de BOS genoemd. Echter, de saldogevende bronnen liggen op zeer grote afstand van het Natura 2000-gebied Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen, op ten minste 20 km . De volledige saldogevende activiteit draagt zonder afstandscriterium zorg voor een maximale stikstofafname van het plan (in zoverre slechts) van 0,18 tot 0,40 mol N/ha/jaar op het Natura 2000-gebied. Deze bijdrage is zo gering en de kosten voor het beëindigen van de mestaanwending zo hoog dat het beëindigen van de mestaanwending op deze percelen geen reëel onderdeel van een passende maatregel kan zijn. Met andere maatregelen, dichter bij het Natura 2000-gebied en met generieke maatregelen is op veel minder kostbare wijze een substantiëlere verlaging van de achtergronddepositie te realiseren. Dat betekent dat het stopzetten van de mestaanwending op de landbouwpercelen geen (onderdeel van) een passende maatregel kan zijn en dus sprake is van additionaliteit. De instandhoudingsdoelstellingen kunnen op andere wijze worden gehaald. Daarbij wordt gewezen - naast de instandhoudingsmaatregelen die al worden getroffen en volgen uit de Beheerplannen en de Natuurdoelanalyses - op het succes van de Landelijke beëindigingsregeling veehouderijlocaties (Lbv en Lbvplus).
Op de peildatum 16 oktober 2025 zijn er 1.576 aanvragen voor lbv en/of lbv-plus ingediend, waarvan 365 aanvragen afkomstig zijn uit de provincie Noord-Brabant (zie figuur 6.2).
6.4.5
Additionaliteit Kampina & Oisterwijkse vennen Blijvende daling In figuur 6.5 is duidelijk dat er sprake is van een (blijvende) daling van de stikstofdepositie.
Figuur 6.5 Ontwikkeling stikstofdepositie Kampina & Oisterwijkse vennen (AERIUS Monitor)
28
Amsteleind Passende beoordeling projectnummer 0470075.100 28 oktober 2025 definitief Gemeente Oss
Andere maatregelen om natuurherstel Kampina & Oisterwijkse Vennen Uit de natuurdoelanalyse (NDA)4 van het Natura 2000-gebied Kampina & Oisterwijkse vennen blijkt dat de (stikstofgevoelige) instandhoudingsdoelstellingen van dat gebied niet gehaald kunnen worden zonder aanvullende maatregelen. Gezien de lokaal matige tot sterke overschrijding van de kritische depositiewaarde van veel van de habitats in het gebied, is verlaging van de stikstofdepositie één van de noodzakelijke maatregelen. Tabel 6.4: conclusie doelbereik Kampina & Oisterwijkse Vennen op basis van de NDA Stikstofgevoelige instandhoudingsdoelen per categorie doelbereik 1) Kampina & Oisterwijkse Vennen
1)
Ja
Ja, mits
Nee, tenzij
(Taigarietgans)
(Gestreepte waterroofkever), kamsalamander, drijvende waterweegbree
H2310, H2330, H3110, H3130, H3160, H4010A, H4030, H6410, H7110B, H7150, H7210, H9120, H9190, H91D0, H91E0C, gevlekte witsnuitlibel, (kleine modderkruiper), (rivierdonderpad), dodaars, roodborsttapuit
niet stikstofgevoelige doelen zijn tussen haakjes ook opgenomen
Gezien de conclusies uit de NDA is alleen het gegeven van “een blijvende daling” niet toereikend. Inzichtelijk moet worden gemaakt met welke andere maatregelen (dan de beëindiging van het saldogevende bedrijf/de saldogevende activiteit) natuurherstel voor het Natura 2000-gebied Kampina & Oisterwijkse Vennen kan worden gerealiseerd. Het uitvoeringsprogramma Natuur, het feit dat de provincie Noord-Brabant geld heeft ontvangen voor projecten uit het Provinciaal Programma Landelijk Gebied en het vaststellen van het BOS 2.0 is beschreven bij het Natura 2000-gebied Vlijmens Ven, Bossche Broek & Moerputten. Deze hebben ook een effect op de Kampina & Oisterwijkse Vennen. Saldering is geen (onderdeel van) een passende maatregel Afname van bemest areaal is als maatregel in de BOS genoemd. Echter, de saldogevende bronnen liggen op zeer grote afstand van het Natura 2000-gebied Kampina & Oisterwijkse Vennen, op ten minste 20 km. De volledige saldogevende activiteit draagt zonder afstandscriterium zorg voor een maximale stikstofafname van het plan (in zoverre slechts) 0,13 tot 0,30 mol N/ha/jaar op het Natura 2000-gebied (zie bijlage 6). Deze bijdrage is zo gering en de kosten voor het beëindigen van de mestaanwending zo hoog dat het beëindigen van de mestaanwending op deze percelen geen reëel onderdeel van een passende maatregel kan zijn.
Met andere maatregelen, dichter bij het Natura 2000-gebied en met generieke maatregelen is op veel minder kostbare wijze een substantiëlere verlaging van de achtergronddepositie te realiseren. Dat betekent dat het stopzetten van de mestaanwending op de landbouwpercelen geen (onderdeel van) een passende maatregel kan zijn en dus sprake is van additionaliteit. De instandhoudingsdoelstellingen kunnen op andere wijze worden gehaald. Daarbij wordt gewezen - naast de instandhoudingsmaatregelen die al worden getroffen en volgen uit de Beheerplannen en de Natuurdoelanalyses - op het succes van de Landelijke beëindigingsregeling veehouderijlocaties (Lbv en Lbvplus). Op de peildatum 16 oktober 2025 zijn er 1.576 aanvragen voor lbv en/of lbv-plus ingediend, waarvan 365 aanvragen afkomstig zijn uit de provincie Noord-Brabant (zie figuur 6.2).
4
Provincie Noord-Brabant , 2023. Natuurdoelanalyse 133 Kampina & Oisterwijkse Vennen. Versie 28 februari 2023.
29
Amsteleind Passende beoordeling projectnummer 0470075.100 28 oktober 2025 definitief Gemeente Oss
6.4.6
Samenvattend en concluderend: toetsing additionaliteitsvereiste Als gevolg van de bronmaatregelen is sprake van een autonome daling van achtergronddepositie in de beïnvloede gebieden. Daarnaast zijn maatregelen beschreven die met zekerheid uitgevoerd worden. Deze behoren tot het concrete eerste maatregelpakketten van de provinciale programma’s landelijk gebied. Deze maatregelen versterken de betreffende Natura 2000-gebieden. Daarnaast betreffen de beëindiging van de agrarische activiteiten binnen het plangebied salderingsmaatregelen die (gelet op de locatie) weliswaar geschikt zijn om in te zetten als mitigerende maatregel. Maar, gelet op de aard van de salderingsmaatregel, de kosten in relatie tot de zeer geringe stikstofwinst per bedrijf is evenwel duidelijk dat deze agrarische bedrijven nimmer als instandhoudings- of passende maatregel zouden worden beëindigd. Het additionaliteitsvereiste staat dan ook in dit geval niet in de weg aan de vaststelling van de bestemmingsplannen. Hiermee is onderbouwd dat de interne en externe salderingsmaatregel niet al nodig is in het licht van artikel 6 lid 1 of lid 2 Hrl om de instandhoudingsdoelstellingen te verwezenlijken. De (daling) in stikstofdepositieruimte van de saldogevers is niet nodig voor het behoud van de staat van instandhouding of om verslechtering van Natura 2000-gebieden te voorkomen en om perspectief te houden op herstel.
6.5
Cumulatie De verplichting om in een passende beoordeling ook de effecten van andere plannen en projecten in beschouwing te nemen vindt zijn oorsprong in de Habitatrichtlijn. Art 6 lid 3 van de Habitatrichtlijn stelt dat bij een beoordeling rekening moet worden gehouden met cumulatie van effecten van andere plannen en projecten. De cumulatietoets is vooral van belang voor plannen of projecten die een mogelijk negatief (maar niet significant) gevolg hebben, om te bezien of zo’n plan of project in cumulatie alsnog tot een significant effect zou kunnen leiden. Dit is een uitwerking van het voorzorgsbeginsel. Zoals uit de berekeningsresultaten van de stikstofdepositie blijkt, leidt de beoogde ontwikkeling (met mitigatie) zelf niet tot een negatief gevolg, zodat niet verder op de cumulatie hoeft te worden ingegaan.
30
Amsteleind Passende beoordeling projectnummer 0470075.100 28 oktober 2025 definitief Gemeente Oss
7.
Conclusie Amsteleind is gelegen op ruime afstand (> 9 kilometer) van Natura 2000-gebieden. Desondanks kunnen de beoogde activiteiten (woningen, voorzieningen, infrastructuur) in Amsteleind leiden tot een toename van stikstofuitstoot (emissies) en daarmee tot een toename van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. Overige effecten op Natura 2000 gebieden kunnen, gelet op de afstand, op voorhand met zekerheid worden uitgesloten. Ten behoeve van de realisatie Amsteleind zijn veehouderijen binnen het plangebied aangekocht. Deze bedrijven worden beëindigd ten behoeve van het plan Amsteleind. De positieve effecten van het beëindigen van deze bedrijven (verminderde stikstofdepositie) worden als (mitigerende) maatregelen ingezet om het stikstofeffect van Amsteleind te salderen. In de toets van het additionaliteitsvereiste is beschreven dat er plannen zijn met provinciale en landelijke generieke maatregelen die een reductie aan stikstofdepositie realiseren op de beïnvloede Natura 2000gebieden. Voor bronmaatregelen zijn zeer lokale bronnen (binnen 1 km) of regionale bronnen (binnen bijvoorbeeld 3 km) het meest doelmatig. De bronmaatregelen voor interne saldering bij Amsteleind liggen op veel grotere afstand. Het betreffen salderingsmaatregelen die (gelet op de locatie) weliswaar geschikt zijn om in te zetten als mitigerende maatregel.
Maar, gelet op de aard van de salderingsmaatregel, de kosten in relatie tot de zeer geringe stikstofwinst per bedrijf is evenwel duidelijk dat deze agrarische bedrijven nimmer als instandhoudings- of passende maatregel zouden worden beëindigd. Het additionaliteitsvereiste staat dan ook in dit geval niet in de weg aan de vaststelling van de omgevingsplanwijzigingen. Uit deze passende beoordeling volgt dat Amsteleind met de voorgenomen mitigerende maatregelen niet leidt tot toename van stikstof op Natura 2000-gebieden. Er treden geen significante negatieve effecten op en verzekerd is dat de natuurlijke kenmerken van Natura 2000-gebieden niet worden aangetast.
31
Amsteleind Passende beoordeling projectnummer 0470075.100 28 oktober 2025 definitief Gemeente Oss
Bijlagen Bijlage 1: Dichtstbijgelegen Natura 2000-gebieden; ligging, Instandhoudingsdoelen en verstoringsfactoren Bijlage 2: Definitie storingsfactoren Bijlage 3: Stikstofdepositieonderzoek Amsteleind Oss (Antea Group, oktober 2025) Bijlage 4: Invoer- en resultaatbestanden AERIUS Calculator Amsteleind Noord exclusief saldering Bijlage 5: Invoer- en resultaatbestanden AERIUS Calculator Amsteleind Noord inclusief saldering Bijlage 6: Invoer- en resultaatbestanden AERIUS Calculator Amsteleind (totaal) exclusief saldering Bijlage 7: Invoer- en resultaatbestanden AERIUS Calculator Amsteleind (totaal) inclusief saldering
32
Amsteleind Passende beoordeling projectnummer 0470075.100 28 oktober 2025 definitief Gemeente Oss
Bijlage 1: Dichtstbijgelegen Natura 2000-gebieden: Ligging en instandhoudingsdoelen Rijntakken Dit gebied is in april 2014 door de staatssecretaris van het ministerie van Economische Zaken definitief aangewezen als Natura 2000-gebied. In maart 2017 is een wijzigingsbesluit genomen en in 2022 is een wijzigingsbesluit voor de Habitatrichtlijngebieden genomen waarin de volgende instandhoudingsdoelen zijn toegevoegd voor de Rijntakken: • H6430B Ruigten en zomen (harig wilgenroosje): behoud omvang en behoud kwaliteit; • H9120 Beuken- en eikenbos met hulst: uitbreiding omvang en verbetering kwaliteit; • H91E0C Vochtige alluviale bossen (beekbegeleidende bossen): uitbreiding omvang en verbetering kwaliteit. In juni 2024 is een wijzigingsbesluit (geconsolideerd aanwijzingsbesluit) genomen waarin de begrenzing en alle wijzigingen met betrekking tot de aangewezen doelen zijn vastgelegd. Tabel B1.1.
Instandhoudingsdoelen Natura 2000-gebied Rijntakken (bron: definitief aanwijzingsbesluit juni 2024). Doelst. Opp.vl.
Doelst. Kwal.
Meren met krabbenscheer en fonteinkruiden Beken en rivieren met waterplanten (grote fonteinkruiden) H3270 Slikkige rivieroevers H6120* Stroomdalgraslanden H6430A Ruigten en zomen (moerasspirea) H6430B Ruigten en zomen (harig wilgenroosje) H6430C Ruigten en zomen (droge bosranden) H6510A Glanshaver- en vossenstaarthooilanden (glanshaver) H6510B Glanshaver- en vossenstaarthooilanden (grote vossenstaart) H9120 Beuken- en eikenbos met hulst H91E0A* Vochtige alluviale bossen (zachthoutooibossen) H91E0B* Vochtige alluviale bossen (essen-iepenbossen) H91E0C* Vochtige alluviale bossen (beekbegeleidende bossen) H91F0 Droge hardhoutooibossen Habitatsoorten
> >
> =
> > = = > > >
> > = = > > >
> = > = >
> > > = >
H1095 Zeeprik H1099 Rivierprik H1102 Elft H1106 Zalm H1134 Bittervoorn H1145 Grote modderkruiper H1149 Kleine modderkruiper H1163 Beek-/Rivierdonderpad H1166 Kamsalamander H1318 Meervleermuis H1337 Bever H1355 Otter Broedvogels
> > = = > > = = > = =
> > = = > > = = > = > aanmelding
A004 A017 A021 A022 A119 A122 A153 A197 A229 A149 A272 A298
= = > > > > = > = = = >
= = > > > > = > = = = >
Doelst. Pop.
Draagkracht aantal vogels
Draagkracht aantal paren
Habitattypen H3150 H3260B
Dodaars Aalscholver Roerdomp Woudaap Porseleinhoen Kwartelkoning Watersnip Zwarte Stern IJsvogel Oeverzwaluw Blauwborst Grote Karekiet
33
> > > > > > = = > = >
45 660 20 20 40 160 17 240 25 680 95 70
Amsteleind Passende beoordeling projectnummer 0470075.100 28 oktober 2025 definitief Gemeente Oss Doelst. Opp.vl.
Doelst. Kwal.
Doelst. Pop.
Draagkracht aantal vogels
Draagkracht aantal paren
Niet-broedvogels A005 A017 A037 A038 A039 A041
Fuut Aalscholver Kleine Zwaan Wilde Zwaan Toendrarietgans Kolgans
= = = = = =
= = = = = =
A043
Grauwe Gans
=
=
A045 A048 A050 A051 A052 A053 A054 A056 A059 A061 A068 A125 A130 A140 A142 A151 A156 A160 A162 Legenda
Brandgans Bergeend Smient Krakeend Wintertaling Wilde eend Pijlstaart Slobeend Tafeleend Kuifeend Nonnetje Meerkoet Scholekster Goudplevier Kievit Kemphaan Grutto Wulp Tureluur
= = = = = = = = = = = = = = = = = = =
= = = = = = = = = = = = = = = = = = =
=
Behoudsdoelstelling
> *
Verbeter- of uitbreidingsdoelstelling Achter de code/voor een naam betekent een prioritair habitattype Gemiddeld aantal vogels (seizoensgemiddelde) waarvoor het Natura 2000-gebied draagkracht moet hebben als foerageergebied. Gemiddeld aantal vogels (seizoensmaximum waarvoor het Natura 2000-gebied draagkracht moet hebben als rust- en slaapplaats.
(f) (s)
Tabel B1.2
570 1300 100 30 125 (f) 2800 (s) 35.400 (f) 180.100 (s) 8.300 (f) 21.500 (s) 920 (f) 5.200 (s) 120 17.900 340 1.100 6.100 130 400 990 2.300 40 8.100 340 140 8.100 1.000 690 850 65
Typische vogel- en zoogdierensoorten van de habitattypen Rijntakken (Bron: profieldocumenten habitattypen https://www.synbiosys.alterra.nl/natura2000/gebiedendatabase.aspx?subj=profielen) Typische vogelsoort
Typisch zoogdier
Habitattypen H3150 H3260B H3270 H6120* H6430A
Meren met krabbenscheer en fonteinkruiden Beken en rivieren met waterplanten (grote fonteinkruiden) Slikkige rivieroevers Stroomdalgraslanden Ruigten en zomen (moerasspirea)
Zwarte stern Graspieper Bosrietzanger
H6430B H6430C H6510A H6510B H9120
Ruigten en zomen (harig wilgenroosje) 1) Ruigten en zomen (droge bosranden) Glanshaver- en vossenstaarthooilanden (glanshaver) Glanshaver- en vossenstaarthooilanden (grote vossenstaart) Beuken- en eikenbos met hulst
H91E0A* H91E0B*
Vochtige alluviale bossen (zachthoutooibossen) Vochtige alluviale bossen (essen-iepenbossen)
H91E0C*
Vochtige alluviale bossen (beekbegeleidende bossen)
H91F0
Droge hardhoutooibossen
Kwartel Boomklever Zwarte specht Grote bonte specht, Kwak Grote bonte specht, Matkop, Nachtegaal Grote bonte specht, Matkop, Boomklever, Nachtegaal Wielewaal, Grote bonte specht
34
Dwergmuis, Waterspitsmuis Dwergmuis -
Waterspitsmuis -
Amsteleind Passende beoordeling projectnummer 0470075.100 28 oktober 2025 definitief Gemeente Oss
Uiterwaarden IJssel
Uiterwaarden Neder-Rijn
Gelderse Poort
Uiterwaarden Waal
Figuur B1.1. Begrenzing Natura 2000-gebied Rijntakken (met aanduiding deelgebieden) (BN=Beschermd Natuurmonument: is komen te vervallen sinds de inwerkingtreding van de Wnb)
In juli 2025 heeft de Staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (LVVN) kennisgegeven van het voornemen, ter uitvoering van richtlijn 2009/147/EG (Vogelrichtlijn), het aanwijzingsbesluit van de Rijntakken te wijzigen (Staatscourant, nr 23858, 9 juli 2025 en nr 22091, 7 juli 2025). Aanleiding voor de wijzigingen is de noodzaak om nu ook de grutto als broedvogel te beschermen in deze gebieden, nadat de grutto eerder in de meeste van deze gebieden als doortrekker (niet-broedvogel) al was beschermd. Op deze noodzaak is Nederland gewezen door de Europese Commissie in een zogenoemde inbreukprocedure. Het toevoegen van instandhoudingsdoelstellingen voor broedende grutto’s is onderdeel van een ambitieus maatregelenpakket dat van toepassing is binnen en vooral buiten Vogelrichtlijngebieden, om tot het noodzakelijke herstel van de populatie te komen. De ontwerpdoelen voor de grutto zijn in tabel B1.3 opgenomen. Voor de Rijntakken is een instandhoudingsdoel als broedvogel toegevoegd en als niet-broedvogel gewijzigd.
35
Amsteleind Passende beoordeling projectnummer 0470075.100 28 oktober 2025 definitief Gemeente Oss
Tabel B1.3 Ontwerp-instandhoudingsdoel Natura 2000-gebied Rijntakken (broedvogels en niet-broedvogels). Soort
A156
Grutto
Instandhoudingsdoel broedvogels en niet-broedvogels (ontwerp) Populatie Omvang leefgebied Kwaliteit leefgebied (broedparen) 110 > > Populatie Functie van het Omvang leefgebied/ Kwaliteit leefgebied gebied 670 Foerageergebied (seizoensgemiddelde) = > 6400 Slaapplaats (seizoensmaximum)
Legenda =: behouddoelstelling >: uitbreidings- en verbeterdoelstelling
Volgens de Gebiedsanalyse (KWR, provincie Gelderland, december 2017) is de grutto in de Rijntakken niet afhankelijk van N-gevoelige habitattypen en/of leefgebieden.
Vlijmens Ven, de Moerputten en het Bossche Broek Dit gebied is op mei 2013 definitief aangewezen als Natura 2000-gebied en in mei 2015 is er een definitief wijzigingsbesluit genomen waarbij het habitattype H6430A is toegevoegd en het habitattype H6510 Laaggelegen schraal hooiland is geschrapt. Op 22 november 2022 is wijzigingsbesluit voor diverse Habitatrichtlijngebieden definitief vastgesteld. Daarin zijn voor een groot aantal Natura 2000-gebieden (habitatrichtlijngebieden) instandhoudingsdoelen voor een aantal habitattypen en/of Habitatrichtlijnsoorten toegevoegd. Voor het Natura 2000-gebied Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek zijn met dit wijzigingsbesluit de volgende instandhoudingsdoelstellingen toegevoegd: • een behouddoelstelling voor omvang en kwaliteit van de habitattypen H3150 Meren met krabbenscheer en fonteinkruiden en H6230 *Heischrale graslanden; • Een behouddoelstelling voor de omvang en kwaliteit van het leefgebied voor het behoud van de populatie van de Habitatrichtlijnsoorten H1134 Bittervoorn en H1166 Kamsalamander. Tabel B1.4.
Instandhoudingsdoelen Natura 2000-gebied Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek (Bron: Aanwijzingsbesluit, mei 2013, wijzigingsbesluit, mei 2015 en wijzigingsbesluit, november 2022 ) Doelst. Opp.vl.
Habitattypen H3140 Kranswierwateren > H3150 Meren met krabbenscheer en fonteinkruiden = H6230* Heischrale graslanden = H6410 Blauwgraslanden > H6430A Ruigten en zomen (moerasspirea) = H6510A Glanshaver- en vossenstaarthooilanden (glanshaver) > H7140A Overgangs- en trilvenen (trilvenen) = Habitatrichtlijnsoorten H1059 Pimpernelblauwtje > H1061 Donker pimpernelblauwtje > H1134 Bittervoorn = H1145 Grote modderkuiper > H1149 Kleine modderkruiper = H1166 Kamsalamander = H1831 Drijvende waterweegbree = Legenda = Behoudsdoelstelling > Verbeter- of uitbreidingsdoelstelling * Achter de code/voor een naam betekent een prioritair habitattype
36
Doelst. Kwal.
Doelst. Pop.
> = = > = > = > > = > = = =
> > = > = = =
Amsteleind Passende beoordeling projectnummer 0470075.100 28 oktober 2025 definitief Gemeente Oss
Tabel B1.5.
Typische vogel- en zoogdierensoorten van de habitattypen Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek (Bron: profieldocumenten habitattypen). https://www.synbiosys.alterra.nl/natura2000/gebiedendatabase.aspx?subj=profielen) Typische vogelsoort
Habitattypen H3140 Kranswierwateren H3150 Meren met krabbenscheer en fonteinkruiden H6230* Heischrale graslanden H6410 Blauwgraslanden H6430A Ruigten en zomen (moerasspirea) H6510A Glanshaver- en vossenstaarthooilanden (glanshaver) H7140A Overgangs- en trilvenen (trilvenen)
Figuur B1.2:
Zwarte stern Watersnip Bosrietzanger Kwartel -
Typisch zoogdier Dwergmuis, Waterspitsmuis -
Begrenzing Natura 2000-gebied Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek [Bron: http://www.synbiosys.alterra.nl/natura2000/gebiedendatabase]
37
Amsteleind Passende beoordeling projectnummer 0470075.100 28 oktober 2025 definitief Gemeente Oss
Bijlage 2: Definitie storingsfactoren Natura 2000 Ministerie van EZ, 2015 Oppervlakteverlies en versnippering (1 en 2) Oppervlakteverlies leidt tot een afname van beschikbaar oppervlak leefgebied van soorten en/of habitattypen. Door versnippering kunnen verschillende gebieden geïsoleerd van elkaar komen te liggen, waardoor ze onbereikbaar worden of hun functie verliezen. Stikstofdepositie (verzuring en vermesting) (3 en 4) Verzuring van bodem of water is een gevolg van de uitstoot (emissie) van stikstof (stikstofoxide (NOx), ammoniak (NH3)). Deze verzurende stoffen komen via lucht of water in de grond terecht en leiden aldus tot het zuurder worden van het biotische milieu. De belangrijkste bronnen van verzurende stoffen zijn de landbouw, het verkeer en de industrie. Verzoeting (5) Verzoeting treedt op als het chloridegehalte in het water afneemt, en niet meer geschikt is voor de beoogde zoute of brakke natuurtypen. Het steeds zoeter worden van bijv. het Oostvoornse meer heeft gevolgen voor de flora en fauna in het meer. Bepaalde soorten zullen verdwijnen terwijl nieuwe soorten zich zullen vestigen. Door de verzoeting zal de brakwatervegetatie verdwijnen. Dit heeft tot gevolg dat door het afsterven van algen en wieren een verslechtering van de waterkwaliteit kan optreden. Verder kan door verzoeting de gevoeligheid voor eutrofiëring sterk toenemen.
Naast verandering van vegetatie zal bij een verdere verzoeting ook de macrofauna- en visstandsamenstelling veranderen. Verzilting (6) Verzilting betreft de ophoping van oplosbare zouten (kalium, natrium, magnesium, calcium) in bodems en wateren. In wateren komt verzilting over het gehele spectrum tussen zoet (<200 mg Cl/l) en zeer zout (> 30.000 mg Cl/l) voor en is dus niet beperkt tot zoet en brak water. Als gevolg van verzilting verandert de zoet-zout gradiënt en dit heeft gevolgen voor de grondwaterkwaliteit en dus de bodemvruchtbaarheid. Dit werk weer door in randvoorwaarden voor aanwezige plant- en diersoorten en leidt uiteindelijk tot een verandering in de soortensamenstelling. Verontreiniging (7) Er is sprake van verontreiniging als er verhoogde concentraties van stoffen in een gebied voorkomen die onder natuurlijke omstandigheden niet of in zeer lage concentraties aanwezig zijn. Het gaat hier onder andere over organische verbindingen, zware metalen, schadelijke stoffen die ontstaan door verbranding of productieprocessen. Deze stoffen werken in op de bodem, grondwater en lucht. De gevolgen van verontreiniging zijn divers en complex en kunnen zich pas vele jaren later manifesteren. Vrijwel alle soorten habitattypen reageren op verontreiniging (bron: effectenindicator EZ). Verdroging (8) Verdroging uit zich in lagere grondwaterstanden en/of afnemende kwel.
De actuele grondwaterstand is dan lager dan de gewenste/benodigde grondwaterstand. Vernatting (9) Vernatting manifesteert zich in hogere grondwaterstanden en/of toenemende kwel veroorzaakt door menselijk handelen. Verandering stroomsnelheid (10) Verandering van stroomsnelheid van beken en rivieren kan optreden door menselijke ingrepen zoals plaatsen van stuwen, kanaliseren of weer laten meanderen. Verschillen in stroomsnelheid (langzaam of snel) en dimensies (van bovenloop tot riviertje) leiden tot duidelijke verschillen in levensgemeenschappen en kenmerkende soorten hiervan. Door verandering in stroomsnelheid verdwijnen kenmerkende soorten en levensgemeenschappen.
38
Amsteleind Passende beoordeling projectnummer 0470075.100 28 oktober 2025 definitief Gemeente Oss
Verandering overstromingsfrequentie (11) De duur en/of frequentie van de overstroming van beken en rivieren verandert door menselijke activiteiten. Voor een voedselarme vegetatie bijvoorbeeld leidt een toenemende overstroming met voedselrijk water tot vermesting: verrijking van de bodem en daardoor verruiging van de vegetatie. Bij boezemlanden die regelmatig worden overstroomd leidt een afname van de overstromingsfrequentie tot verzuring van de bodem, waardoor basenminnende plantensoorten kunnen verdwijnen. Langdurige overstroming kan leiden tot zuurstofgebrek in de wortels van planten waardoor planten kunnen afsterven. Uiteindelijk grijpt een verandering in de overstromingsdynamiek zo in op de soortensamenstelling. Verandering dynamiek substraat (12) Er treedt een verandering op in de bodemdichtheid of bodemsamenstelling van terrestrische of aquatische systemen, bijvoorbeeld door aanslibbing of verstuiving. Verstoring door geluid (13) Verstoring door geluid betreft verstoring van diersoorten door onnatuurlijke geluidsbronnen. Verstoring door geluid wordt beïnvloed door het achtergrondgeluid en de duur, frequentie en sterkte van de geluidsbron zelf. Geluidsbelasting kan leiden tot stress en/of vluchtgedrag van individuen. Dit kan vervolgens leiden tot het verlaten van het leefgebied of afname van de reproductie.
Er kan ook gewenning optreden, in het bijzonder bij continue geluid (bron: effectenindicator Ministerie van EZ en Broekmeyer et al., 2005). Verstoring door licht (14) Lichtverstoring kan optreden als kunstmatige lichtbronnen de gevoelige habitatsoorten bereiken. Kunstmatige verlichting van de nachtelijke omgeving kan tot verstoring van het normale gedrag van soorten leiden, zoals vogels, vleermuizen en zeehonden. Naar mogelijke effecten is nog vrij weinig onderzoek gedaan. Veel kennis gaat daarom nog niet verder dan het kwalitatief signaleren van risico’s. Met name schemer- en nachtactieve dieren kunnen last hebben van verstoring door licht, doordat zij juist aangetrokken of verdreven worden door de lichtbron. Hierdoor raakt bijvoorbeeld hun ritme ontregeld en verlichte delen van het leefgebied worden vermeden (bron: Broekmeyer et al., 2005). Verstoring door trilling (15) Er is sprake van trillingen in bodem en water als dergelijke trillingen door menselijke activiteiten veroorzaakt worden, zoals bij boren, heien, draaien van rotorbladen et cetera. Verstoring door optische effecten (16) Optische verstoring betreft verstoring door de aanwezigheid en/of beweging van mensen dan wel voorwerpen die niet thuishoren in het natuurlijke systeem.
Verstoring door mechanische effecten (17) Onder mechanische effecten vallen verstoring door betreding, golfslag, luchtwervelingen et cetera, die optreden ten gevolge van menselijke activiteiten. Verandering in populatiedynamiek (18) De storende factor verandering in populatiedynamiek treedt op als er een direct effect is van een activiteit op de populatie-opbouw en/of populatiegrootte. Er wordt hier vooral gedoeld of de situatie wanneer er sprake van sterfte van individuen door wegverkeer, windmolens, of door jacht of visserij. Bewuste, menselijke ingrepen op populatieniveau kunnen leiden tot directe problemen en problemen in de toekomst. Een verandering in populatieomvang is een direct effect. Een verandering in populatie-opbouw (verandering van de verhouding sterfte-reproductie) leidt in de toekomst tot effecten. Zowel minder organismen (een kleinere populatie) en zeker een verandering in samenstelling van de populatie (bijv. meer oude dieren) kunnen leiden tot een verandering in de geboorte/sterfte ratio. En daarmee kan er iets veranderen in de populatiedynamiek (het gedrag in de tijd). Dit kan uiteindelijk leiden tot het (tijdelijk) verdwijnen van soorten, waardoor het evenwicht van het ecosysteem verschuift. De gevoeligheid is sterk afhankelijk van diverse populatiekenmerken zoals de generatietijd van een soort en de huidige grootte van populaties.
Vooralsnog zijn alle soorten als ‘gevoelig’ gescoord.
39
Amsteleind Passende beoordeling projectnummer 0470075.100 28 oktober 2025 definitief Gemeente Oss
Bewuste verandering soortensamenstelling (19) Er is sprake van bewust ingrijpen in de natuur door herintroductie van soorten, introductie van exoten, uitzetten van vis, inzaaien van genetisch gemodificeerde organismen etc. Er treedt concurrentie op in voedselbeschikbaarheid, nestgelegenheid etc. Deze concurrentie kan leiden tot het verdringen (opvullen van de niche) van de oorspronkelijke soorten. Ook kunnen soorten verdwijnen door predatie van de geïntroduceerde soort. Hierdoor kunnen relaties binnen het ecosysteem worden verstoord.
40
Amsteleind Passende beoordeling projectnummer 0470075.100 28 oktober 2025 definitief Gemeente Oss
Bijlage 3: Stikstofdepositieonderzoek Amsteleind Oss Antea Group, oktober 2024 .
41
Stikstofdepositieonderzoek Amsteleind Oss
projectnummer 0470075.100 revisie 01 28 oktober 2025
www.anteagroup.nl
Stikstofdepositie-onderzoek Amsteleind Oss projectnummer 0470075.100 definitief 28 oktober 2025
Auteur(s) M. Plugge
Opdrachtgever Gemeente Oss
Gecontroleerd T. Sweerts
datum 28 oktober 2025
beschrijving Definitief
vrijgave E. Oude Weernink
Stikstofdepositie-onderzoek Amsteleind Oss projectnummer 0470075.100 28 oktober 2025 revisie 01 Gemeente Oss
Inhoudsopgave 1.
Inleiding
4
1.1 1.2
Aanleiding Leeswijzer
4 6
2.
Wettelijk kader
7
2.1 2.2 2.3
Onderzoek naar significante gevolgen Salderen Rekenprogramma AERIUS Calculator
7 7 8
3.
Modellering Amsteleind Noord
9
3.1 3.2 3.2.1 3.2.2 3.3 3.3.1 3.3.2 3.3.3 3.3.4 3.3.5 3.4 3.4.1 3.4.2 3.4.3
Maatgevend jaar Gebruiksfase Verkeersbewegingen Koude start Realisatiefase Introductie en achtergrond kengetallen Emissies materieel Verkeersbewegingen Koude start Stationaire emissies zwaar vrachtverkeer Referentiesituatie Autonoom verkeer Veehouderij Mestemissies agrarische percelen
9 9 9 10 11 11 12 13 13 13 14 14 14 15
4.
Modellering Amsteleind (totaal)
18
4.1 4.2 4.2.1 4.2.2 4.3 4.3.1 4.3.2 4.3.3 4.3.4 4.3.5 4.4 4.4.1 4.4.2 4.4.3
Maatgevend jaar Gebruiksfase Verkeersbewegingen Koude start Realisatiefase Introductie Emissies materieel Verkeersbewegingen Koude start Stationaire emissies zwaar vrachtverkeer Referentiesituatie Autonoom verkeer Veehouderijen Mestemissies agrarische percelen
18 18 18 19 20 20 20 21 21 22 22 22 22 23
5.
Resultaten en conclusie
26
5.1 5.2
Resultaten Conclusie
26 26
Bijlagen Bijlage 1 Aerius berekeningen Amsteleind Noord zonder saldering Bijlage 2 Aerius berekeningen Amsteleind (totaal) zonder saldering Bijlage 3 Aerius berekeningen Amsteleind Noord met saldering Bijlage 4 Aerius berekeningen Amsteleind (totaal) met saldering
Stikstofdepositie-onderzoek Amsteleind Oss projectnummer 0470075.100 28 oktober 2025 revisie 01 Gemeente Oss
1.
Inleiding
1.1
Aanleiding De gemeente Oss is voornemens een nieuwe uitbreidingslocatie voor woningbouw te ontwikkelen aan de westkant van de stad (zie figuur S1) in de vorm van de nieuwe wijk Amsteleind. De wijk Amsteleind moet ruimte bieden voor ongeveer 3.000 woningen en bijbehorende maatschappelijke en commerciële voorzieningen.
Figuur 1.1 Globale begrenzing van en deelgebieden in de ontwikkeling van Amsteleind (bron ondergrond: Ontwikkelvisie Amsteleind, gemeente Oss, 2025)
Omgevingsplanwijziging Amsteleind Noord Amsteleind wordt gefaseerd ontwikkeld. Voor het eerste deel van deze ontwikkeling, Amsteleind Noord, stelt de gemeente een omgevingsplanwijziging op. In Amsteleind Noord zijn maximaal 1.000 woningen voorzien met bijbehorende voorzieningen. Onderdeel van de omgevingsplanwijziging Amsteleind Noord is de ontsluiting van deze wijk op het onderliggend wegennet (de Kleinussenstraat) en een benodigde aanpassing van de Heihoeksingel en twee van de rotondes op deze wegen. In later stadium is een omgevingsplanwijziging voorzien voor Amsteleind Zuid en Kleinussen en bijbehorende voorzieningen. Onderdeel van de omgevingsplanwijziging Amsteleind Zuid is de realisatie van een nieuwe ontsluitingsstructuur (de Parkway). Met de omgevingsplanwijzigingen geeft de gemeente een ruimtelijkplanologisch kader voor de ontwikkeling van Amsteleind. De omgevingsplanwijzigingen zijn globale plannen, het legt nog geen gedetailleerde stedenbouwkundige uitwerking vast. De gemeente doet dit bewust op ruimte te laten aan ontwikkelaars om met “goede plannen” te komen. In de omgevingsplanwijzigingen worden wel kaders en randvoorwaarden (spelregels) vastgelegd waarbinnen de ontwikkeling moet plaatsvinden.
Dit om ervoor te zorgen dat de plannen van ontwikkelaars voldoen aan de wettelijk eisen, de randvoorwaarden vanuit het provinciaal en gemeentelijk beleid en de gemeentelijke ambities en doelstellingen voor Amsteleind. Stikstofonderzoek Binnen het kader van het wijzigen van het Omgevingsplan dient voor dit voornemen een onderzoek naar stikstofdepositie uitgevoerd te worden, om zo significante gevolgen op Natura 2000-gebieden uit te kunnen sluiten.
blad 4 van !Syntaxisfout, !
Stikstofdepositie-onderzoek Amsteleind Oss projectnummer 0470075.100 28 oktober 2025 revisie 01 Gemeente Oss
Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied betreft Rijntakken, op een afstand van ongeveer 9 kilometer. Andere Natura 2000-gebieden binnen een straal van 25 kilometer betreffen ‘Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek’, ‘Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen’ en ‘Kampina & Oisterwijkse Vennen’. Zie de onderstaande figuur.
Figuur 1: Locatie van het projectgebied t.o.v. omliggende Natura 2000-gebieden. Paarse gebieden betreffen stikstofgevoelige habitats (bron: AERIUS Calculator).
De voorgenomen ontwikkeling zal leiden tot een emissie van de voor stikstofdepositie relevante stoffen stikstofoxiden (NOX) en ammoniak (NH3). Dit kan stikstofdepositie in Natura 2000-gebieden als gevolg hebben. Overmatige stikstofdepositie leidt tot verzuring en vermesting in deze gebieden, met als potentieel gevolg een afname van de biodiversiteit. In voorliggend onderzoek is het effect van het voornemen op alle Natura 2000-gebieden in een straal van 25 kilometer rondom het projectgebied doorgerekend.
blad 5 van !Syntaxisfout, !
Stikstofdepositie-onderzoek Amsteleind Oss projectnummer 0470075.100 28 oktober 2025 revisie 01 Gemeente Oss
1.2
Leeswijzer De drie hierop volgende hoofdstukken betreffen de inhoudelijke totstandkoming van het voorliggende onderzoek. • Hoofdstuk 2 betreft het Wettelijk kader waarin dit onderzoek is uitgevoerd. • Hoofdstukken 3 en 4 betreffen de uitgangspunten waarmee de AERIUS-modellen opgesteld zijn. De wijze van modelleren wordt hierin toegelicht en gemotiveerd. Consistentie en transparantie staan centraal, om op deze manier zoveel mogelijk inzicht te verschaffen in de totstandkoming van de AERIUS-modellen. • Hoofdstuk 5 betreft de samenvatting van de resultaten en de bijbehorende conclusie. De Aerius-berekeningen zijn in de bijlagen opgenomen
blad 6 van !Syntaxisfout, !
Stikstofdepositie-onderzoek Amsteleind Oss projectnummer 0470075.100 28 oktober 2025 revisie 01 Gemeente Oss
2.
Wettelijk kader Binnen de EU worden de belangrijkste leefgebieden van de meest bedreigde en waardevolle soorten en habitattypen aangewezen als Natura 2000-gebied. Deze Natura 2000-gebieden moeten samen een Europees ecologisch netwerk vormen om de achteruitgang van de biodiversiteit te keren. De juridische basis voor dit netwerk zijn de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn, die in Nederland zijn uitgewerkt in de Omgevingswet (Ow) en de Omgevingsregeling (Or). Per gebied worden voor de soorten en habitattypen instandhoudingsdoelstellingen (behouds-, uitbreidings- of verbeteringsdoelstellingen) bepaald.
2.1
Onderzoek naar significante gevolgen Het onderdeel gebiedsbescherming binnen de Omgevingswet (Natura 2000-activiteit) biedt de basis voor de beoordeling van activiteiten die (mogelijk) negatieve gevolgen hebben op de instandhoudingsdoelstellingen. Het kan daarbij zowel gaan om activiteiten binnen als buiten Natura 2000-gebieden. Bij vaststelling van plannen moet het bevoegd gezag dus rekening houden met de gevolgen van het plan op Natura 2000-gebieden. In de oriënterende fase (voortoets) moet onderzocht worden of de ontwikkeling een significant (negatief) gevolg op het betreffende Natura 2000-gebied kan hebben. Zonder compleet te zijn, kan dit bijvoorbeeld door aan te tonen dat een ontwikkeling op zichzelf niet leidt tot een toename, eventueel ten opzichte van de referentiesituatie (zie ook paragraaf 1.2). Dan is namelijk uitgesloten dat de ontwikkeling qua stikstofdepositie significante gevolgen voor een Natura 2000-gebied heeft. Als na een dergelijk onderzoek op voorhand niet kan worden uitgesloten dat de activiteit een significant gevolg heeft, dient meer gedetailleerd dan in de oriënterende fase, in kaart te worden gebracht wat de effecten van de activiteit kunnen zijn. Deze laatste analyse kan een ‘passende beoordeling’ zijn.
Wanneer uit deze passende beoordeling (bijvoorbeeld na het nemen van maatregelen of uitgebreid ecologisch onderzoek) alsnog de zekerheid wordt verkregen dat de activiteit geen natuurlijke aantasting kent, staat ook dan het aspect gebiedsbescherming besluitvorming (voor wat betreft stikstofdepositie) niet in de weg.
2.2
Salderen Het is vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State dat voor de vraag of een ontwikkeling significante gevolgen kan hebben, onder voorwaarden een vergelijking mag worden gemaakt tussen de gevolgen van de beoogde situatie en de gevolgen van de situatie voorafgaand aan die beoogde situatie (binnen het plangebied). Dit wordt ook wel intern salderen genoemd. De situatie voorafgaand aan de beoogde situatie wordt de referentiesituatie genoemd. Voor een plan geldt dat de referentiesituatie de feitelijke huidige planologisch legale situatie voorafgaand aan het planbesluit is. Er gelden specifieke regels voor al gestaakte activiteiten en voor wel verleende, maar nog niet gerealiseerde omgevingsvergunningen voor Natura 2000-activiteiten. Saldering is ook mogelijk met een verdwijnende of afnemende stikstofbron buiten het plangebied. Dit wordt extern salderen genoemd. In tegenstelling tot intern salderen is bij extern salderen altijd een passende beoordeling benodigd. Op 18 december 2024 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak uitspraak gedaan in twee zaken over de wet natuurbeschermingsvergunning, waarin zij heeft gesteld dat: • Interne saldering gezien moet worden als mitigerende maatregel, die in een passende beoordeling moet worden afgewogen.
• Er bij de afweging getoetst moet worden aan het additionaliteitsvereiste: Een plan of project mag in beginsel een mitigerende maatregel alleen inzetten als deze (bron)maatregel niet nodig is voor het bereiken van de natuurdoelen van Natura 2000-gebieden. De uitspraak van 18 december 2024 ziet op natuurvergunningen en niet op plannen, zoals de omgevingsplanwijziging Amsteleind Noord. Er is tot op heden geen uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak die de vereisten ook legt op plannen. Vanuit zorgvuldigheid is voor Amsteleind interne saldering in deze passende beoordeling beschouwd en is getoetst aan de additionaliteitsvereiste. blad 7 van !Syntaxisfout, !
Stikstofdepositie-onderzoek Amsteleind Oss projectnummer 0470075.100 28 oktober 2025 revisie 01 Gemeente Oss
2.3
Rekenprogramma AERIUS Calculator De stikstofdepositie op een Natura 2000-gebied kan berekend worden met behulp van het verplicht te gebruiken rekenprogramma AERIUS Calculator (Or). Van elke te berekenen situatie wordt een model gemaakt met invoergegevens waarmee vervolgens de berekening wordt uitgevoerd. Op basis van de invoer bepaalt het rekenprogramma AERIUS Calculator zelf de correcte berekening van de bijdrage ten opzichte van de referentiesituatie, indien aanwezig. Ook bepaalt zij zelf de rekenpunten binnen de Nederlandse Natura 2000gebieden. De bijdrage aan de stikstofdepositie in de omliggende Natura 2000-gebieden wordt berekend ter plaatse van voor stikstofgevoelige habitats.
blad 8 van !Syntaxisfout, !
Stikstofdepositie-onderzoek Amsteleind Oss projectnummer 0470075.100 28 oktober 2025 revisie 01 Gemeente Oss
3.
Modellering Amsteleind Noord In dit rapport zijn twee situaties in beeld gebracht. Deze zijn als volgt en worden afzonderlijk van elkaar in de onderstaande hoofdstukken behandeld: 1. Amsteleind Noord, 1.000 woningen met bijbehorende voorzieningen en infrastructuur, rekenjaar 2029. 2. Amsteleind (totaal), 3.000 woningen met bijbehorende voorzieningen en infrastructuur, rekenjaar 2039. De eerste is bedoeld ter onderbouwing van de omgevingsplanwijziging Amsteleind Noord, de tweede om ten behoeve van het MER Amsteleind een doorkijk te geven naar het effect van Amsteleind totaal. In dit hoofdstuk geldt algemeen als niks vermeld wordt met betrekking tot bronkenmerken of andere details bij ingevoerde bronnen, dat er dan van uitgegaan kan worden dat deze met standaard bronkenmerken gemodelleerd zijn. Dit hoofdstuk gaat verder in op de specifieke modellering van Amsteleind Noord.
3.1
Maatgevend jaar Voor het aspect stikstofdepositie dient het zogenoemde maatgevende jaar in beeld gebracht te worden. Dit betreft het jaar waarin de meeste stikstofdepositie verwacht wordt. De intentie is om ieder jaar 200 woningen te realiseren totdat het voornemen in 2030 afgerond is. Worstcase wordt uitgegaan van een realisatiesnelheid van 240 woningen per jaar, om zo onverwachte wendingen in het bouwproces te kunnen faciliteren. Het jaar na de realisatie van een groep van 240 woningen zullen deze in gebruik genomen worden. Een jaar realisatie zal meer stikstofemissies met zich meebrengen dan een jaar aan gebruik. Daarom zal het maatgevende jaar voor Amsteleind Noord 2029 zijn. Dit zal het laatste jaar zijn waarin gebouwd wordt, en zal bijna het gehele voornemen in gebruik genomen zijn.
3.2
Gebruiksfase Amsteleind Noord zal zonder gasaansluiting gerealiseerd worden. Dit geldt niet alleen voor de woningen, maar ook voor de overige functies, zoals onderwijs en buitenschoolse opvang. Hierdoor zullen tijdens de gebruiksfase alleen indirecte NOX-emissies plaatsvinden. In dit geval omvatten deze verkeersbewegingen en koude starts van voertuigen.
3.2.1
Verkeersbewegingen Het gebruik van het voornemen zal leiden tot verkeersbewegingen van bewoners en bezoekers. Voor Amsteleind Noord zijn verkeersmodellen opgesteld die de verkeersinvloed van het beoogde initiatief omschrijven. Dit betreffen verwachte verkeerscijfers van de volledige gebruiksfase, en de autonome verkeerssituatie, in 2030. Worstcase zijn deze getallen aangehouden voor de modellering van het maatgevende jaar in 2029. De verkeersmodellen omschrijven de volledige gemeente Oss, wat stikstoftechnisch te groot is voor de scope van dit voornemen. Verkeer dient namelijk meegenomen te worden totdat dit opgegaan is in het heersende verkeersbeeld. Daar is sprake van zodra het gemodelleerde verkeer qua start- en stopgedrag niet meer te onderscheiden is van het al aanwezige verkeer. Daarnaast bedraagt de gemodelleerde verkeersintensiteit op het punt waar het opgaat in het heersende verkeersbeeld nog slechts enkele procenten van de al aanwezige verkeersintensiteit. Aan de hand van deze definitie zijn selectiecriteria opgesteld om te achterhalen welke wegvakken doorgerekend dienen te worden in dit onderzoek. Om opgenomen te zijn in dit onderzoek dient een wegvak te voldoen aan de volgende twee criteria: 1. 2.
Het wegverkeer in de beoogde situatie omschrijft een toename van verkeer van ten minste 5% ten opzichte van het wegverkeer in de referentiesituatie. Het wegverkeer in de beoogde situatie omschrijft een toename van verkeer van ten minste 50 motorvoertuigbewegingen van het wegverkeer in de referentiesituatie.
blad 9 van !Syntaxisfout, !
Stikstofdepositie-onderzoek Amsteleind Oss projectnummer 0470075.100 28 oktober 2025 revisie 01 Gemeente Oss
Potentiële afnames van verkeer zijn in dit onderzoek worstcase niet in beeld gebracht. Verder zijn extra wegvakken geselecteerd om een sluitend verkeersnetwerk te creëren. Het sluitende verkeersnetwerk is vervolgens naar AERIUS Calculator geëxporteerd om daar doorgerekend te worden. Zie de onderstaande figuur.
Figuur 3: Gemodelleerd verkeersnetwerk voor 'Amsteleind Noord'. Dit betreft de vorm van zowel de beoogde situatie als dat van de bijbehorende referentiesituatie (bron: AERIUS Calculator). Oranje wegen betreffen wegen met het wegtype ‘Buitenweg’, lichtpaarse wegen betreffen wegen met het wegtype ‘Binnen de bebouwde kom (doorstromend)’, en paarse wegen betreffen wegen met het wegtype ‘Binnen de bebouwde kom (normaal)’.
In figuur 3 zijn de wegen gemodelleerd als lijnbron, onder de sectorgroep ‘Verkeer’, en vervolgens onder de sector ‘Wegverkeer’.
3.2.2
Koude start Als een voertuig opstart, dan zijn de systemen welk actief NOX-emissies reduceren nog niet warm. Dit heeft als gevolg dat nog niet zoveel NOX-emissies vermeden worden zoals normaliter het geval zou zijn. Deze extra NO Xemissies bij opstart worden koude start emissies genoemd, en dienen gemodelleerd te worden in AERIUS Calculator.
blad 10 van !Syntaxisfout, !
Stikstofdepositie-onderzoek Amsteleind Oss projectnummer 0470075.100 28 oktober 2025 revisie 01 Gemeente Oss
Koude start emissies treden op als een voertuig in gebruik genomen wordt nadat de motor meer dan twee uur uitgestaan heeft. Op basis hiervan is het aannemelijk dat voertuigen van bewoners hier mee te maken zullen hebben. Daarnaast is het minder aannemelijk dat (middel)zwaar vervoer hiermee te maken zal hebben; afvalwagens en (grote) bestelbussen zullen immers over het algemeen niet 2 uur stilstaan op dezelfde plek binnen deze nieuwe wijk. Hierom wordt als uitgangspunt aangenomen dat 90% van alle lichte voertuigen ten gevolge van dit voornemen een koude start zullen veroorzaken, en dat (middel)zwaar verkeer geen koude start zal veroorzaken. Om te bepalen hoeveel voertuigen een koude start zullen veroorzaken, zijn de gemodelleerde lichte verkeersbewegingen van alle voedingslijnen in het plangebied bij elkaar opgeteld, en door twee gedeeld (bewonersverkeer veroorzaakt immers alleen een koude start bij vertrek, niet bij aankomst). Dit levert de onderstaande aantallen op voor de koude starts ten gevolge van de gebruiksfase. Tabel 1: Totaal aantal gemodelleerde koude starts voor licht verkeer Model Amsteleind Noord