CConstaterende datOss
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage_15_Passende_beoordeling_Amsteleind_definitief_inclusief_bijlagen__Antea_Group__28_oktober_2025_

Gemeenteraad 11 december 2025, gemeente OssBij agendapunt: Agenda gerelateerd21.606 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Amsteleind Passende beoordeling

projectnummer 0470075.100 28 oktober 2025

www.anteagroup.nl

Amsteleind Passende beoordeling projectnummer 0470075.100 28 oktober 2025

Opdrachtgever Gemeente Oss

Gecontroleerd B. van Dijck

datum 28 oktober 2025

beschrijving definitief

vrijgave Edwin Oude Weernink

Inhoudsopgave 1.

Inleiding

4

1.1 1.2 1.3

Aanleiding Aanleiding en doel Passende beoordeling Leeswijzer

4 5 6

2.

Toetsingskader Natura 2000-gebiedsbescherming

7

2.1 2.2 2.3

Europese Vogel- en Habitatrichtlijn Omgevingswet Rekenprogramma AERIUS Calculator

7 7 8

3.

Voornemen: Amsteleind

9

4.

Effectbepaling en -beoordeling (Voortoets)

14

4.1 4.2

Bepalen van de potentiële effecten die kunnen optreden Toets aan mogelijke verstoringsfactoren (voortoets)

14 14

5.

Stikstofdepositie-onderzoek

19

5.1 5.1.1 5.2

Gebruiks- en realisatiefase Uitgangspunten berekeningen Resultaten stikstofberekeningen

19 19 19

6.

Mitigatie

20

6.1 6.2 6.3 6.4 6.4.1 6.4.2 6.4.3 6.4.4 6.4.5 6.4.6 6.5

Aanpassing planontwikkeling Interne saldering Resultaten stikstofberekeningen inclusief interne saldering Toetsing additionaliteitsvereiste Kader Additionaliteit Rijntakken Additionaliteit Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek Additionaliteit Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen Additionaliteit Kampina & Oisterwijkse vennen Samenvattend en concluderend: toetsing additionaliteitsvereiste Cumulatie

20 20 20 21 21 23 23 27 28 30 30

7.

Conclusie

31

Bijlagen Bijlage 1: Dichtstbijgelegen Natura 2000-gebieden; ligging, Instandhoudingsdoelen en verstoringsfactoren Bijlage 2: Definitie storingsfactoren Bijlage 3: Stikstofdepositieonderzoek Amsteleind Oss (Antea Group, oktober 2025)

Amsteleind Passende beoordeling projectnummer 0470075.100 28 oktober 2025 definitief Gemeente Oss

1.

Inleiding

1.1

Aanleiding Voornemen: Amsteleind De gemeente Oss is voornemens een nieuwe uitbreidingslocatie voor woningbouw te ontwikkelen aan de westkant van de stad (zie figuur 1.1) in de vorm van de nieuwe wijk Amsteleind. De wijk Amsteleind moet ruimte bieden voor ongeveer 3.000 woningen en bijbehorende maatschappelijke en commerciële voorzieningen.

Figuur 1.1 Globale begrenzing van en deelgebieden in de ontwikkeling van Amsteleind (bron ondergrond: Ontwikkelvisie Amsteleind, gemeente Oss, 2025)

Omgevingsplanwijziging Amsteleind Noord en MER Amsteleind Amsteleind wordt gefaseerd ontwikkeld. Voor het eerste deel van deze ontwikkeling, Amsteleind Noord, stelt de gemeente een omgevingsplanwijziging op. In Amsteleind Noord zijn maximaal 1.000 woningen voorzien met bijbehorende voorzieningen. Onderdeel van de omgevingsplanwijziging Amsteleind Noord is de ontsluiting van deze wijk op het onderliggend wegennet (de Kleinussenstraat) en een benodigde aanpassing van de Heihoeksingel en twee van de rotondes op deze wegen. In later stadium (naar verwachting 2e helft 2025) is een omgevingsplanwijziging voorzien voor Amsteleind Zuid (1.600 woningen) en Kleinussen (400 woningen) en bijbehorende voorzieningen. Onderdeel van de omgevingsplanwijziging Amsteleind Zuid is de realisatie van een nieuwe ontsluitingsstructuur (de Parkway). Met de omgevingsplanwijzigingen geeft de gemeente een ruimtelijk-planologisch kader voor de ontwikkeling van Amsteleind. De omgevingsplanwijzigingen zijn globale plannen, het legt nog geen gedetailleerde stedenbouwkundige uitwerking vast. De gemeente doet dit bewust op ruimte te laten aan ontwikkelaars om met “goede plannen” te komen. In de omgevingsplanwijzigingen worden wel kaders en randvoorwaarden (spelregels) vastgelegd waarbinnen de ontwikkeling moet plaatsvinden.

Dit om ervoor te zorgen dat de plannen van ontwikkelaars voldoen aan de wettelijk eisen, de randvoorwaarden vanuit het provinciaal en gemeentelijk beleid en de gemeentelijke ambities en doelstellingen voor Amsteleind. In het kader van de omgevingsplanwijziging Amsteleind Noord, het eerste concrete ruimtelijke besluit voor Amsteleind, wordt een mer-procedure doorlopen. In het Milieueffectrapport (MER) zijn de effecten van zowel Amsteleind Noord als Amsteleind totaal in beeld gebracht. 4

Amsteleind Passende beoordeling projectnummer 0470075.100 28 oktober 2025 definitief Gemeente Oss

1.2

Aanleiding en doel Passende beoordeling Amsteleind in relatie tot Natura 2000-gebieden Amsteleind ligt niet in of direct nabij Natura 2000-gebieden (figuur 1.2). Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is Rijntakken op ongeveer 9 km ten noorden van Amsteleind. Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek ligt op ongeveer 14 kilometer afstand ten westen van het plangebied. Verder naar het westen ligt op meer dan 20 km afstand het Natura 2000-gebied Kampina & Oisterwijkse Vennen. Ten zuiden en ten oosten van het plangebied liggen de Natura 2000-gebieden op meer dan 30 km. Gezien de afstand kan voor de meeste mogelijke effecten op voorhand worden uitgesloten dat Amsteleind West een negatief effect heeft, bijvoorbeeld voor ruimtebeslag, versnippering, verdroging/vernatting, verstoring. Alleen verzuring/vermesting door toename van stikstof is mogelijk relevant.

9 km >30 km

14 km

>20 km

Figuur 1.2 Ligging plangebied (globaal omkaderd) t.o.v. omliggende Natura-2000 gebieden Bron: AERIUS Calculator, 2025.

De passende beoordeling is de wettelijke plantoets die hoort bij plannen waarvan significante gevolgen, zoals bijvoorbeeld door toename van stikstofdepositie, op voorhand niet uitgesloten kunnen worden.

5

Amsteleind Passende beoordeling projectnummer 0470075.100 28 oktober 2025 definitief Gemeente Oss

Plantoets Natura 2000-gebiedsbescherming Er mogen geen activiteiten toegestaan worden die nadelige gevolgen hebben voor Natura 2000-gebieden. Dit is vastgelegd in artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn (Hrl). “Voor elk plan of project dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van het gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor zo’n gebied, wordt een passende beoordeling gemaakt van de gevolgen voor het gebied, rekening houdend met de instandhoudingsdoelstellingen van dat gebied. Gelet op de conclusies van de beoordeling (…) geven de bevoegde nationale instanties slechts toestemming voor dat plan of project nadat zij de zekerheid hebben verkregen dat het de natuurlijke kenmerken van het betrokken gebied niet zal aantasten (…).” Dat is vastgelegd in de Omgevingswet.

Artikel 16.53c, eerste lid, van de Omgevingswet bepaalt het volgende: “Voor een plan of een project als bedoeld in artikel 6, derde lid, van de habitatrichtlijn maakt het bestuursorgaan dat het plan vaststelt, de aanvrager van de betrokken omgevingsvergunning, of het bevoegd gezag voor het projectbesluit een passende beoordeling als bedoeld in artikel 6, derde lid, van die richtlijn, van de gevolgen voor het Natura 2000-gebied.” Voor plannen bepaalt artikel 10.24 van het Bkl het volgende: “Een plan als bedoeld in artikel 6, derde lid, van de habitatrichtlijn wordt alleen vastgesteld, als uit de passende beoordeling, bedoeld in artikel 16.53c, eerste lid, van de wet, de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied niet zal aantasten.” Dit wordt hierna ook wel de plantoets genoemd. Op de bestemmingsplannen Heesch West is nog het recht van toepassing, zoals dat gold voor 1 januari 2024 (inwerkingtreding Omgevingswet).

De plantoets was toen neergelegd in de Wet natuurbescherming: Artikel 2.7, lid 1, van de Wet natuurbescherming bepaalt het volgende: “Een bestuursorgaan stelt een plan dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied, en dat afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, uitsluitend vast als is voldaan aan artikel 2.8.” Artikel 2.8, lid 3, van de Wet natuurbescherming luidt: “Het bestuursorgaan stelt het plan uitsluitend vast, en gedeputeerde staten verlenen voor het project, bedoeld in het eerste lid, uitsluitend een vergunning, als uit de passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan, onderscheidenlijk het project de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten.”

Een plan kan worden vastgesteld als uit de passende beoordeling blijkt dat de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied niet worden aangetast. Het doel van de passende beoordeling is: • Het in beeld brengen van de risico’s op significante gevolgen voor de instandhoudings-doelstellingen en daarmee voor de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-netwerk als gevolg van Amsteleind; • Beschrijven van mitigerende maatregelen die nodig zijn om significante gevolgen te voorkomen.

1.3

Leeswijzer Het rapport is als volgt opgebouwd: • Hoofdstuk 2 gaat in op het toetsingskader; • Hoofdstuk 3 beschrijft het te toetsen voornemen; • In hoofdstuk 4 en 5 worden mogelijke effecten onderzocht en beoordeeld, uitgaande van uitsluitend de beoogde ontwikkeling. Hierin is onderscheid gemaakt in een eerste algemene analyse (voortoets) in hoofdstuk 4 en specifiek het effect van stikstoftoename in hoofdstuk 5; • In hoofdstuk 6 worden eventueel benodigde oplossingsrichtingen, maatregelen en motivaties gegeven; • De conclusies van de passende beoordeling zijn weergegeven in hoofdstuk 7. Achtergrondinformatie is in bijlagen opgenomen.

6

Amsteleind Passende beoordeling projectnummer 0470075.100 28 oktober 2025 definitief Gemeente Oss

2.

Toetsingskader Natura 2000-gebiedsbescherming

2.1

Europese Vogel- en Habitatrichtlijn Twee Europese richtlijnen, de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn(92/43/EEG), voorzien in de bescherming van belangrijke Europese natuurwaarden. In dat kader zijn onder meer speciale gebieden aangewezen die beschermd moeten worden. Deze zogenaamde Vogel- en Habitatrichtlijngebieden vormen samen het Natura 2000-netwerk. De afzonderlijke gebieden worden ook wel Natura 2000-gebieden genoemd. Het hoofddoel van Natura 2000 is het stoppen van de achteruitgang en de waarborging van de biodiversiteit in Europa. De aangewezen habitattypes en habitats van soorten dienen in een gunstige staat van instandhouding te blijven of te worden hersteld. De lidstaten moeten maatregelen treffen om de kwaliteit van deze habitats en habitats van soorten niet te laten verslechteren en voorkomen dat er storende factoren optreden voor de soorten waarvoor de Natura 2000-gebieden zijn aangewezen.

2.2

Omgevingswet De Omgevingswet (Ow) is op 1 januari 2024 in werking getreden. De Omgevingswet beschermt: • De Natura 2000-gebieden die aangewezen zijn in het kader van het Europees natuurbeleid (Natura 2000gebiedsbescherming); • De planten- en diersoorten (onderdeel soortbescherming); • Bos en houtopstanden (onderdeel houtopstanden). Veel verantwoordelijkheden en bevoegdheden liggen bij de provincies. Er zijn hierop wel uitzonderingen waarvoor het ministerie van LVVN bevoegd gezag is in het kader van de vergunningverlening voor een project. Dit betreft niet de aanleg van een regionaal bedrijventerrein. Bescherming Natura 2000-gebieden De gebiedsbescherming is geregeld in de Wet natuurbescherming, het Besluit natuurbescherming en de Regeling Natuurbescherming (nu in de Omgevingswet, in samenhang met het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) en het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Hierin wordt de aanwijzing en bescherming van Natura 2000gebieden geregeld. Hiermee zijn de verplichtingen uit de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn, voor zover die betrekking hebben op gebiedsbescherming, geïmplementeerd in het Nederlands recht. Vanuit de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn zijn belangrijke bepalingen overgenomen. Eén van die bepalingen is het afwegingskader, incl. compenserende maatregelen, zoals dat in artikel 6 van de Habitatrichtlijn staat.

Het afwegingskader geeft aan op welke wijze besluitvorming plaats moet vinden voor plannen en projecten met mogelijke gevolgen voor beschermde natuurgebieden. De essentie van het beschermingsregime voor de Natura 2000-gebieden is dat de duurzame instandhouding van soorten en habitats binnen de Europese Unie wordt gewaarborgd. De begrenzing van de Natura 2000-gebieden en de instandhoudings-doelstellingen zijn vastgelegd in de (ontwerp-)aanwijzingsbesluiten voor de betreffende gebieden. Centraal in de aanwijzingsbesluiten staan de instandhoudingsdoelstellingen ten aanzien van leefgebieden en natuurlijke habitats en populaties van in het wild levende plant- en diersoorten waarvoor het betreffende gebied is aangewezen. De instandhoudingsdoelstellingen vormen de specifieke doelstellingen die in een gebied gelden en die de basis vormen voor een toetsing aan de kaders van de Natura 2000gebiedsbeschermng. Instandhoudingsdoelstellingen zijn gericht op het in gunstige staat van instandhouding brengen of houden van habitattypen en soorten. In de beheerplannen die voor elk Natura 2000-gebied worden opgesteld, wordt aangegeven hoe de beheerders deze doelen realiseren. Voor activiteiten of projecten die schadelijk kunnen zijn voor de beschermde natuur geldt een vergunningplicht.

Bij het toetsen aan de instandhoudingsdoelen dient rekening te worden houden met “externe werking”. Dat wil zeggen dat niet alleen moet worden gelet op activiteiten binnen een Natura 2000-gebied, maar ook op activiteiten die buiten de grenzen van het betreffende Natura 2000-gebied worden uitgevoerd en een mogelijk effect hebben op Natura 2000-gebieden. De Natura 2000-gebiedsbescherming kent twee separate toetsingen voor ontwikkelingen. Een projecttoets en een plantoets. Voorliggende passende beoordeling vormt een plantoets.

7

Amsteleind Passende beoordeling projectnummer 0470075.100 28 oktober 2025 definitief Gemeente Oss

Plantoets De Omgevingswet (art 5.16.53cOw en artikel 10.24 Bkl) regelt de bescherming van Natura 2000-gebieden ten aanzien van plannen die mogelijke effecten hebben op de natuurlijke kenmerken van de gebieden, gelet op de instandhoudingsdoelen die in de Natura 2000-gebieden van kracht zijn. Nu de bestemmingsplannen Heesch West voor 1 januari 2024 in ontwerp ter inzage hebben gelegen, is op deze plannen nog de Wet natuurbescherming van toepassing. Die wet bevat wat de plantoets betreft een vergelijkbare regeling in artikel 2.7 lid 1 en 2.8 Wet natuurbescherming. In het kader van de Natura 2000-gebiedsbescherming moet beoordeeld worden of het plant leidt tot een aantasting van de beschermde habitattypen en de habitats van soorten binnen de Natura 2000-gebieden.Omdat significante gevolgen als gevolg van het bestemmingsplan in dit geval (vanwege stikstof) niet op voorhand kunnen worden uitgesloten is de voorliggende passende beoordeling opgesteld. Het kader voor de toetsing wordt gevormd door de instandhoudings-doelen voor de habitats en soorten waarvoor de Natura 2000-gebieden zijn aangewezen.

Voortoets en Passende beoordeling Bij plannen in, of in de nabijheid (externe werking) van, een Natura 2000-gebied dienen de initiatiefnemers in een oriënterende fase (voortoets) te onderzoeken of het plan een significant negatief effect op de instandhoudingdoelstellingen van het betreffende Natura 2000-gebied kan hebben. Als na dit onderzoek niet kan worden uitgesloten dat de activiteit een significant negatief effect heeft, dient de initiatiefnemer meer gedetailleerd dan in de oriënterende fase in kaart te brengen wat de effecten van de activiteit kunnen zijn. Daarbij dienen ook, indien noodzakelijk, de mitigerende maatregelen te worden betrokken. Deze analyse heet een ´passende beoordeling´. Het bevoegd gezag toetst de passende beoordeling Wanneer uit de passende beoordeling alsnog de zekerheid wordt verkregen dat de activiteit niet leidt tot significant negatieve effecten, kan de activiteit doorgang vinden. Wanneer uit de passende beoordeling blijkt dat significante negatieve effecten niet kunnen worden uitgesloten, kan het project alleen doorgang vinden op grond van de “ADC-criteria”. Dit betekent: • A – alternatieve oplossingen voor het plan ontbreken; • D – er dwingende redenen van groot openbaar belang zijn, • C – de initiatiefnemer compenserende maatregelen vooraf en tijdig treft.

Omgevingswaarden stikstofdepositie In juli 2021 is de Wet stikstofreductie en natuurverbetering (Wsn) in werking getreden die wijzigingen heeft aangebracht aan de Omgevingswet en de Wet Natuurbescherming (die per 1 januari 2024 is opgegaan in de Omgevingswet). Deze Wet implementeert onder andere een wijziging van het Besluit Natuurbescherming, waarbij een (landelijke) doelstelling (omgevingswaarde) is opgenomen voor reductie van de stikstofdepositie in 2030. In Artikel 2.15a lid 1 Ow zijn de volgende omgevingswaarden stikstofdepositie opgenomen: “Het percentage van het areaal van de voor stikstof gevoelige habitats in Natura 2000-gebieden waarop de depositie van stikstof niet groter is dan de hoeveelheid in mol per hectare per jaar waarboven verslechtering van de kwaliteit van die habitats niet op voorhand is uit te sluiten, bedraagt: a.in 2025: ten minste 40%; b.in 2030: ten minste 50%; c.in 2035: ten minste 74%.” Om deze stikstofreductie te bereiken, is een programma “stikstofreductie en natuurverbetering” opgesteld. Dit programma moet leiden tot het verminderen van de depositie van stikstof op voor stikstof gevoelige habitats in Natura 2000-gebieden zodat voldaan wordt aan die omgevingswaarde.

2.3

Rekenprogramma AERIUS Calculator De stikstofdepositie op een Natura 2000-gebied kan berekend worden met behulp van het bij projecten verplicht te gebruiken rekenprogramma AERIUS Calculator (2025, d.d. 7 oktober 2025). Van elke te berekenen situatie wordt een model gemaakt met invoergegevens waarmee vervolgens de berekening wordt uitgevoerd. Het rekenprogramma AERIUS Calculator bepaalt zelf de rekenpunten op de Nederlandse Natura 2000-gebieden. De bijdrage aan de stikstofdepositie in de Natura 2000-gebieden wordt berekend ter plaatse van voor stikstofgevoelige habitats. Elk rekenpunt is gelegen in het midden van een hexagoon met een oppervlakte van 1 hectare. Het rekenpunt is representatief voor het gehele oppervlak van de betreffende hexagoon. In de berekeningsuitdraaien van AERIUS Calculator worden zowel alle invoergegevens als alle resultaten weergegeven.

8

Amsteleind Passende beoordeling projectnummer 0470075.100 28 oktober 2025 definitief Gemeente Oss

3.

Voornemen: Amsteleind Programma Amsteleind Wonen In Amsteleind worden 3.000 woningen gerealiseerd, waarvan 1.000 in Amsteleind Noord. Uitgegaan wordt van een mix van woningtypen; huur en koop, voor jong en oud, grondgebonden en gestapeld. Voorzieningen en bedrijven Amsteleind wordt een wijk waar het aangenaam wonen, verblijven én ondernemen is: een levendige wijk door verspreid over de wijk een mix van maatschappelijke en commerciële voorzieningen te realiseren en ruimte te bieden voor kleinschalige bedrijvigheid, passend bij de maat en schaal van Amsteleind. Wijkoverstijgende functies zoals een sportschool, bouwmarkt, kunnen in beperkte mate in de wijk een plek krijgen. Amsteleind krijgt voorzieningen met een verzorgende functie voor de inwoners uit deze wijk: basisonderwijs( in combinatie met kinderopvang en gymzaal (kindcentrum), eerstelijnszorgvoorzieningen (huisarts, tandarts, fysiotherapeut, apotheek, verloskundige)welzijn- en ontmoetingsfuncties (gemeenschapshuis, buurtcentrum en/of buurthuiskamer).Vooralsnog wordt uitgegaan twee gemeenschapshuizen (buurt-/wijkcentrum) en een buurthuiskamer. Er wordt gezocht naar een balans tussen enerzijds spreiding over de hele wijk en anderzijds clustering op buurtniveau.

Detailhandel en horeca De winkelvoorzieningen in Amsteleind hebben primair een functie voor de inwoners uit deze wijk: supermarkt(en) en enig aanvullend winkelaanbod, gericht op de dagelijkse aankopen, geclusterd in buurt- en wijkwinkelcentra. In Amsteleind is in de eindsituatie ruimte voor twee volwaardige supermarkten (à 1.200 tot 1.500 m2 winkelvloeroppervlak). Hierbij is voor de omvang en locatie ook rekening gehouden met de ligging en omvang van de bestaande winkelcentra in Ussen (De Wolfskooi) en Ruwaard (De Ruwert). Bij een levendige en leefbare woonwijk hoort ook de mogelijkheid tot het vestigen van horeca. Hierbij gaat het vooral om vormen van daghoreca, zoals een lunchroom, cafetaria, grand-café of ijssalon. Enige spreiding van horeca over de wijk draagt bij aan de aantrekkelijkheid van de buurten, maar gelet op mogelijke overlast is het niet gewenst overal in de woonbuurten horeca toe te staan. Kantoren en bedrijfsruimten Amsteleind wordt een levendige wijk, waar niet alleen gewoond wordt. In de plinten van de woongebouwen aan de buurtontsluitingswegen in Amsteleind-Zuid is ruimte voor kleinschalige bedrijfsruimten, kantoorfuncties en creatieve functies. Deze plinten zijn ook in beeld voor bijvoorbeeld commerciële dienstverlening, zorg- of (commerciële) sportfuncties.

Stedenbouwkundige en landschappelijke structuur Flexibel raamwerk Voor Amsteleind is een flexibel en duurzaam raamwerk opgesteld (figuur S.3, Ontwikkelvisie Amsteleind, gemeente Oss, 2024). Dit vormt een robuuste stedenbouwkundige en landschappelijke mal waarbinnen de verschillende buurten of deelgebieden op een logische wijze in het gebied verankerd moeten worden. Dit raamwerk moet veranderingen in de tijd op kunnen vangen om in te kunnen spelen op veranderende behoeftes en inzichten. Bestaande bebouwingslinten en historische verkavelingsstructuur als basis Het raamwerk is met name gebaseerd op de bestaande bebouwingslinten (Brandstraat, Amsteleindstraat, Oostenakkerstraat, Heihoekstraat en Kleinussenstraat) en op de historische verkavelingsstructuur in het gebied. De bestaande bebouwingslinten structureren het gebied en vormen verbindingen met zowel de bestaande stad als met het aangrenzende buitengebied. Het groene en blauwe raamwerk De woningbouw en voorzieningen worden ingebed in een robuust groene/blauwe structuur (zie figuur S.2). Het raamwerk geef invulling aan de beleidslijn “Bodem en water sturend” en borgt de landschappelijke, ecologische, hydrologische en bodemkundige kwaliteiten en aandachtspunten in het gebied.

9

Amsteleind Passende beoordeling projectnummer 0470075.100 28 oktober 2025 definitief Gemeente Oss

Figuur 2.2 Indicatie Stedenbouwkundig raamwerk Amsteleind. Amsteleind Noord is rood omlijnd, Amsteleind Zuid blauw, Kleinussen geel (bron: Ontwikkelvisie Amsteleind, Gemeente Oss, 2024)

De waterstructuur vormt een belangrijk onderdeel van het raamwerk. Er zijn twee aandachtspunten: • Hoog grondwater mag geen schade veroorzaken aan de gebouwen en infra: het raamwerk voorziet in het beperken van overlast en voorkomen van schade door hoge grondwaterstanden; • Grondwater moet zoveel mogelijk in de grond blijven en niet worden afgevoerd door nieuw aangelegd oppervlaktewater; • De functie van het huidige watersysteem moet intact blijven, zowel voor de afvoer als aanvoer (voor de landbouw).

10

Amsteleind Passende beoordeling projectnummer 0470075.100 28 oktober 2025 definitief Gemeente Oss

In Amsteleind worden waterpartijen en waterbergingszones aangelegd, blijven bestaande waterlopen bestaan waar het kan en worden nieuwe waterlopen aangelegd als het moet. Voor de opvang van regenwater worden groenvoorzieningen aangelegd. Water kan daar oppervlakkig naar toe stromen, ter plekke infiltreren of vertraagd worden afgevoerd (Figuur S2.3).

Figuur 2.3 Indicatie waterstructuur (bron: Ontwikkelvisie Amsteleind, Gemeente Oss, 2024)

Openbare ruimte De openbare ruimte in Amsteleind is bedoeld als ruimte om te spelen, te bewegen, te sporten en om elkaar te ontmoeten. Dit zorgt voor een levendigere openbare ruimte wat bijdraagt aan het gevoel van sociale veiligheid binnen de wijk, sociale cohesie en de fysieke en mentale gezondheid van mensen. In Amsteleind wordt gedacht aan een zogenaamd ‘kindlint’: een autovrije route in een groen-blauwe omgeving met speel- en beweegaanleidingen en ontmoetingsplekken. Het ‘kindlint’ legt een verbinding tussen de voorzieningen in Amsteleind, zoals scholen, een gezondheidscentrum, winkels en het buurthuis. In het kindlint worden kinderen, jongeren, ouders en ouderen geprikkeld tot ontspannen, ontmoeten, bewegen, sporten en spelen in een aantrekkelijke omgeving. Verkeersnetwerk en ontsluiting Figuur 2.4 geeft een schetsontwerp van de voorgenomen autostructuur en langzaamverkeernetwerk. In Amsteleind worden bewoners gestimuleerd zoveel mogelijk te fietsen en te wandelen in plaats van de auto te pakken. Streven is om de woongebieden zoveel mogelijk autoluw te maken en de geparkeerde auto minder dominant te laten zijn in de openbare ruimte. Voor de auto-ontsluiting wordt aangesloten bij de singelstructuur van Oss. De ten zuiden van het spoor gelegen Heihoeksingel is één van de belangrijke ontsluitingswegen binnen Oss.

Het zal – mede in het licht van de ontwikkeling van Amsteleind - noodzakelijk zijn om deze bestaande ontsluitingsweg aan te passen om doorstroming, oversteekbaarheid en veiligheid in de toekomst te kunnen garanderen. Daarbij zal er ook gekeken worden naar maatregelen om de hinder voor omwonenden te beperken. 11

Amsteleind Passende beoordeling projectnummer 0470075.100 28 oktober 2025 definitief Gemeente Oss

Voor de ontsluiting van het gebied ten noorden van het spoor wordt een nieuwe weg aangelegd op een nieuw tracé (Parkway). De bestaande van noord naar zuid lopende wegen (Huizenbeemdweg, Kleinussenstraat en Heihoekstraat) zijn niet geschikt voor nog grotere verkeersstromen. De aanwezige ruimte is te beperkt voor een goede, verkeersveilige ontsluiting van het gebied. De opwaardering tot gebiedsontsluitingsweg zou daardoor ten koste gaan van het kleinschalige karakter van het (oude) bebouwingslint langs de Heihoekstraat en ten koste van het landelijke, groene karakter van de Kleinussenstraat. De Heihoekstraat en Kleinussenstraat worden afgesloten voor doorgaand (auto) verkeer en daarmee autoluw. De nieuwe ontsluitingsweg wordt door middel van een tunnel onder het spoor verbonden met de Heihoeksingel. De weg buigt met een slinger af van de Heihoekstraat en krijgt vervolgens een centrale ligging binnen het nieuwe woongebied. Aan de noordzijde van het gebied buigt de weg terug naar het bestaande tracé om via de Huizenbeemdweg aan te sluiten op de Gewandeweg. De nieuwe ontsluitingsweg is voorzien als een weg met rijstroken die door een ruime middenberm van elkaar gescheiden worden met aan weerszijden vrij liggende fietspaden. Voldoende verblijfs- en leefkwaliteit en veilige oversteekmogelijkheden zijn integraal onderdeel van de ontwerpopgave voor deze nieuwe weg.

Het merendeel van de bestaande wegen in Amsteleind blijven toegankelijk voor bestemmingsverkeer, maar worden autoluw. De auto is hier te gast. Naast het autoluw maken van wegen worden er ook fietspaden aangelegd. Hierdoor moet een fijnmazig netwerk van langzaamverkeersroutes ontstaan binnen het nieuwe woongebied, waardoor het aantrekkelijk en voor de hand liggend wordt om (vaker) de fiets te pakken. Het fietsnetwerk in Amsteleind wordt aangesloten op de bestaande fietsstructuur van de stad. De belangrijkste fietsverbinding wordt de Amsteleindstraat om zo de verbinding naar het centrum van Oss en de stations te faciliteren. Op deze manier willen we het gebruik van de fiets en openbaar vervoer gestimuleerd. Tot slot moet het nieuwe woongebied ook worden dooraderd met voetpaden. Om makkelijk en snel ergens te voet heen te kunnen maar ook voor een blokje om of het uitlaten van de hond.

Figuur 2.4 Indicatie auto-ontsluiting (links) en langzaam verkeernetwerk (rechts) (bron: Ontwikkelvisie Amsteleind, Gemeente Oss, 2024)

12

Amsteleind Passende beoordeling projectnummer 0470075.100 28 oktober 2025 definitief Gemeente Oss

Duurzame ruimtelijke ontwikkeling Bij de realisatie van Amsteleind wordt invulling gegeven aan klimaatverandering, energietransitie, verbetering van biodiversiteit, milieukwaliteit van bodem, water en lucht en voor duurzaam, circulair materiaalgebruik. Amsteleind moet voldoen aan een GPR Gebied-score van gemiddeld 8,0. Voor klimaat en biodiversiteit is dat de Osse Maatlat, de lokale uitwerking van de landelijke Maatlat groene klimaatadaptieve gebouwde omgeving. Amsteleind wordt een natuurinclusieve gebiedsontwikkeling. Dat wil zeggen dat natuur ingepast en verweven wordt in de ontwikkeling van de nieuwe woonwijk. Dit bevordert de biodiversiteit en geeft een gezonde en duurzame leefomgeving. De visie op energiegebruik in Amsteleind komt neer op het met maatregelen voor het gebied, gebouwen, auto's en installaties zoveel mogelijk de energievraag te beperken (isolatie), door opwek van warmte en elektriciteit (zonnepanelen) zoveel als mogelijk in de eigen energievraag te voorzien en opslag van elektriciteit en warmte te hebben. Hierdoor is de wijk zo beperkt mogelijk afhankelijk van een netaansluiting. Dat gebeurt dus door zo veel mogelijk energie zelf op te wekken, ongebruikte energieopwek zoveel mogelijk op te slaan (in accu's, autoaccu's, bodem) en zelf opgewekte energie zoveel mogelijk zelf te gebruiken. Binnen Amsteleind is circulair bouwen een belangrijke doelstelling.

Streven is 30% circulaire bouw in Amsteleind en een zo laag mogelijke CO2-uitstoot. Om de uitstoot van CO2 te beperken wordt ingezet op biobased materialen: houtbouw, maar ook bijvoorbeeld hennep, bamboe of vlas. Ook wordt ingezet op hergebruikte materialen, bijvoorbeeld hergebruikte kozijnen, stalen balken of herbruik van beton. Om toekomstig hergebruik van materiaal mogelijk te maken, wordt in de bouw hiermee rekening gehouden en worden materialen opgenomen in een BIM-model (Building Informatie Model) en materialenpaspoort.

13

Amsteleind Passende beoordeling projectnummer 0470075.100 28 oktober 2025 definitief Gemeente Oss

4.

Effectbepaling en -beoordeling (Voortoets)

4.1

Bepalen van de potentiële effecten die kunnen optreden In de volgende paragraaf is voor Natura 2000-gebieden beschreven welke storingsfactoren relevant zijn voor de effectbepaling van Heesch West. In bijlage 2 zijn de definities van de verschillende storingsfactoren opgenomen. Storingsfactoren kunnen een direct effect hebben op gebieden met een belangrijke natuurwaarden en/of op soorten of leefgebieden van die soorten. Daarnaast kunnen indirect effecten ontstaan (bijvoorbeeld verandering van de milieucondities), waardoor de leefomstandigheden verslechteren. De effectenindicator1 van het Rijk (toepasbaar voor alle natuurwaarden) geeft aan welke storingsfactoren kunnen ontstaan als gevolg van de inrichting van een bedrijventerrein in combinatie met (mogelijke) verkeersaantrekkende werking. De volgende factoren worden aangegeven: • Oppervlakteverlies; • Versnippering; • Vermesting en verzuring via atmosferische depositie; • Verdroging; • Verontreiniging; • Verstoring door geluid, licht, trilling; • Optische verstoring; • Verstoring door mechanische effecten. Van overige storingsfactoren zijn effecten op voorhand uitgesloten. Het betreft hier factoren zoals verandering in populatiedynamiek, verzoeting/verzilting, verandering van stroomsnelheid etc. Deze factoren zijn niet aan de orde bij voorliggend voornemen en komen daarom niet meer aan bod bij onderstaande analyses.

4.2

Toets aan mogelijke verstoringsfactoren (voortoets) Onderstaand is per storingsfactor (volgens de volgorde zoals hierboven is opgesomd) uitgezocht of deze in relatie tot Amsteleind relevant voor Natura 2000 is. In bijlage 1 zijn de meest nabijgelegen Natura 2000gebieden beschreven en ook de instandhoudingsdoelen en de gevoeligheid daarvan voor diverse storingsfactoren. Oppervlakteverlies De ontwikkeling van Amsteleind vindt niet plaats in één van de Natura 2000-gebieden. De ingrepen leggen daarom geen beslag op oppervlak Natura 2000-gebied en daarmee ook niet op oppervlak beschermd habitat of een leefgebied van een typische soort voor dit habitattype. Het plangebied verliest de functie als potentieel foerageergebied voor vogelsoorten die binnen het Natura 2000-gebied Rijntakken verblijven én die een afhankelijkheidsrelatie kunnen hebben met het plangebied. Dit geldt dan voor vogels waarvoor de Rijntakken een broedfunctie (bv. kolonies) heeft, maar die ook foerageren op gronden die buiten het Natura 2000-gebied zijn gelegen. Bovendien kan er alleen sprake zijn van een afhankelijkheidsrelatie als de soort grotere afstanden aflegt om te foerageren. Van soorten die op geringe afstand van het Natura 2000-gebied foerageren, is een afhankelijkheidsrelatie uitgesloten gezien de ligging/afstand van het plangebied ten opzichte van het Natura 2000-gebied.

1

Via: Rijksoverheid.nl/Natura2000/effectenindicator; inmiddels offline gehaald, afbakening relevante storingsfactoren is nog valide.

14

Amsteleind Passende beoordeling projectnummer 0470075.100 28 oktober 2025 definitief Gemeente Oss

Voor (niet-)broedvogels waarvoor in het Natura 2000-gebied Rijntakken instandhoudingsdoelen gelden (respectievelijk tabel 4.1 en tabel 4.2), is nagegaan of deze soorten een relatie kunnen hebben met het plangebied. De onderbouwing van de foerageerafstand is gebaseerd op een overzicht van de maximale foerageerafstanden (in km) voor 97 Nederlandse Vogelrichtlijnsoorten in en buiten het broedseizoen (Roland van der Vliet, Wim Heijligers en Joost Tilborghs, 2011, Toets online 04 11). Indien een soort in dit onderzoek niet als gebiedsgebonden is beschouwd, dan is de maximale foerageerafstand op basis van literatuurbronnen – indien beschikbaar – bepaald. Tabel 4.4-1 Uiteenzetting relatie broedvogels Natura 2000-gebied Rijntakken met plangebied. Broedvogels Rijntakken Dodaars

Foerageerafstand Gebiedsgebonden

Mogelijk effect door bedrijventerrein?

Aalscholver

70 km in het broedseizoen (van Dam et al. 1995)

Roerdomp

0,4 km (van der Hut, 2001)

Neen, geen afhankelijkheidsrelatie. Neen, gebruiken open water om te foerageren, oppervlaktewater ligt buiten het plangebied, plangebied vormt geen barrière tussen oppervlaktewater en Natura 2000-gebied. Neen, geen afhankelijkheidsrelatie. (plangebied ligt te ver weg).

Woudaap

Gebiedsgebonden

Neen, komt niet voor in het plangebied.

Porseleinhoen

Gebiedsgebonden

Neen, komt niet voor in het plangebied.

Kwartelkoning

Gebiedsgebonden

Neen, komt niet voor in het plangebied.

Watersnip

Gebiedsgebonden

Neen, geen afhankelijkheidsrelatie.

Zwarte Stern

Onbekend

Neen, foerageergebied (oppervlaktewater) ligt buiten het plangebied

IJsvogel

Gebiedsgebonden

Neen, geen afhankelijkheidsrelatie.

Oeverzwaluw

6 km (Turner & Rose 1989)

Neen, geen afhankelijkheidsrelatie (plangebied ligt te ver weg).

Blauwborst

Gebiedsgebonden

Neen, niet foeragerend vanuit Natura 2000-gebied.

Grote Karekiet

Gebiedsgebonden

Neen, komt niet voor in het plangebied.

Tabel 4.4-2 Uiteenzetting relatie niet-broedvogels Natura 2000-gebied Rijntakken met plangebied. Niet-broedvogels Rijntakken Fuut

Foerageerafstand

Aalscholver

20 km buiten het broedseizoen (van der Hut et al. 2007) n.v.t.

Kleine Zwaan Wilde Zwaan

Gebiedsgebonden

Mogelijk effect door bedrijventerrein? Neen, geen afhankelijkheidsrelatie. Neen, gebruiken open water om te foerageren, oppervlaktewater ligt buiten het plangebied, plangebied vormt geen barrière tussen oppervlaktewater en Natura 2000-gebied. Neen, komt niet voor in omgeving plangebied

Toendrarietgans

10 km (Robinson et al. 2004) Onbekend 1)

Kolgans

30 km (Nolet et al. 2009)

Ja, geschikt foerageergebied

Grauwe Gans

30 km (Nolet et al. 2009)

Ja, geschikt foerageergebied

Brandgans

30 km (Nolet et al. 2009)

Ja, geschikt foerageerbied

Bergeend

3 km

Smient

11 km (Boudewijn et al. 2009)

Neen, geen afhankelijkheidsrelatie. Neen, plangebied ligt op de rand van het foerageerbereik voor het meest nabij gelegen deel van het Natura 2000-gebied en voor het grootste gedeelte van het Natura 2000-gebied te ver weg

Krakeend

Wilde eend

5 km (Guillemain et al. 2008) 9 km (Guillemain et al. 2008) 26 km (Davis 2007)

Pijlstaart

n.v.t.

Slobeend

1 km (van der Hut et al. 2007)

Tafeleend

Kuifeend

15 km (Boudewijn & Kuijpers 1985; Boudewijn 1989) 15 km (de Leeuw 1997)

Nonnetje

Onbekend

Neen, plangebied geen geschikt foerageergebied.

Meerkoet

Gebiedsgebonden

Neen, geen afhankelijkheidsrelatie.

Wintertaling

Neen, geen afhankelijkheidsrelatie, plangebied is te ver weg. Ja, geschikt foerageergebied

Neen, geen afhankelijkheidsrelatie, plangebied te ver weg Neen, plangebied ligt te ver. Bovendien is het plangebied geen geschikt foerageergebied. Volgens het Natura 2000-beheerplan geen duidelijke afhankelijkheidsrelatie met binnendijks agrarisch gebied. Neen, komt niet voor in het plangebied, bovendien geen geschikt foerageergebied in de omgeving. Neen, geen afhankelijkheidsrelatie, bovendien geen geschikt foerageergebied. Neen, geen geschikt foerageergebied. Neen, plangebied en omgeving is geen geschikt foerageergebied.

15

Amsteleind Passende beoordeling projectnummer 0470075.100 28 oktober 2025 definitief Gemeente Oss Niet-broedvogels Rijntakken Scholekster

Foerageerafstand

Goudplevier

15 km (van der Hut et al. 2007) 15 km (Gillings et al. 2005)

Kievit

Onbekend 1)

Kemphaan

n.v.t.

Grutto

Onbekend 1)

Wulp

20 km 2)

Tureluur 1)

2)

Mogelijk effect door bedrijventerrein? Volgens het Natura 2000-beheerplan geen duidelijke afhankelijkheidsrelatie met binnendijks agrarisch gebied. Neen, geen geschikt foerageergebied. Volgens het Natura 2000-beheerplan geen duidelijke afhankelijkheidsrelatie met binnendijks agrarisch gebied. Neen, komt niet voor in het plangebied. Volgens het Natura 2000-beheerplan geen duidelijke afhankelijkheidsrelatie met binnendijks agrarisch gebied. Neen (de wulp is als broedvogel aanwezig in het plangebied, dus geen afhankelijkheidsrelatie omdat het Natura 2000-gebied is aangewezen voor de wulp als niet-broedvogels.

2 km (van der Hut et al. Neen, geen afhankelijkheidsrelatie. 2007) De wetenschappelijke onderbouwing van de foerageerafstand van de toendrarietgans, kievit en grutto is niet te geven. In het bovengenoemd artikel is aangegeven dat voor deze soorten geen data over foerageerafstanden voorhanden zijn. Daarom is er in de verslechteringstoets “worst case” vanuit gegaan dat de foerageerafstand voldoende groot is en het projectgebied tot het foerageergebied kan behoren, als in het beheerplan is aangegeven dat een ecologisch relatie met binnendijkse gebieden niet te verwachten is. Het genoemde artikel gaat uit van 15 km (van der Hut et al, 2007). Echter, in andere onderzoeken is een afstand tussen foerageergebieden van wulpen en slaapplaatsen van 20 km aangehouden (Gerritsen & Van Brederode 1981 in Bureau Waardenburg, 2016).

Conclusie uit tabel 4.1 is dat er geen sprake is van enige afhankelijkheidsrelatie tussen het plangebied en het Natura 2000-gebied Rijntakken voor wat betreft de broedvogels waarvoor het Natura 2000-gebied is aangewezen. Dit geldt ook voor de meest niet-broedvogels (zie tabel 4.2). Een negatief effect op de broed- en de meeste niet-broedvogels (Fuut, Aalscholver, Kleine Zwaan, Wilde Zwaan, Bergeend, Smient, Krakeend, Wintertaling, Wilde eend, Pijlstaart, Slobeend, Tafeleend, Kuifeend, Nonnetje, Meerkoet, Scholekster, Goudplevier, Kievit, Kemphaan, Grutto, Wulp en Tureluur) is uit te sluiten. Uit tabel 4.2 blijkt dat er voor enkele vogelsoorten (toendrarietgans, kolgans, grauwe gans en brandgans) sprake is van een mogelijke afhankelijkheidsrelatie tussen het plangebied en het Natura 2000-gebied Rijntakken voor wat betreft de niet-broedvogels waarvoor het Natura 2000-gebied is aangewezen. Het ruimtebeslag is echter zeer beperkt ten opzichte van het totaal beschikbare oppervlak foerageergebied in de omgeving van het Natura 2000-gebied Rijntakken. Dit zal dan ook niet leiden tot een wezenlijke afname van de hoeveelheid beschikbaar foerageergebied en de populatieomvang van de ganzen in het Natura 2000-gebied Rijntakken.

Bovendien is voor de ganzen in het Natura 2000-beheerplan aangegeven dat de gestelde doelstellingen in de periode 20072013 voor de ganzensoorten (ruimschoots) gehaald zijn. Ten aanzien van de grasetende soorten (ganzen en smient) is in het definitieve beheerplan aangegeven dat ten tijde van de vaststelling van het beheerplan voldoende gras beschikbaar is binnen Rijntakken (SOVON, 2016 in Provincie Gelderland, 2018b). Negatieve effecten op deze ganzensoorten waarvoor het Natura 2000-gebied Rijntakken is aangewezen, is daarmee op voorhand met zekerheid uit te sluiten. De typische vogel- en zoogdiersoorten die mede de kwaliteit van de habitattypen in de Natura 2000-gebied Rijntakken en Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek zijn voor hun leefgebied niet afhankelijk van het plangebied. Negatieve effecten door ruimtebeslag op soorten en daarmee op de kwaliteit van de habitattypen waarvoor de Natura 2000-gebieden zijn aangewezen, is daarmee op voorhand met zekerheid uit te sluiten. De Habitatrichtlijnsoorten waarvoor het Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek is aangewezen, zijn gebiedsgebonden. Er is voor deze soorten geen ecologische relatie tussen het plangebied en het Natura 2000gebied. Dit geldt ook voor de meest Habitatrichtlijnsoorten waarvoor het Natura 2000-gebied Rijntakken is aangewezen.

De meervleermuis – ook een habitatrichtlijnsoort waarvoor het Natura 2000-gebied Rijntakken is aangewezen - heeft een groot leefgebied. Deze soort kan 10 tot 20 km van de verblijfplaats foerageren. Bovendien is de meervleermuis een middellange- tot lange afstandstrekker, waarbij verplaatsingen van 200 à 300 km tussen zomer- en winterverblijf bekend zijn. Echter, het plangebied vormt geen geschikt jachtgebied voor deze soort. Goede jachtgebieden voor de soort zijn niet vervuilde, wel voedselrijke, maar niet vermeste grotere open wateren (Bron: profieldocument habitatrichtlijnsoort meervleermuis, 2008). Het gebied betreft ook geen geschikte trekroute. Het merendeel van de migratiewaarnemingen worden gedaan langs grotere 16

Amsteleind Passende beoordeling projectnummer 0470075.100 28 oktober 2025 definitief Gemeente Oss

waterwegen. Meervleermuizen volgen voornamelijk de grote rivieren (Haarsma, 2011). De meervleermuis is ook niet waargenomen in het vleermuizenonderzoek. Daaruit wordt geconcludeerd dat het plangebied geen functie heeft voor de populatie meervleermuizen. Voor de meervleermuis kunnen daarom negatieve effecten op het instandhoudingsdoel op voorhand uitgesloten worden. Versnippering In de Natura 2000-gebieden vinden geen ingrepen plaats die een versnipperende werking hebben op de Natura 2000-gebieden. Negatieve effecten door versnippering zijn uit te sluiten. Vermesting en verzuring via atmosferische depositie (stikstofdepositie) Aan de bronzijde kan stikstofemissie uit het verkeer van en naar Amsteleind tot een potentieel verzurend en vermestend effect in natuurgebieden leiden; aan de zijde van de natuurgebieden is het vooral de aanwezigheid van voor stikstof gevoelige habitattypen en eventueel soorten die bepalen of een natuurgebied gevoelig is voor stikstofdepositie. Amsteleind ligt op grote afstand van Natura 2000-gebieden. Amsteleind wordt aardgasvrij en zal energieneutraal zijn. Daarnaast verdwijnt het huidige agrarische gebruik (stallen/beweiden en bemesten) in het plangebied.

Omdat een planontwikkeling met een omvang als dat van Amsteleind nog tot op een grote afstand voor stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden kan zorgen, kunnen negatieve gevolgen voor het behalen van de instandhoudings-doelstellingen van deze Natura 2000-gebieden als gevolg van een eventuele toename aan stikstofdepositie op voorhand niet worden uitgesloten. Een nader onderzoek (stikstofberekeningen) is daarom benodigd (zie verder). Verdroging Er kan als gevolg van de aanleg van Amsteleind een verandering in de hydrologische situatie ontstaan (door bijv. verdiepte aanleg funderingen of toename aan verharding). Verdroging ontstaat door lagere grondwaterstanden en/of afnemende kwel waardoor de actuele grondwaterstand lager is dan gewenst of benodigd voor het instandhouden van habitattypen of leefgebied van soorten. De ontwikkelingsmogelijkheden in het kader van het bestemmingsplan bevinden zich op grotere afstand van de Natura 2000-gebieden. Gezien deze afstand leidt het bestemmingsplan niet tot een toename van verdroging. Deze storingsfactor is daarom niet relevant bij de beoordeling van effecten op de instandhoudingsdoelstellingen. Negatieve effecten op de instandhoudingsdoelen door verdroging kunnen uitgesloten worden.

Verontreiniging Verontreiniging treedt op als er verhoogde concentraties van stoffen in een gebied voorkomen, die onder natuurlijke omstandigheden niet of in zeer lage concentraties aanwezig zijn. Alle instandhoudingsdoelen zijn gevoelig voor verontreiniging. Zowel de aanleg als het gebruik van het bedrijventerrein leidt niet tot een verontreiniging in Natura 2000-gebieden. Nieuwe ontwikkelingen moeten aan alle milieuhygiënische regels voldoen waardoor verontreiniging van Natura 2000-gebieden uit te sluiten is. Verstoring door geluid, licht, trillingen De voornaamste geluidbron in en nabij het plangebied is de A59. Tijdens de aanleg van Amsteleind kan door verschillende bronnen licht- en geluidhinder ontstaan. Het (vracht)verkeer en het bouwterrein zelf zullen gebruik maken van verlichting en geluid produceren. In de gebruiksfase leidt Amsteleind tot een toename van licht en geluid door verkeer. Gezien de effectafstanden voor geluid en licht maximaal enkele honderden meters bedragen en de afstand ten opzichte van de Natura 2000-gebieden veel groter is, draagt het plan niet bij aan het geluid- of lichtniveau in het Natura 2000-gebied. Negatieve effecten door geluid- en lichtverstoring zijn uit te sluiten.

De typische vogel- en zoogdiersoorten die mede de kwaliteit van de habitattypen in de Natura 2000-gebied Rijntakken en Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek zijn voor hun leefgebied niet afhankelijk van het plangebied. Negatieve effecten door verstoring ter plekke van het plangebied op typische soorten en daarmee op de kwaliteit van de habitattypen waarvoor de Natura 2000-gebieden zijn aangewezen, is daarmee op voorhand met zekerheid uit te sluiten. Er is sprake van verstoring door trillingen in bodem en water in het Natura 2000-gebied als dergelijke trillingen door menselijke activiteiten worden veroorzaakt, zoals bij boren, heien, etc. Tijdens de aanleg van het bedrijventerrein kunnen door verschillende bronnen trillingen ontstaan. Het heien van de fundering en het bouwverkeer kunnen trillingen veroorzaken. Gezien de tijdelijkheid van de werkzaamheden is de verstoring 17

Amsteleind Passende beoordeling projectnummer 0470075.100 28 oktober 2025 definitief Gemeente Oss

door trillingen als gevolg van de aanlegfase beperkt. In de gebruiksfase kan vrachtverkeer trillingen veroorzaken, met name op oneffen wegdekken, overgangen in het wegdek en bij optrekken en afremmen. Vrachtverkeer komt met name voor op de A59. Gezien de afstand tot de Natura 2000-gebieden en het tijdelijke aspect van de aanlegfase zijn effecten op Natura 2000-gebieden door trillingen uitgesloten. Optische verstoring Optische verstoring betreft verstoring door de aanwezigheid en/of beweging van mensen dan wel voorwerpen die niet thuishoren in het natuurlijke systeem. De werkzaamheden in het plangebied en de mensen en aanwezige bebouwing in het plangebied tijdens de gebruiksfase leiden niet tot een optische verstoring, gezien de grote afstand, zodat een verstorend effect op Natura 2000-gebieden uit te sluiten is. De typische vogel- en zoogdiersoorten die mede de kwaliteit van de habitattypen in de Natura 2000-gebied Rijntakken en Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek zijn voor hun leefgebied niet afhankelijk van het plangebied. Negatieve effecten door optische verstoring op typische soorten en daarmee op de kwaliteit van de habitattypen waarvoor de Natura 2000-gebieden zijn aangewezen, is daarmee op voorhand met zekerheid uit te sluiten.

Verstoring door mechanische effecten Onder mechanische effecten vallen verstoring door betreding, golfslag, luchtwervelingen en dergelijke, die optreden ten gevolge van menselijke activiteit. Om dit soort effecten te krijgen moeten activiteiten in de Natura 2000-gebieden plaatsvinden. Dat is bij dit plan niet het geval. Het bestemmingsplan biedt nieuwe werkmogelijkheden. Dit leidt niet tot een toename van bezoekers (recreanten) aan de Natura 2000-gebieden. Negatieve effecten als gevolg van mechanische verstoring zijn daarom uit te sluiten. Conclusie Andere negatieve effecten dan stikstofdepositie op de meest nabijgelegen Natura 2000-gebieden ‘Rijntakken’ en ‘Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek’ zijn uit te sluiten. Daarmee zijn deze negatieve effecten ook op de verder weg gelegen Natura 2000-gebieden uit te sluiten. In tabel 4.3 is inzichtelijk gemaakt dat alleen stikstofdepositie relevant is voor nader onderzoek. Voor de overige aspecten is het planeffect te verwaarlozen en daarmee is een cumulatie-onderzoek niet aan de orde. Dan leidt cumulatieonderzoek tot het opsommen van effecten van andere projecten waar niets aan toegevoegd wordt. Effecten zijn op voorhand uit te sluiten waardoor ‘Natura 2000’ niet nader toegelicht wordt in de effectbeoordeling.

Ten aanzien van negatieve effecten als het gevolg van eventuele toename door stikstofdepositie wordt ingegaan in hoofdstuk 5 en 6. Tabel 4.4-3 Selectie relevante storingsfactoren Natura 2000. Potentiële storingsfactor Relevant Potentiële storingsfactor  Oppervlakteverlies Verdroging  Versnippering Verstoring geluid, licht en trillingen ✓ Verzuring en verzuring via de lucht (stikstofdepositie) Optische verstoring  Verontreiniging Verstoring door mechanische effecten ✓ = relevant, omdat significant negatief effect niet met zekerheid bij voorbaat uit te sluiten is  = niet-relevant, significant effect is met zekerheid bij voorbaat uit te sluiten

18

Relevant    

Amsteleind Passende beoordeling projectnummer 0470075.100 28 oktober 2025 definitief Gemeente Oss

5.

Stikstofdepositie-onderzoek

5.1

Gebruiks- en realisatiefase De beoogde gebiedsontwikkeling (met name woningbouw en bijbehorende voorzieningen) leidt na aanleg tot nieuwe emissies van de voor stikstofdepositie relevante stoffen stikstofoxiden (NO x) en ammoniak (NH3) en een daarmee samenhangende toename van stikstofdepositie. Dit met name door verkeer. De ontwikkeling van Amsteleind leidt tot extra verkeersbewegingen van en naar het gebied. Ook worden ten behoeve van Amsteleind een aantal infrastructurele en verkeerskundige maatregelen genomen, die leiden tot een verandering in verkeersstromen, niet alleen voor verkeer van en naar Amsteleind, maar mogelijk ook in de overige lokale verkeersstromen. De verandering van verkeersintensiteiten op de wegen rondom het plangebied zijn bepaald met behulp van het verkeersmodel van de gemeente Oss (VMO-2022) dat gebaseerd is op het provinciale verkeersmodel BBMA. Ook tijdens de realisatiefase van Amsteleind is sprake van uitstoot van voor stikstofdepositie relevante stoffen. Dit komt door bouwmaterieel (bv graafmachines), verkeersbewegingen van de bouwvakkers en door de aan- en afvoer van materieel en materiaal. Op dit moment is nog niet exact bekend hoeveel inzet van materieel benodigd is en hoeveel verkeersbewegingen de aan- en afvoer geeft. Ook is de fasering van de aanleg van Amsteleind nog niet exact uitgewerkt, zodat start en duur nog niet bekend zijn.

Om het worst-case effect te kunnen berekenen is onderzocht welk jaar de grootste uitstoot van stikstof geeft rekening houdend met de aanlegwerkzaamheden, het al deels in gebruik zijn van Amsteleind en de autonome daling van de stikstofachtergrondconcentratie. Het maatgevende jaar is het jaar voorafgaand aan oplevering, dus 2029 voor Amsteleind Noord en 2039 voor Amsteleind totaal, in beide gevallen de jaren waar er nog stikstofuitstoot door aanlegwerkzaamheden is, maar ook al van het grootste deel van Amsteleind Noord en Amsteleind totaal.

5.1.1

Uitgangspunten berekeningen De stikstofberekeningen zijn uitgevoerd met de meest recente versie van het rekenprogramma AERIUS Calculator (versie 2025, d.d. 7 oktober 2025). In bijgevoegd rapport “Stikstofdepositieonderzoek Amsteleind Oss” zijn de uitgangspunten voor de stikstofberekeningen beschreven.

5.2

Resultaten stikstofberekeningen Onderstaande tabel 5.1 geeft de berekende toenames van stikstofdepositie op de omliggende Natura2000gebieden voor respectievelijk Amsteleind Noord en Amsteleind totaal. Tabel 5.1 Berekende toenames van stikstofdepositie op de omliggende Natura2000-gebieden Natura2000-gebied

Maximale berekende toename (mol N /ha/jr) Amsteleind totaal (rekenjaar 2039)

Maximale berekende toename (mol N /ha/jr) Amsteleind Noord (rekenjaar 2029)

Rijntakken

0,10

0,11

Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek

0,08

0,09

Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen

0,05

0,07

Kampina &Oisterwijkse Vennen

0,03

0,05

Kolland en Overlangbroek

0,01

0,01

Veluwe

0,01

NB Het klopt dat Amsteleind totaal tot een (iets) kleinere stikstoftoename leidt dan Amstel Noord ondanks dat het aantal woningen en daarmee verkeersbewegingen (veel) groter is. De reden hiervoor is het autonoom schoner worden van auto’s.

19

Amsteleind Passende beoordeling projectnummer 0470075.100 28 oktober 2025 definitief Gemeente Oss

6.

Mitigatie Omdat significante gevolgen voor Natura 2000-gebieden niet op voorhand kunnen worden uitgesloten is gekeken naar mogelijke (mitigerende) maatregelen ter reductie van stikstofemissie.

6.1

Aanpassing planontwikkeling In de voorgenomen ontwikkeling zitten al een aantal maatregelen om stikstofuitstoot te beperken: • De woningen in Amsteleind worden aardgasvrij aangelegd; • Amsteleind wordt aangelegd volgens het STOMP-principe, waarin maximaal wordt ingezet op gebruik van de fiets en het wandelen om daarmee het autogebruik te beperken. Dit is overigens nog niet meegenomen in de verkeersberekeningen om onderschatting van effecten te voorkomen. • Inzet van elektrisch materieel in de aanlegfase. Ook daar is nu nog beperkt tot geen rekening mee gehouden in de berekeningen. De verwachting is daarmee dat het uiteindelijke werkelijke stikstofeffect van Amsteleind kleiner zal zijn dan de nu worst-case berekende.

6.2

Interne saldering Ten behoeve van de realisatie van Amsteleind zijn twee veehouderijen met bijbehorende graslanden in het plangebied aangekocht: Amsteleindstraat 29 (in plangebied Amsteleind Noord) en Amsteleind 132 (in plangebied Amsteleind Zuid). Als gevolg van de planontwikkeling verdwijnen de agrarische bedrijven en worden de agrarische activiteiten in het plangebied beëindigd. De vergunde rechten van deze bedrijven zijn en worden ten behoeve van de ontwikkeling ingetrokken. Daarmee verdwijnen de stalemissies vanuit deze veehouderijen die zorgen voor stikstofdepositie. Deze verdwijnende stalemissies kunnen worden gebruikt om het stikstofeffect van Amsteleind te salderen. Ten tijde van de aankoop waren alle bedrijven volledig in gebruik, ze zijn momenteel ook nog in gebruik. De bedrijven over een milieu-toestemming voor de relevante referentiedata die gelden voor de Natura 2000-gebieden. In bijgevoegd rapport “Stikstofdepositieonderzoek Amsteleind Oss” is beschreven van welke stikstofruimte uit is gegaan voor saldering.

6.3

Resultaten stikstofberekeningen inclusief interne saldering Onderstaande tabel 6.1 geeft de berekende toenames van stikstofdepositie op de omliggende Natura2000gebieden voor respectievelijk Amsteleind Noord en Amsteleind totaal. Met interne saldering leidt zowel Amsteleind Noord als Amsteleind totaal zowel in de realisatiefase als gebruiksfase niet tot een toename van stikstofdepositie. Tabel 6.1 Berekende toenames van stikstofdepositie op de omliggende Natura2000-gebieden inclusief interne saldering Natura2000-gebied

Maximale berekende toename (mol N /ha/jr) Amsteleind totaal (rekenjaar 2039)

Maximale berekende toename (mol N /ha/jr) Amsteleind Noord (rekenjaar 2029)

Rijntakken

0,00

0,00

Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek

0,00

0,00

Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen

0,00

0,00

Kampina &Oisterwijkse Vennen

0,00

0,00

Kolland en Overlangbroek

0,00

0,00

Veluwe

0,01

20

Amsteleind Passende beoordeling projectnummer 0470075.100 28 oktober 2025 definitief Gemeente Oss

Interne saldering leidt juist tot een afname van stikstofdepositie op omliggende Natura2000-gebieden. Onderstaande tabel 6.2 geeft de berekende afnames van stikstofdepositie op de omliggende Natura2000gebieden voor respectievelijk Amsteleind Noord en Amsteleind totaal inclusief interne saldering. Tabel 6.2 Berekende afnames van stikstofdepositie op de omliggende Natura2000-gebieden inclusief interne saldering Natura2000-gebied

Maximale berekende toename (mol N /ha/jr) Amsteleind totaal (rekenjaar 2039)

Maximale berekende toename (mol N /ha/jr) Amsteleind Noord (rekenjaar 2029)

Rijntakken

-0,76

-0,35

Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek

- 0,91

-0,40

Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen

-0,40

-0,18

Kampina & Oisterwijkse Vennen

-0,30

-0,13

6.4

Toetsing additionaliteitsvereiste

6.4.1

Kader Op 18 december 2024 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak uitspraak gedaan in twee zaken over de wet natuurbeschermingsvergunning, waarin zij heeft gesteld dat: • Interne saldering gezien moet worden als mitigerende maatregel, die in een passende beoordeling moet worden afgewogen. • Er bij de afweging getoetst moet worden aan het additionaliteitsvereiste: Een plan of project mag in beginsel een mitigerende maatregel alleen inzetten als deze (bron)maatregel niet nodig is voor het bereiken van de natuurdoelen van Natura 2000-gebieden. De uitspraak van 18 december 2024 ziet op natuurvergunningen en niet op plannen, zoals de omgevingsplanwijziging Amsteleind Noord. Er is tot op heden geen uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak die de vereisten ook legt op plannen. Vanuit zorgvuldigheid is voor Amsteleind interne saldering in deze passende beoordeling beschouwd en is onderstaand getoetst aan de additionaliteitsvereiste. In de Passende beoordeling moet de additionaliteit van mitigerende (i.c. de interne saldering) maatregelen aangetoond worden.

Voor de motivering van additionaliteit zijn de instandhoudingsdoelstellingen en de staat van de natuur relevant: • is verslechtering gaande (behoud niet geborgd) in Natura 2000-gebieden, dan mag de beoogde mitigerende maatregel niet nodig zijn voor het behoud van de staat van instandhouding of het voorkomen van significante verslechteringen en verstoringen. • is geen verslechtering gaande (behoud geborgd), maar wel herstel en/of verbetering nodig in Natura 2000-gebieden, dan moet verzekerd zijn dat het realiseren van de herstel- en verbeterdoelstelling mogelijk blijft, ondanks de beoogde mitigerende maatregel. De door Amsteleind beïnvloede Natura 2000-gebieden zonder interne saldering zijn: • Rijntakken • Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek • Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen • Kampina & Oisterwijkse vennen 21

Amsteleind Passende beoordeling projectnummer 0470075.100 28 oktober 2025 definitief Gemeente Oss

De mitigerende maatregelen (interne saldering) zijn bedoeld om de berekende toename van stikstofdepositie op de habitattypen waarvoor anders aantasting van de natuurlijke kenmerken niet met zekerheid zijn uitgesloten, weg te nemen of te verminderen. Uit tabel 6.1 en 6.2 blijkt dat de mitigerende maatregelen in dit plan in verschillende Natura 2000-gebieden, tot een grotere afname leiden dan de planbijdrage van Amsteleind. Er is geen sprake van een toename op enig Natura 2000-gebied. Om rekening te mogen houden met mitigerende maatregelen (interne saldering) ook als zodanig worden beschouwd) moet in bepaalde situaties per Natura 2000-gebied getoetst worden aan het additionaliteitsvereiste. Dit toetsing is nodig in het geval – zo volgt uit vaste rechtspraak - als de mitigerende maatregel een maatregel betreft die naar zijn aard ook geschikt is om ingezet te worden als instandhoudings- of passende maatregel in de zin van artikel 6 lid 1 en lid 2 Habitatrichtlijn (hierna: ‘Hrl’).

Gelet op dit potentieel dubbele karakter oordeelt de Afdeling dat een dergelijke maatregel alleen als mitigerende maatregel in een passende beoordeling voor verlening van een natuurvergunning mag worden betrokken als, gelet op de staat van instandhouding en de instandhoudingsdoelstellingen, het behoud van natuurwaarden is geborgd of in geval een verbeter- of hersteldoelstelling geldt, dat doel ook op andere wijze kan worden gerealiseerd. Kortom: het moet gaan om aanvullende maatregelen. De maatregel moet additioneel zijn. De voorvraag is dus of de betreffende salderingsmaatregel naar zijn aard geschikt is om ingezet te worden als instandhoudings- of passende maatregel. In dit geval is relevant dat de onderscheiden agrarische bedrijven allen op ruime afstand >9 km van de Natura 2000-gebieden zijn gelegen. De agrarische bedrijven zouden ook niet in aanmerking kunnen komen om bijvoorbeeld een beroep te doen op de landelijke beëindigingsregelingen zoals de LBV of de LBV(plus). Juist ook omdat de depositie van deze afzonderlijke bedrijven op de Natura 2000gebieden zeer gering is. Gelet op de aard van de salderingsmaatregel, de kosten en de zeer geringe stikstofwinst is duidelijk dat de betreffende agrarische bedrijven die als salderingsmaatregel zijn betrokken in deze passende beoordeling, nimmer als instandhoudings- of passende maatregel zouden worden beëindigd.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Oss&id=4d9749cf-db17-4ec1-a905-c5c1f6317590