Bijlage 10 bij toelichting - ruimtelijke onderbouwing Pastoor van Weerdstraat 16 in Teeffelen.PDF
Tekst van het document
Zonering van industrielawaai in het kader van de Wet geluidhinder is het ruimtelijk scheiden van industrieterreinen waarop (grote) lawaaimakers zijn gevestigd enerzijds en woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen anderzijds. Ook in Oss is er een aantal gezoneerde industrieterreinen. Met zonering wordt beoogd rechtszekerheid te bieden aan zowel bedrijven als aan bewoners/gebruikers van woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen. Bedrijven kunnen aan de ene kant hun geluidsproducerende activiteiten niet onbeperkt uitbreiden ter bescherming van woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen binnen en buiten de zone. Aan de andere kant wordt, ter bescherming van hun akoestische ruimte, voorkomen dat woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen te veel oprukken naar de bedrijven toe. Conclusie: De huidige en beoogde bedrijfsvoering betreft een bedrijf. Sprake is van een bestaande activiteit binnen de projectlocatie. In de beoogde situatie vindt legalisering van de erfverharding en betonnen wand plaats, welke al geruime tijd aanwezig is. Om overlast naar de woning Beatrixweg 6 te Teeffelen te voorkomen is in het principebesluit als voorwaarde opgenomen dat een gedeelte van de betonnen wand en erfverharding komt te vervallen zodat een grotere ruimtelijke scheiding ontstaat.
Pastoor van Weerdtstraat 16 Teeffelen , pag. 47 van 64
Conform de handreiking ‘Bedrijven en milieuzonering’ (zie paragraaf 5.1.1) geldt voor onderhavig initiatief een richtstand voor geluid van 50 meter. Deze richtafstand hoort bij het gebiedstype rustig buitengebied. Gezien de ligging van de projectlocatie is hier sprake van. Binnen deze richtafstand zijn woningen gelegen. Op basis van het stappenplan uit bijlage 5.3 van de VNG-publicatie moet door middel van een akoestisch onderzoek worden aangetoond, dat ter hoogte van de omliggende woningen sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Omdat niet aan de richtafstanden voldaan wordt, is er niet automatisch sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. De bestemmingsgrens bij de woning Pastoor van Weerdtstraat 14 te Teeffelen blijft onveranderd. Het plan voldoet zowel in de vigerende als in de gewenste situatie niet aan de genoemde richtafstanden. Ten opzichte van deze woning vinden er geen wijzigingen plaats. Een andere woning van derden (Beatrixweg 6 te Lithoijen) bevindt zich op een afstand van ca. 50 meter van de gebouwen en voorzieningen ten behoeve van het bedrijf op het perceel Pastoor van Weerdtstraat 16 te Teeffelen. De afstand tussen de bestemmingsvlak van bovenstaand adres tot onderhavig initiatief bedraagt ca. 32 meter. Op grond hiervan kan worden gesteld dat wordt voldaan aan de richtafstanden.
In bijlage 5 is een akoestisch rapport opgenomen voor de beoogde situatie. In dit onderzoek wordt het volgende geconcludeerd: “In verband met een ruimtelijke procedure voor het vergroten van het bouwblok (erfverharding) en bestemmingswijziging naar bedrijf ter plaatse van het perceel aan de Pastoor van Weerdstraat 16 te Teeffelen, conform het bestemmingsplan ‘Buitengebied Lith 2013', is een akoestisch onderzoek uitgevoerd. In dit akoestisch onderzoek is de geluidsuitstraling van het bedrijf op de omliggende woningen berekend. De bouwblokvergroting / bestemmingswijziging is slechts mogelijk indien de ontwikkeling niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Uit de berekeningsresultaten blijkt dat, ter plaatse van de woning Pastoor van Weerdtstraat 14 niet wordt voldaan aan de richtwaarden van het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau en streefwaarden van het maximale geluidsniveau in het kader van de ruimtelijke ordening. In het kader van milieu (Activiteitenbesluit) kan wel worden voldaan aan de richt- en streefwaarden. Verder zijn in het kader van de maximale planologische mogelijkheden rekenpunten gelegd op de bouwvlakken van de woningen Pastoor van Weerdtstraat 14 en de Beatrixweg 6. In het kader van de maximale planologische mogelijkheden, ruimtelijke ordening, dienen op de grenzen van de bouwvlakken de geluidbelasting inzichtelijk te worden gemaakt.
Er blijkt dat de richtwaarden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau op het bouwvlak van de Pastoor van Weerdtstraat 14 wordt overschreden. Verder blijkt dat de streefwaarde voor het piekgeluidniveau ter plaatse van het bouwvlak Pastoor van Weerdtstraat 14 met 10 dB(A) wordt overschreden. De overschrijdingen ter plaatse van de hoek van het bouwvlak van de locatie Pastoor van Weerdtstraat 14 worden veroorzaakt door bronnen die op het huidige bouwblok (bestemming bedrijf) rijden. Het feit dat het achterste stuk verharding nu ook bouwblok wordt, verandert daar niets aan. In het kader van milieu (Activiteitenbesluit) hoeft op de bouwvlakken van de woningen Pastoor van Weerdtstraat 14 en de Beatrixweg 6 niet getoetst te worden. Cumulatie van het geluid van de inrichting met wegverkeer op de Beatrixweg is in het kader van deze beoordeling niet aan de orde. Bovendien is de verkeersintensiteit op deze weg zodanig dat er geen geluid van belang te verwachten is. Mogelijk zou een hoger geluidsniveau afkomstig van andere bronnen in de omgeving, juist kunnen zorgen voor een hogere geluidnormering. Een inrichting mag namelijk geen lagere normering opgelegd krijgen dan het referentieniveau van het omgevingsgeluid ter plaatse.
Het feit dat bij de woningen een maximaal langtijdgemiddeld beoordelingsniveau wordt geproduceerd van 36 dB(A) en het feit dat de inrichting alleen in de dagperiode werkzaam is, kan met zekerheid worden gesteld dat ter plaatse sprake is van een goed woon- en leefklimaat ten gevolge van de activiteiten van het bedrijf. Voor de tuinen kunnen de waarneempunten van de bouwvlakken worden genomen. Bij de Pastoor van Weerdtstraat 14 geldt hier een redelijk woon- en leefklimaat. Geconcludeerd kan worden dat door de bestemmingswijziging / bouwblokvergroting (verharding), het woon- en leefklimaat in de omgeving niet verslechterd.” Geconcludeerd kan worden dat op voornoemde wijze het initiatief op basis van bovengenoemde richtafstand en het bijgevoegde akoestisch rapport het woon- en leefklimaat voor betreft het aspect geluid van omliggende objecten niet belemmert ten opzichte van de vigerende situatie.
Pastoor van Weerdtstraat 16 Teeffelen , pag. 48 van 64
4.1.10 Gezondheid De huidige en beoogde bedrijfsvoering betreft een loonbedrijf. Sprake is van een bestaande activiteit binnen de projectlocatie. In onderstaande kaart is het effect van de verschillen tussen de (strengere) adviezen van de GGD en de toets waarden voor de achtergrondbelasting zoals die momenteel door de gemeente Oss (geurgebiedsvisie en beleidsregel 2013) en de Provincie Noord-Brabant (Verordening ruimte 2014) gehanteerd worden, in beeld gebracht voor de gemeente Oss.
Figuur 24: uitsnede geurgebiedsvisie gemeente Oss, beoordeling indicatieve achtergrondbelasting ten aanzien van geurhinder en normen (bron: gemeente Oss), locatie projectlocatie is rood omcirkeld.
Conclusie: Uit bovenstaand figuur blijkt dat voldaan wordt aan de norm van de provincie en aan de norm van de GGD. 4.1.11 Spuitzones In de vollegronds- en sierteelt ontkomt men niet aan het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen tegen schimmels, luizen en andere vormen van ongedierte. In relatie tot omliggende gronden heeft de projectlocatie derhalve mogelijk te maken met spuitzones. In het kader van een goede ruimtelijke ordening moet een afweging worden gemaakt tussen het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en de volksgezondheid. Uit jurisprudentie blijkt dat de Raad van State een afstand van 50 meter, tussen gevoelige functies en agrarische bedrijvigheid waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt, in het algemeen niet onredelijk vindt. Volgens vaste rechtspraak kan een kortere afstand ook aanvaardbaar zijn, mits hieraan een goede onderbouwing ten grondslag ligt. Daarnaast kan het zijn dat gepaste maatregelen genomen moeten worden om drift te voorkomen of overdrachtsmaatregelen zoals bijvoorbeeld een dichte haag.
Pastoor van Weerdtstraat 16 Teeffelen , pag. 49 van 64
De projectlocatie ligt direct aansluitend aan landbouwgronden. Er wordt dus niet voldaan aan de richtafstand van 50 meter. Hierbij wordt echter opgemerkt dat die richtafstand met name is bedoeld voor gewassen die verticaal bespoten moeten worden, zoals boomgaarden. Grondgewassen worden altijd neerwaarts bespoten, wat de drift (indien deze al bestaat) aanzienlijk beperkt. In de omgeving van de projectlocatie komen geen boomgaarden voor. Daarnaast wordt in Nederland doorgaans gebruik gemaakt van driftarme doppen om mogelijke drift die ontstaat bij de bespuiting tot een minimum te beperken. De spuitdruk gecombineerd met het type dop bepaalt de druppelgrootte. Zo geven driftarme doppen meer grove druppels, die minder snel verwaaien. Hiermee worden reductiepercentages van 50-95% gehaald, afhankelijk van het type dop en de spuitdruk. Deze worden spuitdoppen getest op windsnelheden waaronder geen sprake meer is van een gevaar voor de volksgezondheid (door de Technische Commissie Techniekbeoordeling, versie 19 feb 2016). Deze maximale windsnelheid is vastgesteld op 5 m/s. Hiervan uitgaande zal in de beoogde situatie niet gespoten worden bij een windsnelheid van 5 m/s op spuithoogte.
Daarbij wordt opgemerkt dat het gebruik bij een hogere windsnelheid ook een negatief effect heeft op de werking van de te gebruiken bestrijdingsmiddelen waardoor de ondernemer gebaat is bij gebruik bij een lage windsnelheid. Bovendien wordt de projectlocatie aan de randen voorzien van landschappelijke inpassing. Hierdoor wordt voorkomen dat drift – mocht deze al ontstaan – tot aan de gewenste woningen reikt. Conclusie: De projectlocatie heeft dus in relatie tot omliggende gronden geen negatief effect van spuitzones. 4.2 Waarden Binnen de projectlocatie voorkomende waarden op het vlak van natuur, archeologie of cultuurhistorie dienen te worden gerespecteerd en beschermd, mogelijk zelfs bevorderd. Bij ontwikkelingen moet proactief rekening worden gehouden met de aanwezige waarden. Achtereenvolgens komen aan bod: -
Natuur (§ 4.2.1)
-
Kwaliteitsverbetering van het landschap (§ 4.2.2)
4.2.1 Natuur In de Wet natuurbescherming zijn regels gesteld met betrekking tot gebiedsbescherming, soortenbescherming en bescherming van houtopstanden. In deze paragraaf wordt getoetst of de ontwikkeling invloed heeft op de beschermde gebieden en soorten die zijn opgenomen in de Wet natuurbescherming. Gebiedsbescherming De gebiedsbescherming is beperkt tot de Natura 2000-gebieden en eventueel buiten het Natuur Netwerk liggende bijzondere provinciale natuurgebieden. De bescherming van het Natuur Netwerk Nederland is al beschermd in het Barro en de provinciale verordening. In Nederland zijn 161 Natura 2000-gebieden aangewezen. Voorbeelden van de Natura 2000-gebieden zijn Rijntakken, Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek en Oeffelter Meent. De provincie Noord-Brabant heeft geen bijzondere provinciale natuurgebieden vastgesteld. Per Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen (voor soorten en vegetatietypen) opgesteld. Iedereen die vermoedt of kan weten dat zijn handelen of nalaten, gelet op de instandhoudingdoelen, nadelige gevolgen voor een Natura 2000-gebied kan hebben, is verplicht deze handelingen achterwege te laten of te beperken. Het bevoegd gezag kan schadelijke activiteiten beperken en eisen dat een vergunning in het kader van de Wet Natuurbescherming (Wnb) wordt aangevraagd.
Regulier beheer en bestaand gebruik zijn (of worden) opgenomen in Natura 2000-beheerplannen. Na vaststelling van de beheerplannen hoeft daarvoor geen vergunning aangevraagd te worden. Het dichtstbij liggende Natura 2000-gebied betreft Rijntakken, dat op een afstand van circa 7 kilometer ligt.
Pastoor van Weerdtstraat 16 Teeffelen , pag. 50 van 64
Figuur 25: Ligging Natura 2000 gebieden t.o.v. de projectlocatie, projectlocatie is aangeduid met een blauwe punt.
Elke ruimtelijke ontwikkeling kan negatieve effecten hebben op de Natura 2000-gebieden. Er zijn namelijk verschillende factoren die kunnen leiden tot de verstoring van beschermde vogel- en habitattypen en soorten. Vooral de storingsfactoren verzuring en vermesting door stikstof uit de lucht spelen hierbij een belangrijke rol, omdat deze ook op grote afstand van een gebied voor effecten kunnen zorgen. Daarnaast kunnen andere factoren eveneens leiden tot een verstoring van habitattypen en soorten, indien een ontwikkeling op korte afstand van een gebied plaatsvindt. De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit heeft op 17 juni 2020 een Kamerbrief gepubliceerd waarin een aantal aanvullende stappen staan die het kabinet zal nemen naar aanleiding van het advies van de Commissie Remkes. Deze publicatie is opgesteld in aanloop naar het Kamerdebat over het eindadvies voor de structurele aanpak van de stikstofproblematiek ‘Niet alles kan overal’. In deze publicatie heeft het kabinet als doelstelling gesteld om tijdelijke emissies gedurende de realisatiefase van kleinschalige projecten niet langer te onderwerpen aan gedetailleerde depositieberekeningen. Hiervoor zal onderzoek worden gedaan naar de mogelijkheid om een drempelwaarde voor de realisatiefase van projecten in te stellen.
In het kader van deze doelstelling is geen AERIUS-berekening gemaakt van de tijdelijke emissies tijdens de realisatiefase van het initiatief. Voor wat betreft de gebruiksfase kan voor voorliggend project worden uitgegaan dat er door dit project, de legalisatie van erfverharding, geen toename van verkeersbewegingen zal plaatsvinden. Het geheel vindt blijft binnen de grenzen van het bestaand gebruik. Er kan zelfs worden uitgegaan van het feit dat door de realisatie van de erfverharding voertuigbewegingen efficiënter kunnen worden uitgevoerd, met eventueel een lagere rolweerstand waardoor er minder vermogen van de voertuigen nodig is voor het uitvoeren van de bewegingen. Het aspect stikstofdepositie vormt derhalve ook voor de gebruiksfase geen belemmering voor vaststelling en uitvoering van het plan. Overige storingsfactoren Vanwege de ruime afstand van de projectlocatie tot het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied Rijntakken leidt het initiatief verder niet tot andere voorkomende storende factoren op omliggende Natura 2000gebieden zoals oppervlakteverlies, versnippering, verontreiniging, verdroging, verstoring door geluid, optische verstoring, verstoring door mechanische effecten en bewuste verandering soortensamenstelling.
Pastoor van Weerdtstraat 16 Teeffelen , pag. 51 van 64
Conclusie: Gezien het vorenstaande kan geconcludeerd worden dat negatieve effecten op soorten en habitattypen in beschermde Natura 2000-gebieden zijn uitgesloten. Er is derhalve op grond van de Wet natuurbescherming geen omgevingsvergunning in het kader van gebiedsbescherming noodzakelijk. Bescherming van soorten De soortenbeschermende werking is rechtstreeks opgenomen in de Wnb. In hoofdstuk 3 van de Wnb zijn de beschermingsregimes in drie aparte paragrafen neergelegd. Per beschermingsregime is bepaald welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag. Hieronder zijn de drie beschermingsregimes weergegeven: 1. Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn; Dit zijn alle van nature in Nederland in het wild levende vogels (zoals bedoelt in artikel 1 van de Vogelrichtlijn). 2. Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn; Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage IV van de Habitatrichtlijn, Bijlage I en II van het Verdrag van Bern en Bijlage II van het Verdrag van Bonn. In de bijlagen van de Verdragen van Bern en Bonn worden ook vogels genoemd. 3. Beschermingsregime andere soorten. Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage onderdeel A en B van de Wet natuurbescherming.
Het gaat hier om de bescherming van zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten voorkomend in Nederland. In Nederland komen ongeveer 30.000 soorten dieren en planten voor. De Wnb regelt de bescherming van circa 300 in het wild voorkomende soorten inheemse planten en dieren. In de Wnb is onder meer bepaald dat beschermde diersoorten niet gedood, gevangen of verontrust mogen worden en plantensoorten niet geplukt, uitgestoken of verzameld mogen worden. Bovendien dient iedereen voldoende zorg in acht te nemen voor in het wild levende dieren en planten. Daarnaast is het niet toegestaan om hun directe leefomgeving, waaronder nesten en holen, te beschadigen, te vernielen of te verstoren. Bij het beoordelen van de in de projectlocatie voorkomende beschermde soorten gaat het primair om soorten die door de ingreep direct beïnvloed worden, doordat: - Zij fysiek aangetast worden (doden/verwonden van dieren, verwijderen van planten); - Zij verstoord worden (toename van geluid of licht); - Hun vaste verblijfplaatsen c.q. groeiplaatsen aangetast of verstoord worden. Gelet op de aard van het initiatief aan de Pastoor van Weerdtstraat 16 te Teeffelen dient met name bepaald te worden of ter plaatse van het project beschermde natuurwaarden voorkomen, die verstoord zouden kunnen worden.
Verboden handelingen dienen te worden voorkomen en handelingen mogen niet leiden tot aantasting van de gunstige staat van instandhouding. Het (onopzettelijk) doden, verwonden of verontrusten van deze soorten is zonder ontheffing niet toegestaan. Door middel van de ‘Effectenindicator soorten’ van het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit is gekeken of de werkzaamheden voor het realiseren van de beoogde situatie een bedreiging vormt voor de beschermde diersoorten. De projectlocatie is beoordeeld aan de hand van alle activiteiten op de effectenindicator soorten.
Pastoor van Weerdtstraat 16 Teeffelen , pag. 52 van 64
Figuur 26: Plangebied effectenindicator soorten met mogelijke negatieve effecten.
Als activiteit is aangegeven dat de activiteit ‘handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening’ betreft. Een gedeelte van de mogelijke negatieve effecten zijn geconstateerd op de bestaande locatie, als ingezoomd wordt op de uitbreiding dan is er nog sprake van onderstaande mogelijke negatieve effecten:
Figuur 27: Uitbreiding plangebied effectenindicator soorten met mogelijke negatieve effecten.
Uit de effectindicator blijkt sprake is van onderstaande mogelijke negatieve effecten:
Pastoor van Weerdtstraat 16 Teeffelen , pag. 53 van 64
Figuur 28: Mogelijke negatieve effecten.
Toelichting per storende factor: Het is verboden (opzettelijk) nesten, voortplantingsplaatsen of rustplaatsen te beschadigen of vernielen. Verlies vaste voortplantings- rust- of verblijfplaatsen Tot voortplantings- of rustplaatsen worden plekken gerekend zoals nesten, burchten, holen die door soorten bezet zijn in verband met hun voorplanting, winterrust, zorg voor jongen etc. Directe aantasting of verlies van deze plekken kan door diverse activiteiten optreden. Door dit verlies neemt de kwaliteit van het leefgebied af. Hierdoor kunnen soorten verdwijnen uit het gebied. Verlies functioneel leefgebied Het functioneel leefgebied van soorten bestaat uit de voortplantings- en rustplaatsen en belangrijke foerageergebieden en vlieg- of trekroutes. Diverse activiteiten kunnen tot verlies van dit leefgebied van soorten leiden. Door afname van het beschikbare oppervlak leefgebied neemt ook de kwaliteit van het leefgebied af. Hierdoor kunnen soorten uit het leefgebied verdwijnen. Versnippering leefgebied Diverse activiteiten kunnen tot versnippering van leefgebied van soorten leiden. Het leefgebied wordt kleiner en/of moeilijker te bereiken voor de soort. Door versnippering neemt de kwaliteit van het resterende leefgebied af. Hierdoor kunnen soorten uit het leefgebied verdwijnen.
Het meest gevoelig voor versnippering zijn soorten die zich over de grond bewegen en/of soorten die een groot leefgebied nodig hebben om te overleven.
Pastoor van Weerdtstraat 16 Teeffelen , pag. 54 van 64
Vermesting Enkele activiteiten kunnen indirect tot vermesting leiden. Vermesting is de 'verrijking' van leefgebieden met name door toevoer van stikstof en fosfaat via de lucht of via het oppervlaktewater. Door vermesting verandert de waterkwaliteit en/of verandert de plantensoortensamenstelling. Hierdoor kan de kwaliteit van het leefgebied veranderen en kunnen gevoelige soorten, die daar direct of indirect van afhankelijk zijn, verdwijnen. Verzoeting Enkele activiteiten kunnen indirect tot verzoeting leiden. Verzoeting treedt meestal op ten gevolge van vernatting of, zoals in het Deltagebied door het afsluiten van zeearmen waardoor zoutwater het gebied niet of veel minder dan voorheen beïnvloedt. Door verzoeting verandert de waterkwaliteit en/of verandert de plantensoortensamenstelling. Hierdoor kan de kwaliteit van het leefgebied veranderen en kunnen gevoelige soorten, die daar direct of indirect van afhankelijk zijn, verdwijnen. Verzilting Enkele activiteiten kunnen indirect tot verzilting leiden. Verzilting van bodems treedt vaak op door verandering van grondwaterstand en heeft gevolgen voor de grondwaterkwaliteit en de bodemvruchtbaarheid. Hierdoor kan de kwaliteit van het leefgebied veranderen en kunnen gevoelige soorten, die daar direct of indirect van afhankelijk zijn, verdwijnen. Met name in Laag-Nederland is er een risico op effecten door verzilting.
Verontreiniging Verontreiniging van leefgebied kan optreden door verbranding of productieprocessen waarbij schadelijke stoffen vrijkomen zoals zware metalen, olie of benzine, straling, geneesmiddelen, etc. De gevolgen van verontreiniging zijn divers en complex en kunnen zich pas jaren later voordoen. In het algemeen kan gesteld worden dat soorten die leven in water gevoeliger zijn dan soorten die leven op het land. Ook geldt dat soorten in de top van de voedselpiramide, als gevolg van ophoping van de verontreinigingen, gevoeliger zijn. Verdroging Een aantal activiteiten, bijvoorbeeld grondwerkzaamheden voor huizenbouw, kunnen indirect tot verdroging leiden. Verdroging uit zich in verlaging van grondwaterstanden, verandering van grondwaterstromen (kwel), vermindering van de waterkwaliteit en verandering in de plantensoortensamenstelling. Hierdoor kan de kwaliteit van het leefgebied veranderen en kunnen gevoelige soorten, die daar direct of indirect van afhankelijk zijn, verdwijnen. Vernatting Sommige activiteiten kunnen indirect tot vernatting leiden. Vernatting leidt tot hogere grondwaterstanden en/of toenemende kwel. Door vernatting verandert de waterkwaliteit en/of verandert de plantensoortensamenstelling.
Hierdoor kan de kwaliteit van het leefgebied veranderen en kunnen gevoelige soorten, die daar direct of indirect van afhankelijk zijn of last van hebben, uit het leefgebied verdwijnen. Verandering stroomsnelheid Enkele activiteiten kunnen de stroomsnelheid van beken en rivieren veranderen, bijvoorbeeld door het plaatsen van stuwen, kanalisatie of hermeanderen van waterlopen. Verschillen in stroomsnelheid (langzaam of snel) en dimensies (van bovenloop tot riviertje) leiden tot duidelijke verschillen in levensgemeenschappen en kenmerkende soorten hiervan. Door verandering in stroomsnelheid verdwijnen deze kenmerkende (vis)soorten. Verandering overstromingsfrequentie Enkele activiteiten kunnen de overstromingsfrequentie veranderen. De duur en/of het aantal keren dat een gebied overstroomt zijn van invloed op de kwaliteit van de vegetatie en het leefgebied van soorten. Voor een voedselarme vegetatie bijvoorbeeld leidt een toenemende overstroming met voedselrijk water tot vermesting. Langdurige overstroming kan leiden tot zuurstofgebrek in de wortels van planten waardoor planten kunnen afsterven. Een verandering in de overstromingsdynamiek grijpt in op de soortensamenstelling van de vegetatie en dus ook op de kwaliteit van het leefgebied van diersoorten.
Pastoor van Weerdtstraat 16 Teeffelen , pag. 55 van 64
Verandering dynamiek substraat Veranderingen in de dynamiek van het substraat, met name de bodem, kunnen optreden door activiteiten zoals graaf- of grondwerkzaamheden, waardoor de bodemdichtheid of bodemsamenstelling verandert. Hierdoor kan de kwaliteit van het leefgebied afnemen en kunnen gevoelige soorten, die daar direct of indirect last van hebben, uit het leefgebied verdwijnen. Het is verboden opzettelijk beschermde soorten te doden en vangen. Directe sterfte Veel activiteiten zoals kap, bouw- of sloopwerkzaamheden kunnen directe sterfte veroorzaken als de vaste voortplantings- rust- of verblijfplaatsen worden vernield door de activiteit voordat de dieren deze hebben kunnen verlaten. Directe sterfte kan optreden ten gevolge van wegverkeer, gebruik van windmolens ed. Een onnatuurlijke grote sterfte is van invloed op de populatieomvang van soorten waardoor de aantallen dieren zo klein worden dat de soort uiteindelijk uit zijn leefgebied verdwijnt. Het is verboden vogels opzettelijk te storen, tenzij de storing niet van wezenlijke invloed is op de soort. Het is verboden vogels opzettelijk te storen, tenzij de storing niet van wezenlijke invloed is op de soort. Verstoring door geluid Geluidsbelasting veroorzaakt door diverse activiteiten kan leiden tot stress en/of vluchtgedrag van dieren. De mate van verstoring is afhankelijk van duur, frequentie en sterkte van het geluid.
Hierdoor kunnen gevoelige soorten die daar last van hebben, uit het leefgebied verdwijnen. In bepaalde gevallen kan ook gewenning optreden. Verstoring door licht Bij diverse activiteiten maakt men gebruik van kunstmatige verlichting. Kunstmatige verlichting van de nachtelijke omgeving kan tot verstoring van het normale gedrag van soorten leiden. Met name schemeren nacht actieve dieren kunnen last hebben van verstoring door licht, waardoor hun ritme ontregeld wordt of verlichte delen van het leefgebied worden vermeden. Hierdoor kunnen gevoelige soorten die daar last van hebben, uit het leefgebied verdwijnen. Verstoring door trilling Diverse activiteiten, zoals boren, heien of damwanden slaan, veroorzaken trillingen die kunnen leiden tot verstoring van het natuurlijke gedrag van soorten. Individuen kunnen tijdelijk of permanent verdreven worden uit hun leefgebied. Over het daadwerkelijke effect van trilling is nog zeer weinig bekend. Verstoring door beweging Sommige activiteiten veroorzaken optische verstoring. Van optische verstoring is sprake als soorten verstoord worden door beweging van mensen, apparaten etc. Deze verstoring leidt tot vluchtgedrag van dieren. Hierdoor kunnen gevoelige soorten die daar last van hebben, uit het leefgebied verdwijnen. Tijdens de broedtijd en fase van verzorging van jongen zijn soorten extra gevoelig.
In bepaalde gevallen kan ook gewenning optreden. Verstoring door mechanische effecten Enkele activiteiten veroorzaken mechanische effecten door verandering in golfslag en luchtwervelingen. Hierdoor kunnen gevoelige soorten die daar last van hebben, uit het leefgebied verdwijnen. Maatregen die worden getroffen ter voorkoming: - de werkzaamheden die binnen de inrichting plaatsvinden wijzigen niet ten opzichte van de vigerende situatie; - er wordt niet uitgebreid met verharding.
Pastoor van Weerdtstraat 16 Teeffelen , pag. 56 van 64
Figuur 29: luchtfoto met de aanwezige verharding
-
-
Op bovenstaande luchtfoto is de aanwezige verharding weergegeven, waarbij het paarse gedeelte het huidige bouwblok betreft en het gedeelte met rode stippellijn het beoogde bouwperceel. een van de voorwaarden om medewerking te verlenen is dat een gedeelte van de verharding en betonnen wand worden verwijderd. Op bovenstaande luchtfoto betreft dit het gedeelte ten zuiden van de rode stippellijn. Het is aannemelijk dat de meeste broedvogelsoorten niet in de onmiddellijke nabijheid van bebouwing op het perceel broeden en verkiezen vaak bomen/struiken/gras om te broeden. bij het bijplaatsen van verlichting zal rekening worden gehouden dat bomen en hoge struiken niet worden belicht; er wordt geen houtopstanden gekapt of hoge struiken verwijderd; de landschappelijke inpassing wordt door versterkt door in het gebied passende beplanting. verder zijn de volgende beschermingsregimes van toepassing: o het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen; o het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen; o het is verboden eieren van vogels te rapen en deze onder zich te hebben; o het is verboden vogels opzettelijk te storen.
Dit verbod is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort.
Pastoor van Weerdtstraat 16 Teeffelen , pag. 57 van 64
4.2.2
Kwaliteitsverbetering van het landschap
Regeling ‘kwaliteitsverbetering van het landschap’ In 2010 is de regeling ‘Kwaliteitsverbetering van het landschap’ uit de Verordening ruimte (destijds art. 2.2, nu artikel 3.2) in werking getreden. In het RRO van januari 2013 is het afsprakenkader over de toepassing en uitwerking van deze regeling vastgesteld. In 2014 – 2015 is de regeling geëvalueerd en zijn aanbevelingen opgesteld voor bijstelling van het afsprakenkader. Toepassingsbereik De notitie toepassingsbereik vormt het basisdocument voor het afsprakenkader van de provincie met de gemeenten in de regio Noordoost. Deze notitie bevat de categorie-indeling voor de niet-planmatige ruimtelijke ontwikkelingen in het buitengebied en de bijbehorende tegenprestatie. Voor planmatige ontwikkelingen in het buitengebied is art. 3.2. altijd van toepassing. Deze notitie geeft de minimale inspanning aan die we regionaal hebben afgesproken. Gemeenten hebben alle vrijheid om meer kwaliteitsverbetering te verlangen als ze dat nodig vinden op basis van beleids- of gebiedsambities. Het afsprakenkader is nadrukkelijk geen ruimtelijk afwegingskader. Gemeenten moeten zelf beoordelen of een ontwikkeling ruimtelijk gewenst is. Vervolgens kan aan de hand van het afsprakenkader beoordeeld worden waar de kwaliteitsverbetering minimaal aan moet voldoen. Afspraken toepassingsbereik 1.
de notitie Toepassingsbereik en met name de verdeling van ruimtelijke ontwikkelingen over de verschillende categorieën is de basis voor het afsprakenkader over toepassingsbereik. 2. bij planmatige (stedelijke) ontwikkelingen is kwaliteitsverbetering altijd van toepassing; 3. bij niet-planmatige ontwikkelingen: tegenprestatie gerelateerd aan impact: • cat. 1 geen impact: geen tegenprestatie • cat. 2 beperkte impact: landschappelijke inpassing • cat. 3 grote impact: berekende kwaliteitsverbetering van het landschap Kwaliteitsverbetering Binnen de regio is geen unaniem beeld over de toepassing van de landschappelijke tegenprestatie die geleverd moet worden. Er wordt ingezet op keuzevrijheid voor de afzonderlijke gemeenten. Afspraken kwaliteitsverbetering 1. Bij planmatige (stedelijke) ontwikkelingen: storting in een landschapsfonds of bijdrage in natura in landschapsversterkend project. 2. Bij niet-planmatige ontwikkelingen zijn gemeenten zelf verantwoordelijk voor de toepassing: in natura (op of nabij de projectlocatie), financiële bijdrage in landschapsfonds of een combinatie van beide. 3. Bij kwaliteitsverbetering in natura (op of nabij de projectlocatie) bevat het ruimtelijk plan de verantwoording van de kwaliteitsverbetering. 4. De regio kiest niet voor een (sub)regionaal landschapsfonds.
Indien gemeenten een grensoverschrijdend landschapsproject willen realiseren, weten zij elkaar te vinden. Methodiek bij niet-planmatige ‘categorie 3’ ontwikkelingen De regio vindt het belangrijk dat er ruimte is voor lokaal maatwerk. Uitgangspunt is een methodiek die uitgaat van een forfaitair bedrag op basis van grondwaardevermeerdering (bestemmingswinst). Afspraken methodiek bij niet-planmatige ‘categorie 3’ ontwikkelingen - berekening van een vorm van forfaitair bedrag gebaseerd op een percentage van de grondwaardeverandering (bestemmingswinst). Dit berekende forfaitair bedrag bepaalt de omvang van de te leveren prestatie; - gedifferentieerd systeem van functies, inspanningen en (grond)waarden; - een minimale basisinspanning voor de kwaliteitsverbetering, gemeenten kunnen een hogere inspanning vragen; - duidelijkheid aan initiatiefnemers bij start planontwikkeling.
Pastoor van Weerdtstraat 16 Teeffelen , pag. 58 van 64
Basisinspanning De notitie Toepassingsbereik is het vertrekpunt voor bepalen van de basisinspanning die bij de verschillende ruimtelijke ontwikkelingen wordt voorgestaan. Voor planmatige (stedelijke) ontwikkelingen wordt aangesloten bij de eerdere afspraken voor rood-voor-groenkoppeling bij stedelijke uitbreidingen en het voorstel uit de handreiking. Afspraken basisinspanning Voor niet-planmatige ontwikkelingen in het buitengebied: - categorie 1: geen inspanning; - categorie 2: een goede landschappelijke inpassing op basis van een goedgekeurd landschapsplan en borging van uitvoering en beheer; - categorie 3: de beschreven forfaitaire methode, waarbij uitgegaan wordt van minimaal 20% van de grondwaardevermeerdering. Voor planmatige ontwikkelingen in het buitengebied: - Stedelijke ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied, in zoekgebied voor verstedelijking: Vaste afdracht per m2, te stellen op 1% van de uitgifteprijs; - Infrastructuur: Maatwerk waarbij kwaliteitsverbetering integraal onderdeel is van de gebiedsontwikkeling; - Overige (planmatige) ontwikkelingen zoals windturbines, reclamemasten, zendmasten voor telecommunicatie: Maatwerk aanpak. Maatregelen kwaliteitsverbetering landschap In de evaluatie kwam onduidelijkheid over de maatregelen en kosten die kunnen worden ingebracht voor kwaliteitsverbetering van het landschap naar voren.
Om de aanpak voor kwaliteitsverbetering binnen de regio gelijk te schakelen zijn de richtlijnen hieronder kort samengevat. Fysieke maatregelen Op basis van de regeling voor kwaliteitsverbetering landschap uit de Verordening ruimte is voorwaarde dat de kwaliteitsverbetering moet resulteren in fysieke en zichtbare verbetering van het landschap. Investeringen die geen fysieke kwaliteitsverbetering voor het landschap opleveren, zoals milieumaatregelen in de vorm van (asbest)sanering, duurzaamheid en dierenwelzijn, afschrijving economische boekwaarde en aanbrengen van functioneel groen op erf, vallen niet onder het toepassingsbereik van kwaliteitsverbetering landschap. Richtlijn inbreng kosten kwaliteitsverbetering landschap: Inrichting- en beheerkosten voor aanleg of herstel van natuur- en landschapselementen baseren/ relateren aan gegevens (prijzen, minimale oppervlakten, soorten) die beschikbaar zijn vanuit STIKA dan wel andere gestandaardiseerde normbedragen voor maatregelen. Ruimtelijk kwaliteitsbeleid Bij de gemeenten in de regio Noordoost is voldoende beleidskader voor de beoordeling en sturing van ruimtelijke ontwikkelingen en de daarmee verbonden kwaliteitsverbetering van het landschap.
Dit betekent dat gemeenten in de regio beschikken over: - een structuurvisie of voornemens zijn deze op te stellen/ te actualiseren; - een actueel beleidskader en/ of parate gebiedskennis om de inrichtingsvoorstellen voor kwaliteitsverbetering te beoordelen en aan te sturen. - een ambitiekaart met regionale landschapsopgaven voor investering in (sub)regionale landschapsversterkende projecten. Afspraak ruimtelijk kwaliteitsbeleid 1. Gemeenten dragen zelf zorg voor het benodigde ruimtelijk kwaliteitskader. 2. Gemeenten hebben regierol voor kwaliteitsverbetering van het landschap. Verantwoording en monitoring In de Verordening Ruimte is opgenomen dat van de kwaliteitsverbetering die is verzekerd via een financiële bijdrage in een landschapsfonds regelmatig verslag moet worden gedaan in het regionaal ruimtelijk overleg. Voor de kwaliteitsverbetering via een bestemmingsplan zijn geen nadere vereiste voor
Pastoor van Weerdtstraat 16 Teeffelen , pag. 59 van 64
de verantwoording opgenomen. Gemeenten zijn zelf verantwoordelijk voor de uitvoering en handhaving van de kwaliteitsverbetering. Afspraken verantwoording en monitoring 1. Regelmatig wordt in het kader van de Monitor Verordening ruimte verslag gedaan van de financiële bijdrage aan en besteding van het landschapsfonds voor kwaliteitsverbetering van het landschap. 2. Gemeenten zijn zelf verantwoordelijk voor de uitvoering en de handhaving van de kwaliteitsverbetering. 3. Initiatieven om kennis en kunde over kwaliteitsverbetering te delen, worden in principe door regio /provincie ondersteund. Categorie 1: geen inpassing of tegenprestatie Tot deze categorie behoren in ieder geval de volgende concreet benoemde ontwikkelingen: - vergroten inhoud van een burgerwoning tot 750 m3; - vergroten inhoud van een bedrijfswoning tot 750 m3; - vergroten aantal m2 bijgebouwen bij woning tot 100 m2 in totaal; - realisatie Ruimte voor ruimte woning(en); - ontwikkeling ter realisatie van EHS compensatie; - wijzigen bestemming naar Bos/Natuur en treffen bestemmingsregeling/aanleg voorzieningen die een fysieke verbetering van de aanwezige of potentiële kwaliteiten van bodem, water, natuur, landschap of cultuurhistorie of van extensieve recreatieve mogelijkheden tot gevolg hebben; - vestiging van of de splitsing in meerdere wooneenheden in monumentale/ karakteristieke/cultuurhistorisch waardevolle
bebouwing; - uitbreiding bestemmingsvlak wonen tot 1500 m2; - herbouw woning binnen geldend bestemmingsvlak; - wijziging bestemming agrarisch bedrijf (inclusief agrarisch verwant en agrarisch-technisch hulpbedrijf) of niet-agrarisch bedrijf met een omvang van minimaal 1 ha, in bestemming wonen of andere bestemming zoals horeca, niet-agrarisch bedrijf, maatschappelijke doeleinden of recreatie mits het bestemmingsvlak wordt verkleind tot maximaal 1500 m2, overtollige voormalige bedrijfsbebouwing wordt gesloopt en maximaal 200 m2 aan bijgebouwen/ voormalige bedrijfsbebouwing resteert; - bed & breakfast en kleinschalige recreatieve nevenactiviteiten in/bij (bedrijfs)woning binnen vigerende bouwregeling (oppervlakte bijgebouwen) en binnen geldend bestemmingsvlak wonen of niet-agrarisch bedrijf tot een maximum van 200 m2; - nevenactiviteiten en verbrede landbouwactiviteiten bij een agrarisch bedrijf of Wonen-VAB binnen bestaande bebouwingsmogelijkheden tot een maximum van 200 m2; - aan huis gebonden beroep/bedrijf in/bij woning binnen geldende bouwregeling (oppervlakte bijgebouwen); - ontheffing mantelzorg in/bij woning binnen geldende bouwregeling (oppervlakte bijgebouwen); - ontheffing tijdelijke huisvesting seizoenarbeiders binnen geldende, bestaande bebouwing (dit mag niet leiden tot het ontstaan van een zelfstandige woonruimte); - huisvesting reclasseringsjongeren op
(agrarisch) bedrijf binnen geldende, bestaande bebouwing; - toestaan tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen; - verkoop van op het eigen (agrarisch) bedrijf vervaardigde producten (inclusief de verkoop van streekeigen producten) tot een maximum van 200 m2 binnen geldende bouwregeling bedrijfsbebouwing; - omzetten van vrijkomende agrarische bedrijfswoning naar plattelandswoning; - bouw van ooievaarsnesten; - toestaan Bosman-molens tot 5 m. Voor het overige behoren tot deze categorie: - ontwikkelingen onder toepassing van de directe bouwmogelijkheden/bouwregels gebruiksregels van een geldend bestemmingsplan; - binnenplanse 10%-afwijking: kleine afwijkingen ten behoeve van hoogte en situering.
en
Pastoor van Weerdtstraat 16 Teeffelen , pag. 60 van 64
Tenzij de ontwikkeling concreet benoemd wordt in een andere categorie. In het voormalige provinciale ruimtelijke beleid (Streekplan, Paraplunota ruimtelijke ordening) waren de hiervoor genoemde oppervlakte- en inhoudsmaten opgenomen als gangbare bovenmaten tot waar gemeenten de mogelijkheid kregen deze ruimtelijke ontwikkelingen te faciliteren. Het zou niet juist zijn voor deze mogelijkheden nu opeens een extra inspanning te eisen. Categorie 2: landschappelijke inpassing Tot deze categorie behoren in ieder geval de volgende concreet benoemde ontwikkelingen: - minicampings met kleinschalige kampeergelegenheden tot een maximum van 25 mobiele kampeermiddelen; - bed & breakfast en kleinschalige recreatieve nevenactiviteiten in/bij (bedrijfs)woning binnen vigerende bouwregeling (oppervlakte bijgebouwen) en binnen geldend bestemmingsvlak wonen of niet agrarisch bedrijf vanaf een oppervlakte van 200 m2; - nevenactiviteiten en verbrede landbouwactiviteiten bij een agrarisch bedrijf binnen bestaande bebouwingsmogelijkheden vanaf 200 m2; - vormverandering van een agrarisch bouwvlak of een bestemmingsvlak; - paardenbakken aansluitend aan het bouwvlak; - omschakeling van agrarische bedrijfsvoering (grondgebonden, intensief, overig nietgrondgebonden) zonder vergroting van het bouwvlak; - voor zover de locatie is gelegen in het agrarisch gebied, als bedoeld in de Verordening ruimte:
vergroten agrarisch bouwvlak tot 1,5 ha, of vergroting met differentiatievlak van maximaal 0,5 ha specifiek ten behoeve van opslag van ruwvoer; - voor zover de locatie is gelegen in de groenblauwe mantel, als bedoeld in de Verordening ruimte: vergroten agrarisch bouwvlak tot 1 ha, of vergroting met differentiatievlak van maximaal 0,5 ha specifiek ten behoeve van opslag van ruwvoer; - Wijziging bestemming agrarisch bedrijf (inclusief agrarisch verwant en agrarisch-technisch hulpbedrijf) of niet-agrarisch bedrijf in bestemming wonen of wonen met VAB aanduiding, of andere bestemming, zoals horeca, niet-agrarisch bedrijf, maatschappelijke doeleinden of recreatie, mits het bestemmingsvlak wordt verkleind tot maximaal 5000 m2, overtollige voormalige bedrijfsbebouwing wordt gesloopt en maximaal 500 m2 voormalige bedrijfsbebouwing resteert. Bovenstaande opsomming is niet limitatief. Mits voorzien van een goede onderbouwing hiervan, kunnen ook andere ontwikkelingen tot deze categorie worden beschouwd. Voor het overige behoren tot deze categorie alle ontwikkelingen welke mogelijk worden gemaakt via de (binnenplanse) afwijkingsbevoegdheid, tenzij de ontwikkeling concreet benoemd wordt in een andere categorie. Tevens kan in het bestemmingsplan bepaald worden dat een specifieke afwijking wel als categorie 3 behandeld moet worden.
Categorie 3: berekende kwaliteitsverbetering van het landschap Tot deze categorie behoren alle ruimtelijke ontwikkelingen die niet onder categorie 1 of categorie 2 vallen; dit betreft onder andere de volgende ontwikkelingen: - uitbreiding bestemmingsvlak Bedrijf, Wonen (>1500 m2), Horeca, Recreatie etc.; - vergroten aantal m2 bebouwing binnen Bedrijf, Recreatie, Horeca etc.; - vergroten inhoud van een (agrarische Bedrijfswoning boven 750 m 3; - vergroten inhoud van een burgerwoning boven 750 m3; - vergroten aantal m2 bijgebouwen bij een woning groter dan 100 m2; - nieuwbouw (eerste) bedrijfswoning. Voor het overige behoren tot deze categorie alle ontwikkelingen welke mogelijk worden gemaakt via een wijzigingsplan of een bestemmingsplanherziening, tenzij de ontwikkeling concreet benoemd wordt in een andere categorie. Notie m.b.t. woningen via art. 8.2 / art. 9.2 Vr Het realiseren van een woning op basis van artikel 8.2 en artikel 9.2 uit de Verordening ruimte, kwaliteitsverbetering in bebouwingsconcentraties binnen zoekgebied verstedelijking, is slechts toegestaan bij een kwaliteitsverbetering die gelijkwaardig is met de aanschaf van een ruimte-voor-ruimte titel. De benodigde kwaliteitsverbetering kan op basis van de Verordening ruimte niet worden gebaseerd op een berekening van 20% van de bestemmingswinst.
Pastoor van Weerdtstraat 16 Teeffelen , pag. 61 van 64
Conclusie: Het initiatief valt onder categorie 3 ‘uitbreiding bestemmingsvlak Bedrijf. Zie paragraaf 3.3.2. 4.3 Defensie Uit oogpunt van defensie kunnen er beperkingen gesteld worden aan ruimtelijke ontwikkelingen in een gebied. Belangrijke aandachtspunten met betrekking tot het defensiebelang zijn: -
Radarverstoringsgebieden;
-
Obstakelbeheergebieden;
-
Laagvliegroutes voor jachtvliegtuigen;
-
Geluidszones voor militaire luchtvaartterreinen.
Het gehele plangebied is gelegen binnen het radarverstoringsgebied van een radar van de vliegbasis Volkel. Binnen dit gebied is het in beginsel niet toegestaan om hogere bebouwing op te richten dan 114 meter boven NAP. Indien er initiatieven zijn voor het oprichten van hogere bouwwerken of gebouwen, dan kan dit toegestaan worden als blijkt dat de radar niet onevenredig wordt verstoord. Dit kan door TNO worden berekend. Dit bestemmingsplan voorziet echter nergens in bouwmogelijkheden tot een dergelijke hoogte. Daarmee is het belang van het radarverstoringsgebied binnen dit bestemmingsplan voldoende gewaarborgd. Bij een eventueel toekomstig initiatief voor een bouwwerk met een hoogte tot 114 meter boven NAP of hoger dient het defensiebelang nadrukkelijk betrokken te worden bij de aanvaardbaarheid van de ontwikkeling. Voor het overige geldt dat de projectlocatie niet gelegen is binnen een obstakelbeheergebied, een laagvliegroute voor jachtvliegtuigen of een geluidszone voor militaire luchtvaartterreinen. Aan deze aspecten hoeft dan ook geen verdere aandacht besteed te worden. Conclusie: Dit plan vormt echter geen belemmering voor deze radarverstoringsgebieden omdat op de locatie geen (hoge) nieuwbouw plaatsvindt.
4.4 Milieueffectrapportage (M.e.r.) Op grond van het Besluit milieueffectrapportage, mede in relatie tot bijlage III bij de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling, moet voor bepaalde projecten een m.e.r. worden gemaakt of een m.e.r.-beoordeling worden uitgevoerd. Met een m.e.r. worden vooraf de milieugevolgen van een besluit in beeld gebracht. Conclusie: Voor het onderhavige plan hoeft op grond van de Wet milieubeheer geen milieueffectrapport te worden gemaakt. Op grond van de selectiecriteria als bedoeld in bijlage III bij de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling is, mede gelet op hetgeen elders in deze ruimtelijke onderbouwing over de afzonderlijke milieuaspecten is aangegeven, verder niet gebleken van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu die leiden tot een m.e.r.-beoordelingsplicht.
Pastoor van Weerdtstraat 16 Teeffelen , pag. 62 van 64
Hoofdstuk 5 5.1
Handhaving
Beleidskader
Naar aanleiding van een landelijk traject heeft de gemeente Oss in 2005 de nodige besluiten genomen om de handhaving te professionaliseren. De gemeente wil namelijk een professionele organisatie zijn. Om haar handhavingstaken zo transparant en objectief mogelijk uit te voeren, heeft zij een toezicht-, sanctie- en gedoogstrategie opgesteld. De wijze waarop de gemeente handelt bij overtredingen is daarin vastgelegd. Het uitgangspunt voor handhaving is: elke norm die het verdient te worden gesteld, verdient het ook te worden gehandhaafd. De gemeente is verantwoordelijk voor het algemeen belang, dat concreet wordt in de belangen van veiligheid, volksgezondheid, natuurlijk milieu en ruimtelijke kwaliteit. Deze belangen vragen om een actieve handhaving. Een goede handhaving start echter al bij het opstellen van beleid, regels en voorschriften. Om in dit verband bestemmingsplannen actief te kunnen handhaven moet voldaan zijn aan de volgende criteria: het opstellen van uitvoerbaar beleid en duidelijke regels; het verstrekken van duidelijke informatie op basis waarvan burgers en bedrijven hun keuzes kunnen maken; zorgen voor de naleving van regels door middel van toezicht en de inzet van handhavinginstrumenten. Als primaire verantwoordelijkheid van burgers en bedrijven wordt gezien: het aanvaarden van de consequenties van de eigen keuzes; nakoming van afspraken en naleving van regels.
In het Handhavingprogramma wordt het concrete belang van handhaving van regels van bestemmingsplannen aangegeven. De negatieve effecten van niet-handhaving kunnen immers groot zijn, zoals schade aan natuur en ruimtelijke kwaliteit, financieel-economische schade en onveiligheid. Maar ook kunnen burgers en bedrijven worden benadeeld door illegale activiteiten van hun buren/omwonenden. De ruimte in Nederland is schaars en iedereen heeft belang bij een goede woon-, werk- en leefomgeving. De kwaliteit hiervan wordt grotendeels in bestemmingsplannen vastgelegd en die kwaliteit verdient het om te worden beschermd, onder meer door toezicht op naleving van de voorschriften en desnoods bestuursrechtelijke handhaving. Het bestuurlijke belang van een adequate handhaving van bestemmingsplannen is dus groot, maar dat geldt ook voor de individuele belangen van burgers en bedrijven. 5.2
Professionele handhaving en handhavingprogramma
De gemeente Oss voldoet aan de wettelijke kwaliteitscriteria voor een professionele handhavingorganisatie. Elke vier jaar wordt er een Handhavingprogramma opgesteld waarin de prioriteiten voor de uitvoering worden vastgelegd. Dit gebeurt na de aantreding van een nieuwe gemeenteraad en de vorming van een nieuw college van burgemeester en wethouders. Elk jaar wordt aan de hand van een probleem- of omgevingsanalyse een voortschrijdend programma gemaakt, waarin rekening wordt gehouden met gewijzigde wetgeving en de op dat moment concrete problematiek. Handhaving van bestemmingsplannen is een vaste prioriteit in het programma. 5.3
Handhaafbaarheid, positief bestemmen, overgangsrecht
De regels van dit bestemmingsplan zijn getoetst op handhaafbaarheid. De Wet algemene bepalingen omgevingsrecht voorziet in een verbod op het (laten) gebruiken van gronden en bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan. Overtreding van dit verbod is een strafbaar feit.
Pastoor van Weerdtstraat 16 Teeffelen , pag. 63 van 64
In beginsel worden bouwwerken die in overeenstemming zijn met het vorige bestemmingsplan positief bestemd. Hetzelfde geldt voor gebruik in overeenstemming met het vorige bestemmingsplan. Met andere woorden: bestaande rechten worden gerespecteerd. Zij zijn in beginsel alleen onder het algemene overgangsrecht gebracht als te voorzien is dat zij binnen de planperiode van tien jaar zullen verdwijnen. Als sprake is van een naar huidige beleidsinzichten onwenselijke situatie die in het vorige bestemmingsplan al onder het overgangsrecht valt, is bezien of deze onder het persoonsgebonden overgangsrecht kan worden gebracht. Dat wil zeggen dat het overgangsrecht voor de betreffende percelen is beperkt tot degenen die die percelen gebruiken op het moment van inwerkingtreding van het bestemmingsplan. Voortgezet gebruik door anderen wordt niet als bestaand gebruik aangemerkt. Daarnaast kan het voorkomen dat bouwwerken in strijd met het vorige bestemmingsplan zijn opgericht, of dat bestaand gebruik in strijd is met dat plan. Een positieve bestemming ligt dan in de rede als de met het vorige bestemmingsplan strijdige situatie naar huidige beleidsinzichten ruimtelijk aanvaardbaar is. Indien de betreffende situatie ruimtelijk niet aanvaardbaar is, zal hiertegen in beginsel handhavend worden opgetreden.
Indien dat in een uitzonderlijk geval niet (meer) mogelijk is, is bezien of de situatie onder het persoonsgebonden overgangsrecht gebracht kan worden. Overigens zijn strijdige situaties op grond van de planregels standaard uitgezonderd van het algemene overgangsrecht. Het Besluit ruimtelijke ordening schrijft dit voor. Uiteindelijk is altijd maatwerk vereist om te bepalen of een positieve bestemming, algemeen overgangsrecht of persoonsgebonden overgangsrecht mogelijk is.
Pastoor van Weerdtstraat 16 Teeffelen , pag. 64 van 64
Hoofdstuk 6 6.1
Economische uitvoerbaarheid
Economische uitvoerbaarheid
Initiatiefnemer betreft een particuliere partij. De particuliere partij draagt zorg voor de kosten welke gepaard gaan met de voorgenomen ontwikkeling. De financiële uitvoering van de ontwikkeling is daarmee geborgd. De Wet ruimtelijke ordening geeft gemeenten meer regie en sturing op de ruimtelijke ontwikkelingen op lokaal niveau. De nieuwe wetgeving maakt het mogelijk voor gemeenten om de kosten met betrekking tot het project te verhalen op diegene die de ontwikkeling initieert. Gezien voorgaande zijn risico’s aangaande dit aspect voor de gemeenten dan ook uit te sluiten. Met initiatiefnemer heeft de gemeente een anterieure overeenkomst gesloten waarin het kostenverhaal is verzekerd. Daarmee is verzekerd dat alle projectgebonden kosten die de gemeente maakt, worden verhaald op de initiatiefnemer. Eventuele kosten voor de inrichting en overige voorzieningen zijn voor rekening van de initiatiefnemer. 6.2
Planschade
De kosten die gemaakt worden bij de uitvoering van de ontwikkeling en eventuele succesvolle planschadeclaims zijn voor rekening van de initiatiefnemer. De ontwikkeling heeft voor de gemeente geen negatieve financiële gevolgen. Om de economische uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan te waarborgen, is voor de projectlocatie een planschadeovereenkomst afgesloten. Op basis hiervan komt de eventuele planschade voor rekening van de initiatiefnemers.
Indexpagina bijlagen bij de ruimtelijke onderbouwing Bijlage 1
- Principebesluit
Bijlage 2
- Ontheffing Waterschap Aa en Maas
Bijlage 3
- Landschappelijk inpassingsplan
Bijlage 4
- Watertoets
Bijlage 5
- Akoestisch onderzoek
Bijlage 6.1
- Omgevingsdialoog (1)
Bijlage 6.2
- Omgevingsdialoog (2)
Bijlage 1
- Principebesluit
Bijlage 2
- Ontheffing Waterschap Aa en Maas
Bijlage 3
- Landschappelijk inpassingsplan
plangebied
het plangebied
T +31-475-430684 M +31-6-51852937 +49-2455-398401 www.guidopaumen.com guido@guidopaumen.com
Ir Guido W.F.M. Paumen, Tuin- & landschapsarchitect Bnt St. Annadijk 2A, 6107 RA Stevensweert - Haarenerstrasse 38, 52525 Waldfeucht Duitsland
Het plangebied is gesitueerd in de gemeente Oss, ten noordwesten van de kern Teeffelen. Zie de markeringen in de uitsnede van de topografische kaart hieronder en de luchtfoto rechts.
LIGGING
Landschappelijke inpassing ‘Pastoor van Weerdtstraat 16' Pastoor van Weerdtstraat 16, 5395 TH Teeffelen - PNR 5395TH16-050118 / 240118 / 140121
1
(print op A3)
uitsnede topografische kaart 1870
In 1870 werden bebouwing, grasland en een bosje ter hoogte van het plangebied gekarteerd
T +31-475-430684 M +31-6-51852937 +49-2455-398401 www.guidopaumen.com guido@guidopaumen.com
Ir Guido W.F.M. Paumen, Tuin- & landschapsarchitect Bnt St. Annadijk 2A, 6107 RA Stevensweert - Haarenerstrasse 38, 52525 Waldfeucht Duitsland
In 1870 werden bebouwing, grasland en een bosje ter hoogte van het plangebied en de 'Teffelse sluis' gekarteerd. Ten noordoosten van de sluis bevond zich de Polder van Teffelen, ten zuidwesten van het plangebied en ten westen van 'Teffelen' werd akkerland op de hoger gelegen gronden nabij de rivier gekarteerd. De landschappelijke context is te kenschetsen als de oeverwal.
HISTORIE & CONTEXT
Landschappelijke inpassing ‘Pastoor van Weerdtstraat 16' Pastoor van Weerdtstraat 16, 5395 TH Teeffelen - PNR 5395TH16-050118 / 240118 / 140121
2
(print op A3)
1961 boomgaard
1998 bebouwing op buurerven
1952 bosje
1967 Beatrixweg
T +31-475-430684 M +31-6-51852937 +49-2455-398401 www.guidopaumen.com guido@guidopaumen.com
Ir Guido W.F.M. Paumen, Tuin- & landschapsarchitect Bnt St. Annadijk 2A, 6107 RA Stevensweert - Haarenerstrasse 38, 52525 Waldfeucht Duitsland
De in 1870 gekarteerde situatie onderging langere tijd relatief weinig veranderingen. De opname uit 1952 toont een bescheiden uitbreiding van de bebouwing in het plangebied en de context. In de periode na de tweede wereldoorlog werden de ontwatering en de ontsluiting van het rivierengebied sterk verbeterd. In 1967 wordt de ten zuidoosten van het plangebied gelegen Provinciale weg (de Beatrixweg) voor het eerst gekarteerd. In de daarop volgende jaren wordt de bebouwing in het plangebied uitgebreid en worden bebouwing op buurerven ten zuiden en oosten van het plangebied gerealiseerd. Zie de uitsnedes van de topografische kaarten rechts.
HISTORISCHE ONTWIKKELING
Landschappelijke inpassing ‘Pastoor van Weerdtstraat 16' Pastoor van Weerdtstraat 16, 5395 TH Teeffelen - PNR 5395TH16-050118 / 240118 / 140121
3
(print op A3)
Ir Guido W.F.M. Paumen, Tuin- & landschapsarchitect Bnt St. Annadijk 2A, 6107 RA Stevensweert - Haarenerstrasse 38, 52525 Waldfeucht Duitsland
c bebouwing en beplanting op buurerven
a de Lithoijense Dijk aan de westkant
4
(print op A3)
d bomenrijen langs de Beatrixweg
b opgaande beplanting
T +31-475-430684 M +31-6-51852937 +49-2455-398401 www.guidopaumen.com guido@guidopaumen.com
Het huidige ruimtelijk kader wordt gevormd door de navolgende elementen; a de Lithoijense Dijk aan de noordwestkant van het plangebied, b de opgaande beplanting op de percelen ten noordoosten en ten zuidwesten van het plangebied, c de bebouwing en opgaande beplanting op de ten oosten en zuiden gesitueerde erven, d de bomenrij langs de ten zuidoosten gelegen Beatrixweg. Zie de markeringen in de luchtfoto rechts.
HUIDIG RUIMTELIJK KADER
Landschappelijke inpassing ‘Pastoor van Weerdtstraat 16' Pastoor van Weerdtstraat 16, 5395 TH Teeffelen - PNR 5395TH16-050118 / 240118 / 140121
Uitsnedes nota landschapsbeleid
T +31-475-430684 M +31-6-51852937 +49-2455-398401 www.guidopaumen.com guido@guidopaumen.com
Ir Guido W.F.M. Paumen, Tuin- & landschapsarchitect Bnt St. Annadijk 2A, 6107 RA Stevensweert - Haarenerstrasse 38, 52525 Waldfeucht Duitsland
De gemeente Oss rangschikt het plangebied in de nota Landschapsbeleid in de zone ‘Oeverwal’. Betreffende deze zone wordt nagestreefd het kleinschalig karakter en een afwisseling tussen open en dicht door behoud en aanleg van landschapselementen als houtwallen, singels, bosjes en boomgaardjes te versterken. Zie de uitsnedes van het plan hieronder en rechts.
NOTA LANDSCHAPSBELEID
Landschappelijke inpassing ‘Pastoor van Weerdtstraat 16' Pastoor van Weerdtstraat 16, 5395 TH Teeffelen - PNR 5395TH16-050118 / 240118 / 140121
5
(print op A3)
standplaats fotograaf
1
2
3
4
4) vanaf de Pastoor van Weerdtstraat zelf toont zich met name de noordoostkant
3) vanaf de Beatrixweg toont zich de zuidoostkant enige tijd in een doorkijk
T +31-475-430684 M +31-6-51852937 +49-2455-398401 www.guidopaumen.com guido@guidopaumen.com
6
(print op A3)
2) vanaf de Lithoijense Dijk komend uit het noordwesten tonen zich de noordwestkant en de noordoost
1) vanaf de Lithoijense Dijk komend uit het zuiden toont zich de noordwestkant
Ir Guido W.F.M. Paumen, Tuin- & landschapsarchitect Bnt St. Annadijk 2A, 6107 RA Stevensweert - Haarenerstrasse 38, 52525 Waldfeucht Duitsland
Het plangebied kan worden waargenomen van de Beatrixweg, de Lithoijense Dijk en de Pastoor van de Weerdtstraat zelf: 1) Vanaf de Lithoijense Dijk komend uit het zuidwesten toont zich de noordwestkant van het plangebied langere tijd aan het verkeer op de dijk. 2) Vanaf de Lithoijense Dijk komend uit het noordwesten toont zich de noordwestkant en de noordoostkant gedurende langere tijd aan het verkeer. 3) Vanaf de Beatrixweg toont zich de zuidoostkant in een doorkijk enige tijd aan het verkeer. 4) Vanaf de Pastoor van Weerdtstraat zelf toont zich de noordoostkant van het plangebied aan het lokale verkeer. Zie de foto’s rechts en de markeringen in de luchtfoto hieronder.
3D-BELEVING
Landschappelijke inpassing ‘Pastoor van Weerdtstraat 16' Pastoor van Weerdtstraat 16, 5395 TH Teeffelen - PNR 5395TH16-050118 / 240118 / 140121
contouren van het plangebied
T +31-475-430684 M +31-6-51852937 +49-2455-398401 www.guidopaumen.com guido@guidopaumen.com
Ir Guido W.F.M. Paumen, Tuin- & landschapsarchitect Bnt St. Annadijk 2A, 6107 RA Stevensweert - Haarenerstrasse 38, 52525 Waldfeucht Duitsland
Het plangebied omvat perceel 67, 348, 351, 356 357 en 360 gelegen in de sectie E van de kadastrale gemeente Oijen. Zie de markering in de luchtfoto rechts.
KADASTRALE SITUATIE – 1:1250
Landschappelijke inpassing ‘Pastoor van Weerdtstraat 16' Pastoor van Weerdtstraat 16, 5395 TH Teeffelen - PNR 5395TH16-050118 / 240118 / 140121
7
(print op A3)
vrij te houden strook
van beplanting vrij te houden strook
T +31-475-430684 M +31-6-51852937 +49-2455-398401 www.guidopaumen.com guido@guidopaumen.com
Ir Guido W.F.M. Paumen, Tuin- & landschapsarchitect Bnt St. Annadijk 2A, 6107 RA Stevensweert - Haarenerstrasse 38, 52525 Waldfeucht Duitsland
Het gebied tussen de dijk en de bebouwing aan de noordwestkant van het plangebied maakt deel uit van een als agrarisch en waterstaat (dubbelbestemde) zone. Op grond van de waterkerende betekenis van de dijk, mag geen opgaande beplanting in dit gebied worden gerealiseerd. Zie de foto en de uitsnede van het bestemmingsplan hieronder.