Bijlage 10 bij toelichting - ruimtelijke onderbouwing Pastoor van Weerdstraat 16 in Teeffelen.PDF
Tekst van het document
Pastoor van Weerdtstraat 16 Teeffelen , pag. 28 van 64
3.4
Gemeentelijk beleid
3.4.1 Structuurvisie Buitengebied Oss – 2015 De gemeente Oss heeft een omvangrijk buitengebied. In de afgelopen jaren zijn de buitengebieden van Oss, Lith en Geffen samengevoegd. Voor de afzonderlijke buitengebieden waren al structuurvisies opgesteld. Het is belangrijk dat de gemeente een integrale visie heeft op het totale buitengebied van de gemeente Oss. Deze visie is samengekomen in de ‘Structuurvisie Buitengebied Oss – 2015’. De projectlocatie van deze structuurvisie is het totale buitengebied van de gemeente Oss, met uitzondering van motorcrosscircuit Nieuw-Zevenbergen en vakantiepark Herperduin. De structuurvisie biedt de juridische basis voor financiële bijdragen bij ruimtelijke ontwikkelingen. In de structuurvisie zijn doelstellingen opgenomen die moeten leiden tot een robuuste en duurzame ruimtelijke structuur voor een vitaal en multifunctioneel buitengebied.
Dit moet resulteren in: - Een vitaal buitengebied, waar een goed evenwicht is tussen alle aanwezige functies zoals landbouw, toerisme, recreatie, natuur, water en wonen; - Een versterking van de ruimtelijke identiteit met aandacht voor verscheidenheid, ruimte en landelijkheid; - Een versterking van de aanwezige landschapstypen: uiterwaarden, oeverwal, komgebied, dekzandrand en dekzandrug; - Behoud, herstel en/of ontwikkeling van de landschappelijke, cultuurhistorische en ecologische structuren en elementen; - Gebieden met blijvende ruimte en mogelijkheden voor (grondgebonden) landbouw, met name binnen het primaire agrarisch gebied; - Voldoende afstand tussen slecht verenigbare functies zoals wonen en intensieve veehouderij; - De instandhouding van de leefbaarheid door het zorgvuldig en afgewogen bieden van ruimte aan nieuwe economische dragers; - Nieuwe impulsen voor toerisme en recreatie, met bijzondere aandacht voor versterking van de recreatie in de Maashorst en het Maasgebied en het ontwikkelen van aantrekkelijke uitloopgebieden met natuur en recreatie nabij de stad Oss en toeristisch-recreatieve verbindingen tussen kernen op afstand van de Maas en de Maasdijk; - Het bieden van ruimte voor waterveiligheid, waterkwantiteit en waterkwaliteit. De bovenstaande doelstellingen worden doorvertaald naar een ontwikkelingsvisie per landschapstype.
We maken onderscheid tussen: - Uiterwaarden; - Oeverwal; - Komgebied; - Dekzandrand; - Dekzandrug; - Primair agrarisch gebied. Per landschapstype is een gebiedsbeschrijving, een ruimtelijke en een functionele visie opgenomen. Naast de visies per landschapstype zijn er ook ontwikkelingsvisies opgesteld per bebouwconcentratie. Per bebouwingsconcentratie is een beschrijving van de ruimtelijke situatie van het gebied gegeven, evenals een visie over landschappelijke kenmerken en de mogelijkheden voor ontwikkelingen en transformaties. We beschrijven in welke bebouwingsconcentraties de realisatie van nieuwe woningen ruimtelijk voorstelbaar is. Daarnaast geven we aan welke andere functies eventueel mogelijk zijn. Uitgangspunt is nieuwe burgerwoningen in het buitengebied niet gewenst zijn. In hoofdlijn zijn de mogelijkheden voor het bouwen van nieuwe burgerwoningen in het buitengebied beperkt tot drie mogelijkheden: in de vorm van een stedelijke ontwikkeling binnen zoekgebied verstedelijking, in de vorm van een ruimte-voor-ruimte woning binnen een bebouwingsconcentratie, of met de regeling kwaliteitsverbetering bebouwingsconcentraties binnen zoekgebied verstedelijking. Conclusie: Volgens de structuurvisie heeft de projectlocatie de aanduiding oeverwal.
Pastoor van Weerdtstraat 16 Teeffelen , pag. 29 van 64
Gebiedsbeschrijving oeverwal De oeverwal is een hooggelegen rug, parallel aan de Maas. Van oorsprong worden de oeverwallen gekenmerkt door een relatief kleinschalig cultuurlandschap met een grote diversiteit. Door de aanwezigheid van veel landschapselementen heeft de oeverwal over het algemeen een groen en halfopen karakter. Functionele visie Het functioneel gemengde karakter van de oeverwal kan verder ontwikkeld worden. Waterveiligheid, wonen, agrarische bedrijven, natuur, toerisme, recreatie en overige bedrijvigheid zullen meer verweven raken. Ruimtelijke ontwikkelingen mogen bestaande bedrijven en bewoners niet belemmeren. Voor waterveiligheid kan eventueel een andere afweging plaatsvinden. Sprake is van een bestaande activiteit, waarbij het bestemmingsvlak wordt vergroot ten behoeve van de legalisatie van een betonnen wand en erfverharding. Sprake is van een kleinschalige uitbreiding van het bestemmingsvlak. De oppervlakte gebouwen blijft onveranderd. De projectlocatie zal landschappelijk worden ingepast. 3.4.2 Toekomstvisie Oss op weg naar 2020 De toekomstvisie ‘Oss op weg naar 2020’ (2004) is richtinggevend voor de beleidsontwikkeling op de langere termijn. Eén van de potenties van Oss ligt volgens deze visie in het gevarieerde landelijk gebied waarin zich tal van kleine kernen bevinden.
Uitgangspunt is het werken aan het behoud van het platteland met zijn rust en ruimte, aantrekkelijke kleinschalige toeristische voorzieningen en aan de ontplooiing van levenskrachtige dorpen. Een andere potentie ligt in het werken aan een duurzame gemeente. Duurzame ontwikkeling van natuur, landschap en ecologie draagt bij aan de leefkwaliteit. De toekomstvisie stelt dat Oss vele ‘kostbare’ plekjes kent en een groots landschap, met ruimte voor landbouw en natuur. ‘Het bewaren van dat kostbare voor de toekomst is een opdracht die we onszelf stellen’. Conclusie: De toekomstvisie is richtinggevend voor de beleidsontwikkelingen welke vertaald zijn in het vastgestelde beleid, zoals de ruimtelijke structuurvisie. Het initiatief is passend binnen het beleid van Oss. 3.4.3 Nota Landschapsbeleid Binnen de gemeente Oss bestaat grote aandacht voor het landschap en het landelijke gebied. De Nota Landschapsbeleid zorgt voor een beleidskader welke een sturende werking heeft bij ruimtelijke ontwikkeling in het buitengebied. Ruimtelijke ingrepen en nieuwe functies in het buitengebied hebben een grote uitstraling naar de omgeving. Dit betekent dat bij deze ingrepen (bijvoorbeeld de bouw van agrarische bedrijfsgebouwen) eisen aan de landschappelijke inpassing van objecten moeten worden gesteld.
De gemeente wordt verder geconfronteerd met de aanleg (of juist verwijdering) van (landschaps)elementen door particulieren op agrarische percelen in het buitengebied. Dergelijke initiatieven komen vaak niet overeen met de ter plaatse aanwezige en te behouden landschappelijke kwaliteit (bijvoorbeeld behoud van openheid of gebruik van nietinheemse boomsoorten). Goede toetsingskaders en sturingsinstrumenten zijn voor bescherming maar ook voor ontwikkeling van het landschap onmisbaar. In de Nota Landschapsbeleid wordt per deelgebied beschreven wat de landschappelijke visie is. De verschillende deelgebieden zijn: - Uiterwaarden; - Oeverwal; - Komgebied; - Dekzandrand; - Dekzandrug. Per deelgebied wordt aangegeven wat de ontwikkelingsvisie is. Daarbij worden aandachtspunten voor uitwerking en uitvoering geschetst.
Pastoor van Weerdtstraat 16 Teeffelen , pag. 30 van 64
Conclusie: De projectlocatie is gelegen in de zone ‘Oeverwal’ 2, zie onderstaande figuur.
Figuur 16: uitsnede Landschapstypekaart Landschapsbeleidsplan 2015, projectlocatie is globaal rood omcirkeld.
Beplanting moet passen binnen de schaal van het dorp en het buitengebied. Ruimtelijk gezien is het wenselijk om de hoogteligging van de oeverwal in het landschap duidelijker te laten zien. Daarnaast is het wenselijk om de kleinschaligheid en het groene karakter van de oeverwal te versterken. Op grotere afstand van de kernen verschuift het beeld geleidelijk van besloten naar halfopen. Verder van de kernen af zal het zicht op het open komgebied gehandhaafd blijven. Bomenrijen staan vooral loodrecht op de dijk. Het initiatief bevat een landschappelijk inpassingsplan, welke bijgevoegd is in bijlage 3. In dit bestemmingsplan is afgestemd op het landschapsbeleid en het landschapstype oeverwal. Het landschappelijk inpassingsplan omvat met name een landschappelijke inpassing rond het perceel, met name aan de dijkzijde van de betonnen wand. Verder zal het gedeelte, waar de erfverharding komt te vervallen, landschappelijk worden ingepast. 3.4.4 Archeologie en Cultuurhistorie Archeologie De Nederlandse wetgeving ten aanzien van archeologische waarden is momenteel aan veranderingen onderhevig. De Monumentenwet 1988 is vanaf 1 juli 2016 deels overgegaan in de Erfgoedwet. De onderdelen over omgevingsrecht uit de Monumentenwet gaan (naar verwachting) in 2021 over naar de Omgevingswet. Voor deze laatste onderdelen is een overgangsregeling in de Erfgoedwet opgenomen voor de periode 2016-2021.
De Erfgoedwet en de Omgevingswet regelen de omgang met het archeologisch erfgoed. Uitgangspunt van de wetgeving is om het archeologisch erfgoed zoveel mogelijk ter plekke te bewaren en beheermaatregelen te nemen om dit te bewerkstelligen. Op grond van deze wetten worden gemeenten verantwoordelijk geacht voor de bescherming van archeologische waarden. Artikel 9.1 (overgangsrecht omgevingswet) van de Erfgoedwet zegt: Voormalig artikel 38a Monumentenwet: De gemeenteraad houdt bij de vaststelling van een bestemmingsplan of een beheersverordening als bedoeld in artikel 3.1, onderscheidenlijk artikel 3.38, van de Wet ruimtelijke ordening en bij de bestemming van de in het plan begrepen grond, rekening met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten (lees: archeologische resten) 2 De oeverwal is een hoger gelegen rug in het landschap en ligt hoog en droog, binnendijks op enige afstand van de
rivier de Maas. Het karakter van de oeverwal is kleinschalig en halfopen tot besloten. Het verkavelingspatroon op de oeverwal is blokvormig en overwegend regelmatig. Bebouwing (veelal geconcentreerd in kleine kernen en in bebouwingslinten), beplantingselementen (houtwallen, een enkele boomgaard) en grondgebruik (grasland, bouwland) bepalen hier de maat van de ruimte. (Bron: Nota Landschapsbeleidsplan 2015 Oss).
Pastoor van Weerdtstraat 16 Teeffelen , pag. 31 van 64
Voormalig artikel 41 Monumentenwet: De aanvrager van een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onderdeel c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (o.a. gebruiken van gronden in strijd met een bestemmingsplan) kan in het belang van de archeologische monumentenzorg worden verplicht een rapport over te leggen, waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord naar het oordeel van het bevoegd gezag als bedoeld in artikel 1.1 van die wet in voldoende mate is vastgesteld. Archeologiebeleid gemeente Oss Het provinciale archeologisch beleid is neergelegd in de Interim omgevingsverordening Noord – Brabant van 25 oktober 2019 en op de provinciale Cultuurhistorische waardenkaart 2010, herzien 2016. Hierin is de bescherming van aardkundig waardevolle gebieden en archeologische landschappen geregeld. Het gemeentelijk archeologisch beleid is veel gedetailleerder dan het algemene provinciale beleid op dit punt en prevaleert daarom ook boven het provinciale archeologisch beleid. Overigens is het gemeentelijk beleid getoetst door de provincie en akkoord bevonden. Op 14 oktober 2010 heeft de gemeente Oss haar ‘archeologiebeleid’ vastgesteld. In 2015 heeft de gemeenteraad het archeologiebeleid opnieuw vastgesteld. Dit was nodig vanwege de gemeentelijke herindeling met Maasdonk.
Onderdeel van de vaststelling in 2015 is het rapport 'Actualisatie archeologiebeleid gemeente Oss, een herziene archeologische beleidskaart voor het nieuwe grondgebied van de gemeente Oss' (Goddijn, 2012). Aan de hand van onderzoeken, inzichten en boringen in het veld zijn de eerdere archeologische kaarten gedeeltelijk bijgesteld. Op de beleidskaart is sprake van meerdere beleidscategorieën (zie onderstaande tabel). In het beleid is per beleidscategorie vastgelegd wanneer sprake is van een onderzoeksplicht en wanneer ontwikkelingen hiervan zijn vrijgesteld. Verwachting/waarde Archeologisch beschermd rijksmonument Archeologisch (AMK-) monument Beschermde stadsgezichten Historische stads-/dorpskern Hoge verwachtingswaarde Hoge verwachtingswaarde – bedrijventerrein Middelhoge verwachtingswaarde Lage verwachtingswaarde Reeds onderzocht Verstoord
Vrijstellingsgrenzen 0 m2 / 30 cm -Mv 35 m2 / 30 cm -Mv 50 m2 / 30 cm -Mv 100 m2 / 30 cm -Mv 1.000 m2 / 30 cm -Mv 5 hectare / 30 cm -Mv Afhankelijk van de resultaten van het reeds uitgevoerde onderzoek Geen onderzoeksplicht
Volgens de archeologische beleidskaart heeft de projectlocatie een hoge verwachtingswaarde. Vanuit het archeologiebeleid geldt een archeologische onderzoeksplicht als de bodemingrepen dieper zijn dan 30 cm beneden het huidige maaiveld én de omvang van het gebied groter is dan 100 m². Cultuurhistorie In 2004 heeft de gemeente het ‘Erfgoedplan gemeente Oss’ opgesteld. In dit Erfgoedplan wordt zo goed mogelijk in beeld gebracht welke monumentale, archeologische, cultuurhistorische en landschappelijke waarden de gemeente kent. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen dient rekening te worden gehouden met de aanwezige cultuurhistorische waarden. Een belangrijk aspect in dit beleid is een integrale aanpak van het erfgoed in de gemeente. Hieronder vallen monumentenzorg, archeologie en cultuurhistorische waarden in het landschap. Dat wil zeggen, het behoud en beheer van het monumentale gebouw of object blijft alle aandacht en zorg houden, maar de methoden om dit behoud te garanderen zijn in een groter verband geplaatst. Om deze reden is sprake van een ontwikkeling van zorg voor gebouwen naar integraal beheer van cultuurhistorisch erfgoed. De zorg en zorgvuldige omgang met archeologische en landschappelijke waarden speelt hierin mee.
Door deze gewijzigde benadering is het van belang in een vroeg stadium van stadsontwikkeling of gebiedsverandering de positie van monumenten en van archeologische en cultuurhistorische landschappelijke waarden zo optimaal mogelijk te bepalen. Positief gevolg hiervan is dat monumenten, archeologische gegevens en landschap meewegen en zo mogelijk het uitgangspunt gaan vormen voor ruimtelijke ontwikkelingen. De bescherming van rijksmonumenten en gemeentelijke monumenten is geregeld in de Monumentenwet 1988 en in de Monumentenverordening Oss die in 2010 is vastgesteld. In de verordening zijn
Pastoor van Weerdtstraat 16 Teeffelen , pag. 32 van 64
verbodsbepalingen met betrekking tot beschermde monumenten opgenomen. De beschermde monumenten staan vermeld in de gemeentelijke monumentenlijst. De monumenten zijn tevens opgenomen in de Welstandsnota gemeente Oss. Ze vallen als specifieke objecten onder welstandsniveau 1. De bescherming van monumenten vindt aldus via twee sporen plaats. Voor het bouwen op, bij, aan of in een monument is altijd een omgevingsvergunning nodig. De welstandstoetsing maakt deel uit van de omgevingsvergunningsprocedure. Wanneer een te verbouwen bouwwerk onder de werking valt van de Monumentenwet 1988 of van een gemeentelijke verordening is, naast een omgevingsvergunning voor het bouwen tevens een ‘monumentenvergunning’ nodig. Beide toetsen verschillen inhoudelijk. De ‘monumentale’ toetsing vindt plaats aan de hand van de redengevende beschrijving die ten grondslag heeft gelegen aan de aanwijzing tot monument. De wijziging aan het bouwwerk wordt beoordeeld binnen het kader van de monumentale en historische waarde ervan zoals vastgelegd in de beschrijving. In de welstandstoetsing wordt het te wijzigen bouwwerk beoordeeld naar redelijke eisen van welstand van het bouwwerk op zichzelf (aan de hand van de in de welstandsnota vastgelegde welstandscriteria) en in relatie tot zijn omgeving.
Met betrekking tot dat laatste aspect is in de welstandsnota geregeld dat bij toetsing van een bouwplan aan omliggende panden, binnen een straal van 25 meter van een monument rekening dient te worden gehouden met de uitstraling van het monument. De bescherming van gemeentelijke stads- of dorpsgezichten is eveneens geregeld in de Monumentenverordening 2010. Hierin is opgenomen dat de gemeenteraad ter bescherming van een beschermd gemeentelijk stads- of dorpsgezicht een bestemmingsplan vaststelt. Conclusie archeologie: Aan de projectlocatie is archeologische waarden ‘hoog’ toegekend (bron: www.ruimtelijkeplannen.nl). Voor de gebieden met een hoge archeologische waarde geldt een onderzoeksplicht bij een oppervlakte van meer dan 100 m2 en dieper dan 30 centimeter ten opzichte van het maaiveld. Sprake is van legalisatie van een bestaande situatie. De wand betreft betonnen blokken, waarvoor geen graafwerkzaamheden hebben hoeven plaats te vinden. Conclusie cultuurhistorie: Er vindt geen uitbreiding in bebouwing en verharding plaats. De verharding en de betonnen wand is al lang ter plaatse aanwezig. Na de beoogde situatie zal de oppervlakte verharding afnemen. Op de locatie blijft hetzelfde bedrijf aanwezig, waardoor geen aantasting plaatsvindt van de cultuurhistorische waarden.
3.4.5 Welstandsnota Gemeente Oss Op 24 september 2020 is de Welstandsnota ‘Samen bouwen aan een mooi Oss, Nota uiterlijk van bouwwerken Oss 2020’. Samen bouwen aan een mooi Oss; Het realiseren van ruimtelijke kwaliteit is een verantwoordelijkheid van alle betrokkenen bij bouwprojecten in Oss. De gemeente Oss vertrouwt erop dat professionele en particuliere initiatiefnemers en hun architecten die verantwoordelijkheid oppakken en zo bijdragen aan een goede leefomgeving. Daarbij blijft de gemeente de mogelijkheid bieden voor professionele, maar vrijblijvende (niet bindende) advisering over bouwplannen. Met deze nota geldt in principe voor het gehele grondgebied van de gemeente een welstandsvrij beleid. Nieuwe bouwaanvragen hoeven derhalve niet voorgelegd te worden om getoetst te worden aan ‘redelijke eisen van welstand’. Er gelden drie uitzonderingssituaties; -
bebouwing binnen beschermde stads- en dorpsgezichten;
-
monumenten;
- bebouwing binnen gebieden waar een beeldkwaliteitsplan geldt. Voor deze bebouwing is een welstandsadvies wél verplicht. Conclusie: De projectlocatie is niet gelegen in één van de genoemde uitzonderingssituaties. Binnen de projectlocatie wordt een betonnen wand gelegaliseerd. Bij de landschappelijke inpassing wordt rekening gehouden dat deze passend wordt in het gebied.
Pastoor van Weerdtstraat 16 Teeffelen , pag. 33 van 64
3.4.6 Verkeer Mobiliteitsvisie, Balans in beweging In de mobiliteitsvisie (2009) staan drie begrippen centraal; bereikbaarheid, verkeersveiligheid en leefbaarheid. Het centrale doel van de mobiliteitsvisie is het in balans brengen van de bereikbaarheid, leefbaarheid en veiligheid in de gemeente, nu en in de toekomst. Om deze balans te bereiken streeft de gemeente naar een verschuiving in het gebruik van vervoerswijzen. Een groter deel van de verplaatsingen moet plaats gaan vinden met de fiets of met het openbaar vervoer. Dit is nodig om Oss bereikbaar en leefbaar te houden. Oss wil de verschuiving bereiken door het gebruik van fiets en openbaar vervoer te stimuleren. Deze vervoerswijzen moeten veilig en comfortabel zijn en men moet snel op de plaats van bestemming kunnen komen. De goede bereikbaarheid is met name gericht op de economisch belangrijke gebieden van Oss. De bedrijventerreinen vallen hieronder. De doorstroming op de wegen naar de bedrijventerreinen (i.c. N329) moet optimaal zijn. Hoewel de bereikbaarheid van de economisch belangrijke gebieden voor alle vervoerswijzen goed moet zijn, streeft de gemeente wel naar een verschuiving van vervoerswijze. Korte verplaatsingen moeten bij voorkeur per fiets of te voet afgelegd worden en niet per auto. Voor het vervoer van goederen zal het gebruik van water en spoor verder gestimuleerd worden.
In de uitwerkingsfase zullen de doelstellingen uit de visie langs drie lijnen worden uitgewerkt: infrastructuur, gedrag en organisatie. Er heeft inmiddels een uitwerking plaatsgevonden in de deelplannen Wegen, Fiets, Openbaar Vervoer en Gedrag. Parkeren Op 22 augustus 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders de nota “parkeernormen voor woonwijken” vastgesteld. In deze notitie staat beschreven welke parkeernormen gehanteerd moeten worden bij nieuwe projecten (zowel uitbreidingen als herstructurering). Uitgangspunt voor herontwikkeling is dat het parkeren op eigen terrein dient te worden opgelost. Ten aanzien van dit plangebied gaat het echter niet om een nieuwe situatie maar om het vastleggen van een bestaande situatie (enkele kleine ontwikkelingen daargelaten). Verkeer: ontsluitingswegen De ontsluitingswegen blijven onveranderd ten opzichte van de vigerende situatie. Conclusie: Sprake is van een bestaande situatie. De gewenste situatie brengt geen verkeer gerelateerde veranderingen met zich mee ten opzichte van de vergunde situatie. Het parkeren vindt op eigen terrein plaats binnen de projectlocatie. De locatie is reeds goed ontsloten. De ontsluitingswegen blijven onveranderd en opzichte van de vigerende situatie. In de huidige situatie is er geen sprake van problemen met de capaciteit van de weg.
3.4.7 Beleid aan huis gebonden activiteiten Op 22 november 2012 heeft de gemeenteraad het Beleid aan huis gebonden activiteiten – Actualisatie 2012 vastgesteld. Het beleid voor aan huis gebonden activiteiten is opgesteld om mogelijkheden te bieden aan ondernemen vanuit de eigen woning. Door de jaren heen zijn de activiteiten die aan huis worden ondernomen steeds meer divers geworden. Het gaat allang niet meer alleen om een huisarts of accountant aan huis. Er is een breed scala dat aan huis uitgeoefend kan worden. Voorbeelden zijn een adviesbureau, pedicure of afslanksalon. Ook komen er steeds vaker vragen om kleinschalige cursussen te mogen geven, voor kleinschalige kinderopvang, ambachtelijke bedrijfjes of een bed en breakfast. Met het beleid wordt ingespeeld op de veranderende inzichten over aan huis gebonden activiteiten. Er wordt ruimte gegeven aan deze nieuwe vormen om vanuit de thuissituatie te werken. Het gaat dus altijd om een bewoner die de activiteit uitvoert. Een andere belangrijke voorwaarde is steeds dat de activiteit zich goed verhoudt met de woonomgeving. Het beleid aan huis gebonden activiteiten is er op gericht om zoveel mogelijk rechtstreeks toe te staan. Er is een lijst opgesteld met een breed scala aan activiteiten die rechtstreeks mogen worden uitgeoefend in de woning.
Bij het opstellen van de lijst van rechtstreeks toegestane activiteiten is de woonomgeving het uitgangspunt geweest. Dit houdt in dat er geen bedrijven op staan die veel verkeer aantrekken of activiteiten die milieuhinder veroorzaken, die niet past in een woonomgeving. Het oppervlak van de rechtstreeks toegestane activiteiten is 35m2.
Pastoor van Weerdtstraat 16 Teeffelen , pag. 34 van 64
Maar niet alle activiteiten kunnen rechtstreeks in een woning worden uitgevoerd. Soms is een toetsing vooraf nodig. Als dit positief is, wordt toestemming verleend in de vorm van een ‘omgevingsvergunning waarbij van het bestemmingsplan wordt afgeweken’. Bij deze afweging spelen publieksaantrekkende werking en milieu- en verkeersaspecten altijd een rol. Voorbeelden van activiteiten waarbij een toetsing vooraf nodig is zijn: een groter oppervlak dan het toegestane 35 m2, andere activiteiten dan die in de lijst zijn opgenomen of groepsmatige activiteiten. In het nieuwe beleid worden de mogelijkheden voor dit afwijkend gebruik beschreven. Voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor afwijkend gebruik moet de aanvrager een concrete aanvraag om toestemming bij de gemeente indienen.
Pastoor van Weerdtstraat 16 Teeffelen , pag. 35 van 64
Hoofdstuk 4
Verantwoording
4.1 Milieu- en omgevingsaspecten In deze paragraaf wordt ingegaan op de milieu- en omgevingsaspecten die verband houden met, of betrekking hebben op de ruimtelijke ontwikkeling. Het gaat daarbij meestal om de wisselwerking met de omgeving. Welke gevolgen heeft het initiatief voor de omgeving en omwonenden? Maar ook, welke gevolgen hebben activiteiten in de omgeving voor de mogelijkheden op de projectlocatie? 4.1.1 Bedrijven en milieuzonering De handreiking ‘Bedrijven en Milieuzonering’ (editie 2009) is een publicatie van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten en dient als hulpmiddel voor milieuzonering in de ruimtelijke planvorming. Milieuzonering zorgt ervoor dat nieuwe bedrijven een passende locatie in de nabijheid van woningen krijgen en dat nieuwe woningen op een verantwoorde afstand van bedrijven gesitueerd worden. Het waar nodig ruimtelijk scheiden van bedrijven en woningen bij nieuwe ontwikkelingen dient twee doelen: - Het reeds in het ruimtelijke spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar voor woningen; - Aan bedrijven voldoende zekerheid bieden dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitvoeren. De VNG-publicatie is een hulpmiddel om de afstanden tussen bedrijvigheid en woningen concreet in te vullen. Gemeenten beslissen uiteindelijk zelf over een bepaalde locatie.
De handreiking geeft informatie over de ruimtelijk relevante milieuaspecten en bijbehorende richtafstanden van een scala aan bedrijfsactiviteiten. Deze richtafstanden zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit. Er wordt onderscheid gemaakt in de omgevingstypen: - Rustige woonwijk en rustig buitengebied: een woonwijk (of vergelijkbaar omgevingstype) die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Er komen enkel wijkgebonden voorzieningen voor en er is weinig verstoring door verkeer. - Gemengd gebied: een gebied met matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen functies zoals winkels, horeca en kleine bedrijven voor of er is sprake lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid. Ook gebieden direct naast de hoofdinfrastructuur gelegen behoren tot het omgevingstype gemengd gebied, hier is sprake van verhoogde milieubelasting door geluid. Onderhavige locatie is gelegen in omgevingstype ‘rustig buitengebied’. Er komen enkel wijkgebonden voorzieningen voor en er is weinig verstoring door verkeer. Een agrarisch loonbedrijf is niet opgenomen in de handreiking. Meest overeenkomende bedrijfsvorm is de categorie ‘Dienstverlening t.b.v. de landbouw, algemeen (o.a. loonbedrijven, b.o. > 500 m 2)’.
Conform de handreiking behoren deze bedrijven tot milieucategorie 3.1, waarvoor een richtafstand voor geur, stof, geluid en gevaar van resp. 30, 10, 50 en 10 meter is vastgesteld. De bestemmingsgrens bij de woning Pastoor van Weerdtstraat 14 te Teeffelen blijft onveranderd. Het plan voldoet zowel in de vigerende als in de gewenste situatie niet aan de genoemde richtafstanden. Ten opzichte van deze woning vinden er geen wijzigingen plaats. Een andere woning van derden (Beatrixweg 6 te Lithoijen) bevindt zich op een afstand van ca. 50 meter van de gebouwen en voorzieningen ten behoeve van het bedrijf op het perceel Pastoor van Weerdtstraat 16 te Teeffelen. De afstand tussen de bestemmingsvlak van bovenstaand adres tot onderhavig initiatief bedraagt ca. 32 meter. Op grond hiervan kan worden gesteld dat wordt voldaan aan de richtafstanden. Geconcludeerd kan worden dat op voornoemde wijze het initiatief op basis van bovengenoemde richtafstanden niet kan voldoen ten aanzien van het aspect ‘geluid’. In de paragraaf ‘geluid’ in deze ruimtelijke onderbouwing wordt hier nader op ingegaan. Hierin wordt o.a. geconcludeerd dat uit de berekeningsresultaten blijkt dat, ter plaatse van de woning Pastoor van Weerdtstraat 14 niet wordt voldaan aan de richtwaarden van het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau en streefwaarden van het
Pastoor van Weerdtstraat 16 Teeffelen , pag. 36 van 64
maximale geluidsniveau in het kader van de ruimtelijke ordening. In het kader van milieu (Activiteitenbesluit) kan wel worden voldaan aan de richt- en streefwaarden. Verder zijn in het kader van de maximale planologische mogelijkheden rekenpunten gelegd op de bouwvlakken van de woningen Pastoor van Weerdtstraat 14 en de Beatrixweg 6. In het kader van de maximale planologische mogelijkheden, ruimtelijke ordening, dienen op de grenzen van de bouwvlakken de geluidbelasting inzichtelijk te worden gemaakt. Er blijkt dat de richtwaarden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau op het bouwvlak van de Pastoor van Weerdtstraat 14 wordt overschreden. Verder blijkt dat de streefwaarde voor het piekgeluidniveau ter plaatse van het bouwvlak Pastoor van Weerdtstraat 14 met 10 dB(A) wordt overschreden. De overschrijdingen ter plaatse van de hoek van het bouwvlak van de locatie Pastoor van Weerdtstraat 14 worden veroorzaakt door bronnen die op het huidige bouwblok (bestemming bedrijf) rijden. Het feit dat het achterste stuk verharding nu ook bouwblok wordt, verandert daar niets aan. In het kader van milieu (Activiteitenbesluit) hoeft op de bouwvlakken van de woningen Pastoor van Weerdtstraat 14 en de Beatrixweg 6 niet getoetst te worden. Geconcludeerd kan worden dat door de bestemmingswijziging / bouwblokvergroting (verharding), het woon- en leefklimaat in de omgeving niet verslechterd.
4.1.2 Bodem Op basis van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening en artikel 3.2 Algemene wet bestuursrecht, moet in planvorming rekening gehouden worden met de bodemkwaliteit in relatie tot de gewenste functies. In de Bouwverordening van de gemeente Oss is geregeld dat onder bepaalde omstandigheden het oprichten van gebouwen pas kan plaatsvinden als de bodem geschikt is (of geschikt is gemaakt) voor het beoogde doel. Om die reden dient bij iedere nieuwbouwactiviteit de bodemkwaliteit door middel van onderzoek te worden vastgesteld. Conclusie: Sprake is van een bestaande situatie. Het huidig en toekomstig gebruikt blijft hetzelfde. De wijziging betreft het vergroten van het bestemmingsvlak ten behoeve van het legaliseren van erfverharding en een betonnen wand. 4.1.3 Externe veiligheid Rijkskader Externe veiligheid behandelt de risico's die ontstaan als gevolg van opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen. Deze risico’s kunnen hun weerslag hebben op de omgeving. Het wettelijke kader voor externe veiligheid bestaat onder meer uit: -
het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi)
-
het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb)
-
het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt)
- en het Regeling basisnet. Indien van toepassing moet in het kader van een goede ruimtelijke ordening getoetst worden aan overige wet- en regelgeving met betrekking tot externe veiligheid zoals bijvoorbeeld het Activiteitenbesluit en Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen. Enerzijds gaat het over de risicobronnen (bedrijven of transportroutes). Anderzijds gaat het over de risicoontvangers (omstanders die niets met de opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen te maken hebben). Wat betreft de risico-ontvangers maakt de wetgeving onderscheid in kwetsbare objecten en beperkt kwetsbare objecten. Kwetsbare objecten zijn gebouwen, waarin (of waarbij) groepen van circa 50 personen of groter, gedurende langere aaneengesloten tijd verblijven. Ook sommige gebouwen waarin/waarbij kleinere groepen verblijven, worden als kwetsbaar object gezien, wanneer die personen beperkt zelfredzaam zijn (zoals zieken, bejaarden of gehandicapten). Beperkt kwetsbare objecten zijn verspreid liggende woningen en bedrijven waarin/waarbij groepen van minder dan 50 personen gedurende langere aaneengesloten tijd verblijven. In de landelijke wetgeving wordt meer gedetailleerd beschreven wat er onder kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten wordt verstaan. Belangrijk is hierbij dat de opsomming in de wetgeving niet limitatief is, zodat er in de verdere uitwerking van het beleid nog enige vrijheid rest.
Pastoor van Weerdtstraat 16 Teeffelen , pag. 37 van 64
De externe veiligheidsrisico’s worden uitgedrukt in het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR) binnen het invloedsgebied. In onderstaand kader worden deze risico’s nader uitgelegd. Plaatsgebonden risico (PR) Het plaatsgebonden risico geeft inzicht in de theoretische kans op overlijden van een individu op een bepaalde horizontale afstand van een risicovolle activiteit. Het plaatsgebonden risico wordt bepaald door te stellen dat een (fictief) persoon zich 24 uur per dag gedurende een heel jaar onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt. De plaatsgebonden risicocontour is een contour waarbij alle punten met een gelijk risico met elkaar verbonden worden. Deze punten worden bepaald door de kans van optreden van diverse ongeval scenario’s. De grenswaarde voor het plaatsgebonden risico is 10 -6 per jaar en geldt voor nieuwe situaties. Hierbinnen mogen geen kwetsbare objecten worden toegevoegd en ook nieuwe beperkt kwetsbare objecten, zijn in beginsel niet toegestaan. Als het plaatsgebonden risico 10-8 per jaar is, wordt het als verwaarloosbaar beschouwd. Groepsrisico (GR) Het groepsrisico wordt behalve de ongevalfrequentie en het aantal transporten van gevaarlijke stoffen, tevens bepaald door de hoeveelheid aanwezige mensen in de nabijheid van een mogelijk ongeval.
Met het groepsrisico wordt aangegeven hoe groot het aantal dodelijke slachtoffers bij een ongeval kan zijn op basis van de hoeveelheid aanwezige mensen. Naarmate de groep slachtoffers groter wordt, moet de kans op een dergelijk ongeval (kwadratisch) kleiner zijn. Bij het bepalen van het groepsrisico wordt getoetst aan de oriëntatiewaarde, hiervoor zijn geen vaste contouren beschikbaar. Invloedsgebied Gebied aan weerszijden van een weg, spoorweg of binnenwater waar ten hoogste 1% van de in dat gebied aanwezige personen kan overlijden als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval op die weg, spoorweg of binnenwater waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Voor wat betreft risicobedrijven is het invloedsgebied het gebied, dat in het Reglement externe veiligheid inrichtingen is bepaald, waarin personen worden meegeteld voor de berekening van het groepsrisico. Gemeentelijk kader Ook in de gemeente Oss zijn risicobronnen aanwezig in de vorm van transportassen en stationaire activiteiten. Dit vraagt om een gemeentelijke visie. Op 19 mei 2011 heeft de gemeenteraad de Beleidsvisie Externe veiligheid vastgesteld. Deze beleidsvisie beschrijft op welke manier de gemeente Oss externe veiligheid in haar afwegingen betrekt. Conclusie onderhavig plangebied: Onderstaand figuur betreft een uitsnede uit de risicokaart van de provincie Noord-Brabant.
Pastoor van Weerdtstraat 16 Teeffelen , pag. 38 van 64
Figuur 18: Uitsnede risicokaart provincie Noord-Brabant, plangebied is globaal rood omcirkeld
Conclusie: Inrichtingen De projectlocatie is niet gelegen binnen het invloedsgebied van o.g.v. het Bevi aangewezen inrichtingen. Hierdoor is een toetsing dan ook niet aan de orde. In de nabijheid van de projectlocatie zijn geen bedrijven aanwezig welke de beoogde ontwikkeling belemmeren. Transport Het plan ligt niet binnen het invloedsgebied van een hoge druk aardgasleiding. Hierdoor is de toetsing dan ook niet aan de orde. Vlakbij de projectlocatie ligt de Beatrixweg (N626) waarover de stoffen LF1 en LF2 vervoerd worden. Deze stoffen hebben een invloedsgebied van 45 meter. De projectlocatie ligt op circa 60 meter van deze transportroute, dus ligt daarmee niet binnen het invloedsgebied van deze weg. De ontwikkeling ligt buiten de invloedsfeer van zowel het spoortraject als de [Rijks]weg. Daarom is verdere beoordeling aan het Bevt, waaronder de verantwoordingsplicht voor het groepsrisico, niet van toepassing. Risicokaart De risicokaart toont niet alleen risicosituaties met gevaarlijke stoffen, maar ook andere risico’s. Deze risico’s worden op de risicokaart aangeduid als `overig`.
Deze overige risico’s zijn ingedeeld in de volgende ramptypen: - luchtvaartongevallen; - ongeval op water; - verkeersongevallen op land; - tunnelongevallen; - brand in (grote) gebouwen (zie kwetsbare objecten); - instorting van gebouwen (zie kwetsbare objecten); - verstoring van de openbare orde; - paniek in menigte; - overstroming; - natuurbranden. Aangaande de projectlocatie is er volgens de risicokaart een klein risico op een natuurramp ‘overstroombaar gebied’ aanwezig. Het initiatief betreft daarnaast geen kwetsbaar object 3 of een beperkt 3 Kwetsbare objecten zijn gebouwen, waarin (of waarbij) groepen van circa 50 personen of groter, gedurende langere
aaneengesloten tijd verblijven. Ook sommige gebouwen waarin/waarbij kleinere groepen verblijven, worden als
Pastoor van Weerdtstraat 16 Teeffelen , pag. 39 van 64
kwetsbaar object4 in de zin van de wet. Onderhavig plan ondervindt geen belemmeringen op het gebied van externe veiligheid. Overige wet- en regelgeving Indien van toepassing moet in het kader van een goede ruimtelijke ordening getoetst worden aan overige wet- en regelgeving met betrekking tot externe veiligheid zoals bijvoorbeeld het Activiteitenbesluit, de Circulaire LPG en Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen. Uit de Risicokaart volgt dat er voldaan wordt aan de gestelde afstanden. Een verdere toetsing aan het Activiteitenbesluit, de Circulaire LPG of de Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen is derhalve niet noodzakelijk voor voorliggend initiatief. 4.1.4
Geurhinder: agrarisch
De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) is het beoordelingskader voor geur bij milieuvergunningen, bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen. Het gaat uitdrukkelijk om agrarische geur van landbouwhuisdieren uit dierstallen. De wet maakt onderscheid tussen geurnormen voor intensieve en extensieve veehouderijen. De geurbelasting van intensieve veehouderijen wordt berekend en uitgedrukt in de vorm van een geurcontour. De geurbelasting van extensieve veehouderijen wordt uitgedrukt in vaste afstanden. De gemeente Oss heeft op basis van de wet een eigen geurbeleid opgesteld. Het geurbeleid bestaat uit twee delen: de “Geurgebiedsvisie 2013” en de “Agrarische geurverordening gemeente Oss 2013”. Het hanteert per soort gebied een eigen geurnorm en streeft de volgende doelen na: -
de burger beschermen tegen geurhinder
- de veehouderijen niet onnodig beperken ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk maken, onder de voorwaarde dat er een aanvaardbaar woon- en leefklimaat is. De gemeentelijke “Beleidsregel ruimtelijke ontwikkelingen en geurhinder” is van belang voor de vraag of een ruimtelijke ontwikkeling kan plaatsvinden. De beleidsregel geeft aan wanneer sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Conclusie: Bij het beoordelen van het aspect geur zijn twee vragen van belang: 1. Worden omliggende agrarische bedrijven in hun bedrijfsvoering belemmerd? 2. Is er sprake van een goed woon- en leefklimaat binnen het projectgebied? Ad 1. De vergroting van het bestemmingsvlak vindt ten zuiden van het bestaande bestemmingsvlak plaats. Voor het agrarisch bedrijf aan de Lutterstraat 1 te Lithoijen wordt de afstand verkleind. Dit bedrijf is gelegen op ruim 750 meter van de projectlocatie. Verkleining van afstand heeft geen invloed op de bedrijfsvoering c.q. op de ontwikkelingsmogelijkheden van dit agrarisch bedrijf. Voor de overige agrarische bedrijven in de omgeving wordt de afstand van de projectlocatie tot omliggende veehouderijbedrijven niet verkleind. Het dichtstbijgelegen agrarisch bedrijf van derden is gelegen op ca. 600 meter van de projectlocatie. De omliggende agrarische bedrijven worden hiermee niet in hun bedrijfsvoering belemmerd. Ad 2.
In de ‘Verordening 2017 – Harmonisatie Geurnormen’ is als bijlage een kaart opgenomen waarop de beoordeling leefklimaat op basis van de indicatieve achtergrondbelasting ten aanzien van geurhinder voor de voor de situatie 2015 opgenomen. In de onderstaande figuur is een uitsnede van deze kaart weergegeven.
kwetsbaar object gezien, wanneer die personen beperkt zelfredzaam zijn (bijv. zieken, bejaarden of gehandicapten). (bron: Beleidsvisie externe veiligheid Oss). 4 Beperkt kwetsbare objecten zijn verspreid liggende woningen en bedrijven waarin/ waarbij groepen van minder dan 50 personen gedurende langere aaneengesloten tijd verblijven. (bron: Beleidsvisie externe veiligheid Oss).
Pastoor van Weerdtstraat 16 Teeffelen , pag. 40 van 64
Figuur 19: uitsnede geurgebiedsvisie gemeente Oss, beoordeling leefklimaat op basis van de indicatieve achtergrondbelasting ten aanzien van geurhinder (bron: gemeente Oss), locatie projectlocatie is globaal rood omcirkeld.
Uit de bovenstaande figuur blijkt dat de achtergrondconcentratie binnen de projectlocatie een goed woon- en leefklimaat heeft. Bij de aanduiding ‘goed’ bedraagt de achtergrondbelasting tussen de 3,1 en 7,4 ouE/m3. Dit is onder de norm van 20 ouE/m3 welke is vastgelegd in de Vr-NBr. Gelet op bovenstaande kan worden geconcludeerd dat er voor het aspect geur geen belemmeringen zijn voor het uitvoeren van het initiatief. 4.1.5 Geur: industrieel Het nationale industriële geurbeleid is vastgelegd in de Nederlandse emissierichtlijn (NeR). De brief van het ministerie van Infrastructuur en Milieu van 30 juni 2005 stelt het rijksbeleid in grote lijnen vast. Het algemene uitgangspunt is het voorkomen van (nieuwe) hinder. Dit uitgangspunt vormt samen met het toepassen van de Beste Beschikbare Techniek (BBT) de kern van het geurbeleid. Uitgangspunten van het rijksbeleid zijn: - als er geen hinder is, zijn maatregelen niet nodig; - als er wel hinder is, worden maatregelen getroffen op basis van het Beste Beschikbare Techniekprincipe; - de gemeente stelt vast welke mate van hinder acceptabel is. Gemeenten en provincies hebben de bevoegdheid om een eigen geurbeleid vast te stellen. De provincie Noord-Brabant heeft een eigen geurbeleid voor provinciale bedrijven, de Beleidsregel beoordeling geurhinder omgevingsvergunningen industriële bedrijven Noord-Brabant.
De gemeente Oss heeft geen eigen industrieël geurbeleid. Per situatie stelt de gemeente Oss vast of sprake is van een acceptabel geurniveau. Er zijn verschillen in het niveau van bescherming mogelijk. Voor een bedrijfswoning kan bijvoorbeeld een hogere geurbelasting gehanteerd worden dan voor aaneengesloten woonbebouwing.
Pastoor van Weerdtstraat 16 Teeffelen , pag. 41 van 64
Conclusie: De bestemmingsgrens bij de woning Pastoor van Weerdtstraat 14 te Teeffelen blijft onveranderd. Het plan voldoet zowel in de vigerende als in de gewenste situatie niet aan de genoemde richtafstanden. Ten opzichte van deze woning vinden er geen wijzigingen plaats. Om overlast naar de woning Beatrixweg 6 te Teeffelen te voorkomen is in het principebesluit als uitgangspunt genomen dat een gedeelte van de betonnen wand en erfverharding komt te vervallen zodat een grotere ruimtelijke scheiding ontstaat en ten behoeve van groen. Door dit standpunt van de gemeente wordt voldaan aan de benodigde richtafstand tot deze woning. 4.1.6 Luchtkwaliteit Het beleid en de regelgeving over luchtkwaliteit heeft tot doel om mensen te beschermen tegen de gezondheidseffecten van luchtverontreiniging. Ze bevatten luchtkwaliteitsnormen voor verschillende stoffen. Ruimtelijke plannen of projecten die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit, zoals bestemmingsplannen, dienen getoetst te worden aan de Wet milieubeheer (afdeling 5.2.). Deze wet bevat grenswaarden voor de stoffen zwaveldioxide, stikstofdioxide, stikstofoxiden, fijn stof, lood, benzeen en koolmonoxide in de buitenlucht. In Nederland zijn de maatgevende luchtverontreinigende stoffen stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Overschrijding van de grenswaarden van andere stoffen komt bijna niet voor.
De wet maakt onderscheid tussen kleine en grote ruimtelijke projecten. Kleine projecten zijn projecten die de luchtkwaliteit niet ‘in betekende mate’ (NIBM) verslechteren. Deze projecten hoeven niet meer beoordeeld te worden op luchtkwaliteit. Ze zijn namelijk zo klein dat ze geen wezenlijke invloed hebben op de luchtkwaliteit. Er is geen belemmering als een klein project niet of nauwelijks bij draagt aan luchtverontreiniging, óók niet in overschrijdingsgebieden (gebieden met te veel luchtvervuiling). De ministeriële Regeling NIBM geeft aan in welke gevallen een nieuw project in ieder geval een NIBMproject is. Dit is bijvoorbeeld het geval als er minder dan 500 woningen worden gebouwd bij minimaal één ontsluitingsweg, of minder dan 1.000 woningen bij twee ontsluitingswegen. Het Besluit gevoelige bestemmingen beperkt de vestiging van zogeheten ‘gevoelige bestemmingen’, zoals een school, in de nabijheid van provinciale en rijkswegen. Het besluit is gericht op bescherming van mensen met een verhoogde gevoeligheid voor fijn stof (PM10) en stikstofdioxide (NO2), met name kinderen, ouderen en zieken. Daartoe voorziet het besluit in zones waarbinnen luchtkwaliteitsonderzoek nodig is: 300 meter aan weerszijden van rijkswegen en 50 meter langs provinciale wegen, gemeten vanaf de rand van de weg.
Waar in zo’n onderzoekszone de grenswaarden voor PM 10 of NO2 (dreigen te) worden overschreden, mag het totaal aantal mensen dat hoort bij een ‘gevoelige bestemming’ niet toenemen. Dit wordt bereikt door op zo’n plek de vestiging van bijvoorbeeld een school niet toe te staan. Bij uitbreidingen van bestaande gevoelige bestemmingen is een eenmalige toename van maximaal 10% van het totale aantal blootgestelden toegestaan. De volgende gebouwen met de bijbehorende terreinen zijn aangemerkt als gevoelige bestemming: scholen, kinderdagverblijven, en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Het gaat hierbij niet om bestemmingen in de meest enge zin van het woord, maar om alle vergelijkbare functies, ongeacht de exacte aanduiding ervan in bestemmingsplannen en andere besluiten. Van doorslaggevend belang is de (voorziene) functie van het gebouw en het bijbehorende terrein. In de context van dit besluit worden ziekenhuizen, woningen en sportaccommodaties dus niet als gevoelige bestemming gezien. De gemeente heeft geen eigen regelgeving en beleid over luchtkwaliteit. Niet in betekende mate bijdragen In de Algemene Maatregel van Bestuur “Niet in betekende mate bijdragen” (Besluit NIBM) en de ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM) zijn de uitvoeringsregels vastgelegd die betrekking hebben op het begrip NIBM. Per 1 augustus 2009 geldt als NIBM 3% van de grenswaarde.
In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen opgenomen die Niet in Betekende Mate bijdragen aan de luchtverontreiniging (specifiek gekwantificeerde bedrijfsactiviteiten of het realiseren van kantoor- en woningbouwlocaties in een maximale omvang). Deze gevallen kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Ook als het bevoegd gezag op een andere wijze, bijvoorbeeld door berekeningen, aannemelijk kan maken dat het geplande project NIBM bijdraagt, kan toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit achterwege blijven.
Pastoor van Weerdtstraat 16 Teeffelen , pag. 42 van 64
Om versnippering van in betekende mate (IBM) projecten in meerdere NIBM-projecten te voorkomen is in het Besluit NIBM een anti-cumulatieartikel opgenomen. In de Handreiking NIBM is de toepassing van het Besluit NIBM en de Regeling NIBM toegelicht en uitgewerkt. De bijdrage van NIBM-projecten aan de luchtverontreiniging wordt binnen het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) gecompenseerd met algemene maatregelen. NIBM-tool Voor kleinere ruimtelijke plannen verkeersplannen die effect kunnen hebben op de luchtkwaliteit heeft het ministerie van Infrastructuur en Milieu in samenwerking met Kenniscentrum InfoMil een specifieke rekentool ontwikkeld. Daarmee kan op een eenvoudige en snelle manier worden bepaald of een plan niet in betekende mate bijdraagt (NIBM) aan de concentratie van een stof in de buitenlucht. Het doel van deze tool is: - Eenvoudig en snel bepalen of een plan in betekende mate bijdraagt aan de concentratie van een stof in de buitenlucht. - Het beperken van de onderzoekslast bij kleinere projecten. - Het vaststellen van grenzen voor het aantal extra voertuigbewegingen, dat niet zal leiden tot een concentratietoename die groter is dan de grens voor niet in betekende mate. Voor de transportbewegingen t.b.v. het loonbedrijf, zoals aanwezig en beoogd binnen de projectlocatie, is uitgegaan van een maximaal standaard worst-case scenario.
Hierbij is uitgegaan van het maximaal extra aantal voertuigbewegingen (weekdaggemiddelde) wat volgens de NIBM-tool mogelijk is. Dit betreffen veel meer transportbewegingen welke plaatsvinden op 1 dag als dat in de feitelijke situatie op 1 dag plaats zullen vinden binnen de projectlocatie. Omdat bij een loonbedrijf de voertuigbewegingen met name bestaan uit zwaardere voertuigen (vrachtwagens en tractoren) welke vergelijkbaar kunnen worden geacht met vrachtverkeer zijn wij er in deze situatie van uitgegaan dat het aandeel vrachtverkeer 70% van de extra voertuigbewegingen (weekdaggemiddelde bedraagt). Dit betekend dat maximaal 150 extra voertuigbewegingen (weekdaggemiddelde) op de locatie plaats kunnen vinden zodat de bijdrage van het extra verkeer niet in betekende mate is, zie onderstaande figuur.
Figuur 20: Worst-case berekening voor de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van een plan op luchtkwaliteit
Conclusie: Het project maakt een ontwikkeling mogelijk, die van geringere omvang is dan wat hiervoor is aangegeven. Op basis hiervan kan worden geconcludeerd dat de luchtkwaliteit niet “in betekende mate” zal verslechteren. Derhalve hoeft niet nader op het aspect luchtkwaliteit te worden ingegaan. Concentratie fijnstof (PM10) en haalbaarheid van de ontwikkeling De wijziging van de bestemming mag omliggende veehouderijbedrijven niet belemmeren in hun (toekomstige) bedrijfsvoering. Beoordeling van luchtkwaliteit gebeurt alleen op locaties waar significante blootstelling van mensen plaatsvindt.
Pastoor van Weerdtstraat 16 Teeffelen , pag. 43 van 64
Conclusie: In deze situatie wordt t.o.v. de huidige vigerende situatie (door de uitbreiding van het bestemmingsvlak) geen nieuwe woonfunctie of verblijfsfunctie gecreëerd. Hierdoor worden in deze situatie geen nieuwe toetsingspunten gerealiseerd t.o.v. de vigerende situatie waarop een veehouderij moet toetsen. 4.1.7 Straling Het beleid voor elektromagnetische velden is opgenomen in het Nationaal Milieubeleidsplan (NMP4), de Toekomstagenda Milieu en de beleidsnota Nuchter Omgaan met Risico's, beslissen met gevoel voor onzekerheden (2004). Het ministerie van Infrastructuur en milieu heeft het beleid voor bovengrondse hoogspanningslijnen uitgewerkt in een advies van oktober 2005. Dit advies is verder toegelicht in een brief van november 2008. De gemeente Oss heeft in het Milieubeleidsplan 2010-2014 het rijksadvies vastgelegd als beleidsuitgangspunt. Dit houdt in dat er bij nieuwbouwplannen of het realiseren van nieuwe hoogspanningslijnen voorkomen dient te worden dat er gevoelige bestemmingen terecht komen in een zone waar het magnetische veld gemiddeld over een jaar hoger is dan de norm van 0,4 microtesla. Conclusie: De projectlocatie is niet gelegen binnen 80 meter van het hart van de hoogspanningsverbinding tot de bestemmingsgrens. 4.1.8 Water De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater.
Ook verbetert de Waterwet de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) stelt een watertoets verplicht voor ruimtelijke plannen waarin waterbelangen spelen. De watertoets bewaakt de waterkwaliteit en waterkwantiteit. Een watertoets is het hele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en beoordelen. Waterhuishoudkundige aspecten zijn onder meer veiligheid, wateroverlast, waterkwaliteit, verzilting en verdroging. De watertoets heeft betrekking op alle wateren: rijkswateren, regionale wateren, gemeentelijke en particuliere wateren en grondwater. De gemeente Oss heeft in 2013 een integraal plan Watertaken vastgesteld. Het plan bestaat uit twee delen. Het “verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan” (vGRP) regelt de zorg voor inzameling en transport van afvalwater. Ook regelt het vGPR een doelmatige verwerking van afvloeiend hemelwater en overtollig grondwater. Daarnaast biedt het plan Watertaken een kader voor de andere watertaken van de gemeente. De gemeente is verantwoordelijk voor de openbare ruimte. Het gaat vooral om de zorg voor oppervlaktewater in bebouwd gebied. De gemeente is ook verantwoordelijk voor een goede ruimtelijke ordening. Het gaat om voldoende ruimte voor water in ruimtelijke plannen. De watertoets is opgenomen in het Besluit op de ruimtelijke ordening (Bro).
Beleid van gemeente, provincie en rijk is van toepassing bij een watertoets. Toetsing van uw waterparagraaf gebeurt op kwaliteit en kwantiteit. De verwerking van hemelwater, afvalwater en planologische ‘waterbestemmingen’ komen aan bod. Conclusie: De projectlocatie is gelegen in het beheersgebied van waterschap Aa en Maas. Daarnaast hebben de drie Brabantse waterschappen, Aa en Maas, De Dommel en Brabantse Delta hebben hun keuren geharmoniseerd. Als onderdeel van dit harmonisatietraject hanteren de waterschappen sinds 1 maart 2015 dezelfde (beleids)uitgangspunten voor het beoordelen van plannen waarbij het verhard oppervlak toeneemt. In deze keur is op basis van artikel 15 van de Algemene regels Keur 2015 bepaald dat bij een toename van het verhard oppervlak van maximaal 2.000 m² geen compensatie vereist is. Dit is verantwoord omdat deze oppervlakte hydrologisch gezien tot dermate kleine afvoeren leiden dat deze geen problemen vormen voor de afvoercapaciteit van het afwateringsstelsel. In deze situatie wordt een toename van het verhard oppervlak van minder dan 2.000 m2 gelegaliseerd. Hierdoor is er geen compensatie vereist omdat deze oppervlakte hydrologisch tot dermate kleine afvoeren leiden dat niet tot problemen leidt voor de afvoercapaciteit van het afwateringsstelsel.
Het waterschap is echter voornemens om vanaf 1 april 2021 de algemene rekenregel toe te passen vanaf een grenswaarde van 500 m2 (in plaats van 2.000 m2). Het waterschap is voornemens deze regel op te nemen in het kader van de droogtebestrijding. Voorliggend plan behelst een toename van het verhard oppervlak van ca. 1.250 m2. Er zullen, door wijziging van de algemene rekenregel daarom maatregelen zoals een retentievoorziening getroffen moeten worden om het hemelwater te infiltreren in de bodem.
Pastoor van Weerdtstraat 16 Teeffelen , pag. 44 van 64
De grootte van de retentievoorziening moet in dat geval worden berekend conform de rekenregel die in de nieuwe Algemene regels van de Keur van de waterschappen is geïntroduceerd. Deze rekenregel luidt als volgt: Benodigde compensatie (in m3) = toename verhard oppervlak (m2) x ‘gevoeligheidsfactor’ x 0,06 (m) De gevoeligheidsfactor is af te leiden uit de kaart die bij de nieuwe Keur is gevoegd. Hierbij is het grondgebied van het desbetreffende waterschap, in dit geval Aa en Maas, verdeeld in drie categorieën. Naarmate de gevoeligheid van een gebied of oppervlaktewatersysteem voor de gevolgen van piekafvoeren lager is, is minder compensatie nodig. Er worden drie waarden voor de gevoeligheidsfactor gehanteerd: ¼ (Laag), ½ (Gemiddeld) en 1 (Hoog). Zoals uit figuur 21 blijkt is er voor de projectlocatie een gevoeligheidsfactor van 1 (Hoog) van toepassing.
Figuur 21: uitsnede kaart ‘Gevoeligheidsfactor’ (bron: Waterschap Aa en Maas)
De factor 0,06 (m) vertegenwoordigt een waterschijf van 60 mm (600 m3/ha) die de hoeveelheid water aangeeft die onder maatgevende omstandigheden daadwerkelijk op het watersysteem terecht zou komen als er geen voorziening wordt aangelegd. Deze is door het waterschap vastgelegd op basis van eigen onderzoek en toekomstscenario’s. Dit is een vast gegeven in de formule. Alle onderdelen van de rekenregel zijn bekend. Dit betekent dat de volgende rekensom gemaakt kan worden. Benodigde compensatie = 1.250 m2 x 1 x 0,06 = 75 m3 Bij de uitwerking van de compenserende maatregelen zal ook rekening gehouden moeten worden met de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG). De voorziening mag namelijk niet dieper worden afgegraven dan de GHG ter plaatse. De gemiddelde hoogste grondwaterstand is af te leiden uit de gedetailleerde bodematlas van de provincie Noord-Brabant. Zoals uit figuur 22 blijkt ligt de gemiddelde hoogste grondwaterstand ter plaatse van de beoogde erfverharding tussen 100 en 120 cm beneden maaiveld.
Pastoor van Weerdtstraat 16 Teeffelen , pag. 45 van 64
Figuur 22: uitsnede Bodematlas ‘Gemiddelde hoogste grondwaterstand’ (bron: provincie Noord-Brabant)
De retentievoorziening die voorzien is voor dit plangebied betreft een infiltratieweide. Het water van de erfverharding wordt richting deze weide (gras met fruitbomen) afgevoerd en zal hier infiltreren in de bodem. De weide heeft een omvang van ca. 530 m2. Rondom de weide zal een kleine wal worden gecreëerd van ca. 15 cm. De omvang van deze infiltratieweide wordt hierdoor 79 m3, en is voldoende van omvang voor opvang van het hemelwater afkomstig van de (toename van de) erfverharding. Op onderstaand figuur is de voorgestelde retentievoorziening weergegeven.
Infiltratieweide ca. 530 m2
Figuur 23: weergave infiltratieweide met rode lijn (bron: landschappelijk inpassingsplan)
Voorwaarden van de gemeente Oss om medewerking te verlening was, gelet op de ligging van de locatie, de goedkeuring van het Waterschap. In bijlage 2 is de ontheffing van het Waterschap Aa en Maas opgenomen voor het plaatsen van de betonnen wand binnen de beschermingszone van de primaire waterkering.
Pastoor van Weerdtstraat 16 Teeffelen , pag. 46 van 64
Onderdeel van het principebesluit is dat een deel van de verharding moet worden verwijderd. In verband met de voorgenomen wijziging is de digitale watertoets ingediend. De digitale watertoets is in bijlage 4 opgenomen. Uit de ingevulde gegevens blijkt dat het waterbelang op deze locatie groot is en dat werkzaamheden binnen de zonering van de waterkering watervergunning plichtig zijn. Voor de beoogde situatie wordt bij het Waterschap een watervergunning aangevraagd. Riolering De beoogde situatie betreft het vergroten van de bestemming ‘bedrijf’. Het bedrijf is aangesloten op de drukriolering. Ten aanzien van het lozen op de drukriolering vinden er geen wijzigingen plaats. Het hemelwater afkomstig van de erfverharding wordt niet op de drukriolering geloosd, maar ter plaatse geïnfiltreerd. Conclusie: Uit deze paragraaf kan worden geconcludeerd dat er ten aanzien van het aspect water geen belemmeringen zijn voor het initiatief. 4.1.9 Weg-, spoor- en industrielawaai De Wet geluidhinder (Wgh) biedt bescherming tegen (spoor)weglawaai en tegen industrielawaai van inrichtingen voor zover gelegen op een gezoneerd industrieterrein. In de Wgh wordt een beperkt aantal typen objecten beschermd, de zogenoemde geluidgevoelige objecten. De Wet geluidhinder kent een stelsel van normen ter voorkoming van geluidhinder.
Ter bescherming van woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen zijn grenswaarden opgenomen. Hierbij is een ondergrens (voorkeursgrenswaarde) en een bovengrens (maximaal toelaatbare grenswaarde) opgenomen. De Wgh biedt gemeenten de mogelijkheid om gericht in te spelen op de lokale situatie door maatwerk te leveren. Burgemeester en wethouders kunnen een hogere waarde vaststellen dan de ondergrens, maar mogen daarbij de bovengrens niet overschrijden. In 2010 heeft de gemeenteraad van Oss de geluidsnota “Geluidskwaliteit in de leefomgeving” vastgesteld. De gemeente Oss maakt hierbij gebruik van gebiedsgericht geluidbeleid. Per gebied wordt een geluidskwaliteit nagestreefd. Zo zijn er ‘rustige gebieden’, ‘dynamische gebieden’ en er zijn gebieden die ten aanzien van geluid onder druk staan. De geluidsnota gaat ook in op de realistische inzet van onderzoek, het stellen van eigen criteria voor het toestaan van een hogere waarde en bedrijfswoningen op industrieterreinen. De gemeente Oss streeft naar een leefbare woonsituatie, ook op locaties met een hoge geluidsbelasting. Deze leefbaarheid wordt bereikt door terughoudend te zijn met hogere grenswaarden en door hieraan voorwaarden te verbinden. Deze voorwaarden leggen de initiatiefnemer of de beheerder een inspanning op voor een leefbare woonomgeving als compensatie voor het bouwen en het veroorzaken van een lawaaiige situatie.