CConstaterende datOss
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 - Concept document gemeenteblad

Gemeenteraad 28 mei 2026, gemeente OssBij agendapunt: B Vaststelling wijziging omgevingsplan Golfbad48.086 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 5 van 6

Hiermee is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties zoals bedoeld in artikel 4.2 Omgevingswet. Onderzoek geluid naar omgeving (LBP Sight) Daarnaast is door LBP Sight het geluid, veroorzaakt door activiteiten in en door de gebouwinstallaties van het Golfbad naar de omgeving beoordeeld. Ten gevolge van netgongestie wordt het zwembadcomplex tijdelijk aangesloten op een warmtekrachtkoppeling (WKK). Hierna wordt het zwembadcomplex aangesloten op de warmtepompen. Die situatie is ook beoordeeld in de rapportage met kenmerk ‘R006_02_L230688_Geluid naar de omgeving’ (zie hieronder bij ‘akoestisch onderzoek WKK (LBP Sight)). Op basis van de beschreven uitgangspunten kan aan de geluideisen uit het Omgevingsplan worden voldaan. Hierbij geldt als voorwaarde dat in de kanalen voor de luchtaanzuiging en luchtafblaas geluiddempers worden toegepast die een geluiddemping realiseren van minimaal 15 dB in de octaafbanden van 63 Hz t/m 4.000 Hz. De hoogste berekende waarde voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus LAr,LT in de avondperiode bedraagt dan 35,0 dB(A) en is daarmee lager dan de grenswaarde van 45 dB(A). Indien muziekgeluid hoorbaar is bij de beoordelingspunten dient een straftoeslag van +10 dB worden toegepast, ook hiermee wordt (net) voldaan aan de grenswaarde in de avondperiode.

In de nachtperiode, als alleen de installaties in bedrijf zijn, bedraagt de hoogste berekende waarde voor het LAr,LT 32,1 dB(A). Ook hier wordt voldaan aan de grenswaarde van 40 dB(A) in de nachtperiode. Met een eventuele straftoeslag van +5 dB voor tonaliteit vanwege de warmtepompen kan ook ruimschoots voldaan worden. Er treden geen relevante maximale geluidniveaus LAmax op. Akoestisch onderzoek WKK (LBP Sight) Op basis van de beschreven uitgangspunten kan aan de geluideisen uit het Omgevingsplan worden voldaan. Hierbij geldt als voorwaarde dat in de kanalen voor de luchtaanzuiging en luchtafblaas geluiddempers worden toegepast die een geluiddemping realiseren van minimaal 15 dB in de octaafbanden van 63 Hz t/m 4.000 Hz. De hoogste berekende waarde voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus LAr,LT in de avondperiode bedraagt dan 34,5 dB(A) en is daarmee lager dan de grenswaarde van 45 dB(A). Indien muziekgeluid hoorbaar is bij de beoordelingspunten dient een straftoeslag van +10 dB worden toegepast, ook hiermee wordt voldaan aan de grenswaarde in de avondperiode. In de nachtperiode, als alleen de installaties in bedrijf zijn, bedraagt de hoogste berekende waarde voor het LAr,LT 31,8 dB(A). Ook hier wordt voldaan aan de grenswaarde van 40 dB(A) in de nachtperiode.

Met een eventuele straftoeslag van +5 dB voor tonaliteit vanwege de warmtepompen kan ook ruimschoots voldaan worden.

75

Concept

(van 1-4-2026 11:16)

Er treden geen relevante maximale geluidniveaus LAmax op. Verkeer en spoorwegverkeer Sport en recreatie hoeven niet beschermd te worden voor het aspect geluid. Sportfaciliteiten worden dan ook niet als gevoelige bestemming gezien, omdat het verblijf op de locatie tijdelijk is. Wel wordt vanuit de GGD geadviseerd om het zwembad voldoende te isoleren tegen geluidsoverlast van binnen en buiten (geluid van het zwembad en geluid van de omgeving). Hier dient bij de verdere uitwerking van het plan rekening mee gehouden te worden.

Concept

Industrielawaai Op grond van art. 18.1 geldt dat de gronden ter plaatse van de aanduiding 'geluidzone - industrie' mede bestemd zijn voor geluidszone vanwege het geluidgezoneerde bedrijventerrein Moleneind-LandweerDanenhoef. Deze zone is de aanwijzing volgens de Wet Geluidhinder van het gebied rond die terreinen, waarbuiten de geluidsbelasting vanwege die terreinen de waarde van 50 dB(A) niet te boven mag gaan. Op de gronden ter plaatse van de aanduiding 'Geluidzone - industrie' mogen, in voorkomend geval in afwijking van de afzonderlijke bestemmingen, geen nieuwe woningen of andere geluidgevoelige hoofdgebouwen worden opgericht of geluidgevoelige terreinen worden aangelegd of ingericht, tenzij een hogere waarde is vastgesteld vanwege industrielawaai en gebouwd wordt met inachtneming van die hogere waarde.

6.7.3

Geluid door specifieke activiteiten (windmolens, schietbanen)

Dit type geluid is in dit geval niet aan de orde.

6.7.4

Conclusie

Gelet op het voorgaande, is er vanuit het aspect ‘Geluid’ sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

6.8 Lichthinder 6.8.1

Toetsingskader

Kunstmatige verlichting kan hinder geven en negatieve effecten hebben voor de mens en de natuur. Hinder bij mensen ontstaat bijvoorbeeld wanneer mensen zich niet kunnen onttrekken aan het aanwezige kunstlicht, terwijl ze daar wel behoefte aan hebben. Negatieve effecten voor de natuur bestaan bijvoorbeeld uit beïnvloeding van het gedrag van dieren door kunstmatige verlichting. Hinder door licht hangt af van de aard, intensiteit, duur en plaats van de verlichting. Maar ook door de kans op blootstelling. 6.8.2

Toetsing

Het gebied kampt met een hoge mate van lichtvervuiling. Aangezien er 's nachts geen activiteiten plaatsvinden die hierdoor worden beïnvloed, is dit niet kritisch. Mocht er gebruik worden gemaakt van verlichte sportvelden in de avond, zal dit extra bijdragen aan de lichtvervuiling. Echter, gezien de reeds hoge mate van lichtuitstraling in het gebied, is het onwaarschijnlijk dat extra verlichting een significant probleem zal vormen. Om de lichthinder te beperken, wordt de verlichting van sportvelden uitgeschakeld tussen 23:00 en 7:00 uur en altijd wanneer er geen sportactiviteiten plaatsvinden. Dit helpt om de impact van extra verlichting op de omgeving tot een minimum te beperken. Het uitschakelen van de verlichting tussen 23:00 - 7:00 uur is een verplichting die voortkomt uit artikel 22.239 van het omgevingsplan (onderdeel bruidsschat). Verder geldt dat de inrichting van het openbaar gebied nog verder moet worden uitgewerkt. Dit betekent dat ook het lichtplan verder moet worden uitgewerkt. Bij de verdere uitwerking van het lichtplan wordt rekening gehouden met alle aspecten van de (woon)omgeving, waarbij gebruik wordt gemaakt van de richtlijnen uit de NSVV Richtlijn Lichthinder (2020). De (directe)omgeving wordt betrokken bij de verdere uitwerking van het openbaar gebied. Het lichtplan maakt hier onderdeel van uit.

76

Concept

(van 1-4-2026 11:16)

Concept

Figuur 6.4

Weergave kaart lichtemissie en aanduiding projectgebied Atlas Leefomgeving

6.8.3

Conclusie

Gelet op het voorgaande, is er vanuit het aspect ‘Lichthinder’ sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

6.9 Trillingen (afd 5.1.4.4 BKL) 6.9.1

Toetsingskader

Trilling kan nadelige gevolgen hebben voor de kwaliteit van de fysieke leefomgeving. Het kan effect hebben op het welzijn of schade aan gebouwen veroorzaken. De Omgevingswet beschermt daarom (delen van) gebouwen en de mensen die daarin verblijven tegen trillingen van activiteiten. De aanwijzing van trilling gevoelige gebouwen staat in artikel 5.80 Bkl. Hieronder vallen gebouwen met een woonfunctie, onderwijsfunctie, gezondheidszorgfunctie, bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied en de bijbehorende nevengebruiksfuncties. Er zijn verschillende soorten trillingen met verschillende bronnen. De Omgevingswet maakt bij de instructieregels over trillinghinder door activiteiten onderscheid tussen: • continue trillingen (trillingen die gedurende een lange tijd aanwezig zijn, door bijvoorbeeld machines of druk wegverkeer); • herhaald voorkomende trillingen (kortdurende trillingen die periodiek voorkomen, door bijvoorbeeld treinverkeer).

Bronnen van trillingen zijn verkeer over de weg of het spoor, machines in de industrie en bouw- en sloopactiviteiten. Deze bronnen veroorzaken een trilling die voelbaar is in gebouwen. Dit gebeurt bijvoorbeeld via de vloer en de wanden. Trillingen kunnen op grote afstand hinder of schade opleveren. In beginsel moet binnen een afstand van 100 meter van een treinspoor het risico op trillinghinder worden beoordeeld. In sommige gevallen is het nodig om het onderzoeksgebied uit te breiden tot 250 meter aan weerszijden van het spoor. Hiervan is bijvoorbeeld sprake wanneer er reeds klachten door trillinghinder van het spoor op een grotere afstand dan 100 meter bestaan . Omgevingsvisie Provincies en gemeenten kunnen langetermijndoelen, ambities en beleidskeuzes voor trillingen vastleggen in een omgevingsvisie. De omgevingsvisie geeft een beschrijving van hoe het onderwerp trillingen doorwerkt in bijvoorbeeld plannen voor een woningbouwproject. Trillingen spelen over het algemeen geen prominente rol in een omgevingsvisie. Dat is wel het geval wanneer in het projectgebied van de omgevingsvisie een spoor aanwezig is of wordt aangelegd. De omgevingsvisie is dan een geschikt instrument om vast te leggen dat bij nieuwbouw vroegtijdig rekening wordt gehouden met hinder door

77

Concept

(van 1-4-2026 11:16)

spoortrillingen. De omgevingsvisie van de gemeente Oss is op 19 juni 2025 vastgesteld. In de omgevingsvisie wordt over trillingen gesproken in relatie tot stedelijke ontwikkeling van de spoorzone. De gemeente besteedt extra aandacht aan o.a. het aspect trillingen en weegt af hoe de overlast zo veel mogelijk beperkt kan worden. Omgevingsplan

Concept

Het aspect trilling is vooral een lokaal probleem. Gemeenten mogen zelf regels stellen over trilling door milieubelastende activiteiten in het omgevingsplan. Hiervoor gelden de instructieregels over (continue en herhaald voorkomende) trillingen door activiteiten op trilling gevoelige gebouwen in het Bkl (paragraaf 5.1.4.4). De instructieregels voor trillingen door activiteiten gelden voor: • het op een locatie toelaten van een activiteit en het aanpassen daarvan; • het op een locatie toelaten van een trilling gevoelig gebouw en het aanpassen daarvan; • een combinatie van beide. Het gaat hierbij om activiteiten die trillingen veroorzaken in een trilling gevoelige ruimte van een trilling gevoelig gebouw in een frequentie van 1 tot 80 Hz. Er zijn ook activiteiten die uitgezonderd zijn van de instructieregels: • trilling gevoelige gebouwen op een industrieterrein waarvoor een geluidproductieplafond is ingesteld (artikel 5.79, lid 2, onder a, Bkl); • de activiteit wonen; • verkeer op wegen, vaarwegen en spoorwegen.

In het omgevingsplan leggen gemeenten vast welke trillingen door een activiteit in trilling gevoelige ruimten van trilling gevoelige gebouwen aanvaardbaar zijn (artikel 5.83 Bkl). Bij verlening van een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit moet hier aan worden voldaan. Hierbij vindt een afweging plaats tussen het beschermen van de fysieke leefomgeving en het benutten van een locatie. Daarbij houdt de gemeente rekening met alle betrokken belangen. Trillingen zijn aanvaardbaar als de standaardwaarden voor continue en herhaald voorkomende trillingen (zie tabel 6.3 en 6.4) uit de artikelen 5.87 en 5.87a van het Bkl worden overgenomen (conform artikel 5.86 Bkl). Volgens artikel 5.87 Bkl dienen continue trillingen in eerste instantie te voldoen aan de in het omgevingsplan opgenomen waarden voor die trillingen, bedoeld onder A1. Indien hieraan wordt voldaan, is er sprake van een acceptabele situatie. Wanneer niet wordt voldaan aan deze waarden, moeten de continue trillingen voldoen aan de in het omgevingsplan opgenomen waarden onder A2 en A3. Hetzelfde geldt voor artikel 5.87a Bkl over de standaardwaarden voor herhaald voorkomende trillingen.

Tabel 6.3: Standaardwaarden voor toelaatbare continue trillingen in trilling gevoelige ruimten (artikel 5.87 Bkl) Soort

Standaardwaarde

Standaardwaarde

Tijdsperiode

07.00-23.00 uur

23.00-07.00 uur

A1 trillingssterkte Vmax

0,1

0,1

A2 trillingssterkte Vmax

0,4

0,2

A3 trillingssterkte Vper

0,05

0,05

Tabel 6.4 Standaardwaarden toelaatbare herhaald voorkomende trillingen in trilling gevoelige ruimten (artikel 5.87a Bkl)

78

Soort

Standaardwaarde

Standaardwaarde

Tijdsperiode

07.00-23.00 uur

23.00-07.00 uur

A1 trillingssterkte Vmax

0,2

0,2

A2 trillingssterkte Vmax

0,8

0,4

Concept

(van 1-4-2026 11:16)

A3 trillingssterkte Vper

0,1

0,1

Artikel 5.88 en 5.89 van het Bkl bieden een mogelijkheid tot afwijking van de waarden, in het geval van bedrijventerreinen of zwaarwegende economische of maatschappelijke belangen. Verder leiden niet op alle locaties de standaardwaarden voor een activiteit tot het gewenste evenwicht tussen beschermen en benutten. Een gemeente kan dan gemotiveerd, vanuit het oogmerk van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, kiezen voor andere waarden (artikel 5.86, lid 2 Bkl).

Concept

In het ‘Omgevingsplan gemeente Oss is het aspect trillingen in artikel 22.83 tot en met 22.89 van paragraaf 22.3.5 vermeld. Ook is in artikel 22.18 de specifieke zorgplicht benoemd voor het gebruik van bouwwerken om overlast of hinder door trilling te voorkomen.

6.9.2

Toetsing

Het planvoornemen maakt planologisch gezien geen trillinggevoelige bebouwing mogelijk. Wel dienen de plannen, vanwege de nabijheid van het spoor, aan te tonen dat de bebouwing voldoet aan de geldende richtlijnen en grenswaarden voor trillinghinder.

6.9.3

Conclusie

Gelet op het voorgaande, is er vanuit het aspect ‘Trillingen’ sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

6.10 Bodem en ondergrond (afd. 5.1.4.5 BKL) 6.10.1

Toetsingskader

Het omgevingsplan bevat de waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie (par. 5.1.4.5 Bkl). Het gaat daarbij om een gebouw of een deel van een gebouw dat de bodem raakt en waar personen meer dan twee uur per dag aaneengesloten aanwezig zullen zijn. Ook de aangrenzende tuin of perceel maakt hier onderdeel van uit. Bij het bepalen van de waarden voor de toelaatbare kwaliteit houdt de gemeente rekening met de interventiewaarden voor de verschillende stoffen en neemt de gemeente de grenswaarden in acht. Bij overschrijding van de toelaatbare kwaliteit kan alleen gebouwd worden als de door de gemeente voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen. Daarnaast is in het omgevingsplan de landbodem in verband met grondverzet in de bodemfunctieklassen landbouw/natuur, wonen en industrie ingedeeld, rekening houdend met de functie van de locatie. Ook kunnen in het omgevingsplan bodembeheergebieden zijn aangewezen.

6.10.2

Explosieven en oorlogsresten

Er heeft een beoordeling plaatsgevonden naar ontplofbare oorlogsresten (OO’s). Het plangebied in figuur 6.1 is geheel onverdacht van ontplofbare oorlogsresten uit WOII op basis van de bodembelastingkaart ontplofbare oorlogsresten en het daaraan gekoppelde vooronderzoek van AVG uit 2016. Daarnaast zijn de geel gemarkeerde delen onverdacht op basis van eerder uitgevoerd onderzoek van TA Survey voor de spoorzone in 2012 en van Saricon voor de N329 in 2011. Dit wil zeggen dat de kans dat tijdens grondwerkzaamheden binnen het plangebied explosieven of munitie wordt gevonden zeer klein is. Het is niet nodig om hier onderzoek naar te doen. Echter kan het voorkomen dat bij toeval toch een artikel wordt gevonden wat er uit ziet als een explosief of munitie. In dat geval geldt het protocol toevalsvondsten: stop de werkzaamheden, iedereen verlaat lopend het werkterrein (i.v.m. trillingen door voertuigen en machines) en bel de politie op 0900-8844. De Explosieven Verkenner (EV) of Teamleider Explosieven Veiligheid (TEV) van de politie komt op de locatie beoordelen of het om munitie gaat die moet worden geruimd. Zo ja, schakelt deze de Explosieven Opruimingsdienst van Defensie (EODD) in. Zo nee, dan kunnen werkzaamheden worden hervat.

79

Concept

(van 1-4-2026 11:16)

Concept

Figuur 6.5

Plangebied (groen gearceerd) op de bodembelastingkaart (gele- en zonder markering aangeduide gebieden zijn te kwalificeren als ‘Onverdacht plangebied’) Rapportage Beoordeling OO WOII

6.10.3

Ruimtegebruik in de ondergrond

Bij het golfbad wordt een WKK gerealiseerd met een energieopslagsysteem. De WKK (incl. eos) wordt gerealiseerd ten zuiden van het zwembad. De aanleg van een Warmte-Krachtkoppeling (WKK)-installatie bij het zwembad vraagt om een zorgvuldige afweging van het ruimtegebruik in de ondergrond. In de ondergrond komen meerdere functies samen, zoals kabels en leidingen, riolering, funderingen en infiltratievoorzieningen. Het inpassen van de WKK-installatie betekent dat er extra ruimte nodig is voor leidingen, warmtewisselaars en mogelijk een buffervat. Hiermee is rekening gehouden zowel voor wat betreft de situering van de WKK als eventuele toekomstige ontwikkelingen en onderhoud. Het benutten van ondergrondse ruimte voor energie-infrastructuur kan worden gezien als een duurzame keuze. Door ruimte te reserveren voor duurzame energieopwekking, wordt het zwembad eveneens voorbereid op strengere energienormen en stijgende energieprijzen. De WKK draagt bij aan energiebesparing, vermindering van emissies en een robuuste energie-infrastructuur. Voorwaarde is dat de inpassing zorgvuldig gebeurt, met aandacht voor andere ondergrondse functies en een integrale visie op duurzaamheid. Dit zal bij de verdere planuitwerking in ogenschouw worden genomen.

6.10.4

Historische verontreinigingen

De planlocatie ligt in een overgangszone tussen het laaggelegen rivierengebied van de Maasvallei in het noorden en het hogere dekzandlandschap in het zuiden. Dit gebied wordt gekenmerkt door langgerekte dekzandruggen die enkele meters boven het omliggende landschap uitsteken. De locatie bevindt zich op de noordelijke flank van een dergelijke rug, evenwijdig aan de Osseweg. De hoger gelegen gronden zijn van oudsher in gebruik genomen vanwege hun relatief droge en gunstige ligging. In deze overgangszone bevinden zich oude bouwlanden, vaak bestaande uit voedselrijke enkeerdgronden. Deze gronden hebben een humusrijke toplaag van ca. 50 cm, ontstaan door langdurige agrarische benutting. De planlocatie ligt op de flank van een dekzandrug – een natuurlijke verhoging die van oudsher als vestigingsplaats werd gekozen vanwege de gunstige ligging. Uit het verkennend bodemonderzoek (zie bijlagen) blijkt dat er geen verdachte locaties zijn vastgesteld op of binnen een straal van 50 meter rondom de onderzoekslocatie, op basis van geraadpleegde bronnen zoals het bevoegd gezag Wbb, Omgevingsdienst Noord Brabant, Bodemloket, GIS-bronnen en historische topografische kaarten. Historisch gezien is het terrein altijd in gebruik geweest als agrarisch gebied en zijn er geen bodembedreigende activiteiten of calamiteiten bekend die tot puntbronverontreiniging hebben geleid.

Wel is vastgesteld dat de bovengrond diffuus verdacht is op het voorkomen van PFAS, conform het tijdelijk handelingskader PFAS, als gevolg van atmosferische depositie. Er zijn enkele verhoogde gehalten aan PFOS gemeten in de zandige bovengrond, maar deze overschrijden de INEV-waarden niet en er wordt geen geval van ernstige bodemverontreiniging verwacht. De verontreiniging wordt als historisch be-

80

Concept

(van 1-4-2026 11:16)

schouwd, mogelijk door ophoging met PFOS-houdend zand of toepassing van dergelijke grond bij reconstructiewerkzaamheden.

6.10.5

Vitaliteit van de bodem (gezonde bodem)

De volgende locaties zijn beoordeeld en/of onderzocht:

Concept

1. Huidig parkeerterrein: hier vindt geen functiewijziging plaats waardoor er geen noodzaak is om een bodemonderzoek uit te voeren. 2. Zwembadlocatie (zuidkant Osseweg): Verkennend bodemonderzoek Osseweg te Berghem (d.d. 19 juli 2021), Vooronderzoek NEN 5725 (d.d. 4 februari 2026) en Rapportage grondwateronderzoek peilbuizen (d.d. 13 maart 2026). 3. Noordkant van de Osseweg: Bodemonderzoek noordkant (d.d. januari 2026) Alle onderzoeken zijn volgens de normen uitgevoerd. Vooronderzoek en verkennend onderzoek bodemkwaliteit Door Tauw is een verkennend bodemonderzoek volgens NEN 5740 uitgevoerd in combinatie met een vooronderzoek conform de NEN 5725. Het volledige rapport is in de bijlagen opgenomen. In de bovengrond zijn maximaal licht verhoogde gehalten aan lood, kobalt en/of PCB gemeten (>achtergrondwaarde). In de mengmonsters van de ondergrond zijn geen verhoogde gehalten aangetoond ten opzichte van de achtergrondwaarde. In de mengmonsters van de bovengrond overschrijden de gehalten van de organochloor bestrijdingsmiddelen (OCB’s) de betreffende achtergrondwaarden niet.

Indicatieve toetsing aan het Besluit bodemkwaliteit (Bbk) geeft aan dat de bodemkwaliteitsklasse van de boven- en ondergrond op basis van het standaardpakket en OCB’s in het kader van het Besluit bodemkwaliteit (Bbk) klasse ‘Altijd Toepasbaar’ tot op een enkele plaats klasse ‘Wonen’ en ‘Industrie’ is voor de afvoer van grond naar een verwerker. Er zijn in de boven- en ondergrond geen aanwijzingen voor gevallen van ernstige bodemverontreiniging die een belemmering kunnen vormen voor de toekomstige herontwikkeling. PFAS Op/nabij de onderzoekslocatie zijn geen terreindelen aanwezig die de bodem verdacht maken voor PFASverbindingen. Enkele PFAS verbindingen (met name PFOS) zijn verhoogd aangetoond in de onderzochte bovengrond. De aangetoonde gehalten overschrijden de INEV waarden7 voor PFOS niet en er wordt dan ook geen geval van ernstige bodemverontreiniging met PFAS verwacht. Asbest Tijdens de werkzaamheden is geen asbestverdacht materiaal waargenomen. Grondwater Ten aanzien van het grondwater zijn er aandachtspunten. In één van de 7 grondwatermonsters is een sterke verontreiniging met zink aangetoond. Ook is er in één van de 7 grondwatermonsters een sterke verontreiniging met cadmium aangetoond.

Regelmatig worden in de provincie Noord-Brabant (Omgaan met regionaal verhoogde concentraties van zware metalen in het grondwater, Werkgroep Zware metalen, Platform bodembeheer Brabant 1 november 2011) overschrijdingen van interventiewaarden in het grondwater aangetroffen voor nikkel en zink en in mindere mate ook voor andere zware metalen zoals cadmium, lood en arseen. Het beeld dat naar voren komt uit ervaringsgegevens, is dat de concentraties bij herbemonstering toch vaak lager zijn dan bij de eerste bemonstering na plaatsen van een peilbuis Voor het vervolg dient ter plaatse van de peilbuizen met sterke verontreinigingen aanvullend onderzoek te doen. Hierbij kan eerst een herbemonstering en analyse uitgevoerd worden.

81

Concept

(van 1-4-2026 11:16)

Indien bemaling wordt toegepast tijdens de werkzaamheden dient men rekening te houden met de verhoogde concentraties in het grondwater. Er is een actualiserend bodemonderzoek in uitvoering. Dit onderzoek richt zich op: • Actualisatie historische gegevens vanaf 2021 (milieuhygiënsich vooronderzoek volgens NEN 5725 d.d. 4 februari 2026). • Herbemonstering en -analyse grondwater uit bestaande peilbuizen 3 (zink) en 5 (zink en cadmium) (Rapportage grondwateronderzoek peilbuizen d.d. 13 maart 2026).

Concept

Vooronderzoek NEN5725 (4 februari 2026) Op basis van eerder uitgevoerd verkennend bodemonderzoek in 2021 is een sterke verontreiniging met cadmium en zink aangetoond in het grondwater. In afwijking van de NEN5725 is nog geen fysieke terreinverkenning uitgevoerd. De fysieke terreinverkenning is uitgevoerd voorafgaand aan het veldwerk, waarbij de peilbuizen op het naastgelegen perceel bemonsterd worden. Het vooronderzoek is dan formeel afgerond. Op basis van het vooronderzoek kunnen de volgende conclusies worden getrokken, voor het niet eerder onderzochte perceel: • de locatie is in gebruik geweest als weiland en is momenteel in gebruik als parkeerplaats • Ten westen van de onderzoekslocatie is in 2021 een sterke verontreiniging van cadium en/of zink in het grondwater aangetroffen. Uit hetzelfde onderzoek bleek dat de bovengrond enkele PFAFS verbindingen (voornamelijk PFOS) bevat boven de rapportagegrens. • Het onderzoeksgebied ligt in een gemeentelijk aandachtsgebied voor OCB's, met nadruk op DDD, DDE en DDT. In het deelgebied is bij het uitvoeren van een bodemonderzoek verplicht om ook onderzoek te doen naar de aanwezigheid van OCB's. • Binnen een straal van 25 meter is puinhoudende grond met een lichte asbest verontreiniging aangetroffen. De locatie kan op basis van het vooronderzoek als onverdacht worden beschouwd op het voorkomen van asbest.

• De milieuhygiënische kwaliteit is onvoldoende bekend. Op basis van het uitgevoerde vooronderzoek is de locatie verdacht op het voor komen van OCB's. Ter plaatse van de parkeerplaats is voor zover geen onderzoek uitgevoerd naar OCB's. Dit omdat het parkeerterrein zijn huidige functie behoudt. In verband met de in 2021 aangetroffen sterke verontreiniging van zink en cadmium in het grondwater op het westelijke perceel, wordt aanbevolen de aanwezige peilbuizen op het perceel te herbemonsteren ter analyse op zink en cadmium. Bij het aantreffen van puinhoudende grond wordt geadviseerd de bodem als asbestverdacht te beschouwen en een onderzoek naar het asbestgehalte in de bodem uit te voeren. Rapportage grondwateronderzoek peilbuizen (13 maart 2026) De aanleiding van het onderzoek is de voorgenomen wijziging van het omgevingsplan en de resultaten van het eerder uitgevoerde verkennend bodemonderzoek ((R001-1281921BXV-V03-nja-NL). Het doel van de rapportage is het bepalen of het grondwater geschikt is voor het beoogde gebruik en het verzamelen van gegevens die nodig zijn voor de wijziging van het omgevingsplan. De onderzoekslocatie is gelegen aan de Osseweg te Berghem (gemeente Oss) en is weergegeven in figuur 1. In 2021 is door TAUW reeds een verkennend bodemonderzoek1 uitgevoerd op een groot deel van de onderzoekslocatie.

Op basis van het uitgevoerde verkennend onderzoek blijkt dat in de boven- en ondergrond zintuiglijk bijmengingen aanwezig zijn met baksteen en kolengruis. Analytisch zijn in de bovengrond maximaal licht verhoogde gehaltes aan lood, kobalt en/of PCB gemeten. In de ondergrond zijn analytisch geen verhoogde gehaltes aangetoond. Ten aanzien van PFAS gelden toepassingsbeperkingen. In het grondwater is in peilbuis 3 een sterk verhoogde concentratie aan zink aangetoond. Daarnaast is in peilbuis 5 een matig verhoogde concentratie aan zink en een sterk verhoogde concentratie aan cadmium gemeten. Voor het overige zijn maximaal licht verhoogde concentraties gemeten in het grondwater. Het was de bedoeling dat de peilbuizen 3 en 5 uit het verkennende bodemonderzoek uit 2021 in 2025 herbemonsterd zouden worden. De peilbuizen waren niet meer aanwezig. Deze peilbuizen zijn herplaatst en bemonsterd op zink en cadmium. Veldwerkbevindingen

82

Concept

(van 1-4-2026 11:16)

De grond (0,0-1,0 m- mv) bestaat uit matig humeus, zwak siltig zeer fijn zand. De ondergrond (1,0-3,2 mmv) bestaat uit zwak siltig zeer fijn zand. De gemeten waarden worden als normaal beschouwd bij de volgende waarden: pH 5,0-8,0, EC 200 - 2.000 μS/cm en troebelheid < 10 NTU. De waarden voor pH zijn verlaagd gemeten bij peilbuizen 103 en 105. De waarde voor troebelheid is verhoogd bij peilbuis 103. De lage pH is veroorzaakt door vermoedelijke verzuring als gevolg van atmosferische depositie in combinatie met een slecht bufferende bodem. De verhoogde waarde voor de troebelheid in het grondwater bij peilbuis 103 is waarschijnlijk veroorzaakt door het natuurlijk voorkomen van zwevende delen in het grondwater en kan mogelijk leiden tot een overschatting van de concentraties aan gemeten stoffen.

Concept

In dit geval zijn geen grondwaterverontreinigingen of ten hoogste met organische parameters of zuren onder 0,5*signaleringsparameter voor grondwater aangetoond. Er kan daarom vanuit worden gegaan dat dit geen invloed heeft gehad op de onderzoeksresultaten. Analyseresultaten In het grondwater ter plaatse van peilbuis 103 is een verontreiniging aangetoond met de parameter zink boven de waarde 0,5*signaleringsparameter. In het grondwater ter plaatse van peilbuis 105 zijn geen overschrijdingen boven de waarde 0,5* signaleringsparameter aangetoond. Conclusies en aanbevelingen Op basis van de analyseresultaten wordt geconcludeerd dat in het grondwater geen overschrijdingen boven de signaleringsparameter zijn aangetoond. Het verhoogde zinkgehalte kan worden toegeschreven aan de natuurlijke verhoogde achtergrondconcentratie in het gebied. Het grondwater voldoet daarmee aan de voorwaarden voor de aanvraag tot wijziging van het Omgevingsplan. Bodemonderzoek noordkant (januari 2026) Er is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd ter plaatse van de locatie aan de Osseweg (ong.) te Berghem. Kadastraal staat de locatie bekend als; gemeente Berghem, sectie d, nummer 1699. Aanleiding tot het bodemonderzoek is een grondoverdracht en het gewijzigde toekomstige gebruik van de grond.

Het doel van het onderzoek is het vastleggen van de kwaliteit van de grond en grondwater en te beoordelen of sprake is van ernstige verontreinigingen die bezwaarlijk kunnen zijn voor de nieuwe functie. De uitvoering van het verkennend bodemonderzoek heeft plaatsgevonden op basis van NEN 5725 en NEN 5740. Vooronderzoek Bij de uitvoering van het vooronderzoek is gebruik gemaakt van de NEN 5725 (Bodem- LandbodemStrategie voor het uitvoeren van milieuhygiënisch vooronderzoek, oktober 2023). Het doel van het vooronderzoek is om inzicht te krijgen in de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem op de onderzoekslocatie en de mogelijke aanwezigheid van verontreinigingen binnen het onderzoeksgebied. Om dit doel te bereiken wordt relevante informatie van de locatie en directe omgeving verzameld, geanalyseerd en geïnterpreteerd. Dit gebeurt onder meer door het opvragen van informatie bij de opdrachtgever, eigenaar en gemeente/omgevingsdienst en door het uitvoeren van een terreinverkenning en eventueel archiefonderzoek. Afhankelijk van de aanleiding voor het bodemonderzoek dienen een aantal onderzoeksvragen te worden beantwoord. De volgende aanleiding(en) is/zijn van toepassing: Aanleiding A: uitvoeren van bodemonderzoek, saneren van een milieubelastende activiteit en/of realiseren van een gebouw op een bodemgevoelige locatie.

Aanleiding H: uitvoeren van de (milieubelastende) activiteit graven in grond en inschatten van de arbeidshygiënische risico’s. De locatie is geheel in agrarisch gebruik en ingezaaid met een groenbemester. Er is geen sprake van bebouwing en/of verhardingen. Het perceel ligt zo’n 60 cm lager dan de naaste oostelijk gelegen percelen en de openbare weg. Tijdens de terreinverkenning zijn geen bijzonderheden en/of potentiële bronnen

83

Concept

(van 1-4-2026 11:16)

van bodemverontreiniging waargenomen. Verder is op basis van de verzamelde informatie aangenomen dat er in de nabijheid van de locatie geen (grootschalige) gevallen van verontreinigingen bekend zijn die mogelijk van invloed kunnen zijn

Concept

(geweest) op de bodemkwaliteit ter plaatse van de onderzoekslocatie. De onderzoekslocatie ligt in een gebied wat op basis van historische gegevens verdacht is van verontreinigingen met DDT. In het verleden is plaatselijk binnen dit gebied zuiveringsslib verwerkt als bodemverbeteraar. Het slib was afkomstig was van de toenmalige rioolwaterzuivering van Oss. De gemeente Oss heeft binnen hun bodemkwaliteitskaart dit deelgebied onderscheiden (deelgebied A). Te onderzoeken locaties die binnen dit deelgebied vallen dienen naast het standaard NEN-pakket onderzocht te worden op organochloorbestrijdingsmiddelen (OCB’s) waaronder DDT. In het algemeen is in de regio verder bekend dat verhoogde concentraties zware metalen in het grondwater voor kunnen komen. De verhoogde concentraties worden vaak zonder duidelijk aanwijsbare reden aangetroffen, fluctueren sterk en kunnen veelal als lokaal (natuurlijke) verhoogde achtergrondwaarden worden beschouwd. Het tijdelijk handelingskader met betrekking tot de toepassing van PFAS-houdende grond en baggerspecie is van juli 2019. Tijdens een actualisatie in juli 2020 is het beleid aangepast en zijn landelijke maximale toepassingswaarden vastgesteld. Als gevolg van de Omgevingswet is er vanaf 1 januari 2024 een gewijzigde versie van het handelingskader van toepassing. De locatie is niet verdacht van PFAS.

De gegevens van de bodemopbouw en geohydrologie zijn verkregen van de Grondwaterkaart van Nederland (TNO) en het DINO-loket. De stromingsrichting van het freatisch grondwater is ter plaatse noordwest gericht. De grondwaterstand is voorafgaand aan het onderzoek ingeschat op een diepte van 0,7 tot 1,2 m-mv. De onderzoekslocatie ligt verder niet in een grondwaterbeschermingsgebied van een waterpompstation. Verder is niet onderzocht of er op korte afstand industriële grondwateronttrekkingen aanwezig zijn met een invloedssfeer tot aan de onderzoekslocatie. Veld- en laboratoriumonderzoek en resultaten De veldwerkzaamheden zijn uitgevoerd op basis van de BRL SIKB 2000 en de van toepassing zijnde NENnormen (NPR 5741 en NEN 5742 t/m NEN 5744). Op basis van het veldwerk en de zintuiglijke waarnemingen heeft een selectie plaatsgevonden van de te analyseren (meng)monsters. De mengmonsters zijn niet in het veld maar in het laboratorium samengesteld. De bodem ter plaatse van de onderzoekslocatie is opgebouwd uit zand. De zwak tot matig humeuze bovenlaag is aangetroffen tot een diepte van 0,5 á 0,8 m-mv. Daarbeneden bevindt zich humusvrij zand. Het grondwater bevond zich op een diepte van gemiddeld en afgerond 0,7 m-mv. Zintuiglijk zijn tijdens de uitvoering van de boringen geen verontreinigingen, bijmengingen of andere bijzonderheden waargenomen.

Tijdens de monsterneming van het grondwater zijn zintuiglijk geen bijzonderheden waargenomen die zouden kunnen duiden op de aanwezigheid van bodemverontreiniging. De zuurgraad is relatief laag. Verder zijn er geen indicaties voor een afwijkende situatie. Conclusies Grond Op basis van het laboratoriumonderzoek zijn de volgende conclusies te trekken: • Alle meetwaarden liggen beneden de interventiewaarde bodemkwaliteit. • In een drietal mengmonsters van de bovengrond (MMB1, MMB2 en MMB4) zijn ten opzichte van de kwaliteitseis landbouw/natuur verhoogde gehaltes zink of molybdeen aangetoond. In één van deze mengmonsters (MMB4) is daarnaast ten opzichte van de kwaliteitseis wonen een verhoogd

•

nikkelgehalte gemeten. In het overige mengmonster van de bovengrond en de mengmonsters van de ondergrond zijn

•

ten opzichte van de kwaliteitseis landbouw/natuur geen verhoogde gehaltes gemeten. Voor toepassing op of in de landbodem is de kwaliteit van de boven- en ondergrond beoordeeld als grond van klasse landbouw/natuur. Uitzondering is mengmonster MMB4 van de bovengrond

•

84

welke beoordeeld is als grond van klasse industrie. Op basis van de CROW-toets is beoordeeld dat de basishygiëne van toepassing is.

Concept

(van 1-4-2026 11:16)

Grondwater Op basis van het laboratoriumonderzoek zijn de volgende conclusies te trekken: Alle meetwaarden liggen beneden de signaleringsparameter. In twee van de drie watermonsters (GRW1 en GRW2) is een overschrijding aangetoond van de voorkeurswaarde. Hypothese Op basis van de onderzoeksresultaten dient de hypothese ‘niet-verdacht’ te worden verworpen. In de bovengrond en het grondwater zijn met laboratoriumonderzoek lichte verontreinigingen

Concept

aangetoond. Er is geen aanleiding tot een vervolgonderzoek. Infiltratieonderzoek Het infiltratieonderzoek (zie weging van het waterbelang in bijlagen) laat zien dat de bodem in het plangebied hoofdzakelijk bestaat uit matig fijne tot zeer fijne zandlagen, vaak zwak siltig en matig humeus. De toplaag bevat organisch materiaal en sporen van wortels, wat duidt op een actief bodemleven en een goede doorwortelbaarheid. De aanwezigheid van organische stof en wortels draagt bij aan de structuur, het vasthouden van vocht en het functioneren van micro-organismen en bodemfauna. De bodemstructuur is geschikt voor wortelgroei en waterinfiltratie. In het westelijk deel van het plangebied is de toplaag dikker en humeuzer, wat gunstig is voor het bodemleven en de vochtvoorziening. De infiltratiesnelheid is hier zeer goed (tot 1,0 m/dag verticaal), wat betekent dat water goed kan worden opgenomen en afgevoerd. In het oostelijk deel zijn de infiltratiewaarden lager, maar nog steeds voldoende voor de meeste ecosysteemdiensten. Er zijn geen bodemlagen aangetroffen die de doorwortelbaarheid of waterinfiltratie belemmeren. Bodemverdichting of erosie is niet waargenomen tijdens het veldwerk. De draagkracht en vruchtbaarheid zijn passend voor het huidige agrarische gebruik en toekomstige functies zoals sportvelden en groenvoorzieningen.

De bodem biedt voldoende ondersteuning voor vegetatie en draagt bij aan biodiversiteit en landbouwproductiviteit. De geplande ontwikkeling, mits rekening wordt gehouden met lokale verschillen in infiltratie en het behoud van groenstructuren, heeft naar verwachting geen negatieve gevolgen voor de bodemgezondheid. Door het toepassen van infiltratievoorzieningen, het beperken van verhard oppervlak en het stimuleren van groen, blijven ecosysteemdiensten als infiltratie, biodiversiteit en productiviteit behouden. Het is aan te raden om bij de inrichting aandacht te besteden aan het behoud van organische stof en bodemleven, zodat de bodem vitaal blijft en haar functies optimaal kan vervullen. Conclusie Voor alle delen van het plangebied waarvan de functie wijzigt is vanaf 2021 milieuhygiënisch vooronderzoek (volgens NEN 5725) en verkennend bodemonderzoek (volgens NEN 5740) uitgevoerd. De onderzoeksresultaten zijn recent (2026) geactualiseerd. Ook heeft verificatie van eerder behaalde resultaten plaatsgevonden. De behaalde resultaten wijzen niet op een overschrijding van de toelaatbare bodemkwaliteit. De bodemkwaliteit is geschikt voor de beoogde herontwikkeling van het plangebied. Voor toekomstige werkzaamheden in de bodem zijn regels van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) van toepassing.

6.10.6

Bodemdaling/verzakkingsrisico

Door Koops Grondmechanica B.V. is een Geotechnisch grondonderzoek verricht, waarin onder meer ook de op het moment van uitvoeren aangetroffen grondwaterstanden zijn weergegeven. Dit grondonderzoek is in de bijlagen. Dit aspect wordt verder uitgewerkt bij de omgevingsvergunningsaanvraag van de bouwplannen. Op voorhand is geen indicatie aanwezig dat er een risico is op bodemdaling of -verzakking.

6.10.7

Aardkundige waarden/bodemopbouw (breukrand, bodem/water)

De bodemopbouw van het plangebied aan de Osseweg te Oss is het resultaat van natuurlijke processen uit het Pleistoceen en Holoceen. Volgens het infiltratieonderzoek en bodemonderzoek bestaat de ondergrond tot circa 13 meter onder maaiveld hoofdzakelijk uit zandlagen, behorend tot de Formatie van Boxtel, Kreftenheye en Beegden. Deze lagen zijn opgebouwd uit matig fijne tot zeer fijne zandige afzettingen,

85

Concept

(van 1-4-2026 11:16)

met lokaal wat silt, grind en organisch materiaal. Op ca. 13 meter diepte bevindt zich een dunne kleilaag (Formatie van Waalre), waarna opnieuw zandige lagen volgen.

Concept

Het gebied ligt op een dekzandrug, een geomorfologisch kenmerk dat typerend is voor Oost-Brabant. Dekzandruggen zijn ontstaan door windwerking in de laatste ijstijd en vormen een licht glooiend landschap. In het plangebied zijn geen veenlagen, donken of stuifzanden aangetroffen. Ook zijn er geen breuklijnen of breukranden zoals de Peelrandbreuk aanwezig, en er zijn geen aardkundige monumenten of beschermde geologische structuren geregistreerd. De natuurlijke waterhuishouding wordt sterk bepaald door de zandige bodemopbouw. De doorlatendheid is overwegend goed tot zeer goed, vooral in het westelijk deel van het plangebied, waardoor regenwater gemakkelijk kan infiltreren en het grondwaterpeil relatief stabiel blijft. Er zijn geen bodemlagen aangetroffen die de waterafvoer of doorwortelbaarheid belemmeren. Dit draagt bij aan een gezonde bodemfunctie en ondersteunt ecosysteemdiensten zoals infiltratie, biodiversiteit en landbouwproductiviteit. Samenvattend: de bodemopbouw en geologische structuur van het plangebied zijn kenmerkend voor het regionale dekzandlandschap en vertonen geen bijzondere of beschermde aardkundige waarden. De geplande ontwikkeling tast deze natuurlijke geologische structuur niet aan, mits rekening wordt gehouden met het behoud van de zandige bodemopbouw en een klimaatbestendige inrichting.

Bij de opzet van het plan is rekening gehouden met de aardkundige waarden en de bodemopbouw. Dit is nader uitgewerkt in de lagenbenadering (zie bijlagen) en komt tot uitdrukking in het VO-inrichtingsplan van Marseille Buiten.

6.11 Geur (afd. 5.1.4.6) 6.11.1

Toetsingskader

Er dient rekening te worden gehouden met geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen. Daarbij dient de geur op geurgevoelige gebouwen aanvaardbaar te zijn (par. 5.1.4.6 Bkl). Voor enkele, met name agrarische activiteiten zijn standaardwaarden bepaald voor de geurbelasting of afstand waarbij er in ieder geval sprake is van een aanvaardbare woon- en leefomgeving. Voor bedrijfsmatige activiteiten zoals onder meer industrie worden geen waarden en afstanden toegekend. Ook in deze gevallen dient er rekening te worden gehouden met de geur afkomstig van deze activiteiten op geurgevoelige gebouwen. Geurgevoelige gebouwen zijn gebouwen, waaronder een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat bijvoorbeeld een woon-, onderwijs- of zorgfunctie heeft. Voor andere gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van bescherming tegen geur op grond van artikel 4.2 van de Omgevingswet. Dat doet de gemeente vanuit een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. 6.11.2

Toetsing

Door de GGD is in het kader van de gezondheid een quickscan van relevante aspecten verricht, waaronder het aspect geur. De volledige beschouwing is in de bijlagen opgenomen. Dit is een verkennend onderzoek naar de effecten, kansen en belemmeringen op de gezondheid bij het planvoornemen. Ook het aspect geur komt aanbod in deze rapportage. Hiervoor is de ‘kaart BrOS; redelijke achtergrondbelasting geur door veehouderij (2023)’ geraadpleegd Hieruit kan geconcludeerd worden dat de beoogde locatie niet in de buurt ligt van veehouderijen en de geurbelasting van omliggende industrie is ook minimaal. Over het algemeen is er weinig geurhinder in het te ontwikkelen gebied. Het projectgebied valt onder de waarde ‘goed’ (0-5%, 0-1 OU/m³). Er zijn geen bestaande geurcontouren aanwezig. Dit betekent dat er geen sprake is van een overschrijding van de wettelijke geurnormen en dat de geurbelasting geen belemmering vormt voor een gezonde leefomgeving. De beoogde locatie ligt volgens de analyse niet in de buurt van veehouderijen en de geurbelasting van omliggende industrie is ook minimaal. Over het algemeen is er weinig geurhinder in het plangebied. Er zijn geen bestaande geurcontouren aanwezig. Een nader onderzoek naar geur is derhalve niet aan de orde.

Daarom zijn de aspecten met betrekking tot geur, zoals waar waarden gelden, waar afstanden gelden, functionele en voormalige functionele binding, bebouwingscontouren, geur door zuiveringstechnische werken, geur door het houden van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf en geur door andere agrarische activiteiten, voor dit planvoornemen niet relevant en komen niet aan bod. 6.11.3

Conclusie

Gelet op het voorgaande, is er vanuit het aspect ‘Geur’ sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

86

Concept

(van 1-4-2026 11:16)

6.12 Bescherming van Landschappelijke en stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed (afd. 5.15 BKL) 6.12.1

Archeologie

Archeologische verwachtingswaardekaart en beleid

Concept

Op de archeologische verwachtingskaart (zie figuur 6.2) van de gemeente Oss heeft het plangebied deels een hoge verwachting en deels geen verwachting. In het gebied met een hoge verwachting dient archeologisch onderzoek plaats te vinden omdat de voorgenomen bodemingrepen de vrijstellingsgrenzen (verstoringen > 100 m² en dieper dan 30 cm –Mv) worden overschreden. Archeologisch bureauonderzoek en verkennend booronderzoek Door Archol B.V. is voor een groot deel van het plangebied daarom een archeologisch bureauonderzoek en verkennend booronderzoek uitgevoerd. Het volledige rapport is in de bijlagen opgenomen.

Figuur 6.6

Archeologische beleidskaart 2024 incl. legenda (bron: gemeente Oss) gemeente Oss

De ligging van het gebied op een dekzandrug, de aanwezigheid van een esdek, een grondwatertrap VI+VII, archeologische waarnemingen uit de omgeving en historische bronnen, leiden voor het onderzoeksgebied tot het volgende verwachtingsmodel: • Hoge verwachtingswaarde voor resten uit het laat-paleolithicum tot de (volle) middeleeuwen in het gehele gebied vanaf top dekzand; • Middelhoge verwachting voor bebouwing uit de late middeleeuwen tot Nieuwe tijd, in het noorden langs de Osseweg direct onder de bouwvoor. Het verkennende booronderzoek toont aan dat in het onderzoeksgebied sprake is van een intacte bodemopbouw bestaande uit een esdek op dekzandafzettingen. Op basis hiervan was het advies om eventueel aanwezige archeologische resten in kaart te brengen (en indien aanwezig te waarderen) door middel van een proefsleuvenonderzoek. Inventariserend veldonderzoek door middel van proefsleuven Door Archol is een inventariserend veldonderzoek door middel van proefsleuven uitgevoerd. Het volledige rapport is in de bijlagen opgenomen. Er zijn in totaal 28 proefsleuven aangelegd. De bevindingen van het proefsleuvenonderzoek sluiten goed aan op die van het bureau‐ en booronderzoek. Het terrein is gelegen in het dekzandgebied. Het onderzoeksgebied bestaat uit oud akkerland opgebouwd uit een esdek op dekzandafzettingen. Het terrein loopt van zuid naar noord af.

In de top van het dekzand heeft zich oorspronkelijk een podzol ontwikkeld. Deze is plaatslijk nog als restant in de vorm van een BC‐horizont waargenomen. In het zuiden van het onderzoeksgebied is een mogelijke oude akker‐ of cultuurlaag aangetroffen. Deze bevond zich in de top van de C‐horizont, onder de basis van het esdek, op 55 cm onder het huidige maaiveld. De landschappelijke bevindingen uit het proefsleuvenonderzoek komen overeen met die uit het verkennend booronderzoek.

87

Concept

(van 1-4-2026 11:16)

Het proefsleuvenonderzoek heeft tegen de verwachting in geen behoudenwaardige archeologische resten opgeleverd. Er zijn alleen sporen aangetroffen die in verband worden gebracht met het agrarisch gebruik van het terrein in de Nieuwe tijd. Deze sporen bestaan uit verkavelingsgreppels en een recente kuil. Hierbij is geen vondstmateriaal aangetroffen. Op basis van de resultaten van het onderzoek adviseert Archol geen vervolgonderzoek. Archol adviseert het terrein vrij te geven voor de voorgenomen ontwikkelingen.

Concept

Gemeentelijk selectiebesluit

88

Het rapport betreffende de proefsleuven is door de gemeente Oss beoordeeld. Op 27 januari 2022 heeft de gemeente Oss een selectiebesluit genomen, waarin wordt aangegeven dat de gemeente het advies van Archol overneemt. Met dit selectiebesluit is besloten dat voor het terrein geen restricties meer gelden ten aanzien van de werkzaamheden. In een wijziging van het omgevingsplan hoeft het plan, volgens het selectiebesluit, niet meer planologisch beschermd te blijven door middel van een archeologische dubbelbestemming. Wel geldt volgens het selectiebesluit een meldingsplicht bij het aantreffen van archeologische resten. Dit geldt dan ook als voorwaarde bij eventuele werkzaamheden in het gebied. Er geldt ten alle tijden een meldingsplicht bij het aantreffen van archeologische resten: • De start van de werkzaamheden dient minimaal twee weken voor aanvang aan de gemeentelijk archeoloog te worden gemeld per email. • De mogelijkheid dat er in het plangebied archeologische vondsten worden gedaan, wordt niet uitgesloten. Wij wijzen u nadrukkelijk op uw wettelijke verplichting (Erfgoedwet) om archeologische vondsten te melden. Bij het doen van vondsten waarvan u vermoedt dat het om archeologische vondsten of sporen gaat ben u verplicht deze onmiddellijk te melden bij de bevoegde instantie, in dit geval de gemeente.

Nog niet onderzochte delen van het projectgebied Enkele delen van het plangebied zijn niet onderzocht. Het gaat om de zones aan de noordoostzijde van het gebied. Specifiek betreft het zones met de waarden ‘hoge verwachting (onbebouwd)’ waarbij archeologisch onderzoek geldt bij een bodemverstoring van 250 m2 of meer en dieper dan 0,3 meter en ‘hoge verwachting (bebouwd)’ waarbij archeologisch onderzoek geldt bij een bodemverstoring van 500 m2 of meer en dieper dan 0,3 meter.

Concept

(van 1-4-2026 11:16)

Concept

Figuur 6.7

89

Nog niet archeologisch onderzochte delen

Voor de bestaande parkeerplaats geldt een hoge verwachtingswaarde. Deze strook maakt deel uit van een ontgronding uit 1958 met de naam Osseweg II. Hieruit kan worden afgeleid dat het al is verstoord, maar niet in welke mate. Op de BRO bodem- en geomorfologie kaart is ter plaatse een hoge zwarte enkeerdgrond aanwezig, zeer waarschijnlijk op een complex van dekzandwelvingen. Dit zou betekenen dat het archeologisch niveau pas onder de 0,5 m-mv kan beginnen. Niet duidelijk is of er met de voorgenomen werkzaamheden sprake is van verstoring. Regulier veldonderzoek zal nodig zijn bij voorgenomen bodemverstoringen boven de vrijstellingsgrenzen. Dit onderzoek is in uitvoering. Aan de overzijde van de Osseweg ligt eveneens een deel van het plangebied waar nog geen archeologisch onderzoek heeft plaatsgevonden. Hier geldt een hoge archeologische verwachtingswaarde (categorie 5, zie figuur 6.2). Voor de 'nog niet archeologisch onderzochte delen' van het plangebied zijn regels opgenomen om de (mogelijke) archeologische waarden te beschermen. 6.12.2

Cultuurhistorie

Voor een inventarisatie van cultuurhistorische waarden is de Cultuurhistorische waardenkaart Oss geraadpleegd. Figuur 6.4 toont een uitsnede van deze kaart. Op basis van de Cultuurhistorische Waardenkaart Oss kan worden geconcludeerd dat binnen het plangebied en de directe nabijheid geen gebouwde of landschappelijke cultuurhistorische waarden aanwezig zijn en geen sprake is van bovengronds erfgoed. De voorgenomen ontwikkeling leidt derhalve niet tot een aantasting van cultuurhistorische waarden.

Concept

(van 1-4-2026 11:16)

Concept

Figuur 6.8

Uitsnede cultuurhistorische waardenkaart gemeente Oss

In de gebiedsvisie is nadrukkelijk aandacht besteed aan het behouden en versterken van de aanwezige landschappelijke en cultuurhistorische kwaliteiten. Het oorspronkelijke landschap is nog deels herkenbaar in de kavelrichting en de aanwezige houtwal. Deze karakteristieke elementen zijn meegenomen als dragers voor de landschappelijke inrichting van het gebied. Onderhavige ontwikkeling volgt de in de gebiedsvisie vastgelegde situering van bebouwing en voorzieningen. Daarmee sluit het plan aan op de bestaande landschappelijke structuren en op de overgang naar het Bos van Oss. Doordat het plan deze kwaliteiten respecteert en versterkt, wordt aangesloten op de aanwezige waarden van landschap en cultuurhistorie.

6.12.3

Kwaliteitsverbetering landschap

Er is sprake van een ontwikkeling in bestaand stedelijk gebied, waarbij niet getoetst hoeft te worden aan artikel 5.11 van de omgevingsverordening.

6.12.4

Stedenbouw en ruimtelijke kwaliteit

Voor het aspect stedenbouw en ruimtelijke kwaliteit wordt verwezen naar hoofdstuk 3, waarin de planopzet en de achterliggende keuzes nader zijn beschreven.

6.12.5 Behoud van ruimte voor toekomstige functies en huidige staat van werken (afd. 5.1.6 en afd. 5.1.7 BKL) Voor het aspect Behoud van ruimte voor toekomstige functies en huidige staat van werken wordt verwezen naar hoofdstuk 3, waarin de uitwerking voor het planvoornemen nader zijn beschreven. Aandacht is uitgegaan naar de vrijwaringszone van de watergang aan de oostzijde.

6.12.6

Autowegen, snelweg en spoorwegen

In artikel 5.133 van het Bkl is opgenomen dat er reserveringsgebieden voor de uitbreiding of aanleg van een autoweg, autosnelweg of hoofdspoorweg bij ministeriële regeling kunnen worden aangewezen. Als er reserveringsgebieden zijn aangewezen, dan geldt er een aan beide zijden van de autoweg of autosnelweg een zone waarbinnen geen bouwactiviteiten zijn toegestaan. De geometrische begrenzing van de reserveringsgebieden voor autowegen, autosnelwegen en hoofdspoorwegen staat in artikel 2.25 en Bijlage III van de Omgevingsregeling. Binnen de gemeente Oss zijn geen reserveringsgebieden voor autowegen, autosnelwegen en hoofdspoorwegen aangewezen.

6.12.7

90

Buisleidingen

Concept

(van 1-4-2026 11:16)

Aan de westkant van het plangebied lopen buisleidingen ten behoeve van water en riolering. Deze bestaande tracés blijven met onderhavig plan gehandhaafd en de vrijwaringszones worden gerespecteerd. Er gelden regels ter bescherming van de leidingen en er gelden voorwaarden voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden in de buurt van de leidingen.

Concept

6.12.8

Militaire gebieden (o.a. radar, laagvlieggebieden, schiet- en oefengebied)

Het plangebied valt buiten het werkingsgebied van de radar. Wel ligt het plangebied binnen een zone waar beperkingen gelden voor de hoogte van windmolens/windturbines, maar deze bouwwerken zijn niet binnen het plan voorzien. De beoogde ontwikkeling bevindt zich niet binnen de bovengenoemde gebieden, geluidszone of laagvliegroutes en het plan vormt hiermee geen belemmering voor militaire gebieden.

6.12.9 Elektriciteitsvoorziening (netwerk, grootschalige opwek, hoogspanningsleidingen, hoogspanningsverbinding 150 kV/windenergie) Ca. 200 meter ten zuidwesten van het plangebied bevindt zich een hoogspanningsstation met meer dan 50kV. De hoogspanningsleidingen van en naar het station hebben een spanning van 50 kV of meer. De ontwikkelingslocatie moet rekening houden met de leidingen. Figuur 6.9

6.12.10

Telefonie netwerken

Voor het planvoornemen is dit aspect niet relevant, aangezien er geen activiteiten of ingrepen plaatsvinden die hiermee verband houden. Daarom is er geen nadere uitwerking van dit aspect opgenomen.

6.12.11

Rijksvaarwegen

Voor het planvoornemen is dit aspect niet relevant, aangezien er geen activiteiten of ingrepen plaatsvinden die hiermee verband houden. Daarom is er geen nadere uitwerking van dit aspect opgenomen.

6.12.12

Landelijke fiets- en wandelroutes

Voor het aspect Landelijke fiets- en wandelroutes wordt verwezen naar hoofdstuk 3, waarin de uitwerking voor het planvoornemen nader is beschreven.

6.12.13

91

Toegankelijkheid van openbare (buiten)ruimte (afd. 5.1.8 BKL)

Concept

(van 1-4-2026 11:16)

Afdeling 5.1.8 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) bevat instructieregels voor de toegankelijkheid van openbare buitenruimte, die van toepassing zijn op het omgevingsplan en andere instrumenten zoals omgevingsverordeningen en projectbesluiten. Deze regels stellen eisen aan het ontwerpen, aanleggen en inrichten van openbare buitenruimtes, zodat deze toegankelijk zijn voor personen met een beperking.

Concept

Het doel van de instructieregels is om te zorgen voor een gelijke en toegankelijke deelname van alle burgers aan de samenleving door het wegnemen van drempels en belemmeringen in de openbare buitenruimte. Dit draagt bij aan een inclusieve leefomgeving waarin iedereen zich kan verplaatsen en gebruik kan maken van voorzieningen. Zowel bij de totstandkoming van het VO-inrichtingsplan als bij de uitwerking van het plan zal rekening worden gehouden met de toegankelijkheid van de openbare (buiten)ruimte. De Werkgroep Toegankelijkheid is betrokken geweest bij de werksessie met stakeholders over het VO-inrichtingsplan. De stichting Ongehinderd kan hierbij ook een rol spelen. Er is voldoende ruimte voor de aanleg van bijvoorbeeld hellingbanen om hoogteverschillen te overbruggen. Ook binnen het zwembad is rekening gehouden met inclusiviteit en toegankelijkheid.

6.12.14

Verkeer en parkeren (geen onderdeel van BKL)

Voor zowel de gebiedsvisie als de wijziging van het omgevingsplan voor het golfbad zijn er meerdere verkeersonderzoeken uitgevoerd. Onderstaand een opsomming: • Verkeersstudie zwembad Osseweg (Goudappel), d.d. 13 september 2024; • Aanvullende notitie 'Ontwerp kruispunt zwembad Oss' (Goudappel), d.d. 12 mei 2025; • Verkeersonderzoek Zwembad Osseweg Actualisatie 2026 (Goudappel), d.d. 12 maart 2026; • Second opinion verkeersonderzoek Golfbad (BonoTraffics), d.d. 23 maart 2026. De 'Verkeersstudie zwembad Osseweg' is geactualiseerd omdat in dit onderzoek nog werd uitgegaan van een onderwijsinstelling. In dit plan wordt geen onderwijsinstelling mogelijk gemaakt, maar een binnensportvoorziening. Daarnaast is in de actualisatie ('Verkeersonderzoek Zwembad Osseweg Actualisatie 2026) gebruik gemaakt van het Verkeersmodel 2024 i.p.v. 2022. Het college heeft begin 2026 een besluit genomen over overgangsrecht voor het gebruik van verkeersmodellen voor onderzoeken naar ontwikkelingen. Besloten is dat het Verkeersmodel 2022 van toepassing blijft voor de verkeersonderzoeken voor lopende projecten, zoals het golfbad. Daarmee biedt de verkeersstudie uit 2024, dat gebruik maakt van het Verkeersmodel 2022 de juridische basis voor de keuzes in onderhavige wijziging van het omgevingsplan voor het golfbad.

Ter voorbereiding van de definitieve wijziging van het omgevingsplan voor het golfbad is ook onderzocht wat de uitkomst is als gebruik wordt gemaakt van het meest actuele verkeersmodel, namelijk Verkeersmodel 2024.

Verkeersgeneratie Door Goudappel is in het kader van de planologische procedure een verkeersstudie verricht. De verkeersstudie (2024) is geactualiseerd aangezien er geen onderwijsinstelling wordt gerealiseerd, maar een binnensportvoorziening. Dit levert een andere verkeersgeneratie op. De volgende functies worden in het plan geregeld: 1.

Een zwembad;

2.

Een extra voetbalveld;

3.

Binnensportvoorziening (definitieve invulling is er niet - als uitgangspunt is een sporthal genomen)

Voor het bepalen van de verkeersgeneratie is gebruikgemaakt van de CROW-kencijfers en de Nota Parkeernormen Oss 2023. Conform deze nota geldt voor de kern Berghem de stedelijkheidsgraad weinig stedelijk en is het plangebied gelegen in de categorie rest bebouwde kom. Berekening verkeersgeneratie ontwikkeling Programma

92

Concept

Specificering

(van 1-4-2026 11:16)

Verkeersgeneratie

Zwembad

1.900 m² zwemwater; 425.000 bezoekers per jaar

816 mvt/etm

Voetbalveld

1 voetbalveld

87 mvt/etm

Binnensportvoorziening

3.500 m2

354 mvt/etm

Totaal

1.257 mvt/etm

Concept

Verkeersonderzoek Zwembad Osseweg Actualisatie d.d. 12 maart 2026

Het plan genereert 1.257 motorvoertuigen per etmaal. Ter verduidelijking; bij de berekening van de verkeersgeneratie spelen de verkeersmodellen geen rol. Verkeersafwikkeling Om de verkeerseffecten van de ontwikkelingen inzichtelijk te maken, is gebruik gemaakt van het in 2022 opgeleverde verkeersmodel Oss. Dit verkeersmodel is geoptimaliseerd op basis van nieuwe ontwikkelingen op het gebied van onder meer autobezit, reisgedrag en economische veranderingen en is gekalibreerd op verkeerstellingen uit 2019 (pré-corona). Het projectmodel Oss is gebaseerd op de regionale BBMA2022, maar is verder gespecifieerd en verfijnd naar de specifieke situatie in Oss. Als zichtjaar is het prognosejaar 2040 gehanteerd. Voor het bepalen van de mate van verkeersafwikkeling zijn kruispuntberekeningen uitgevoerd om inzicht te krijgen in het afwikkelingsniveau in de toekomstige situatie. Er is onderscheid gemaakt tussen de referentiesituatie 2040 (zonder ontwikkeling), variant 1 (alleen zwembad) en variant 2 (zwembad + voorzieningen). Uit de uitgevoerde kruispuntberekeningen blijkt dat de ontwikkeling van het zwembad en eventueel de aanvullende voorzieningen niet zorgen voor afwikkelingsproblemen bij de uitrit op de Osseweg en bij de rotonde Julianastraat – Osseweg.

Bij de met verkeerslichten geregelde kruising N329/Osseweg blijkt dat de verkeersdrukte dermate toeneemt dat verschillende aanpassingen initieel al nodig zijn, onafhankelijk van de nieuwe ontwikkelingen. Een aantal opstelstroken hebben onvoldoende capaciteit en leiden tot blokkades van de naastgelegen richtingen (voor afslaand verkeer). Om dit te voorkomen dienen de naastgelegen opstelstroken te worden verlengd. Geactualiseerd verkeersonderzoek 2026 Voor inzicht in de verkeersintensiteiten is gebruik gemaakt van het Verkeersmodel Oss. Dit betreft in de basis het provinciale verkeersmodel BBMA2024 voor de regio Noordoost-Brabant, met daarin aanscherpingen in en rondom Oss. Dit betreft vooral lokale aanscherpingen in de socio-economische gegevens, waaronder meer detaillering in de ontwikkeling Amsteleind. Sinds oplevering van het verkeersmodel zijn reeds diverse verkeersstudies verricht (en deels in uitvoering) waarbij verkeersmodelberekeningen zijn uitgevoerd. Dit biedt de mogelijkheid om aan te sluiten bij één van de eerdere berekeningen. In samenspraak met de gemeente Oss is voor dit onderzoek echter gekozen om te rekenen met het reguliere prognosejaar 2040. Dat betekent concreet dat de maatregelen zoals opgenomen in de Koersnota niet worden meegenomen in het verkeersmodel. De reden hiervoor is tweeledig: 1. Nog niet alle maatregelen van de Koersnota zijn vastgesteld. 2.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Oss&id=f566843d-878d-47af-947d-c6bdee5d4958