Bijlage 1 - Concept document gemeenteblad
Tekst van het document
Het zwembad en in ook de mogelijke (binnen)sportvoorzieningen vormen plekken waar sport en recreatie worden gebundeld en versterken hiermee de mogelijkheden voor ontmoeting en participatie in de gemeenschap. Daarmee ondersteunt het planvoornemen de uitgangspunten van het voorzieningenbeleid door een concrete invulling te geven aan het domein Sport, aansluitend op de integrale structuur van overleg en besluitvorming die in het beleid is voorgeschreven. Het initiatief vormt op deze wijze een praktische en planbare stap binnen de lange termijnontwikkeling van maatschappelijke voorzieningen in Oss.
5.5.9 5.5.9.1
Inrichting en beheer openbare ruimte, verkeer en parkeren Koersnota Mobiliteit (2023)
De Koersnota Mobiliteit (2023) heeft als doel het versterken van de kwaliteit van de openbare ruimte, het toegankelijk en bereikbaar houden van basisvoorzieningen, het verduurzamen van de mobiliteit, het versterken van het economisch vestigingsklimaat, het vergroten van de verkeersveiligheid en het terugdringen van de hinder. Van belang is de vraag of een ruimtelijke ontwikkeling leidt tot extra verkeersbewegingen, of deze toename van verkeersbewegingen past binnen de normen die voor de verschillende typen wegen gelden en hoe het perceel aansluit op de openbare weg. Daarnaast is het van belang om inzicht te krijgen in de behoefte naar (extra) parkeervoorzieningen, van zowel auto als fiets, als gevolg van de ruimtelijke ontwikkeling en op welke wijze deze in het ontwerp worden ingepast. Doorwerking plangebied Het planvoornemen houdt rekening met de uitgangspunten van de Koersnota Mobiliteit 2023 door de ruimtelijke ontwikkeling zorgvuldig af te stemmen op de bestaande verkeersstructuur en de parkeerbehoefte. De ontsluiting van het sportcomplex met golfbad is afgestemd op de hoofdwegen in de omgeving, waardoor auto-, fiets- en voetverkeer veilig en efficiënt kan worden geleid. Voor het parkeren wordt voorzien in voldoende plaatsen op eigen terrein, conform de geldende parkeernormen voor zowel auto’s als fietsen.
Door deze integrale benadering wordt het plan in lijn gebracht met de gemeentelijke ambities
59
Concept
(van 1-4-2026 11:16)
voor een bereikbare, veilige en goed functionerende openbare ruimte, zonder dat het bestaande wegennet of de bereikbaarheid van het gebied negatief wordt beïnvloed. Voor een nadere uitwerking van de aspecten verkeer en parkeren wordt verwezen naar paragraaf 6.10.15 Verkeer en parkeren van deze motivering.
Concept
5.5.9.2
Kadernota Openbare ruimte
De ‘Kader Nota Openbare ruimte’ is definitief in januari 2013 opgesteld als leidraad voor inrichting, uitvoering en beheer van de buitenruimte in Oss. Doel van de Kadernota openbare ruimte is een goede kwaliteit van onze leefomgeving. Hieraan liggen vier uitgangspunten ten grondslag. De openbare ruimte dient bruikbaar, herkenbaar, integraal benaderd en duurzaam te zijn. • Bruikbaar: Door de mens centraal te stellen komt de gewenste bruikbare openbare ruimte tot stand. In een goed bruikbare openbare ruimte kunnen mensen bewegen, elkaar ontmoeten, natuur beleven, hun zintuigen prikkelen en zich veilig voelen. Bovendien vergt een goede inrichting, geënt op gebruik, geen extra onderhoud, handhaving en/of aanpassing. • Herkenbaar: Aan de openbare ruimte moeten bewoners kunnen zien dat zij in hún stad, in hún wijk of hún buurt zijn. Juist die eigen identiteit maakt dat de mensen zich thuis voelen. Door de ruimtelijke karakteristieken en de aanwezige diversiteit te versterken wordt die herkenbaarheid bereikt. • Integrale benadering: Het is voor een samenhangende openbare ruimte van groot belang dat de verschillende ontwerpopgaven vanuit een eenduidige visie tot stand komen en integraal beheerd worden. Dit betekent dat in onderlinge afstemming gewerkt wordt vanuit dezelfde ruimtelijke kaders. • Duurzaam: De Visie openbare ruimte staat voor een duurzame leefomgeving.
Dit is een schone en veilige leefomgeving waar het prettig wonen en werken is zonder negatieve effecten voor hier, nu en later. De ambitie is te ontwerpen geënt op de plaatselijke ondergrond, de CO₂-uitstoot te verminderen, het warmte-eilandeffect te beperken, het water zo lang mogelijk vast te houden en kapitaalvernietiging te voorkomen.
Doorwerking plangebied Het planvoornemen sluit aan en draagt bij aan de uitgangspunten van de Kadernota Openbare Ruimte. Het gebied wordt bruikbaar ingericht door aandacht voor veilige routes, verblijfsplekken en recreatiemogelijkheden. Het sportcomplex met golfbad en de te herinrichten omgeving versterken de herkenbaarheid van het gebied door een representatieve en goed zichtbare ligging binnen het landschap. Door een integrale benadering van functies, verkeer en groen ontstaat een samenhangende inrichting die aansluit bij de omgeving. Daarnaast wordt met duurzaamheid rekening gehouden door behoud en versterking van de landschappelijke kwaliteiten, waterberging en groen in aansluiting op het Bos van Oss.
5.5.9.3
Uitvoeringsprogramma Mobiliteit Oss: Van visie naar actie
De gemeente Oss staat, net als veel andere gemeenten, voor een aantal grote opgaven. Eén daarvan is het realiseren van voldoende en betaalbare woonruimte: tot 2040 is de ambitie om circa 8.500 nieuwe woningen toe te voegen, met name voor een- en tweepersoonshuishoudens in en rond de binnenstad en de spoorzone. Deze stedelijke groei vraagt om vitale, duurzame en aantrekkelijke wijken en kernen waar het prettig wonen en verblijven is. Het kunnen realiseren van deze ambities vraagt om zorgvuldige keuzes in de inrichting van de stad en de rol van verkeer en vervoer daarin. Meer woningen betekent meer mensen en dus meer verkeersbewegingen. De mobiliteitsstructuur speelt daarmee een belangrijke rol in het waarborgen van een prettige, veilige en gezonde leefomgeving. Een leefbare, uitnodigende en bereikbare stad vraagt om een goede balans tussen verschillende vervoersvormen. In de binnenstad krijgt de auto een minder prominente rol, terwijl de bereikbaarheid voor het winkelend publiek behouden blijft. Fietsers en voetgangers krijgen meer ruimte, en er wordt ingezet op een aantrekkelijk, groen en sociaal uitnodigend straatbeeld. Ook de relatie met het spoor en de toekomstige keuzes daaromtrent worden uitgewerkt in de Spooragenda.
Het Uitvoeringsprogramma Mobiliteit vertaalt de visie en doelstellingen uit de Koersnota Mobiliteit naar concrete acties en projecten. Het programma omvat 31 investeringen en richt zich op de periode 2025–2035, met als doel Oss leefbaar, veilig, aantrekkelijk, toegankelijk en bereikbaar te houden.
De gemeente wil met dit programma bijdragen aan de volgende vijf beleidsdoelen: • Versterken van de kwaliteit van de openbare ruimte
60
Concept
(van 1-4-2026 11:16)
Concept
•
Vooral in het centrum en de spoorzone wordt ingezet op vergroening en het veraangenamen van de openbare ruimte. Door ruimte efficiënter te benutten – meer voor bestemmingsverkeer en minder voor doorgaand verkeer – ontstaat ruimte voor ontmoeting en groen. Toegankelijk en bereikbaar voor iedereen
•
Basisvoorzieningen dienen zoveel mogelijk op loop- en fietsafstand bereikbaar te zijn. Voorzieningen die dat niet zijn, blijven goed toegankelijk met de auto. Verduurzamen van de mobiliteit
•
Duurzame vervoerswijzen worden gestimuleerd, onder meer door verbetering van het fietsroutenetwerk en versterking van het openbaar vervoer. Versterken van het economisch vestigingsklimaat
•
Door betere verbindingen tussen het Pivot Park en de stad, het verbeteren van de doorstroming op het hoofdwegennet en de bedrijventerreinen wordt de bereikbaarheid van economische kerngebieden gegarandeerd en waar mogelijk verbeterd. Vergroten van de verkeersveiligheid en terugdringen van hinder Door het realiseren van ongelijkvloerse kruisingen en het beperken van conflicten tussen fietsers en (vracht)autoverkeer wordt de verkeersveiligheid vergroot. Het uitvoeringsprogramma vormt daarmee een belangrijk instrument voor de integrale ontwikkeling van Oss als een duurzame, bereikbare en gezonde stad, waarin mobiliteit bijdraagt aan leefkwaliteit, economische vitaliteit en ruimtelijke samenhang.
Doorwerking plangebied Het planvoornemen sluit aan bij het ‘Uitvoeringsprogramma Mobiliteit Oss’, waarin bereikbaarheid, verkeersveiligheid en duurzame mobiliteit centraal staan. Het planvoornemen wordt via goed ontsloten routes bereikbaar voor auto’s, fietsers en voetgangers, met parkeerfaciliteiten overzichtelijk ingepast in de omgeving van de gebouwen (zwembad en gebouw voor (binnen)sport). Fiets- en wandelverbindingen sluiten waar mogelijk aan op bestaande netwerken, waardoor het gebied voor inwoners veilig en eenvoudig bereikbaar is. Door aandacht voor verkeersveiligheid en scheiding van verkeersstromen draagt het plan bij aan een veilige en overzichtelijke toegang tot het zwembad.
5.5.9.4
Beleidskader integrale veiligheid 2023-2026’
Het beleidskader integrale veiligheid 2023-2026’ is een gezamenlijk plan van de gemeente Bernheze, de gemeente Oss, het Openbaar Ministerie en de politie. Dit beleidskader geldt voor een periode van 20232026. De gemeentes hebben de missie een aantrekkelijke en veilige omgeving te bieden waar inwoners prettig kunnen wonen, werken en recreëren. Er wordt gewerkt aan een wendbare organisatie die in staat is in te spelen op actuele veiligheidsvraagstukken.
De algemene doelen voor de periode 2023-2026 zijn: • Een samenleving die weerbaar, veerkrachtig en zelfredzaam is. • Veilige wijken met een sterke verbinding tussen zorg en veiligheid. • Het zoveel mogelijk tegengaan, verstoren en stoppen van ondermijnende criminaliteit. • Het voorkomen en bestrijden van (grootschalige) incidenten en verstoringen van de openbare orde. • Het behouden of verbeteren van veiligheidsgevoelens en veiligheidscijfers.
De uitvoering van het beleid is gebaseerd op een aantal belangrijke uitgangspunten: • We doen het voor de samenleving: Het veiligheidsbeleid richt zich op het belang van de inwoners van Oss. Veiligheid is een gedeelde verantwoordelijkheid van overheid, inwoners, ondernemers en maatschappelijke organisaties. De gemeente vervult een regisserende en betrouwbare rol. • Integraal waar kan: Veiligheidsvraagstukken worden in samenhang aangepakt. Gemeente, politie, Openbaar Ministerie en andere partners stemmen processen en expertise op elkaar af voor een effectieve aanpak van overlast en criminaliteit.
61
Concept
(van 1-4-2026 11:16)
•
•
•
Focus op maatschappelijke effecten\sturen op oorzaken, niet op gevolgen: De beleidsinzet richt zich op maatschappelijke behoeften en onderliggende oorzaken van onveiligheid. Samenwerking binnen de gehele veiligheidsketen, van preventie tot nazorg, zorgt voor duurzame oplossingen. Een dynamisch beleidskader: Het veiligheidsbeleid biedt ruimte om in te spelen op veranderende maatschappelijke omstandigheden, nieuwe vormen van criminaliteit en gewijzigde wet- en regelgeving. Verbinding tussen zorg en veiligheid: De koppeling tussen zorg en veiligheid is essentieel. Thema’s als woonoverlast, huiselijk geweld en jeugdproblematiek vragen om afgestemde samenwerking en structureel overleg tussen partners in de veiligheidsketen.
Concept
Het Integraal Veiligheidsbeleid 2023–2026 vormt daarmee het kader voor een samenhangende en toekomstgerichte benadering van veiligheid, waarin zorg, preventie en handhaving elkaar versterken en gezamenlijk bijdragen aan een veilige en leefbare gemeente Oss. Doorwerking plangebied Het planvoornemen sluit aan bij het Beleidskader Integrale Veiligheid 2023–2026. De centrale ligging van het zwembad en overige sportvoorzieningen, de vrij ‘open’ entree met voorplein en de daarmee samenhangende zichtlijnen versterken sociale controle en het veiligheidsgevoel. Het parkeerterrein is overzichtelijk ingepast en de ontsluiting voor auto’s, fietsers en voetgangers is verkeersveilig. Zowel het zwembad als de overige sportvoorzieningen vervullen een maatschappelijke functie als ontmoetingsplek, stimuleert sport en recreatie en draagt bij aan sociale cohesie. Door aandacht voor ruimtelijke kwaliteit en verkeersveiligheid ondersteunt het plan de gemeentelijke ambitie voor een veilige en leefbare omgeving.
5.5.10
Toerisme en recreatie
Om de vrijetijdseconomie te bevorderen is in 2020 de visie op recreatie en toerisme ‘Verbinden en Vertellen’ vastgesteld. Om dit te bereiken moeten zowel het aanbod (product) als het verhaal en de promotie goed geregeld en op elkaar ingespeeld zijn. De visie beschrijft dat we in Oss al een heel veelzijdig aanbod hebben, daarom legden we de nadruk op verbinden en vertellen. Dit werd het motto voor de visie. De visie richt zich op het verbeteren van de samenhang. Samenhang in verhalen, samenwerking tussen ondernemers en gemeente en samenwerking in regionaal verband. In de visie ‘Vitaal Buitengebied’ vond de ruimtelijke vertaling plaats. De focus ligt hierin op kleinschalige toeristisch recreatieve ontwikkelingen die bijdragen aan een aantrekkelijk en beleefbaar buitengebied, passend bij de aard en de schaal van het landschap. De focus voor het stimuleren van aanbodgerichte ontwikkelingen ligt hier op de Maas. In de visie zijn enkele plekken aangewezen waar ruimte is voor grootschaligere ontwikkelingen. Genoemde locaties zijn: de Lithse Ham, jachthaven De Groot, de Geffense Plas en Hoessenbosch/Herperduin. De gemeente Oss sluit aan bij de nationale ambitie dat iedere inwoner in 2030 profijt heeft van toerisme. We koersen van promotie naar bestemmingsmanagement.
Hierbij is het belangrijk te zien dat toerisme en recreatie bijdraagt aan maatschappelijke opgaven en het welzijn van onze inwoners. Dit vraagt om nadrukkelijkere afstemming van beleid met andere domeinen. Doorwerking plangebied De visie op recreatie en toerisme ‘Verbinden en Vertellen’ (vastgesteld in 2020) gold tot 2023 en is daarmee formeel niet meer actueel. Desondanks sluit het planvoornemen aan bij de uitgangspunten en ambities die in deze visie zijn verwoord. Het planvoornemen draagt bij aan de maatschappelijke doelstelling om inwoners een aantrekkelijke en gezonde vrijetijdsbesteding te bieden en sluit aan bij het streven om toerisme en recreatie in te zetten ten behoeve van het welzijn van de inwoners van Oss. Het planvoornemen bevindt zich niet in het buitengebied dus het beleidsstuk ‘Vitaal Buitengebied’ is niet aan de orde. De ontwikkeling past wel binnen de bredere ambitie van de gemeente Oss om een samenhangend en kwalitatief recreatief aanbod te realiseren dat de leefbaarheid en vitaliteit van de gemeente versterkt. Daarmee is het planvoornemen in lijn met de gemeentelijke doelstelling om recreatie en vrijetijdsbesteding te verbinden aan maatschappelijke opgaven en gezondheid.
5.5.11
Conclusie
Het plan is in lijn met de bestaande beleidskaders binnen de gemeente Oss en geeft daarin direct invulling voor wat betreft de thema’s sport en bewegen, toerisme en recreatie.
62
Concept
(van 1-4-2026 11:16)
6 Toetsing aan regels en normen van omgevingsaspecten en milieu (omgevingswaarden) 6.1 Inleiding In welke mate voldoet het plan de instructieregels en regelgeving op het gebied van milieu, gezondheid en andere omgevingsaspecten?
6.2 Omgevingsveiligheid (afd. 5.1.2 BKL)
Concept
6.2.1
Toetsingskader
Omgevingsveiligheid beschrijft de risico’s die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Voor omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in paragraaf 5.1.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 van het Bkl gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico van een activiteit die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Plaatsgebonden risico Grenswaarden en standaardwaarden voor het Plaatsgebonden Risico (PR) ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a van het Bkl. Grenswaarden voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties (art. 5.7 lid 1 Bkl) worden in een omgevingsplan in acht genomen. Met standaardwaarden voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties wordt in een omgevingsplan rekening gehouden (art. 5.11 Bkl). Voor het plaatsgebonden risico gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (Bijlage VII Bkl). Groepsrisico Bij groepsrisico is sprake van ‘aandachtsgebieden’.
Risicovolle activiteiten hebben van rechtswege aandachtsgebieden (art. 5.12 Bkl). Het opnemen van aandachtsgebieden in een omgevingsplan is niet verplicht. Aandachtsgebieden zijn gebieden rond activiteiten met gevaarlijke stoffen die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen (RIVM a, z.d.). Aandachtsgebieden zijn er voor brand, explosie en gifwolk. Afhankelijk van het type activiteit met gevaarlijke stoffen, zijn er voor het aandachtsgebied in de regelgeving vaste afstanden vastgesteld of zijn deze afstanden rekenkundig te bepalen (Bijlage VII Bkl). Aandachtsgebieden worden zichtbaar gemaakt in het Register externe veiligheidsrisico’s (REV). Binnen een aandachtsgebied kan sprake zijn van een voorschriftengebied. Een gemeente kan in het omgevingsplan afzien van aanwijzing van een brand- of explosievoorschriftengebied of een kleiner brandof explosievoorschriftengebied aanwijzen (art. 5.14 Bkl). Als het initiatief ligt in een voorschriftengebied, dan gelden voor nieuwbouw aanvullende bouweisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (art. 4.90 tot en met 4.96 Bbl. Voor zeer kwetsbare gebouwen, zoals scholen, kinderdagopvang, en verzorgingstehuizen, geldt altijd een voorschriftengebied, en gelden dus aanvullende bouweisen bij nieuwbouw (art. 5.14 Bkl).
Los van een eventueel voorschriftengebied kan een gemeente aanvullende eisen stellen, bijvoorbeeld aan vluchtroutes en de bereikbaarheid van het gebied door hulpdiensten. Dergelijke eisen worden dan opgenomen in de omgevingsvergunning. Een berekening van het groepsrisico is onder de Omgevingswet optioneel; het is niet meer verplicht om het groepsrisico te bepalen, maar een gemeente mag hier nog wel om vragen (via een voorschrift) om de toelaatbaarheid van de situatie te beoordelen. Naast bovengenoemde regels over veelvoorkomende situaties zijn voor een aantal specifieke situaties nog de volgende delen van het Bkl van belang: • Beperkingen in het belemmeringengebied (voormalige belemmeringenstrook in de huidige regelgeving) van buisleidingen: par. 5.1.2.3 Bkl. • Veiligheid rond opslaan, herverpakken en bewerken van vuurwerk en pyrotechnische artikelen voor theatergebruik: par 5.1.2.4 Bkl. • Veiligheid rond het bewerken en opslaan van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik en op militaire objecten (par. 5.1.2.5 Bkl). • Veiligheid rond luchthavens (par. 5.1.2.6 Bkl).
63
Concept
(van 1-4-2026 11:16)
6.2.2
Toetsing
Het zwembad en naastgelegen binnensportvoorziening liggen binnen een afstand van 200 meter van het spoor en er vindt een toename van de populatie plaats. Voor het aspect omgevingsveiligheid moet de wijziging daarom worden verantwoord. Cauberg Huygen heeft een beschouwing naar de omgevingsveiligheid gedaan. Het volledige rapport is in de bijlagen opgenomen. In dat rapport wordt een aanzet tot de verantwoording van het groepsrisico gegeven.
Concept
6.2.3
Veiligheidrisico’s m.b.t. branden, rampen en crises
De volgende bronnen bevinden zich op grote afstand waarbij effecten niet zijn uit te sluiten maar het bijbehorende het risico niet direct invloed heeft op de mogelijkheden binnen het plangebied: • op ca. 130 meter ten zuidwesten bevindt zich een inrichting (Aspen Oss) waar gewerkt wordt met gevaarlijke stoffen. • op ca. 1 kilometer ten zuiden bevindt zich een inrichting (Gasservice Oss) waar gewerkt wordt met gevaarlijke stoffen. • op ca. 730 meter bevindt zich een inrichting (VDL) waarover gewerkt wordt met gevaarlijke stoffen. • op ca. 1 kilometer ten zuidwesten bevindt zich een inrichting (Pivot) waar gewerkt wordt met gevaarlijke stoffen. • op ca. 500 meter ten noorden bevindt zich een inrichting (CNG tankinstallatie) waar gewerkt wordt met gevaarlijke stoffen. • op ca. 850 meter bevindt zich een inrichting (Seveco inrichting) waar gewerkt wordt met gevaarlijke stoffen. • op ca. 1 kilometer ten noordoosten bevindt zich een inrichting (LPG tankstation) waar gewerkt wordt met gevaarlijke stoffen.
6.2.4
Opslag, productie, gebruik en transport van gevaarlijke stoffen
In de directe nabijheid van het plangebied bevindt zich het spoor, met bijbehorende aandachtsgebieden. Het brandaandachtsgebied binnen 30 meter, het explosieaandachtsgebied binnen 200 meter en het gifwolkaandachtsgebied binnen 300 meter. Het beoogde zwembad ligt op ca. 150 meter van het spoor. De beoogde binnensportvoorziening op 30 meter. Het plangebied ligt deels binnen het explosieaandachtsgebieden. Tevens ligt het plangebied in het nog niet vastgestelde gifwolkaandachtsgebied.
6.2.5
Plaatsgebonden risico en groepsrisico
In het kader van externe veiligheid is het van belang hoeveel personen zich in de nabijheid van de risicobron bevinden. In de huidige situatie is er sprake van braakliggend terrein en parkeerterrein. In de nieuwe situatie wordt uitgegaan van een zwembad en een extra sportfaciliteit in de vorm van een binnensportvoorziening. De beoogde situatie leidt tot een toename in personendichtheid, er vindt een toename van de populatie plaats. Het groepsrisico neemt toe door deze ontwikkeling. Er is een aanzet gegeven tot verantwoording van het groepsrisico. De uiteindelijke verantwoording van het groepsrisico is een bevoegdheid van de raad van de gemeente Oss.
6.2.6
Buisleidingen gevaarlijke stoffen
In de directe nabijheid van het plangebied bevinden zich geen buisleidingen waarlangs gevaarlijke stoffen gaan.
6.2.7
Vuurwerk en pyrotechnische artikelen
Het plangebied ligt niet binnen de invloedssfeer van vuurwerk en pyrotechnische artikelen.
6.2.8
Ontplofbare stoffen en brand- en explosie aandachtsgebieden (civiel en militair)
Het plangebied ligt deels binnen het explosieaandachtsgebied en volledig binnen het gifwolkaandachtsgebied. Er worden twee objecten gerealiseerd in het plangebied. Het betreft het zwembad en een binnensportvoorziening. Het zwembad is zo geprojecteerd dat deze voor een zo klein mogelijk deel in het explo-
64
Concept
(van 1-4-2026 11:16)
Concept
sieaandachtsgebied ligt. Het verder opschuiven van het zwembad is niet mogelijk omdat deze aan de noordzijde wordt begrensd door leidingen tracé. De verplaatsing van de binnensportvoorziening naar buiten het brandaandachtsgebied zorgt voor een verbetering van de veiligheid voor aanwezigen, ten opzichte van de variant waarbij de binnensportvoorziening binnen het brandaandachtsgebied ligt. In het huidige ontwerp is het theoretisch nog een optie om nog meer afstand tussen de binnensportvoorziening en het spoor te creëren, wat vanuit veiligheidsperspectief wenselijk is. Hoe meer afstand er wordt gehouden van het spoor hoe beter. Vanuit de voorgenomen landschappelijke en stedenbouwkundige inrichting van het gebied voor ontmoeten en recreëren, qua toegangswegen- en paden is gekozen voor deze indeling van het gebied. Voor het explosieaandachtsgebied geldt dat, zeker wanneer het explosieaandachtsgebied is aangewezen als voorschriftengebied, mogelijke bouwkundige maatregelen van toepassing zijn. Het omgevingsplan van de gemeente Oss heeft echter nog geen voorschriftengebieden aangewezen en wordt op dit moment nog opgesteld. Hier kan nog niet op vooruit worden gelopen. Bij de verdere uitwerking van de plannen zal met voorgenoemde rekening gehouden moeten worden. Bouwkundige maatregelen worden bij invulling van het plan afgewogen.
Voor verdere uitwerking dient uitgegaan te worden van de beleidsuitgangspunten van de gemeente Oss: Veiligheidsgericht in beheer en ontwerp. Voor de binnensportvoorziening geldt als aanvullend uitgangspunt dat de gevel evenredig aan het spoor als blinde gevel moet worden uitgevoerd. Bij het zwembad wordt een WKK gerealiseerd met een energieopslagsysteem (EOS). Het EOS mag alleen worden geïnstalleerd en gebruikt na het verkrijgen van een omgevingsvergunning. Er gelden beoordelingsregels waaruit blijkt dat de veiligheid en elektriciteitslevering op voldoende wijze is geborgd. Daarnaast wordt er altijd eerst advies gevraagd aan de Veiligheidsregio voordat er een omgevingsvergunning wordt verleend. In het rapport is een risico benadering en inschatting gemaakt voor wat betreft de externe veiligheid op het nieuwe zwembad en binnensportvoorziening. 6.2.9 Aandachtspunten Bij de verdere uitwerking van het plan wordt waar mogelijk rekening gehouden met veiligheidsgericht beheer en ontwerp voor gebouwen en openbare ruimte. Dit betekent dat er in ieder geval aandacht moet zijn voor bestrijdbaarheid en hulpdiensten, goede vluchtwegen (indeling) binnen en buiten gebouwen, een bedrijfsnoodplan en bedrijfshulpverlening (communicatie) en afsluitbare ventilatiesystemen (met één handeling uitschakelen). 6.2.10
Advies Veiligheidsregio
Er heeft afstemming plaatsgevonden met de Veiligheidsregio. De gemaakte plankeuzes zijn afgestemd op het advies. De adviesbrief is opgenomen in de bijlagen. Daarnaast wordt de Veiligheidsregio betrokken bij de verdere uitwerking van het plan.
6.3 Water (afd. 5.1.3 BKL en afd. 2.2.2) 6.3.1
Toetingskader
In de Omgevingswet is opgenomen dat ruimtelijke plannen (waaronder omgevingsplannen) die ter inzage worden gelegd, voorzien moeten zijn van een weging van het waterbelang. Ruimtelijke plannen van de initiatiefnemer (bijv. gemeente of projectontwikkelaar) worden overlegd met de verschillende waterbeheerders. In de weging van het waterbelang geeft de initiatiefnemer aan welke afwegingen in het plan ten aanzien van water zijn gemaakt. Het is een toelichting op het doorlopen proces en maakt de besluitvorming ten aanzien van water transparant. In geval van locatiekeuzes en bij herinrichting van bestaand bebouwd gebied geeft de initiatiefnemer aan welke rol de waterhuishoudkundige aspecten hebben gespeeld bij de besluitvorming. Daarbij wordt veelal ingegaan op de effecten van het initiatief op hemelwater(afvoer) op het (al dan niet bestaande) vuilwaterstelstel, op het grondwater en op de waterkwaliteit. Ook waterveiligheid komt aan bod, waarbij het de vraag is of het initiatief ligt in (beschermingszones) van waterkeringen. Daarnaast kent het waterschap Aa en Maas een waterschapsverordening (Waterschapsverordening Aa en Maas 2024). De Waterschapsverordening is een aanvulling op regels uit de Omgevingswet. De waterschapsverordening is van toepassing op de rivieren, beken, sloten, grondwater en dijken (waterkeringen) die in beheer zijn bij het waterschap.
Maar ook op alle sloten en watergangen die eigendom zijn van an-
65
Concept
(van 1-4-2026 11:16)
deren. De regels in de Omgevingswet en de Waterschapsverordening geven aan wat wel en niet mag en welke plichten er zijn.
6.3.2
Toetsing
Door Aeres Milieu B.V. is hiervoor een weging van het waterbelang uitgevoerd in combinatie met een infiltratieonderzoek. Het volledige rapport is opgenomen in de bijlagen. Alle watergerelateerde onderwerpen zoals (watertekort (droogte), wateroverschot, bodemdaling, hitte, overstromingsrisico en wateroverlast) worden in het onderzoek behandeld.
Concept
Grondwater en bodemopbouw Binnen de gemeente Oss zijn zover bekend geen grondwaterproblemen aanwezig en grondwateroverlast komt maar zelden voor. Als gevolg van klimaatveranderingen of grote ingrepen in het gebied kan het fluctuatiepatroon veranderen en mogelijk structurele grondwater onder-of overlast ontstaan. Vanuit de gemeente wordt geadviseerd om een minimale ontwateringsdiepte te hebben van 1,0 meter voor de kruin van verharding. Het bouwpeil komt ongeveer 20 cm boven de wegkruin. Aanliggend noordelijk van het plangebied is een grondwatermonitoringsput (identificatie: B45E0558-001) bekend bij het BROloket. Op basis van deze meetgegevens wordt de gemiddelde grondwaterstand ingeschat op ca. 6,1 m +NAP en de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) op ca. 6,5 m +NAP. Tijdens de uitvoering van het veldwerk voor het infiltratie onderzoek, zie hoofdstuk 3, is een grondwaterstand waargenomen tussen 1,0 en 1,5 meter onder maaiveld (momentopname). Gezien de bestaande hoogteligging is ter plaatse geen grondwateroverlast te verwachten. Uit de metingen in de onverzadigde zone blijkt dat de matig fijne, zwak siltige toplaag op de hoger gelegen delen (westelijk gedeelte) een zeer goede infiltratie toelaat. Op deze hoger gelegen delen (westelijk) is de lokale bodem zeer geschikt voor de aanleg van een infiltratievoorziening.
Rekening houdend met een veiligheidsfactor kan ter plaatse van meetpunt 11 en 12 gerekend worden met een kv-waarde van ca. 1,0 meter per dag en kH-waarde van 4,0 meter per dag. De metingen uitgevoerd in het lagergelegen deel (oostelijk) kennen een matige (meting 13 en 14) tot slechte (meting 15 en 16) infiltratiesnelheid. Derhalve zijn er bijkomend 2 slugtesten uitgevoerd voor de infiltratie van de verzadigde zone te bepalen. Uit de slugtest in de verzadigde zone blijkt dat infiltratie ter plaatse goed toepasbaar is met een k-waarde van 2,0 meter per dag ter hoogte van meetpunt P13 en 2,7 meter per dag ter hoogte van meetpunt P15. Infiltratie kan ter plaatse in de bodem plaatsvinden. In het westelijk gedeelte van het plangebied is dit zeer goed toepasbaar. In het oostelijk gedeelte van het plangebied zijn de gemeten waardes lager waardoor ter plaatse geen absolute infiltratievoorziening geadviseerd wordt. Een hemelwatervoorziening wordt best voorzien van een leegloopmogelijkheid en een (oppervlakkige) noodoverloop voor hevige of langdurige buineerslag. Dit is mogelijk richting de oostelijk gelegen primaire watergang of het openbaar gebied. Binnen of vlakbij het plangebied zijn geen grondwateronttrekkingen bekend. Het plangebied ligt niet in een (grond)waterbeschermingsgebied. Oppervlaktewater Ten oosten van het plangebied bevindt zich een primaire watergang.
Primaire watergangen hebben aan weerzijde een beschermingszone van 5 meter gemeten vanaf de insteek. Deze zone moet obstakelvrij blijven ten behoeve van onderhoud en inspectie van de waterkering. Conform de waterschapsverordening is het onder meer verboden om zonder vergunning in een a-water, of in de beschermingszone hiervan, handelingen te verrichten, werken te behouden of vaste substanties of voorwerpen te laten staan, liggen of drijven. Centraal door het plangebied ligt een gracht. Deze dient voor de lokale afwatering en valt niet onder de regels van de legger. Afvalwater
66
Concept
(van 1-4-2026 11:16)
Binnen het plangebied noordelijk en westelijk liggen leidingen van het gemeentelijk gemengd vrij verval rioolstelsel. Er ligt een transportleiding (beton 1.500 mm) aan de westzijde van het plangebied. Hier geldt een vrijwaringszone van 5 meter aan weerszijden gemeten uit het hart van de leiding. Binnen deze strook mag geen bebouwing komen en is alleen elementenverharding toegestaan. Ook is de vrijwaringszone langs de leiding van belang om in acht te nemen bij de verdere uitwerking van het inrichtingsplan. Gelet op de situatie kan er niet onder vrij verval op de transportleiding beton 1.500 mm worden aangesloten. Wat onderzocht wordt een mogelijke vrij verval aansluiting op de aanwezige riolering onder de Osseweg (aan de noordoostzijde van het plangebied). Het verwerken van afvalwater dient nog verder te worden uitgewerkt.
Concept
Hemelwater De aanleg van compensatie voor nieuwe verharding is afhankelijk van het bevoegd gezag en de omvang van de ontwikkeling. Vanuit het waterschap is retentie vereist vanaf 500 m² nieuw verhard oppervlak. Uit het klimaatbestendig beleid van de gemeente Oss geldt dat voor elke nieuwe ontwikkeling een waterberging op eigen terrein voorzien dient te worden op een neerslaghoeveelheid van 60 mm (bij toename verharding >500 m²) conform het beleid van het waterschap. Gezien de ligging nabij oppervlaktewater mag vanuit de bergingsvoorziening een noodoverlaat naar de watergang worden aangelegd. Hiervoor dient een functionele afvoerconstructie aangelegd te worden met een minimale diameter van 4 cm (ca. 2 l/s/ha). Om beschadiging van het oppervlaktewaterlichaam te voorkomen dient bij de voorziening een overloopconstructie aangelegd te worden. Indien binnen plangebied het verhard oppervlak meer dan 500 m² toeneemt, is het gebruiken van gronden en bouwwerken uitsluitend toegestaan nadat één of meerdere waterbergingsvoorzieningen zijn gerealiseerd met een minimale inhoud van 60 mm per m² nieuw verhard oppervlak.
Afhankelijk van de uiteindelijke voorkeur en wens tot inrichting van het perceel zijn ter plaatse onderstaande mogelijkheden toepasbaar om te komen tot een duurzame, klimaatbestendige herontwikkeling: • Aanleg wadi, infiltratiekratten, grindkoffer, rockflow of vergelijkbare voorziening; • Aanleg van half verharding of waterpasserende bestrating zoals grasbetontegels; • IT-riolering onder de bestrating (langwerpige voorziening); • Aanleg groendak op de platte daken/bergingen; • Een combinatie voor bovenstaande oplossingen. Uit het infiltratieonderzoek worden de volgende adviezen/aanbevelingen gegeven. In het oostelijk gedeelte van het plangebied zijn de gemeten waardes lager waardoor ter plaatse geen absolute infiltratievoorziening geadviseerd wordt. Een hemelwatervoorziening wordt best voorzien van een leegloopmogelijkheid en een (oppervlakkige) noodoverloop voor hevige of langdurige buineerslag. Dit is mogelijk richting de oostelijk gelegen primaire watergang of het openbaar gebied. Klimaatadaptatie Binnen de samenwerking As50+ is een stresstest light uitgevoerd. In figuur 6.1 is een uitsnede van de uitgevoerde klimaatstresstest weergegeven. Uit de klimaatatlas van de watersamenwerking As50+ blijkt dat er oostelijk binnen het plangebied hoge waterstanden op maaiveld te verwachten zijn bij een neerslagbui van 60 mm in één uur.
Volgens de klimaatatlas stroomt hemelwater in de huidige situatie globaal gezien oppervlakkig af in noordelijke richting. Voor de toekomstige invulling van het plangebied dient hier rekening mee gehouden te worden. Tevens zal de noordelijk gelegen straat “Osseweg” naar verwachting begaanbaar blijven bij een bui van 60 mm. Vandaar dat in het plangebied veel ruimte is voor groen en waterbergingsmogelijkheden aan de randen, maar ook tussen de bebouwing en onder parkeervoorzieningen.
Waterhuishoudkundig plan Door Nepocon Ingenieurs & Adviseurs is voor onderhavig planvoornemen een geohydrologisch onderzoek uitgevoerd en een waterhuishoudkundig plan opgesteld. De rapportage is opgenomen in de bijlagen. Hierin staan de resultaten van het onderzoek, advies en ontwerpuitgangspunten opgenomen. De conclusie volgt hierna. De realisatie van Zwembad Oss resulteert in een groter verhard oppervlak. Aangezien de lokale verwerking van hemelwater op het projectterrein een vereiste is, zijn uit de analyse en berekeningen de onderstaande conclusies en aanbevelingen voortgekomen.
67
Concept
(van 1-4-2026 11:16)
Concept
Figuur 6.1
Uitsnede klimaatatlas met aanduiding plangebied Rapportage waterhuishoudkundig plan / As50 watersamenwerking
Tabel 6.1
Conclusie waterhuishoudkundig plan Rapportage waterhuishoudkundig plan
6.3.3
Conclusie
Gelet op het voorgaande, is er vanuit het aspect ‘Water’ sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
6.4 Luchtkwaliteit (afd. 5.1.4.1 BKL) De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen ter bescherming van de gezondheid staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het Bkl (paragraaf 5.1.4.1). Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: • Er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde. • Het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit. • Het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging.
CIMLK Mede door het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) is in de afgelopen jaren in Nederland de luchtkwaliteit aanzienlijk verbeterd. Vanwege deze verbetering is het NSL na de inwerkingtreding van de Omgevingswet komen te vervallen. Sinds 1 januari 2023 vervangt het Centraal Instrument
68
Concept
(van 1-4-2026 11:16)
Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK) het NSL. Middels dit nieuwe instrument kan de luchtkwaliteit berekend en gemonitord worden onder de Omgevingswet. NIBM
Concept
De beoordeling van de luchtkwaliteit vindt niet overal plaats. Voor een activiteit die niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, is geen toetsing aan de Rijksomgevingswaarden voor NO2 en PM10 nodig. Uit artikel 5.53 en 5.54 van het Bkl volgt dat een project niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties.
Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft: • Motiveren dat het project binnen de getalsmatige grenzen van een aangewezen categorie blijft. Onder deze ‘standaardgevallen NIBM’ vallen kantoren, woonwijken en het telen van gewassen. Dit moet wel onder een bepaalde omvang blijven conform artikel 5.54 van het Bkl. Valt een project binnen de genoemde categorie, maar niet binnen de gestelde grenzen? Het is dan mogelijk om alsnog via detailberekeningen aannemelijk te maken dat de 3%-grens niet wordt overschreden. • Op een andere manier aannemelijk maken dat een project de 3%-grens niet overschrijdt. Soms kan een kwalitatieve berekening voldoende zijn. Veel mensen bepalen met de NIBM-tool op een eenvoudige en snelle manier of een project in betekenende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Soms zijn detailberekeningen nodig als aanvulling op de NIBM-tool.
Aandachtsgebieden De overheid toetst en monitort de luchtkwaliteit vooral in de zogenoemde aandachtsgebieden. Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties NO2 en/of PM10. Aandachtsgebieden voor zowel NO2 als PM10 staan vermeld in artikel 5.51, lid 2 van het Bkl. Aandachtsgebieden voor alleen PM10 zijn aangewezen in artikel 5.51, lid 3 van het Bkl. In een aandachtsgebied moet de overheid de omgevingswaarden in acht nemen (artikel 5.51 Bkl). Een Rijksomgevingswaarde bestaat uit grenswaarden en streefwaarden voor stoffen die de kwaliteit van de buitenlucht beïnvloeden. Als besluiten binnen een aandachtsgebied leiden tot een verhoging van de concentraties van luchtverontreinigende stoffen, of als gemeenten activiteiten toestaan die betrekking hebben op wegen, vaarwegen of spoorwegen en waarvoor luchtkwaliteitsregels gelden volgens het Bal, moet dit in overweging worden genomen. In sommige gevallen kan de achtergrondconcentratie van luchtverontreinigende stoffen zo hoog zijn dat de invoering van een nieuw project toch leidt tot overschrijding van de landelijke omgevingswaarden. Dit kan ook van toepassing zijn op activiteiten in de buurt van een aandachtsgebied, die de concentraties binnen dat gebied verhogen.
Hierdoor moet een gemeente soms een planinitiatief toetsen aan de omgevingswaarden in een nabijgelegen aandachtsgebied, zelfs als het initiatief buiten dat specifieke gebied valt. Deze beoordeling is met name nodig bij activiteiten die aanzienlijke luchtvervuiling veroorzaken en over een grotere afstand effect hebben, zoals extra verkeer of bedrijfsemissies. De vergunningverlener beoordeelt de activiteit aan de hand van de omgevingswaarden, tenzij de activiteit niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de concentraties van NO2 of PM10. In enkele situaties moet de luchtkwaliteit altijd worden beoordeeld: • bij een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit; • bij de aanleg van een tunnel langer dan 100 meter, of als een tunnel wijzigt en daarbij minimaal 100 meter toeneemt; • bij de aanleg van een autoweg of een autosnelweg.
Voor vergunningplichtige milieubelastende activiteiten heeft het Rijk beoordelingsregels over emissies naar de lucht en de beoordeling van de luchtkwaliteit opgenomen in het Bkl. De specifieke beoordelingsregels voor luchtkwaliteit staan in artikel 8.17, 8.21 en 8.24 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Deze gaan over: • beoordeling luchtkwaliteit en toetsing aan de Rijksomgevingswaarden; • ammoniakemissies van veehouderijen; • geologische opslag van CO2.
69
Concept
(van 1-4-2026 11:16)
In sommige gevallen heeft de gemeente mogelijk al in een eerdere fase, bijvoorbeeld bij het toelaten van bedrijven in het omgevingsplan, beoordeeld of het plan voldoet aan de regels met betrekking tot luchtkwaliteit. Deze beoordeling, ook wel aangeduid als een ‘voortoets’, is verplicht als het projectgebied zich bevindt in een aandachtsgebied. Wanneer een daadwerkelijke aanvraag voor een omgevingsvergunning wordt ingediend, moet het bevoegd gezag opnieuw beoordelen of deze aanvraag voldoet aan de specifieke eisen met betrekking tot luchtkwaliteit. Met andere woorden, de gemeente kan in een vroegere fase een initiële beoordeling uitvoeren, maar de uiteindelijke goedkeuring of afwijzing van de vergunningaanvraag gebeurt pas bij de daadwerkelijke aanvraag op basis van de geldende luchtkwaliteitseisen.
Concept
6.5 Toetsing luchtkwaliteit Alle luchtkwaliteitsgerelateerde onderwerpen zoals opgenomen in het gemeentelijke format (emissies verkeer, emissies bedrijvigheid, emissies agrarische sector (geur versus luchtkwaliteit), houtstook en luchtkwaliteit bij wonen en verblijven) worden in het onderzoek behandeld. Indien een onderwerp niet in de rapportage wordt genoemd, betekent dit dat het niet van toepassing is op het planvoornemen. Het plangebied valt niet in een van de aandachtsgebieden voor zowel NO2 als PM10 of voor alleen PM10. Wel dient aangetoond te worden dat het plan niet-in-betekenende-mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Voor de volledigheid wordt het CIMLK-instrument geraadpleegd en is dus gebruik gemaakt van de NIBM-tool. CIMLK In het kader van evenwichtige toedeling van functies aan locaties is het van belang om aan te tonen of er sprake is van een goed woon- en leefklimaat met betrekking tot luchtkwaliteit. Hierover kunnen uitspraken worden gedaan aan de hand van achtergrondwaarden voor NO2, PM10 en PM2.5 ter plaatse van het plangebied. De achtergrondwaarden van de vier dichtstbijzijnde rekenpunten zijn in tabel 6.1 weergegeven. De data uit het CIMLK toont aan dat de achtergrondwaarden significant lager zijn dan de gestelde normen.
Hieruit kan worden afgeleid dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat met betrekking tot luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied. Tabel 6.2: Achtergrondwaarde ter plaatse van het plangebied Id
NO2 μg/m3
PM10 μg/m3
PM10 overschrijdingsdagen
PM2.5 μg/m3
Jaar
x: 166417 y: 420080
21,89
17,20
6,07
9,60
2024
x: 166420 y: 419977
21,61
17,39
6,11
9,52
2024
x: 166423 y: 419874
21,3
17,36
6,1
9,50
2024
x: 166425 y: 419770
20,22
17,23
6,07
9,46
2024
Norm
40
40
35
25
CIMLK-instrument
NIBM Middels de NIBM-tool is in beeld gebracht wat de effecten van de ontwikkeling op de luchtkwaliteit zijn. Voor het toepassen van de NIBM-tool is het noodzakelijk om inzicht te hebben in de verkeersgeneratie die samenhangt met de binnen de projectgebieden beoogde functies. Deze verkeersgeneratie is berekend in paragraaf 6.12.14. Bij de berekening is uitgegaan van de maximale verkeersgeneratie, namelijk 1.257 mvt/etmaal. De resultaten uit de berekening met de NIBM-tool zijn weergegeven in de navolgende tabel.
70
Concept
(van 1-4-2026 11:16)
Concept
NIBM-tool
Berekening met de NIBM-tool NIBM-tool
Uit de berekening met de NIBM-tool volgt dat het project niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit. De toename van de concentratie NO2 en PM10 is niet hoger dan 1,2 ug/m3. Hiermee is sprake van een NIBM-project. Nader onderzoek op dit vlak is daarom niet noodzakelijk. Hierdoor is toetsing aan de Rijksomgevingswaarden voor NO2 en PM10 niet nodig. Tevens behoort het plangebied niet tot een van de aandachtsgebieden, welke genoemd zijn in artikel 5.51, lid 2 van het Bkl. De ontwikkeling van een zwembad en binnensportvoorziening is geen milieubelastende activiteit, als bedoeld in hoofdstuk 3 van het Bal, waarover regels zijn gesteld met het oog op het beperken van verontreiniging van de lucht. Het is geen activiteit die relatief veel luchtvervuiling veroorzaakt en over een grotere afstand effect heeft.
6.6 Gezondheid (geen onderdeel BKL) In samenwerking met de GGD is een gezondheidsanalyse gemaakt hoe bij de inrichting van het gebied het aspect gezondheid daarin mede een rol kan krijgen (zie bijlagen). Op basis van de gezondheidsanalyse zijn concrete inrichtingssuggesties gegeven voor het gebied. Deze suggesties hebben betrekking op zowel de inrichting van het gebied zelf, het zwembadgebouw, het creëren van een gezond milieu en aandacht voor natuur en sociale samenhang. Voor wat betreft de inrichting van het gebied betekent dit onder meer het zorgen voor een herkenbare en veilige ontmoetingsplek in de openbare ruimte voor sporters en bezoekers. Maar ook het maken van speel- en beweegruimte met natuurlijke elementen en beweegroutes. Andere suggesties zijn om het fietsen en wandelen naar het gebied zo aantrekkelijk mogelijk te maken en inwoners en gebruikers van het gebied zoveel als mogelijk bij de inrichting van het gebied te betrekken. Het aan de voorkant meenemen van (positieve) gezondheid in de gebiedsontwikkeling beschermt en bevordert de gezondheid van de toekomstige gebruikers. Deze suggesties en adviezen zijn daarom verwerkt bij de inrichting van het plangebied.
6.6.1
Uit de gezondheidsanalyse van de GGD wordt het volgende over luchtkwaliteit vermeld. Het te ontwikkelen gebied is omgeven door twee drukke wegen die voor luchtverontreiniging kunnen zorgen. De luchtkwaliteit overschrijdt hierdoor de gezondheidskundige advieswaarden van de WHO. Echter voldoet luchtkwaliteit in de hele provincie Noord-Brabant over het algemeen niet aan de WHO advieswaarden (Onderzoek luchtkwaliteit en gezondheid in Brabant (2022)). Verschillende adviezen zijn dus van toepassing. De GGD geeft het advies om minstens 50 meter afstand aan te houden van het te ontwikkelen gebied tot de N329 (Megenseweg/Weg van de Toekomst) en de Osseweg. Ook wordt geadviseerd om minimaal één rustige zijde aan een gebouw (luwe zijde) te realiseren waar sprake is van zo schoon mogelijke lucht. Het verdere advies is om bij het ventilatiesysteem van het zwembad ook rekening te houden met de plaatsing van de luchttoevoer zodat deze ook aan de luwe zijde geplaatst wordt. Het bezoek van een beweegtuin wordt echter als tijdelijk gezien waardoor er geen sprake is van een langdurige en regelmatige blootstelling aan luchtverontreiniging. De negatieve effecten op de gezondheid zijn hierdoor geringer. Bij de positionering van het zwembad en de andere sportvoorzieningen is zo veel mogelijk rekening gehouden met afstanden tot de weg.
Tegelijkertijd moet rekening gehouden worden met bestaande woningen en heeft een sportvoorziening en zwembad een bepaalde omvang, waardoor niet geheel aan de adviesafstand kan worden voldaan. Er is gekeken naar een optimalisatie van de invulling van het terrein, waarbij meerdere belangen zijn afgewogen.
6.6.2
71
Luchtkwaliteit
Spuitzones
Concept
(van 1-4-2026 11:16)
De Omgevingswet en uitvoeringsregelgeving stellen geen regels aan de afstand die dient te bestaan tussen gevoelige functies (zoals woningen en bijbehorende tuinen) en agrarische percelen waarop gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling blijkt dat zij 50 meter als vuistregel hanteert tussen gevoelige functies en agrarische bedrijvigheid waarbij gewasbeschermingsmiddelen kunnen worden gebruikt. Van belang is dat onder gevoelige functies zowel woningen als tuinen bij woningen worden bedoeld en dat uit moet worden gegaan van de planologische mogelijkheden op een perceel.
Concept
Aan de noordkant liggen agrarische gronden, waarop theoretisch gezien gewasbeschermingsmiddelen gebruikt mogen worden. Echter de afstand van de nieuwbouw van het Golfbad tot de agrarische gronden bedraagt meer dan 50 meter, namelijk ruim 70 meter. Door deze afstand wordt de gezondheid van toekomstige bezoekers aan het zwembad beschermd.
6.6.3
Endotoxines en/of zoönosen
Uit de GGD analyse is niet naar voren gekomen dat Endotoxines en/of zoönosen een aandachtspunt betreft voor het aspect gezondheid.
6.6.4
Hittestress
Onderhavige ontwikkeling draagt bij aan het beperken van hittestress. In het plan wordt voorzien in een ruime mate van groeninrichting, waaronder bomen en beplanting die bijdragen aan verdamping en natuurlijke verkoeling. Daarnaast zorgt de positionering van de gebouwen (het zwembad en de binnensportvoorziening voor voldoende schaduwwerking op het direct omliggende terrein. Hierdoor ontstaan diverse schaduwrijke plekken die het verblijfsklimaat verbeteren. Bovendien wordt de uitvoering van het parkeren op grastegels gestimuleerd.
6.6.5
Conclusie
Gelet op het voorgaande, is er vanuit het aspect ‘Gezondheid’ sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
6.7 Geluid (afd. 5.1.4.2 BKL) 6.7.1
Toetsingskader
Er dient rekening te worden gehouden met het geluid door (spoor)wegen op geluidgevoelige gebouwen. Daarbij gelden er geluidaandachtsgebieden rondom (spoor)wegen. Binnen een dergelijk geluidsaandachtsgebied, dient het geluid op geluidgevoelige gebouwen aanvaardbaar te zijn (par. 5.1.4.2a Bkl). Indien het geluid op een geluidgevoelig gebouw (binnen een geluidaandachtsgebied) niet meer bedraagt dan de standaardwaarde dan is er in ieder geval sprake van een aanvaardbare woon- en leefomgeving. De standaardwaarden zijn aangegeven in onderstaande tabel. Deze geluidsnormen hebben betrekking op het geluid op de gevel van een geluidsgevoelig gebouw en hebben primair als doel het beschermen van de gezondheid door het stellen van eisen aan het geluid op en rond woningen, waar mensen langdurig verblijven en slapen. Tabel 6.2: Standaardwaarde geluid voor een geluidbron op een geluidgevoelig gebouw per (spoor)weg Geluidbronsoorten
Standaardwaarde
Rijkswegen en provinciale wegen
50 Lden
Gemeentewegen en waterschapswegen
53 Lden
Hoofdspoorwegen en lokale spoorwegen
55 Lden
De regels voor geluid hebben een tweezijdige werking om de bescherming tegen geluidsbelasting vorm te geven. Enerzijds bij de aanleg of aanpassing van (spoor)wegen en anderzijds bij het mogelijk maken van nieuwe geluidsgevoelige gebouwen en locaties nabij een (spoor)weg. Geluidsgevoelige gebouwen zijn gebouwen, waaronder een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat bijvoorbeeld een woon-, onderwijs- of zorgfunctie heeft. Voor andere gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van
72
Concept
(van 1-4-2026 11:16)
bescherming tegen geluid op grond van artikel 4.2 van de Omgevingswet. Dat doet de gemeente vanuit een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Daarnaast vindt de beheersing van het geluid plaats: • bij provinciale wegen en door de provincie aangewezen lokale spoorwegen: met geluidproductieplafonds (op referentiepunten); • bij gemeentelijke en waterschapswegen en andere lokale spoorwegen: met de basisgeluidemissie.
Concept
Een geluidsproductieplafond geeft de maximale toegestane productie weer op een vast fictief punt, het referentiepunt, op korte afstand van de geluidsbron.
6.7.2
Geluid door algemene activiteiten
Omgevingsgeluid activiteiten en milieuzonering Het zwembad en de daarbij beoogde overige functies vormen milieuhinderlijke activiteiten. Voor de beoordeling van het omgevingslawaai afkomstig van het beoogde zwembad is VNG-brochure “Bedrijven en milieuzonering” (2009) geraadpleegd. Het gebied rondom het plangebied kan worden aangemerkt als gemengd gebied, onder andere vanwege de nabijheid van infrastructuur (N329 en Osseweg), bestaande sportvoorzieningen en overige maatschappelijke functies. In een gemengd gebied kunnen de richtafstanden uit de VNG-brochure met één afstandsstap worden verlaagd. Een zwembad valt op basis van de VNGindeling onder de categorie ‘Zwembaden: Overdekt’ waarvoor een richtafstand van 50 meter geldt. In een gemengd gebied komt dit neer op een richtafstand van 30 meter. De afstand tussen het beoogde zwembad en de dichtstbijzijnde woningen bedraagt tot de woningen aan de westkant ca. 120 m, en ruim ca. 55 m tot aan de woningen aan de oostkant. De afstand bedraagt daarmee meer dan 30 meter (uitgaande van gemengd gebied) en zelfs meer dan 50 meter (uitgaande van rustig gebied), waardoor er voldoende afstand aanwezig is om hinder te voorkomen. Het zwembad veroorzaakt geen onaanvaardbare geluidseffecten op omliggende woningen. Vanuit omgevingslawaai vormt het zwembad daarom geen belemmering. Figuur 6.3
Voor sportvoorzieningen in zijn algemeenheid geldt een richtafstand van 50 meter (uitgaande van rustig gebied) en op basis van een veldsportcomplex. Deze beoogde invulling is de meest representatieve. Voor sporthallen (binnensportvoorziening) geldt een richtafstand van 50 meter (uitgaande van rustig gebied). Voor de vestiging van een sportactiviteit gelden ook de richtlijnen vanuit het Bkl, Bruidsschat en Bal. In de buitenruimte zijn uitsluitend functies mogelijk gemaakt die passen binnen de categorieën sportveld en veldsport. Uitdrukkelijk worden functies die niet binnen deze omschrijvingen vallen, zoals baansporten, uitgesloten. Er kan worden gesteld dat aan bovengenoemde richtafstanden wordt voldaan. Voor de locatie die is aangewezen voor sportactiviteiten bedraagt de afstand tot de (bedrijfs)woningen aan de zuidkant ca. 110 meter, ca. 110 m tot de woningen aan de westkant, en ruim ca. 80 m tot aan de woningen aan de oostkant. Akoestische onderzoeken omgevingsgeluid Er zijn meerdere akoestische onderzoeken naar omgevingsgeluid, vanwege de planontwikkeling, uitgevoerd. Hieronder volgen de samenvatting en conclusies per onderzoek. Herontwikkeling Osseweg te Oss, akoestisch onderzoek herziening Omgevingsplan (Cauberg Huygen) Door Cauberg Huygen B.V.
is een akoestisch onderzoek uitgevoerd voor de herontwikkeling van een braakliggend terrein aan de Osseweg te Oss tot een zwembad en een sporthal. De aanleiding van het onderzoek is het feit dat herontwikkeling niet in overeenstemming is met het huidige planologische regime.
73
Concept
(van 1-4-2026 11:16)
Voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau en het maximaal geluidniveau is aansluiting gezocht bij de standaardwaarden uit het Besluit kwaliteit leefomgeving. De indirecte geluideffecten van het locatiegebonden verkeer zijn beoordeeld conform ‘Circulaire inzake geluidhinder veroorzaakt door het wegverkeer van en naar de inrichting; beoordeling in het kader van de Wet milieubeheer d.d. 29 februari 1996’.
Concept
De indirecte geluideffecten akoestisch effect verkeerstoename zijn beoordeeld aan de hand van artikel 5.78af, eerste lid Bkl. De indirecte geluideffecten akoestisch effect wijzigingen in geluidaandachtsgebied zijn beoordeeld aan de hand van artikel 5.78ai Bkl. Het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau vanwege de herontwikkeling is op omliggende woningen – behoudens op de woning Osseweg 81A in de avondperiode – lager dan de standaardwaarde van 50 dB(A) etmaalwaarde. Het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau op de woningen, behoudens Osseweg 81A, is daarmee aanvaardbaar. Onderzocht is of maatregelen getroffen kunnen worden ter verlaging van het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau in de avondperiode op de woning Osseweg 81A. Gebleken is dat maatregelen aan de bron en in de overdracht niet mogelijk zijn. Aansluitend is onderzocht of het berekende langtijdgemiddeld beoordelingsniveau in de avondperiode op Osseweg 81A aanvaardbaar is, waarbij de voorwaarde geldt dat voldaan wordt aan de grenswaarde van het binnenniveau in de geluidgevoelige ruimten van Osseweg 81A. Daaruit is gebleken dat – zonder aanvullende bouwkundige maatregelen – voldaan wordt aan de grenswaarden in geluidgevoelige ruimten van Osseweg 81A. Gelet hierop is ook het berekende langtijdgemiddeld beoordelingsniveau in de avondperiode ter plaatse van Osseweg 81A aanvaardbaar.
De berekende maximale geluidniveaus in alle etmaalperioden zijn niet hoger dan de standaardwaarden uit artikel 5.65, eerste lid Bkl en zijn eveneens aanvaardbaar. De berekende equivalente geluidniveaus vanwege het locatiegebonden verkeer is lager dan de streefwaarden uit ‘Circulaire inzake geluidhinder veroorzaakt door het wegverkeer van en naar de inrichting; beoordeling in het kader van de Wet milieubeheer d.d. 29 februari 1996’ en zijn derhalve eveneens aanvaardbaar. Toetsing geluidbeleid Voor de toetsing aan het gemeentelijk beleid is gebruik gemaakt van de Geluidnota Oss 'Geluidskwaliteit in de leefomgeving'. Vanaf 4 februari 2026 is de 'Geluidsvisie Oss' geldend. Onderhavig plan valt onder het overgangsrecht, waardoor wordt teruggevallen op de Geluidnota Oss 'Geluidskwaliteit in de leefomgeving'. In de Geluidnota Oss ‘Geluidskwaliteit in de leefomgeving’ ligt het plangebied in het gebiedstype landelijk gebied met hoge geluidsdruk. Voor het in werking hebben van bedrijven wordt in de Geluidnota Oss het volgende beschreven: Bedrijven: In landelijk gebied met hoge geluidsdruk is de vestiging/uitbreiding van (agrarische) bedrijven vaak mogelijk. In principe moet worden voldaan aan de streefwaarde van 50 dB(A), maar eventueel kan de normstelling gemotiveerd (in de considerans van de vergunning) worden verruimd tot 55 dB(A).
Wanneer een bedrijf onder een AMvB valt, is de normstelling automatisch 50 dB(A). Eventueel zou, middels een nadere eis, de normstelling verruimd kunnen worden tot 55 dB(A). In landelijk gebied met hoge geluidsdruk is het dus aanvaardbaar om meer geluid toe te staan waardoor het mogelijk is om af te wijken van de standaardwaarde. In dit geval is sprake van een overschrijding van 4 dB(A), welke past binnen de ‘verruimde’ maximale waarde uit de Geluidnota Oss voor ontwikkelingen in het gebiedstype landelijk gebied met hoge geluidsdruk. Ook op grond van artikel 5.66 lid 1 Bkl is verruiming van de standaardwaarden toegestaan, mits de verruiming niet leidt tot een overschrijding van de grenswaarde in geluidgevoelige ruimten binnen geluidgevoelige gebouwen (artikel 5.66 lid 2 Bkl). In het akoestisch rapport is berekend en onderbouwd dat er geen overschrijding plaatsvindt van de grenswaarde voor geluidgevoelige ruimten binnen de woning aan de Osseweg 81A. Het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau in de avondperiode in geluidgevoelige ruimten van Osseweg 81A bedraagt ten hoogste 29 dB(A). Daarmee wordt voldaan aan de grenswaarde uit tabel 5.66 Bkl en de Geluidnota Oss.
74
Concept
(van 1-4-2026 11:16)
Afwijken standaardwaarde avondperiode (maatwerkbesluit)
Concept
Zoals bovenstaand al is toegelicht, staat artikel 5.66 Bkl toe dat het omgevingsplan afwijkt van de standaardwaarde, mits de binnenwaarde (grenswaarde) in geluidgevoelige ruimten niet wordt overschreden. De grenswaarde bedraagt voor de avondperiode 30 dB(A). Het akoestisch onderzoek toont aan dat bij een geluidbelasting van 49 dB(A) aan de buitenzijde van de woning, de geluidwering van de gevels voldoende is om te borgen dat de binnenwaarde van 30 dB(A) niet wordt overschreden. Hiermee wordt voldaan aan artikel 5.66 lid 2 Bkl. Artikel 22.45 bruidsschat biedt de mogelijkheid om in een individueel geval een maatwerkvoorschrift te stellen voor geluid. In dit project is maatwerk nodig om het functioneren van het zwembad mogelijk te maken. De verhoging van de standaardwaarde voor de avondperiode naar 49 dB(A) is noodzakelijk vanuit de bedrijfsvoering en is ruimtelijk aanvaardbaar gezien de ligging in een sportcluster. Het gaat om een bestaande inrit die intensiever wordt gebruikt, waarbij het verleggen van de inrit inclusief kosten en maatregelen niet opwegen tegen deze beperkte overschrijding. De overschrijding van 4 dB(A) is beperkt en leidt niet tot onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat en blijft binnen de technische mogelijkheden van gevelwering. Voor de afwijking van de standaardwaarde in de avondperiode wordt een maatwerkbesluit genomen.