a. Toelichting+regels DGB VG01
Tekst van het document
Archeologiebeleid
Het provinciale archeologisch beleid is neergelegd in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant van 25 oktober 2019 en op de provinciale Cultuurhistorische waardenkaart 2010, herzien 2016. Hierin is de bescherming van aardkundig waardevolle gebieden en archeologische landschappen geregeld. Het gemeentelijk archeologisch beleid is veel gedetailleerder dan het algemene provinciale beleid op dit punt en prevaleert daarom ook boven het provinciale archeologisch beleid. Op 14 oktober 2010 heeft de gemeente Oss haar ‘archeologiebeleid’ vastgesteld. In 2015 heeft de gemeenteraad het archeologiebeleid opnieuw vastgesteld. Dit was nodig vanwege de gemeentelijke herindeling met Maasdonk. Onderdeel van de vaststelling in 2015 is het rapport 'Actualisatie archeologiebeleid gemeente Oss, een herziene archeologische beleidskaart voor het nieuwe grondgebied van de gemeente Oss' (Goddijn, 2012). Aan de hand van onderzoeken, inzichten en boringen in het veld zijn de eerdere archeologische kaarten gedeeltelijk bijgesteld. Op de beleidskaart is sprake van meerdere beleidscategorieën (zie onderstaande tabel). In het beleid is per beleidscategorie vastgelegd wanneer sprake is van een onderzoeksplicht en wanneer ontwikkelingen hiervan zijn vrijgesteld. Verwachting/waarde Archeologisch beschermd rijksmonument
Vrijstellingsgrenzen 0 m2 / 30 cm -Mv
Archeologisch (AMK-) monument Beschermde stadsgezichten
35 m2 / 30 cm -Mv
De Groene Beemd Lithoijen – 2024, pag. 52 van 95 Vastgesteld 23 mei 2024
Historische stads-/dorpskern
50 m2 / 30 cm -Mv
Hoge verwachtingswaarde
100 m 2 / 30 cm -Mv
Hoge verwachtingswaarde – bedrijventerrein
1000 m2 / 30 cm -Mv
Middelhoge verwachtingswaarde Lage verwachtingswaarde
5 hectare / 30 cm -Mv
Reeds onderzocht
Afhankelijk van de resultaten van het reeds uitgevoerde onderzoek.
Verstoord
Geen onderzoeksplicht
Volgens de archeologische beleidskaart heeft het plangebied de waarden ‘Waarde – Archeologie historische kern’ en ‘Waarde – Archeologie verwachtingswaarde hoog’. Vanuit het archeologiebeleid geldt respectievelijk een archeologische onderzoeksplicht als de bodemingrepen dieper zijn dan 30 cm beneden het huidige maaiveld én de omvang van het gebied groter is dan 50 en 100 m². 5.3.3 Archeologietoets Volgens de archeologische beleidskaart van de gemeente is aan het bestemmingsplangebied de verwachtingswaarde ‘historische kern’ en een hoge verwachtingswaarde toegekend. Concreet betekent dit dat er respectievelijk een archeologische onderzoeksplicht geldt indien de bodemingrepen dieper reiken dan 30 cm beneden huidig maaiveld én de omvang van het gebied groter is dan 50 en 100 m². Toetsing van de plannen Onderhavige ontwikkeling overschrijdt voor wat betreft de nieuwbouw de vrijstellingsgrenzen, wat betekent dat archeologisch onderzoek aan de orde is. Door KSP Archeologie is een verkennend archeologisch bureau- en booronderzoek uitgevoerd. De rapportage van het onderzoek is bijgevoegd bij deze toelichting (bijlage 12). De samenvatting van het onderzoek is als volgt.
“Het doel van het archeologisch bureauonderzoek was het opstellen van een gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied. De landschappelijke ligging van het plangebied is onduidelijk. Op basis van een deel van de paleogeografische kaartatlas en geologische boringen is er een rivierduin in de ondergrond van het plangebied aanwezig, maar op de stroomgordelkaart is een stroomgordel (die van Pre-Lith) aangeduid waarvan het beddingzand in het Midden-Neolithicum is afgezet. Als een niet geërodeerde rivierduin in het plangebied aanwezig is dan kunnen archeologische resten (incl. steentijdvindplaatsen) verwacht worden vanaf het Laat-Paleolithicum. Als de Midden-Neolithische stroomgordel in het plangebied beddingzand heeft afgezet dan is de kans groot dat deze eventuele oudere resten van vuursteenvindplaatsen heeft geërodeerd. Ongeacht de exacte landschappelijke ligging zal het plangebied door de ligging op een fossiele stroomgordel of rivierduin een zeer geschikte locatie zijn geweest voor een nederzetting vanaf het Neolithicum tot en met de Volle Middeleeuwen, mits deze afzettingen dicht aan het maaiveld lagen en er geen sprake was van een ligging in een komgebied. Op basis van historische kaartmateriaal zijn er geen concrete aanwijzingen voor bewoning in de Nieuwe tijd die voorgangers kent uit de Late Middeleeuwen. Voor die perioden geldt een lage verwachting.
Ten noord(westen) van het plangebied en ten zuiden van het plangebied komen dergelijke zones wel voor. Vervolgens is deze verwachting getoetst door middel van een inventariserend veldonderzoek, verkennende fase. Uit het booronderzoek is gebleken dat er in meer dan de helft van de boringen sprake is van oeverafzettingen in de bovenste meter met daaronder komafzettingen tot de einddiepte van de boringen (3 m-mv). In de top van de oeverafzettingen is een bouwvoor gevormd. Op basis van het historisch kaartmateriaal zijn er geen aanwijzingen voor een huisplaats, waardoor de archeologische verwachting voor de Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd veelal laag blijft. In de bovenste oeverafzettingen is enkel een bouwvoor
De Groene Beemd Lithoijen – 2024, pag. 53 van 95 Vastgesteld 23 mei 2024
gevormd en er zijn geen dieper gelegen humeuze niveaus waargenomen. De kans op een vindplaats vanaf de Romeinse tijd t/m de bedijking lijkt daardoor klein. Voor deze perioden wordt de archeologische verwachting (net als bij De Boer 2014 en Wullink 2016) aangepast naar een lage archeologische verwachting. Een uitzondering vormt de zone waar een dikker humeus pakket is waargenomen met houtskool en een verrommelde laag aan de onderzijde. Hier is het niet uitgesloten dat er een terp aanwezig is. De terp zal dan zijn opgeworpen als hogere heuvel waaromheen nog sedimentatie kon plaatsvinden (de oeverafzettingen in de boringen rondom de boringen met een terplaag). Deze zones hebben een hoge verwachting na dit booronderzoek. Aangezien de mogelijk terp grenst aan de zone waar een 9e eeuwse kerk voorkomt geldt deze hoge verwachting vanaf de Vroege Middeleeuwen. Het is opmerkelijk dat deze zones deels overlap hebben of nabij de zones liggen waar een ontgrondingsvergunning voor is afgegeven, maar de huidige eigenaren en de heemkundige kring zijn niet op de hoogte van ontgrondingen die hier hebben plaatsgevonden en de maaiveldhoogtes op het AHN geven ook geen aanwijzingen daartoe. Toch lijkt dit niet geheel uitgesloten, aangezien in de strook tussen boring 8 en 12 de basis van het oeverpakket geroerd lijkt te zijn. Al kan dit ook duiden op vergravingen om een terpzool aan te brengen.
In iets minder dan de helft van de boringen zijn oever- en beddingafzettingen en/of crevasse-afzettingen waargenomen die vermoedelijk zijn afgezet door de (Pre-)Lith stroomgordel. De top van deze afzettingen komen daar voor vanaf 3,4 tot 1,6 m+NAP (1,1 tot 2,8 m-mv) De beddinggordel van deze stroomgordel is aanzienlijk smaller dan gekarteerd (Cohen e.a. 2012). In deze afzettingen is geen bodemvorming waargenomen, waardoor de hoge verwachting in de top van deze afzettingen bijgesteld kan worden naar een lage archeologisch verwachting. Lokaal is vanaf ca. 3 m-mv dieper gelegen zand waargenomen, maar dit zand ligt ca. 0,1 tot meer dan 1,3 m dieper dan de bekende top van het pleistocene rivier(duin)zand in de omgeving op basis van geologische boringen. Dit zand lijkt veelal niet geërodeerd door de (Pre-)Lith stroomgordel, maar door de lagere ligging kan hieraan een lagere verwachting gegeven worden. Samengevat is het selectieadvies: In het oosten van het plangebied is geen noodzaak tot nader onderzoek van archeologische resten, omdat hier een lage verwachting is voor archeologische resten.
In een strook aan de west- en zuidzijde van het plangebied (zie bijlage 4) zijn mogelijk terplagen aanwezig (al is een diepe verstoring door ontgrondingen niet uitgesloten) en wordt behoud in situ aanbevolen (geen grondwerkzaamheden dieper dan 30 cm) of een vervolgonderzoek bij ingrepen dieper dan 30 cm-mv. Mogelijke strategieën om de eventuele vindplaats te karteren zijn karterend booronderzoek, geofysisch onderzoek op basis van een Plan van Aanpak en proefsleuvenonderzoek op basis van een Programma van Eisen. Bovenstaand advies vormt een zogenaamd selectieadvies. KSP Archeologie wijst erop dat dit selectieadvies nog niet betekent dat reeds bodemverstorende activiteiten of daarop voorbereidende activiteiten kunnen worden ondernomen. De resultaten van dit onderzoek zullen namelijk eerst moeten worden beoordeeld door de bevoegde overheid (gemeente Oss), die vervolgens een selectiebesluit neemt.” Door de archeoloog van de gemeente Oss is het verkennend archeologisch bureau- en booronderzoek beoordeeld en een selectiebesluit genomen. Het selectiebesluit is als bijlage 16 bij deze toelichting gevoegd. Het selectiebesluit luidt als volgt.
De Groene Beemd Lithoijen – 2024, pag. 54 van 95 Vastgesteld 23 mei 2024
“KSP Archeologie adviseert op basis van hun onderzoek, alleen vervolgonderzoek voor een deel van het westen van het plangebied. De gemeente Oss wijkt hier o.a. na overleg met een specialist van het rivierengebied van af. De afzettingen in grofweg de bovenste meter zijn naar verwachting afgezet vanaf de Romeinse tijd en hierin kunnen archeologische resten vanaf die periode aanwezig zijn. Het historische kaartmateriaal dat beschikbaar is vanaf ca. 1829 geeft hooguit een indicatie voor een lage verwachting vanaf de Late Middeleeuwen. Voor de Romeinse tijd en de Vroege Middeleeuwen zal daarom de hoge archeologische verwachting zoals opgenomen op de beleidskaart behouden moeten blijven. Bodemverstoring in de top van de dieper gelegen oeverafzetting (die vanaf 1,1 m-mv voorkomen) is niet waargenomen. Dergelijke bodemvorming is lastig te herkennen en aangezien dit niveau is afgedekt door komklei is de kans op erosie van dit niveau klein. Om die reden blijft ook de hoge verwachting voor een vindplaats in deze oeverafzetting behouden. Besloten wordt dat archeologisch vervolgonderzoek nodig is in het gehele plangebied. In het westen van het plangebied dient dit te bestaan uit een proefsleuvenonderzoek, eventueel gevolgd door een opgraving. In het overige gedeelte van het gebied zijn er 2 opties: • •
Eerst een karterend booronderzoek. Op basis hiervan kan alsnog tot een proefsleuvenonderzoek (en eventuele opgraving) worden besloten. Direct proefsleuvenonderzoek (eventueel gevolgd door een opgraving).
Op die locaties waar bekend is dat dieper dan 110 cm beneden huidig maaiveld zal worden gegraven en er geen sprake is van een archeologie besparende methode van bouwen, moet worden nagegaan of sprake kan zijn van twee potentiële archeologische niveaus: de oeverafzettingen van de Maas (aanwezig vanaf maaiveld tot 150 cm-mv) en de oude oeverafzetting van (Pre-)Lith (die plaatselijk al voorkomen vanaf 110 cm-mv). Indien handmatig booronderzoek lastig is, zou mechanisch booronderzoek hier overwogen kunnen worden. Voor de verdere (plan)procedure betekent dit het volgende: -
-
-
-
Om versnippering te voorkomen, de totale kosten te beperken en de ambtelijke procedures te verkorten, is het wenselijk om het archeologisch vervolgonderzoek zo vroeg mogelijk in de planvorming-/uitvoering uit te voeren. Liefst al bij het opstellen van dit bestemmingsplan). Daarnaast is het wenselijk dit uit te voeren als 1 integraal onderzoek voor het gehele gebied (of op zijn minst gecombineerd per fase). Bovenstaande onderzoeken dienen ten laatste vóórafgaand aan de vergunningsaanvraag te worden uitgevoerd. De uitkomst van het onderzoek kan namelijk leiden tot aanvullende voorwaarden in de vergunning (archeologische begeleiding, opgraving, bescherming). Het vervolgonderzoek kan worden beperkt tot het deel van het plangebied dat daadwerkelijk verstoord wordt tot 30 cm-mv (bouwvoor, eerste archeologische niveau) en 80 cm-mv (tweede archeologische niveau, rekening houdend met een buffer van 30 cm). Gravend onderzoek (proefsleuven en opgraving) dient te worden uitgevoerd op basis van een Programma van Eisen (PvE) dat dient te zijn goedgekeurd door de gemeentelijk archeoloog. De aanvang van het archeologisch onderzoek dient twee weken voor de start aan de gemeentelijk archeoloog te worden gemeld per email. Er geldt ten alle tijden een meldingsplicht bij het aantreffen van archeologische resten.
Zolang terreinen een (te verwachte) archeologische waarde hebben en deze terreinen nog niet volledig zijn onderzocht (definitief vrijgegeven), dienen deze planologisch beschermd te blijven door het opnemen van een dubbelbestemming ‘Waarde-archeologie verwachtingswaarde hoog’ in het bestemmingsplan.”
De Groene Beemd Lithoijen – 2024, pag. 55 van 95 Vastgesteld 23 mei 2024
Door KSP Archeologie is een archeologieplan opgesteld over hoe op basis van voorgaand selectiebesluit om te gaan met archeologie in het plangebied. Het archeologieplan is bijgevoegd bij deze toelichting (bijlage 23). Vervolgens is door KSP Archeologie een karterend booronderzoek voor het oostelijke gedeelte van het plangebied (fase 1A, 1B en 2 + gronden voor landschappelijke inpassing en waterberging) uitgevoerd. Het onderzoek is tweeledig: 1. Voor de aan het maaiveld aanwezige oeverafzetting van de Maas, en; 2. Een intensiever verkennend booronderzoek ter hoogte van de geplande rioolleiding buiten de op te hogen woonerven 1A, 1B en 2. Dit onderzoek is bijgevoegd bij deze toelichting (bijlage 24). De samenvatting van het onderzoek is als volgt.
“De oeverafzettingen die vanaf het maaiveld voorkomen zijn onderzocht op de aanwezigheid van archeologische indicatoren door middel van een karterend booronderzoek. Ter hoogte van de akker is in aanvulling daarop ook een oppervlaktekartering uitgevoerd. Tijdens het booronderzoek is het algemeen voorkomende insluitsel baksteenpuin waargenomen. Ook is in enkele boringen een spikkel houtskool waargenomen in en direct onder de bouwvoor. In één boring is meer houtskool aangetroffen in combinatie met nog herkenbare verkoolde planten/gewasresten. Aangezien tijdens de oppervlaktekartering geen archeologische indicatoren zijn aangetroffen en het aangetroffen houtskool in de boringen wordt toegeschreven aan verkoolde gewasresten van recente oorsprong wordt het houtskool in de boringen niet gezien als archeologische indicator. De hoge archeologische verwachting voor de periode vanaf de Romeinse tijd tot en met de Nieuwe tijd wordt door het ontbreken van archeologische indicatoren die duiden op een vindplaats bijgesteld naar een lage verwachting. Ter hoogte van de geplande riooltransportleiding, buiten de geplande op te hogen woonerven is een aanvullend intensiever verkennend booronderzoek uitgevoerd tot 3 m-mv om te bepalen waar en vanaf welke diepte crevasse-afzettingen van de (Pre-)Lith stroomgordel aanwezig zijn.
Ter hoogte van de nieuwe riooltransportleiding tussen de twee meest noordelijk gelegen woonerven 1B en 2 zijn crevasseafzettingen niet aanwezig. Tussen de twee oostelijk gelegen woonerven 1A en 1B en tussen woonerf 1A en het over een paar jaar te ontwikkelen woonerf 3 komt de top van deze vaak dunne afzetting voor vanaf 140 à 190 cm -mv / 3,53 à 2,97 m+NAP. Er is net als in 2021 geen humeuze top in deze dieper gelegen afzettingen waargenomen. De hoge archeologische verwachting voor de perioden Neolithicum (indien Pre-Lith stroomgordel) en Bronstijd – _IJzertijd (indien Lith stroomgordel) blijft ongewijzigd. Op grond van het ontbreken van archeologische indicatoren die duiden op de aanwezigheid van een archeologische vindplaats wordt de archeologische verwachting voor nederzettingsresten uit de periode Romeinse tijd tot en met Nieuwe tijd in de oeverafzettingen bijgesteld naar een lage verwachting voor het oostelijk deelgebied. In de diepere ondergrond is echter een crevasse-complex aanwezig. Deze is in het oostelijk deelgebied waargenomen vanaf 140 cm -mv, waardoor rekening houdend met een buffer van 30 cm, ingrepen tot 110 cm -mv (383 m+NAP) vrijgesteld kunnen worden van archeologisch onderzoek.
Voor het nieuwe bestemmingsplan wordt voor het oosten van het plangebied een dubbelbestemming geadviseerd waarbij bij ingrepen over een oppervlak groter dan 100 m² en dieper dan 110 cm beneden de maaiveldwaarden op het AHN4 (dieper dan 3,83 m+NAP) archeologisch onderzoek nodig is. Dit is een algemeen advies voor het oostelijk deelgebied, wat in Figuur 5 nader is gespecifieerd per riooltracé. Er wordt een gravend archeologisch onderzoek geadviseerd zodra de bemaling is aangelegd (zie par. 4.3).” Door de archeoloog van de gemeente Oss is het karterend booronderzoek beoordeeld en een selectiebesluit genomen. Het selectiebesluit is als bijlage 14 bij deze toelichting gevoegd. Het selectiebesluit houdt in dat de gronden waar het karterende booronderzoek is uitgevoerd tot 1,10 meter mv zijn ‘vrijgegeven’ voor verder archeologisch onderzoek. Voor het erf waarop de om te schakelen agrarische bedrijfswoning naar een burgerwoning en de sanering van de agrarische bedrijfsfunctie en -bebouwing zijn gelegen is geen archeologisch onderzoek
De Groene Beemd Lithoijen – 2024, pag. 56 van 95 Vastgesteld 23 mei 2024
uitgevoerd, omdat hier geen bodemingrepen zijn gepland. Archeologie vormt hier geen belemmering voor het planvoornemen. Bestemmingsplanregels De gemeente Oss vertaalt de wet en het archeologisch beleid ook door in standaard bestemmingsplanregels. Zo heeft de gemeente bestemmingsplanregels (dubbelbestemmingen: dat wil zeggen dat deze naast de hoofdbestemming gelden) voor bescherming van historische kernen, beschermde monumenten, monumenten en voor gebieden met een middelhoge of hoge archeologische verwachtingswaarde. Met deze regels kan, ter bescherming van archeologische waarden, worden bepaald wanneer er een omgevingsvergunning voor bepaalde werkzaamheden nodig is, wanneer dat niet het geval is en onder welke omstandigheden en met welke nadere eisen en voorwaarden een omgevingsvergunning kan worden verleend. In dit bestemmingsplan zijn voor het gehele plangebied dubbelbestemmingen opgenomen ter bescherming van eventuele archeologische waarden in de bodem. Voor het onderzochte gebied geldt de dubbelbestemming ‘Waarde-archeologie verwachtingswaarde hoog’ waarbij ter hoogte van fase 1 (woonerven 1A, 1B, 2 en aangrenzend terrein) nog de gebiedsaanduiding ‘overige zone – afwijking archeologisch onderzoek’ is opgenomen.
Voor het niet onderzochte gedeelte zijn de vigerende dubbelbestemmingen zoals opgenomen in de bestemmingsplannen ‘Buitengebied Oss – 2020’ en ‘Twee Kernen – 2018’ overgenomen. Voor het plangebied geldt hierdoor afhankelijk van de locatie dat bij bodemverstoringen groter dan 50 en 100 m² en dieper dan 30 of 110 cm beneden huidig maaiveld archeologisch onderzoek nodig is. Aanvullend op de dubbelbestemmingen is in dit bestemmingsplan een voorwaardelijke verplichting opgenomen die borgt dat alleen integraal onderzoek kan worden uitgevoerd, dus niet versnipperd per bouwkavel. Deze voorwaardelijke verplichting is niet opgenomen ter hoogte van fase 1 (woonerven 1A, 1B, 2 en aangrenzend terrein), omdat hier karterend booronderzoek heeft plaatsgehad. 5.3.4
Cultuurhistorie
Wettelijk kader Door een wijziging van het Bro moeten cultuurhistorische waarden voortaan vooraf in het proces van ruimtelijke ordening worden meegenomen, met name bij de voorbereiding en vaststelling van bestemmingsplannen. Het Bro bevat eisen waaraan de voorbereiding van een bestemmingsplan moet voldoen. Zo wordt er onder meer een beschrijving verlangd van de manier waarop met in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. Dat wordt veranderd in: met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten. De regering wil hiermee bereiken dat aandacht voor cultuurhistorische waarden voortaan in het planproces naar voren wordt gehaald. Doordat plannen nu nog pas na afloop van het planproces worden getoetst aan de regelgeving van de monumentenzorg, wordt monumentenzorg dikwijls ervaren als hindernis. Dit is door de regering erkend en daarbij is de ambitie uitgesproken om de positie van cultuurhistorie aan het begin van het ruimtelijk ordeningsproces juridisch te versterken. Door de verankering van cultuurhistorische waarden in de bestemmingsplannen vermindert tegelijkertijd de noodzaak tot het aanwijzen van nieuwe beschermde monumenten, omdat het belang van de cultuurhistorie wordt geborgd via het proces van de ruimtelijke ordening.
In de Wet tot wijziging van de Monumentenwet 1988 en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in verband met modernisering van de monumentenzorg is daarom al de mogelijkheid voor burgers en belangengroepen om een aanvraag in te dienen om een monument aan te wijzen als beschermd monument, geschrapt. Dit instrument werd door belangengroepen nogal eens ingezet om afgifte van bouwvergunningen te frustreren of te vertragen. Met de wijziging van het Bro wordt tevens de adviesrol van Gedeputeerde Staten beperkt. Tot nu toe moet bij alle ingrepen aan een beschermd monument buiten de bebouwde kom advies aan Gedeputeerde Staten worden gevraagd. Met de wijziging van het besluit hoeft dat alleen
De Groene Beemd Lithoijen – 2024, pag. 57 van 95 Vastgesteld 23 mei 2024
nog, als het gaat om monumenten die door de minister op grond van de Monumentenwet 1988 zijn aangewezen. Daarnaast voorziet het besluit in een aantal versoepelingen van vergunningvrij wijzigen of bouwen in, aan of bij beschermde monumenten. Samengevat komen die versoepelingen er op neer, dat voor gewoon onderhoud of voor inpandige veranderingen aan beschermde monumenten geen monumentenvergunning meer nodig is, als de betreffende onderdelen geen monumentale waarde hebben. Bij twijfelgevallen zal men het bevoegd gezag moeten raadplegen. De bedoeling van het wijzigingsbesluit is om enerzijds cultuurhistorische waarden een duidelijke plaats te geven aan het begin van het planproces en anderzijds onnodige regeldruk, vooral wanneer het gaat om ondergeschikte wijzigingen aan een monument, weg te nemen. Cultuurhistorie: gemeentelijk en provinciaal beleid Het beleid van de gemeente Oss voor wat betreft cultuurhistorie is onder meer neergelegd in het Erfgoedplan Oss 2006 “Op gemengde bodem”. Hierin zijn onder andere opgenomen: historisch bebouwde gebieden, oude verkavelingspatronen, de invloed van de Maas en Rijksmonumenten. Deze nota heeft (nog) geen betrekking op het grondgebied van de voormalige gemeente Lith. Daarnaast heeft de gemeente Oss een Monumentenlijst 2009. Hierin zijn de Rijks- en gemeentelijke monumenten opgenomen.
Het provinciale cultuurhistorische beleid is verankerd in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant en op de Cultuurhistorische waardenkaart 2010. Hierin zijn onder andere opgenomen: cultuurhistorische vlakken en complexen van cultuurhistorisch belang. Cultuurhistorie: bestemmingsplanregels en regels in de provinciale Interim omgevingsverordening NoordBrabant Met de onder het kopje ‘archeologie’ genoemde bestemmingsplanregels, is het ook mogelijk om cultuurhistorische waarden in bestemmingsplannen te beschermen. Een en ander voor zo ver het terreinen betreft (inbouwen sloopvergunningstelsel voor bebouwing). Kortheidshalve wordt naar het kopje ‘archeologie: bestemmingsplanregels’ verwezen. De provincie Noord-Brabant heeft in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant bindende regels opgenomen ter bescherming van cultuurhistorische waarden. In het plangebied is geen sprake van cultuurhistorische waarden. 5.4
Mobiliteit en parkeren
5.4.1
Verkeer
De Mobiliteitsvisie Oss uit 2009 heeft als doel het in balans brengen van bereikbaarheid, leefbaarheid en veiligheid. De mobiliteitsvisie is uitgewerkt in het Mobiliteitsplan 2020 Oss. Het deelplan Wegen werkt het gewenste netwerk voor het autoverkeer uit. Per weg is de gewenste functie vastgelegd. Van belang is de vraag of een initiatief leidt tot extra verkeersbewegingen en of de toename van verkeersbewegingen passen binnen de normen die voor ontsluitingswegen gelden. Verkeer: extra verkeersbewegingen De ontwikkeling leidt deels tot extra verkeersbewegingen. Voor wat betreft de om te schakelen agrarische bedrijfswoning naar een burgerwoning en de te saneren agrarische bedrijfsfunctie en -bebouwing is geen sprake van extra verkeersbewegingen. Voor dit plandeel is ook reeds sprake van een inrit/uitweg die gehandhaafd blijft. Omdat dit planonderdeel aangaande het aspect ‘verkeer’ geen effect heeft wordt er hieronder met die reden verder niet meer op ingegaan.
De Groene Beemd Lithoijen – 2024, pag. 58 van 95 Vastgesteld 23 mei 2024
Voor wat betreft de nieuwbouw in het plangebied is wel sprake van extra verkeersbewegingen: op termijn worden 87 nieuwe grondgebonden woningen ontwikkeld. Aan de hand van de CROW-normen (rest bebouwde kom, weinig stedelijk) is indicatief op basis van het stedenbouwkundig plan bepaald wat de verkeersaantrekkende werking is die daarmee gepaard gaat: Type woning
Aantal
Norm
Koop, huis, vrijstaand Koop, huis, tweeonder-één-kap Koop, huis, tussen/ hoek Huur, huis, sociale huur
23 24
7,8-8,6 (8,2) 7,4-8,2 (7,8)
Verkeersaantrekkende werking 189 187
35
7,0-7,8 (7,4)
259
5
5,2 -6 (5,6)
28 663 mvt/ per etmaal
Totaal
De inschatting is dat 41% van het verkeer via de Stuwstraat het plangebied in- en uitrijdt en het overige aantal via de Molenweg. Dat betekent een toename van 272 mvt/ etmaal in de Stuwstaat en 391 mvt/ etmaal in de Molenstraat. Verkeer: ontsluitingswegen De nieuwbouw in het plangebied wordt ontsloten op de Stuwstraat en de Molenweg. De aansluiting van het plangebied op die wegen is uitgewerkt en wordt gemaakt conform de standaardnormen die de gemeente hiervoor vereist. De aansluiting voldoet daarmee aan het gemeentelijke beleid. Aangaande de verkeersaantrekkende werking die met de nieuwbouw gepaard gaat is het belangrijk dat deze afgewikkeld kan worden via de wegen waarover het verkeer rijdt. De wegen rondom het plangebied (Stuwstraat en Molenweg) zijn erftoegangswegen type II. Voor deze wegen geldt in geval van de Molenweg een maximum aantal motorvoertuigen per etmaal van 6.000 en voor de Stuwstraat van 4.000. Uit het verkeersmodel blijkt dat er in de huidige situatie op de Stuwstraat sprake is van 920 mvt/etmaal en het op de Molenweg gaat om 1153 mvt/ etmaal. De toename door de nieuwbouw in het plangebied is ten opzichte daarvan fors, maar niet zoveel dat het wegtype het niet aankan. Het nieuwe aantal motorvoertuigen per etmaal dat over de Stuwstraat en Molenweg gaat rijden is nog steeds ruim beneden hetgeen waarvoor de wegen zijn gedimensioneerd.
Naar aanleiding van de ingediende zienswijzen is door bureau Exante een nadere verkeerskundige onderbouwing opgesteld voor de ontwikkeling. Deze is als bijlage 25 opgenomen bij deze toelichting (De Groene Beemd Lithoijen – 2024: Verkeerskundige onderbouwing). De belangrijkste bevindingen uit het rapport wijzen op een beheersbare toename van verkeersbewegingen als gevolg van de nieuwe ontwikkeling. De analyse van de huidige en toekomstige verkeerssituatie wijst uit dat zowel de Molenweg als de Stuwstraat, de twee belangrijkste ontsluitingswegen rondom het gebied, de verwachte toename van het verkeer goed en veilig kunnen verwerken. Dit wordt ondersteund door berekeningen van de verkeersgeneratie en veiligheidsbeoordelingen volgens de CROW-richtlijnen die aangeven dat de wegenstructuur adequaat is om de verkeersveiligheid voor alle weggebruikers, inclusief fietsers en voetgangers, te waarborgen. 5.4.2
Parkeren
De gemeente Oss heeft een gemeentelijk parkeerbeleidsplan vastgesteld. De nota ‘Parkeernormen 2017’ geeft aan welke parkeernormen voor welke gebieden gelden. In de tabel is per cluster dat rechtstreeks wordt bestemd e.e.a opgenomen (norm: kernen). Onder iedere tabel is opgenomen of in het cluster/ plandeel wordt voldaan aan de parkeernorm. Cluster 1A
De Groene Beemd Lithoijen – 2024, pag. 59 van 95 Vastgesteld 23 mei 2024
Type woning
Aantal
Norm
Koop, twee-onder-éénkap Koop, tussen/ hoek
4
2,2
6
2
Verkeersaantrekkende werking 8,8
Totaal Er worden 21 parkeerplaatsen gerealiseerd. Dit cluster voldoet.
12 20,8
De Groene Beemd Lithoijen – 2024, pag. 60 van 95 Vastgesteld 23 mei 2024
Cluster 1B Type woning Koop, vrijstaand Koop, twee-onder-éénkap Koop, tussen/ hoek
Aantal
Norm
3 2
2,3 2,2
4
2
Verkeersaantrekkende werking 6,9 4,4
Totaal
8 19,3
Totaal
Verkeersaantrekkende werking 6,9 22 8 36,9
Er worden 20 parkeerplaatsen gerealiseerd. Dit cluster voldoet. Cluster 2 Type woning
Aantal
Norm
Koop, vrijstaand Koop, tussen/ hoek Huurhuis, sociale huur
3 11 5
2,3 2 1,6
Er worden 39 parkeerplaatsen gerealiseerd. Dit cluster voldoet. Cluster 5 Type woning
Aantal
Verkeersaantrekkende werking Koop, vrijstaand 1 2,3 2,3 Totaal 2,3 Er is voldoende ruimte voor drie parkeerplaatsen op eigen terrein. Dit cluster voldoet. Plandeel omschakeling Langwijkstraat 35/35A Type woning Aantal
Norm
Norm
Verkeersaantrekkende werking Koop, vrijstaand 1 2,3 2,3 Totaal 2,3 Er is voldoende ruimte voor drie parkeerplaatsen op eigen terrein. Dit plandeel voldoet. Uit bovenstaande blijkt dat voldaan wordt aan het parkeerbeleid. Om er zeker van te zijn dat uiteindelijk ook voldoende parkeerplaatsen worden gerealiseerd zijn de parkeernormen vastgelegd in de regels van dit bestemmingsplan. Uiteindelijke toetsing vindt plaats bij de aanvraag omgevingsvergunning activiteit bouwen. Als niet voldaan wordt aan het gemeentelijke parkeerbeleid kan de omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen niet worden verleend.
De Groene Beemd Lithoijen – 2024, pag. 61 van 95 Vastgesteld 23 mei 2024
5.5
Water
5.5.1 Wetgeving en beleid De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater. Ook verbetert de Waterwet de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) stelt een watertoets verplicht voor ruimtelijke plannen waarin waterbelangen spelen. De watertoets bewaakt de waterkwaliteit en waterkwantiteit. Een watertoets is het hele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en beoordelen. Waterhuishoudkundige aspecten zijn onder meer veiligheid, wateroverlast, waterkwaliteit, verzilting en verdroging. De watertoets heeft betrekking op alle wateren: rijkswateren, regionale wateren, gemeentelijke en particuliere wateren en grondwater. De gemeente Oss heeft in 2013 een integraal plan Watertaken vastgesteld. Het plan bestaat uit twee delen. Het “verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan” (vGRP) regelt de zorg voor inzameling en transport van afvalwater. Ook regelt het vGPR een doelmatige verwerking van afvloeiend hemelwater en overtollig grondwater. Daarnaast biedt het plan Watertaken een kader voor de andere watertaken van de gemeente. De gemeente is verantwoordelijk voor de openbare ruimte. Het gaat vooral om de zorg voor oppervlaktewater in bebouwd gebied. De gemeente is ook verantwoordelijk voor een goede ruimtelijke ordening. Het gaat om voldoende ruimte voor water in ruimtelijke plannen.
De watertoets is opgenomen in het Besluit op de ruimtelijke ordening (Bro). Beleid van gemeente, provincie en rijk is van toepassing bij een watertoets. Toetsing van uw waterparagraaf gebeurt op kwaliteit en kwantiteit. De verwerking van hemelwater, afvalwater en planologische ‘waterbestemmingen’ komen aan bod. Waterschap Aa en Maas is verantwoordelijk voor het waterbeheer in haar beheersgebied. Het gaat om het waterkwantiteits- en waterkwaliteitsbeheer, de waterkeringszorg, waterzuivering, grondwaterbeheer en waterbodembeheer. De regels zijn vastgelegd in de Keur (met Algemene- en Beleidsregels) in de vorm van een aantal gebods- en verbodsbepalingen. Keur De Keur is een waterschapsverordening en omvat samen met de Waterwet alle gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen of activiteiten die consequenties hebben voor de waterkwantiteit, waterkwaliteit en waterveiligheid. De Keur is verder uitgewerkt beleids- en algemene regels. Legger De Keur verwijst in de gebods- en verbodsbepalingen volop naar de legger. De legger legt de status en afmetingen behorende bij de regels van de Keur vast in een overzichtskaart van het waterbeheersgebied. Op deze kaart zijn onder andere dijken, waterlopen en bijbehorende beschermingszones aangegeven.
Sinds 1 maart 2015 hanteert waterschap Aa en Maas onderstaande (beleids)uitgangspunten voor het beoordelen van plannen waarbij het verhard oppervlak toeneemt. Deze (beleids)uitgangspunten zijn opgenomen in ‘Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen’. Voor een toename van het verhard oppervlak tussen de 500 m2 en 10.000 m2 kan de vereiste compensatie berekend worden door de toename van het verhard oppervlak (m2) te vermenigvuldigen met een waterschijf van 60 mm. De uitgangspunten bij het toetsen van ruimtelijke plannen zijn: Gescheiden houden van vuil (afval)water en schoon hemelwater; Voorkomen van vervuiling van water; Schoon hemelwater kan volgens de voorkeursvolgorde worden verwerkt: 1. Hergebruik 2. Infiltratie/bergen 3. Afvoer
De Groene Beemd Lithoijen – 2024, pag. 62 van 95 Vastgesteld 23 mei 2024
Hydrologisch neutraal ontwikkelen (HNO), zodat een ontwikkeling niet leidt tot een hydrologische achteruitgang, zowel in als buiten het plangebied. Ook mogen geen hydrologische knelpunten ontstaan voor huidige en vastgelegde toekomstige landgebruik functies. Dit betekent dat: 1. De afvoer uit het gebied niet groter wordt dan in de referentiesituatie; 2. De grondwateraanvulling in het plangebied gelijk blijft of toeneemt; 3. Grond- en oppervlaktewaterstanden in de omgeving gelijk blijven, of verbeteren voor de huidige en toekomstige landgebruiksfuncties; 4. De (grond)waterstanden in het plangebied aansluiten op de (nieuwe) functie(s) van het plangebied; 5. Het plangebied zo wordt ingericht dat de hydrologische gevolgen van vastgestelde toekomstige ontwikkelingen in de omgeving niet leiden tot knelpunten in het plangebied. 5.5.2 Watertoets Op www.dewatertoets.nl is voor het plangebied een watertoets gedaan. De resultaten hiervan zijn bijgevoegd bij deze toelichting (bijlage 11). De conclusie is dat voor het plan de normale procedure moet worden gevolgd. Dat betekent dat over het plan overleg moet worden gevoerd met het waterschap. Door Royal Haskoning DHV is voor de nieuwbouw een waterhuishoudkundig plan gemaakt. Tijdens het opstellen van het plan is meermaals integraal overleg gevoerd tussen de opsteller, initiatiefnemer, gemeente en het waterschap.
Dit heeft uiteindelijk geresulteerd in het waterhuishoudkundig plan zoals bijgevoegd bij deze toelichting (bijlage 17). Met dit waterhuishoudkundig plan hebben zowel de gemeente als het waterschap ingestemd. De primaire berging van hemelwater vindt plaats in laagtes aan de randen van de clusters die aan de binnenkant van het plangebied zijn gelegen. Grenzend aan ieder cluster wordt een voldoende grote bergingsvoorziening gecreëerd voor het tijdelijk te bergen hemelwater in dat cluster. Verder is het open gebied tussen de clusters in als overloopvoorziening beschikbaar. Gezien het water in het plangebied lastig infiltreert (i.v.m. aanwezigheid van rivierklei) wordt het water, als het in de laagtes en overloopvoorziening een bepaald niveau heeft bereikt, via drie locaties vertraagd (knijpstuwen) afgevoerd richting watergangen rondom het plangebied. De afbeelding hieronder toont de ligging van uitgewerkte laagtes van bovenaf (blauw) en de locatie van de knijpstuwen (rode sterren).
De Groene Beemd Lithoijen – 2024, pag. 63 van 95 Vastgesteld 23 mei 2024
Het hemelwater dat in de clusters valt stroomt bovengronds af naar de hemelwaterbergingsvoorzieningen. Dit gebeurt enerzijds natuurlijk, door het hoogteverschil in maaiveld tussen de clusters en de laagtes. Alsook, het plangebied zodanig aan te leggen dat bovengronds kan worden afgevoerd. De afbeeldingen hieronder laten zien hoe die bovengrondse afvoer eruit ziet (referentiebeelden).
Ter zekerstelling van de realisatie van de beoogde hemelwaterbergings- en afvoervoorzieningen is een algemene bouwregeling opgenomen in dit bestemmingsplan. Verder geldt gezien de beoogde verhardingstoename dat een vergunning van het waterschap benodigd is. Voor de omschakeling van de agrarische bedrijfswoning naar een burgerwoning en de te saneren agrarische bedrijfsfunctie en -bebouwing geldt dat slechts sprake is van een afname van bebouwing en verharding. Hiervoor geldt met die reden geen hemelwaterbergingsopgave. Het aspect hemelwater vormt geen belemmering voor het planvoornemen. Afvalwater In het plangebied (nieuwbouw excl. de kavel in cluster 5) wordt een vrijvervalrioolstelsel aangelegd (zie bijlage 22 bij deze toelichting), waarbij voldaan zal worden aan de minimaal vereiste gronddekking. Het nieuwe rioolstelsel wordt aangesloten op het bestaande rioolstelsel nabij het plangebied. Daarbij wordt, wanneer dat noodzakelijk is, een pompput geplaatst. Het riool in de clusters 1A, 1B en 2 (eerste fase) wordt aangesloten op het rioolstelsel in de kleine Eng. Het rioolstelsel van de tweede fase (clusters 3, 4 en 5) wordt aangesloten op het aanwezige riool in de Molenweg. De kavel aan het Groenewoud in cluster 5 krijgt een aansluiting via een pompput op het bestaande drukriool.
Voor de van bedrijfs- naar burgerwoning om te schakelen woning aan Langwijkstraat 35/35A is geen nieuwe rioolaansluiting nodig. Deze woning is in de huidige situatie al aangesloten. Het aspect afvalwater vormt geen belemmering voor het planvoornemen.
De Groene Beemd Lithoijen – 2024, pag. 64 van 95 Vastgesteld 23 mei 2024
5.6
Defensie
Uit oogpunt van defensie kunnen er beperkingen gesteld worden aan ruimtelijke ontwikkelingen in een gebied. Belangrijke aandachtspunten met betrekking tot het defensiebelang zijn: - Radarverstoringsgebieden; - Obstakelbeheergebieden; - Laagvliegroutes voor jachtvliegtuigen; - Geluidszones voor militaire luchtvaartterreinen. Het gehele plangebied is gelegen binnen het radarverstoringsgebied van een radar van de vliegbasis Volkel. Binnen dit gebied is het in beginsel niet toegestaan om hogere bebouwing op te richten dan 114 meter boven NAP. Indien er initiatieven zijn voor het oprichten van hogere bouwwerken of gebouwen, dan kan dit toegestaan worden als blijkt dat de radar niet onevenredig wordt verstoord. Dit kan door TNO worden berekend. Dit bestemmingsplan voorziet echter nergens in bouwmogelijkheden tot een dergelijke hoogte. Daarmee is het belang van het radarverstoringsgebied binnen dit bestemmingsplan voldoende gewaarborgd. Bij een eventueel toekomstig initiatief voor een bouwwerk met een hoogte tot 114 meter boven NAP of hoger dient het defensiebelang nadrukkelijk betrokken te worden bij de aanvaardbaarheid van de ontwikkeling. Voor het overige geldt dat het plangebied niet gelegen is binnen een obstakelbeheergebied, een laagvliegroute voor jachtvliegtuigen of een geluidszone voor militaire luchtvaartterreinen.
Aan deze aspecten hoeft dan ook geen verdere aandacht besteed te worden.
De Groene Beemd Lithoijen – 2024, pag. 65 van 95 Vastgesteld 23 mei 2024
5.7
Milieuaspecten
In deze paragraaf wordt ingegaan op de milieu- en omgevingsaspecten die verband houden met, of betrekking hebben op de ruimtelijke ontwikkeling. Het gaat daarbij meestal om de wisselwerking met de omgeving. Welke gevolgen heeft het initiatief voor de omgeving en omwonenden? Maar ook, welke gevolgen hebben activiteiten in de omgeving voor de mogelijkheden op de projectlocatie? Achtereenvolgens komen de volgende aspecten aan bod: Bedrijven en milieuzonering Bodem Externe veiligheid Geurhinder: agrarisch Geur: industrieel Luchtkwaliteit Straling Weg-, spoor-, en industrielawaai Gezondheid Spuitzones 5.7.1
Bedrijven en milieuzonering
Een goede ruimtelijke ordening voorkomt hinder en gevaar. Dit kan door voldoende afstand te houden tussen milieubelastende activiteiten van bedrijven en gevoelige functies, zoals woningen. Het doel van milieuzonering is om de kwaliteit van het woon- en leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Daarnaast kan milieuzonering bedrijven voldoende zekerheid bieden om hun activiteiten duurzaam uitvoeren. De handreiking Bedrijven en milieuzonering van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) geeft richtafstanden om de milieuzonering van bedrijven te kunnen bepalen. In het plangebied worden gevoelige functies mogelijk gemaakt (woningen). In de nabijheid van het plangebied is één enkele functie met milieubelastende activiteiten aanwezig. Het gaat in onderhavige situatie om een bedrijfsbestemming ten oosten van het plangebied: transportbedrijf, Stuwstraat 8. Verderop, voorbij het Groenewoud, de Molenweg, Langwijkstraat en Stuwstraat zijn nog enkele andere functies met milieubelastende activiteiten gelegen, maar deze zijn allemaal dermate ver weg gelegen dat deze zeker geen hinder ondervinden van de ontwikkeling of andersom. Hieronder wordt ingegaan op de functie aan Stuwstraat 8. Stuwstraat 8: sbi-code 494 Goederenwegvervoerbedrijven (zonder schoonmaken tanks) b.o. <= 1000 m2, richtafstanden voor geur 0 meter, stof 0 meter, geluid 50 meter, gevaar 30 meter.
De feitelijke afstand van het bestemmingsvlak bedrijf tot aan het plangebied is 50 meter. Voldaan wordt aan de grootste richtafstand. Op dit moment is aan Langwijkstraat 35/35A nog een agrarisch bedrijf gelegen. Via dit bestemmingsplan wordt de agrarische bedrijfsfunctie en -bebouwing gesaneerd. De bestaande bedrijfswoning wordt omgeschakeld naar een burgerwoning. Deze locatie vormt daarom voor de rest van de ontwikkeling in het plangebied geen belemmering. In het plangebied is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Bedrijven worden niet in hun bedrijfsvoering belemmerd. Bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling.
De Groene Beemd Lithoijen – 2024, pag. 66 van 95 Vastgesteld 23 mei 2024
5.7.2
Bodem
Op basis van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening en artikel 3.2 Algemene wet bestuursrecht, moet in planvorming rekening gehouden worden met de bodemkwaliteit in relatie tot de gewenste functies. In de Bouwverordening van de gemeente Oss is geregeld dat onder bepaalde omstandigheden het oprichten van gebouwen pas kan plaatsvinden als de bodem geschikt is (of geschikt is gemaakt) voor het beoogde doel. Om die reden dient bij iedere nieuwbouwactiviteit de bodemkwaliteit door middel van onderzoek te worden vastgesteld. Voor de bestemmingswijziging die met dit bestemmingsplan wordt mogelijk gemaakt is door Nipa milieutechniek bodemonderzoek uitgevoerd. Het gaat om verkennend en nader bodemonderzoek. Hieronder is een kaartje opgenomen, waarop de boorpunten zichtbaar zijn. Ook is op het kaartje door middel van opname van de codes van de rapportages aangegeven welk onderzoeksrapport voor welke locatie is uitgevoerd (.001 staat voor het nader onderzoek).
Er zijn drie historische- en verkennende bodemonderzoeken uitgevoerd, welke als bijlage 2, 3 en 4 zijn bijgevoegd bij deze toelichting. Hieronder zijn per onderzoek de conclusies opgenomen. “Verkennend bodemonderzoek Langwijkstraat 35/35A (N203456)
De Groene Beemd Lithoijen – 2024, pag. 67 van 95 Vastgesteld 23 mei 2024
Uit de resultaten van het verkennend bodemonderzoek uitgevoerd op het perceel Langwijkstraat 35/35A te Lithoijen, kadastraal bekend als gemeente Lithoijen, sectie A, nummers 107, 108, 109, 2415, 2454, 2667, 2701, 3036, 3037, blijkt dat zowel de vaste bodem als het grondwater niet (noemenswaardig) verontreinigd zijn met de onderzochte parameters. Vanwege de zintuigelijke waarnemingen die zijn gedaan tijdens het veldwerk, wordt geadviseerd om rondom de bebouwing, vanwege asbestdaken en ter plaatse van de boringen met puin bijmengingen en de puinverharding een asbest in grond / puin uit te voeren conform NEN 5707. De bebouwing behoort echter niet tot de herontwikkelingslocatie en is ook geen eigendom van de opdrachtgever. De eigenaar van de bebouwing is voornemens de stallen te slopen. Het benodigde asbestonderzoek dient voorafgaand aan de sloop plaats te vinden.” “Verkennend bodemonderzoek Lithoijensedijk Uit de resultaten van het verkennend bodemonderzoek uitgevoerd op een perceel aan de Lithoijensedijk te Lithoijen, kadastraal bekend als gemeente Lithoijen, sectie A, nummer 2801, blijkt dat: - zowel de boven- als ondergrond licht verontreinigd zijn met zware metalen; - het grondwater licht verontreinigd is met naftaleen. De uitvoering van een aanvullend of nader onderzoek is, ons inziens, niet zinvol.
Tegen de toekomstige bebouwing van de onderzoekslocatie zijn, ons inziens, geen zwaarwegende milieuhygiënische bezwaren aan te voeren.” “Verkennend bodemonderzoek Groenewoud Uit de resultaten van het verkennend bodemonderzoek uitgevoerd op het perceel Groenewoud te Lithoijen, kadastraal bekend als gemeente Lithoijen, sectie A, nummers 2.739 en 2.700, blijkt dat zowel de vaste bodem als het grondwater niet (noemenswaardig) verontreinigd zijn met de onderzochte parameters. Echter dient vanwege de bijmengingen met puin in de boringen 1 en 6 zal bij deze boringen een nader onderzoek naar asbest te worden aanbevolen. De uitvoering van een aanvullend of nader onderzoek is – met uitzondering van een nader asbestonderzoek ter hoogte van boringen 1 en 6 -, ons inziens, niet zinvol. Tegen voorgenomen nieuwbouw op de onderzoekslocatie zijn, ons inziens, geen zwaarwegende milieuhygiënische bezwaren aan te voeren.” Het uitgevoerde onderzoek is door het bevoegd gezag (gemeente Oss) beoordeeld. Aan de opmerkingen die de gemeente gemaakt heeft is via nader onderzoek invulling gegeven. Het gaat om drie nadere onderzoeken (een ‘opvolging’ voor ieder eerder uitgevoerde historisch- en verkennend bodemonderzoek).
Per locatie wordt hieronder per locatie ingegaan op de gemeentelijke beoordeling van het historisch- en verkennend bodemonderzoek alsook de conclusies van het naar aanleiding daarvan uitgevoerde nader onderzoek. Langwijkstraat 35A te Lithoijen (N203456.001) Reactie bevoegd gezag op historisch- en verkennend bodemonderzoek (N203456): “Op basis van het historisch vooronderzoek (NEN 5725) merken wij het volgende op: - In de rapportage is opgenomen dat ter plaatse van één stal sprake is van een asbesthoudend dak. Uit onze gegevens blijkt dat voor drie opstallen (waarvan twee stallen) sprake is van een asbestverdacht dak. Zie ook afbeelding 1. Het oostelijk gelegen bouwwerk met asbestverdacht dak is niet langer aanwezig. Tot 2021 is dit bouwwerk nog goed zichtbaar. Zie ook afbeelding 2. Het is dus recent gesloopt. Er zijn geen aanwijzingen voor aanwezigheid van regengoten of een duurzaam verharde druppelzone. Dit geldt eveneens voor delen van het maaiveld rondom de twee stallen. Binnen de druppelzones van de daken (waar geen sprake is van regengoten of duurzame maaiveldverharding) is sprake van een verdenking op aanwezigheid van asbest en PCB. - Er is geen tot weinig aandacht besteed aan activiteiten die plaatsvinden of hebben gevonden binnen het agrarisch erf. Het is nu onduidelijk of eerder sprake is geweest van een brandstoftank op de locatie (bv
De Groene Beemd Lithoijen – 2024, pag. 68 van 95 Vastgesteld 23 mei 2024
voor het tanken van voertuigen), een werkplaats of opslag van bodembedreigende stoffen (waaronder bestrijdingsmiddelen).
Op basis van het verkennend bodemonderzoek (NEN 5740) stellen wij het volgende: - De gehele onderzoekslocatie is onderzocht volgens strategie ‘grootschalig onverdacht’. Voor de landbouwgronden is dit de juiste strategie. De bodem binnen het erf van het agrarisch bedrijf kan niet als onverdacht worden beschouwd. Dit deel van de locatie is veel intensiever gebruikt waarbij het algemeen bekend is dat sprake zal zijn van een negatieve beïnvloeding van de bodemkwaliteit. De aanwezigheid van bodemvreemde bijmenging bevestigt dit vermoeden. In tabel 2 (analyseprogramma) is voor MM01 niet opgenomen dat sprake is van bijmenging van baksteen in alle deelmonsters. De bijmenging maakt de grondlagen verdacht voor verontreiniging waarbij het gebruikelijk is een mengmonster van maximaal 4 deelmonsters samen te stellen. In dit geval betreffen het 6 deelmonsters. Wij stellen het behaalde resultaat wel representatief. - De grondwaterstand in de peilbuizen tijdens grondwatermonstername is niet vermeld in de rapportage. Hierdoor kunnen wij niet beoordelen of sprake is geweest van een beluchting van de filters. Dit dient te worden toegelicht. - De grondlagen binnen de onderzoekslocatie zijn licht verontreinigd met hoofdzakelijk zware metalen. - Het grondwater binnen de onderzoekslocatie is niet tot licht verontreinigd met barium. - Vooralsnog is geen verkennend asbestonderzoek uitgevoerd.
Hiervoor is wel aanleiding.” Conclusie nader onderzoek (N203456.001): “Uit de resultaten van het verkennend bodem- en asbestonderzoek (bijlage 18 bij deze toelichting) blijkt dat de bovengrond licht verontreinigd is met zware metalen en plaatselijk met PCB. De ondergrond is niet verontreinigd met de geanalyseerde parameters. Ter plaatse van de 4 drupzones is geen asbest aangetoond en geen verontreiniging met PCB. Op basis van deze resultaten kan de hypothese zoals in het onderzoek gesteld in principe worden aanvaard voor het verkennend bodemonderzoek. Voor het verkennend asbestonderzoek ter plaatse van de drupzones dient de hypothese te worden verworpen, echter is het uitgevoerde bodemonderzoek voldoende. Op basis van het aantreffen van diverse bijmengingen in de grond is de locatie verdacht op de aanwezigheid van asbest, derhalve wordt geadviseerd om een verkennend asbestonderzoek uit te voeren conform de NEN 5707. Gezien de aanwezigheid van de verhardingen met beton wordt geadviseerd het verkennend asbestonderzoek uit te voeren na de sloopwerkzaamheden.”
De Groene Beemd Lithoijen – 2024, pag. 69 van 95 Vastgesteld 23 mei 2024
Om te borgen dat het verkennend asbestonderzoek wordt uitgevoerd is via de regels en verbeelding in dit bestemmingsplan een voorwaardelijke verplichting opgenomen. Lithoijense Dijk (N18353.001) Reactie bevoegd gezag op verkennend bodemonderzoek (N18353): “Op de locatie is sprake van een gedempte watergang welke tijdens het onderzoek niet is onderzocht.” Conclusie nader onderzoek (N18353.001), bijlage 19 bij deze toelichting: “Uit het onderzoek uitgevoerd ter plaatse van de aanwezige watergang, is gebleken dat de bovengrond licht verontreinigd is met zware metalen. Deze resultaten komen overeen met de resultaten van het eerder uitgevoerde verkennend bodemonderzoek op de gehele locatie. De gestelde hypothese wordt aanvaard. Op basis van het onderzoek kan worden geconcludeerd dat de aanwezigheid van de watergang niet heeft geleid tot een ernstige bodemverontreiniging. De resultaten vormen geen belemmering voor de geplande herontwikkeling van de locatie.” Groenewoud Lithoijen Reactie bevoegd gezag op historisch- en verkennend bodemonderzoek (N217714.001): “Op basis van het historisch vooronderzoek (NEN 5725) merken wij het volgende op: - Op het westelijk deel van de onderzoekslocatie is in de 19de eeuw sprake geweest van een boomgaard. Dit is niet benoemd in de rapportage.
Op basis van het verkennend bodemonderzoek (NEN 5740) stellen wij het volgende: - Er is geen aandacht besteed aan de verdenking op bestrijdingsmiddelen in de bodem als gevolg van de voormalige aanwezigheid van een boomgaard op een deel van de locatie. - De grondwaterstand in de peilbuis tijdens grondwatermonstername is niet vermeld in de rapportage. Hierdoor kunnen wij niet beoordelen of sprake is geweest van een beluchting van de filters. Dit dient te worden toegelicht. - Ter plaatse van boring 2 (inrit perceel) is sprake van een halfverhardingslaag. Er heeft geen onderzoek naar dit materiaal plaatsgevonden. - De grondlagen binnen de onderzoekslocatie zijn licht verontreinigd met zware metalen en plaatselijk PCB. - Het grondwater binnen de onderzoekslocatie is licht verontreinigd met zink en barium. - Vooralsnog is geen verkennend asbestonderzoek uitgevoerd. Hiervoor is wel aanleiding.” Conclusie nader onderzoek (N217714.001, bijlage 20 bij deze toelichting): “Uit de resultaten van het verkennend bodem- en asbestonderzoek blijkt dat zowel de vaste bodem als het grondwater niet (noemenswaardig) verontreinigd zijn met de onderzochte parameters. In de grond is maximaal 35,9 mg/kg aan asbest aangetoond. In de halfverharding is geen asbest aangetroffen. Op basis van deze resultaten dient de hypothese, zoals gesteld in het onderzoek, in principe verworpen te worden.
De gevolgde strategie is echter als voldoende te beschouwen. De uitvoering van een aanvullend of nader onderzoek is, ons inziens, niet zinvol. Tegen de eventuele bebouwing van de onderzoekslocatie zijn, ons inziens, geen zwaarwegende milieuhygiënische bezwaren aan te voeren. Eventueel vrijkomende grond mag op de locatie worden hergebruikt. Indien grond van de locatie afgevoerd dient te worden, is de Regeling bodemkwaliteit van toepassing: - Op basis van dit rapport is de grond binnen het gebied van dezelfde bodemkwaliteitskaart herbruikbaar; - Vrijkomende grond die elders wordt hergebruikt, dient voorafgaand aan de toepassing als een partij gekeurd te worden conform het BRL SIKB 1000 VKB protocol 1001;
De Groene Beemd Lithoijen – 2024, pag. 70 van 95 Vastgesteld 23 mei 2024
- Afvoer van de vrijkomende grond naar een erkende grondbank of verwerker is op basis van dit rapport eveneens mogelijk. Voor de afvoer van de grond naar elders zal een aanvullend onderzoek naar het voorkomen van PFAS noodzakelijk kunnen zijn.” Niet gesprongen explosieven Op basis van het in opdracht van de gemeente uitgevoerde vooronderzoek naar niet gesprongen explosieven in de gehele gemeente Oss is het plangebied mogelijk verdacht van de aanwezigheid van munitie uit WOII. Het (historisch) vooronderzoek is in 2016 door AVG uitgevoerd. Dit is kort samengevat een bureauonderzoek op basis van luchtfoto’s en archiefdocumenten uit WOII en van de EODD. Hier komen gebieden uit waar op basis van de documenten en luchtfoto’s een verwachting is voor munitie uit WOII. Op de bodembelastingkaart ontplofbare oorlogsresten WOII, waarvoor het eerdergenoemde onderzoek input is geweest, is het plangebied gelegen in een gebied dat is aangemerkt als oude dorpskern en voormalig front richting Kerkdriel: een gebied wat verdacht is voor geschutsmunitie (artillerie en mortieren) en/of raketten. De afbeelding hieronder – waarop het plangebied is ingetekend en zichtbaar is gelegen in roze gearceerd gebied – is dit zichtbaar. Hierdoor is de kans op munitie aanwezig.
Voor dit plan wordt er gegraven voor de bouw van woningen en verandert de bestemming om dit mogelijk te maken. Voor het plangebied (exclusief de Langwijkstraat 35/35A) is in 2021 door Bombs Away een aanvullend vooronderzoek uitgevoerd (kenm. 21P088) waarbij aanvullende archief en luchtfoto bronnen zijn geraadpleegd. Op basis van dit aanvullende vooronderzoek, alsmede de opnieuw geanalyseerde luchtfoto’s, is het plangebied – m.u.v. Langwijkstraat 35/35A) onverdacht verklaard op het aantreffen van OO in de bodem. Het aanvullend vooronderzoek is bijgevoegd bij deze toelichting (bijlage 10). Langwijkstraat 35/35A is later aan het plan toegevoegd en daarom niet meegenomen in het aanvullend vooronderzoek van Bombs Away (kenm. 21P088). Voor dit deel van het plangebied geldt dezelfde verwachting als in de rest van het plangebied. Vanwege het alleen slopen van de stallen is het niet waarschijnlijk dat ter plaatse nog ontplofbare oorlogsresten aanwezig zijn. De grond is daar al verstoord door de bouw van de stallen. Gezien de resultaten van het al uitgevoerde onderzoek van Bombs Away is het niet waarschijnlijk dat oorlogshandelingen hier hebben plaats gevonden en dat het een verdacht deel plangebied betreft. Het is daarom op dit punt niet zinvol aanvullend vooronderzoek uit te voeren. Mochten
De Groene Beemd Lithoijen – 2024, pag. 71 van 95 Vastgesteld 23 mei 2024
er later bouw- of graafwerkzaamheden plaatsvinden op andere plekken dan raadt de gemeente aanvullend vooronderzoek aan. Mocht in het werk een toevalsvondst worden gedaan geldt dat de werkzaamheden moeten worden gestopt en iedereen het terrein lopend (i.v.m. trillingen door voertuigen en machines) moet verlaten. De politie moet worden gebeld op 0900-8844. De Explosieven Verkenner (EV) of Teamleider Explosieven en Veiligheid (TEV) van de politie komt op de locatie beoordelen of het om munitie gaat die moet worden geruimd. Zo ja, schakelt deze de Explosieven Opruimingsdienst van Defensie (EODD) in. Zo nee, dan kunnen werkzaamheden worden hervat. Eindconclusie bodem Bodem vormt – mits ter plaatse van Langwijkstraat 35/35A nog een onderzoek naar asbest in de bodem wordt uitgevoerd, wat is geborgd via een voorwaardelijke verplichting in dit bestemmingsplan, geen belemmeringen voor het planvoornemen. 5.7.3
Externe veiligheid
Rijkskader Externe veiligheid behandelt de risico's die ontstaan als gevolg van opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen. Deze risico’s kunnen hun weerslag hebben op de omgeving. Het wettelijke kader voor externe veiligheid bestaat onder meer uit: het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Enerzijds gaat het over de risicobronnen (bedrijven of transportroutes). Anderzijds gaat het over de risicoontvangers (omstanders die niets met de opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen te maken hebben). Wat betreft de risico-ontvangers maakt de wetgeving onderscheid in kwetsbare objecten en beperkt kwetsbare objecten. Kwetsbare objecten zijn gebouwen, waarin (of waarbij) groepen van circa 50 personen of groter, gedurende langere aaneengesloten tijd verblijven. Ook sommige gebouwen waarin/waarbij kleinere groepen verblijven, worden als kwetsbaar object gezien, wanneer die personen beperkt zelfredzaam zijn (zoals zieken, bejaarden of gehandicapten). Beperkt kwetsbare objecten zijn verspreid liggende woningen en bedrijven waarin/waarbij groepen van minder dan 50 personen gedurende langere aaneengesloten tijd verblijven. In de landelijke wetgeving wordt meer gedetailleerd beschreven wat er onder kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten wordt verstaan.
Belangrijk is hierbij dat de opsomming in de wetgeving niet limitatief is, zodat er in de verdere uitwerking van het beleid nog enige vrijheid rest. Verder maakt de wetgever onderscheid tussen het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico (PR) geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De kans heeft betrekking op een fictief persoon die continu op die plaats aanwezig is. Het PR kan op de kaart worden weergegeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. De wetgever schrijft voor hoe moet worden omgegaan met de PR 10-6/jaar. Binnen deze contour heeft iemand die hier continu aanwezig is de kans van 1 op één miljoen om te overlijden als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico (GR) is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang. Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting bij een calamiteit. Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Dit invloedsgebied wordt begrensd door de 1% letaliteitsgrens (tenzij anders bepaald): de afstand waarop niet meer dan 1% van de blootgestelde mensen in de omgeving komt te overlijden bij een calamiteit met gevaarlijke stoffen.
De Groene Beemd Lithoijen – 2024, pag. 72 van 95 Vastgesteld 23 mei 2024
Gemeentelijk kader Ook in de gemeente Oss zijn risicobronnen aanwezig in de vorm van transportassen en stationaire activiteiten. Dit vraagt om een gemeentelijke visie. Op 19 mei 2011 heeft de gemeenteraad de Beleidsvisie Externe veiligheid vastgesteld. Deze beleidsvisie beschrijft op welke manier de gemeente Oss externe veiligheid in haar afwegingen betrekt. Met het initiatief worden op termijn 87 kwetsbare objecten opgericht (artikel 1 Bevi). Verder is sprake van één bestaand kwetsbaar object. Voor wat betreft de nieuw op te richten kwetsbare objecten het volgende. De nieuwe objecten zijn niet gelegen binnen een plaatsgebonden risicocontour (PR10-6 jaar). Zie onderstaande uitsnede van de risicokaart.