4. Toelichting bestemmingsplan Hoornwerk Vidi Reo Ravenstein - 2023
Tekst van het document
Een gemeenschapshuis is in lijn met voornoemde VNG-uitgave een milieucategorie 2-functie (SBI-code 2008 9004 “Theaters, schouwburgen, concertgebouwen, evenementenhallen” en SBI-code 2008 94991 “Buurt- en clubhuizen”). De grootste afstand is daarbij 30 m welke, doordat het hier een gemengd gebied is, verkleint kan worden met een stap tot 10 m. Op circa 35 m ten zuiden van het plangebied is een woonwijk gelegen. Deze woningen vallen buiten de richtafstand. De woning (gelegen aan Doolhof 32) grenst rechtstreeks aan het plangebied maar de afstand tot de geluid producerende functies zelf is ruim voldoende. Het plan is uitvoerbaar met betrekking tot het aspect milieuzonering. 5.7.2 Bodem Op basis van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening en artikel 3.2 Algemene wet bestuursrecht, moet in planvorming rekening gehouden worden met de bodemkwaliteit in relatie tot de gewenste functies. In de Bouwverordening van de gemeente Oss is geregeld dat onder bepaalde omstandigheden het oprichten van gebouwen pas kan plaatsvinden als de bodem geschikt is (of geschikt is gemaakt) voor het beoogde doel. Om die reden dient bij iedere nieuwbouwactiviteit de bodemkwaliteit door middel van onderzoek te worden vastgesteld. Planspecifiek Ten behoeve van onderhavig initiatief zijn afgelopen jaren 2 bodemonderzoeken uitgevoerd. Het betreft de volgende onderzoeken:
Hoornwerk Vidi Reo Ravenstein – 2023, pag. 46 van 69 Vastgesteld 12 december 2024
-
Verkennend bodemonderzoek van 14 juni 2024 (Anteagroup, projectnr. 0491912.100) Nader bodemonderzoek De Bleek van 16 oktober 2024 (Anteagroup, projectnr. 0491912.100)
Het verkennend bodemonderzoek (Anteagroup, d.d. 14 juni 2024 nr. 04911912.100) concludeert over het plangebied het volgende:
Afbeelding boorpunten
Grond In de grond is plaatselijk sprake van een overschrijding van de interventiewaarde voor chroom, zink, lood en koper. De gehalten van de overige onderzochte stoffen zijn niet verhoogd ten opzichte van de interventiewaarde. Toetsing Besluit bodemkwaliteit De analyseresultaten van de onderzochte grond(meng)monsters zijn indicatief getoetst aan de normen uit het Besluit bodemkwaliteit. Hieruit volgt dat de bovengrond (traject 0,0-0,5 m -mv) en de ondergrond (traject 0,5-1,0 m -mv) gemiddeld varieert tussen de kwaliteitsklasse ‘Landbouw/Natuur’ en ‘Industrie’, met uitzondering van boring 007. De ondergrond (traject 1,0-2,0 m -mv) voldoet gemiddeld aan de kwaliteitsklasse ‘Landbouw/Natuur’ met uitzondering van de ondergrond ter plaatse van boringen 13 en 22 onder de asfaltverharding waar door het verhoogd gehalte aan chroom, lood en/of zink de klasse ‘Sterk verontreinigd’ van toepassing is en boringen 006 en 007 in archeologische proefsleuf 6 waar door het verhoogd gehalte aan zink de klasse ‘Sterk verontreinigd’ van toepassing is. Asbest Op het maaiveld en in de opgeboorde grond zijn geen asbestverdachte materialen aangetroffen. In de puinfundering onder de asfaltverharding is analytisch geen asbest aangetoond.
PFAS (Poly- en Perfluoralkylstoffen) Op basis van het Handelingskader PFAS voldoen de gemeten gehalten aan de bodemkwaliteitsklasse Landbouw/Natuur voor hergebruik van de grond. Het gehalte aan PFAS overschrijdt de INEV-waarde van PFOS en PFOA niet.
Hoornwerk Vidi Reo Ravenstein – 2023, pag. 47 van 69 Vastgesteld 12 december 2024
Grondwater De grondwaterstand was op 28 mei 2024 tussen de 0,19-0,75 m -mv. In het grondwater is geen sprake van een overschrijding van de signaleringswaarde. Voorlopige veiligheidsklasse In de onderstaande tabel is de voorlopige veiligheidsklasse weergegeven conform CROW-publicatie 400. De voorlopige veiligheidsklasse is gebaseerd op alle analyseresultaten van dit onderzoek.
Toetsing hypothese De vooraf opgestelde hypothese 'verdachte locatie' aanvaard, vanwege het aantonen van diverse zware metalen boven de interventiewaarde. Aanbevelingen Tot slot zijn in het rapport enige aanbevelingen opgenomen: Aanbevolen wordt nader onderzoek naar de omvang van de heterogene verontreiniging met zware metalen af te stemmen op basis van de grondroerende werkzaamheden voor de voorgenomen herontwikkeling. • Ter plaatse van archeologische proefsleuf 6, boringen 006 en 007, is sprake van een gehalte aan zink boven de interventiewaarde. Deze is zowel verticaal als horizontaal niet volledig afgeperkt tot onder de interventiewaarde; • Ter plaatse van de asfaltverharding, boringen 013 en 022, is sprake van een gehalte aan chroom, koper, lood en zink boven de interventiewaarde. Deze is zowel verticaal als horizontaal niet volledig afgeperkt tot onder de interventiewaarde; • Ter plaatse van boring 016 is sprake van een gehalte aan chroom boven de interventiewaarde. Deze is zowel verticaal als horizontaal niet volledig afgeperkt tot onder de interventiewaarde; Vanuit bodem hygiënisch oogpunt bevelen wij het volgende aan: • Indien werkzaamheden plaats gaan vinden op locatie ter plaatse van de met zware metalen verontreinigde grond vallen deze onder de milieubelastende activiteit ‘graven in bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde’.
Uitgangspunt is dat geen sprake is van tijdelijke uitname. Het volgende is van toepassing: • Er is sprake van een meld- en informatieplicht voorafgaand aan de werkzaamheden (proceduretermijn melding en informatieplicht 4 weken); • De werkzaamheden ter plaatse van de verontreiniging met zware metalen moeten worden uitgevoerd door een geregistreerde aannemer (BRL SIKB 7000); • De werkzaamheden ter plaatse van de verontreiniging met zware metalen moeten worden uitgevoerd onder milieukundige begeleiding (BRL SIKB 6000); • Er is sprake van een informatieplicht na afronding van de werkzaamheden (uiterlijk 1 week); • Indien werkzaamheden plaats gaan vinden op het overige deel van de locatie vallen onder de milieubelastende activiteit ‘graven in bodem met een kwaliteit kleiner dan of gelijk aan de
Hoornwerk Vidi Reo Ravenstein – 2023, pag. 48 van 69 Vastgesteld 12 december 2024
interventiewaarde’. Uitgangspunt is dat geen sprake is van tijdelijke uitname. Het volgende is van toepassing: • Er is sprake van een informatieplicht voorafgaand aan de werkzaamheden (proceduretermijn 1 week). Er is géén sprake van een meldplicht; o Er is géén sprake van een informatieplicht na afronding van de werkzaamheden; • De werkzaamheden hoeven niet uitgevoerd te worden door een geregistreerde aannemer (BRL SIKB 7000); Verkennend bodemonderzoek De Bleek te Ravenstein projectnummer 0491912.100 14 juni 2024, definitief revisie 00 Blad 27 van 27 • De werkzaamheden hoeven niet te worden uitgevoerd onder milieukundige begeleiding (BRL SIKB 6000); Het nader bodemonderzoek De Bleek (Anteagroup, d.d. 16 oktober 2024 nr. 04911912.100) concludeert over het plangebied het volgende:
Afbeelding boorpunten
In het uitgevoerde bodemonderzoek is overeenkomstig de NEN 5740 de milieuhygiënische bodemkwaliteit ter plaatse van de onderzoekslocatie vastgesteld. Boring 007, zink >interventiewaarde In verticale richting is de interventiewaarde overschrijding afgeperkt op maximaal ca. 1,9 m -mv op de visueel schone kleilaag. In horizontale richting is de verontreiniging in noordwestelijke (boring 007j) en in zuidoostelijke richting (boring 007f, 007g) afgeperkt tot onder de Interventiewaarde. In noordoostelijke en zuidwestelijke richting (boring 007b, 007h, 007i, 007k) is de verontreiniging nog niet afgeperkt tot onder de interventiewaarde. De oppervlakte waarover de interventiewaarde wordt overschreden bedraagt minimaal ca. 575 m2. Uitgaande van een verontreinigd traject met een dikte van circa 1 m, resulteert dit in minimaal circa 575 m3 grond > interventiewaarde. Boring 013, chroom, lood >interventiewaarde De interventiewaarde overschrijdingen bevinden zich onder de huidige asfaltverharding van de parkeerplaats. In verticale richting is de interventiewaarde overschrijding afgeperkt op maximaal ca. 2,0 m -mv op de visueel schone kleilaag. In horizontale richting heeft geen inkadering tot onder de interventiewaarde plaatsgevonden. De verontreiniging is in westelijke richting waarschijnlijk perceelsgrens overschrijdend.
Hoornwerk Vidi Reo Ravenstein – 2023, pag. 49 van 69 Vastgesteld 12 december 2024
De oppervlakte waarover de interventiewaarde wordt overschreden bedraagt minimaal ca. 585 m2. Uitgaande van een verontreinigd traject met een dikte van circa 1 m, resulteert dit in minimaal circa 585 m3 grond > interventiewaarde. Boring 016, chroom, >interventiewaarde Inkadering in verticale richting tot onder de interventiewaarde heeft plaatsgevonden in het verkennend bodemonderzoek (Antea Group, 2024) op ca. 0,5 m -mv waarbij chroom alleen nog de indexwaarde van 0,5 overschrijdt. In het voorliggende onderzoek is de omvang van de interventiewaarde overschrijding volledig in beeld gebracht. De oppervlakte waarover de interventiewaarde wordt overschreden bedraagt minimaal ca. 125 m2. Uitgaande van een verontreinigd traject met een dikte van circa 0,5 m, resulteert dit in minimaal circa 65 m3 grond >interventiewaarde. Boring 022, chroom, zink en lood, >interventiewaarde De interventiewaarde overschrijdingen bevinden zich onder de huidige asfaltverharding van de parkeerplaats. In verticale richting is de interventiewaarde overschrijding afgeperkt op maximaal ca. 2,5 m -mv op de visueel schone kleilaag. In horizontale richting is de interventiewaarde overschrijding alleen afgeperkt in oostelijke richting (boring 022g, 022h). In de andere richtingen is de interventiewaarde overschrijding niet afgeperkt.
De oppervlakte waarover de interventiewaarde wordt overschreden bedraagt minimaal ca. 435 m2. Uitgaande van een verontreinigd traject met een dikte van circa 1,2 m, resulteert dit in minimaal circa 525 m3 grond > interventiewaarde. Omvang <interventiewaarde niet volledig in beeld De omvang van de interventiewaarde overschrijdingen is niet volledig in beeld gebracht. De aangetoonde verhoogde gehalten zijn te relateren aan de aangetroffen bodemvreemde bijmengingen van onder andere kolengruis, sintels en baksteen. Het is aannemelijk om ervan uit te gaan dat de aangetoonde interventiewaarde overschrijdingen bij de boringen 007, 013, 016 en samenspraak met de gemeente Oss besproken geen aanvullend onderzoek uit te voeren om de omvang nader in beeld te brengen. De aangetoonde interventiewaarde overschrijdingen zijn, in ieder geval in westelijke richting, perceelsgrens overschrijdend. Voorlopige veiligheidsklasse In de onderstaande tabel is de voorlopige veiligheidsklasse weergegeven conform CROWpublicatie 400. De voorlopige veiligheidsklasse is gebaseerd op alle analyseresultaten van dit onderzoek.
Tabel 5.1: Voorlopige veiligheidsklasse projectniveau
Hoornwerk Vidi Reo Ravenstein – 2023, pag. 50 van 69 Vastgesteld 12 december 2024
Toetsing hypothese De vooraf opgestelde hypothese 'verdachte locatie' blijft voor alle vier de locaties staan gezien de verontreinigingen opnieuw zijn aangetoond. 5.2 Aanbevelingen • Conform de huidige ontwikkelingsplannen is het voornemen de bestaande asfaltverharding te verwijderen en een nieuwe verharding aan te leggen. Hierbij zullen grondroerende werkzaamheden plaats gaan vinden, met een totaal grondverzet van >25 m3. • Omdat sprake is van een overschrijding van de interventiewaarde voor zware metalen en omdat het werk meer dan 25 m3 bedraagt, vallen voorgenomen grondroerende werkzaamheden onder de milieubelastende activiteit graven in bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde. • Vooralsnog wordt ervan uitgegaan dat er sprake is van tijdelijke uitname. De graafwerkzaamheden moeten worden gemeld middels het DSO (Digitaal Stelsel Omgevingswet). De melding (inclusief informatieplicht) dient minimaal 1 week voorafgaand aan de werkzaamheden te worden gedaan. Tevens dient informatie te worden aangeleverd uiterlijk 1 week na afronding van de graafwerkzaamheden. • De werkzaamheden moeten worden uitgevoerd door een SIKB BRL 7000, protocol 7004/7005 gecertificeerd aannemer onder toezicht van een SIKB BRL 6000, protocol 6001/6005 gecertificeerd milieukundig begeleider.
• Voor de werkzaamheden is een (voorlopige) veiligheidsklasse van toepassing conform de CROWpublicatie 400, het is derhalve noodzakelijk om voor de werkzaamheden een V&G-plan op te stellen. • Ter plaatse is grotendeel sprake van werkzaamheden met een omvang van meer dan 25 m3 waarbij geen sprake is van een overschrijding van de interventiewaarde. De werkzaamheden hier vallen onder de milieubelastende activiteit graven in bodem met een kwaliteit kleiner dan of gelijk aan de interventie-waarde. In geval hier géén sprake gaat zijn van tijdelijke uitname geldt voor de werkzaamheden ter plaatse een informatieplicht middels het DSO (Digitaal Stelsel Omgevingswet). De informatieverstrekking dient minimaal 1 week voorafgaand aan de werkzaamheden te worden gedaan. • Indien ter plaatse wel sprake gaat zijn van tijdelijke uitname geldt er voor de werkzaamheden in dat geval geen meld- of informatieplicht middels het DSO (Digitaal Stelsel Omgevingswet). • Mochten in de toekomst de plannen voor de voorgenomen herontwikkeling tot het gemeenschapshuis ter plaatse wijzigen en/of meer vorm krijgen dient een nieuwe beoordeling te worden gemaakt over het noodzakelijk procedurele vervolg en dient dit te worden gemeld in het DSO. Resumerend wordt gesteld dat de bodemkwaliteit de functiewijziging in het plangebied niet in de weg staat.
De betreffende verontreinigde spots moeten afgedekt worden middels een aaneengesloten verharding of een leeflaag van 1 meter. Indien dit niet mogelijk is zullen de spots gesaneerd moeten worden. De Beneden Bleek is in de huidige situatie voorzien van een afdeklaag, dit betreft teerhoudend asfalt. Het doel is om dit teerhoudend asfalt te saneren en de Beneden Bleek te voorzien van nieuwe bestrating. 5.7.3 Externe veiligheid Rijkskader Externe veiligheid behandelt de risico's die ontstaan als gevolg van opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen. Deze risico’s kunnen hun weerslag hebben op de omgeving. Het wettelijke kader voor externe veiligheid bestaat onder meer uit: • het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) • het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) • het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb).
Hoornwerk Vidi Reo Ravenstein – 2023, pag. 51 van 69 Vastgesteld 12 december 2024
Enerzijds gaat het over de risicobronnen (bedrijven of transportroutes). Anderzijds gaat het over de risicoontvangers (omstanders die niets met de opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen te maken hebben). Wat betreft de risico-ontvangers maakt de wetgeving onderscheid in kwetsbare objecten en beperkt kwetsbare objecten. Kwetsbare objecten zijn gebouwen, waarin (of waarbij) groepen van circa 50 personen of groter, gedurende langere aaneengesloten tijd verblijven. Ook sommige gebouwen waarin/waarbij kleinere groepen verblijven, worden als kwetsbaar object gezien, wanneer die personen beperkt zelfredzaam zijn (zoals zieken, bejaarden of gehandicapten). Beperkt kwetsbare objecten zijn verspreid liggende woningen en bedrijven waarin/waarbij groepen van minder dan 50 personen gedurende langere aaneengesloten tijd verblijven. In de landelijke wetgeving wordt meer gedetailleerd beschreven wat er onder kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten wordt verstaan. Belangrijk is hierbij dat de opsomming in de wetgeving niet limitatief is, zodat er in de verdere uitwerking van het beleid nog enige vrijheid rest. Verder maakt de wetgever onderscheid tussen het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico (PR) geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen.
De kans heeft betrekking op een fictief persoon die continu op die plaats aanwezig is. Het PR kan op de kaart worden weergegeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. De wetgever schrijft voor hoe moet worden omgegaan met de PR 10-6/jaar. Binnen deze contour heeft iemand die hier continu aanwezig is de kans van 1 op één miljoen om te overlijden als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico (GR) is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang. Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting bij een calamiteit. Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Dit invloedsgebied wordt begrensd door de 1% letaliteitsgrens (tenzij anders bepaald): de afstand waarop niet meer dan 1% van de blootgestelde mensen in de omgeving komt te overlijden bij een calamiteit met gevaarlijke stoffen. Gemeentelijk kader Ook in de gemeente Oss zijn risicobronnen aanwezig in de vorm van transportassen en stationaire activiteiten. Dit vraagt om een gemeentelijke visie. Op 19 mei 2011 heeft de gemeenteraad de Beleidsvisie Externe veiligheid vastgesteld. Deze beleidsvisie beschrijft op welke manier de gemeente Oss externe veiligheid in haar afwegingen betrekt. Planspecifiek Navolgende afbeelding toont een uitsnede van de risicokaart.
Onderhavig plangebied is hierop aangegeven met de rode cirkel.
Buisleidingen
Hoornwerk Vidi Reo Ravenstein – 2023, pag. 52 van 69 Vastgesteld 12 december 2024
Op circa 800 meter ten oosten van het plangebied is een buisleiding voor het transport van gevaarlijke stoffen gelegen (hogedrukaardgasleiding). Deze buisleiding heeft een diameter van 914 mm en een maximale werkdruk van 6620 kPa. De 1%-letaliteitsgrens bij dit type hogedrukaardgasleidingen bedraagt 430 meter. Het plangebied ligt ruimschoots buiten deze contour. De buisleiding vormt daarmee geen belemmering voor het initiatief. Transportroutes gevaarlijke stoffen • Maas: Het plangebied is op circa 130 meter ten zuiden van de Maas gelegen. Voor de Maas geldt een risicocontour (PR 10-6) van 0 meter. Het plangebied ligt hier ruimschoots buiten. Uit de circulaire Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen blijkt verder dat voor de Maas (categorie: zware vaarroute) een invloedsgebied van 1070 meter geldt, gebaseerd op het vervoer van toxische stoffen. Voor dit invloedsgebied geldt volgens de Beleidsvisie Externe veiligheid van de gemeente Oss de ‘standaard verantwoording bij grotere afstand’. • A50 Op circa 430 meter ten zuidoosten van het plangebied loopt de A50. Vanuit het gemeentelijke veiligheidsbeleid volgt dat ten aanzien van de weg een invloedsgebied van 950 meter van toepassing is. Het plangebied valt hierbij in zone IV (> 300 meter). Hierbij wordt enkel rekening gehouden met de effecten van een toxische gaswolk. In dit gebied zijn geen functies uitgesloten.
Ten aanzien van de Maas en A50 geldt het volgende: Indien een ruimtelijk plan tot toename van de personendichtheid leidt, betekent dit dat: vanwege de afstand tot de plaats van het mogelijk incident de aard van incident (blootstelling aan toxisch gas), het groepsrisico niet significant zal toenemen. De mogelijkheid tot beperking van het groepsrisico door het beïnvloeden van de personendichtheid is geen item. Toename van de personendichtheid heeft geen significant effect op het groepsrisico. De kans op overlijden door een incident met gevaarlijke stoffen hier bijzonder klein. De bestrijdbaarheid van de omvang van een ramp of zwaar ongeval. Voor deze gebieden speelt het bestrijdbaarheidsvraagstuk niet. De bestrijding vindt plaats bij de bron, op afstand van deze gebieden. Ten aanzien van de algemene mogelijkheden van de bestrijdbaarheid wordt verwezen naar het door de regionale brandweer/de Veiligheidsregio opgestelde 'risicoprofiel'. Omdat blootstelling aan een toxisch gas het bepalende scenario is, biedt ‘schuilen’ de beste wijze van zelfredzaamheid. Schuilen vindt plaats binnen bouwwerken. De mate waarin deze bouwwerken afsluitbaar zijn tegen de indringing van toxisch gas en de tijdsduur dat deze bouwwerken worden blootgesteld zijn hierbij parameters.
Bij bestaande bouwwerken worden geen aanvullende maatregelen getroffen om mogelijke indringing van toxisch gas te verminderen. Aanpassing van bijvoorbeeld oude woningen op dit punt is ingrijpend en kostbaar. Bij nieuwe bouwwerken is sprake van een steeds betere isolatie, welke zorgt voor een goede bescherming tegen het binnendringen van het toxische gas. Nieuwe gebouwen die voorzien zijn van een luchtbehandelingsinstallatie, waardoor het toxisch gas naar binnen kan worden gezogen moeten voorzien zijn van mogelijkheden om dit systeem met één druk op de knop uit te schakelen.
Hoornwerk Vidi Reo Ravenstein – 2023, pag. 53 van 69 Vastgesteld 12 december 2024
Van belang is dat bewoners tijdig gewaarschuwd worden. Dit gebeurt door het in werking stellen van het WAS29 als onderdeel van de algemene Rampenbestrijding. De zone III gebieden in de bebouwde kom van Oss vallen geheel binnen het dekkingsgebied van het WAS. Risicovolle bedrijven/inrichtingen Op voorgaande kaart is zichtbaar dat op circa 590 meter ten noorden van het plangebied een risicovolle inrichting gelegen is. Dit betreft de meest nabijgelegen risicovolle inrichting. Op het terrein is een opslagtank propaan gelegen. Hiervoor geldt een vaste afstand, waarbij de PR-contour (10-6) zichtbaar is op de kaart. Te zien is dat het plangebied hier ruimschoots buiten ligt. Er zijn geen belemmeringen voor het plan vanuit risicovolle bedrijven/inrichtingen. Conclusie Het plan is uitvoerbaar met betrekking tot externe veiligheid. 5.7.4 Geurhinder: agrarisch De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) is het beoordelingskader voor geur bij milieuvergunningen, bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen. Het gaat uitdrukkelijk om agrarische geur van landbouwhuisdieren uit dierstallen. De wet maakt onderscheid tussen geurnormen voor intensieve en extensieve veehouderijen. De geurbelasting van intensieve veehouderijen wordt berekend en uitgedrukt in de vorm van een geurcontour. De geurbelasting van extensieve veehouderijen wordt uitgedrukt in vaste afstanden.
De gemeente Oss heeft op basis van de wet een eigen geurbeleid opgesteld. Het geurbeleid bestaat uit twee delen: de “Geurgebiedsvisie 2013” en de “Agrarische geurverordening gemeente Oss 2017”. Het hanteert per soort gebied een eigen geurnorm en streeft de volgende doelen na: • de burger beschermen tegen geurhinder; • de veehouderijen niet onnodig beperken; • ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk maken, onder de voorwaarde dat er een aanvaardbaar woon- en leefklimaat is. De gemeentelijke “Beleidsregel ruimtelijke ontwikkelingen en geurhinder” is van belang voor de vraag of een ruimtelijke ontwikkeling kan plaatsvinden. De beleidsregel geeft aan wanneer sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. In de Verordening geurhinder en veehouderij gemeente Oss 2017 wordt de maximale waarde voor de geurbelasting van een veehouderij op een geurgevoelig object binnen de gemeente Oss vastgelegd. Conform Artikel 3 Waarden voor de geurbelasting van de verordening zijn de volgende waarden vastgelegd: Lid 1. Op grond van artikel 6, lid 1 van de wet en in afwijking van artikel 3, lid 1 van de wet bedraagt de maximale waarde voor de geurbelasting van een veehouderij op een geurgevoelig object in het gebied als genoemd in artikel 2, lid 1 van deze verordening: A. Stad Oss
1,0 Ou
B. Woonkern met geen/enige intensieve veehouderij
2,0 Ou
C. Plangebied (bij kern A en B)
3,0 Ou
D. Woonkern met intensieve veehouderij
6,0 Ou
E. Zoekgebied + plangebied Maren-Kessel West en Liesdaal
6,0 Ou
F. Recreatiegebieden
8,0 Ou
G. Extensiveringsgebieden
8,0 Ou
H. Bedrijventerreinen
8,0 Ou
I. Bedrijventerrein Vorstengrafdonk
12,0 Ou
J. Verwevingsgebied
14,0 Ou
Hoornwerk Vidi Reo Ravenstein – 2023, pag. 54 van 69 Vastgesteld 12 december 2024
K. Landbouwontwikkelingsgebied
14,0 Ou
Planspecifiek Voorliggend plan voorziet in het mogelijk maken van een gemeenschapshuis in het plangebied. Daar onderdeel van het gemeenschapshuis ook verblijfruimten voor samenkomst voor diverse groepen bevat is dit een geurgevoelige object in de zin van de Wgv. Echter, door de grote afstand tot agrarische bedrijven vormt agrarische geurhinder in principe geen belemmering voor uitvoering van dit plan. In het geuronderzoek (zie onder 5.7.5) is dit ook geconcludeerd. 5.7.5 Geur: industrieel Het nationale industriële geurbeleid is vastgelegd in de Nederlandse emissierichtlijn (NeR). De brief van het ministerie van Infrastructuur en Milieu van 30 juni 2005 stelt het rijksbeleid in grote lijnen vast. Het algemene uitgangspunt is het voorkomen van (nieuwe) hinder. Dit uitgangspunt vormt samen met het toepassen van de Beste Beschikbare Techniek (BBT) de kern van het geurbeleid. Uitgangspunten van het rijksbeleid zijn: • als er geen hinder is, zijn maatregelen niet nodig; • als er wel hinder is, worden maatregelen getroffen op basis van het Beste Beschikbare Techniekprincipe; • de gemeente stelt vast welke mate van hinder acceptabel is. Gemeenten en provincies hebben de bevoegdheid om een eigen geurbeleid vast te stellen.
De provincie Noord-Brabant heeft een eigen geurbeleid voor provinciale bedrijven, de Beleidsregel beoordeling geurhinder omgevingsvergunningen industriële bedrijven Noord-Brabant. De gemeente Oss heeft geen eigen industrieel geurbeleid. Per situatie stelt de gemeente Oss vast of sprake is van een acceptabel geurniveau. Er zijn verschillen in het niveau van bescherming mogelijk. Voor een bedrijfswoning kan bijvoorbeeld een hogere geurbelasting gehanteerd worden dan voor aaneengesloten woonbebouwing.
Planspecifiek Voorliggend plan voorziet in het toevoegen van geurgevoelige objecten (zie ook 5.7.4) maar gelet op de omgeving waarin geen bedrijven naast het plangebied zijn gelegen vormt dat in principe geen belemmering voor het plan. Er is een geuronderzoek opgesteld Dit onderzoek is uitgevoerd door Pouderoyen Tonnaer, d.d. 25 juli 2024, nr. POU240014.002/ELO toetst of er ter plaatse van het plangebied sprake is van een aanvaardbaar wonen leefklimaat en of de ontwikkeling omliggende bedrijven belemmert betreft het aspect geur. Voor deze beoordeling wordt eerst een inventarisatie gedaan van de geurbronnen in de omgeving van het plangebied. Daarnaast wordt getoetst of het gemeenschapshuis zelf een bron van geurhinder kan zijn. Het geuronderzoek is opgesteld voor de onderbouwing van de bestemmingsplanprocedure en de omgevingsvergunning Bouw. Omdat het bestemmingsplan in 2023 in procedure is gegaan, wordt in het rapport wordt uitgegaan van de oude systematiek en niet op basis van de Omgevingswet. Conclusie: In dit geuronderzoek is er getoetst of er ter plaatse van het plangebied ten aanzien van geur sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en of de ontwikkeling omliggende bedrijven belemmert. In de omgeving van het plangebied liggen verschillende geurbronnen, waaronder een veevoederbedrijf, veehouderijen en horecaondernemingen.
Het woon- en leefklimaat is beoordeeld op basis van milieuzoneringen, specifieke voorschriften van het veevoederbedrijf en de vergunde dierenaantallen van de veehouderijen.
Hoornwerk Vidi Reo Ravenstein – 2023, pag. 55 van 69 Vastgesteld 12 december 2024
Ter plaatse van het plangebied is er sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Ook de cumulatieve geurbelasting in het plangebied is beoordeeld als aanvaardbaar. Omliggende bedrijven worden niet in hun ontwikkelingsmogelijkheden beperkt. Het rapport is als bijlage 15 bij deze toelichting gevoegd. Het plan is uitvoerbaar met betrekking tot geur: industrieel. 5.7.6 Luchtkwaliteit Het beleid en de regelgeving over luchtkwaliteit heeft tot doel om mensen te beschermen tegen de gezondheidseffecten van luchtverontreiniging. Ze bevatten luchtkwaliteitsnormen voor verschillende stoffen. Ruimtelijke plannen of projecten die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit, zoals bestemmingsplannen, dienen getoetst te worden aan de Wet milieubeheer (afdeling 5.2.). Deze wet bevat grenswaarden voor de stoffen zwaveldioxide, stikstofdioxide, stikstofoxiden, fijn stof, lood, benzeen en koolmonoxide in de buitenlucht. In Nederland zijn de maatgevende luchtverontreinigende stoffen stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Overschrijding van de grenswaarden van andere stoffen komt bijna niet voor. De wet maakt onderscheid tussen kleine en grote ruimtelijke projecten. Kleine projecten zijn projecten die de luchtkwaliteit niet ‘in betekende mate’ (NIBM) verslechteren. Deze projecten hoeven niet meer beoordeeld te worden op luchtkwaliteit.
Ze zijn namelijk zo klein dat ze geen wezenlijke invloed hebben op de luchtkwaliteit. Er is geen belemmering als een klein project niet of nauwelijks bij draagt aan luchtverontreiniging, óók niet in overschrijdingsgebieden (gebieden met te veel luchtvervuiling). De ministeriële Regeling NIBM geeft aan in welke gevallen een nieuw project in ieder geval een NIBMproject is. Dit is bijvoorbeeld het geval als er minder dan 500 woningen worden gebouwd bij minimaal één ontsluitingsweg, of minder dan 1.000 woningen bij twee ontsluitingswegen. Het Besluit gevoelige bestemmingen beperkt de vestiging van zogeheten ‘gevoelige bestemmingen’, zoals een school, in de nabijheid van provinciale en rijkswegen. Het besluit is gericht op bescherming van mensen met een verhoogde gevoeligheid voor fijn stof (PM10) en stikstofdioxide (NO2), met name kinderen, ouderen en zieken. Daartoe voorziet het besluit in zones waarbinnen luchtkwaliteitsonderzoek nodig is: 300 meter aan weerszijden van rijkswegen en 50 meter langs provinciale wegen, gemeten vanaf de rand van de weg. Waar in zo’n onderzoekszone de grenswaarden voor PM10 of NO2 (dreigen te) worden overschreden, mag het totaal aantal mensen dat hoort bij een ‘gevoelige bestemming’ niet toenemen. Dit wordt bereikt door op zo’n plek de vestiging van bijvoorbeeld een school niet toe te staan.
Bij uitbreidingen van bestaande gevoelige bestemmingen is een eenmalige toename van maximaal 10% van het totale aantal blootgestelde toegestaan. De volgende gebouwen met de bijbehorende terreinen zijn aangemerkt als gevoelige bestemming: scholen, kinderdagverblijven, en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Het gaat hierbij niet om bestemmingen in de meest enge zin van het woord, maar om alle vergelijkbare functies, ongeacht de exacte aanduiding ervan in bestemmingsplannen en andere besluiten. Van doorslaggevend belang is de (voorziene) functie van het gebouw en het bijbehorende terrein. In de context van dit besluit worden ziekenhuizen, woningen en sportaccommodaties dus niet als gevoelige bestemming gezien. De gemeente heeft geen eigen regelgeving en beleid over luchtkwaliteit. Planspecifiek Vanuit een goede ruimtelijke ordening is de huidige luchtkwaliteit ter plaatse getoetst met behulp van de gegevens van atlasleefomgeving.nl. Door de concentraties ter plaatse te toetsen aan de grenswaarden is gekeken of er sprake is van een goed woon- en leefklimaat. De volgende concentraties komen naar voren:
Hoornwerk Vidi Reo Ravenstein – 2023, pag. 56 van 69 Vastgesteld 12 december 2024
Gemeten totale concentratie jaargemiddelde 2020 (µg/m³) Grenswaarde concentratie (µg/m³)
NO2 PM10 (stikstofdioxide) (fijnstof) 14,7 µg/m³ 16,2 µg/m³ 40 µg/m³ 40 µg/m³
PM2,5 (fijnere fractie van fijnstof) 9,3 µg/m³ 25 µg/m³
De gemeten concentraties stikstofdioxide en fijn stof liggen ruim onder de gestelde grenswaarden. Met betrekking tot de luchtkwaliteit zijn geen belemmeringen voor onderhavig initiatief. Bijdrage initiatief Ten aanzien van de bijdrage aan luchtkwaliteit is het initiatief (een gemeenschapshuis) van geringe omvang ten opzichte van de benoemde grenswaarde (3% toevoegen, gelijk aan 1.500 woningen). Op basis van de te verwachten beperkte toename aan verkeersbewegingen ten gevolge van het plan, is te concluderen dat het plan 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Een nadere toetsing ten aanzien van het aspect luchtkwaliteit kan daarom achterwege blijven. Het initiatief is uitvoerbaar met betrekking tot het aspect luchtkwaliteit. 5.7.8 Straling Het beleid voor elektromagnetische velden is opgenomen in het Nationaal Milieubeleidsplan (NMP4), de Toekomstagenda Milieu en de beleidsnota Nuchter Omgaan met Risico's, beslissen met gevoel voor onzekerheden (2004). Het ministerie van Infrastructuur en milieu heeft het beleid voor bovengrondse hoogspanningslijnen uitgewerkt in een advies van oktober 2005. Dit advies is verder toegelicht in een brief van november 2008. De gemeente Oss heeft in het Milieubeleidsplan 2010-2014 het rijksadvies vastgelegd als beleidsuitgangspunt.
Dit houdt in dat er bij nieuwbouwplannen of het realiseren van nieuwe hoogspanningslijnen voorkomen dient te worden dat er gevoelige bestemmingen terecht komen in een zone waar het magnetische veld gemiddeld over een jaar hoger is dan de norm van 0,4 microtesla. Planspecifiek In de omgeving van het plangebied zijn geen hoogspanningslijnen gelegen. Hierdoor is ter hoogte van het plangebied geen sprake van een zone met een magnetisch veld van 0,4 microtesla. Straling levert geen belemmeringen op voor het plan. Het plan is uitvoerbaar vanuit het aspect straling. 5.7.10 Weg-, spoor- en industrielawaai De Wet geluidhinder (Wgh) biedt bescherming tegen (spoor)weglawaai en tegen industrielawaai van inrichtingen voor zover gelegen op een gezoneerd industrieterrein. In de Wgh wordt een beperkt aantal typen objecten beschermd, de zogenoemde geluidgevoelige objecten. De Wet geluidhinder kent een stelsel van normen ter voorkoming van geluidhinder. Ter bescherming van woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen zijn grenswaarden opgenomen. Hierbij is een ondergrens (voorkeursgrenswaarde) en een bovengrens (maximaal toelaatbare grenswaarde) opgenomen. De Wgh biedt gemeenten de mogelijkheid om gericht in te spelen op de lokale situatie door maatwerk te leveren.
Burgemeester en wethouders kunnen een hogere waarde vaststellen dan de ondergrens, maar mogen daarbij de bovengrens niet overschrijden. In 2010 heeft de gemeenteraad van Oss de geluidsnota “Geluidskwaliteit in de leefomgeving” vastgesteld. De gemeente Oss maakt hierbij gebruik van gebiedsgericht geluidbeleid. Per gebied wordt een geluidskwaliteit nagestreefd. Zo zijn er ‘rustige gebieden’, ‘dynamische gebieden’ en er zijn gebieden die ten aanzien van geluid onder druk staan. De geluidsnota gaat ook in op de realistische inzet van onderzoek, het stellen van eigen criteria voor het toestaan van een hogere waarde en bedrijfswoningen op industrieterreinen.
Hoornwerk Vidi Reo Ravenstein – 2023, pag. 57 van 69 Vastgesteld 12 december 2024
De gemeente Oss streeft naar een leefbare woonsituatie, ook op locaties met een hoge geluidsbelasting. Deze leefbaarheid wordt bereikt door terughoudend te zijn met hogere grenswaarden en door hieraan voorwaarden te verbinden. Deze voorwaarden leggen de initiatiefnemer of de beheerder een inspanning op voor een leefbare woonomgeving als compensatie voor het bouwen en het veroorzaken van een lawaaiige situatie. Zonering van industrielawaai in het kader van de Wet geluidhinder is het ruimtelijk scheiden van industrieterreinen waarop (grote) lawaaimakers zijn gevestigd enerzijds en woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen anderzijds. Ook in Oss is er een aantal gezoneerde industrieterreinen. Met zonering wordt beoogd rechtszekerheid te bieden aan zowel bedrijven als aan bewoners/gebruikers van woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen. Bedrijven kunnen aan de ene kant hun geluid producerende activiteiten niet onbeperkt uitbreiden ter bescherming van woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen binnen en buiten de zone. Aan de andere kant wordt, ter bescherming van hun akoestische ruimte, voorkomen dat woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen te veel oprukken naar de bedrijven toe. Planspecifiek Met voorliggend plan worden geen geluidsgevoelige objecten in de zin van de Wet geluidhinder mogelijk gemaakt.
Nadere toetsing aan het aspect geluid die deze nieuwe functie mogelijk op de omgeving uitoefent is nog wel nodig en daarom is er een akoestisch onderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek industrielawaai is uitgevoerd door Aelmans, d.d. 14 oktober 2024, nr. AMO240028.002/LHO. Doel hiervan is om vanuit het gezichtspunt van de omliggende woonfuncties te onderzoeken of er door het realiseren van het gemeenschapshuis sprake is van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving c.q. een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Het rapport concludeert het volgende ten aanzien van de onderzochte aspecten. Langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus Uit de berekening volgt dat bij de nabij het gemeenschapshuis gelegen woningen van derden wordt voldaan aan de toetsingswaarde voor de optredende langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus voor industrielawaai van 50 dB(A) in de dagperiode, 45 dB(A) in de avondperiode en 40 dB(A) in de nachtperiode. Dit echter onder de voorwaarde dat wordt voldaan aan de in hoofdstuk 3.5 van het rapport beschreven akoestische randvoorwaarden voor de installatiegeluidbronnen. Uit de berekeningsresultaten blijkt dat in de maatgevende nachtperiode de bronnen van muziekgeluid tenminste 13 dB lager zijn dan het omgevingsgeluid. (circa 40 dB). De hoogste deelbijdrage van uitsluitend muziek is in de 27 dB(A) in de nachtperiode in rekenpunt 02 en 03.
De geluidniveaus zijn vermeld in tabel 4. Uit de vermelde geluidniveaus volgt dat in de omgeving van de nieuwe locatie van het nieuwe gemeenschapshuis ‘Vidi Reo’ geen duidelijk hoorbaar muziekgeluid zal worden waargenomen.
Hoornwerk Vidi Reo Ravenstein – 2023, pag. 58 van 69 Vastgesteld 12 december 2024
Maximale geluidniveaus Uit de berekening blijkt dat in de onderzochte bedrijfssituatie wordt voldaan aan de toetsingswaarde voor de optredende maximale geluidniveaus voor industrielawaai overeenkomstig hoofdstuk 2 van het rapport. De geluidniveaus zijn vermeld in uit tabel 5. Het onderzoek toont aan dat in bij woningen van derden nabij de nieuwe locatie van het nieuwe gemeenschapshuis ‘Vidi Reo’ geen duidelijk hoorbare en/of herkenbare piekgeluiden (maximale geluidniveaus) zullen worden waargenomen.
Verkeersaantrekkende werking Uit de berekening volgt dat in de onderzochte bedrijfssituatie wordt voldaan aan de voorkeursgrenswaarde voor de verkeersaantrekkende werking. Het onderzoek toont aan dat in bij woningen van derden nabij de nieuwe locatie van het nieuwe gemeenschapshuis ‘Vidi Reo’ geen duidelijk hoorbare en/of herkenbare geluiden van het wegverkeer van en naar het gemeenschapshuis waarneembaar zullen zijn. Het rapport is als bijlage 14 bij deze toelichting gevoegd. Het plan is in principe uitvoerbaar met betrekking tot geluid. 5.7.11 Gezondheid Uit de VGO-rapporten die afgelopen jaren zijn gepubliceerd door het RIVM komt duidelijk naar voren dat er een relatie wordt gevonden tussen veehouderijen en de gezondheid van omwonenden. Deze relatie is door de onderzoeker op verschillende manieren vastgesteld. Daarbij komt dichtheid van
Hoornwerk Vidi Reo Ravenstein – 2023, pag. 59 van 69 Vastgesteld 12 december 2024
veehouderijbedrijven en afstand tot bepaalde type individuele veehouderijen concreet naar voren als factoren die van invloed zijn op de gezondheid van omwonenden. Verder blijkt uit VGO-onderzoek dat er in een straal van twee kilometer rond geitenhouderijen een verhoogde incidentie van longontstekingen (ca. 25-30% hoger) voorkomt. De oorzaak van het verhoogde risico op longontsteking rond geitenbedrijven is vooralsnog onbekend en onderwerp van vervolgonderzoek. Op dit moment kan er geen enkele bron-effect relatie worden beschreven tussen de verhoogde longontsteking incidentie en de uitstoot vanuit geitenhouderijen. Wel is er een causaal verband geconstateerd waarbij de associatie sterker is naarmate de afstand tot een geitenhouderij kleiner is. Tot er meer duidelijkheid is over de bron van de verhoogde incidentie longontstekingen kan niet worden geadviseerd over beschermde maatregelen. Afstand houden en goed informeren is de enige maatregel die de GGD op dit moment adviseert. In afwachting van het vervolgonderzoek heeft de provincie besloten dat geitenstallen uitbreiden of in gebruik nemen niet meer is toegestaan. Het moratorium is in beginsel tijdelijk. Als de uitkomsten van het vervolgonderzoek bekend worden, wordt er gekeken of er redenen zijn het besluit in te trekken of aan te passen.
In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het bevoegd gezag verplicht om alle bekende risico's bij een nieuwe ontwikkeling af te wegen. Er is geen sprake van een omgekeerde werking van het moratorium (met andere woorden de 'stop' op uitbreidingen van geitenbedrijven zorgt niet voor een stop op ontwikkelingen binnen de 2 km straal van een geitenhouderij), maar wel van een risico dat beoordeeld en meegewogen moet worden bij nieuwe ontwikkelingen. Het verantwoorden van dit verhoogde risico is aan het bevoegd gezag, in casu de gemeente. Deze geeft een oordeel over en maakt een afweging of sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat (m.b.t. onder andere gezondheid & geitenhouderijen). Het college van B&W besloot op 5 december 2017 dat wenselijke ontwikkelingen na een zorgvuldige afweging met betrekking tot volksgezondheid kunnen worden toegestaan binnen een straal van twee kilometer rondom een geitenhouderij. Het beleid voor geitenhouderijen in Oss houdt in dat bij de realisering van een ruimtelijke ontwikkeling binnen een straal van 2 kilometer van een geitenhouderij rekening moet worden gehouden met de volgende criteria: a. het infomeren van de aanvragers over het risico b. terughoudend omgaan met ontwikkelingen betreffende het huisvest of opvangen van kinderen, kwetsbare mensen en ouderen c.
na een zorgvuldige afweging en eventueel maatwerk kunnen wenselijke ontwikkelingen binnen een straal van 2 kilometer van een geitenhouderij worden toegestaan. ‘De Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0’ (versie mei 2018) bevat een praktisch stappenplan om te beoordelen of nadere advisering vanuit de GGD wenselijk is. De zeven stappen dienen allen te worden doorlopen en beantwoord om na te gaan of er aandachtspunten worden gevonden. Toetsing aan het stappenplan moet plaatsvinden, zodat kan worden bepaald of een advies van de GGD nodig is voor de beoogde ontwikkeling. Planspecifiek Met voorliggend plan worden geen woningen mogelijk gemaakt. Binnen een straal van 2 kilometer rond het plangebied bevinden zich geen geitenhouderijen. Het aspect gezondheid levert geen belemmeringen ten aanzien van het plan. Het plan is uitvoerbaar met betrekking tot gezondheid.
Hoornwerk Vidi Reo Ravenstein – 2023, pag. 60 van 69 Vastgesteld 12 december 2024
5.7.12 Spuitzones In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient te worden beoordeeld of het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen onaanvaardbare gevolgen heeft voor het woon- en leefklimaat. Uit jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State volgt als vuistregel dat een richtafstand van 50 meter tussen het perceel waarop de teelt plaatsvindt en te realiseren nieuwe gevoelige functies zoals woningen kan worden gehanteerd. Kleinere afstanden zijn mogelijk mits er een locatie specifiek onderzoek wordt uitgevoerd. Planspecifiek Het plan betreft het mogelijk maken van een gemeenschapshuis. Dit is geen gevoelige functie in het kader van spuitzonering. Binnen een richtafstand van 50 m bevinden zich geen bedrijven die vanuit dit aspect een risico vormen. Spuitzonering levert geen belemmeringen op voor het plan. Het plan is uitvoerbaar met betrekking tot het aspect spuitzones. 5.7.13 Niet gesprongen explosieven Ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling is de aanwezigheid van ontplofbare oorlogsresten binnen het plangebied onderzocht. Het gebied is afgezocht om de in de toekomst geplande werkzaamheden veilig uit te kunnen voeren. In bijlage 6 is de rapportage vindbaar. Bij het onderzoek zijn geen verdachte objecten waargenomen in het onderzoeksgebied.
Het onderzochte gebied wordt vrijgegeven van ontplofbare oorlogsresten, zodat eventuele vervolgwerkzaamheden veilig kunnen worden uitgevoerd. 5.8 Milieueffectrapportage (M.e.r.) Een milieueffectrapportage (m.e.r.) brengt de milieugevolgen van een plan in beeld voordat er een besluit over wordt genomen. In een milieueffectrapport worden de gevolgen voor het milieu beschreven. Zo kan de overheid die het besluit neemt de milieugevolgen bij haar afwegingen betrekken. Het doel van m.e.r. is om het milieu een volwaardige plaats te geven in de besluitvorming over plannen en projecten. In een m.e.r.-beoordeling kijkt het bevoegd gezag of een project mogelijk belangrijke nadelige milieugevolgen heeft. Als dat zo is, moet een m.e.r.-procedure worden doorlopen. Wanneer speelt een m.e.r.-beoordeling? In het Besluit m.e.r. staat wanneer m.e.r. of een m.e.r.-beoordeling aan de orde is. De activiteit die het project mogelijk maakt en het besluit over de activiteit zijn daarbij bepalend. In de C- en D-lijst in de Bijlage bij het Besluit m.e.r. staat of sprake is van m.e.r.-plicht of m.e.r.-beoordelingsplicht. Per categorie van activiteiten is een drempelwaarde voor de omvang van de activiteit gegeven. Boven de C-drempel geldt een m.e.r.-plicht, tussen de C- en D-drempel geldt een plan-m.e.r.-plicht en onder de D-drempel geldt een vormvrije m.e.r.-beoordeling.
Bij de vormvrije m.e.r.-beoordeling dient onderbouwd te worden of de activiteit belangrijke nadelige milieugevolgen heeft. Sinds de implementatie van de gewijzigde M.e.r.-richtlijn op 16 mei 2017 is de procedure voor de vormvrije en de formele m.e.r.-beoordeling bijna gelijk. Het enige verschil is dat van het besluit bij de vormvrije m.e.r.-beoordeling geen kennisgeving wordt gedaan. Het m.e.r.-beoordelingsbesluit De initiatiefnemer stelt een aanmeldnotitie op, waarover het bevoegd gezag binnen zes weken een m.e.r.-beoordelingsbesluit moet nemen. Het bevoegd gezag motiveert het besluit door in te gaan op de selectiecriteria van Bijlage III van de M.e.r.-richtlijn. Het gaat daarbij om de hoofdcategorieën: 1. kenmerken van het project 2. plaats van het project 3. kenmerken van het potentiële effect.
Hoornwerk Vidi Reo Ravenstein – 2023, pag. 61 van 69 Vastgesteld 12 december 2024
Is het bevoegd gezag zelf initiatiefnemer, dan is het bevoegd gezag, anders dan een derde, niet verplicht een aanmeldnotitie op te stellen. Bovenstaande geldt alleen voor projecten die een stedelijke ontwikkeling zijn. Dat is de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelsvoorziening of een andere stedelijke voorziening die voldoende substantieel is. Op basis van jurisprudentie is grip ontstaan op de vraag wat substantieel is. Dat is in beginsel en onder meer het geval bij woningplannen van meer dan 11 woningen als ook andere stedelijke plannen met een gebouw van 500 m2 of groter. Verantwoording Onderhavig initiatief betreft geen nieuwe stedelijk ontwikkeling waardoor het opstellen van een milieueffectrapportage of m.e.r.-beoordeling niet nodig is. Het plan is uitvoerbaar vanuit het aspect milieueffectrapportage.
Hoofdstuk 6
Toelichting op de regels
6.1 Algemeen Het bestemmingsplan bevat regels die het juridisch instrumentarium geven voor het regelen van het gebruik van de gronden en opstallen én bepalingen over de toelaatbaarheid van bebouwing. Het bestemmingsplan kan worden verbeeld op papier, en gaat vergezeld van deze toelichting. De toelichting heeft geen bindende werking en maakt juridisch geen deel uit van het bestemmingsplan. Wel heeft zij een belangrijke functie bij de onderbouwing van het plan. De Wet ruimtelijke ordening biedt zowel de mogelijkheid om een globaal bestemmingsplan te maken als de mogelijkheid van een gedetailleerd bestemmingsplan. In het bestemmingsplan Vidi Reo is gekozen voor een gedetailleerde regeling. Voor de opzet van de regels is aangesloten bij de “Standaardregels bestemmingsplannen Oss”. De regels bestaan uit vier hoofdstukken. Dit zijn de inleidende regels (artikelen 1 en 2), de bestemmingsregels (artikelen 3 tot en met 7), de algemene regels (artikelen 8 tot en met 14 en de overgangs- en slotregels (de artikelen 15 en 16). In de volgende paragraaf worden de diverse artikelen uit de regels en de bijlage toegelicht. 6.2 Regels Hoofdstuk 1: Inleidende regels Artikel 1: Begrippen In dit artikel worden de in de regels gehanteerde begrippen nader verklaard om verschillen in interpretatie te voorkomen.
Artikel 2: Wijze van meten Dit artikel geeft aan op welke manier het meten van in de regels genoemde begrippen moet plaatsvinden. Hoofdstuk 2: Bestemmingsregels De in dit hoofdstuk geregelde bestemmingen zijn achtereenvolgens: Artikel 3:
Gemengd
Hoornwerk Vidi Reo Ravenstein – 2023, pag. 62 van 69 Vastgesteld 12 december 2024
Dit artikel geeft de regels met betrekking tot de bestemming ‘Gemengd’ aan. Binnen deze bestemming vindt het gebruik als buurthuis plaats. Zowel de bebouwing (in het bouwvlak) als het gebruik als buitenruimte Artikel 4: Groen Dit artikel geeft de regels met betrekking tot de bestemming ‘Groen’ aan. Binnen deze bestemming zijn de groenvoorzieningen, de speel- en verblijfsvoorzieningen en kunstobjecten mogelijk. Tevens zijn voorzieningen voor langzaam verkeer en nutsvoorzieningen mogelijk. Artikel 5: Verkeer – Verblijf Dit artikel geeft de regels met betrekking tot de bestemming ‘Verkeer – Verblijf’ aan. Hier zijn de toegangsweg en het parkeerterrein mogelijk. Ook terrein voor markten, standplaatsen, terrassen en evenementen. Maar ook de functies die binnen de bestemming Groen mogelijk zijn. Artikel 6: Waarde – Archeologie historische kern Dit artikel geeft de regels met betrekking tot de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologische kern’ aan. Artikel 7: Waarde – Beschermd stadsgezicht Dit artikel geeft de regels met betrekking tot de dubbelbestemming ‘Waarde – Beschermd stadsgezicht’ aan. Artikel 8: Waarde – Rijksmonumentaal terrein Dit artikel geeft de regels met betrekking tot de dubbelbestemming ‘Waarde – Rijksmonumentaal terrein’ aan. Artikel 9: Waterstaat – Waterkering Dit artikel geeft de regels met betrekking tot de dubbelbestemming ‘Waterstaat – Waterkering’ aan.
Hoofdstuk 3: Algemene regels Dit hoofdstuk geeft een aantal gebruikelijke algemene regels. Het betreft achtereenvolgens: Artikel 10: Anti-dubbeltelregel Dit artikel verhindert dat grond dubbel geteld wordt bij de beoordeling van latere bouwplannen. Artikel 11: Algemene bouwregels Dit artikel regelt algemene regels voor het bouwen binnen het plangebied. Artikel 12: Algemene gebruiksregels Dit artikel regelt algemene regels voor het gebruik binnen het plangebied. Artikel 13: Algemene aanduidingsregels Dit artikel regelt algemene regels rond de aanduidingen in het plangebied. Artikel 14: Afwijken van de bouwregels algemeen Dit artikel regelt zaken waarvoor afgeweken kan worden van de geldende bouwregels. Artikel 15: Algemene wijzigingsregels Dit artikel regelt de mogelijkheden voor het bevoegd gezag om het plan te wijzigen. Artikel 16: Overige regels Dit artikel regelt de overige regels met betrekking tot het plan.
Hoornwerk Vidi Reo Ravenstein – 2023, pag. 63 van 69 Vastgesteld 12 december 2024
Hoofdstuk 4: Overgangs- en slotregels Artikel 17: Overgangsrecht Dit artikel regelt het overgangsrecht voor bebouwing en gebruik van gronden en bouwwerken. Artikel 18: Slotregel Dit artikel regelt de formele titel waaronder het bestemmingsplan kan worden aangehaald.
Hoofdstuk 7
Handhaving
7.1 Beleidskader Naar aanleiding van een landelijk traject heeft de gemeente Oss in 2005 de nodige besluiten genomen om de handhaving te professionaliseren. De gemeente wil namelijk een professionele organisatie zijn. Om haar handhavingstaken zo transparant en objectief mogelijk uit te voeren, heeft zij een toezicht-, sanctie- en gedoogstrategie opgesteld. De wijze waarop de gemeente handelt bij overtredingen is daarin vastgelegd. Het uitgangspunt voor handhaving is: elke norm die het verdient te worden gesteld, verdient het ook te worden gehandhaafd. De gemeente is verantwoordelijk voor het algemeen belang, dat concreet wordt in de belangen van veiligheid, volksgezondheid, natuurlijk milieu en ruimtelijke kwaliteit. Deze belangen vragen om een actieve handhaving. Een goede handhaving start echter al bij het opstellen van beleid, regels en voorschriften. Om in dit verband bestemmingsplannen actief te kunnen handhaven moet voldaan zijn aan de volgende criteria: • het opstellen van uitvoerbaar beleid en duidelijke regels; • het verstrekken van duidelijke informatie op basis waarvan burgers en bedrijven hun keuzes kunnen maken; • zorgen voor de naleving van regels door middel van toezicht en de inzet van handhavingsinstrumenten.
Als primaire verantwoordelijkheid van burgers en bedrijven wordt gezien: • het aanvaarden van de consequenties van de eigen keuzes; • nakoming van afspraken en naleving van regels. In het Handhavingsprogramma wordt het concrete belang van handhaving van regels van bestemmingsplannen aangegeven. De negatieve effecten van niet-handhaving kunnen immers groot zijn, zoals schade aan natuur en ruimtelijke kwaliteit, financieel-economische schade en onveiligheid. Maar ook kunnen burgers en bedrijven worden benadeeld door illegale activiteiten van hun buren/omwonenden. De ruimte in Nederland is schaars en iedereen heeft belang bij een goede woon-, werk- en leefomgeving. De kwaliteit hiervan wordt grotendeels in bestemmingsplannen vastgelegd en die kwaliteit verdient het om te worden beschermd, onder meer door toezicht op naleving van de regels en desnoods bestuursrechtelijke handhaving. Het bestuurlijke belang van een adequate handhaving van bestemmingsplannen is dus groot, maar dat geldt ook voor de individuele belangen van burgers en bedrijven. 7.2 Professionele handhaving en handhavingsprogramma De gemeente Oss voldoet aan de wettelijke kwaliteitscriteria voor een professionele handhavingsorganisatie. Elke vier jaar wordt er een Handhavingsprogramma opgesteld waarin de prioriteiten voor de uitvoering worden vastgelegd. Dit gebeurt na de aantreding van een nieuwe
Hoornwerk Vidi Reo Ravenstein – 2023, pag. 64 van 69 Vastgesteld 12 december 2024
gemeenteraad en de vorming van een nieuw college van burgemeester en wethouders. Elk jaar wordt aan de hand van een probleem- of omgevingsanalyse een voortschrijdend programma gemaakt, waarin rekening wordt gehouden met gewijzigde wetgeving en de op dat moment concrete problematiek. Handhaving van bestemmingsplannen is een vaste prioriteit in het programma. 7.3 Handhaafbaarheid, positief bestemmen, overgangsrecht De regels van dit bestemmingsplan zijn getoetst op handhaafbaarheid. De Wet algemene bepalingen omgevingsrecht voorziet in een verbod op het (laten) gebruiken van gronden en bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan. Overtreding van dit verbod is een strafbaar feit. In beginsel worden bouwwerken die in overeenstemming zijn met het vorige bestemmingsplan positief bestemd. Hetzelfde geldt voor gebruik in overeenstemming met het vorige bestemmingsplan. Met andere woorden: bestaande rechten worden gerespecteerd. Zij zijn in beginsel alleen onder het algemene overgangsrecht gebracht als te voorzien is dat zij binnen de planperiode van tien jaar zullen verdwijnen. Als sprake is van een naar huidige beleidsinzichten onwenselijke situatie die in het vorige bestemmingsplan al onder het overgangsrecht valt, is bezien of deze onder het persoonsgebonden overgangsrecht kan worden gebracht.
Dat wil zeggen dat het overgangsrecht voor de betreffende percelen is beperkt tot degenen die die percelen gebruiken op het moment van inwerkingtreding van het bestemmingsplan. Voortgezet gebruik door anderen wordt niet als bestaand gebruik aangemerkt. Wij geven hieraan de voorkeur boven een uitsterfconstructie. Een uitsterfconstructie houdt in feite een positieve bestemming in, die afloopt na beëindiging van het betreffende gebruik. Dit maakt opvolging in de tijd door meerdere gebruikers mogelijk. Daarmee kan in beginsel het ongewenste gebruik eindeloos lang duren. Persoonsgebonden overgangsrecht heeft als voordeel dat het gekoppeld is aan gebruik door één specifieke gebruiker of een beperkt aantal specifieke gebruikers. Daarmee kan het ongewenste gebruik in de praktijk eerder beëindigd worden, en zeker niet eindeloos lang voort blijven duren, waarmee mee recht wordt gedaan aan de bedoeling van overgangsrecht. Het persoonsgebonden overgangsrecht heeft zeker bij situaties die illegaal zijn ontstaan onze voorkeur boven een uitsterfregeling. Daarnaast kan het voorkomen dat bouwwerken in strijd met het vorige bestemmingsplan zijn opgericht, of dat bestaand gebruik in strijd is met dat plan. Een positieve bestemming ligt dan in de rede als de met het vorige bestemmingsplan strijdige situatie naar huidige beleidsinzichten ruimtelijk aanvaardbaar is.
Indien de betreffende situatie ruimtelijk niet aanvaardbaar is, zal hiertegen in beginsel handhavend worden opgetreden. Indien dat in een uitzonderlijk geval niet (meer) mogelijk is, is bezien of de situatie onder het persoonsgebonden overgangsrecht gebracht kan worden. Overigens zijn strijdige situaties op grond van de planregels standaard uitgezonderd van het algemene overgangsrecht. Het Besluit ruimtelijke ordening schrijft dit voor. Uiteindelijk is altijd maatwerk vereist om te bepalen of een positieve bestemming, algemeen overgangsrecht of persoonsgebonden overgangsrecht mogelijk is.
Hoornwerk Vidi Reo Ravenstein – 2023, pag. 65 van 69 Vastgesteld 12 december 2024
Hoofdstuk 8
Economische uitvoerbaarheid
Doelstelling is om het project kostenneutraal te ontwikkelen. Het budget voor het gebouw en de openbare ruimte zijn beschikbaar gesteld in de programmabegroting 2025-2028. Het aanvullend budget omtrent de gebiedsvisie is prematuur geraamd. Uitgangspunt is om deze te financieren middels regelingen, subsidies en fondsen. Met de subsidie consultant van Ignite Group hebben we een subsidie screening gedaan waaruit blijkt dat er meerdere mogelijkheden (subsidies, fondsen, regelingen) bestaan op basis van historisch erfgoed, cultuur en natuur. We zullen meerdere instanties aanschrijven om aanspraak te kunnen maken waarmee we de aanvullende kosten voor de gebiedsvisie kunnen dekken. Ook zal er gekeken worden naar onderhoudsbudgetten en werk met werk maken.
8.1 Budget gebouw Bij aanvang 2023 was voor zowel 2023 als 2024 jaarlijks een budget beschikbaar voor de voorbereidingskosten met dekking uit de reserve IVB. Vanwege het bijzondere gebied en de bijzondere omstandigheden is het gereserveerde voorbereidingsbudget voor dit project hoger geraamd. Conform de MIP 2023 past het gereserveerde budget van het gebouw binnen de afspraak van het nieuwe kengetal voor ontmoeten zoals besloten in het college advies van 29-08-2023. In de meerjarenbegroting 2024-2027 is er een reservering opgenomen voor de investering van de realisatie van het nieuwe Vidi Reo te bouwen op het Hoornwerk gepland in 2025 en 2026. zijn terug te lezen in bijlage 17 bij hoofdstuk 8 economische uitvoerbaarheid (niet openbaar). In Q1 2024 is het voorontwerp van het gebouw afgerond. Van dit ontwerp zijn de bouw- en investeringskosten bepaald. De kosten van het voorontwerp van het gemeenschapshuis passen binnen het hiervoor gereserveerde budget. 8.2 Budget openbare ruimte In de programma begroting 2025-2028 is er een aanvullend bedrag gereserveerd voor de inrichting openbare ruimte. Dit bedrag is bedoeld voor de openbare ruimte die nodig is om het nieuwe gemeenschapshuis te laten functioneren. Dit bedrag is terug te lezen in bijlage 17 bij hoofdstuk 8 economische uitvoerbaarheid. De onderzoeken omtrent archeologie en de bodemvervuiling zijn uitgevoerd.
(zie paragraaf 5.3.2. en 5.7.2). 8.3 Budget gebiedsvisie Het inrichtingsplan is afgelopen jaar gewijzigd door de diversen overleggen met RCE en het adviesteam omgevingskwaliteit. Het advies van deze partijen is om het Bovenste Hoornwerk open te laten en de Beneden-Bleek, wat in de huidige situatie een parkeerterrein is, te voorzien van de extra benodigde parkeerplekken. Dit betekent dat de Beneden-Bleek onderdeel wordt van het plan en opnieuw zal worden ingericht. De Beneden Bleek krijgt 45 extra parkeerplekken ten behoeve van het gemeenschapshuis en zal voorzien worden van een nieuwe indeling om de historie van het gebied nog beter te kunnen verbeelden.