CConstaterende datOss
Koppel je AI →
Document · PDF

4. Toelichting bestemmingsplan Hoornwerk Vidi Reo Ravenstein - 2023

Gemeenteraad 12 december 2024, gemeente OssBij agendapunt: A Vaststellen bestemmingsplan Hoornwerk Vidi Reo Ravenstein 202327.441 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Er is meer ruimte voor maatwerk. En de gemeente ondersteunt (groepen) initiatiefnemers daarbij op de manier die de hen helpt om het zelf op te pakken: soms faciliterend, vaak verwijzend, adviserend of op andere manieren. Vooral die samenwerking is belangrijk. Het versterkt de gemeenschap en zorgt ervoor dat een initiatief stabiel is en een lange levensduur heeft. Planspecifiek Het plan voorziet in het realiseren van een nieuw gemeenschapshuis, waarmee een impuls wordt gegeven aan het voorzieningenniveau (op sociaal en cultureel vlak) in Ravenstein. Daarmee past dit plan binnen het gestelde in de Gebiedsvisie Stadjes en Kernen. 4.4.2 Welstandsbeleid Op 24 september 2020 is “Samen bouwen aan een mooi Oss, Nota uiterlijk van bouwwerken Oss 2020” vastgesteld. Dit welstandsbeleid legt meer verantwoordelijkheid bij de inwoners en bedrijven van de gemeente Oss. Met deze nota geldt in principe voor het gehele grondgebied van de gemeente een welstandsvrij beleid. Nieuwe bouwaanvragen hoeven niet te worden voorgelegd aan het Adviesteam Architectuur om te worden getoetst aan ‘redelijke eisen van welstand’. Er gelden drie uitzonderingssituaties: • bebouwing binnen beschermde stads- en dorpsgezichten; • monumenten en de panden in de directe omgeving van een monument (binnen een straal van 25 meter vanaf een monument); • bebouwing binnen gebieden waar een beeldkwaliteitsplan geldt.

In deze gevallen is voor bebouwing een welstandadvies wél verplicht. In het welstandsvrije deel van de gemeente blijft de mogelijkheid bestaan om bouwplannen voor te leggen aan het Adviesteam Architectuur, adviesteam omgevingskwaliteit en de erfgoedcommissie voor een vrijblijvend welstandsadvies. Planspecifiek Het plangebied is gelegen in het beschermd stadsgezicht van Ravenstein en is deels ook Rijks monumentaal van belang. Sturing op de ruimtelijke kwaliteit in algemene zin als ook architectonische zin in het bijzonder is daarmee van belang. Er is meermaals overleg geweest met de adviescommissie

Hoornwerk Vidi Reo Ravenstein – 2023, pag. 28 van 69 Vastgesteld 12 december 2024

ruimtelijke kwaliteit en de erfgoedcommissie (zie bijlage 12). Tijdens de verdere planvorming van het gebouw zal blijvend overleg gevoerd worden met deze adviescommissies. Het plan is passend binnen het welstandsbeleid van de gemeente Oss. 4.4.3 Horeca In het Integraal Horecabeleidsplan zijn de sociaal-maatschappelijke, economische en ook ruimtelijke aspecten van de horecabranche betrokken. Ruimtelijk gezien zijn de volgende uitgangspunten uit het horecabeleidsplan van belang: • gestreefd wordt naar een clustering van horeca met andere publieksgerichte voorzieningen; • gebieden met een overheersende woonfunctie zijn horecaluwe gebieden; het beleid is niet gericht op uitbreiding van de horecafuncties; • in de gemengde gebieden met voorzieningen (wijk- en buurtcentra) en langs hoofdstraten waar al meerdere publieksgerichte voorzieningen aanwezig zijn, is horeca met een gebiedsgerichte functie toelaatbaar. • voor de wijk- en buurtcentra gaat het vooral om dag horeca die zich richt op het winkelende publiek, zoals een lunchroom of cafetaria. In specifieke situaties kan bij voorzieningenclusters de vestiging van een café als gerichte buurtontmoetingsplek voorstelbaar zijn. De bestaande horecavoorzieningen in de buurten en wijken liggen veelal aan de hoofdstraten waar al meerdere publieksgerichte voorzieningen aanwezig zijn.

Het ruimtelijk beleid is hier consoliderend, dat wil zeggen dat deze voorzieningen overwegend gehandhaafd kunnen blijven. In het beleidsplan wordt verder aangegeven dat het streven erop is gericht om bij de actualisering van bestemmingsplannen de regels te standaardiseren aan de hand van standaardregels. Voor de horeca zijn hiertoe vijf horecabestemmingen geformuleerd. De horecabestemming categorie 1 t/m 3 omvat zogenaamde lichte, winkel ondersteunende horeca, zoals een snackbar en een restaurant. De categorieën 4 en 5 betreffen de zogenaamde zware uitgaanshoreca, zoals een café, discotheek en casino (n.b. de definities in dit bestemmingsplan kennen een andere categorie-indeling). Planspecifiek Voorliggend plan voorziet in het mogelijk maken van horeca bij het te realiseren gemeenschapshuis. Het gemeenschapshuis betreft een publieksgerichte voorziening waarbij de aanwezigheid van horeca passend is binnen het streven van de gemeente Oss om deze functies te clusteren. De horeca is hierbij ondergeschikt aan het gemeenschapshuis. De categorie die mogelijk wordt gemaakt is 2, met uitsluiting van overnachtingsmogelijkheden. Het gebied kent geen overheersende woonfunctie. In de omgeving zijn al enkele horecagelegenheden gevestigd. Het initiatief is passend binnen het horecabeleid van de gemeente Oss.

4.4.4 Voorzieningenkaart 2015 De Voorzieningenkaart 2015 is het resultaat van een samenwerking tussen de gemeente Oss en de inwoners, verenigingen en een aantal professionals uit Ravenstein en de omliggende kernen. Samen hebben zij een lange termijn toekomstperspectief geschetst voor de voorzieningen in Ravenstein en de kernen. Het doel van het project Voorzieningenkaart 2030 is om vervangingsinvesteringen in maatschappelijk vastgoed zoveel mogelijk te voorkomen en leefbaarheid te behouden of versterken. De Voorzieningenkaart is als bijlage 7 bij dit bestemmingsplan gevoegd. Planspecifiek De plannen om tot een nieuwe locatie voor Vidi Reo te komen staan in de Voorzieningenkaart genoemd. Voorliggend bestemmingsplan is daarmee een vervolg op de samenwerking die heeft geleid tot de Voorzieningenkaart.

Hoornwerk Vidi Reo Ravenstein – 2023, pag. 29 van 69 Vastgesteld 12 december 2024

4.4.5 Dorpsplan Ravenstein 2006 Het Dorpsplan Ravenstein uit 2006 slaat een brug tussen het gemeentelijk beleid en de behoeften en wensen in de dorpen Demen, Dieden, Deursen-Dennenburg, Huisseling, neerlangel en de stad Ravenstein. Het Dorpsplan biedt zo een agenda voor de toekomst. Het Dorpsplan bevat de toekomstvisie op het plangebied en een uitvoeringsprogramma. Dit dorpsplan is als bijlage 8 bij dit bestemmingsplan gevoegd. Planspecifiek De plannen om tot een nieuwe locatie voor Vidi Reo te komen staan in het Dorpsplan genoemd. Voorliggend bestemmingsplan is daarmee een vervolg op dit plan. 4.4.6 Erfgoedbeleid Het gemeentelijke erfgoedbeleid komt in paragraaf 5.3.4 aan bod.

Hoofdstuk 5 5.1

Omgevingsaspecten

Landschap

5.1.1 Nota Landschapsbeleid Binnen de gemeente Oss bestaat grote aandacht voor het landschap en het landelijke gebied. De Nota Landschapsbeleid zorgt voor een beleidskader welke een sturende werking heeft bij ruimtelijke ontwikkeling in het buitengebied. Ruimtelijke ingrepen en nieuwe functies in het buitengebied hebben een grote uitstraling naar de omgeving. Dit betekent dat bij deze ingrepen (bijvoorbeeld de bouw van agrarische bedrijfsgebouwen) eisen aan de landschappelijke inpassing van objecten moeten worden gesteld. De gemeente wordt verder geconfronteerd met de aanleg (of juist verwijdering) van (landschaps)elementen door particulieren op agrarische percelen in het buitengebied. Dergelijke initiatieven komen vaak niet overeen met de ter plaatse aanwezige en te behouden landschappelijke kwaliteit (bijvoorbeeld behoud van openheid of gebruik van niet-inheemse boomsoorten). Goede toetsingskaders en sturingsinstrumenten zijn voor bescherming maar ook voor ontwikkeling van het landschap onmisbaar. In de Nota Landschapsbeleid wordt per deelgebied beschreven wat de landschappelijke visie is. De verschillende deelgebieden zijn: Uiterwaarden • Oeverwal • Komgebied • Dekzandrand • Dekzandrug Per deelgebied wordt aangegeven wat de ontwikkelingsvisie is. Daarbij worden aandachtspunten voor uitwerking en uitvoering geschetst.

Planspecifiek Het plangebied is gelegen in de kern Ravenstein, dat volgens de Nota Landschapsbeleid binnen het deelgebied ‘Oeverwal’ ligt. De Maasdijk is door zijn continuïteit een belangrijk visueel element in het landschap. De dijk scheidt de uiterwaarden van de oeverwal en fungeert als ruimteverdeler in het landschap. Vanaf de dijk is er uitzicht op de uiterwaarden en de oeverwal. Het plangebied is gelegen aan deze dijk.

Hoornwerk Vidi Reo Ravenstein – 2023, pag. 30 van 69 Vastgesteld 12 december 2024

Het plangebied ligt op de oeverwal maar maakt ook onderdeel uit van de 16de eeuwse vesting. Het plan is daarbij een erg specifieke verbijzondering van de oeverwal. Hier wordt vooral uitgegaan van de kenmerken van de vesting dan dat er een kenmerkend oeverwal landschap wordt genomen als uitgangspunt. Immers we willen juist het hoornwerk herkenbaar maken als afwijkend onderdeel. Waar wel bij wordt aangesloten is dat de dijk als kenmerkend element met zicht op de uiterwaarden en op de vesting. Ook het aansluiten op de kleinschaligheid, het wandelroutenetwerk en het groene karakter zijn aspecten waarmee de aansluiting wordt gezocht met het oeverwallenlandschap. Met het plan wordt het beeld versterkt van de oorspronkelijke situatie van een vestingstadje aan de Maas als kenmerkend onderdeel van het oeverwallenlandschap. Het plan is uitvoerbaar met betrekking tot het aspect landschap. 5.2

Natuur

5.2.1 Wet natuurbescherming De Wet natuurbescherming beschermt Nederlandse natuurgebieden en planten- en diersoorten. Het is belangrijk voor de natuur dat er veel verschillende planten- en diersoorten zijn. Wanneer het met de natuur goed gaat, is er ook meer ruimte voor economische en andere maatschappelijke activiteiten. Maar sommige soorten zijn kwetsbaar, zoals vleermuizen en mussen. Een goede natuurbescherming is dan ook belangrijk. Rolverdeling tussen provincies en Rijk Sinds 1 januari 2017 bepalen de provincies wat wel en niet mag in de natuur binnen de provincie. De provincies zorgen voor de vergunningen en ontheffingen. De Rijksoverheid blijft verantwoordelijk voor het beleid van grote wateren en internationaal beleid (zoals Natura2000). Ruimtelijke plannen en omgevingsvergunningen die invloed hebben op beschermde natuur moeten passen binnen de Wet natuurbescherming. Daarnaast gelden ook provinciale regelingen voor natuurbescherming. Zie bijlage 16 voor het aanvullend ecologisch onderzoek. 5.2.2

Groen en natuur/biodiversiteit

Routekaart Groen, Blauw en Natuur In deze nota is aangegeven dat we de natuur en de biodiversiteit willen verbeteren door in te zetten op een gemeentelijk natuurnetwerk, aanvullend op het provinciaal netwerk. Het landschap en de ontstaansgeschiedenis van de gemeente Oss vormen daarbij de basis. Daarbij onderscheiden we de vijf gebieden die ook in de Natuur- en Landschapsvisie worden genoemd. Het plangebied is gelegen binnen het deelgebied ‘Maasgebied’. In het Maasgebied is het project Meanderende Maas het belangrijkste project voor het Natuurnetwerk Oss. Hieraan is getoetst in paragraaf 4.3.4. Het plan is daarmee passend binnen de routekaart. Natuurinclusief bouwen De gemeente streeft er naar om bij (ver)bouwen zoveel als mogelijk rekening te houden met de natuur en de biodiversiteit ofwel ‘natuur inclusief’ te bouwen. Dat zal ook bij de realisatie van dit plan verder vorm krijgen. Zowel in het gebouw als in de directe omgeving zullen soortgerichte maatregelen waar mogelijk worden toegepast. Hiervoor zal mede de informatie uit het ecologisch onderzoek (zie bijlage 16) naar soorten worden gebruikt. 5.2.3 Natuurtoets Bij de bescherming van natuurwaarden gaat het enerzijds om soortenbescherming en anderzijds om gebiedsbescherming. Deze bescherming moet er toe leiden dat het voortbestaan van de soort niet in gevaar komt.

De gebiedsbescherming is gericht op de bescherming van kwetsbare natuurgebieden

Hoornwerk Vidi Reo Ravenstein – 2023, pag. 31 van 69 Vastgesteld 12 december 2024

Programma Aanpak Stikstof (PAS) Op 29 mei 2019 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State uitspraak gedaan in enkele beroepszaken tegen Natura 2000-vergunningen die zijn gebaseerd op het Programma Aanpak Stikstof (PAS) 2015-2021 (Kamerstuk 32 670, nr. 146). Het is een stevige uitspraak die per direct forse consequenties heeft voor individuele ondernemers, maar ook voor ambities van gemeenten, provincies en Rijksoverheid op het terrein van onder meer waterveiligheid, infrastructuur, woningbouw en klimaat. De uitspraak komt er op neer dat de PAS ‘gesneuveld’ is als aanpak en systeem voor vergunningverlening van stikstofvergunningen op basis van de Wet natuurbescherming. Hoewel er geen directe relatie lag en ligt tussen een bestemmingsplan en de PAS, is het sneuvelen van de PAS ook voor RO en bestemmingsplannen van belang, met name ook door de aandacht voor stikstof. Tot nu toe werd als ondergrens waaronder je geen Natuurvergunning nodig had (0,05 Mol/ha) ook in de RO vaak gebruikt om aan te tonen dat stikstof geen probleem was voor de voorgenomen planontwikkeling. Gebiedsbescherming Om de gevolgen van gebiedsbescherming te beoordelen is de website atlasleefomgeving.nl geraadpleegd. Uit kaartbeelden blijkt dat het plangebied op circa 10,5 kilometer ten zuiden gelegen is van het dichtstbij gelegen Natura 2000-gebied (Rijntakken).

Om de effecten van het plan met betrekking tot stikstof te beoordelen is een AERIUS-berekening uitgevoerd voor de aanleg- en gebruiksfase. Het rapport is als bijlage 13 bij dit plan gevoegd. Uit de berekening blijkt dat het planvoornemen geen significante gevolgen heeft voor Natura 2000-gebieden. Soortenbescherming Oriënterend ecologisch onderzoek 2023 In het kader van soortenbescherming is een oriënterend ecologisch onderzoek natuurbescherming uitgevoerd door Blom ecologie (d.d. 24 mei 2023, nr. 2023-0511). Dit onderzoek is als bijlage 16a bij deze toelichting gevoegd. De conclusie is dat de beoogde ruimtelijke ingreep niet leidt tot overtreding van verbodsbepalingen omtrent gebiedsbescherming en houtopstanden in het kader van de Wet natuurbescherming. Er moeten enkele algemene maatregelen worden getroffen ten aanzien van de algemene zorgplicht, foeragerende vleermuizen en algemene broedvogels. Voorafgaand aan de werkzaamheden moet met aanvullend onderzoek worden vastgesteld of de planlocatie een relevante functie heeft voor de bever, das, huismus, kleine marterachtigen en vleermuizen. Indien er sprake is van overtreding van verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming kan bevoegd gezag onder voorwaarden een ontheffing verlenen. Sec voor de bever is een vergunningsaanvraag voor een flora en fauna activiteit in het kader van de omgevingswet noodzakelijk.

Nader ecologisch onderzoek 2024 Door Aelmans is een nader onderzoek (d.d. 25 oktober 2024, nr. AMO240025) uitgevoerd als gevolg van de conclusie van bovengenoemd onderzoek dat het voormalige kampeerterrein en het pand van de locatie potentieel geschikte verblijfplaatsen biedt voor gebouw en boom bewonende vleermuizen, de bever en kleine marterachtigen. Dit onderzoek is als bijlage 16b bij deze toelichting gevoegd. Ten aanzien van de onderzochte soorten is het volgende geconstateerd: • Vleermuizen Op de onderzoekslocatie zijn geen verblijfplaatsen van vleermuizen waargenomen. Hierdoor is er voor het rooien van bomen geen sprake van een overtreding van de Omgevingswet en is een vergunningsaanvraag voor een flora en fauna activiteit niet noodzakelijk. Wel is er een essentieel foerageergebied waargenomen ten zuiden van de onderzoekslocatie, namelijk de stadsgracht en aansluitende vijver.

Hoornwerk Vidi Reo Ravenstein – 2023, pag. 32 van 69 Vastgesteld 12 december 2024

De zuidelijke houtwal biedt beschutting tot dit foerageergebied. Indien de zuidelijke houtwal totaal wordt verwijderd is er sprake van een overtreding van de Omgevingswet en is een vergunningsaanvraag voor een flora en fauna activiteit noodzakelijk. Indien deze houtwal enkel gedund wordt en er groen aanwezig blijft (max. 50 % van huidige situatie mag verwijderd worden en er mogen geen grotere gaten dan 7 meter ontstaan) is er geen sprake van een overtreding van de Omgevingswet en is een vergunningsaanvraag voor een flora en fauna activiteit niet noodzakelijk. De noordelijke houtwal (langs de Maasdijk) is een vliegroute en de oostelijke houtwal (tussen het Hoornwerk en de Doolhof) zal een essentiële vliegroute worden als de westelijke houtwal (tussen het Hoornwerk en de Bleek) nagenoeg volledig verwijderd zal worden. Indien de noordelijke houtwal enkel gedund wordt, de bomen met een stamdiameter van > 40 cm behouden blijven en er groen aanwezig blijft (max. 50 % van huidige situatie mag verwijderd worden) is er geen sprake van een overtreding van de Omgevingswet en is een vergunningsaanvraag voor een flora en fauna activiteit niet noodzakelijk. Wanneer dit niet mogelijk is, is een vergunningsaanvraag voor een flora en fauna activiteit wel noodzakelijk en moeten er maatregelen genomen worden zoals bijvoorbeeld de aanleg van vleermuisportalen of hop-overs.

De aanleg van de nieuwe oprit naar de Maasdijk leidt niet tot een overtreding gezien de grote bomen (stam diameter >40 cm) behouden blijven en bij het rooien enkel de bomen aan de zuidzijde van de laan gekapt worden en de bomen aan de noordzijde van de laan behouden blijven. Hierdoor zal er geen groot gat ontstaan tussen de kronen van de bomen waardoor vleermuizen de vliegroute kunnen blijven gebruiken. Zodoende is voor de aanleg van de nieuwe oprit naar de Maasdijk geen vergunningsaanvraag voor een flora en fauna activiteit in het kader van de Omgevingswet noodzakelijk Gezien de aanwezigheid van vliegroutes dient verlichting op het terrein naar beneden en van de houtwallen en de gracht af te worden gericht. Daarbij wordt geadviseerd om gebruik te maken van vleermuisvriendelijke verlichting gedurende en na de werkzaamheden (led verlichting en amberkleurig). Ook verlichting van het nieuwe pand dient vleermuisvriendelijk te worden ingericht en mag niet schijnen op de gracht of de oostelijke en noordelijke houtwal. • Bever Op het terrein is sprake van het leefgebied van de bever. Met name de luwe oever van de gracht wordt gebruikt door de bever als onderdeel van het leefgebied.

Met de werkzaamheden zullen deze plekken worden verstoord Daarbij kunnen door de trillingen vluchtpijpen of burcht instorten Er is daarom sprake van een overtreding van de Omgevingswet en is een vergunningsaanvraag voor een flora en fauna activiteit voor de bever noodzakelijk. Er moeten maatregelen genomen worden zoals bijvoorbeeld het in ruimte en tijd gefaseerd uitvoeren van de werkzaamheden, werken buiten de kwetsbare periode van de soort, het verbeteren van habitat in bestaand leefgebied of het realiseren van nieuw leefgebied in de omgeving van de onderzoekslocatie. • Marterachtigen Op de onderzoekslocatie zijn geen vaste rustplaatsen van marterachtigen waargenomen. Hierdoor is er voor het rooien van de bomen in de noordelijke, westelijke en zuidelijke houtwal geen sprake van een overtreding van de Omgevingswet. De enige marterachtigen die zijn waargenomen ten tijde van het onderzoek was de steenmarter en de bunzing. Gezien deze zeer in-frequent zijn waargenomen (steenmarter 5 keer bunzing 1 keer) is er geen sprake van een essentieel onderdeel van het leefgebied. De herontwikkeling van het Hoornwerk leidt niet tot een overtreding van de Omgevingswet voor kleine marterachtigere. Een vergunningsaanvraag voor een flora en fauna activiteit is voor kleine marterachtigere niet noodzakelijk.

Om de onderzoekslocatie geschikter te maken voor marterachtigen wordt geadviseerd om een mantelvegetatie aan de te planten langs de te behouden houtwallen voor meer beschutting. Daarbij biedt de mantelvegetatie eveneens geschikt leefgebied voor de prooidieren van marterachtigen zoals knaagdieren, haasachtigen en vogels.

Hoornwerk Vidi Reo Ravenstein – 2023, pag. 33 van 69 Vastgesteld 12 december 2024

• Das Tijdens het onderzoek zijn geen dassen of sporen van de das waargenomen. Er is daarom geen sprake van een onderdeel van het leefgebied van de das. Met de herontwikkeling van het hoornwerk is geen sprake van een overtreding van de Omgevingswet voor dassen. Een vergunningsaanvraag voor een flora en fauna activiteit voor de das is niet noodzakelijk. • Overige soorten Op de onderzoekslocatie is twee keer in de nacht een kerkuil waargenomen. Ook is er een enkele keer een egel en vos waargenomen. Daarbij zijn er jonge iepen maar is de beschermde iepenpage of de kleine vos is niet waargenomen. Gezien het enkele waarnemingen zijn en er voor deze soorten geen vaste verblijfrustplaatsen zijn waargenomen is er voor de overige soorten geen sprake van een overtreding van de Omgevingswet. Een vergunningsaanvraag voor een flora en fauna activiteit is voor deze overige soorten niet noodzakelijk. Voor de egel en vogels dient rekening gehouden te worden in de gevoelige periode. Dit houdt in dat de rooiwerkzaamheden buiten het broedseizoen en de wintermaanden (winterslaap egel oktobernovember tot maart-april) uitgevoerd moeten worden. Door mantelvegetatie aan te planten langs de te behouden houtwallen zal er meer beschutting ontstaan voor de egel. Mogelijk kunnen er dichte struiken en bosschages worden aangeplant met bladverliezende soorten zodat de egel hierin kan overwinteren.

Dit kan gecombineerd worden met het aanleggen van takkenrillen en houtstapels van de gerooide houtwallen. Het plan is uitvoerbaar op het vlak van ecologie. 5.3

Archeologie en Cultuurhistorie

5.3.1 Erfgoedwet en overgangsregeling omgevingswet De Erfgoedwet beschermt het cultureel erfgoed in Nederland. In deze wet staan regels om belangrijk cultureel erfgoed beter te beschermen en behouden. In de Erfgoedwet staat wat cultureel erfgoed is, hoe de overheid omgaat met roerend cultureel erfgoed (zoals schilderijen), wie welke verantwoordelijkheden heeft en hoe de overheid daar toezicht op houdt. Het beschermingsregime voor de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten (lees archeologische resten) net als de bescherming van gebouwde rijksmonumenten wordt opgenomen in de Omgevingswet. Vooruitlopend op de ingang van de Omgevingswet is het deel van de Monumentenwet 1988 dat gaat over de fysieke leefomgeving geregeld in het overgangsrecht van de Erfgoedwet. Het gaat om: • vergunningen tot wijziging, sloop of verwijdering van rijksmonumenten. • verordeningen, bestemmingsplannen, vergunningen en ontheffingen op het gebied van archeologie. • bescherming van stads- en dorpsgezichten. Het erfgoed in de ruimtelijke ordening wordt nu nog voor een belangrijk deel geregeld via de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Ruimtelijke plannen die toepassing hebben op cultureel erfgoed moeten passen binnen wettelijke kaders van de Erfgoedwet en ook de regelingen die in andere wetten en regelgeving is opgenomen, zoals de Wabo en het Bro.

5.3.2 Archeologiebeleid In april 2024 is het archeologiebeleid van de gemeente Oss opnieuw door de gemeenteraad vastgesteld (De archeologische schatkamer Oss; Beleidsnota archeologie gemeente Oss 2024). Gelijktijdig met het

Hoornwerk Vidi Reo Ravenstein – 2023, pag. 34 van 69 Vastgesteld 12 december 2024

opstellen van deze nieuwe beleidsnota heeft RAAP de bestaande archeologische kaarten van Oss geactualiseerd (Boshoven, E. en L. Keunen, 2024. Archeologie in de gemeente Oss; Actualisatie archeologische verwachtings- en beleidskaart. RAAP-rapport 5923). Deze kaarten, met uitgebreide toelichting, zijn eveneens vastgesteld en vormen daarmee een deel van het archeologiebeleid van Oss. Binnen de gemeente Oss wordt al 50 jaar professioneel archeologisch onderzoek gedaan. De kaarten van RAAP zijn dan ook zeer gedetailleerd en opgesteld op basis van deze vele archeologische onderzoeken, bodemverstoringsinformatie, bodemkundige en historische informatiebronnen. De verwachtingskaarten geven inzicht in de bekende en verwachte aanwezigheid van archeologische waarden. In de bijbehorende rapportage heeft RAAP de verwachtingen gemotiveerd. Om de verwachtingskaarten ook bruikbaar te maken op beleidsmatig niveau zijn deze kaarten vervolgens vertaald naar een beleidskaart. Kortweg geeft deze kaart aan waar en wanneer er rekening moet worden gehouden met archeologie. In beginsel moeten projecten die kleiner zijn dan 100 m2 worden vrijgesteld van een archeologische onderzoeksplicht (artikel 5.130 lid 4 Bkl). Maar de gemeente kan in een omgevingsplan een grotere of kleinere vrijstellingsgrens vaststellen (artikel 5.130 lid 5 Bkl).

De gemeente Oss heeft er in haar archeologiebeleid voor gekozen om inderdaad andere oppervlaktes te hanteren. In de archeologische beleidsnota De archeologische schatkamer Oss is per categorie vastgelegd en gemotiveerd wanneer sprake is van een onderzoeksplicht en wanneer ontwikkelingen hiervan zijn vrijgesteld. Op basis hiervan zijn er op de archeologische beleidskaart 9 categorieën onderscheiden (zie onderstaande tabel). Vrijstellingsgrens Deelgebied

verstoringsoppervlakte

Vrijstellingsgrens diepte

1

Archeologisch beschermd rijksmonument

Bindend advies door RCE.

2

Archeologisch (AMK) monument en bekende vindplaats

0 m2

Historische stads-/dorpskern

tot 50 m2

(uitzondering: historische kern Ravenstein)

(tot 35 m2)

Historische huisplaats

tot 100 m2

Hoge verwachting (onbebouwd)

tot 250 m2

Hoge verwachting (bebouwd;overig stedelijk, bedrijventerrein)

tot 500 m2

3 4 5* * 6* *

Hoge verwachting, maar beperktere kennismeerwaarde (obv Jansen &

*

Laan, 2022)

tot 1000 m2

* 9

Maaiveld Tot 0,30 m beneden Maaiveld Uitzondering agrarische werkzaamheden tot 0,50 m

Specifieke verwachting (eendenkooien) 8*

beneden

reguliere

Middelhoge verwachting 7*

Tot 0,30 m

beneden maaiveld Lage verwachting Geen verwachting (verstoord en/of volledig onderzocht en/of onvoldoende kennismeerwaarde obv Jansen & Laan, 2022)

tot 5 ha

Geen onderzoeksplicht

Vrijstellingsgrenzen ten aanzien van oppervlaktes en dieptes.

Planspecifiek Volgens de archeologische beleidskaart ligt het plangebied in de historische kern van Ravenstein. Vanuit het archeologiebeleid geldt een archeologische onderzoeksplicht als de bodemingrepen dieper zijn dan 30 cm beneden het huidige maaiveld én de omvang van het gebied groter is dan 35 m². Voorliggend plan

Hoornwerk Vidi Reo Ravenstein – 2023, pag. 35 van 69 Vastgesteld 12 december 2024

overschrijdt de vrijstellingsgrenzen en daardoor is onderzoek nodig. Dat komt in de volgende paragraaf aan bod. 5.3.3 Archeologietoets Bestemmingsplanregels De gemeente Oss vertaalt de wet en het archeologisch beleid ook door in standaard bestemmingsplanregels. Zo heeft de gemeente bestemmingsplanregels (dubbelbestemmingen: dat wil zeggen dat deze naast de hoofdbestemming gelden) voor bescherming van historische kernen, beschermde monumenten, monumenten en voor gebieden met een middelhoge of hoge archeologische verwachtingswaarde. Met deze regels kan, ter bescherming van archeologische waarden, worden bepaald wanneer er een omgevingsvergunning voor bepaalde werkzaamheden nodig is, wanneer dat niet het geval is en onder welke omstandigheden en met welke nadere eisen en voorwaarden een omgevingsvergunning kan worden verleend. Om het archeologisch traject te borgen is aan het bestemmingsplangebied een dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie historische kern’ toegekend. Voor het gebied geldt dat bij bodemverstoringen groter dan 35 m2 en dieper dan 30 cm beneden huidig maaiveld archeologisch onderzoek nodig is. Planspecifiek Voor dit gebied zijn verschillende archeologische onderzoeken door BAAC uitgevoerd.

In eerste instantie betrof het een bureau- en booronderzoek, een archeologische begeleiding bij het onderzoek naar ongesprongen explosieven en een (beperkt) proefsleuvenonderzoek. Deze 3 onderzoeken zijn gezamenlijk gerapporteerd (Lameris, N.H., e.a., 2022. Ravenstein De Bleek: Drie onderzoeken op het ‘bovenste hoornwerk’. BAAC-rapport A-19.0367 / A-20.0045. BAAC, 's-Hertogenbosch). Uit dit onderzoek bleek dat er een hoge verwachting was voor het aantreffen van resten van het hoornwerk. In één boring werd een grachtvulling gevonden, wat mogelijk de gracht van het hoornwerk zou kunnen zijn. Op basis daarvan werd in 2022 overgegaan tot een proefsleuvenonderzoek, waarbij één lange proefsleuf werd aangelegd. Bij het proefsleuvenonderzoek zijn meerdere archeologische sporen aangetroffen en werden vondsten gedaan uit de 17de tot en met de 20ste eeuw. In het noorden van het plangebied is een gracht gevonden. Ten zuiden daarvan zijn puinkuilen, greppels en muurwerk gevonden. De aangetroffen gracht komt qua locatie overeen met een uitstulping van de westelijke gracht van het Hoornwerk, die op de minuutkaart uit 1832 te zien is. Het is onduidelijk of de andere sporen bij het hoornwerk hoorden, of ouder zijn. Samen vormen de sporen een archeologische vindplaats, die als behoudenswaardig wordt gewaardeerd.

BAAC adviseerde om deze vindplaats te behouden in situ, of indien dat niet mogelijk is ex situ door middel van een opgraving. Op basis van de resultaten kan de vindplaats niet begrensd worden. Dit advies geldt dan ook voor het gehele plangebied. Eventueel kan de vindplaats verder begrensd worden met aanvullende proefsleuven. De gemeente Oss neemt het advies van BAAC over. Conform het advies van BAAC is in het gehele plangebied archeologisch vervolgonderzoek in de vorm van een (gefaseerde) opgraving noodzakelijk. Dit betekent niet dat het gehele plangebied integraal moet worden opgegraven. In fases kan bekeken worden in hoeverre de vindplaats zich uitstrekt over het gebied. Eventueel kan de vindplaats eerst nog verder begrensd worden met aanvullende proefsleuven. Het uiteindelijke inrichtingsplan zal richtinggevend zijn bij de noodzaak tot verder onderzoek. De opgraving kan worden beperkt tot het deel van het plangebied dat daadwerkelijk verstoord wordt tot een minimale diepte van 25 cm – Mv In augustus 2024 is er wederom een proefsleuvenonderzoek uitgevoerd (zie bijlage 4; Remoorter, O.J.R. van, 2024. Ravenstein, Gemeenschapshuis. Proefsleuvenonderzoek. BAAC-project A-23.0846. BAAC, 's-Hertogenbosch). Het doel van de proefsleuven was tweeledig:

Hoornwerk Vidi Reo Ravenstein – 2023, pag. 36 van 69 Vastgesteld 12 december 2024

1. meer inzicht krijgen in de opbouw van de aarden wallen van het hoornwerk en de locatie van de keel/overgang binnenterrein hoornwerk naar de gracht 2. meer inzicht krijgen in de vondstsituatie ter plaatse van de geplande nieuwbouw Vidi Reo (waardestelling van de vindplaats), zodat een aanbeveling kan worden gedaan ten aanzien van het vervolgtraject (vrijgave, behoud in situ [ter plekke] of behoud ex situ [opgraving]). Op basis van de veldwaarnemingen is geen volledig betrouwbare reconstructie te maken van de keel van het hoornwerk. In werkput 6 is de richting van de gracht duidelijk aangetoond en met boringen in het verlengde van werkput 4 is ook een tweede punt aangetroffen waar de grachtoever gesneden is. Voor de reconstructie van de keel en de exacte locatie van de knik tussen de korte en de lange keel is dit helaas te weinig data om een reconstructie te kunnen maken. Als de gegevens van de verschillende historische kaarten vergeleken worden, kan dit wel een relatief accuraat beeld van de keel verkregen worden. Wel lijkt het erop dat de situatie van 1811-1832 klopt met de veldwaarnemingen. Vermoedelijk is een deel van de oorspronkelijke keel vergraven bij een her uitgraving van de vestinggracht. Derhalve kan een zekere graag van vrijheid gegeven worden aan de landschapsarchitecten, met in acht name van het veel grotere binnenplein van het hoornwerk.

Ook zijn er sporen van bewoning voorafgaand aan de aanleg van het hoornwerk gevonden. In werkput 3 zijn verschillende greppels, kuilen en een uitbraakspoor aangesneden die vermoedelijk tot eenzelfde hoeve behoorde als de sporen die in de proefsleuf van 2021 zijn gevonden. Op basis van de historische gegevens en de aardewerkvondsten kan deze hoeve in de late 16de-vroege 17de eeuw gedateerd worden. Vermoedelijk is deze hoeve afgebroken voor de aanleg van het hoornwerk. Samen vormen deze sporen twee archeologische vindplaatsen, die behoudenswaardig worden gewaardeerd. Het advies is om deze vindplaats te behouden in situ, of indien dat niet mogelijk is ex situ door middel een opgraving. Indien graafwerk dieper is dan 30cm-MV dient er rekening te worden gehouden met mogelijke archeologie (rekening houdend met een buffer van 20 cm; het archeologisch niveau ligt namelijk op 50 cm –Mv). De gemeente heeft ook dit rapport beoordeeld en is tot het volgende selectiebesluit gekomen (zie bijlage 5: MP24a37). De gemeente Oss neemt het advies van BAAC over. In het plangebied is archeologisch vervolgonderzoek in de vorm van een opgraving noodzakelijk. Alleen de locatie aan de zuidelijke zijde van het plangebied is archeologisch gezien leeg waardoor verder archeologisch onderzoek hier niet nodig is (zie onderstaande figuur).

Het vervolgonderzoek kan worden beperkt tot het deel van het plangebied dat daadwerkelijk verstoord wordt tot een minimale diepte van 30 cm – Mv.

Afbeelding: advieskaart BAAC vrijgave terrein

Hoornwerk Vidi Reo Ravenstein – 2023, pag. 37 van 69 Vastgesteld 12 december 2024

Afbeelding: alle sporen kaart de resultaten van het proefsleuvenonderzoek uit 2022 zijn hier ook aan toegevoegd.

5.3.4

Cultuurhistorie

Wettelijk kader Door een wijziging van het Bro moeten cultuurhistorische waarden voortaan vooraf in het proces van ruimtelijke ordening worden meegenomen, met name bij de voorbereiding en vaststelling van bestemmingsplannen. Het Bro bevat eisen waaraan de voorbereiding van een bestemmingsplan moet voldoen. Zo wordt er onder meer een beschrijving verlangd van de manier waarop met in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. Dat wordt veranderd in: met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten. De regering wil hiermee bereiken dat aandacht voor cultuurhistorische waarden voortaan in het planproces naar voren wordt gehaald. Doordat plannen nu nog pas na afloop van het planproces worden getoetst aan de regelgeving van de monumentenzorg, wordt monumentenzorg dikwijls ervaren als hindernis. Dit is door de regering erkend en daarbij is de ambitie uitgesproken om de positie van cultuurhistorie aan het begin van het ruimtelijk ordeningsproces juridisch te versterken. Door de verankering van cultuurhistorische waarden in de bestemmingsplannen vermindert tegelijkertijd de noodzaak tot het aanwijzen van nieuwe beschermde monumenten, omdat het belang van de cultuurhistorie wordt geborgd via het proces van de ruimtelijke ordening.

In de Wet tot wijziging van de Monumentenwet 1988 en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in verband met modernisering van de monumentenzorg is daarom al de mogelijkheid voor burgers en belangengroepen om een aanvraag in te dienen om een monument aan te wijzen als beschermd monument, geschrapt. Dit instrument werd door belangengroepen nogal eens ingezet om afgifte van bouwvergunningen te frustreren of te vertragen. Met de wijziging van het Bro wordt tevens de adviesrol van Gedeputeerde Staten beperkt. Tot nu toe moet bij alle ingrepen aan een beschermd monument buiten de bebouwde kom advies aan Gedeputeerde Staten worden gevraagd. Met de wijziging van het besluit hoeft dat alleen nog, als het gaat om monumenten die door de minister op grond van de Monumentenwet 1988 zijn aangewezen. Daarnaast voorziet het besluit in een aantal versoepelingen van vergunningsvrij wijzigen of bouwen in, aan of bij beschermde monumenten. Samengevat komen die versoepelingen er op neer, dat voor gewoon onderhoud of voor inpandige veranderingen aan beschermde monumenten geen monumentenvergunning meer nodig is, als de betreffende onderdelen geen monumentale waarde hebben. Bij twijfelgevallen zal men het bevoegd gezag moeten raadplegen.

De bedoeling van het wijzigingsbesluit is om enerzijds cultuurhistorische waarden een duidelijke plaats te geven aan het begin van het planproces en anderzijds onnodige regeldruk, vooral wanneer het gaat om ondergeschikte wijzigingen aan een monument, weg te nemen.

Hoornwerk Vidi Reo Ravenstein – 2023, pag. 38 van 69 Vastgesteld 12 december 2024

Cultuurhistorie: gemeentelijk en provinciaal beleid Het beleid van de gemeente Oss voor wat betreft cultuurhistorie is onder meer neergelegd in het Erfgoedplan Oss 2006 “Op gemengde bodem”. Hierin zijn onder andere opgenomen: historisch bebouwde gebieden, oude verkavelingspatronen, de invloed van de Maas en Rijksmonumenten. Deze nota heeft (nog) geen betrekking op het grondgebied van de voormalige gemeente Lith. Daarnaast heeft de gemeente Oss een Monumentenlijst 2009. Hierin zijn de Rijks- en gemeentelijke monumenten opgenomen. Het provinciale cultuurhistorische beleid is verankerd in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant en op de Cultuurhistorische waardenkaart 2010. Hierin zijn onder andere opgenomen: cultuurhistorische vlakken en complexen van cultuurhistorisch belang. Cultuurhistorie: bestemmingsplanregels en regels in de provinciale Interim omgevingsverordening NoordBrabant Met de onder het kopje ‘archeologie’ genoemde bestemmingsplanregels, is het ook mogelijk om cultuurhistorische waarden in bestemmingsplannen te beschermen. Een en ander voor zo ver het terreinen betreft (inbouwen sloopvergunningstelsel voor bebouwing). Kortheidshalve wordt naar het kopje ‘archeologie: bestemmingsplanregels’ verwezen. De provincie Noord-Brabant heeft in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant bindende regels opgenomen ter bescherming van cultuurhistorische waarden.

Planspecifiek Binnen het plangebied zijn de cultuurhistorische dubbelbestemmingen ‘Waarde – Beschermd stadsgezicht’ en ‘Waarde – Rijksmonumentaal terrein’ van toepassing. Beschermd stadsgezicht De voor ‘Waarde – Beschermd stadsgezicht’ aangewezen gronden zijn op grond van het vigerende bestemmingsplan mede bestemd voor het behoud, het herstel en het versterken van de cultuurhistorische, natuurlijke, (historisch-) stedenbouwkundige en (historisch-)architectonische waarden in het gebied. De aanwezige waarden zijn beschreven in de Historische Biografie van Ravenstein. Bij de aanwijzing als beschermd stadsgezicht werden de stad en de restanten van de vestingwerken als één geheel bestemd. Hoewel de stad en vestingwerken in het beleid als eenheid worden benaderd, moeten de verschillende identiteiten ervan als uitgangspunt genomen worden voor ruimtelijke ingrepen. Voorliggend plan maakt daarbij deel uit van de restanten van de vestingwerken (Bovenste Hoornwerk). De contouren van het hoornwerk zijn nog zichtbaar in het landschap. Andere elementen van de vestingwerken zijn minder goed herkenbaar. Rijksmonumentaal terrein Het zuidelijke gedeelte van het plangebied kent de dubbelbestemming ‘Waarde – Rijksmonumentaal terrein’.

Dit betreft de verdedigingswerken, het gedeelte van het plangebied rond de als rijksmonument beschermde oevers van de gracht ten zuiden van het plangebied en valt onder rijksmonument nummer 32372. Deze gronden zijn mede bestemd voor de instandhouding en bescherming van het rijksmonumentaal terrein. Voor het oprichten van een (bouw)werk of het uitvoeren van werkzaamheden ter plaatse van deze bestemming dient een vergunning ingevolgde de Monumentenwet aangevraagd te worden. Toetsing Met voorliggend plan wordt het Bovenste Hoornwerk als ‘ontbrekende schakel’ van de vestinggordel benut. Door het toevoegen van een publiekelijke functie in het gebied wordt de eenheid van het stadsgezicht versterkt. Het gemeenschapshuis wordt toegevoegd als groene wal in het gebied, waardoor het gebouw geen gebouw is en het hoornwerk blijft een open onbebouwde vlakte. Daarmee blijft de verschillende identiteit van het gebied behouden. Met de komst van het gemeenschapshuis wordt het

Hoornwerk Vidi Reo Ravenstein – 2023, pag. 39 van 69 Vastgesteld 12 december 2024

terrein wederom publiek toegankelijk en kan het terrein op een duurzame wijze in stand worden gehouden. De huidige contouren van het hoornwerk worden als een gevolg van het plan geaccentueerd en versterkt. Het binnenterrein blijft, gelijkaardig met de oorspronkelijke structuur, een open terrein. Gelet op het voorgaande wordt voldaan aan de regels uit het vigerende bestemmingsplan. De Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed heeft naar aanleiding van een eerder ontwerp adviezen ten aanzien van het plan uitgebracht (d.d. 29 november 2022). Deze brief is als bijlage 3 bij dit plan te vinden. Het advies is dat de planvorming in de basis voorstelbaar is en dat, met rekenschap van de gemaakte opmerkingen, het plan verder gebracht kan worden. De adviezen zijn verwerkt in het architectonisch plan, met daarbij een stedenbouwkundige, verkeerskundige en bouwkundige verdieping voor de toekomstige situatie. Het aangepaste plan van december 2023 is eveneens voorgelegd aan de RCE waarop een nieuw en positief pre-advies is gegeven door de RCE (d,d, 2-2-2024 zie bijlage 3) De uitgangspunten zijn beknopt beschreven in hoofdstuk 3 van voorliggend plan. In paragraaf 5.4 wordt de verkeerskundige situatie nader beschreven. In de nota ‘toekomst voor ons erfgoed’ (2021) is het beleid rond erfgoed vastgelegd.

We hebben als gemeente Oss de ambitie om met erfgoed bij te dragen aan een mooie en prettige leefomgeving; het erfgoed ontsluiten voor een breed publiek en we willen de samenwerkingsverbanden rondom erfgoed versterken. Er wordt gewerkt vanuit de onderstaande lijnen • Beschermen • Beheren • Behouden • Beleven en • Betrekken De eerste drie gaan over het behoud van de erfgoedwaarden en hoe hier mee wordt omgegaan als je deze aantast. In de aanpak van het project komt dit terug door zorgvuldig om te gaan met (eventueel aanwezige) archeologische resten die aanwezig zijn in het plangebied. Er hebben afgelopen jaren 2 archeologische onderzoeken plaatsgevonden op het hoornwerk. Zie artikel 5.3.3. archeologische toets. De laatste twee gaan over het zichtbaar maken van erfgoed en het vertellen van het verhaal van deze plek. Hier biedt het project uitstekende aanleidingen voor met een gemeenschapshuis op het hoornwerk van waaruit het verhaal van de vesting zichtbaar gemaakt kan worden. Het betrekken van inwoners is hier ook een lijn die goed aansluit bij de opzet van dit project. Met de verenigingen op het gebied van erfgoed maar ook met andere bezoekers van het gebied ligt hier een potentie voor het nieuwe gemeenschapshuis.

Ten opzichte van de huidige situatie zien we een grote verbetering om dit deel van de vesting weer onderdeel te maken van Ravenstein en daarmee van de belevingswereld van de bewoners en de toeristen. Conclusie Het plan is uitvoerbaar met betrekking tot cultuurhistorie. 5.4

Mobiliteit en parkeren

5.4.1 Mobiliteit De Koersnota Mobiliteit (2023) heeft als doel het versterken van de kwaliteit van de openbare ruimte, het toegankelijk en bereikbaar houden van basisvoorzieningen, het verduurzamen van de mobiliteit, het versterken van het economisch vestigingsklimaat, het vergroten van de verkeersveiligheid en het terugdringen van de hinder. Van belang is de vraag of een ruimtelijke ontwikkeling leidt tot extra

Hoornwerk Vidi Reo Ravenstein – 2023, pag. 40 van 69 Vastgesteld 12 december 2024

verkeersbewegingen, of deze toename van verkeersbewegingen past binnen de normen die voor de verschillende typen wegen gelden en hoe het perceel aansluit op de openbare weg. Planspecifiek Voorliggend plan betreft het realiseren van een gemeenschapshuis op het Bovenste Hoornwerk in Ravenstein. Dit betreft feitelijk een verplaatsing van (de functies) uit het huidige gemeenschapshuis aan de Van Kesselplaats 2 naar onderhavig plangebied. Het huidige gemeenschapshuis is met circa 1.050 m2 kleiner dan het toekomstige gemeenschapshuis. Het beoogde bouwplan is ca. 1.355 m2 groot en planologisch wordt er, omwille van enige uitvoeringsvrijheid, 1.500 m2 mogelijk gemaakt. Uitgaande van 40 verkeersbewegingen per 100 m2 (bron: CROW-publicatie 381) zal de verkeersdrukte met maximaal circa 180 verkeersbewegingen toenemen. In het kleine en soms drukke centrum is dat soms lastig, maar door de betere ontsluiting op deze nieuwe plek aan de rand van Ravenstein en het toevoegen van een op en afrit vanaf de Maasdijk naar de parkeerplaats op de Beneden Bleek zal er minder verkeer door het centrum gaan en treedt per saldo een verbetering op van de verkeersontsluiting. De belangrijkste ontsluitingswegen tot het plangebied zijn de Veersingel en de Maasdijk. Deze wegen kunnen de verwachte verkeerstoename goed verwerken. Het plan is uitvoerbaar voor wat betreft het onderdeel mobiliteit.

5.4.2 Parkeren Van belang is om inzicht te krijgen in de behoefte naar parkeervoorzieningen, van zowel auto als fiets, als gevolg van de ruimtelijke ontwikkeling en op welke wijze deze in het ontwerp worden ingepast. Het aantal (extra) parkeerplaatsen als gevolg van de ruimtelijke ontwikkeling moet worden berekend aan de hand van de Nota Parkeernormen (2023). In deze nota is aangegeven welke parkeernormen gelden voor de verschillende functies en gebieden. Planspecifiek Omdat het plan voorziet in het toevoegen van nieuwe functies aan het plangebied, dient het plan te voorzien in voldoende autoparkeergelegenheid in de toekomstige situatie. Het beoogde bouwplan is ca. 1.355 m2 groot en planologisch wordt er, omwille van enige uitvoeringsvrijheid, 1.500 m2 mogelijk gemaakt. Voor een gemeenschapshuis is geen parkeernorm opgenomen in de Nota Parkeernormen 2023. Voor deze functie wordt daarom de parkeernorm voor een ‘cultureel centrum/wijkgebouw’ uit de Nota Parkeernormen 2017 gehanteerd. Deze bedraagt 3,0 parkeerplaats per 100 m2 bvo. Uitgaande van deze norm bedraagt de parkeereis in totaal 45 autoparkeerplaatsen. Op de Beneden Bleek is voldoende ruimte om deze extra parkeerplaatsen te realiseren. De Beneden Bleek zal opnieuw worden ingericht conform het inrichtingsplan. Ook het aantal fietsparkeerplaatsen als gevolg van de ruimtelijke ontwikkeling moet worden berekend.

Voor een gemeenschapshuis is geen parkeernorm opgenomen in de Nota Parkeernormen 2023. Daarom wordt voor fiets parkeren uitgegaan van een parkeernorm van 3,5 fietsparkeerplaatsen per 100 m2 bvo. Deze norm is afgeleid van een enigszins vergelijkbare voorziening (bibliotheek 2,0 – 5,0 fietsparkeerplaatsen per 100 m2 bvo). Dit betekent dat in totaal 53 fietsparkeerplaatsen aanwezig moeten zijn. Op het aangrenzende terrein van het gemeenschapshuis is voldoende ruimte om deze parkeerplaatsen te realiseren. Het plan is uitvoerbaar voor wat betreft het onderdeel parkeren.

Hoornwerk Vidi Reo Ravenstein – 2023, pag. 41 van 69 Vastgesteld 12 december 2024

5.5

Water

5.5.1 Wetgeving en beleid De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater. Ook verbetert de Waterwet de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) stelt een watertoets verplicht voor ruimtelijke plannen waarin waterbelangen spelen. De watertoets bewaakt de waterkwaliteit en waterkwantiteit. Een watertoets is het hele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en beoordelen. Waterhuishoudkundige aspecten zijn onder meer veiligheid, wateroverlast, waterkwaliteit, verzilting en verdroging. De watertoets heeft betrekking op alle wateren: rijkswateren, regionale wateren, gemeentelijke en particuliere wateren en grondwater. De gemeente Oss heeft in 2013 een integraal plan Watertaken vastgesteld. Het plan bestaat uit twee delen. Het “verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan” (vGRP) regelt de zorg voor inzameling en transport van afvalwater. Ook regelt het vGPR een doelmatige verwerking van afvloeiend hemelwater en overtollig grondwater. Daarnaast biedt het plan Watertaken een kader voor de andere watertaken van de gemeente. De gemeente is verantwoordelijk voor de openbare ruimte. Het gaat vooral om de zorg voor oppervlaktewater in bebouwd gebied. De gemeente is ook verantwoordelijk voor een goede ruimtelijke ordening. Het gaat om voldoende ruimte voor water in ruimtelijke plannen.

De watertoets is opgenomen in het Besluit op de ruimtelijke ordening (Bro). Beleid van gemeente, provincie en rijk is van toepassing bij een watertoets. Toetsing van uw waterparagraaf gebeurt op kwaliteit en kwantiteit. De verwerking van hemelwater, afvalwater en planologische ‘waterbestemmingen’ komen aan bod. Waterbeheerplan Op 19 november 2021 is het nieuwe waterbeheerplan van waterschap Aa en Maas vastgesteld. In dit plan is beschreven welke doelstellingen het waterschap nastreeft in de periode 2022-2027 en hoe zij die doelstellingen wil gaan halen. Het plan geldt van 22 december 2021 tot en met 21 december 2027. Het waterbeheerplan is uitgewerkt in de volgende drie programma’s: 1. Waterveiligheid; Het programma ‘Waterveiligheid’ draait om de bescherming tegen overstromingen vanuit de Maas en het regionale watersysteem. 2. Klimaatbestendig en gezond watersysteem; Het programma ‘Klimaatbestendig en gezond watersysteem’ draait om een goed functionerend watersysteem in normale én in extreem droge en natte situaties: klimaatbestendig, robuust, veerkrachtig en stuurbaar. Daarbij let het waterschap op de hoeveelheid (goede waterpeilen, het vasthouden van water en het omgaan met wateroverlast en droogte); en op de kwaliteit van het water (chemisch en ecologisch). 3. Schoon Water; In het programma ‘Schoon Water’ speelt het zuiveren van afvalwater een centrale rol.

Voor bebouwde gebieden heeft het waterschap specifieke doelen geformuleerd. In bebouwd gebied werkt het waterschap toe naar een klimaatrobuust watersysteem waarin: - schoon water niet naar de zuivering gaat, maar het grondwater voedt; - de waterkwaliteit geen risico’s geeft voor de volksgezondheid en geschikt is voor een goede ontwikkeling van flora en fauna, maar ook voor recreatie en evenementen; - de kans op wateroverlast en problemen door droogte en hittestress acceptabel is; - de betrokkenheid en het waterbewustzijn van inwoners, bedrijven en andere stedelijke partners is toegenomen. Deze programma’s zijn verder uitgewerkt in het WBP naar concrete doelstellingen. Deze doelstellingen vinden onder andere een doorwerking in de beschikbare instrumenten van het waterschap; Keur, legger, communicatie en stimuleringsmiddelen. ‘ Waterschap Aa en Maas is verantwoordelijk voor het waterbeheer in haar beheersgebied. Het gaat om het waterkwantiteits- en waterkwaliteitsbeheer, de waterkeringszorg, waterzuivering, grondwaterbeheer

Hoornwerk Vidi Reo Ravenstein – 2023, pag. 42 van 69 Vastgesteld 12 december 2024

en waterbodembeheer. De regels zijn vastgelegd in de Keur (met Algemene- en Beleidsregels) in de vorm van een aantal gebods- en verbodsbepalingen. Keur De Keur is een waterschapsverordening en omvat samen met de Waterwet alle gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen of activiteiten die consequenties hebben voor de waterkwantiteit, waterkwaliteit en waterveiligheid. De Keur is verder uitgewerkt beleids- en algemene regels. Legger De Keur verwijst in de gebods- en verbodsbepalingen volop naar de legger. De legger legt de status en afmetingen behorende bij de regels van de Keur vast in een overzichtskaart van het waterbeheersgebied. Op deze kaart zijn onder andere dijken, waterlopen en bijbehorende beschermingszones aangegeven. Sinds 1 maart 2015 hanteert waterschap Aa en Maas onderstaande (beleids)uitgangspunten voor het beoordelen van plannen waarbij het verhard oppervlak toeneemt. Deze (beleids)uitgangspunten zijn opgenomen in ‘Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen’. Voor een toename van het verhard oppervlak tussen de 500 m2 en 10.000 m2 kan de vereiste compensatie berekend worden door de toename van het verhard oppervlak (m2) te vermenigvuldigen met een waterschijf van 60 mm.

De uitgangspunten bij het toetsen van ruimtelijke plannen zijn: • Gescheiden houden van vuil (afval)water en schoon hemelwater; • Voorkomen van vervuiling van water; • Schoon hemelwater kan volgens de voorkeursvolgorde worden verwerkt: 1. Hergebruik 2. Infiltratie/bergen 3. Afvoer • Hydrologisch neutraal ontwikkelen (HNO), zodat een ontwikkeling niet leidt tot een hydrologische achteruitgang, zowel in als buiten het plangebied. Ook mogen geen hydrologische knelpunten ontstaan voor huidige en vastgelegde toekomstige landgebruik functies. Dit betekent dat: 1. De afvoer uit het gebied niet groter wordt dan in de referentiesituatie; 2. De grondwateraanvulling in het plangebied gelijk blijft of toeneemt; 3. Grond- en oppervlaktewaterstanden in de omgeving gelijk blijven, of verbeteren voor de huidige en toekomstige landgebruiksfuncties; 4. De (grond)waterstanden in het plangebied aansluiten op de (nieuwe) functie(s) van het plangebied; 5. Het plangebied zo wordt ingericht dat de hydrologische gevolgen van vastgestelde toekomstige ontwikkelingen in de omgeving niet leiden tot knelpunten in het plangebied.

Hoornwerk Vidi Reo Ravenstein – 2023, pag. 43 van 69 Vastgesteld 12 december 2024

Het plangebied is gelegen binnen een primaire waterkeringszone (zie bovenstaande afbeelding). Wanneer nieuwe bebouwing opgericht wordt moet er een vergunning worden aangevraagd bij het waterschap. In voorliggend bestemmingsplan is sprake van het aanleggen van een aansluiting van de dijk naar het plangebied. Voordat de aanlegwerkzaamheden beginnen wordt contact gezocht met het waterschap. 5.5.2 Watertoets Voor onderhavige ontwikkeling is de digitale watertoets uitgevoerd en een waterhuishoudkundig onderzoek (Aelmans d.d. 16-10-2024, no. AMO240231.004/MBS uitgevoerd. Het waterhuishoudkundig onderzoek is opgenomen als bijlage 9 van deze toelichting. Uit de watertoets volgt dat het doorlopen van een normale procedure voldoende is waarbij, op basis van de uitkomsten van deze watertoets, contact is geweest met het waterschap. Er is een A-watergang van toepassing met bijbehorende beschermingszone. Ten zuiden van het plangebied is een A-watergang gesitueerd. Aan beide zijden van deze watergang geldt een beschermingszone met een breedte van 5 meter ten behoeve van het doelmatig beheer en onderhoud. Binnen deze beschermingszone is onze Keur van toepassing. Deze stelt onder andere beperkingen aan het aanbrengen van obstakels, in welke vorm dan ook. In het betreffende plan staan binnen deze beschermingszone, mogelijk een obstakel beoogd.

Het realiseren van obstakels binnen de beschermingszone mag alleen als hiervoor door ons een (water)vergunning is verleend. Een vergunning hiervoor wordt alleen verleend indien het beheer en onderhoud van de watergang niet belemmerd wordt. In de beleidsregel de beleidsregel 3 “werken en objecten in de watergang en beschermingszone” is opgenomen aan welke voorwaarden voldaan moet worden. Om te voorkomen dat hier onduidelijkheid over ontstaat vragen wij u om in de verbeelding de A-watergang op te nemen en in de toelichting op te nemen dat er in de zone van 5 meter restricties gelden vanuit de Keur. Beschermde waterkeringen Uit de watertoets blijkt dat het plangebied zich binnen een waterkering (Maasdijk) bevindt. De bescherming van deze watergang is geborgen door middel van de aanduiding ‘vrijwaringszone – dijk’. Binnen deze gebiedsaanduiding wordt een aansluiting van de dijk naar het plangebied toegevoegd. Materiaal gebruik Het advies naar aanleiding van de watertoets luidt om af te zien van het gebruik van uitlogende bouwmaterialen. Hiermee wordt in het plan rekening gehouden.

Hoornwerk Vidi Reo Ravenstein – 2023, pag. 44 van 69 Vastgesteld 12 december 2024

Hemelwater De gemeente Oss heeft het beleid dat, ongeacht de bestaande situatie, bij voorkeur toekomstige verharding gecompenseerd moet worden. Als eis wordt 25 mm per m2 verharding gehanteerd. Het gemeenschapshuis wordt als groene wal toegevoegd en tevens worden ten aanzien van de verkeersvoorzieningen (half)verhardingen toegevoegd. Uitgegaan wordt daarom van een toename van verharding van 50% * oppervlakte plangebied (ca. 13.150 m2) = ~329 m3. Bij het aanvragen van de vergunning wordt de exacte voorziening uitgewerkt (op basis van verhard oppervlak zoals opgenomen in het bouwplan). Uitgangspunt van het plan is dat hemelwater op eigen terrein wordt geïnfiltreerd en geborgen. Aangenomen wordt dat hiervoor op het terrein ruim voldoende ruimte beschikbaar is. Infiltratievoorzieningen worden niet binnen Beschermingszone A van de waterkering toegevoegd. Afvalwater Het hemelwater wordt gescheiden van het afvalwater. Het afvalwater wordt aangesloten op het bestaande rioleringsnetwerk. Hiervoor is voldoende capaciteit beschikbaar. Een aansluitvergunning wordt bij het bevoegd gezag aangevraagd. Gelet op voorliggende waterparagraaf behoeft als gevolg van het realiseren van onderhavig bouwplan geen problemen te worden verwacht met betrekking tot het aspect waterhuishouding.

Het waterhuishoudkundig onderzoek stelt dat de doorlatendheid van de bodem een van de bepalende factoren is voor het dimensioneren en het (blijven) functioneren van infiltratie- en drainagesystemen. Daarnaast speelt de doorlatendheid een belangrijke rol bij grondwateroverlast. Inzicht in doorlatendheid is dus van groot belang bij de planvoorbereiding voor hemelwaterinfiltratie of grondwaterdrainage. Voor de hemelwatervoorzieningen wordt rekening gehouden met de toe te voegen bebouwing en verharding, waarbij wordt gestreefd het hemelwater op een natuurlijke en landschappelijke wijze binnen het eigen plangebied te bergen en te laten infiltreren in de bodem. Concreet gezien wordt er op de locatie 2.560 m2 aan verharding toegevoegd, en dient er op basis van beleidstukken 154 m3 aan hemelwater te worden geborgen. Door middel van het inrichten van een waterberging met een oppervlakte van 1.890 m2, waarop de verhardingen op afwateren, wordt hieraan voldaan. 5.6 Defensie Uit oogpunt van defensie kunnen er beperkingen gesteld worden aan ruimtelijke ontwikkelingen in een gebied. Belangrijke aandachtspunten met betrekking tot het defensiebelang zijn: • Radarverstoringsgebieden; • Obstakelbeheergebieden; • Laagvliegroutes voor jachtvliegtuigen; • Geluidszones voor militaire luchtvaartterreinen.

Planspecifiek Het plangebied ligt niet in een gebied waar één of meerdere van voorgaande aandachtspunten van belang zijn. Een nadere toetsing van het initiatief vanuit het aspect defensie is niet aan de orde. Het plan is uitvoerbaar met betrekking tot het aspect defensie. 5.7 Milieuaspecten In deze paragraaf wordt ingegaan op de milieu- en omgevingsaspecten die verband houden met, of betrekking hebben op de ruimtelijke ontwikkeling. Het gaat daarbij meestal om de wisselwerking met de omgeving. Welke gevolgen heeft het initiatief voor de omgeving en omwonenden? Maar ook, welke gevolgen hebben activiteiten in de omgeving voor de mogelijkheden op de projectlocatie? Achtereenvolgens komen de volgende aspecten aan bod:

Hoornwerk Vidi Reo Ravenstein – 2023, pag. 45 van 69 Vastgesteld 12 december 2024

• • • • • • • • • •

Bedrijven en milieuzonering Bodem Externe veiligheid Geurhinder: agrarisch Geur: industrieel Luchtkwaliteit Straling Weg-, spoor-, en industrielawaai Gezondheid Spuitzones

5.7.1 Bedrijven en milieuzonering Een goede ruimtelijke ordening voorkomt hinder en gevaar. Dit kan door voldoende afstand te houden tussen milieubelastende activiteiten van bedrijven en gevoelige functies, zoals woningen. Het doel van milieuzonering is om de kwaliteit van het woon- en leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Daarnaast kan milieuzonering bedrijven voldoende zekerheid bieden om hun activiteiten duurzaam uitvoeren. De handreiking Bedrijven en milieuzonering van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) geeft richtafstanden om de milieuzonering van bedrijven te kunnen bepalen. Planspecifiek Het plan voorziet in het mogelijk maken van een gemeenschapshuis. In het gemeenschapshuis bevinden zich verenigingen, een jeugd- en ouderensoos, maatschappelijke instanties en een zaal met podium, dat voor verschillende culturele en maatschappelijke activiteiten gebruikt kan worden. Tevens wordt naast het gemeenschapshuis een terras mogelijk gemaakt. Dit betreft functies die in het kader van milieuzonering getoetst kunnen worden aan de richtafstanden van de VNG. In de omgeving van het plangebied bevinden zich reeds horecagelegenheden, een jachthaven en woningen. Daarmee is sprake van een gemengd gebied. De richtafstanden van de VNG kunnen daarom met 1 afstandsstap verkleind worden.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Oss&id=f608f2f5-ad61-4e48-85ba-b6518f0ed88c