CConstaterende datOss
Koppel je AI →
Document · PDF

3. Bijlagenboek Macharen-west - 2024

Gemeenteraad 17 oktober 2024, gemeente OssBij agendapunt: A Vaststellen bestemmingsplan 'Macharen-west - 2024'19.147 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Wanneer na een aantal jaren de waardplanten in een terrein verdwijnen, omdat deze worden vervangen door grassen en andere kruiden (successie), zal ook de teunisbloempijlstaart verdwijnen. Het onverharde deel van de planlocatie is volledig bedekt met grassen en ruigtekruiden. Dit is een verder gevorderd successiestadium. Tijdens het veldbezoek (tijdens het groeiseizoen van de waardplanten van de teunisbloempijlstaart) zijn er geen waardplanten aangetroffen. Er is derhalve geen sprake van geschikt voortplantingshabitat van de teunisbloempijlstaart. Het ontstaan van negatieve effecten is uitgesloten. Op de planlocatie zijn gedurende het veldbezoek geen (sporen en/of delen van) beschermde vlinders, libellen of andere ongewervelden aangetroffen. Op de planlocatie zijn geen plantensoorten aangetroffen die specifiek voor een beschermde ongewervelde een waardplant vormen. Ook is er geen sprake van oud hout, zure vennetjes of andere specifieke omstandigheden die duiden op de mogelijke aanwezigheid van beschermde insecten of andere ongewervelden. Er is ten aanzien van insecten en andere ongewervelden geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen in het kader van de Wet natuurbescherming. Vogels Op de planlocatie en de directe omgeving hiervan zijn tijdens het veldbezoek de volgende soorten waargenomen: gierzwaluw, ooievaar, roodborst, sperwer en tjiftjaf.

Binnen een straal van 100 meter van de planlocatie is vastgestelde aanwezigheid van nestlocaties van jaarrond beschermde vogels niet bekend (NDFF 2013-2023).

16

Vogels - Jaarrond beschermde nestlocaties (cat. 1 t/m 4) Huismussen zijn sterk geassocieerd met mensen. De nestplaats is in de regel gebonden aan bebouwing. Voor zijn voedsel is de huismus sterk afhankelijk van wat de mens hem al dan niet bewust biedt. Deze voedselbron moet continu aanwezig zijn. De huismus heeft een sterke binding met mensen en komt tot broeden in of tegen gebouwen in dorpen en steden, in en bij boerderijen, maneges, kinderboerderijen en andere vormen van bebouwing in het landelijk gebied. Op plekken waar menselijke bebouwing wordt afgewisseld met groenvoorzieningen zijn meer huismussen dan op plekken waar geen groen aanwezig is (BIJ12 kennisdocument Huismus, 2023). Zowel het tennisclubgebouw en het gemeenschapshuis zijn opgebouwd met een plat dak en bevatten geen ruimten die geschikt zijn als nestlocatie voor de huismus. De aanwezigheid van huismusnesten kan in het tennisclubgebouw en gemeenschapshuis uitgesloten worden. Het te slopen voetbalclubgebouw is opgetrokken uit gemetselde muren met spouw en pannen zadeldak. Aan de dakvoet is er voldoende ruimte onder de dakpannen aanwezig voor nestlocatie van de huismus (figuur 3.2). Derhalve is er mogelijk sprake van het aantasten van nestlocaties van de huismus. Rond de te slopen bebouwing zijn diverse groenstructuren aanwezig welke komen te vervallen.

Om de aan- of afwezigheid van nestlocaties en functioneel leefgebied van de huismus vast te stellen, dient derhalve een aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden (zie H5.3).

Figuur 3.2 Impressie van potentiële invliegopeningen voor huismussen in het voetbalclubgebouw. De gierzwaluw heeft als oorspronkelijk rotsbewoner de rotsen ingeruild voor bebouwing. De soort broedt daardoor hoofdzakelijk in stedelijk gebied in donkere holtes van ventilatieschachten, spleten in muren en onder (pannen)daken (BIJ12 kennisdocument Gierzwaluw, 2017). Doordat de soort niet direct vanuit zijn nest kan opstijgen, moet hij zich naar beneden kunnen laten vallen. Het nest dient hierdoor een vrije aanvliegroute van minimaal 1 meter breed, en minimaal 3 meter onder de nestopening te bevatten. Hierbij dienen zo min mogelijk belemmerende elementen, zoals bomen, aanwezig te zijn. Voedselvluchten kunnen op vele kilometers (tot wel 1000 km) van het nest plaatsvinden, waardoor het foerageergebied niet nader te definiëren is. Het tennisclubgebouw en het gemeenschapshuis zijn opgebouwd met een plat dak en bevatten geen ruimten die geschikt zijn als nestlocatie voor de gierzwaluw. Het voetbalclubgebouw is opgetrokken uit gemetselde muren met spouw en pannen zadeldak. De kantpannen en dakgoot sluiten nauw aan waardoor er geen openingen zijn voor de gierzwaluw om gebruik van de maken. Daarbij zijn aan beide zijdes van de kopgevel meerdere bomen en hekken gesitueerd wat een vrije aanvliegroute voorkomt.

Gezien het bovenstaande kan de aanwezigheid van gierzwaluwnesten op de planlocatie uitgesloten worden. De bebouwing is niet toegankelijk voor uilen met jaarrond beschermde nesten (kerkuil en steenuil) aangetroffen. Er zijn geen grote nesten of horsten aangetroffen in de bomen op en rondom de planlocatie. De aanwezigheid van in bebouwing en bomen broedende soorten als buizerd, kerkuil, steenuil, sperwer en ransuil kan uitgesloten worden. 17

De planlocatie kan potentieel als foerageergebied dienen voor uilen en roofvogelsoorten, gezien de grote hoeveelheid aan alternatief foerageergebied in de nabije weilanden en uiterwaarden, is er echter geen sprake van leefgebied essentieel in het functioneren van nesten en vaste rustplaatsen. Vogels - Algemene broedvogels en cat. 5 De planlocatie voorziet in beperkt voedselaanbod en structuurrijke schuilgelegenheden voor algemene soorten. De struiken, bomen en bebouwing vormen voor algemene broedvogels zoals merel, duiven en kleine zangvogels geschikte nestlocaties. Gedurende het broedseizoen zijn de nesten en de functionele leefomgeving van voornoemde soorten beschermd. Het broedseizoen vangt aan onder bepaalde klimatologische omstandigheden en betreft indicatief de periode 15 maart t/m 15 juli. Ten aanzien van algemene broedvogels en categorie 5 soorten kunnen de kap- en sloopwerkzaamheden worden opgestart buiten het broedseizoen en/of na het ongeschikt maken van de planlocatie. Indien de beoogde werkzaamheden in het broedseizoen worden opgestart dient de locatie voorafgaand aan de werkzaamheden geïnspecteerd te worden door een ter zake deskundige.

18

3.2 Gebiedsbescherming Natura 2000 De planlocatie maakt geen deel uit van een Natura 2000-gebied. Op een afstand van circa 9,5 km ligt het Natura 2000-gebied ‘Rijntakken’ (figuur 3.1).

Figuur 3.2 De planlocatie ligt op een afstand van circa 9,5 km tot het Natura 2000-gebied ‘Rijntakken’ (bron: nationaal Georegister PDOK). De beoogde ruimtelijke ingreep betreft de realisatie van woningbouw. Ondanks dat deze buiten een Natura 2000-gebied uitgevoerd wordt, kunnen er nog steeds effecten optreden. Voor een aantal effecten (trillingen, geluid, optische verstoring etc.) geldt dat de afstand tot de omliggende Natura 2000-gebieden per definitie te groot is om te resulteren in negatieve effecten. Een toename in stikstofdepositie kan een negatief effect sorteren op stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden. Ten opzichte van de huidige situatie leidt de beoogde ruimtelijke ingreep in de gebruiksfase tot een beperkte toename in het aantal verkeersbewegingen. De nieuwbouw zal zonder gasaansluiting in de gebruiksfase geen stikstofuitstoot hebben. Gedurende de aanlegfase kan er een beperkte en tijdelijke stikstofemissie verwacht worden ten gevolge van het gebruik van mobiele werktuigen en bijbehorende verkeersbewegingen. Per 2 november 2022 geldt dat de algemene bouwvrijstelling onbruikbaar is en dat activiteiten van de bouwsector onderdeel moeten zijn van de beoordeling.

Gezien er sprake is van een grote afstand (9,5 km) tussen het plangebied en het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied wordt op voorhand uitgesloten dat er sprake is van een verhoging van de stikstofdepositie in stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden binnen Natura 2000-gebieden. Een stikstofonderzoek middels de AERIUS Calculator kan derhalve achterwege blijven. Provinciaal aangewezen gebieden De planlocatie maakt geen deel uit van een beschermd gebied betreffende het Natuurnetwerk Brabant of de Groenblauwe mantel. Op een afstand van circa 100 m ligt het Natuurnetwerk Brabant (figuur 3.2). Op een afstand van circa 480 m ligt de Groenblauwe mantel (figuur 3.3). Ten aanzien van het Natuurnetwerk Brabant geldt dat externe werking (o.a. geluid, licht of trillingen) een toetsingskader biedt.

19

Ten aanzien van het Natuurnetwerk Brabant geldt dat externe werking een toetsingskader biedt. De ontwikkeling resulteert niet in aantasting van de ecologische waarden en kenmerken van het Natuurnetwerk Brabant, waaronder natuurdoelen en -kwaliteit, geomorfologische processen, waterhuishouding, kwaliteit van bodem, water en lucht, rust, mate van stilte, donkerte, openheid, landschapsstructuur en belevingswaarde. De planlocatie is in een polder gelegen waarbij er enkele woningen, bomen en een dijk tussen de planlocatie en het Natuurnetwerk Brabant gesitueerd zijn. Door de aanwezigheid van deze woningen, bomen en dijk zullen de effecten geluid, licht en trillingen van de beoogde realisatie op het Natuurnetwerk Brabant geminimaliseerd zijn. Daarnaast is de waterhuishouding en bodemkwaliteit in de polder zeer verschillend dan die buiten de polderdijk waardoor de beoogde realisatie geen invloed zal hebben op de waterhuishouding en bodemkwaliteit in het Natuurnetwerk Brabant. Ten slotte is er al sprake van menselijke verstoring rond het Natuurnetwerk Brabant, de beoogde realisatie zal slechts een minimale invloed hebben op deze verstoring. Samengevat is er geen sprake van aantasting van de ecologische waarden en kenmerken van het Natuurnetwerk Brabant.

Figuur 3.2 De planlocatie ligt op een afstand van circa 100 m tot het Natuurnetwerk Brabant (bron: https://noord-brabant.tercera-ro.nl)

20

Figuur 3.3 De planlocatie ligt op een afstand van circa 480 m tot de Groenblauwe mantel (bron: https://noord-brabant.tercera-ro.nl)

3.3 Houtopstanden Wet natuurbescherming In de beoogde ingreep zijn geen kapwerkzaamheden voorzien aan (i) zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, met een oppervlakte van 1000 m2 of meer of (ii) een rijbeplanting met meer dan 20 bomen. Een meldingsplicht in het kader van Wnb is niet noodzakelijk. Algemene Plaatselijke Verordening Naast het landelijk en provinciaal beleid waar deze beoordeling op wordt getoetst hebben gemeenten echter vaak een eigen beleid omtrent het kappen dan wel vellen van bomen en struiken. Dit is vaak opgenomen in een Algemene Plaatselijke Verordening (APV). Gemeentelijke Verordeningen mogen niet strijdig zijn met landelijk/provinciaal beleid. Het is derhalve aanbevelingswaardig om in de voorbereidende fase de bepalingen in de APV af te stemmen met de gemeente om conflicterende situaties in een later stadium te voorkomen.

21

4 Samenvatting 4.1

Soortenbescherming Er dient aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden naar de volgende soorten of soortgroepen: das, marterachtigen (bunzing, steenmarter en wezel), vleermuizen en huismus. De planlocatie is mogelijk geschikt leefgebied voor soorten welke niet beschermd zijn (behoudens de algemene zorgplicht) en/of waarvoor een vrijstelling geldt. Voor broedvogels geldt dat de nesten van alle soorten beschermd zijn tijdens het broedseizoen (indicatief 15 maart – 15 juli). Tabel 4.1

Overzicht van de Soortenbescherming.

Soortgroep

Bescherming Wnb

Soortspecifiek onderzoek

Mogelijke functie planlocatie

Planten Grondgebonden zoogdieren Das Bunzing Steenmarter Wezel

art. 3.10 art. 3.10 art. 3.10 art. 3.10

Ja Ja Ja Ja

Vleermuizen

art. 3.5

Ja

Verblijfplaats in gebouwen, essentiële vliegroute & essentieel foerageergebied

art. 3.1

Ja

Nestlocatie/foerageergebied

Verblijfplaats & essentieel leefgebied

Amfibieën Reptielen Vissen Insecten en andere ongewervelden Vogels (cat. 1 t/m 4) Huismus Vogels (Algemeen en cat. 5)

4.2 Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied of provinciaal aangewezen beschermde gebieden. Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie is van externe werking op omliggende Natura 2000-gebieden geen sprake. Een stikstofberekening en Voortoets en/of ‘nee, tenzij’-toets zijn niet noodzakelijk. Tabel 4.2

Overzicht van beschermde gebieden in het kader van gebiedsbescherming.

Gebiedsbescherming

Afstand

Mogelijke effecten

Nader onderzoek

Natura 2000 Natuurnetwerk Brabant Groenblauwe mantel

9,5 km 100 m 480 m

Geen Geen Geen

N.v.t. N.v.t. N.v.t.

4.3 Houtopstanden Op de planlocatie zijn geen houtopstanden aanwezig waarvoor bij kap een meldingsplicht geldt in het kader van de Wet natuurbescherming.

22

5 Conclusie 5.1

Conclusie De beoogde ruimtelijke ingreep aan de Hoogstraat 5 e.o. te Macharen is uitvoerbaar zoals bepaald in de Wro (art. 3.1.6 Bro).

5.2 Uitvoerbaarheid De beoogde ruimtelijke ingreep leidt niet tot overtreding van verbodsbepalingen omtrent gebiedsbescherming en houtopstanden in het kader van de Wet natuurbescherming. Er dienen enkele algemene maatregelen worden getroffen ten aanzien van de algemene zorgplicht, foeragerende vleermuizen en algemene broedvogels. Voorafgaand aan de werkzaamheden dient met aanvullend onderzoek te worden vastgesteld of de te slopen bebouwing en te saneren omgeving een relevante functie heeft voor das, kleine marterachtigen (bunzing, steenmarter en wezel), vleermuizen en huismus (soortenbescherming). Indien er sprake is van overtreding van verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming kan bevoegd gezag onder voorwaarden een ontheffing verlenen. De voorwaarden betreffen: er is geen andere bevredigende oplossing, er is sprake van een wettelijk belang (das: er is sprake van een reden van sociale of economische aard, marterachtigen: in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, vleermuizen: er is sprake van een reden van sociale of economische aard, huismus: er zijn belangen vanuit volksgezondheid en/of openbare veiligheid - aan te voeren) en er wordt geen afbreuk gedaan aan de gunstige staat van instandhouding van de soort (een robuust en ruim maatregelenpakket van tijdelijke en permanente voorzieningen wordt hiertoe voorgesteld en uitgevoerd).

Wegens het voorgaande onderzoek is er geen reden om aan te nemen dat eventueel benodigde ontheffingen, mits de juiste maatregelen worden getroffen, er sprake is van een gedegen alternatievenafweging en een wettelijk belang kan worden aangevoerd, niet verkregen zouden kunnen worden.

5.3 Vervolgstappen • Voor de beoogde ruimtelijke ingreep dient aanvullend onderzoek naar huismus uitgevoerd te worden. Een aanvullend onderzoek naar huismus wordt uitgevoerd middels twee gerichte veldbezoeken in de periode 1 april t/m 15 mei, conform het Kennisdocument Huismus (BIJ12, 2023). • Voor de beoogde ruimtelijke ingreep dient aanvullend onderzoek naar vleermuizen uitgevoerd te worden. Een aanvullend onderzoek naar vleermuizen wordt uitgevoerd middels minimaal vijf gerichte veldbezoeken in de periode 15 april t/m 30 september, conform het meest actuele Vleermuisprotocol (NGB). Hiervan dienen drie rondes in het voorjaar en twee rondes in het najaar plaats te vinden. De potentie van de planlocatie voor verschillende typen verblijfplaatsen en vleermuissoorten wordt in tabel 3.1 en 3.2 uiteengezet. • Voor de beoogde ruimtelijke ingreep dient aanvullend onderzoek naar de bunzing, das, steenmarter en wezel uitgevoerd te worden tussen mei – augustus. Dit kan door middel van het plaatsen van strategisch geplaatste cameravallen en marterboxen om zo de functie van het plangebied te achterhalen. De exacte onderzoeksinspanning betreft maatwerk.

23

5.4 Te treffen maatregelen • Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (algemene zorgplicht). • Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige. • Eventueel aanwezige vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken) voorafgaand aan de werkzaamheden gefaseerd verwijderen. Dit om grondgebonden dieren de kans te bieden zelfstandig de planlocatie te verlaten. • Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden. • De planlocatie tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur niet verlichten en in de periode april-oktober de werkzaamheden tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes). Mocht verlichting noodzakelijk zijn hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toepassen (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel). • Mogelijke overwinteringslocaties van algemene amfibieën (vorstvrije structuren als stenenstapels, houtwallen, dichte struwelen etc.) dienen verwijderd of ongeschikt gemaakt te worden buiten de overwinteringsperiode oktober – april.

• De beoogde dempwerkzaamheden leiden niet tot aantasting van functioneel leefgebied van beschermde vissoorten. Tijdens de werkzaamheden dient rekening gehouden te worden met de Algemene zorgplicht. De dempwerkzaamheden dienen in één werkrichting worden uitgevoerd om aanwezige vissen voldoende uitwijkmogelijkheden te bieden. • De kap- en sloopwerkzaamheden opstarten of uitvoeren buiten het broedseizoen van vogels (indicatief medio maart t/m medio juli). Als dit niet mogelijk is dienen de potentiële nestlocaties van algemene broedvogels ruim voorafgaand aan het broedseizoen ongeschikt of ontoegankelijk gemaakt te worden. E.e.a. op aanwijzing van deskundige. Als werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd die mogelijk resulteren in het wegnemen of verstoren van broedgevallen dient voor aanvang door een ter zake deskundig gecontroleerd te worden of er broedvogels aanwezig zijn.

24

Bronvermelding Geraadpleegde documenten (BIJ12, 2017) Kennisdocument Bever (Castor fiber) Kennisdocument Das (Meles meles) Kennisdocument Gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus) Kennisdocument Gierzwaluw (Apus apus) Kennisdocument Grote modderkruiper (Misgurnus fossilis) (2021) Kennisdocument Huismus (Passer domesticus) (2023) Kennisdocument Ruige dwergvleermuis (Pipistrellus nathusii) Geraadpleegde websites www.arcgis.com www.bij12.nl www.ndff.nl www.noord-brabant.maps.arcgis.com www.ravon.nl www.ruimtelijkeplannen.nl www.verspreidingsatlas.nl www.vleermuisprotocol.nl www.vlinderstichting.nl www.wilde-planten.nl www.zoogdiervereniging.nl

Bijlage 1 Bijlage 2

Fotografische impressie Vervolgstappen Wet natuurbescherming soortenbescherming

25

Bijlage 1

Fotografische impressie

Figuur 1

De planlocatie is gelegen aan de Hoogstraat 5 e.o. te Macharen en bestaat uit een verlaten voetbalvereniging, tennisvereniging en gemeenschapshuis.

Figuur 2

Impressie van het tennisclubgebouw.

26

Figuur 3

Impressie van het voetbalclubgebouw.

Figuur 4

Impressie van het verruigde voetbalveld op de planlocatie.

27

Figuur 5

Impressie van de waterhoudende kavelsloten welke aanwezig zijn op de planlocatie.

Figuur 6

Impressie van de groenstruwelen aanwezig op de planlocatie.

28

Bijlage 2 Vervolgstappen Wnb Als uit het oriënterend onderzoek is gebleken dat effecten op beschermde soorten naar aanleiding van de beoogde ingreep niet uitgesloten zijn, dient een vervolgonderzoek te worden uitgevoerd. Uit dit vervolgonderzoek blijkt of desbetreffende soort aanwezig is en welke functie de planlocatie al dan niet heeft voor de soort. Met onderstaand stappenplan, overgenomen uit ‘Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen’ van het Ministerie van Economische Zaken, wordt inzichtelijk gemaakt welke consequenties dit heeft voor het project.

29

Vogelrichtlijnsoort In het kader van de Vogelrichtlijn zijn een aantal belangen waarvoor een ontheffing kan worden aangevraagd. De beoogde ruimtelijke ingreep dient een dergelijk belang te dienen (Schema 4b ja/nee). De voorwaarden zijn onderstaand weergeven (conform Wet natuurbescherming art. 3.3, lid 4). Een ontheffing of een vrijstelling wordt uitsluitend verleend, indien is voldaan aan elk van de volgende voorwaarden: a) er bestaat geen andere bevredigende oplossing; b) zij is nodig: 1. in het belang van de volksgezondheid of de openbare veiligheid; 2. in het belang van de veiligheid van het luchtverkeer; 3. ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij of wateren; 4. ter bescherming van flora of fauna; 5. voor onderzoek of onderwijs, het uitzetten of herinvoeren van soorten, of voor de daarmee samenhangende teelt, of 6. om het vangen, het onder zich hebben of elke andere wijze van verstandig gebruik van bepaalde vogels in kleine hoeveelheden selectief en onder strikt gecontroleerde omstandigheden toe te staan; c) de maatregelen leiden niet tot verslechtering van de staat van instandhouding van de desbetreffende soort. Habitatrichtlijnsoort In het kader van de Habitatrichtlijn zijn een aantal belangen waarvoor een ontheffing kan worden aangevraagd. De beoogde ruimtelijke ingreep dient een dergelijk belang te dienen (Schema 4b ja/nee).

De voorwaarden zijn onderstaand weergeven (conform Wet natuurbescherming art. 3.8, lid 5). Een ontheffing of een vrijstelling wordt uitsluitend verleend, indien is voldaan aan elk van de volgende voorwaarden: a) er bestaat geen andere bevredigende oplossing; b) zij is nodig: 1. in het belang van de bescherming van de wilde flora of fauna, of in het belang van de instandhouding van de natuurlijke habitats; 2. ter voorkoming van ernstige schade aan met name de gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden, wateren of andere vormen van eigendom; 3. in het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten; 4. voor onderzoek en onderwijs, repopulatie of herintroductie van deze soorten, of voor de daartoe benodigde kweek, met inbegrip van de kunstmatige vermeerdering van planten, of 5.

om het onder strikt gecontroleerde omstandigheden mogelijk te maken op selectieve wijze en binnen bepaalde grenzen een beperkt, bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde dieren van de aangewezen soort te vangen of onder zich te hebben, onderscheidenlijk een beperkt bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde planten van de aangewezen soort te plukken of onder zich te hebben; c) er wordt geen afbreuk gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan.

30

Andere soort Ten aanzien van Andere soorten zijn een aantal belangen waarvoor een ontheffing kan worden aangevraagd. De beoogde ruimtelijke ingreep dient een dergelijk belang te dienen (Schema 4b ja/nee). De belangen zijn onderstaand weergeven en zijn aanvullend op de belangen die voor Habitatrichtlijnsoorten kunnen worden aangevoerd (conform Wet natuurbescherming art. 3.10, lid 2). 1. in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het

daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied; 2. ter voorkoming van schade of overlast, met inbegrip van schade aan sportvelden, schietterreinen,

industrieterreinen, kazernes, of begraafplaatsen; 3. ter beperking van de omvang van de populatie van dieren, in verband met door deze dieren ter

plaatse en in het omringende gebied veelvuldig veroorzaakte schade of in verband met de maximale draagkracht van het gebied waarin de dieren zich bevinden; 4. ter voorkoming of bestrijding van onnodig lijden van zieke of gebrekkige dieren; 5. in het kader van bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw; 6. in het kader van bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer; 7. in het kader van bestendig beheer of onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied, of 8. in het algemeen belang.

31

Koeweistraat 2 4181 CD Waardenburg 0418 820 288

blomecologie.nl 32

Bijlage 3

- Verkennend archeologisch onderzoek

Gemeente Oss Plangebied Hoogstraat te Macharen

Auteur: E.M. de Boo van Uijen

Archeologisch bureauonderzoek en Inventariserend veldonderzoek (verkennende fase) BAAC-rapport V-23.0316

1

oktober 2023

V-23.0316 - Macharen te Macharen

Versie: 1.2

Archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek

2

Colofon ISSN: Auteur: Veldmedewerker: Cartografie: Inhoudelijke controle: Redactie:

1873-9350 E.M. de Boo van Uijen E.M. de Boo van Uijen E.M. de Boo van Uijen E.M. de Boo van Uijen J.F. van der Weerden

© BAAC, ’s-Hertogenbosch (2023) BAAC aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit de toepassing van de adviezen of het gebruik van de resultaten van dit onderzoek.

BAAC Onderzoeks- en adviesbureau voor Bouwhistorie, Archeologie, Architectuur- en Cultuurhistorie Graaf van Solmsweg 103 5222 BS ‘s-Hertogenbosch Tel.: (073) 61 36 219 E-mail: denbosch@baac.nl

3

Postbus 2015 7420 AA Deventer

V-23.0316 - Macharen te Macharen

Inhoud Samenvatting

5

1 Inleiding 1.1 Onderzoekskader 1.1.1 Aanleiding 1.1.2 Beleidskader 1.1.3 Kwaliteitsborging 1.2 Doel- en vraagstelling 1.3 Situering van het plan- en onderzoeksgebied 1.4 Administratieve gegevens

7 7 7 7 7 7 8 11

2 Bureauonderzoek 2.1 Werkwijze 2.2 Landschap 2.2.1 Algemene ontwikkeling 2.2.2 Gebiedsspecifiek 2.3 Bewoningsgeschiedenis 2.3.1 Inleiding 2.3.2 Historie 2.4 Archeologische gegevens 2.4.1 Gemeentelijke verwachtingskaart 2.4.2 Bekende vondsten en eerder onderzoek 2.5 Archeologische verwachting

13 13 13 13 14 17 17 18 21 21 22 25

3 Inventariserend veldonderzoek 3.1 Werkwijze 3.2 Veldwaarnemingen 3.3 Verkennend booronderzoek 3.3.1 Lithologie en bodemopbouw 3.3.2 Archeologische indicatoren 3.4 Archeologische interpretatie

27 27 28 29 29 29 30

4 Conclusie en aanbevelingen

31

5 Geraadpleegde bronnen

34

Bijlagen

36

Bijlage 1 Bijlage 2

Geologische en archeologische tijdvakken Boorbeschrijvingen

Archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek

4

Samenvatting BAAC heeft een archeologisch vooronderzoek in de vorm van een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek) uitgevoerd in het plangebied Hoogstraat te Macharen, gemeente Oss. Aanleiding voor het onderzoek is de bestemmingsplanwijziging ten behoeve van de herinrichting van het plangebied. Er worden nieuwe woningen gerealiseerd, het gemeenschapshuis en de tennisclub worden verplaatst en er worden wateropvanggebieden aangelegd. Het te bebouwen gebied is circa 1 ha groot en de oppervlakte van de waterbergingen zal circa 2800 m2 zijn. De verstoringsdiepte is circa 1 m -mv. De plannen zijn echter nog niet definitief en er kunnen nog wijzigingen plaatsvinden. Realisatie van de plannen kan leiden tot aantasting of vernietiging van mogelijk aanwezige archeologische waarden. Uit het bureauonderzoek is gebleken dat het plangebied op de overgang van de stroomgordel van Haren/Macharen naar het komgebied ligt. Op deze stroomgordel zijn in de omgeving van het plangebied resten uit het neolithicum t/m vroege middeleeuwen gevonden. Oeverafzettingen zijn afgedekt door een kleipakket van circa 60 cm dik en er is sprake van een zwakke bodemvorming, wat heeft geresulteerd in kalkarme poldervaaggronden. Begin 20e eeuw ligt er een huis met erf in het plangebied, maar is het grotendeels in gebruik als hakhout en weiland.

Na de Tweede Wereldoorlog verdween de bebouwing en werd het terrein deels een boomgaard. In 1975 werd het gemeenschapshuis gerealiseerd en in de jaren 80 verschenen ook de voetbalvelden met een kantine. In de jaren 90 werden daar twee tennisbanen aan toegevoegd en sinds 2000 is het plangebied in de huidige vorm ingericht. In de omgeving van het plangebied zijn overwegend bureau- en booronderzoeken uitgevoerd, waarbij de aanwezigheid van vindplaatsen niet werd uitgesloten. In één geval heeft dit geleid tot een gravend onderzoek, waarbij een vindplaats uit het neolithicum – vroege middeleeuwen is aangetroffen. Op basis van het bureauonderzoek geldt er voor het gehele plangebied een hoge archeologische verwachting. Specifiek worden er archeologische resten uit het neolithicum tot en met de nieuwe tijd verwacht vanaf 30 cm -mv. Binnen het plangebied is sprake van beddingafzettingen die richting het noordwesten naar beneden wegduiken en die zijn afgedekt door komafzettingen, waarop oeverwalafzettingen voorkomen. Het plangebied is opgedeeld in twee delen: het hoger gelegen deel langs de Hoogstraat en het lagergelegen deel in het noordwesten. In het hoger gelegen deel geldt een hoge verwachting op bewoningssporen uit het neolithicum tot en met de nieuwe tijd in de top van de C-horizont onder de oude akkerlaag (5,6 m +NAP, circa 180 cm -mv).

Er geldt specifiek een hoge verwachting voor sporen uit het neolithicum en de ijzertijd. De sporen uit de late middeleeuwen en nieuwe tijd kunnen al hoger verwacht worden, namelijk in de oude akkerlaag vanaf 100 cm -mv. In het lagergelegen deel van het plangebied komt deze akkerlaag niet voor, maar kunnen off-sitefenomenen verwacht worden in het beddingszand wat wegduikt naar dieper dan 2,10 m -mv. In de oeverwalafzettingen, vanaf 5,5 m +NAP (15-30 cm -mv) kunnen resten uit de middeleeuwen en later verwacht worden. BAAC adviseert om bij bodemverstorende activiteiten die dieper reiken dan 30 cm -mv in het lagergelegen deel en dieper dan 70 cm -mv in het hoger gelegen deel een vervolgonderzoek door middel van een proefsleuvenonderzoek uit te laten voeren.

5

V-23.0316 - Macharen te Macharen

Archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek

6

1

Inleiding

1.1 Onderzoekskader 1.1.1 Aanleiding In opdracht van Buro Waalbrug heeft het onderzoeks- en adviesbureau BAAC een archeologisch vooronderzoek in de vorm van een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek) uitgevoerd in het plangebied Hoogstraat te Macharen, gemeente Oss. Aanleiding voor het onderzoek is de bestemmingsplanwijziging ten behoeve van de herinrichting van het plangebied. Er worden nieuwe woningen gerealiseerd, het gemeenschapshuis en de tennisclub worden verplaatst en er worden wateropvanggebieden aangelegd. Het te bebouwen gebied is circa 1 ha groot en de oppervlakte van de waterbergingen zal circa 2800 m2 zijn. De verstoringsdiepte is circa 1 m -mv. De plannen zijn echter nog niet definitief en de exacte inrichting is nog aan veranderingen onderhevig. Realisatie van de plannen kan leiden tot aantasting of vernietiging van mogelijk aanwezige archeologische waarden. 1.1.2 Beleidskader Het archeologisch beleid van de gemeente Oss voor toepassing van de wet op de archeologische monumentenzorg (WAMZ) staat weergegeven op de archeologische beleidskaart.1 De beleidskaart is gebaseerd op de archeologische verwachtingskaart.2 Op de gemeentelijke archeologische beleidskaart van de gemeente Oss ligt het plangebied in een zone met een hoge archeologische verwachting.

Het beleid voor deze zone schrijft voor dat bij bodemingrepen groter dan 100 m 2 en dieper dan 30 cm –mv een archeologisch onderzoek dient te worden uitgevoerd. 1.1.3 Kwaliteitsborging Het onderzoek is uitgevoerd conform protocol 4002 (bureauonderzoek) en protocol 4003 (inventariserend veldonderzoek) van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie, versie 4.13 en het onderzoeksspecifieke Plan van Aanpak.4 BAAC is gecertificeerd voor de protocollen 4001 Programma van Eisen, 4002 Bureauonderzoek, 4003 Inventariserend veldonderzoek (landbodems), onderdelen proefsleuven en overig, alsmede 4004 Opgraven (landbodems).

1.2 Doel- en vraagstelling Het doel van het bureauonderzoek is om de geologische, bodemkundige en landschappelijke kenmerken, alsmede de bekende en verwachte archeologische waarden in het onderzoeksgebied te inventariseren teneinde een gespecificeerde archeologische verwachting op te stellen. Het inventariserend veldonderzoek in de vorm van een verkennend booronderzoek heeft tot doel inzicht te krijgen in de vormeenheden van het landschap, voor zover deze van invloed zijn op de locatiekeuze in het verleden en om de verstoringsgraad van het bodemprofiel te bepalen.

1

Gemeente Oss 2016. Gemeente Oss 2016. 3 CCvD 2018. 4 De Boo van Uijen 2023. 2

7

V-23.0316 - Macharen te Macharen

Op basis van de resultaten van het veldonderzoek wordt de archeologische verwachting getoetst en indien nodig gespecificeerd. Het bureauonderzoek dient de volgende vragen te beantwoorden: • • •

Zijn binnen het plangebied bekende archeologische waarden aanwezig? Zo ja, welke gegevens zijn bekend over de omvang, ligging, aard en datering hiervan? Wat is de verwachte bodemopbouw in het gebied en welke gegevens zijn bekend over bodemverstorende ingrepen in het verleden binnen het plangebied? Wat is de specifieke archeologische verwachting voor het gebied?

Het veldonderzoek dient de volgende vragen, vastgelegd in het Plan van Aanpak5, te beantwoorden: • •

Hoe is de bodemopbouw en zijn (begraven) bodems met potentiële archeologische niveaus (cultuurlagen) aanwezig? Zo ja, waar en op welke diepte? In hoeverre worden archeologische resten/niveaus bedreigd en is vervolgonderzoek nodig en zo ja, in welke vorm?

Op basis van de onderzoeksresultaten en de voorgenomen bodemingrepen wordt vervolgens een advies gegeven over de omgang met eventueel aanwezige archeologische waarden en mogelijk vervolgonderzoek. Het bevoegd gezag (gemeente Oss) neemt op basis van het door BAAC opgestelde advies een selectiebesluit.

1.3 Situering van het plan- en onderzoeksgebied Er wordt onderscheid gemaakt tussen de termen plangebied en onderzoeksgebied. Het plangebied is het gebied waarbinnen de geplande bodemingrepen zullen gaan plaatsvinden. Het onderzoeksgebied beslaat het plangebied inclusief het omringende gebied binnen een straal van circa 500 m. Het onderzoeksgebied wordt in het bureauonderzoek als zoekgebied gehanteerd om tot een beter inzicht te komen in de archeologische, (cultuur)historische en bodemkundige situatie van het plangebied. Het plangebied ligt ten westen van de bebouwde kom van Macharen (afb. 1.1). Het plangebied wordt begrensd door weilanden in het noorden en westen en tuinen in het zuiden en oosten. De oppervlakte bedraagt circa 3,5 ha. Momenteel is het plangebied in gebruik als sportveld in het noorden. In het zuiden ligt een tennisclub met een clubgebouw, drie velden en een parkeerplaats. Daarnaast is er een gemeenschapshuis en een speelplaats aanwezig (afb. 1.2).

5

De Boo van Uijen 2023.

Archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek

8

Afb. 1.1 Ligging van het plangebied op Opentopo-kaart (PDOK 2023).

9

V-23.0316 - Macharen te Macharen

Afb. 1.2 Ligging van het plangebied op een recente luchtfoto (PDOK 2023).

Archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek

10

1.4 Administratieve gegevens Locatiegegevens provincie gemeente plaats toponiem RD-coördinaten

kaartblad kadastrale gegevens oppervlakte plangebied Projectgegevens projectnummer type onderzoek Archis-zaakidentificatienr. opdrachtgever

Noord-Brabant Oss Macharen Macharen 165.472/424.313 165.656/424.372 165.689/424.137 165.539/424.115 45 E gemeente Megen, sectie H, 986, 987, 701, 948, 505, 506 en 656 (ged). 3,5 ha

datum opdracht datum veldwerk versie nummer voorgelegd aan bevoegd gezag beheer en plaats documentatie

V-23.0316 Bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (verkennende fase) 5445966100 Buro Waalbrug contactpersoon: dhr. J. Langbroek mw. E.M. de Boo van Uijen Gemeente Oss contactpersoon: mw. M. Peeters 30 mei 2023 14 en 19 juli 2023 1.2 (oktober 2023) ja Archis 3, E-depot (Dans) en archief BAAC

11

V-23.0316 - Macharen te Macharen

projectleider BAAC bevoegde overheid

Archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek

12

2

Bureauonderzoek

2.1 Werkwijze Tijdens het bureauonderzoek is literatuur over de geologie, geomorfologie, het hoogteverloop (AHN) en de bodemopbouw van het onderzoeksgebied bestudeerd. Met name voor de recentere archeologische periodes zijn diverse historische bronnen geraadpleegd. Er is gebruik gemaakt van oude kadastrale en topografische kaarten en bouwtekeningen uit het gemeentearchief. Tevens is informatie ingewonnen bij de lokale heemkundekring De Werkende Mens.6 Bij de inventarisatie van de archeologische waarden is gebruik gemaakt van gegevens uit Archis 3 van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed en de gemeentelijke archeologische verwachtingskaart.7 In navolgende paragrafen staan de resultaten van het bureauonderzoek beschreven. Het hoofdstuk is afgesloten met een synthese in de vorm van een specifieke archeologische verwachting. Een opsomming van de geraadpleegde literatuur en gebruikte kaarten is terug te vinden in de literatuurlijst. Voor een tabel met een overzicht van geologische en archeologische tijdvakken wordt verwezen naar bijlage 1.

2.2 Landschap 2.2.1 Algemene ontwikkeling Het plangebied maakt deel uit van het oostelijke Maaslandschap. 8 In het Midden- en Laat-Pleistoceen werden door de Maas en Rijn grove, grindhoudende zanden afgezet. De rivieren hadden in deze periode voornamelijk een vlechtend verloop. Dergelijke rivieren worden gekenmerkt door een ondiepe, brede bedding, waarin een stelsel van een groot aantal ondiepe geulen die herhaaldelijk splitsen en weer bij elkaar komen. In de bedding kwamen zandige en grindige sedimenten tot afzetting. Door tektonische bewegingen aan het einde van het Cromerien verschoof de Maas geleidelijk haar loop in oostelijke richting. In het laat-pleniglaciaal zijn door de Rijn en Maas zand en grind afgezet, die worden gerekend tot de Kreftenheye-5 afzettingen. In het Bølling-Allerød-interstadiaal verbeterde het klimaat waardoor de rivieren een regelmatigere afvoer kregen met een minder grote sedimentlast. Als gevolg hiervan concentreerde de afvoer van de Maas zich in enkele meanderende hoofdgeulen. De oude vlechtende geulen raakten buiten gebruik en verlandden. De Maas ging zich insnijden in de oudere Kreftenheye-5 afzettingen, oftewel het Laagterras. In de stroomgeul werd zandig materiaal afgezet. Alleen bij zeer hoge waterstanden trad de rivier buiten haar insnijdingsdalen en werd zandige, zeer stugge, lichtgrijze tot blauwgrijze klei (Laag van Wijchen) afgezet.

De Rijn verliet in deze periode haar loop ten zuiden van de stuwwal van Nijmegen, waardoor de Maas alleen achterbleef. Aan het eind van het laat -Weichselien, in de Late Dryas, veranderde de meanderende Maas weer in een vlechtende rivier. De diepere meanderende geulen uit het Allerød werden in deze periode in laterale richting opgeruimd, waardoor er als het ware sprake was van insnijding en op een lager niveau een riviervlakte (Terras X; Kreftenheye-6 afzettingen) ontstond. Tijdens de koude perioden van het Weichselien werd tevens door de wind zand verplaatst en elders afgezet, het zogenaamde Dekzand. De oudere 6

E-mail verstuurd naar heemkundekring Stichting de Werkende Mens, d.d. 7 juli 2023. Gemeente Oss 2016. 8 Buitenhuis et al. 1991. 7

13

V-23.0316 - Macharen te Macharen

rivierterrassen zijn deels bedekt met dit dekzand. Daar waar het zand vanuit de (deels) droogliggende riviervlakte werd opgeblazen ontstonden langs de (noord)oost-zijde van de rivieren zogenaamde rivierduinen. In het Holoceen verbeterde het klimaat waardoor de Maas weer een meanderende hoofdgeul kreeg en zich op circa 1 km ten noorden van het plangebied in de oudere afzettingen insneed. Door de stijgende zeespiegel kwam de erosiebasis van de rivieren in de loop der tijd steeds hoger te liggen en verschoof de grens tussen het accumulatiegebied en het insnijdingsgebied steeds meer in oostelijke richting. Het duurde tot omstreeks 3000 BP voordat de grens ter hoogte van Grave kwam te liggen.

Afb. 2.1 Blokdiagram van een meanderende rivier (Verbraeck 1984).

Vanaf deze periode ontstonden langs de Maas oeverwallen en werden in de komgebieden klei afgezet (Echteld Formatie) en heeft zich plaatselijk veen gevormd (Nieuwkoop Formatie; Hollandveen Laagpakket). In de bedding van de rivier werd het grofste materiaal, voornamelijk zand en grind, afgezet. Bij overstroming werden zand en klei uit de bedding gelicht en op de oevers afgezet, waardoor oeverwallen ontstonden (zeer fijnzandig en zavelig materiaal). Verder van de rivier af kwam het overstromingswater tot rust en werd klei afgezet. Deze klei is meestal vrij uniform van samenstelling en kalkarm of kalkloos. Kalkrijke klei komt uitsluitend voor nabij stroomgordels en op plaatsen waar de opslibbing dermate snel is gegaan dat ontkalking niet kon plaatsvinden (bijvoorbeeld bij oeverwaldoorbraken, de zogenaamde crevasse-afzettingen). Als de grondwaterspiegel hoog stond, kon in de komgebieden veen worden gevormd. Na verloop van tijd verzandde de bedding en verlegde de rivier zijn loop. Het zandige geullichaam en de oeverwallen bleven hierbij achter (afb. 2.1).

In het Holoceen vond eveneens, onder invloed van het mildere klimaat, op grote schaal bodemvorming plaats, die deels antropogeen is beïnvloed.9 2.2.2 Gebiedsspecifiek Geologie en Dino-boringen Het plangebied ligt in een zone die wordt gekenmerkt door komafzettingen en ingeschakeld veen op stroomgordelafzettingen (Formatie van Echteld-k op Formatie van Echteld-b). Op circa 120 m ten noorden van het plangebied liggen zandige stroomgordelafzettingen. Zowel ten oosten als ten westen van het plangebied liggen fijnkorrelige komafzettingen met ingeschakeld veen. De stroomgordelafzettingen zijn afkomstig van de stroom van Haren (stroom 59) en van Macharen (stroom 102), die vanaf het neolithicum tot en met de ijzertijd actief waren in het plangebied. De zandige stroomgordelafzettingen ten noorden van het plangebied zijn afkomstig van de Maas (stroom 101 en 309), die hier vanaf de ijzertijd actief was.10

9

Buitenhuis et al. 1991. Cohen et al. 2012.

10

Archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek

14

Afb. 2.2 Ligging van het plangebied op een uitsnede van de stroomgordelkaart. Stroomgordels: 59 Haren, 102 Macharen, 101 en 309 verschillende fasen van de Maas (Cohen et al. 2012).

Ten zuiden van het plangebied is aangetoond dat er tot een zeer grote diepte sprake is van matig tot zeer grof, grindig zand.11 Ten westen en ten oosten van het plangebied is het grindige zand afgedekt door een kleipakket van circa 2,5 m dik.12 Het plangebied ligt dus op een zandige, noord-zuid-georiënteerde rug. Geomorfologie en AHN Volgens extrapolatie van de geomorfologische kaart ligt het plangebied op een stroomrug of stroomgordel (kaarteenheid 4B10).13 Op het AHN is ten noorden van het plangebied de verlande meander van de Maas te zien. Ten zuiden van de dijk, die zich duidelijk aftekent in het landschap, ligt het maaiveld aanzienlijk lager. De locaties van gebouwen en de kern van Marcharen liggen hier op de hogere delen. De twee sportvelden in het plangebied lijken iets opgehoogd te zijn: de maaiveldhoogte is hier 5,8 m +NAP tegenover 5,5 m +NAP bij de naastgelegen percelen. Het uiterste zuidoosten van het plangebied ligt binnen de hogere kern van Marcharen en heeft een maaiveldhoogte van 7,5 m +NAP.14

11

DINOLoket, boornummer B45E0366, B45E0092 DINOLoket, boornummer B45E0398 13 Geomorfologische kaart, geraadpleegd via Archis 3 2023. 14 AHN-4 2023. 12

15

V-23.0316 - Macharen te Macharen

Afb. 2.3 Ligging van het plangebied en bekende ontgrondingslocaties (provincie Noord-Brabant 2023) op het Actueel Hoogtebestand (AHN-4 2023).

Verstoringen In 1998 is er een bodemonderzoek uitgevoerd aan de noordwestzijde van het gemeenschapshuis. Hieruit bleek dat de locatie verontreinigd was met PAK’s en dat deze gesaneerd diende te worden. Van deze sanering zijn geen gegevens teruggevonden in de omgevingsrapportage. In 1999 is een deel van het plangebied bodemkundig onderzocht vanwege de aanleg van een derde tennisbaan. Voor de aanleg van de tennisbaan zou 40 cm grond worden afgegraven. De bovenste 40 cm is daarom onderzocht en bleek niet verontreinigd te zijn.15 Er is geen saneringsrapport beschikbaar via de omgevingsrapportage. Over het algemeen kan worden aangenomen dat er voor de tennisbanen minimaal 40 cm grond is afgegraven. Ook rond het gemeenschapshuis en de andere bebouwing kunnen er verstoringen verwacht worden. Volgens het overzicht van ontgrondingen van de provincie Noord-Brabant hebben er geen ontgrondingen plaatsgevonden in het plangebied, maar voor het kanaal ten noorden en oosten van het plangebied is een ontgrondingsvergunning verleend.16

15 16

De Rooij 1999. Provincie Noord-Brabant 2023.

Archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek

16

Bodemopbouw Volgens de bodemkaart is in het plangebied sprake van kalkloze poldervaaggronden in zware zavel en lichte klei (kaarteenheid Rn94C).17 Bij deze gronden is sprake van grondwatertrap V.18 Poldervaaggronden zijn kleigronden met een zwak ontwikkelde humushoudende bovengrond en roest en grijze vlekken die ondieper dan 50 cm beginnen. In het plangebied zijn ze kalkloos en hebben een homogeen profiel. De poldervaaggronden met kaarteenheid Rn94C vormen de overgang tussen de lichtere stroomruggronden en de zware komkleigronden. Ze hebben een 15 à 25 cm dikke, weinig donkere bovengrond. Hieronder ligt een grijsbruine, veelal zwak roestige laag klei, in dikte variërend van 25 to 60 à 100 cm.19

2.3 Bewoningsgeschiedenis 2.3.1 Inleiding In de midden-bronstijd ontstond op de plek van Macharen een oeverwal van een rivier.20 De hoger gelegen fossiele stroomruggen en oeverwallen van de actieve rivieren vormden in het overwegend natte rivierengebied van oudsher de bewoonbare zones, waar men eveneens akkers kon aanleggen. De rug liep van de huidige Hoefstraat (430 m ten zuidoosten van het plangebied) naar het eind van de Dorpstraat (direct ten zuiden van het plangebied). Op basis van de geschiedenis van de kerk van Macharen was er in ieder geval in de 13e eeuw al sprake van bewoning op de oeverwal. De naam Macharen is afgeleid van ‘haren’, wat hoge landrug betekent.21 De lagere delen van de stroomruggen waren te nat voor beakkering en werden gebruikt als gemeenschappelijke hooi- en weilanden. De laaggelegen en dus natte komgebieden werden gebruikt voor beweiding in de zomer. Toen men, onder invloed van de toegenomen bevolkingsgroei, ook de lagere delen van de stroomruggen intensiever wilden benutten, werden er kades dwars op de rivier aan gelegd ter bescherming van toestroming van water vanuit stroomopwaarts gelegen gebieden. Vervolgens werd ook een achterkade aangelegd om te beschermen tegen overstromingswater dat door de kommen stroomden. Pas later werden ook langs de rivieren de eerste dijkjes aangelegd.

In eerste instantie werden deze in het westelijke gelegen veengebied aangelegd, maar door opstuwing van het rivierwater moest men stroomopwaarts ook dijken langs de rivier opwerpen. Elke dorp legde daarbij zijn eigen rivierkade aan. Pas vanaf de 12e eeuw werd gewerkt aan de aanleg van doorlopende rivierdijken, waarbij de stroomafwaartse gebieden het eerst werden bedijkt.22 Als gevolg van bedijking vond sedimentatie voortaan alleen nog in de bedding plaats. De rivier werd hierdoor, zeker in de winter, sterk opgestuwd, waardoor, mede door het grote aantal meanders in de Maas, dijkdoorbraken vaak voorkwamen en ook steeds ernstigere consequenties hadden. Op de plek waar de dijk doorbrak ontstond een diep kolkgat of wiel. Het uitgekolkte materiaal werd in een waaier achter het wiel afgezet. Deze overslaggronden waren door hun hoge en zandige ligging een aantrekkelijke vestigingsplaats. De dijk werd om het wiel (binnen- of buitendijks) hersteld, waardoor de dijk een kronkelig verloop kreeg. Vaak werden woonplaatsen kunstmatig verhoogd als bescherming tegen het overstromingswater (terpen).23 Om het rivierwater beter te kunnen controleren is bij Beers een overlaat in de dijk aangelegd, waar het water gecontroleerd het achterland in kon stromen om bij ’s-Hertogenbosch via de Dieze weer in de Maas uit te monden. Deze brede traverse van water kreeg de naam Beerse Maas.

Al in de 16e eeuw zorgde het 17

Bodemkaart, geraadpleegd via Archis 3 2023. Gemiddeld hoogste grondwaterstand <40 cm -mv en gemiddeld laagste grondwaterstand >120 cm -mv. 19 Stichting voor Bodemkartering 1976. 20 Cohen et al. 2012. 21 Macharen.info 2023. 22 Barends et al. 2010. 23 Barends et al. 2010. 18

17

V-23.0316 - Macharen te Macharen

overstromingswater voor aanzienlijke schade. De aangrenzende dorpen en steden probeerden met een stelsel van (dwars)dijken, zoals de Zeedijk op 850 m ten westen van het plangebied, die alleen bij zeer hoog water overstroomden, de schade te beperken. Desondanks had de Beerse Maas een negatieve invloed op het gebied. Bij overstromingen, die vaak twee à drie keer per winter plaatsvonden, waren de stadjes en dorpjes langs de Maas wekenlang geïsoleerd en de overstroomde gronden konden alleen als hooiland worden gebruikt. Pas in de 19e eeuw accepteerde men meer algemeen het nut van de Beerse Maas en werden obstakels opgeruimd om een snelle afvoer van het water te realiseren.24 2.3.2 Historie Begin 19e eeuw bestond Macharen uit een kleine kern tussen de huidige Dorpstraat en Polderstraat (circa 100 m ten zuidoosten van het plangebied) een wat verspreide bebouwing langs de toegangswegen. Een Maasmeander naderde het plangebied tot circa 150 m en in het verlengde van de huidige Hoogstraat lag het voetveer. Via de Kasteeldijk/Megensedijk (100 m ten noorden van het plangebied) kon je naar Megen. De Kasteeldijk is vernoemd naar kasteel Oijen, gelegen op circa 1 km ten westen van het plangebied. Het plangebied maakte deel uit van een akkergebied dat bekend stond als “ het zand”. Nabij de Hoogstraat bevonden zich diverse gemeentelijke percelen met hakhout en een weg.

Deze gemeentelijke percelen volgden de vorm van een voormalige loop van de Maas richting het zuiden. Deze strook sluit in het zuiden aan op het Ossermeer. Binnen het plangebied lagen twee huizen met erven. Eén huis lag direct aan de Hoogstaat, de tweede lag ter hoogte van het oostelijke tennisveld. Deze situatie veranderde niet tot de tweede helft van de 20e eeuw. Tabel 2.1 Overzicht verzamelde gegevens aangaande de bouwdossiers.

24

Jaar 1970 1975 1979

Werkzaamheden Bouw gemeenschapshuis ‘De Bongerd’ en gymzaal Uitbreiding gemeenschapshuis noordwestzijde Bouw kleedruimtes voetbalvereniging

1983

Uitbreiding gemeenschapshuis noordoostzijde

1992 2000 2007

Verbouwing ‘de Bongerd’ Aanleg tennisbaan Bouw clubhuis tennisvereniging

diepte fundering 80 -peil (circa 90 cm -mv) 80 -peil (circa 90 cm -mv) 75 -peil (circa 85 cm -mv) met opmerking: op vaste bank en vorstvrij1 90 -peil (circa 100 cm -mv) met opmerking: 40 cm schoon zand onder de vloer onbekend afgraving tot 40 cm -mv1 onbekend

Groenhuizen 2022.

Archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek

18

Afb. 2.4 Ligging van het plangebied op een uitsnede van de kadastrale kaart uit het begin van de 19e eeuw (Kadasterkaart 1811-1832; Beeldbank 2023).

Er zijn echter geen aanwijzingen dat er oorlogshandelingen hebben plaatsgevonden in het plangebied. 25 Volgens de gemeentelijke bodembelastingkaart is het plangebied niet verdacht op ontplofbare oorlogsresten.26 Na de Tweede Wereldoorlog verdwenen beide huizen uit het plangebied en in 1970 werd het gemeenschapshuis, gecombineerd met een gymzaal, gerealiseerd (zie tabel 2.1). In 1975, 1983 en 1992 volgden er uitbreidingen en verbouwingen. In 1979 werd de kleedruimte in het zuidwesten van het plangebied gerealiseerd en werden de weilanden ten noorden van het gemeenschapshuis omgetoverd in voetbalvelden.27 In 2007 tenslotte verrees het clubhuis van tennisvereniging LTC De Brug, terwijl de tennisvelden van een eerdere datum zijn.28 In 2014 fuseerde de voetbalvereniging van Macharen met die van Oijen en verhuisde de club naar een nieuwe locatie. De velden en het gebouw hebben nog geen nieuwe functie.29

25

Didden & Swarts 1993; IKME 2023; verdedigingswerkenkaart RCE 2023; BHIC 2023. Van den Brandhof 2016. 27 Bouwdossiers opgevraagd via BHIC 2023. 28 Tennisvereniging LTC De Brug 2023; Topotijdreis luchtfoto’s 2006 t/m 2010. 29 Mosa’14, 2023. 26

19

V-23.0316 - Macharen te Macharen

Afb. 2.5 Ligging van het plangebied op oude kaarten uit de 19e en 20e eeuw (Topotijdreis 2023).

Archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek

20

2.4 Archeologische gegevens 2.4.1 Gemeentelijke verwachtingskaart Het plangebied heeft op de gemeentelijke verwachtingskaart een hoge verwachting op het aantreffen van archeologische waarden. Deze verwachting is gebaseerd op de ligging van het plangebied op een oeverwallen langs een historisch bewoningslint (afb. 2.6). In het uiterste zuiden is een deel van het plangebied reeds verstoord.30

Afb. 2.6 Ligging van het plangebied op de gemeentelijke verwachtingskaart. Donkerrood: archeologische waarde, rood: hoge archeologische verwachting, oranje: middelhoge archeologische verwachting, geel: lage archeologische verwachting, groen: reeds onderzocht, grijs: verstoord en blauw: water (Gemeente Oss 2016).

30

Gemeente Oss 2016.

21

V-23.0316 - Macharen te Macharen

2.4.2 Bekende vondsten en eerder onderzoek Bepaalde gebieden zijn vanwege hun archeologische waarde aangewezen als archeologisch (rijks)monument. Het uiterste zuidoostelijke punt van het plangebied ligt binnen AMK-terrein 16854: de historische kern van Macharen. Dit is ook het enige AMK-terrein in het onderzoeksgebied. In het plangebied zijn geen archeologische vondsten gedaan, maar heeft wel eerder onderzoek plaatsgevonden (zie tabel 2.3, afb. 2.7). In een straal van 500 m rondom het plangebied zijn diverse archeologische resten aangetroffen en onderzoeken uitgevoerd.

Afb. 2.7 Het plangebied met de archeologische (rijks)monumenten, vondstmeldingen en onderzoeken (Archis 3 2023).

In de omgeving van het plangebied zijn diverse archeologische vondsten gedaan (tabel 2.2). Een deel van deze vondsten zijn afkomstig van archeologisch onderzoek, maar een deel van de vondsten zijn oudere meldingen. Het gaat voornamelijk om fragmenten aardewerk uit de ijzertijd tot en met de vroege middeleeuwen. Al deze meldingen liggen ten (zuid)oosten van het plangebied.

Archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek

22

Tabel 2.2 Overzicht bekende vondstlocaties binnen een straal van 500 m rondom het plangebied (Archis 3 2023). Archisnr. Afstand tot materiaal Datering verzamelwijze plangebied 2112425100 360 m O aardewerk Romeinse tijd – Booronderzoek (zie tabel 2.3) fragmenten middeleeuwen 2148860100 90 m Z aardewerk neolithicum – Proefsleuvenonderzoek (zie tabel 2.3) fragmenten, Romeinse tijd natuursteen en sporen 4561291100 350 m ZO aardewerk vroege Booronderzoek (zie tabel 2.3) fragmenten middeleeuwen – nieuwe tijd 2963737100 140 m O aardewerk en ijzertijd indirect: archief glas fragmenten Romeinse tijd 2924476100 130 m O aardewerk ijzertijd – vroege archeologische inspectie fragmenten middeleeuwen 2908568100 240 m ZO aardewerk Romeinse tijd – niet-archeologisch: kartering fragmenten late middeleeuwen 2963720100 360 m ZO aardewerk ijzertijd niet-archeologisch: graafwerkzaamheden (aanleg fragmenten riool 1973). 3152806100 390 m ZO zilveren denarii Romeinse tijd niet-archeologisch. Locatiebepaling administratief.

Voor het opstellen van de gemeentelijke verwachtingskaart zijn er twee onderzoeksmeldingen gedaan in Archis. Uiteraard valt het plangebied binnen deze onderzoeksmeldingen, maar omdat de verwachtingskaart in paragraaf 2.4.1 aan bod komt, zijn deze uit tabel 2.3 gelaten. Het uiterst oostelijke deel van het plangebied is eerder onderzocht door ArcheoPro in 2011 (zaakidentificatienummer 2317145100). Op basis van dit onderzoek geldt er een hoge verwachting op resten uit de ijzertijd – nieuwe tijd. Bij het booronderzoek is er geen vondstmateriaal aangetroffen en bleek de bodem tot 1 m -mv verstoord te zijn. Daarom is het terrein vrijgegeven.31 In 2006 is er een bureau- en verkennend booronderzoek uitgevoerd op 100 m ten zuiden van het plangebied (zaakidentificatienummer 2120744100). Uit het booronderzoek blijkt dat er in de ondergrond rivierafzettingen van de Macharen/Harenstroomgordel aanwezig zijn, die zijn afgedekt door oeverwalafzettingen van de Maas. In één boring is vondstmateriaal uit de ijzertijd en de middeleeuwen aangetroffen. Daarom is geadviseerd om een vervolgonderzoek uit te voeren.32 In 2007 is dit uitgevoerd in de vorm van proefsleuven (zaakidentificatienummer 2148860100). Hierbij zijn sporen uit het neolithicum en de ijzertijd aangetroffen in een verbruiningslaag onder een oude akkerlaag.

Deze oude akkerlaag bestaat uit matig lemig grof zand en is donkergrijs van kleur. In deze laag is vondstmateriaal aangetroffen uit de ijzertijd, Romeinse tijd en de middeleeuwen. Het eerste vlak is aangelegd in de top van de verbruiningslaag en het tweede vlak is daar onder aangelegd in de top van de C-horizont op circa 5,7 – 6,0 m +NAP. Een rij paalkuilen kon op basis van het vondstmateriaal gedateerd worden in het neolithicum. Er zijn mogelijk twee ovens uit de ijzertijd aangetroffen. Deze structuren zijn bijzonder zeldzaam. Een lemige vulling van één van de ovens is bemonsterd en botanisch onderzocht. De resultaten waren goed en geven aan dat er goede conserveringsomstandigheden zijn.33 Op basis van deze resultaten is geadviseerd om een opgraving uit te voeren als behoud in situ niet mogelijk is. Op basis van de beschikbare gegevens is deze opgraving niet uitgevoerd en zijn de resten in situ behouden.34 Tabel 2.3 Overzicht eerder uitgevoerd archeologisch onderzoek binnen een straal van 500 m rondom het plangebied (Archis 3 2023). Archisnr. Afstand tot Uitvoerder, Type onderzoek en resultaat plangebied jaar 2076098100 410 m NW RAAP, 1998 Aanvullend booronderzoek. Rapport niet beschikbaar in Archis 3 en DANS.

31

Exaltus & Orbons 2011. De Groot & Huizer 2007. 33 De Leeuwe 2007. 34 BAG viewer, op de locatie zijn in 2020 huizen gebouwd. 32

23

V-23.0316 - Macharen te Macharen

2112425100

330 m O

Archol, 2002

2120744100

100 m Z

Synthegra, 2006

2148860100

100 m Z

Archol, 2007

2183277100

320 m Z

2317145100

deels in het plangebied

Becker en Van de Graaf, 2008 ArcheoPro, 2011

2448885100

430 m ZO

BAAC, 2014

4008052100

20 m W

RAAP, 2016

4561291100

340 m ZO

BAAC, 2017

4894048100

150 m Z

KSP, 2020

5148947100

160 m Z

VUhbs, 2022

5149002100

280 m N

RAAP, 2022

5284816100

235 m N

RAAP, 2022

35

Booronderzoek. Bij het booronderzoek zijn in een slootkant diverse fragmenten aardewerk aangetroffen, welke gedateerd kunnen worden in de Romeinse tijd en middeleeuwen. Er is geadviseerd om de gravende werkzaamheden door een ervaren amateurarcheoloog te laten begeleiden. Booronderzoek. Aangezien het plangebied is gelegen op een oeverwal van een rivier uit de periode tussen circa 1237 v. Chr. tot 11 na Chr. geldt er op de oeverwalafzettingen een hoge verwachting voor het aantreffen van archeologische resten vanaf de midden-bronstijd. Bij het booronderzoek is een fragment ijzertijdaardewerk en een fragment middeleeuwse baksteen aangetroffen. Daarom is er geadviseerd om de graafwerkzaamheden archeologisch te laten begeleiden. Proefsleuvenonderzoek (vervolg op bovenstaand onderzoek35). Het perceel bevat nederzettingssporen uit het neolithicum en de ijzertijd. Onder andere sporen van hoofd- en bijgebouwen, waterputten, ovens en afvalkuilen. De sporen zijn goed bewaard in en onder een vondstrijke cultuurlaag op een diepte van circa 100 cm -mv (vlak 1). Er is een tweede vlak aangelegd op circa 170-190 cm -mv. Er is geadviseerd om een opgraving uit te voeren als behoud in situ geen optie is. Booronderzoek. Geen rapportage beschikbaar in Archis 3 en DANS.

Bureauonderzoek en booronderzoek. Er geldt een hoge verwachting op resten daterend vanaf de ijzertijd tot en met de nieuwe tijd. Uit het veldonderzoek bleek dat de bodem tot 1 m -mv verstoord was en er zijn geen archeologische indicatoren aangetroffen. Daarom is er geadviseerd om geen vervolgonderzoek uit te voeren. Bureauonderzoek en booronderzoek. Er geldt een middelhoge tot hoge archeologische verwachting voor resten vanaf de Romeinse tijd tot en met de late middeleeuwen. In het westelijk deel geldt daarnaast een hoge verwachting voor de nieuwe tijd. Het booronderzoek bevestigde deze verwachting en er is geadviseerd om bij werkzaamheden dieper dan 40 cm mv vervolgonderzoek uit te voeren. De werkzaamheden bleven beperkt tot deze 40 cm en er is geen vervolg uitgevoerd. Bureauonderzoek en verkennend booronderzoek. Er geldt een hoge verwachting op resten vanaf de bronstijd tot en met de late middeleeuwen. Uit het booronderzoek is gebleken dat de bodem tot 130 cm -mv verstoord is. Vanwege de aanlegdiepte van de bouwkuip (81 cm diep), is er geadviseerd om geen vervolgonderzoek uit te voeren. Bureauonderzoek en verkennend booronderzoek. Er geldt een hoge verwachting op resten uit het neolithicum tot en met de volle middeleeuwen. Er zijn diverse archeologische indicatoren aangetroffen vanaf 80-115 cm -mv. Er is daarom geadviseerd om een vervolgonderzoek uit te voeren.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Oss&id=d97a7c5d-c8f4-4d71-ae74-b9133e96222d