CConstaterende datOss
Koppel je AI →
Document · PDF

3. Bijlagenboek Macharen-west - 2024

Gemeenteraad 17 oktober 2024, gemeente OssBij agendapunt: A Vaststellen bestemmingsplan 'Macharen-west - 2024'19.147 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

BESTEMMINGPSLAN Macharen - West - 2024 Bijlagen bij toelichting

Gemeente Oss | Raadhuislaan 2 | 5341 GM | Oss | T: 14 0412 | F: 0412 642605 | www.oss.nl |

Indexpagina bijlagen bij de toelichting

Bestemmingsplan Macharen – West - 2024 Bijlage 1

- Stikstofonderzoek

Bijlage 2

- Quickscan Wet natuurbescherming

Bijlage 3

- Verkennend archeologisch onderzoek

Bijlage 4

- Selectiebesluit archeologie

Bijlage 5

- Waterhuishoudkundig onderzoek

Bijlage 6

- Verkennend bodemonderzoek

Bijlage 7

- Adviesbrief brandweer

Bijlage 8

- Akoestisch onderzoek

Bijlage 9

- Rapport onderzoek industrielawaai Hoogstraat Macharen-West

Bijlage 1

- Stikstofonderzoek

RAPPORTAGE onderzoek stikstofdepositie Dorpstraat/Hoogstraat Macheren

Rapport onderzoek stikstofdepositie Dorpstraat/Hoogstraat, Macheren Opdrachtgever

Buro Waalbrug Schoenaker 10 6641 SZ Beuningen

1

Rapportnummer

22151.004

Versienummer

D3

Status

Definitief

Datum

20 augustus 2023

Opsteller1

De heer S.D.F. Slange, MSc

Kwaliteitscontrole

De heer N. Berends, BSc

AVG

In onze rapportages wordt niet gewerkt met handtekeningen en/of parafen. Conform protocol en eisen uit het kwaliteitssysteem wordt het rapport aantoonbaar vrijgegeven. In het kader van de AVG dient, voorafgaand aan publicatie of bij uitlevering aan derden, bijlagen met kadastrale uittreksels en namen van opdrachtgevers verwijderd dan wel zwart gelakt te worden.

CERTIFICERING Econsultancy werkt volgens een dynamisch kwaliteits- en milieusysteem, zoals beschreven in het kwaliteitsen milieuhand-boek. Ons kwaliteits- en milieusysteem is gecertificeerd volgens de eisen in de NEN-EN-ISO 9001 en NEN-EN-ISO 14001. Daarnaast staat veilig werken bij Econsultancy voorop en zijn we gecertificeerd voor VCA*. Al onze rapportages worden opgesteld conform de ‘Handreiking omgaan met AVG in bodemonderzoeken’ opgesteld door de VKB (29 juni 2022). Hiermee voldoet de rapportage aan de eisen die de wet en NEN normen ons stellen en wordt tevens voldaan aan de AVG. RECHTEN Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen, of enige andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de rechthebbende.

INHOUDSOPGAVE SAMENVATTING ................................................................................................................................................... 1 1

INLEIDING .................................................................................................................................................. 2

2

TOETSINGSKADER ...................................................................................................................................... 3

3

UITGANGSPUNTEN .................................................................................................................................... 4 3.1 3.2

4

Aanlegfase ...................................................................................................................................... 4 Gebruiksfase................................................................................................................................... 7

BEREKENINGSRESULTATEN EN TOETSING ................................................................................................. 9 Bijlage 1. AERIUS-berekening projecteffect aanlegfase ........................................................................ Bijlage 2. AERIUS-berekening projecteffect gebruiksfase .....................................................................

22151.004

SAMENVATTING Aan de Dorpstraat/Hoogstraat te Macheren is men voornemens woningbouw, nieuwbouw/verplaatsing van een gemeenschapshuis en het deels verplaatsen van een tennisclub te realiseren. Er komen in totaal 55 woningen (8 vrijstaand, 10 twee-onder-een-kap, 29 rij en 8 sociale huur). In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is een onderzoek noodzakelijk naar de stikstofdepositie op de omliggende Natura 2000-gebieden. De bescherming van de Natura 2000-gebieden is geregeld in de Omgevingswet. Het is verboden om zonder vergunning van het college van Gedeputeerde Staten een project te realiseren dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied, maar significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied (artikel 5.1, lid 1, sub e Ow). Derhalve dient er onder andere onderzoek plaats dient te vinden naar de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden.

Geen significante toename De beoogde ontwikkeling mag in beginsel geen negatieve effecten veroorzaken op Natura 2000-gebieden. Met het voorgeschreven programma AERIUS Calculator wordt de depositie van stikstofverbindingen in de vorm van ammoniak (NH3) en stikstofoxiden (NOx) op het oppervlak van de nabijgelegen Natura 2000-gebieden inzichtelijk gemaakt. Bij een projecteffect kleiner dan of gelijk aan 0,00 mol/ha/jaar zorgt de beoogde ontwikkeling niet voor een significante toename in stikstofdepositie en kunnen negatieve effecten worden uitgesloten.

De relevante emissies van stikstofoxiden (NOx) en ammoniak (NH3) tijdens de aanlegfase vinden plaats door de verkeersbewegingen ten behoeve van de af- en aanvoer van materialen, het vervoer van personeel en de inzet van mobiele werktuigen tijdens de sloop en constructie. De relevante emissies tijdens de gebruiksfase vinden plaats door de verkeersbewegingen van en naar het plan De berekening van het projecteffect van zowel de aanleg- als de gebruiksfase is verricht met behulp van het programma AERIUS Calculator (versie 2023.2.1). Het projecteffect op de Natura 2000-gebieden als gevolg van zowel de aanleg- als de gebruiksfase is kleiner dan of gelijk aan 0,00 mol/ha/jaar. Bij een dergelijk projecteffect zal het beoogde plan niet voor een significante toename in stikstofdepositie zorgen en kunnen negatieve effecten worden uitgesloten.

22151.004 versie D3

1/9

1

INLEIDING

Aan de Dorpstraat/Hoogstraat te Macheren is men voornemens woningbouw, nieuwbouw/verplaatsing van een gemeenschapshuis en het deels verplaatsen van een tennisclub te realiseren. Er komen in totaal 55 woningen (8 vrijstaand, 10 twee-onder-een-kap, 29 rij en 8 sociale huur). In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is een onderzoek noodzakelijk naar de stikstofdepositie op de omliggende Natura 2000-gebieden. In figuur 1.1 is de situering van het plan en de omliggende Natura 2000-gebieden weergegeven.

Figuur 1.1 Situering plangebied

Het plan is niet gelegen binnen de grenzen van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000-gebied. Het Natura 2000-gebied ‘Rijntakken’ ligt op circa 9 kilometer afstand het meest nabij het plan.

22151.004 versie D3

2/9

2

TOETSINGSKADER

De bescherming van de Natura 2000-gebieden is geregeld in de Omgevingswet. Het is verboden om zonder vergunning van het college van Gedeputeerde Staten een project te realiseren dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied, maar significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied (artikel 5.1, lid 1, sub e Ow). Derhalve dient er onder andere onderzoek plaats dient te vinden naar de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden.

Geen significante toename De beoogde ontwikkeling mag in beginsel geen negatieve effecten veroorzaken op Natura 2000-gebieden. Met het voorgeschreven programma AERIUS Calculator wordt de depositie van stikstofverbindingen in de vorm van ammoniak (NH3) en stikstofoxiden (NOx) op het oppervlak van de nabijgelegen Natura 2000-gebieden inzichtelijk gemaakt. Bij een projecteffect kleiner dan of gelijk aan 0,00 mol/ha/jaar zorgt de beoogde ontwikkeling niet voor een significante toename in stikstofdepositie en kunnen negatieve effecten worden uitgesloten.

22151.004 versie D3

3/9

3

UITGANGSPUNTEN

Zowel de aanleg- als de gebruiksfase van het plan kunnen negatieve gevolgen hebben voor stikstofgevoelige habitattypen binnen omliggende beschermde natuurgebieden. De projecteffecten van beide fases dienen inzichtelijk te worden gemaakt.

3.1 Aanlegfase Met het plan wordt woningbouw, nieuwbouw/verplaatsing van een gemeenschapshuis en het deels verplaatsen van een tennisclub mogelijk gemaakt. De relevante emissies van stikstofoxiden (NOx) en ammoniak (NH3) tijdens de aanlegfase vinden plaats door de verkeersbewegingen ten behoeve van de af- en aanvoer van materialen, het vervoer van personeel en de inzet van mobiele werktuigen tijdens de sloop en constructie. De aanlegfase betreft een tijdelijke ontwikkeling en zal circa twee jaar duren. In onderhavig onderzoek is een worstcase situatie inzichtelijk gemaakt waarin alle werkzaamheden in één jaar plaats zullen vinden. De werkzaamheden zijn in rekenjaar 2025 gemodelleerd. Mobiele werktuigen De benodigde gegevens voor de aanlegfase zijn, in overleg met de opdrachtgever, gebaseerd op invoergegevens van vergelijkbare bij Econsultancy bekende projecten. De emissiefactoren van de werktuigen zijn tevens gebaseerd op het in AERIUS Calculator opgenomen kengetallen. De woningen zullen voornamelijk worden opgebouwd uit geprefabriceerde onderdelen, waardoor de inzet van grootschalig materieel beperkt kan worden. Voor de aanlegfase is de inzet van de in tabel 3.1 opgenomen mobiele werktuigen voorzien. De gehanteerde invoer is een worstcase inschatting en zal hoger liggen dan werkelijk nodig zal zijn.

Het dieselverbruik in combinatie met het verbruik van AdBlue is gebaseerd op onderzoek van TNO in opdracht van het RIVM 2. Voor overig (klein) materieel wordt uitsluitend gebruik gemaakt van elektrisch aangedreven werktuigen. Tabel 3.1

Inzet mobiele werktuigen.

werktuig

stageklasse

bouwjaar

vermogen [kW]

draaiuren [u/j]

brandstofverbruik [l/j]

AdBlue [l/j]

sloopkraan

v.a. IV

v.a. 2014

200

80

1.600

96

graafmachine

v.a. IV

v.a. 2014

200

240

4.800

288

shovel

v.a. IV

v.a. 2014

100

200

4.000

240

heistelling

v.a. IV

v.a. 2014

200

240

8.400

504

betonstorter

v.a. IV

v.a. 2014

200

280

5.600

336

mobiele kraan

v.a. IV

v.a. 2014

200

480

9.600

576

hoogwerker

v.a. IV

v.a. 2014

200

200

1.620

120

verreiker

v.a. IV

v.a. 2014

200

240

4.800

288

2 TNO, AUB: een robuuste schatting van NO

22151.004 versie D3

x en NH3 uitstoot van mobiele werktuigen, 10 december 2021.

4/9

Verkeersbewegingen Naast de inzet van werktuigen vinden er ook verkeersbewegingen plaats voor het vervoer van materialen en personen van en naar het plan. Op basis van soortgelijke projecten wordt verwacht dat er voor de gehele aanlegfase 5.000, 2.500 en 1.250 verkeersbewegingen met respectievelijk lichte, middelzware en zware motorvoertuigen plaatsvinden. De ontsluiting van het verkeer kan in verschillende richtingen plaatsvinden. In het onderhavig onderzoek is een volledige ontsluiting over de Dorpstraat en Dorpenweg in oostelijke richting gehanteerd, waarbij het verkeer tot aan de rotonde met de Dorpenweg, Ossestraat en Kerkstraat. Een criterium voor wanneer verkeer in het heersende verkeersbeeld is opgenomen wordt gegeven in de instructie “Gegevensinvoer voor AERIUS Calculator 2022”3, namelijk: ‘op het moment dat het aan- en afvoerende verkeer zich door zijn snelheid en rij- en stopgedrag niet meer onderscheidt van het overige verkeer dat zich op de betrokken weg bevindt. Hierbij weegt ook mee hoe de verhouding is tussen de hoeveelheid verkeer dat door de voorgenomen ontwikkeling wordt aangetrokken en het reeds op de weg aanwezige verkeer. In de regel wordt het verkeer meegenomen tot het zich verdund heeft tot enkele procenten van het reeds aanwezige verkeer.’ De Dorpenweg is een hoofdontsluitingsweg voor meerdere dorpen tussen Oss en de Maas.

Het verkeer zal derhalve ten gevolge van de aanlegfase zal ter hoogte van de rotonde met de Dorpenweg, Ossestraat en Kerkstraat volledig zijn opgenomen in het heersende verkeersbeeld. Het verkeer zal in de praktijk bij uitsplitsing in verschillende rijrichtingen reeds eerder in het heersende verkeersbeeld zijn opgenomen dan in het onderhavig onderzoek gehanteerd. Het verkeer is circa 500 meter over de Dorpenweg gemodelleerd en zal daar ruimschoots de geldende maximumsnelheid van 80 km/u hebben bereikt wat het tevens aannemelijk maakt dat het bouwverkeer is opgenomen in het heersende verkeersbeeld. Stationair draaiende voertuigen Tijdens het lossen van bijvoorbeeld materialen, zand en beton bestaat de kans dat er vrachtwagens en betonmixers binnen het bouwterrein stationair draaien. De bijhorende emissies zijn gesimuleerd op basis van de rekeninstructie “stationaire emissies wegverkeer”. Hierbij is uitgegaan van de emissiefactor voor “verkeer stad stagnerend” welke voor middelzwaar verkeer 60,80 gram NOx en 0,71 gram NH3 per uur bedraagt en voor zwaar verkeer 74,57 gram NOx en 0,90 gram NH3 per uur bedraagt. In onderhavig onderzoek wordt er vervolgens van uitgegaan dat elke vrachtwagen per locatiebezoek 10 minuten stationair draait. In de praktijk zal de totale stationaire tijd minder zijn, aangezien de vrachtwagens hun motoren doorgaans zullen uitschakelen.

Op basis van het totaal aantal middelzware voertuigen (1.250) en zware vrachtwagens (625) dat de planlocatie zal aandoen, de gemiddelde tijd dat de vrachtwagens stationair zullen draaien (10 minuten per vrachtwagen) en de bovenstaande emissiefactoren, bedraagt de totale emissie ten gevolge van het stationair draaien van het vrachtverkeer binnen het bouwterrein 20,43 kg NOx en 0,24 kg NH3 per jaar.

3

https://www.bij12.nl/wp-content/uploads/2023/01/Instructie-gegevensinvoer-voor-AERIUS-Calculator-2022.pdf

22151.004 versie D3

5/9

In figuur 3.1 zijn de emissiebronnen van aanlegfase weergegeven. Bron 1 betreft de emissies ten gevolge van de werkzaamheden bron 3 de emissies het stationair draaiende bouwverkeer en de paarse lijnbron de emissies als gevolg van het bouwverkeer.

Figuur 3.1 Emissiebronnen aanlegfase.

22151.004 versie D3

6/9

3.2 Gebruiksfase Met het plan wordt woningbouw, nieuwbouw/verplaatsing van een gemeenschapshuis en het deels verplaatsen van een tennisclub mogelijk gemaakt. De nieuwbouw zal niet worden aangesloten op het gasnet. De relevante emissies van stikstofoxiden (NOx) en ammoniak (NH3) tijdens de gebruiksfase vinden plaats door de verkeersbewegingen van en naar het plan. De benodigde gegevens voor de gebruiksfase zijn door de opdrachtgever aangereikt. Voor de berekening van de gebruiksfase is uitgegaan van het rekenjaar opvolgend aan de aanlegfase (2026). Verkeersbewegingen De verkeersgeneratie is berekend aan de hand van de CROW voor een reeds uitgevoerd verkeersonderzoek. In figuur 3.2 is de hele berekening togevoegd.

Figuur 3.2 Emissiebronnen aanlegfase.

Op basis van het aangeleverde worden 600 verkeersbewegingen per weekdag verwacht. Alle 600 verkeersbewegingen zijn ingevoerd als ware het licht verkeer. Hier zijn tevens 12 middelzware verkeersbewgeingen aan toegevoegd ten behoeve van vrachttransporten voor pakketten, afvalophaaldiensten en dergelijke. Voor de ontsluiting van het verkeer wordt verwezen naar paragraaf 3.1. In figuur 3.3 zijn de emissiebronnen van gebruiksfase weergegeven. De paarse lijnbron de emissies als gevolg van het bouwverkeer.

22151.004 versie D3

7/9

Figuur 3.3 Emissiebron gebruiksfase.

22151.004 versie D3

8/9

4

BEREKENINGSRESULTATEN EN TOETSING

De berekening van het projecteffect van zowel de aanleg- als de gebruiksfase is verricht met behulp van het programma AERIUS Calculator (versie 2023.2.1). In bijlage 1 en 2 zijn de AERIUS berekeningen van respectievelijk de aanlegfase en de gebruiksfase opgenomen. Het projecteffect op de Natura 2000-gebieden als gevolg van zowel de aanleg- als de gebruiksfase is kleiner dan of gelijk aan 0,00 mol/ha/jaar. Bij een dergelijk projecteffect zal het beoogde plan niet voor een significante toename in stikstofdepositie zorgen en kunnen negatieve effecten worden uitgesloten. Op basis van het onderzoek blijkt dat er geen vergunningsaanvraag bij het college van Gedeputeerde Staten noodzakelijk is voor het aspect stikstofdepositie.

22151.004 versie D3

9/9

Bijlage 1. AERIUS-berekening projecteffect aanlegfase

Projectberekening Dit document geeft een overzicht van de invoer en rekenresultaten van een Projectberekening met AERIUS Calculator. De berekening is uitgevoerd binnen Natura 2000-gebieden, op rekenpunten die overlappen met stikstofgevoelige habitattypen en/of leefgebieden, gekoppeld aan een aangewezen soort, of nog onbekend maar mogelijk wel relevant, en waar tevens sprake is van een overbelaste of bijna overbelaste situatie voor stikstofdepositie.

Overzicht Samenvatting situaties Resultaten Detailgegevens per emissiebron Deze PDF is een digitaal bestand dat weer in te lezen is in AERIUS. Meer toelichting over de PDF en AERIUS kunt u vinden in de of .

handleidingen op onze website

Projectberekening

Contactgegevens Rechtspersoon Inrichtingslocatie

Activiteit

Omschrijving Toelichting

Berekening

Econsultancy Dorpsstraat/Hoogstraat, 5367 Macheren 22151.004 Aanlegfase

AERIUS kenmerk Datum berekening Rekenconfiguratie

RaZYePgXzJCE 20 augustus 2024, 09:55 OwN2000-rekengrid

Totale emissie

Rekenjaar

Emissie NH₃

Emissie NOₓ

Resultaten

Hoogste bijdrage

Hexagon

Gebied

Aanlegfase - Beoogd Aanlegfase - Beoogd Gekarteerd oppervlak met toename (ha) Gekarteerd oppervlak met afname (ha) Grootste toename Grootste afname

RaZYePgXzJCE (20 augustus 2024)

2025 -

10,2 kg/j

261,0 kg/j

2/7

Projectberekening

Aanlegfase (Beoogd), rekenjaar 2025 Emissiebronnen 1 Mobiele werktuigen | Bouw, Industrie en Delfstoffenwinning | mobiele werktuigen 3 Anders... | Anders... | stationaire emissie vrachtverkeer  Verkeersnetwerk

RaZYePgXzJCE (20 augustus 2024)

Emissie NH₃

Emissie NOₓ

9,8 kg/j 230,1 kg/j 0,2 kg/j 20,4 kg/j 0,2 kg/j 10,5 kg/j

3/7

Projectberekening

Hoogste af- en toename op (bijna) overbelaste stikstofgevoelige Natura 2000 gebieden.

500 m Habitatrichtlijn Vogelrichtlijn Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn Niet bepaald

© OSM & Kadaster Grootste toename (projectberekening) Grootste afname (projectberekening) Hoogste totaal (achtergrond + projectberekening)

De letters bij de bronlabels op de kaart geven bij welke type situaties de bronnen horen: beoogde situatie (B), referentiesituatie (R) en/of salderingssituatie (S). RaZYePgXzJCE (20 augustus 2024)

4/7

Projectberekening

Resultaten stikstofgevoelige Natura 2000 gebieden situatie "Aanlegfase" (Beoogd) incl. saldering e/o referentie Berekend (ha gekarteerd)

Totaal

RaZYePgXzJCE (20 augustus 2024)

-

Hoogste totale Met toename Grootste depositie (mol (ha gekarteerd) toename (mol N/ha/jr) N/ha/jr)

-

-

-

Met afname (ha Grootste afname gekarteerd) (mol N/ha/jr)

-

-

5/7

Projectberekening

Aanlegfase, Rekenjaar 2025 1

Mobiele werktuigen | Bouw, Industrie en Delfstoffenwinning

Naam Locatie Oppervlakte

mobiele werktuigen X:165583,52 Y:424252,1 3,38 ha

NOₓ NH₃

Naam

Stageklasse

Brandstof­verbruik

sloopkraan

Stage-IV, 2014-2018, 75-560 kW, diesel, 1600 l/j SCR: ja

230,1 kg/j 9,8 kg/j

Draaiuren AdBlue verbruik

80 u/j

96 l/j

graafmachine Stage-IV, 2014-2018, 75-560 kW, diesel, 4800 l/j SCR: ja

240 u/j 288 l/j

shovel

Stage-IV, 2014-2018, 75-560 kW, diesel, 4000 l/j SCR: ja

200 u/j 240 l/j

heistelling

Stage-IV, 2014-2018, 75-560 kW, diesel, 8400 l/j SCR: ja

240 u/j 504 l/j

betonstorter Stage-IV, 2014-2018, 75-560 kW, diesel, 5600 l/j SCR: ja

280 u/j 336 l/j

mobiele kraan

Stage-IV, 2014-2018, 75-560 kW, diesel, 9600 l/j SCR: ja

480 u/j 576 l/j

hoogwerker Stage-IV, 2014-2018, 75-560 kW, diesel, 2000 l/j SCR: ja

200 u/j 120 l/j

verreiker

240 u/j 288 l/j

2

Stage-IV, 2014-2018, 75-560 kW, diesel, 4800 l/j SCR: ja

Wegverkeer | Weg

Naam Locatie Lengte Wegtype Rijrichting Tunnelfactor Type hoogteligging Weghoogte t.o.v. maaiveld Verkeer

Licht verkeer Middelzwaar vrachtverkeer Zwaar vrachtverkeer Busverkeer

RaZYePgXzJCE (20 augustus 2024)

bouwverkeer X:165575,81 Y:423975,57 711,45 m Binnen bebouwde kom (normaal) Beide richtingen 1 Normaal 0m Max. snelheid

Voorgeschreven factoren Voorgeschreven factoren Voorgeschreven factoren Voorgeschreven factoren

Stof Emissie

NOₓ 9,0 kg/j NH₃ 0,4 kg/j NOₓ 27,1 kg/j NH₃ 1,2 kg/j NOₓ 22,6 kg/j NH₃ 1,0 kg/j NOₓ 46,6 kg/j NH₃ 2,0 kg/j NOₓ 31,6 kg/j NH₃ 1,3 kg/j NOₓ 54,2 kg/j NH₃ 2,3 kg/j NOₓ 11,8 kg/j NH₃ 0,5 kg/j NOₓ 27,1 kg/j NH₃ 1,2 kg/j

Links Rechts NOₓ 10,5 kg/j Type scherm - NO₂ 2,8 kg/j Hoogte - NH₃ 0,2 kg/j Afstand tot de weg - -

Aantal voertuigbewegingen

5.000,0 /jaar 2.500,0 /jaar 1.250,0 /jaar 0,0 /jaar

In file

0,0 % 0,0 % 0,0 % 0,0 %

6/7

Projectberekening

3

Anders... | Anders...

Naam stationaire emissie Uittreedhoogte vrachtverkeer Warmteinhoud Locatie X:165583,52 Spreiding Y:424252,1 Oppervlakte 3,38 ha Wijze van ventilatie Niet geforceerd Temporele variatie Continue Emissie

0,0 m 0,000 MW 0m

NOₓ NH₃

20,4 kg/j 0,2 kg/j

Disclaimer Hoewel verstrekte gegevens kunnen dienen ter onderbouwing van een vergunningaanvraag, kunnen er geen rechten aan worden ontleend. De eigenaar van AERIUS aanvaardt geen aansprakelijkheid voor de inhoud van de door de gebruiker aangeboden informatie. Bovenstaande gegevens zijn enkel bruikbaar tot er een nieuwe versie van AERIUS beschikbaar is. AERIUS is een geregistreerd handelsmerk in Europa. Alle rechten die niet expliciet worden verleend, zijn voorbehouden. Rekenbasis Deze berekening is tot stand gekomen op basis van AERIUS versie 2023.2.1_20240702_c9370194cb Database versie 2023.2.1_c9370194cb_calculator_nl_stable Voor meer informatie over de gebruikte methodiek en data zie: https://link.aerius.nl/website

RaZYePgXzJCE (20 augustus 2024)

7/7

Bijlage 2. AERIUS-berekening projecteffect gebruiksfase

Projectberekening Dit document geeft een overzicht van de invoer en rekenresultaten van een Projectberekening met AERIUS Calculator. De berekening is uitgevoerd binnen Natura 2000-gebieden, op rekenpunten die overlappen met stikstofgevoelige habitattypen en/of leefgebieden, gekoppeld aan een aangewezen soort, of nog onbekend maar mogelijk wel relevant, en waar tevens sprake is van een overbelaste of bijna overbelaste situatie voor stikstofdepositie.

Overzicht Samenvatting situaties Resultaten Detailgegevens per emissiebron Deze PDF is een digitaal bestand dat weer in te lezen is in AERIUS. Meer toelichting over de PDF en AERIUS kunt u vinden in de of .

handleidingen op onze website

Projectberekening

Contactgegevens Rechtspersoon Inrichtingslocatie

Activiteit

Omschrijving Toelichting

Berekening

Econsultancy Dorpsstraat/Hoogstraat, 5367 Macheren 22151.004 Gebruiksfase

AERIUS kenmerk Datum berekening Rekenconfiguratie

RcuN4aym8Jdp 20 augustus 2024, 09:55 OwN2000-rekengrid

Totale emissie

Rekenjaar

Emissie NH₃

Emissie NOₓ

Resultaten

Hoogste bijdrage

Hexagon

Gebied

Gebruiksfase - Beoogd Gebruiksfase - Beoogd Gekarteerd oppervlak met toename (ha) Gekarteerd oppervlak met afname (ha) Grootste toename Grootste afname

RcuN4aym8Jdp (20 augustus 2024)

2026 -

2,4 kg/j

62,3 kg/j

2/6

Projectberekening

Gebruiksfase (Beoogd), rekenjaar 2026 Emissiebronnen 

Verkeersnetwerk

RcuN4aym8Jdp (20 augustus 2024)

Emissie NH₃

Emissie NOₓ

2,4 kg/j

62,3 kg/j

3/6

Projectberekening

Hoogste af- en toename op (bijna) overbelaste stikstofgevoelige Natura 2000 gebieden.

500 m Habitatrichtlijn Vogelrichtlijn Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn Niet bepaald

© OSM & Kadaster Grootste toename (projectberekening) Grootste afname (projectberekening) Hoogste totaal (achtergrond + projectberekening)

De letters bij de bronlabels op de kaart geven bij welke type situaties de bronnen horen: beoogde situatie (B), referentiesituatie (R) en/of salderingssituatie (S). RcuN4aym8Jdp (20 augustus 2024)

4/6

Projectberekening

Resultaten stikstofgevoelige Natura 2000 gebieden situatie "Gebruiksfase" (Beoogd) incl. saldering e/o referentie Berekend (ha gekarteerd)

Totaal

RcuN4aym8Jdp (20 augustus 2024)

-

Hoogste totale Met toename Grootste depositie (mol (ha gekarteerd) toename (mol N/ha/jr) N/ha/jr)

-

-

-

Met afname (ha Grootste afname gekarteerd) (mol N/ha/jr)

-

-

5/6

Projectberekening

Gebruiksfase, Rekenjaar 2026 1

Wegverkeer | Weg

Naam Locatie Lengte Wegtype Rijrichting Tunnelfactor Type hoogteligging Weghoogte t.o.v. maaiveld Verkeer

Licht verkeer Middelzwaar vrachtverkeer Zwaar vrachtverkeer Busverkeer

woonverkeer X:165498,8 Y:424018,52 888,32 m Binnen bebouwde kom (normaal) Beide richtingen 1 Normaal 0m Max. snelheid

Voorgeschreven factoren Voorgeschreven factoren Voorgeschreven factoren Voorgeschreven factoren

Links Rechts NOₓ 62,3 kg/j Type scherm - NO₂ 10,4 kg/j Hoogte - NH₃ 2,4 kg/j Afstand tot de weg - -

Aantal voertuigbewegingen

600,0 /etmaal 12,0 /etmaal 0,0 /etmaal 0,0 /etmaal

In file

0,0 % 0,0 % 0,0 % 0,0 %

Disclaimer Hoewel verstrekte gegevens kunnen dienen ter onderbouwing van een vergunningaanvraag, kunnen er geen rechten aan worden ontleend. De eigenaar van AERIUS aanvaardt geen aansprakelijkheid voor de inhoud van de door de gebruiker aangeboden informatie. Bovenstaande gegevens zijn enkel bruikbaar tot er een nieuwe versie van AERIUS beschikbaar is. AERIUS is een geregistreerd handelsmerk in Europa. Alle rechten die niet expliciet worden verleend, zijn voorbehouden. Rekenbasis Deze berekening is tot stand gekomen op basis van AERIUS versie 2023.2.1_20240702_c9370194cb Database versie 2023.2.1_c9370194cb_calculator_nl_stable Voor meer informatie over de gebruikte methodiek en data zie: https://link.aerius.nl/website

RcuN4aym8Jdp (20 augustus 2024)

6/6

Bijlage 2

- Quickscan Wet natuurbescherming

Quickscan Wet natuurbescherming Hoogstraat 5 e.o. te Macharen Oriënterend onderzoek ecologie in het kader van de Wet natuurbescherming

Colofon

Status:

Definitief

Project:

2023-0666

Datum:

21 Juli 2023

Samensteller:

E. Honingh MSc.

Collegiale toets:

ing. B.P.G. van Beurden

Opdrachtgever:

Buro Waalbrug

Contactpersoon:

S. Rijcken MSc.

Disclaimer Blom Ecologie B.V. is niet aansprakelijk voor schade die voortkomt uit toepassing van de resultaten van werkzaamheden en/of gegevens verkregen van Blom Ecologie B.V. Niets uit deze rapportage mag zonder schriftelijke toestemming van de opdrachtgever en Blom Ecologie B.V. worden gebruikt door derden. Onder gebruik worden alle vormen van kopie, openbaarmaking en elke andere toepassing begrepen. Deze rapportage mag alleen gebruikt worden voor het doel waarvoor het is samengesteld.

Inhoud 1 Inleiding

4

1.1

Planlocatie

5

1.2

Beoogde ruimtelijke ingreep

7

2 Methode

8

2.1

Uitvoering onderzoek

8

2.2

Soortenbescherming

8

2.3

Gebiedsbescherming

10

2.4

Houtopstanden

11

2.5

Houdbaarheid en toepassing

11

3 Beoordeling

12

3.1

Soortenbescherming

12

3.2

Gebiedsbescherming

19

3.3

Houtopstanden

21

4 Samenvatting

22

4.1

Soortenbescherming

22

4.2

Gebiedsbescherming

22

4.3

Houtopstanden

22

5 Conclusie

23

5.1

Conclusie

23

5.2

Uitvoerbaarheid

23

5.3

Vervolgstappen

23

5.4

Te treffen maatregelen

24

1 Inleiding Aan de Hoogstraat 5 e.o. te Macharen zijn een voetbalveldclub, een tennisclub en een gemeenschapshuis met bijgebouwen gesitueerd. De initiatiefnemer is voornemens de bestaande inrichting op de planlocatie te slopen ten behoeve van woningbouw van 60 grondgebonden woningen en een nieuwbouw gemeenschapshuis. Het bestemmingsplan voorziet niet in de beoogde ruimtelijke ingreep en dient derhalve te worden gewijzigd. De beoogde ruimtelijke ingreep heeft mogelijk een negatief effect op beschermde flora en fauna (soortenbescherming), beschermde natuurgebieden (gebiedsbescherming) en/of beschermde houtopstanden. Ten behoeve van de beoogde ruimtelijke ingreep geldt de wettelijke verplichting onderzoek te verrichten naar de aanwezigheid van beschermde flora en fauna en de mogelijke effecten van de ruimtelijke ingreep daarop. Buro Waalbrug begeleidt de ruimtelijke procedure en heeft Blom Ecologie verzocht de planlocatie te onderzoeken op aanwezigheid van beschermde soorten, gebieden en houtopstanden. Vervolgens wordt getoetst of de beoogde ruimtelijke ingreep uitvoerbaar is in het kader van de Wet natuurbescherming en/of provinciaal beleid. Onderzoeksdoelen • Is het bestemmingsplan dat wordt opgesteld voor het project zoals hiervoor omschreven uitvoerbaar zoals het bepaalde in de Wro (art.

3.1.6 Bro)? • Welke, krachtens de Wet natuurbescherming, beschermde flora en fauna zijn (potentieel) aanwezig op de planlocatie en welke negatieve effecten kunnen optreden als gevolg van de beoogde ruimtelijke ingreep? • Heeft de beoogde ruimtelijke ingreep een negatief effect op de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden of de wezenlijke kenmerken en waarden van provinciaal aangewezen beschermde gebieden? • Leidt de beoogde ruimtelijke ingreep tot kap van houtopstanden zoals bedoeld in de Wet natuurbescherming? • Dienen er vervolgstappen in het kader van de Wet natuurbescherming en/of provinciaal aangewezen beschermde gebieden te worden genomen, en zo ja, welke?

Figuur 1.1

De planlocatie is gelegen aan de Hoogstraat 5 e.o. te Macharen. 4

1.1

Planlocatie De planlocatie is gelegen aan de Hoogstraat 5 e.o. te Macharen (figuur 1.2). De verlaten voetbalclub (nummer 1 in figuur 1.2) bestaan uit een verruigd voetbalveld, een kort gemaaid voetbalveld en een clubgebouw welke niet meer in gebruik is. De voetbalvelden zijn omringd door een waterhoudende kavelsloot met braamstruwelen, struiken en bomen. Het clubgebouw is opgebouwd uit gemetselde muren met spouw, zonder stootvoegen en een pannen zadeldak. De tennisvereniging (nummer 2 in figuur 1.2) bestaat uit drie tennisvelden met kunstgras, een clubgebouw en een bestraat terras. Het clubgebouw is opgebouwd uit gemetselde muren met spouw, een plat dak en houten gevelplaten. Het gemeenschapshuis (nummer 3 in figuur 1.2) is opgebouwd uit gemetselde gevels aan de onderzijde en damwand gevels bovenaan met platte daken op verscheidenen hoogtes. Tevens is ten noordoosten van het gemeenschapshuis een speeltuin gesitueerd. In figuur 1.3 en bijlage 1 zijn een aantal foto’s opgenomen die een impressie geven van de planlocatie en de directe omgeving hiervan.

Figuur 1.2 De planlocatie (rood omkaderd) is gelegen aan de Hoogstraat 5 e.o. te Macharen. De directe omgeving van de planlocatie wordt gekenmerkt door de rand van het dorp Macharen. De nabijgelegen bebouwing bestaat uit twee-onder-een-kapwoningen en een school aan de zuidzijde en agrarische percelen ten noorden en westen van de planlocatie. Circa 300 meter afstand ten noordoosten van de planlocatie is de Burgemeester Delenkanaal gelegen welke aansluit op de Maas circa 1,1 km afstand ten noorden van de planlocatie. Circa 1,4 km afstand ten oosten is de N329 gelegen en circa 1 km afstand ten zuidwesten van de planlocatie is het Oijense bos gelegen.

5

Figuur 1.3 Op de planlocatie is men voornemens om het volgende te slopen: De voetbalkantine met voetbalvelden (boven), tennisclub (linksonder) en het gemeenschapshuis (rechtsonder)

Figuur 1.4 Fotografische indruk van de omgeving van de planlocatie.

6

1.2

Beoogde ruimtelijke ingreep De beoogde ruimtelijke ingreep betreft de sloop van de huidige inrichting en bebouwing ten behoeve van woningbouw van 60 grondgebonden woningen en een nieuw gemeenschapshuis. De watergangen en bosschages rond het plangebied blijven behouden, op het plangebied worden de watergangen gedempt. De functie van het perceel dient deels te worden gewijzigd. Onderstaand volgt een korte opsomming van de ingrepen en effecten: • • • •

slopen van de aanwezige bebouwing: algemene sloopwerkzaamheden en afvoer sloopmateriaal; kappen van bomen: kapwerkzaamheden en afvoer hout; dempen van sloten: graaf- en dempwerkzaamheden; verwijderen terreininrichting, waaronder gedeelte van het groen: graafwerkzaamheden, transport (afvoer) van materiaal en groen; • egaliseren terrein: graafwerkzaamheden en grondtransport; • realisatie nieuwbouw: algemene bouwwerkzaamheden; • revitalisatie terrein en aanleg verharding: allerhande (straat- en hoveniers) werkzaamheden.

7

2 Methode Dit oriënterend onderzoek verkent alle relevante vakgebieden met betrekking tot de Wet natuurbescherming. Hierbij wordt een beoordeling gegeven van de aanwezigheid van specifieke potentie voor beschermde flora en fauna op de planlocatie, de betekenis van de planlocatie voor de aanwezige soorten en de effecten van de voorgenomen ingrepen op de soorten. Dit onderzoek bestaat uit een veldbezoek en raadpleging van externe bronnen. De reikwijdte bestaat uit de Wet natuurbescherming en de provinciale omgevingsverordening.

2.1

Uitvoering onderzoek Het veldbezoek is een momentopname van de aanwezige flora en fauna. Op basis van dit veldbezoek wordt een inschatting gemaakt omtrent de mogelijke aanwezigheid van beschermde soorten. Tijdens het veldbezoek is de planlocatie nauwkeurig onderzocht, waarbij ook gelet werd op sporen en delen of restanten van planten en/of dieren. Het veldbezoek heeft plaatsgevonden op 26 juni 20023 en is uitgevoerd door E. Honingh MSc. De weersomstandigheden tijdens het veldbezoek waren; droog, 1/8 bewolkt, 21 Celsius en windkracht 2 (Bft). Vaak zijn er al gegevens bekend over een planlocatie en de directe omgeving hiervan. Deze gegevens worden onder andere beheerd in rapporten en naslagwerken en door de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF). In NDFF wordt normaliter hierbij een straal van 2 km aangehouden rondom de planlocatie. Afhankelijk van het karakter en ligging van de planlocatie kan een afwijkende afstand aangehouden worden. Raadpleging van externe bronnen levert vaak nuttige aanvullende informatie op en biedt daarmee een vollediger beeld van de (mogelijk) aanwezige flora en fauna.

2.2 Soortenbescherming De soortenbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten (Wnb art. 3.1), Habitatrichtlijnsoorten (Wnb art. 3.5) en Andere soorten (Wnb art. 3.10). Hierin worden rust- en voortplantingsverblijfplaatsen en het functioneel leefgebied beschermd. Bij overtreding van een verbodsbepaling geldt een ontheffingsplicht. Vogelrichtlijn (Wnb art. 3.1) 1. Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen. 2. Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. 3. Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben. 4. Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen. 5. Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Habitatrichtlijn (Wnb art. 3.5) 1. Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen.

2. Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren. 3. Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen. 4. Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te beschadigen of te vernielen.

8

5. Het is verboden planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of

bijlage I bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Andere soorten (Wnb art. 3.10) 1. Onverminderd artikel 3.5, eerste, vierde en vijfde lid, is het verboden: a. in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A, bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen; b. de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a opzettelijk te beschadigen of te vernielen, of c. vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B, bij deze wet, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Natuurlijk verspreidingsgebied Individuen, populaties en groeiplaatsen die zich buiten het natuurlijk verspreidingsgebied bevinden, vallen buiten het beschermingsregime van soortenbescherming. Het natuurlijk verspreidingsgebied wordt gedefinieerd als het gebied welke een soort op eigen kracht heeft bezet of waarin deze is geherintroduceerd binnen het verspreidingsgebied waar de soort van nature voorkwam. Het beschermingsregime geldt dus niet voor ingezaaide planten of dieren welke zijn losgelaten, ontsnapt of vanuit elders zijn meegelift.

Om te bepalen of een plant of dier voorkomt binnen zijn natuurlijke verspreidingsgebied wordt gebruik gemaakt van de Verspreidingsatlas en naslagwerken. Wel geldt onverminderd de Algemene zorgplicht. Vogelrichtlijn Onder de Vogelrichtlijn zijn alle in gebruik zijnde nesten en broedgevallen van vogels beschermd. Het is van alle vogelsoorten verboden om nesten te beschadigen of te vernielen. Daarnaast gelden onder provinciale aanwijzingen categorieën waarin de nesten en rustplaatsen van specifieke vogelsoorten jaarrond bescherming genieten, dus ook in de periode dat deze niet in gebruik zijn. Rustplaatsen zijn conform de Richtsnoeren van de Europese Commissie gedefinieerd als zijnde essentiële zones voor het bestaan van een dier of groep van dieren wanneer ze niet-actief zijn. Tabel 2.1

Vogelsoorten onder categorie 1 t/m 4: nesten en rustplaatsen jaarrond beschermd. Vogelsoorten onder categorie 5: nesten en rustplaatsen jaarrond beschermd, indien er sprake is van ecologisch zwaarwegende redenen.

Vogelsoorten onder categorie 1 t/m 4 Boomvalk Buizerd Gierzwaluw Grote gele kwikstaart

Havik Huismus Kerkuil Oehoe

Ooievaar Ransuil Roek Slechtvalk

Sperwer Steenuil Wespendief Zwarte wouw

Kleine bonte specht Kleine vliegenvanger Koolmees Kortsnavelboomkruiper Oeverzwaluw Pimpelmees Raaf Ruigpootuil Spreeuw

Tapuit Torenvalk Zeearend Zwarte kraai Zwarte mees Zwarte roodstaart Zwarte specht

Vogelsoorten onder categorie 5 Blauwe reiger Boerenzwaluw Bonte vliegenvanger Boomklever Boomkruiper Bosuil Brilduiker Draaihals Eider

Ekster Gekraagde roodstaart Glanskop Grauwe vliegenvanger Groene Specht Grote bonte specht Hop Huiszwaluw IJsvogel

Provinciale vrijstelling Van de verboden als bedoeld in Andere soorten Wnb art. 3.10 eerste lid kan door bevoegd gezag vrijstelling verleend worden voor het opzettelijk doden of vangen van individuen en voor het opzettelijk beschadigen of vernielen van voortplantingsplaatsen of vaste rustplaatsen voor bepaalde soorten.

9

Voor alle soorten in Nederland geldt dat er sprake is van een algemene zorgplicht (Wnb art. 1.11). Hierin wordt voorgeschreven dat nadelige gevolgen voor flora en fauna voorkomen moeten worden. Het uitgangspunt van de algemene zorgplicht is dat het doden, verwonden, verontrusten of beschadigen van flora en fauna wordt vermeden. Deze zorgplicht geldt voor iedereen. In de Omgevingsverordening van de Provincie Noord-Brabant is voor de volgende soorten vrijstelling opgenomen in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: Tabel 2.22 Vrijgestelde soorten in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen in de provincie NoordBrabant. Vrijgestelde soorten Aardmuis

Gewone pad

Rosse woelmuis

Bastaardkikker

Haas

Tweekleurige bosspitsmuis

Bosmuis

Huisspitsmuis

Veldmuis

Bruine kikker

Kleine watersalamander

Vos

Dwergmuis

Konijn

Wild zwijn

Dwergspitsmuis

Meerkikker

Woelrat

Egel

Ondergrondse woelmuis

Gewone bosspitsmuis

Ree

2.3 Gebiedsbescherming In Nederland zijn natuurgebieden aangewezen met een beschermde status. Deze natuurgebieden betreffen hoofdzakelijk Natura 2000-gebieden en provinciaal beschermde gebieden. Natura 2000-gebieden Voor werkzaamheden in Natura 2000-gebieden is bij mogelijke effecten een Voortoets vereist. Met de Voortoets wordt bepaald of de plannen mogelijk negatieve effecten hebben op de doelstellingen van Natura 2000-gebieden. Ten aanzien van Natura 2000-gebieden kunnen ook externe effecten als stikstofdepositie en licht- of geluidsuitstraling van invloed zijn. Bij negatieve effecten op beschermde natuurgebieden dient een vergunning voorhanden te zijn. Provinciaal beleid Onderstaande teksten zijn gebaseerd op de meest recente versie van de Omgevingsverordening. Natuurnetwerk Brabant Binnen het Natuurnetwerk Brabant geldt het ‘nee, tenzij’-principe. Het uitgangspunt is dat een bestemmingplan van toepassing op het Natuurnetwerk Brabant strekt tot het behoud, herstel of de duurzame ontwikkeling van de ecologische waarden en kenmerken. Binnen het Natuurnetwerk Brabant gelden regels omtrent nieuwe ontwikkelingen. Zo is bijvoorbeeld het realiseren van nieuwvestiging toegestaan als een deel van het desbetreffende NNB door stedelijke gebied loopt, en de nieuwvestiging geen aantasting geeft aan de ecologische waarden en kenmerken van het NNB.

Wanneer er sprake is van een groot openbaar belang en er geen alternatieven zijn, zijn ontwikkelingen binnen het NNB ook mogelijk. Bij verlies van ecologische waarden en kenmerken geldt een compensatieplicht. Groenblauwe mantel De provincie streeft naar samenhangende aanpak van natuur, landschap en water die de omgevingskwaliteit en recreatiemogelijkheden versterkt en waardoor de gevolgen van klimaatveranderingen voor de natuur en het watersysteem beter kunnen worden opgevangen. Om de robuustheid van het systeem te bevorderen, zijn er gebieden opgenomen als verbinding tussen het Natuurnetwerk Brabant en het Landelijk gebied; de Groenblauwe mantel. Het beleid in de groenblauwe mantel is gericht op het behoud en vooral de ontwikkeling van natuur, watersysteem en landschap. Voor de natuur betekent dit vooral versterking van de leefgebieden voor plant- en diersoorten en de bevordering van de biodiversiteit buiten het NNB. Binnen de groenblauwe mantel is volop ruimte voor de ontwikkeling van gebruiksfuncties zoals landbouw en recreatie, met een meer extensief karakter en als die bijdragen aan de kwaliteiten van natuur, water en landschap. 10

De ontwikkeling van nieuwe (kapitaal)intensieve functies, zoals stedelijke ontwikkeling of intensieve vormen van recreatie of en landbouw (zoals de bouw van kassen, (bezoekers-)intensieve recreatie, of concentratiegebieden voor intensieve landbouwfuncties) passen minder bij het karakter van deze gebieden. Daarom geldt binnen de groenblauwe mantel soms aanvullende regels voor de ontwikkeling van die functies. Het concrete beleid in een gebied behorend tot de groenblauwe mantel is uitgewerkt door de desbetreffende gemeente.

2.4 Houtopstanden Houtopstanden onder de Wnb betreffen zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, met een oppervlakte van 1000 m2 of meer, of een rijbeplanting met meer dan 20 bomen. Het is verboden een houtopstand geheel of gedeeltelijk te vellen of te doen vellen, met uitzondering van het periodiek vellen van griend- of hakhout, zonder voorafgaand melding te doen bij gedeputeerde staten. Ingeval een houtopstand geheel of gedeeltelijk is geveld, dient deze binnen drie jaar herplant te worden. Het vellen van houtopstanden is niet meldingsplichtig in het kader van de Wnb als het één van de volgende typen houtopstanden betreft (Wnb art.

4.1): a) houtopstanden binnen de door gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom; b) houtopstanden op erven of in tuinen; c) fruitbomen en windschermen om boomgaarden; d) naaldbomen, kennelijk bedoeld om te dienen als kerstbomen, niet ouder dan twintig jaar; e) kweekgoed; f) uit populieren of wilgen bestaande: (1) wegbeplantingen, (2) beplantingen langs waterwegen en/of (3) éénrijige beplantingen langs landbouwgronden; g) het dunnen van een houtopstand; h) uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen die kennelijk zijn bedoeld voor de productie van houtige biomassa, indien zij: (1) ten minste eens per tien jaar worden geoogst, (2) bestaan uit minstens tienduizend stoven per hectare per beplantingseenheid, zijnde een aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken breder dan twee meter, en (3) zijn aangelegd na 1 januari 2013.

2.5 Houdbaarheid en toepassing De beoogde ruimtelijke ingreep wordt getoetst aan de actuele wetgeving en provinciale verordening. Over het algemeen heeft een quickscan Wet natuurbescherming een houdbaarheid van 3 jaar, mits binnen deze periode de omstandigheden op de planlocatie, de wetgeving en de provinciale verordening niet wezenlijk veranderen.

11

3 Beoordeling 3.1

Soortenbescherming Op basis van het veldbezoek en de bureaustudie wordt per soortgroep besproken wat de potentie van de planlocatie en de directe omgeving daarvan voor het voorkomen van soorten is, en welke effecten daarop te verwachten zijn ten gevolge van de beoogde ruimtelijke ingreep. Voor een aantal van de nationaal beschermde soorten geldt vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. In de voorliggende beoordeling is specifiek gelet op de potentiële aanwezigheid van beschermde soorten waarvoor geen vrijstelling geldt. Planten Binnen een straal van 2 km van de planlocatie is het voorkomen van beschermde planten niet bekend (NDFF 2013-2023). De planlocatie rond de bebouwing van de tennisclub en het gemeenschapshuis bestaat uit goed onderhouden tuinen met slechts aangeplante planten zonder beschermde status. De voetbalclub, naastgelegen voetbalvelden en omringende struwelen zijn sterk verruigd. In de struwelen en op het verruigde voetbalveld zijn veel bramen, brandnetels en andere vegetatie aanwezig die wijzen op sterk geëutrofieerde bodems. Door de hoge stikstofbeschikbaarheid en het gebrek aan waarnemingen, kan de aanwezigheid van beschermde plantensoorten op de planlocatie uitgesloten worden. Ter plaatse van de planlocatie is slechts sprake van inheemse of aangeplante planten zonder beschermde status.

Enkele waargenomen soorten betreffen: brandnetel, groot kaasjeskruid, heermoes, paardenbloem, smalle weegbree en speerdistel. Op de muren van de bebouwing is geen (beschermde) muurvegetatie aangetroffen. Enkele waargenomen soorten in de struwelen zijn berk, braam, conifeer, hazelnoot, sleedoorn, zomereik en wilg. De beoogde ruimtelijke ingreep leidt niet tot aantasting van beschermde en/of kwetsbare vegetatie. Gelet op de functie, ligging en het gebruik van het perceel in relatie tot de habitatpreferentie van kwetsbare en zeldzame soorten wordt de aanwezigheid hiervan niet verwacht. Daarnaast zijn beschermde planten niet aangetroffen gedurende het veldbezoek. Hiermee kan worden uitgesloten dat er sprake is van het opzettelijk vernielen van beschermde planten in hun natuurlijke verspreidingsgebied. Grondgebonden zoogdieren Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende zoogdieren: bever, bosmuis, bruine rat, bunzing, das, dwergmuis, egel, haas, huisspitsmuis, konijn, mol, ree, rosse woelmuis, steenmarter, veldmuis, vos, wezel, woelrat (NDFF 2013-2023). Voor de volgende soorten geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en dat er geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: bever, bunzing, das, steenmarter en wezel.

De bever komt voor rond (grotere) wateren met op de oevers een dichte begroeiing van onder andere houtige vegetatie. De planlocatie betreft een voetbalclub, tennisclub en gemeenschapshuis wat niet gelegen is nabij groot oppervlaktewater. De dichtstbijzijnde waarneming is bekend op 300 meter ten noordoosten bij het Burgemeester Delenkanaal (NDFF 2013-2023). Tussen de dichtstbijzijnde waarneming en de planlocatie is een dijk met weg en een weiland gesitueerd wat het gebruik van de planlocatie verhinderd. Wegens het ontbreken van geschikt leefgebied voor de soort en het ontbreken van een beschutte route van het kanaal, kan de aanwezigheid van de bever op de planlocatie uitgesloten worden.

12

De bunzing, steenmarter en wezel behoren tot de marterachtigen. Deze soorten zijn kenmerkend voor kleinschalige cultuurlandschappen met voldoende structuurelementen die beschutting bieden, zoals houtstapels of heggen. De rust- en verblijfplaatsen zijn voornamelijk in oude holen van muizen, ratten en konijnen waar voldoende beschutting aanwezig is. De vaste rust- en voortplantingsplaatsen van de steenmarter bevinden zich voornamelijk in gebouwen. De dichtstbijzijnde waarneming van de bunzing, steenmarter en wezel zijn bekend op respectievelijk 580 meter ten zuidoosten, 1,8km ten noordwesten en 1,9 km ten zuidwesten van de planlocatie (NDFF 2013-2023). De groenstruwelen op de planlocatie bieden geschikte beschutting en rust- en verblijfplaatsen voor de bunzing, steenmarter en wezel. De bebouwing op de planlocatie is voor de steenmarter niet toegankelijk. Het grasveld kunnen door marterachtigen gebruikt worden als migratieroutes en/of foerageergebied. Gebaseerd op bekende verspreidingsgegevens, de ligging van de planlocatie en de aanwezigheid van potentiële rust- en verblijfplaatsen zijn negatieve effecten ten aanzien van de bunzing, steenmarter en wezel niet uit te sluiten. Voorafgaande de beoogde ontwikkeling dient middels een aanvullend onderzoek de potentiële functie van de planlocatie voor de bunzing, steenmarter en wezel in kaart gebracht te worden (zie H5.3).

De das leeft in gebieden die bestaan uit een combinatie van diverse habitattypen. Vaak zijn dit kleinschalige akker- en weidelandschappen met voldoende bosjes, houtwallen, singels en heggen. Belangrijk voor de habitat van de das is dat er voldoende voedselaanbod is, een goed vergraafbare grond aanwezig is, voldoende dekking in de vorm van houtwallen of heggen is en het gebied weinig wordt verstoord (BIJ12 kennisdocument Das, 2017). De planlocatie bestaat deels uit een verruigde grasvelden omringd met groenstruwelen. Er zijn meerdere waarnemingen van de das bekend in de omgeving van de planlocatie waarvan de dichtstbijzijnde waarnemingen van de das bekend zijn op circa 750 meter ten zuiden van de planlocatie. Het is niet uit te sluiten of er sprake is van verschillende dassenterritoriums in de directe omgeving van de planlocatie. Ondanks het ontbreken van de sporen ten tijde van het veldbezoek kan de planlocatie deel uitmaken van het leefgebied van de das. Derhalve dient er aanvullend onderzoek plaats te vinden voor het bepalen of de planlocatie tot een essentieel foerageergebied behoort (zie H5.3). De planlocatie heeft enkel mogelijk een functie voor algemene soorten. Dit betreft met name bruine rat, konijn, mol en veldmuis.

Dergelijke soorten zijn dermate opportunistisch dat in de directe omgeving voldoende vergelijkbaar habitat aanwezig is waar ze zich al dan niet tijdelijk kunnen ophouden. Bovendien geldt voor dergelijke algemene soorten vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Op en rondom de planlocatie zijn geen holen, nesten of sporen aangetroffen die duiden op de aanwezigheid van beschermde zoogdiersoorten die buiten de Omgevingsverordening van de provincie vallen (zie Wnb art. 3.10). Er is ten aanzien van algemene grondgebonden zoogdieren geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen in het kader van de Wet natuurbescherming. Vleermuizen Binnen een straal van 2 km is het voorkomen bekend van de volgende vleermuissoorten: gewone dwergvleermuis en laatvlieger (NDFF 2013-2023). Onder de Wet natuurbescherming zijn alle in Nederland voorkomende vleermuizen als Habitatrichtlijnsoorten beschermd (Wnb art. 3.5). Laanvormige bomenrijen, oude bomen met gaten en scheuren, (oude) gebouwen met kieren en spleten en/of structuurrijke groenelementen kunnen een functioneel onderdeel zijn van een vleermuishabitat. Ongeacht de mogelijke aanwezigheid van vleermuisverblijfplaatsen kunnen vleermuizen gebruikmaken van de planlocatie tijdens vliegbewegingen en foerageeractiviteiten. Hier dienen in het kader van de algemene zorgplicht mogelijk maatregelen genomen te worden (zie H5.4).

Op de planlocatie zijn alle bomen geïnspecteerd op de aanwezigheid van boomholten, loshangende bastdelen, scheuren, spleten of andere openingen welke kunnen dienen als verblijfplaats. In de bomen op en nabij de planlocatie zijn geen boomholten of andere potentiële verblijfplaatsen aangetroffen. De ontwikkeling resulteert derhalve niet in het wegnemen van verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen. De te slopen bebouwing is nauwkeurig geïnspecteerd op de aan- dan wel afwezigheid van potentiële verblijfplaatsen en geschikte invliegopeningen.

13

Alle gevels en daken van de betreffende bebouwing zijn gecontroleerd op eventuele openingen als open stootvoegen, kierende daklijsten, scheefliggende dakpannen, ontbrekende specie en overige gevelafwerkingen die vleermuizen toegang kunnen verlenen tot een open dakruimte en/of spouwmuur. Een dergelijke verblijfplaats moet voldoen aan een geschikt microklimaat, met een constante (lage) temperatuur, een hoge luchtvochtigheid en weinig invloed van weersomstandigheden. Het verlaten voetbalclubgebouw is opgebouwd uit gemetselde muren met spouw, zonder stootvoegen en een pannen zadeldak. De spouw en/of open dakruimte zijn voor vleermuizen toegankelijk middels kierende kantpannen en openingen rond de aansluiting tussen de gevel en dakdelen (figuur 3.1). Het tennisclubgebouw is opgebouwd uit gemetselde muren met spouw, een plat dak en houten gevelplaten. Tussen de aansluitingen van de gemetselde muren en houten gevelplaten en rond kierende daklijsten zijn openingen aanwezig die vleermuizen toegang kunnen verlenen tot de spouwruimte (figuur 3.1). Het gemeenschapshuis (nummer 3 in figuur 1.2) is opgebouwd uit gemetselde gevels aan de onderzijde en damwand gevels bovenaan met platte daken op verscheidenen hoogtes. De spouw is voor vleermuizen toegankelijk middels dilatatievoegen, kierende daklijsten en openingen in de gevels (figuur 3.1).

Alleen de kierende kantpannen in het verlaten voetbalclubgebouw zijn van voldoende grootte voor de laatvlieger. De aanwezigheid van vleermuizen in de gebouwen op de planlocatie kunnen derhalve niet uitgesloten worden. Hierdoor is het mogelijk dat de beoogde ruimtelijke ingreep resulteert in het wegnemen van vleermuisverblijfplaatsen. Gebaseerd op de bekende verspreidingsgegevens, de ligging van de planlocatie (landelijk gebied) en het type bebouwing is potentie voor verblijfplaatsen van de volgende vleermuissoorten: gewone dwergvleermuis en ruige dwergvleermuis (tabel 3.1). Om aan- of afwezigheid van vleermuizen vast te stellen dient aanvullend onderzoek plaats te vinden middels veldbezoeken in de periode april-september (zie H5.3). Naast de mogelijkheid dat vleermuizen de planlocatie gebruiken als verblijfplaats, bestaat de mogelijkheid dat vleermuizen de planlocatie gebruiken als foerageergebied en/of vliegroute. De groenstruwelen welke als lijnvormige structuren op de planlocatie aanwezig zijn, kunnen potentieel als vliegroute fungeren. Daarnaast kan het verruigde grasveld en de aangrenzende groenstruwelen potentieel als foerageergebied fungeren. Om de aan- of afwezigheid van essentieel foerageergebied of vliegroute vast te stellen dient aanvullend onderzoek plaats te vinden (zie H5.3)

Figuur 3.1 Impressie van potentiële invliegopeningen voor vleermuizen in het voetbalclubgebouw (boven), tennisclubgebouw (linksonder) en gemeenschapshuis (rechtsonder).

14

Tabel 3.1

Samenvatting van de beoordeling van verblijfplaatsen, essentiële vliegroute en foerageergebied voor verschillende vleermuissoorten.

Vleermuissoort

Potentie

Onderbouwing

Gewone dwergvleermuis

Ja

Geschikte openingen in bebouwing

Ruige dwergvleermuis

Ja

Geschikte openingen in bebouwing

Laatvlieger

Ja

Geen geschikte openingen van voldoende grootte in bebouwing

Gewone grootoorvleermuis

Nee

Geen geschikte openingen van voldoende grootte in bebouwing en geen waarnemingen bekend

Meervleermuis

Nee

Geen geschikte openingen van voldoende grootte in bebouwing en buiten bekende verspreiding

Watervleermuis

Nee

Geen geschikte openingen in bomen

Rosse vleermuis

Nee

Geen geschikte openingen in bomen

Tweekleurige vleermuis

Nee

Buiten bekende verspreiding en afwezigheid van zeer hoge bebouwing voor paarverblijfplaatsen

Vleermuizen algemeen

Potentie

Onderbouwing

Massawinterverblijfplaats (gewone dwergvleermuis) Essentiele vliegroute

Nee

Geen hoge bebouwing met bufferende vermogen

Ja

Aantasting van lijnvormige structuren

Essentieel foerageergebied

Ja

Aantasting van houtopstanden met struweel.

Tabel 3.2

Samenvatting van de potentie voor vleermuissoorten op de planlocatie.

Vleermuissoort

Zomer

Kraam

Paar

Massawinter

Gewone dwergvleermuis

Ja

Ja

Ja

Nee

Ruige dwergvleermuis

Ja

Nee

Ja

Nee

Laatvlieger

Ja

Ja

Ja

Nee

Amfibieën Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende amfibieënsoorten: bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad en kleine watersalamander (NDFF 2013-2023). Voor al deze soorten geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming, maar vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Voortplantingswater voor beschermde amfibieën bestaan voornamelijk uit zonnige, voedsel- en (oever)vegetatierijke en visarme wateren. Het oppervlaktewater op de planlocatie, bevat veel kroos, verbinding tot visrijke nabije sloten en geen tot nauwelijks (oever)vegetatie. Daarnaast zijn er tijdens het veldbezoek zijn geen amfibieën aangetroffen op de planlocatie. Het is niet uit te sluiten dat algemene soorten, zoals de bruine kikker en gewone pad voorkomen op de planlocatie. Deze dieren vallen echter onder de vrijstelling voor ruimtelijke ontwikkelingen op basis van de vastgestelde provinciale verordeningen. Er is ten aanzien van amfibieën geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen in het kader van de Wet natuurbescherming. Reptielen Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid van inheemse reptielen niet bekend (NDFF 2013-2023). Reptielen zijn over het algemeen verbonden aan structuurrijke en weinig verstoorde biotopen als heidevelden, bosgebied en natuurlijke oevers.

In de directe omgeving van de planlocatie en deels op de planlocatie is er een hoge mate van menselijke verstoring waardoor het voorkomen van beschermde reptielen binnen het plangebied uitgesloten kan worden. Er is ten aanzien van reptielen geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen in het kader van de Wet natuurbescherming.

15

Vissen Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de grote modderkruiper (NDFF 2013-2023). De grote modderkruiper komt voor in ondiepe stilstaande tot langzaam stromende wateren, welke rijkelijk begroeid zijn met onderwater- en oevervegetatie en snel opwarmen. Een hoge voedsel dichtheid van macrofauna en dikke modderbodem zijn van hoog belang. De dichtstbijzijnde waarneming van de grote modderkruiper is op 1,4 km ten noordwesten van de planlocatie (NDFF 2013-2023). Op de planlocatie is een kavelsloot aanwezig tussen de twee voetbalvelden in het noorden van de planlocatie. Deze kavelsloot is volledig overgroeid door de groenstruwelen en kroos waardoor het ontbreekt aan enige vegetatie in de sloot. Daarbij kan deze sloot, door de groenstruwelen, niet tot nauwelijks opwarmen en staat de sloot niet in verbinding met de watergangen waar waarnemingen van de grote modderkruiper bekend zijn. Wegens het ontbreken van geschikt leefgebied voor de soort en de aftand en verbinding tot nabije waarnemingen, kan de aanwezigheid van de grote modderkruiper op de planlocatie uitgesloten worden. In het kader van de Algemene zorgplicht dienen er bij de beoogde dempingswerkzaamheden enkele maatregelen getroffen te worden, zie H5.4. Er is ten aanzien van vissen geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen in het kader van de Wet natuurbescherming.

Insecten en andere ongewervelden Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid van beschermde insecten of ongewervelden niet bekend (NDFF 2013-2023). De teunisbloempijlstaart is niet waargenomen binnen een straal van 2 km in de afgelopen 10 jaar. Echter is de soort de laatste jaren flink in opmars en reikt zijn verspreidingsgebied inmiddels ten zuidoosten van de lijn Rotterdam – Zwolle. Het betreft een zwervende soort waardoor deze lastig waar te nemen is en waarnemingen in de NDFF ontbreken. Derhalve wordt deze soort ook meegenomen in de beoordeling. De teunisbloempijlstaart komt voor op open plekken in vochtige bossen, bosranden en warme open plaatsen. De rupsen van de teunisbloempijlstaart leven voornamelijk van (middelste) teunisbloem, maar soms ook van (harig) wilgenroosje, basterdwederik en grote kattenstaart. Soms worden tuinplanten zoals fuchsia gebruikt als waardplant. De soort vliegt van mei tot juni in één generatie. Rupsen zijn aanwezig van juni tot september. De overwintering vindt plaats als pop in de strooisel laag. Op de planlocatie is een minimale strooisel laag aanwezig gezien het gebruik als voetbalveld. Gezien de soort meebeweegt c.q. opduikt met pioniersvegetatie (zoals teunisbloem) kennen de imago’s een zwervend karakter.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Oss&id=d97a7c5d-c8f4-4d71-ae74-b9133e96222d