3. Bijlagenboek Macharen-west - 2024
Tekst van het document
Het terrein is opgehoogd voorafgaand aan de bouw, waardoor behoud in situ is gerealiseerd. Er heeft geen vervolgonderzoek plaatsgevonden. Bureauonderzoek. Er geldt een hoge verwachting op resten uit het laatneolithicum tot en met de nieuwe tijd. Er is geadviseerd om een proefsleuvenonderzoek uit te voeren, aangezien een booronderzoek geen uitsluitsel kan geven over de aan- of afwezigheid van een erf uit de nieuwe tijd. Bureauonderzoek. Er geldt een hoge verwachting op resten vanaf het neolithicum tot en met de middeleeuwen. Er is een vervolgonderzoek in de vorm van een archeologische begeleiding geadviseerd. Booronderzoek. Geen rapport beschikbaar in Archis of Dans. Eerste bevindingen wel ingediend, maar geen informatie ingevoerd. Booronderzoek. Geen rapport beschikbaar in Archis of Dans. Op basis van de eerste bevindingen zijn er oeverafzettingen en overslaggronden aangetroffen in het onderzochte gebied.
In Archis staat bij het bureau- en booronderzoek een verkeerde locatie aangegeven.
Archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek
24
De heemkundekring Stichting de Werkende Mens heeft doorverwezen naar de heemkundekring Megen, Haren en Macharen. Er is geen reactie gekomen van hen.36
2.5 Archeologische verwachting Het plangebied ligt op de overgang van de stroomgordel van Haren/Macharen naar het komgebied. Op deze stroomgordel zijn in de omgeving van het plangebied resten uit het neolithicum t/m vroege middeleeuwen gevonden. Oeverafzettingen zijn afgedekt door een kleipakket van circa 60 cm dik en er is sprake van een zwakke bodemvorming, wat heeft geresulteerd in kalkarme poldervaaggronden. Begin 20e eeuw ligt er een huis met erf in het plangebied, maar is het grotendeels in gebruik als hakhout en weiland. Na de Tweede Wereldoorlog verdween de bebouwing en werd het terrein deels een boomgaard. In 1975 werd het gemeenschapshuis gerealiseerd en in de jaren 80 verschenen ook de voetbalvelden met een kantine. In de jaren 90 werden daar twee tennisbanen aan toegevoegd en sinds 2000 is het plangebied in de huidige vorm ingericht. In de omgeving van het plangebied zijn overwegend bureau- en booronderzoeken uitgevoerd, waarbij de aanwezigheid van vindplaatsen niet werd uitgesloten. In één geval heeft dit geleid tot een gravend onderzoek, waarbij een vindplaats uit het neolithicum – vroege middeleeuwen is aangetroffen. Tabel 2.4 Overzicht van de specifieke archeologische verwachting van het plangebied.
periode verwachting complex omvang kenmerken diepte Paleolithicum en laag kampement sterk variabel Spreiding >100 cm -mv mesolithicum vuursteen Neolithicum – hoog huisplaats(en) 500 - 2000 m2 Sporen, 200 cm -mv late spreiding middeleeuwen losse vondsten Nieuwe tijd middelhoog Huisplaats(en) 500 - 2000 m2 Sporen, vanaf het tot hoog infrastructurele spreiding maaiveld elementen losse vondsten
gaafheid matig goed
goed
Archeologische verwachting (incl. datering, complextype en omvang) Het laat-paleolithicum werd evenals het daaropvolgende mesolithicum gekenmerkt door rondtrekkende jager-verzamelaars, die gebruikmaakten van stenen en benen werktuigen. De mensen woonden in tijdelijke kampen, die zich over het algemeen op landschappelijke gradiënten bevonden. Vindplaatsen van jager-verzamelaars worden overwegend gekenmerkt door een spreiding van vuurstenen werktuigen en afval en zijn meestal (zeer) klein (<200 m2). Eventuele vindplaatsen uit de periode paleolithicum en mesolithicum zijn opgeruimd door de Haren/Macharen stroomgordel. Op basis hiervan wordt aan het plangebied een lage verwachting toegekend voor vindplaatsen van jager-verzamelaars uit het paleolithicum en mesolithicum. Vanaf 4900 voor Chr. (neolithicum) verruilde men geleidelijk het jagen en verzamelen voor een voedselvoorziening gebaseerd op akkerbouw en veeteelt. Door het verbouwen van voedsel werd men gebonden aan een bepaalde plek, werden stevigere onderkomens gebouwd en ging men aardewerk produceren en gebruiken. De locatiekeuze van de mensen werd in belangrijke mate bepaald door de mate waarin gronden geschikt waren voor beakkering (vruchtbaarheid en ontwatering).
Dergelijke vindplaatsen (omvang 500-2000 m2) worden gekenmerkt door een spreiding van vondsten (met name aardewerk, maar ook andere gebruiksvoorwerpen) en sporen (kuilen, paalgaten, waterputten e.d.). Vaak is de vondstenlaag (het oude maaiveld) opgenomen in de bovengelegen akkerlaag, waardoor de vondstdichtheid relatief laag is. In het neolithicum en de ijzertijd was de Macharen/Haren stroomgordel actief. Op de oevers van deze
36
E-mail aan heemkundekring Megen-Haren-Macharen, d.d. 13-7-2023.
25
V-23.0316 - Macharen te Macharen
rivier vond bewoning plaats, zoals is aangetoond bij een gravend onderzoek in de omgeving. Voor landbouwers uit het neolithicum tot en met de volle middeleeuwen geldt daarom een hoge verwachting. Het plangebied ligt ten noordwesten van de middeleeuwse kern van Macharen. Langs de Hoogstraat en Dorpstraat geldt een hoge verwachting op bewoning uit de late middeleeuwen en nieuwe tijd. Verder van de kern af geldt een middelhoge verwachting op resten uit deze periode. Diepteligging en stratigrafische ligging De vindplaatsen bevinden zich overwegend in de top van de oeverwalafzettingen onder een kleipakket. Op basis van de booronderzoeken in de omgeving bevindt deze zich op circa 2 m -mv. Gaafheid, conservering en mogelijke verstoringen Als gevolg van de bebouwing en de aanleg van de sportvelden kan de natuurlijke bodem deels zijn verstoord. Het kleipakket zal echter als bescherming hebben opgetreden. Vanwege de natte omstandigheden zullen de conserveringsomstandigheden van organisch materiaal redelijk goed zijn.
Archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek
26
3
Inventariserend veldonderzoek
3.1 Werkwijze Tijdens het inventariserend veldonderzoek is de archeologische verwachting uit het bureauonderzoek in het veld getoetst. Het inventariserend veldonderzoek, verkennende fase, is uitgevoerd vanwege de middelhoge en hoge verwachting op het aantreffen van archeologische resten uit het neolithicum tot en met de nieuwe tijd. Bij het inventariserend veldonderzoek (verkennende fase) is het plangebied onderzocht op de geomorfologische, geologische en bodemkundige karakteristieken. Ook geeft het booronderzoek informatie over de intactheid van de bodem en geeft daarmee inzicht in de gaafheid van een eventuele archeologische vindplaats. In het plangebied zijn in totaal 21 boringen gezet (afb. 3.1). Er is geboord in een 40 bij 50 m verspringend grid met een Edelmanboor met een diameter van 7 cm (zes boringen per hectare). De boringen zijn uitgevoerd tot 250 cm -mv (2,90 m +NAP). Vijf boringen zijn gestuikt op wortels, baksteen en in de droge klei. De locaties van de boringen zijn ingemeten met een GPS. De hoogteligging ten opzichte van NAP is ingemeten met een GPS. Hoewel het verkennende onderzoek niet specifiek is gericht op het opsporen van archeologische indicatoren is wel op de aanwezigheid daarvan gelet. De bodemlagen zijn met de hand en op het oog onderzocht op de aanwezigheid van archeologische indicatoren. Archeologische indicatoren (bv.
aardewerk, huttenleem, vuursteen, metaal, houtskool en al dan niet verbrand bot) kunnen een aanwijzing zijn voor de aanwezigheid van een archeologische vindplaats ter plaatse of in de nabijheid van de boring met indicator. De bodemlagen zijn lithologisch37 en bodemkundig38 beschreven. Slootkanten en molshopen zijn eveneens geïnspecteerd op de aanwezigheid van archeologische resten en/of bijzonderheden. Vanwege de begroeiing, bebouwing en verharding heeft geen oppervlaktekartering plaatsgevonden. Het veldonderzoek heeft plaatsgevonden op 14 en 19 juli 2023. In navolgende paragrafen worden de resultaten van het veldonderzoek beschreven. De locaties van de boringen staan weergegeven op de boorpuntenkaart (afb. 3.1). De maaiveldhoogte (in meters t.o.v. NAP) is per boring vermeld in de boorstaten (bijlage 2).
37 38
naar Bosch 2008. naar De Bakker & Schelling 1989.
27
V-23.0316 - Macharen te Macharen
Afb. 3.1 Boorpuntenkaart op recente luchtfoto (PDOK 2023).
3.2 Veldwaarnemingen Het plangebied is deels bebouwd en deels verhard met klinkers en stoeptegels. Achter het gemeenschapshuis gaat het landschap naar beneden. De begrenzing tussen het hogere zuidoostelijke deel en de rest van het plangebied is scherp en kunstmatig. De voormalige voetbalvelden zijn begroeid met onkruid en stikstofminnende planten zoals brandnetels, distels en bramen. Langs de randen van de velden staan bomen en struiken. Door de aanwezige bebouwing en begroeiing waren aan het maaiveld geen aanwijzingen zichtbaar die zouden kunnen duiden op de aanwezigheid van archeologische resten in de bodem (afb. 3.2).
Archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek
28