3.a Bijlagenboek 1 bij toelichting
Tekst van het document
De onderzoeksmethoden zijn geplaatst op ‘kansrijke’ locaties als wissels, tussen de bramenstruiken, begroeide oevers en in de bosschage (figuur 2.3). Het totale onderzoek heeft plaatsgevonden in de periode van 15 februari 2023 t/m 13 oktober 2023. Het dasonderzoek is uitgevoerd in 3 fases, om de verschillende periodes van de das te onderzoeken (voortplanting, migratie, vorming clans). Fase 1 is uitgevoerd van 15 februari 2023 t/m 31 maart 2023 gedurende een aaneengesloten periode van 6 weken. Fase 2 is uitgevoerd van 30 juni 2023 t/m 16 augustus 2023 gedurende een aaneengesloten periode van 6 weken. Fase 3 is uitgevoerd van 16 augustus 2023 t/m 13 oktober 2023 gedurende een aaneengesloten periode van 8 weken. Het kleine marterachtigen en steenmarter onderzoek is gelijktijdig met de dassen onderzoeken uitgevoerd van medio februari 2023 – medio oktober 2023. Daarnaast is er in de periode van de 2e fase van het dasonderzoek van 30 juni 2023 t/m 16 augustus 2023 gedurende een aaneengesloten periode van 6 weken gebruik gemaakt van 3 marterboxen (figuur 2.1 en 2.2).
9
De 8 camera’s zijn geplaatst tussen bosschages, begroeiing, nabij, sporen (das en marter), burchten en pijpen van dassen, nabij en in stallen. Middels palen die de grond in zijn gegraven zijn de camera’s vastgezet en gericht op verschillende oriëntatiepunten (figuur 2.3 en figuur 2.4). De 3 marterboxen zijn geplaatst tussen bosschages en ruigte begroeiing en nabij schuren. Een marterbox is een kist met een buis als opening. De buis leidt naar de binnenzijde waar een lokstof (sardientjes) wordt geplaatst. In de kist zit een camera met bewegingsdetector. Op de camera is een lens met sterkte geplaats (2+). Naast het plaatsen van wildcamera’s en marterboxen is tijdens elk veldbezoek specifiek een sporenonderzoek uitgevoerd. Hierbij is gezocht naar sporen die duiden op de aanwezigheid van dassen, kleine marterachtigen en steenmarter en/of verblijfplaatsen. Dit betreffen sporen als graafsporen, latrines met uitwerpselen, prooiresten, prenten en vraatsporen. Voor de das zijn de burchten ook bezocht om te kijken naar belopen gangen, haren rondom de ingang, aanvoer verse bladeren en krabsporen (indicatie kraamburcht).
10
Figuur 2.1
4
Overzicht van de locaties van een aantal van de marterboxen en cameravallen. Dit betreft het noordelijk gelegen gedeeltenet boven het plangebied.
Figuur 2.2
5
Overzicht van de locaties van de marterboxen en cameravallen. Dit betreft het zuidelijk gelegen gedeelte van het plangebied. De camera’s 7, 8 en 11 zijn geplaatst rondom een dassenburcht.
Figuur 2.3 De wildcamera’s zijn opgesteld in de buurt van sporen, holen en burchten. Camera 8 is gedurende het onderzoek verplaatst, omdat de begroeiing te dicht werd om de locatie te bereiken.
Figuur 2.4 De marterboxen zijn opgesteld in bosschages en ruigtes en nabij stallen in het gebied. Rode eekhoorn De aan- of afwezigheid van de eekhoorn kan worden vastgesteld doormiddel van sporenonderzoek en zichtwaarnemingen tijdens de overige veldbezoeken. De aanwezigheid van nesten kan het beste in de winterperiode, wanneer er weinig blad aan de bomen zit, worden uitgevoerd. Tijdens de onderzoeken naar overige soorten is onderzoek naar rode eekhoorn volledigheidshalve meegenomen. Hierbij wordt gekeken naar zichtwaarnemingen van individuen, vraatsporen, uitwerpselen of andere waarnemingen die duiden op aanwezigheid van de soort. Daarnaast zal bij eventuele aanwezigheid er ook waarnemingen worden gedaan op de cameravallen. Sperwer De nadruk van een onderzoek naar sperwer ligt op het zoeken van (clusters van) nesten en nestindicerend gedrag. De soort bouwt jaarlijks een nieuw nest, vaak in de directe omgeving van oudere nesten, zodat clusters van nesten een duidelijke aanwijzing zijn. Nesten aanzienlijk kleiner dan bij havik en buizerd en soms lastig van fors houtduivennest te onderscheiden. Verse nesten met doorschijnende rand.
Bezette nesten in donker bos lastig te ontdekken; hierbij dient vooral naar de grond te worden gekeken en te worden gelet op de aanwezigheid van witte poepstrepen, concentraties plukresten van zangvogels, en geruide veren (nest dan doorgaans binnen 30 m).
4
Grote nestjongen vanaf de grond vaak zichtbaar, blijven enkele weken na uitvliegen in omgeving van het nest en vliegen bedelend door nestbos. Territorium- en nestindicerende waarnemingen: • Roep: kekkerende roep (hoger, zachter en sneller dan Havik) op de broedplaats (pas op voor imiterende gaai, kan geluid perfect nadoen maar let op bijgeluiden). Herhaald kort 'kjiew,' eveneens territoriumindicerend. • Baltsende paren bij mooi weer in tweede helft maart en april; stuitervlucht (maar vlakker dan havik) of rustige vlucht met vertraagde vleugelslag boven territorium met uitstaande witte onderstaart ('vlaggen'); kan zowel laag als zeer hoog plaatsvinden (hoge vogels moeilijk aan bepaalde plek toe te wijzen) • Prooiaanvoer; aanvankelijk door mannetje, als de jongen groter worden ook door vrouwtje. Rechtlijnige vlucht naar nest (dat echter op grote afstand van de waarnemingsplaats kan liggen). • Concentraties ruiveren, prooiresten (vooral kleine tot middelgrote vogels, mezen, mussen, vinken, Spreeuwen, lijsters) in omgeving van nest • Alarm; vaak fel reagerend bij nest op mensen, kraaien en andere roofvogels (kekkerend rondvliegen). Broedend wijfje kan echter doodstil op nest blijven zitten als ze zich veilig voelt. Buizerd De buizerd bouwt in principe elk jaar een nieuw nest, meestal op een ander bestaand. Zodoende ontstaat er een jaarlijks een groter nest.
Duidelijke kenmerken voor aanwezigheid van de soorten zijn plukplaatsen, prooiresten en poepstrepen. Nesten worden in het broedseizoen verdedigd door het broedpaar, waarbij ze al kekkerend vliegen door het perceel of vlakbij gaan zitten en roepen. In de jongen fase wordt circa 6-10x per dag prooi naar het nest gebracht. En uitgevlogen jongen blijven minstens enkele weken in de nestomgeving (Bijlsma, 1998). In het kennisdocument wordt benoemd dat het aantonen van een nest/ rustplaats gedaan kan worden doormiddel van 2 – 4 veldbezoeken. Tijdens de onderzoek rondes zijn op al de vorengenoemde kenmerken gelet. De periode maart-mei, bij voorkeur in de ochtend, is de beste inventarisatieperiode voor de soort. Vleermuizen Het aanvullend onderzoek vleermuizen wordt uitgevoerd door een combinatie van strategische punten en looproutes. Tijdens het eerste veldbezoek (zowel in het voorjaar als najaar) worden strategische punten ingenomen. Op het moment dat er sprake is van uitvliegende vleermuizen beweegt de onderzoeker zich in tegenovergestelde richting (dus de vleermuis tegemoet) naar het volgende strategische punt om zo een eventueel tweede of daaropvolgende uitvliegend individu, en uiteindelijk zo mogelijk de kolonieverblijfplaats, te lokaliseren. Hierbij blijft de nadruk op de woningen die binnen het plangebied vallen.
Tijdens de vervolgonderzoeken wordt per seizoen de strategische punten ingenomen waar op dat moment de hoogste trefkans is. Voor de onderzoeken geldt tevens dat tijdens de rondes de keuze van strategische punten en/of looproutes beïnvloed worden door veranderende omstandigheden. Dit kan zijn een plotselinge verandering van windrichting, sterke toename of afname van windkracht, defecte straatverlichting en andere omstandigheden. Het aantal factoren dat bepaalt waarom een onderzoeker juist de ene richting meer op kijkt dan de andere of er juist voor kiest af te wijken van een gebruikelijke route zijn niet of nauwelijks definieerbaar. De wijze van onderzoek verschilt, met in achtneming van de randvoorwaarden van de relevante Kennisdocumenten en het meest actuele Vleermuisprotocol, dus per datum, per loopronde en per moment. Er is derhalve geen sprake van vaste transecten maar veel eerder van diverse looproutes naar strategische punten waarbij de frequentie van stilstaan en beweging afhankelijk zijn van de omstandigheden op dat moment. De personele inzet van ieder veldbezoek is afhankelijk van het type onderzoek, de ervaring van de waarnemers en de potentie van het plangebied. Alle veldwerkers van Blom Ecologie zijn bedreven en ervaren in onderzoeken in urbaan gebied.
Het onderzoek is er niet op gericht om met volledige zekerheid alle mogelijke verblijfplaatsen en/of functionele structuren te vinden of de aanwezigheid
5
hiervan volledig uit te sluiten. Hiervoor zou een onderzoeksinspanning geleverd moeten worden die de onderzoeksprotocollen ver overstijgt. Van de geleverde onderzoeksinspanning wordt beoordeeld dat deze voldoende is zoals dat redelijkerwijs van een initiatiefnemer gevraagd kan worden. Met het uitgevoerde onderzoek worden derhalve resultaten geleverd die een goed beeld bieden van de aantallen individuen en de actieve nesten en/of verblijfplaatsen op die momenten binnen het onderzoeksgebied. Materialen en aanvullende onderzoeksmethode Het vleermuisonderzoek is uitgevoerd met behulp van een batdetector, type Petterson D-200x/D-240x. Deze type zijn heterodyne en D-240x heeft een time expansion functie. De time expansion functie maakt het mogelijk de geluidopnames te vertragen waardoor nauwkeurige analyse van de hoogfrequent geluiden uitgevoerd kunnen worden. Geluidswaarnemingen zijn eventueel opgenomen met een opnameapparaat van het merk Roland, type R-07. Indien inventarisatie in het veld niet mogelijk was zijn geluiden geanalyseerd met behulp van de software BATSOUND.
2.3 Veldbezoeken Het onderzoeksgebied is geïnventariseerd door ter zake deskundig ecologen van Blom Ecologie of externe ter zake deskundig ecologen onder verantwoordelijkheid van Blom Ecologie. Voorafgaande de onderzoeken voor vleermuizen, roofvogels (buizerd, havik en sperwer) en het eekhoornonderzoek is een boomholte en nestinspectie uitgevoerd op 24 augustus 2022 en op 15 februari 2023 zijn de oevers afgespeurd op zoek naar sporen van bevers. De relevante omstandigheden ten tijde van de veldbezoeken zijn opgenomen in onderstaande tabel (tabel 2.2 en tabel 2.3).
Tabel 2.2 Uitgevoerde veldbezoeken gedurende het aanvullend onderzoek. Tijdens onderzoek naar das is tevens onderzoek naar kleine marterachtigen en steenmarter meegenomen. Aantal pers.
Veldbezoek
Functie
Datum
Boomholte inspectie + nesten
Boomtoppen en basten onderzoeken op nesten/holtes voor vleermuizen, roofvogels en rode eekhoorn
2
24-08-2022
Bever
Oevers afzoeken naar beversporen
2
15-02-2023
Das Fase 1
Camera’s uitzetten / sporen zoeken
2
15-02-2023
Das Fase 1
Camera’s ophalen / sporen onderzoeken
2
31-03-2023
Das Fase 2 + Steenmarter/kleine marterachtigen
Camera’s uitzetten / Marterboxen uitzetten / sporen zoeken
2
30-06-2023
Das Fase 2 + Steenmarter/kleine marterachtigen
SD-kaarten en batterijen wisselen / sporen onderzoeken
2
21-07-2023
Das Fase 2 + Steenmarter/kleine marterachtigen
Marterboxen ophalen / SD kaarten en batterijen wisselen / sporen onderzoeken
1
16-08-2023
Das Fase 3
SD kaarten en batterijen wisselen / sporen onderzoeken
2
20-09-2023
Das Fase 3
Camera’s ophalen / sporen onderzoek
1
13-10-2023
6
Tabel 2.3
Uitgevoerde veldonderzoeken naar sperwer, buizerd en vleermuizen. Tijdens onderzoek naar deze soorten is tevens onderzoek naar bever, das en kleine marterachtigen en steenmarter meegenomen.
Veldbezoek
Functie
Sperwer 1
Nest
Sperwer 2
Aantal
Datum
Zon
Tijd
Weersomstandigheden
2
20-04-2023
06.39
07.30-09.30
6/8, droog, 2 Bft, 8˚C
Nest
2
10-05-2023
05.50
07.30-09.30
8/8, droog, 2 Bft, 13˚C
Sperwer 3
Nest
2
30-06-2023
05.22
07.30-09.30
0/8, droog, 2 Bft, 18˚C
Buizerd 1
Nest
2
17-03-2023
07.17
09.00-11.00
2/8, droog, 1 Bft, 8˚C
Buizerd 2
Nest
2
31-03-2023
06.39
07.30-09.30
8/8, lichte regen, 1 Bft, 10˚C
Buizerd 3
Nest
2
25-04-2023
06.19
07.30-09.30
5/8, droog, 2 Bft, 5˚C
Buizerd 4
Nest
2
10-05-2023
05.50
07.30-09.30
8/8, droog, 2 Bft, 13˚C
Vleermuis 1
Kraam + zomer
3
17-05-2023
21.27
21.27-23.30
0/8, droog, 1-2 Bft, 19˚C
Vleermuis 2
Kraam + zomer
3
28-06-2023
21.59
21.59-00.00
0/8, droog, 1-2 Bft, 19˚C
Vleermuis 3
Zomer
3
21-07-2023
05.44
03.30-05.45
0/8, droog, 1-2 Bft, 19˚C
Vleermuis 4
Paar
2
30-08-2023
20.28
23.00-01.00
0/8, droog, 1-2 Bft, 19˚C
Vleermuis 5
Paar
2
20-09-2023
19.41
20.45-22.45
0/8, droog, 1-2 Bft, 19˚C
pers.
2.4 Specifieke omstandigheden Tijdens de uitvoering van het onderzoek kan er sprake zijn van dusdanig omstandigheden dat er mogelijk een vertekend beeld optreedt van de verzamelde resultaten. Hiermee wordt niet bedoeld het gemotiveerd afwijken van uitgangspunten zoals geformuleerd in de Kennisdocumenten. Tijdens de veldbezoeken waren er op een aantal percelen werkzaamheden bezig (figuur 2.5 en 2.6). Dit betrof het realiseren van proefsleuven door de gemeente.
Figuur 2.5 De werkzaamheden tijdens het veldbezoek d.d. 21 juli 2023 op een van de weidevelden. Het betrof het realiseren van proefsleuven.
7
Figuur 2.6
Grondverzet is gestart op 12-07-2023. Het perceel ligt binnen het te onderzoeken plangebied.
8
3 Resultaten 3.1
Bever Tijdens een winterinspectie d.d. 15 februari 2023 zijn verschillende beverburchten in de vorm van holen in de oever waargenomen. Tevens zijn er in en op de oever zogeheten beverglijbanen en vraatsporen vastgesteld. In totaal zijn er 5 van dergelijke holen vastgesteld (figuur3.2). Hierbij dient een van de holen momenteel als actieve burcht. De bever is twee keer visueel waargenomen tijdens de veldonderzoeken. De waarneming betrof een passerend individu in de watergang ten oosten van de planlocatie. In de watergang is het voorkomen van bever bekend (figuur 3.1). Er zijn in de afgelopen 10 jaar 7 waarnemingen bekend van passerende bever in de watergang (NDFF 2013-2023). Alhoewel deze watergang behouden blijft, zal de realisatie van woningen nabij de burchten leiden tot het wegnemen van de functionaliteit.
Figuur 3.1
Overzicht van de resultaten van het beveronderzoek. In de oever zijn diverse holen vastgesteld, die aannemelijk verloren zullen gaan door de beoogde ontwikkeling van de woonwijk.
9
Figuur 3.2
Beverburchten langs de watergang langs het sportveld en het station. Tevens vraatsporen aan een boom met duidelijk zichtbare bever glijbanen.
3.2 Sperwer Tijdens het onderzoek is een sperwernest aangetroffen (figuur 3.3). Op het nest lag een dood volwassen individu. Op de grond onder het nest en in het nest lagen prooiresten en schaalresten van eieren van sperwer.
Figuur 3.3
Dode sperwer met lege eieren op het nest op 30 juni 2023.
Bij het controleren van de camera beelden voor het onderzoek naar dassen en marters is 10 maal een sperwer gefotografeerd. 1 maal op camera 3, 7 maal op camera 8 en 2 maal op camera 11. De eerste waarneming was op 14-08-2023 en betrof een rustend individu op de paal van de camera (figuur 3.4). De andere 9 waarnemingen zijn geregistreerd tussen 28-08-2023 en 30-09-2023 op camera 8 en 11 (figuur 3.5 en 3.6). Deze twee camera’s zijn geplaatst in de dichtbegroeide bosschage ten noordwesten van de planlocatie. Tijdens het onderzoek is ook éénmalig een havik met een prooi vastgelegd op camera 8 (figuur 3.7).
10
Figuur 3.4
Sperwer rustend op de paal van de camera. Vastgelegd op 14-08-2023 op camera 3.
Figuur 3.5
Sperwer met prooi in de zuidwestelijke bosschage op camera 8 vastgelegd op 28-082023.
11
Figuur 3.6
Sperwer jagend in de bosschage vastgelegd op camera 11 op 28-08-2023.
Figuur 3.7
Havik met prooi in de zuidwestelijke bosschage op camera 8 vastgelegd op 31-08-2023.
12
Figuur 3.8
Overzicht van de nestlocatie van de sperwer (gele markering) en de waarnemingen van sperwer op de cameravallen (rode markering). Hieruit blijkt dat met name de bosgebieden essentieel zijn voor de sperwer. Vrouwtjes sperwer foerageren ook nog wel eens op wat meer open delen.
Het is aannemelijk door de aanwezigheid van het nest en voldoende functionele structuren zoals bosschages, ruigtes en open gebied dat de planlocatie essentieel is als foerageergebied voor de sperwer (figuur 3.8). Aangezien na de dood van een individu op het nest er door een ander individu veelvuldig gebruik gemaakt wordt van het gebied blijft het gebied een essentiële functie houden voor sperwer. Er zal in het voorjaar een nieuw koppel worden gevormd in het territorium, waardoor er een nieuw nest in het plangebied gebruikt zal worden. De beoogde ruimtelijke ontwikkeling leidt tot aantasting/verwijdering van essentieel leefgebied van de sperwer. Indien het leefgebied verdwijnt zal de nestlocatie ongeschikt raken voor de sperwer.
3.3 Buizerd Tijdens alle veldbezoeken die overdag zijn uitgevoerd, zijn buizerds waargenomen en gehoord. De buizerds zijn overvliegend, foeragerend en uitkijkend waargenomen binnen de grenzen van de planlocatie. Er zijn geen nesten van buizerd waargenomen op de planlocatie. De overvliegende buizerds maken aannemelijk gebruik van de planlocatie als onderdeel van het leefgebied. Het weiland en het ruigte gebied ten westen van de planlocatie maken aannemelijk onderdeel uit van het foerageergebied van buizerd. Overvliegende buizerds vliegen in de richting van het noordoosten van de planlocatie. Het ligt in de lijn der verwachting dat net buiten het plangebied een nest van een buizerd aanwezig is.
3.4 Das Waarnemingen en aantallen Tijdens de 1e fase van de onderzoek rondes is op 5 camera’s de das waargenomen (figuur 3.9). Dit betroffen de camera’s 5, 6, 7, 8, 11. In totaal is de das in de 1e fase 253 keer waargenomen op de wildcamera’s. Tijdens de 2e fase van het onderzoek zijn waarnemingen van das op de camera’s 5, 6 en 11. In totaal is de das in de 2e fase 17 keer waargenomen op de wildcamera’s. Tijdens de 3e fase van het onderzoek zijn waarnemingen van das op de camera’s 5, 7, 8 en 11. In totaal is de das in de 3e fase 24 keer waargenomen op de wildcamera’s. Op circa 20% van de foto’s betreft dit meerdere individuen (parend, vechtend, markerend en passerend).
13
Rust- en voortplantingsplaatsen Als gevolg van de verkregen resultaten, lijkt de aanwezige zuidelijke burcht in het plangebied te functioneren als kraamburcht (figuur 3.9). In de nabije omgeving zijn namelijk parende dassen gezien (d.d. 17-2-2023, op camera 8, figuur 3.10) en op de beelden van de cameravallen tevens jonge dassen. De noordelijk gelegen burcht lijkt te functioneren als een niet frequent belopen burcht, oftewel een bijburcht of vluchtpijp. Een bijburcht wordt gebruikt bij verstoring van de hoofdburcht (c.q. kraamburcht), door jonge volwassen mannetjes die worden verstoten of door het verstoten mannetje als de jongen worden geboren. Een bijburcht/vluchtpijp maakt onderdeel uit van het netwerk van burchten van een dassenfamilie en geniet derhalve een net zo zware bescherming als een hoofdburcht.
Figuur 3.9
Waarnemingen van dassen Kraamburcht, bijburchten en vluchtpijpen en de migratieroutes van das tussen foerageergebied en rust- en voortplantingsplaatsen.
Figuur 3.10 Parende dassen bij ingang van de kraamburcht (zuidelijk gelegen). Vastgelegd op camera 8 op 17-02-2023. Functioneel leefgebied 14
Op de planlocatie is tevens sprake van essentieel leefgebied en/of migratieroute van de das door frequent visueel bewijs op de wildcamera’s binnen de planlocatie. Gezien het aantal waarnemingen van de das is het zuidwestelijke gedeelte en het weiland essentieel leefgebied van de das. Er zijn tijdens het gehele onderzoek regelmatig dassen waargenomen die de verbindingsdam passeren vanaf het spoor naar het weiland ten noorden van het plangebied (figuur 3.11). Op camera 5 zijn in totaal 117 waarnemingen van das vastgelegd. Deze overgang over de sloot is overigens de enige mogelijkheid voor de das om het noordelijk gebied te kunnen bereiken.
Figuur 3.11
Das op camera 5 maakt gebruik van de enige over gang naar het weiland richting het noorden van de planlocatie. De verbindingsdam over de sloot is een frequent gebruikte passage voor dassen.
3.5 Kleine marterachtigen Waarnemingen en aantallen Tijdens de onderzoek rondes zijn op camera 6, 8 en in 1 van de 3 marterboxen waarnemingen van de bunzing en wezel aangetroffen (figuur 3.12-3.15). Op de marterboxen zijn in totaal 2 waarnemingen van de wezel gedaan op verschillende momenten. Tijdens de onderzoeksrondes zijn totaal 7 verschillende waarnemingen van wezel en 1 waarneming van bunzing op de wildcamera vastgelegd (figuur 3.16).
15
Figuur 3.12 Alle waarnemingen (marterboxen en cameravallen) van wezel op de planlocatie.
Figuur 3.13 Wezel vastgelegd op camera 18 in een marterbox op 01-08-2023.
16
Figuur 3.14 Wezel vastgelegd op camera 18 in een marterbox op 12-08-2023.
Figuur 3.15 Wezel foeragerend rondom dassenburcht. De locatie wordt vaker gebruikt door marterachtigen. Vastgelegd op camera 5.
17
Figuur 3.16 Bunzing foeragerend rondom de dassenburcht. De locatie wordt veel gebruikt door marterachtigen. Vastgelegd op camera 5. Rust- en voortplantingsplaatsen en leefgebied Wezels kunnen een relatief klein territorium hebben (vrouwtjes tussen 1-7 ha, mannetjes 1-25 ha). Gezien het aantal waarnemingen op zowel de camera’s in de marterboxen als op de camervallen, lijkt het erop dat er sprake is van essentieel leefgebied én vaste rust- en verblijfplaatsen van de wezel. Met name de bosschages rondom de sportvelden lijken een essentiële functie te hebben. De bunzing is slechts eenmaal op de wildcamera vastgesteld. Hierdoor lijkt het alsof het gebied geen essentiële functie voor de soort heeft, maar slechts sporadisch het gebied passeert. Bij inrichtingsmaatregelen voor de wezel, zal de bunzing echter tevens voordeel genieten.
3.6 Steenmarter Waarnemingen en aantallen Tijdens de onderzoek rondes zijn waarnemingen van de steenmarter vastgelegd op 6 wildcamera’s. Op de camera’s is de steenmarter 22 keer waargenomen (figuur 3.17). Rust- en voortplantingsplaatsen Gedurende het onderzoek is een rust- of voortplantingsplaats gevonden. Er zijn wel sporen als latrines, uitwerpselen, prooiresten of prenten, die wijzen op de aanwezigheid hiervan. Het plangebied betreft een uitgestrekt gebied waar op 4 camera’s waarnemingen zijn vastgelegd van steenmarter. In de kleine schuur zijn meerdere individuen van steenmarter waargenomen. Daarnaast zijn er latrines in de schuur aanwezig. Tijdens het veldbezoek op 28-06-2023 is een steenmarter waargenomen. De steenmarter passeerde vanaf De Rijt het Stationspad in. Op 30-06-2023 is een steenmarter waargenomen tijdens het veldbezoek, deze passeerde van het schuurtje aan de Rijt over de mesthelling in noordelijke richting. Camera 17 was geplaatst in de schuur. Hierop is 5 keer steenmarter waargenomen waarvan 1 maal twee individuen op 29-07-2023 en 08-08-2023 (figuur 3.18 en 3.19). Op camera 4 zijn steenmarters 4 keer waargenomen (figuur 3.20). Op camera 5, 6 en 11 is steenmarter foeragerend en passerend vastgesteld (figuur 3.21).
18
Figuur 3.17
Alle waarnemingen (visueel, sporen en cameravallen) van steenmarter op de planlocatie.
De schuur maakt onderdeel uit van leefgebied van de steenmarter. Er zijn meerdere individuen en er zijn oude en nieuwe sporen en uitwerpselen aantroffen. Daarnaast zijn er waarnemingen van steenmarter in en in de omgeving van de schuur en de stallen. De schuur heeft een functie als rustplaats voor steenmarter. Functioneel leefgebied In de schuur is een vaste rust- en verblijfplaats van de steenmarter vastgesteld. Zonder functioneel leefgebied kan een vaste rust- en verblijfplaats niet functioneren. Het lijkt erop dat de bebouwing rondom de schuur als functioneel leefgebied dienen voor de steenmarter. Open weidevelden bevatten minder potentie als essentieel foerageergebied voor de soort. In de bosschage rondom de sportvelden is de steenmarter slechts tevens enkele malen waargenomen.
19
Figuur 3.18 Steenmarter in de kleine stal in het plangebied op 29-07-2023.
Figuur 3.19 Steenmarter in de kleine stal in het plangebied op 08-08-2023.
20
Figuur 3.20 Eén van de steenmarters passeert de stallen op camera 4 op 14-08-2023.
Figuur 3.21 Steenmarter passerend in bosschage ten zuidwesten van het plangebied. Waarneming gedaan op 1-09-2023.
21
3.7 Rode eekhoorn In augustus 2022 is een boomholte en nesteninspectie uitgevoerd naar de aan- of afwezigheid van nestplaatsen van de soort. Nesten zijn niet aangetroffen. In juni - september 2023 is soortspecifiek onderzoek uitgevoerd naar de aan- of afwezigheid van functioneel leefgebied van de rode eekhoorn. Tevens is tijdens de veldbezoeken ten behoeve van andere soorten actief gelet op aanwezigheid van de rode eekhoorn. Geconcludeerd kan worden dat de bosschage ten zuidwesten van het plangebied behoort tot het functioneel leefgebied van de rode eekhoorn. Rode eekhoorn is 3 keer foeragerend vastgelegd in de bosschage ten zuidwesten van het plangebied (figuur 3.22 en figuur 3.23). Er zijn geen nesten waargenomen, waardoor een functie als vaste rustplaats en/of voortplantingsplaats binnen de planlocatie uitgesloten is.
Figuur 3.22 Rode eekhoorn waargenomen in de bosschage ten zuidwesten van het plangebied. Op 0708-2023 op camera 8.
Figuur 3.23 Rode eekhoorn waargenomen in de bosschage ten zuidwesten van het plangebied. Op 0309-2023 op camera 11. 22
3.8 Vleermuizen Tijdens de onderzoeksrondes zijn in totaal een tweetal soorten waargenomen in het onderzoeksgebied (tabel 3.1). Waargenomen soorten betreffen de gewone dwergvleermuis en laatvlieger.
Tabel 3.1
Waarnemingen en aantallen van vleermuizen gedurende de veldbezoeken in het onderzoeksgebied. Een verblijfplaats kan bij meerdere veldbezoeken zijn vastgesteld, het totaal aantal verblijfplaatsen wordt weergegeven in tabel 3.2 en figuur 3.24 en 3.25.
Veldbezoek
Aantal individuen
Soort
Vleermuis 1
Vleermuis 2
Vleermuis 3
Vleermuis 4
Vleermuis 5
Gedrag en verblijfplaatsen
Gewone dwergvleermuis
47
Foeragerend
Gewone dwergvleermuis
60
Overvliegend
Gewone dwergvleermuis
1-6
Zomerverblijfplaats vastgesteld 2x
Gewone dwergvleermuis
29
Foeragerend
Gewone dwergvleermuis
40
Overvliegend
Laatvlieger
1
Foeragerend
Laatvlieger
8
Overvliegend
Gewone dwergvleermuis
3
Foeragerend
Gewone dwergvleermuis
4
Overvliegend
Gewone dwergvleermuis
1
Foeragerend
Gewone dwergvleermuis
3
Overvliegend
Gewone dwergvleermuis
1
Baltsende mannetjes
Gewone dwergvleermuis
1
Paarverblijfplaats vastgesteld 1x
Laatvlieger
3
Overvliegend
Gewone dwergvleermuis
7
Foeragerend
Gewone dwergvleermuis
5
Overvliegend
Gewone dwergvleermuis
2
Baltsende mannetjes
Gewone dwergvleermuis
1
Paarverblijfplaats vastgesteld 2x
Gedurende het vleermuisonderzoek zijn 5 vleermuisverblijfplaatsen vastgesteld. Hiervan zijn er 3 vleermuisverblijfplaatsen aanwezig binnen het plangebied en de overige vleermuisverblijfplaatsen zijn aanwezig buiten het plangebied. Binnen het plangebied is sprake van zomerverblijfplaatsen en paarverblijfplaatsen van gewone dwergvleermuis. De exacte vindplaats van de vleermuisverblijfplaatsen zijn weergegeven in tabel 3.2 en in figuur 3.24-3.27.
Tabel 3.2
Overzicht van de aangetroffen vleermuisverblijfplaatsen in het onderzoeksgebied.
Adres
Soort
Functie
Plangebied
Omschrijving
Elleboogstraat 3
Gewone dwergvleermuis
Zomer
Buiten
2 individuen binding met bebouwing
De Rijt 1
Gewone dwergvleermuis
Paar
Buiten
1 individu baltsend en binding met bebouwing
De Rijt 2
Gewone dwergvleermuis
Zomer
Binnen
Uitvliegend uit opening stallen
De Rijt 2
Gewone dwergvleermuis
Paar
Binnen
1 individu baltsend en binding met bebouwing
Doorskamp 40
Gewone dwergvleermuis
Paar
Binnen
1 individu baltsend en binding met bebouwing
23
Figuur 3.24 Overzicht van de aangetroffen vleermuisverblijfplaatsen en territoria in het noordelijke deel van het onderzoeksgebied.
Figuur 3.25 Overzicht van de aangetroffen vleermuisverblijfplaats en territoria in het zuidelijke deel van het onderzoeksgebied.
24
Figuur 3.26 Visuele weergave van de gebruikte opening van de paarverblijfplaats gewone dwergvleermuis vleermuisverblijfplaats achter de daklijst van het toegangsloket aan de Dorskamp 40.
Figuur 3.27 Visuele weergave van de zomerverblijfplaats vleermuisverblijfplaats in de stal aan De Rijt 2.
gewone
dwergvleermuis
25
In de quickscan (Fairhurst, 2021) is de aanwezigheid van een essentiële vliegroute en essentieel foerageergebied uitgesloten. Als vliegroute voor vleermuizen zijn er in de directe omgeving veel alternatieven aanwezig, waardoor de structuren binnen het plangebied geen essentiële functie kunnen bevatten. Voor het foerageergebied geldt hetzelfde, in de directe omgeving is veel soortgelijk gebied aanwezig waardoor de bosschage en weidevelden geen essentiële functie bevatten (figuur 3.28).
Figuur 3.28 Overzicht van de aangetroffen foerageerplaatsen en vliegroutes. Dit betreffen geen essentiële foerageerplaatsen en vliegroute, gezien er voldoende alternatief aanwezig is.
26
3.9 Overige soorten Naast de te onderzoeken soorten waarvoor het voorliggend onderzoek is uitgevoerd zijn tijdens de veldbezoeken waarnemingen van overige soorten gedaan. In de marterboxen zijn de volgende soorten waargenomen: egel, huismuis, veldmuis en woelmuis. De volgende soorten zijn waargenomen op de wildcamera’s: Vogels: huismus, koolmees, vink, houtduif, zanglijster, merel, roodborst, leeuwerik, groenling, heggemus, winterkoning, gaai, fazant, waterhoen, wilde eend, zwarte kraai, ekster, buizerd, tjiftjaf, grote bonte specht, kerkuil, patrijs, pimpelmees, blauwe reiger en zwartkop. Zoogdieren: konijn, vos, bruine rat, bosmuis, haas en egel. Kerkuil De kerkuil is eenmalig waargenomen. Op camera 3 is te zien dat een kerkuil de paal van de wildcamera gebruikt om te rusten (figuur 3.27). Door soortgelijk alternatief leefgebied in de omgeving is het uitgesloten dat de weidevelden als essentieel foerageergebied voor de soort dienen. Daarnaast is de kerkuil slechts 1 keer waargenomen in de omgeving van het plangebied (NDFF 2013-2023). Derhalve is uitgesloten dat het plangebied deel uitmaakt van essentieel leefgebied van kerkuil.
Figuur 3.29 Kerkuil vliegt op paal van wildcamera 3. In totaal is er één keer een waarneming gedaan van kerkuil in het plangebied.
27
Categorie 5 en overige vogelnesten Er zijn in totaal 5 nesten van houtduif, ekster en spreeuw aangetroffen binnen het plangebied. Het nest van de spreeuw (Cat. 5 vogelsoort) zal behouden blijven (figuur 3.30 en 3.31).
Figuur 3.30 Overzicht van de aangetroffen nestlocaties in het noordelijke deel van het plangebied van algemene broedvogels en vogels die vallen onder cat. 5.
Figuur 3.31 Overzicht van de aangetroffen nestlocaties in het zuidelijke deel van het plangebied van algemene broedvogels en vogels die vallen onder cat. 5. Zoals beschreven staat in de Vogelrichtlijn zijn alle vogels in Nederland beschermd tijdens het broedseizoen. Indicatief betreft het broedseizoen de periode 15 maart t/m 15 juli. Om overtreding van de Wet natuurbescherming te voorkomen dienen werkzaamheden die mogelijk leiden tot verstoring of aantasting van nesten buiten het broedseizoen uitgevoerd te worden.
28
4 Conclusie 4.1
Bever Tijdens de onderzoeken naar de overige soorten, is onderzoek naar bever meegenomen. Binnen de planlocatie zijn diverse beverholen in de oevers waargenomen. De beverholen zullen in verband met veiligheid ongeschikt gemaakt worden. De beoogde ingreep leidt tot overtreding van een verbodsbepaling van de Wet natuurbescherming art. 3.5, lid 4 (wegnemen verblijfplaatsen beverEr dient ten aanzien van bever een ontheffing van de Wet natuurbescherming voorhanden te zijn
4.2 Sperwer In de periode april – juni 2023 is er protocollair aanvullend onderzoek uitgevoerd. Gedurende een eerder winterinspectie is een sperwernest vastgesteld. Tijdens het aanvullend onderzoek is een dood individu op het nest aangetroffen. De hoeveelheid waarnemingen van een jagende sperwer op de camerabeelden duiden erop dat het plangebied en dan met name de bosschage deel uitmaakt van het essentieel foerageergebied van de soort. Het nest zal op termijn weer geschikt raken, als het overgebleven individu een nieuwe partner zal vinden. De beoogde ruimtelijke ontwikkeling leidt tot overtreding van een verbodsbepaling van de Wet natuurbescherming art. 3.1, lid 2 (wegnemen nesten). Een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming voor de sperwer is derhalve benodigd.
4.3 Havik Door afwezigheid van potentie voor essentieel foerageergebied van havik is er geen aanvullend onderzoek uitgevoerd. De soort is slechts eenmaal waargenomen op de camera’s, waardoor het gebied slechts incidenteel bezocht lijkt te zijn. Derhalve is er geen sprake van het wegnemen van essentieel leefgebied voor de havik. Een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming voor de havik is derhalve niet benodigd.
4.4 Buizerd In de periode maart – juni 2023 is er protocollair aanvullend onderzoek uitgevoerd. Gedurende een eerder winterinspectie is geen buizerdnest vastgesteld. Gezien het aantal overvliegende en roepende individuen tijdens de veldbezoeken die overdag zijn uitgevoerd, is het zeer aannemelijk dat het plangebied deel uitmaakt van essentieel foerageergebied van de soort. De beoogde ruimtelijke ontwikkeling leidt tot overtreding van een verbodsbepaling van de Wet natuurbescherming art. 3.1, lid 2 (wegnemen nesten). Een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming voor de buizerd is derhalve benodigd.
4.5 Das In de periode februari - oktober 2023 is in 3 verschillende fases onderzoek uitgevoerd naar de aanwezigheid van das in het plangebied. Het onderzoek is uitgevoerd conform de bepalingen in de Kennisdocumenten (BIJ12, 2017). Binnen het plangebied is een kraamburcht vastgesteld. Buiten de planlocatie is een bijburcht/vluchtpijp vastgesteld. Delen van het plangebied functioneren tevens als essentieel foerageergebied van de soort. De beoogde ruimtelijke ontwikkeling leidt tot overtreding van een verbodsbepaling van de Wet natuurbescherming art. 3.10, lid 1 (wegnemen vaste rust- en verblijfplaats). Een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming voor de das is derhalve benodigd.
4.6 Kleine marterachtigen In de periode juni - augustus 2023 is onderzoek uitgevoerd naar de aanwezigheid van kleine marterachtigen (bunzing, hermelijn en wezel) in het plangebied.
29
Het onderzoek is uitgevoerd conform de bepalingen in de handreiking kleine marterachtigen (Bouwens, 2017). Tijdens het onderzoek zijn individuen van kleine marterachtigen (met name wezel en 1x bunzing) aangetroffen binnen het plangebied. De beoogde ruimtelijke ontwikkeling leidt tot overtreding van een verbodsbepaling van de Wet natuurbescherming art. 3.10, lid 1 (wegnemen vaste rust- en verblijfplaats). Een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming voor wezel is derhalve benodigd.
4.7 Steenmarter In de periode juni - augustus 2023 is onderzoek uitgevoerd naar de aanwezigheid van steenmarter in het plangebied. Het onderzoek is uitgevoerd conform de bepalingen in de handreiking kleine marterachtigen (Bouwens, 2017). Tijdens het onderzoek zijn individuen en sporen van steenmarter aangetroffen binnen het plangebied. De beoogde ruimtelijke ontwikkeling leidt tot overtreding van een verbodsbepaling van de Wet natuurbescherming art. 3.10, lid 1 (wegnemen vaste rust- en verblijfplaatsen). Een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming voor de steenmarter is derhalve benodigd (wegnemen vaste rust- en verblijfplaats).
4.8 Rode eekhoorn Gedurende de veldbezoeken ten behoeve van de overige soorten is onderzoek naar rode eekhoorn meegenomen. Tijdens de winterinspectie zijn geen nesten van de soort vastgesteld. Het aantal waarnemingen op de wildcamera’s toont aan dat de bosschage rondom de sportvelden deel uitmaken van essentieel foerageergebied van de soort. De beoogde ruimtelijke ontwikkeling leidt tot overtreding van een verbodsbepaling van de Wet natuurbescherming art. 3.10, lid 1 (wegnemen vaste rust- en verblijfplaatsen*). *Het aanvragen van een ontheffing voor het wegnemen van foerageergebied is niet mogelijk onder de Wet natuurbescherming. Indirect leidt het wegnemen van essentieel foerageergebied (c.q. functioneel leefgebied) tot aantasting van de vaste rust- en verblijfplaats. Een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming voor de rode eekhoorn is derhalve benodigd (wegnemen vaste rust- en verblijfplaats).
4.9 Vleermuizen In mei - september 2023 is onderzoek uitgevoerd naar de aanwezigheid van vleermuizen in het plangebied. Het onderzoek is uitgevoerd conform de bepalingen in het meest actuele Vleermuisprotocol (NGB, 2021). Tijdens het onderzoek zijn 5 verblijfplaatsen van vleermuizen vastgesteld. Tijdens het onderzoek is vastgesteld dat de woningen in het plangebied (De Rijt 2 en Doorskamp 40) een functie hebben voor de gewone dwergvleermuis als zomer- en paarverblijfplaats. Deze verblijfplaatsen worden bij de beoogde ingreep weggenomen. Tevens maakt het plangebied (in beperkte mate) onderdeel uit van het leefgebied, deze structuren worden in de beoogde ontwikkelingen weggenomen. Echter is er geen sprake van het wegnemen van essentiële onderdelen van het leefgebied. De beoogde ingreep leidt tot overtreding van een verbodsbepaling van de Wet natuurbescherming art. 3.5, lid 2 (verstoren vleermuizen) en lid 4 (wegnemen 2 verblijfplaatsen, paar/zomer en paarverblijfplaats gewone dwergvleermuis). Er dient ten aanzien van gewone dwergvleermuis een ontheffing van de Wet natuurbescherming voorhanden te zijn.
4.10 Overige soorten Het onderzoek beperkte zich in beginsel tot vorengenoemde soorten. Tijdens het onderzoek is tevens gelet op individuen, nesten en/of verblijflocaties van andere soorten in het plangebied. Er zijn nesten van houtduif, ekster en spreeuw aangetroffen binnen het plangebied. Met betrekking tot de overige waargenomen soorten is geen sprake van overtreding, mits de Algemene zorgplicht in acht wordt genomen.
30
4.11 Vervolgstappen Voor de uitvoering van de ingreep is ontheffing nodig van de verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming. Conform de relevante wetteksten en Kennisdocumenten wordt aanbevolen om de navolgende aspecten te onderbouwen. Deze aspecten maken integraal onderdeel uit van het projectplan ten behoeve van de ontheffingsaanvraag. 1. De activiteit is nodig met een wettelijk belang (Wnb, art. 3.8, lid 5b); 2. Voor de activiteit is geen alternatieve bevredigende oplossing (Wnb, art. 3.8, lid 5a); 3. De staat van instandhouding van de soort blijft gewaarborgd (Wnb, art. 3.8, lid 5c); 4. Bepaal compensatie en mitigatie (Wnb, art. 3.8, lid 5c). Een ontheffingsaanvraag Wnb is enkel succesvol als al deze aspecten voldoende onderbouwd kunnen worden. Indien de ingreep geen wettelijk belang kent of indien de staat van instandhouding van de aanwezige soorten in het geding komt kan een ontheffing Wnb mogelijk geweigerd worden. Bevoegd gezag heeft de wettelijke termijn van 20 weken (13 + 7 weken verlenging) om een ontheffingsaanvraag Wnb te beoordelen. De planning van de werkzaamheden dient aangepast te worden aan de aanwezige soorten om zoveel mogelijk de werkzaamheden uit te voeren buiten kwetsbare periodes. Dergelijk maatwerk kan ervoor zorgen dat het project enkel in bepaalde periodes van het jaar uitgevoerd kan worden.
Indien de werkzaamheden leiden tot het wegnemen van verblijfplaatsen dienen alternatieve verblijfplaatsen gedurende een bepaalde periode aanwezig te zijn naast de verblijfplaatsen. Deze gewenningsperiode is afhankelijk van de soort en het aantal individuen en betreft indicatief een aantal maanden en/of een specifiek seizoen. Het tijdig aanbrengen van alternatieve verblijfplaatsen is van belang om onnodige vertraging te voorkomen. Raadpleeg voor de plaatsing van de voorzieningen een ter zake deskundig ecoloog.
31
Bronvermelding BIJ12, 2017. Kennisdocument Das Meles meles, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. Bommel, van F., Vreugdenhil, S. & M. La Haye, 2015. De Das. KNNV, Zeist. Bouwens, S., 2017. Handreiking kleine marterachtige. Provincie Noord-Brabant, ’s-Hertogenbosch. Broekhuizen, S., K. Spoelstra, J.B.M. Thissen, K.J. Canters & J.C. Buys (redactie) 2016. Atlas van de Nederlandse zoogdieren. – Natuur van Nederland 12. Naturalis Biodiversity Center & EIS Kenniscentrum Insecten en andere ongewervelden, Leiden. Fairhurst, G., 2021. Quickscan Wnb aan de Ravenstein. Oriënterend onderzoek in het kader van de Wet natuurbescherming. Blom Ecologie B.V., Waardenburg. Westra, S.A. & C. Achterberg, 2007. Handleiding voor het inventariseren van dassenburchten. Zoogdiervereniging, Arnhem. Bijlsma, R., 2016. Handleiding veldonderzoek roofvogels. Knnv Uitgeverij, Zeist. Sovon, 2023, Sperwer. Geraadpleegd op 8-11-2023 van https://stats.sovon.nl/stats/soort/2690. NGB, Zoogdiervereniging en Gegevensautoriteit Natuur, 2023. Vleermuisprotocol, versie januari 2021.
Geraadpleegde documenten (BIJ12, 2017/2023) Kennisdocument Buizerd (Buteo buteo) Kennisdocument Das (Meles meles) Kennisdocument Gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus) Kennisdocument Ruige dwergvleermuis (Pipistrellus nathusii) Bijlagen Bijlage 1 Sperwer Bijlage 2 Das Bijlage 3 Kleine marterachtigen Bijlage 4 Steenmarter Bijlage 5 Rode eekhoorn
32
Bijlagen Bever Bevers komen voor in het overgangsgebied tussen land en water zoals moerassen, uiterwaarden, beken, rivieren en meren (figuur 4.1). De bever heeft een voorkeur voor rivieren en meren omzoomd door (broek)bossen met bomen als wilg en populier. De aanwezigheid van bossen op de oevers is een vereiste, maar ze gebruiken ook oevers zonder bos. Er is geen voorkeur voor stromend of stilstaand water, maar een waterdiepte van minimaal 50 cm is een vereiste. Holen en burchten zijn de belangrijkste verblijfplaatsen waar bevers de dag doorbrengen en hun jongen ter wereld brengen. In hoeverre een bever gebruik maakt van een hol of een burcht hangt af van de vorm en samenstelling van de oever. Daarnaast speelt de intensiteit van het gebruik van het verblijf een rol (zoogdiervereniging bever, 2020).
Figuur 1
De bever (bron: Zoogdiervereniging).
33
Sperwer De sperwer heeft een havikachtig profiel, echter is een maat kleiner. De lengte van kop tot staart varieert van 28 tot 38 centimeter. Het vrouwtje is ongeveer even groot als mannetje havik, het mannetje sperwer is veel kleiner. De soort nestelt vanaf eind april in een nest dat ieder jaar opnieuw gebouwd wordt. Vaak wordt het nest gebouwd in naaldbomen. Vanwege concurrentie met de havik broedt de sperwer nogal verborgen. Broedt om dezelfde reden vaak in redelijk dicht bos. In geval van paar of adult in broedbiotoop, zang en/of balts moeten er (minimaal) 2 waarnemingen zijn in de periode 1 maart t/m 15 juli.
Figuur 2
De sperwer (bron: vogelbescherming.nl).
Das De das is een marterachtige en een sociaal dier dat vrijwel altijd in een dassenclan leeft (figuur 2). Zo’n clan bestaat meestal uit één dominante man en één dominante vrouw met jongen en jaarlingen (de jongen van het voorgaande jaar). De grootte van een clan is afhankelijk van de grootte van het leefgebied en het voedselaanbod (BIJ12, 2017; Zoogdiervereniging Das, 2022) en kan variëren van 2 tot 12 dieren. In Nederland bestaat de gemiddelde grootte van een dassenclan uit circa vier individuen. Dassen leven in verschillende type burchten. Naast de hoofdburcht zijn er vaak ook (kleinere) bijburchten en vluchtpijpen, welke tijdelijk worden gebruikt en meestal op strategische plaatsen liggen, zoals dicht bij een voedselbron. Afhankelijk van de periode in het jaar wordt de hoofdburcht of een van de bijburchten bewoond. Deze dassenpijpen liggen verspreid in het territorium, waarin verschillende foerageergebieden en looproutes aanwezig en met elkaar verbonden zijn (BIJ12, 2017). Dassen zijn schemer en nacht actieve dieren, waarbij ze de burcht vaak pas ’s avonds verlaten opzoek naar voedsel. Hierbij worden veelal wissels (looproutes) gebruikt om van de burcht naar het foerageergebied te komen en terug. Het dieet van de das bestaat voor het grootste deel uit regenwormen (circa 40-80 %).
Het overige deel van het dieet bestaat uit overige ongewervelde (kevers, pissebedden, duizendpoten slaken etc.), noten, bessen en seizoensgebonden gewassen als mais en graan en soms ook kleine zoogdieren en amfibieën (Dinther et al., 2010; Bommel et al., 2015). De das is een opportunist, wat inhoudt dat hij de voorkeur zal geven voor het voedsel dat het ‘makkelijkst’ bereikbaar is. Hierdoor zijn er grote verschillen, afhankelijk van het seizoen, in het dieet. Echter blijkt dat een hoge biomassa regenwormen het belangrijkste is voor het functioneren van een essentieel foerageergebied.
34
De paring kan het hele jaar door plaatsvinden. Echter wordt er meestal een piek van paring gezien in februari direct nadat de jongen zijn geboren (BIJ12, 2017; Bommel et al., 2015). Na de bevruchting nestelt het embryo niet meteen in de baarmoederwand waardoor vaak de draagtijd pas later begint, meestal in de winter. Hierdoor bedraagt de daadwerkelijke draagtijd enkel zeven tot acht weken en worden jonge dassen geboren in de periode januari - maart met een piek in februari. Als de jongen circa 8 weken oud zijn komen deze voor het eerst uit de burcht. Vanaf juni-augustus worden de jongen zelfstandig. Indien de clan de maximale grootte heeft bereikt gaan de jongen migreren en opzoek naar een nieuwe clan en/of partner (BIJ12, 2017).
Figuur 3
De das (Meles meles) (bron: Blom Ecologie, Zeist).
35
Kleine marterachtigen De bunzing, hermelijn en wezel zijn kleine marterachtigen (figuur 3). Deze soorten zijn sterk gebonden aan kleinschalige landschappen met afwisselende structuren als houtwallen, bosschages, begroeide oevers, weides en parken. Afwisselende structuren bieden voldoende dekking en voedsel en zijn van groot belang bij de migratie. Alle drie de soorten zijn roofdieren die vaak dag en nacht actief opzoek zijn naar voedsel als kleine zoogdieren, amfibieën en (jonge) kleine vogels. Naast de belangrijke functies als dekking, voedsel en verspreiding moet een geschikt leefgebied ook voorzien in rust- en voortplantingsplaatsen. Droge plaatsen als oude holen, houtstappels, holle bomen, takkenrillen, strobalen, puinhopen en ook oude schuren en stallen bieden geschikte rust- en voortplantingsmogelijkheden. De voortplantingsperiode van de soorten liggen tussen circa medio april en juni, dit is dan ook een actieve periode van kleine marterachtigen (Bouwens, 2017; Zoogdiervereniging, 2022).
Figuur 4
Links de bunzing, midden de wezel en rechts de hermelijn (bron: © Zoogdiervereniging).
Steenmarter Het voorkeurshabitat van de steenmarter betreft een kleinschalig parklandschap (figuur 4). De soort wordt met name aangetroffen nabij steden, dorpen en boerderijen. Geschikte leefgebieden bestaan voornamelijk uit kleinschalige landbouw met oude schuren, heggen en geriefhoutbosjes. In het bijzonder heeft de steenmarter een voorkeur voor steenachtige biotopen en schuilplaatsen, zoals steengroeven, rotsige hellingen en gebouwen. Daarbij is de aanwezigheid van elementen als groenstroken, heggen, houtsingels, greppels en bermen die kunnen dienen als foerageer- en jachtgebied van belang (Zoogdiervereniging steenmarter, 2022).
Figuur 5
De steenmarter (bron: zoogdierverening.nl).
36
Rode eekhoorn De eekhoorn (Sciurus vulgaris) wordt ook vaak gewone- of rode eekhoorn genoemd (figuur 5). Het is een echte boombewoner die als een acrobaat door de bomen rent en springt. Hun vachtkleur varieert van rood(oranje) tot kastanje- of donkerbruin. Eekhoorns vallen op door hun grote pluimstaart, gepluimde oren, grote ogen en lange tenen met lange, scherpe nagels. De rode eekhoorn leeft in loofbos, naaldbos of gemengd bos maar ook in tuinen, parken en houtwallen in de buurt van bos (Zoogdiervereniging eekhoorn, 2023). Het stapelvoedsel bestaat uit zaden en noten. Eekhoorns bouwen op minstens 5 m hoogte slaapnesten in bomen, in de voortplantingsperiode bouwt het vrouwtje een groter kraamnest. Grote boomholtes worden tevens als slaapplek gebruikt. Eekhoorns leven alleen en hebben een eigen leefgebied waarbinnen voedsel wordt gezocht. Deze leefgebieden kunnen elkaar overlappen en worden niet verdedigd; alleen het slaapnest wordt verdedigd. De territoria van mannetjes zijn groter dan die van vrouwtjes. In de paartijd slapen mannetje en vrouwtje geregeld in eenzelfde nest maar zodra de jongen geboren zijn wordt het mannetje niet meer bij het nest geduld.
Figuur 6
De rode eekhoorn (bron: zoogdierverening.nl).
37
Koeweistraat 2 4181 CD Waardenburg 0418 820 288
blomecologie.nl 38
Bijlage 3
- Stikstofonderzoek
STIKSTOFDEPOSITIEONDERZOEK STATIONSKWARTIER RAVENSTEIN
1
De Roever Omgevingsadvies Rembrandtlaan 4 5462 CH Veghel T 073 594 10 11 E info@deroever.nl W www.deroever.nl NL97 RABO 0122 6903 11 Advies- en ingenieursbureau J.G. de Roever B.V. KvK 16068733 BTW NL 8015.63.136.B.01
Titel document: Referentie: Datum: Opdrachtgever:
Stikstofdepositieonderzoek Stationskwartier Ravenstein 20231656.v02 9 oktober 2024 Buro SRO
Stikstofdepositieonderzoek Stationskwartier Ravenstein Datum: 9 oktober 2024 ; Referentie: 20231656.v02
2
INHOUDSOPGAVE 1.
INLEIDING ....................................................................................................................................... 4
1.1. 1.2.
Algemeen ..................................................................................................................................... 4 Ligging van het plangebied .......................................................................................................... 4
2.
WETTELIJK KADER ...................................................................................................................... 6
2.1. Omgevingswet ............................................................................................................................. 6 2.1.1. Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) ..................................................................................... 6 2.1.2. Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) ................................................................................. 6 2.2. 2.3.
Beleidsregels intern en extern salderen ...................................................................................... 6 Referentiesituatie ......................................................................................................................... 7
3.
REKENONDERZOEK ..................................................................................................................... 8
3.1. Uitgangspunten aanlegfase ......................................................................................................... 8 3.1.1. Mobiele werktuigen .............................................................................................................. 8 3.1.2. Bouwverkeer ........................................................................................................................ 9 3.2. Uitgangspunten gebruiksfase ...................................................................................................... 9 3.2.1. Verkeer .............................................................................................................................. 10 3.2.2. Stookinstallaties ................................................................................................................. 10 3.3. Uitgangspunten referentiesituatie (o.b.v. de feitelijke situatie) .................................................. 11 3.3.1. Mestaanwending................................................................................................................ 11 3.3.2. Verkeer .............................................................................................................................. 14 3.3.3. Mobiele machines .............................................................................................................. 14 3.4.
Berekeningswijze ....................................................................................................................... 14
4. CONCLUSIES ............................................................................................................................... 16 BIJLAGE I. METHODIEK KENTALLEN AANLEGFASE WONINGBOUW ............................... 17 BIJLAGE II. BODEMRAPPORTEN .............................................................................................. 18 BIJLAGE III. AERIUS-PROJECTBEREKENING AANLEG ......................................................... 19 BIJLAGE IV. AERIUS-PROJECTBEREKENING AANLEG + GEBRUIK ..................................... 20 BIJLAGE V. AERIUS-PROJECTBEREKENING GEBRUIK ........................................................ 21
Stikstofdepositieonderzoek Stationskwartier Ravenstein Datum: 9 oktober 2024 ; Referentie: 20231656.v02
3
1.
INLEIDING
1.1.
Algemeen
Initiatiefnemer is voornemens om in het Stationskwartier in Ravenstein een woningbouwplan in ontwikkeling te brengen. Het plan omvat de realisatie van in totaal maximaal 395 woningen, waarvan 230 woningen in het deelgebied Bendelaar en 165 woningen in het deelgebied Sportvelden. In het kader van deze ontwikkeling wordt een bestemmingsplan opgesteld. Als onderdeel van dit bestemmingsplan moet een stikstofdepositieonderzoek voor de aanlegfase en gebruiksfase worden uitgevoerd. De locatie van het plangebied met de deelgebieden is aangegeven op afbeelding 1. Een stedenbouwkundig plan met de mogelijke planvorming is nog niet uitgewerkt en komt er ook niet in het kader van het bestemmingsplan.
Afbeelding 1. Locatie plangebied met deelgebieden Bron: PDOK
1.2.
Ligging van het plangebied
De ligging van het plangebied en de dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden met stikstof gevoelige habitattypen zijn weergegeven op afbeelding 2. Het dichtstbijzijnde Natura 2000gebied betreft ‘Rijntakken’ en is gelegen op een afstand van circa 10 kilometer vanaf het plangebied. Dit is tevens een Natura 2000-gebied met stikstofgevoelige habitats.
Stikstofdepositieonderzoek Stationskwartier Ravenstein Datum: 9 oktober 2024 ; Referentie: 20231656.v02
4
Afbeelding 2. Ligging van het plangebied ten opzichte van Natura 2000-gebieden Bron: AERIUS Calculator
Voor dit onderzoek is gebruik gemaakt van de volgende gegevens: - informatie versterkt door de initiatiefnemer; - verkeersonderzoek ‘Stationskwartier Ravenstein’ opgesteld door Megaborn op 29 september 2023, met kenmerk: GOs2302-R01 d2.0; - via internet toegankelijke informatie en digitale ondergronden (PDOK); - gegevens en bureauexpertise de Roever Omgevingsadvies. N.B. De gehanteerde uitgangspunten zijn realistisch doch worst-case.
Stikstofdepositieonderzoek Stationskwartier Ravenstein Datum: 9 oktober 2024 ; Referentie: 20231656.v02
5
2.
WETTELIJK KADER
2.1.
Omgevingswet
2.1.1.
Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl)
Per 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden. In artikel 5.1 lid 1 van deze wet is opgenomen dat het verboden is om zonder omgevingsvergunning Natura 2000-activiteiten te verrichten. Dit zijn projecten die niet direct verband houden of nodig zijn voor het beheer van Natura 2000-gebieden, maar welke significante gevolgen kunnen hebben voor Natura 2000-gebieden zijn aangewezen als Natura 2000-activiteiten. Verder is in artikel 4.3 lid 1 van deze wet is opgenomen dat voor Natura 2000-activiteiten bij algemene maatregel van bestuur regels moeten worden gesteld. De bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde regels ten aanzien van Natura 2000-activiteiten zijn opgenomen in diverse besluiten: Indien een project zou kunnen voorzien in significante gevolgen voor Natura 2000-gebieden, dan dient een omgevingsvergunning voor de Natura 2000-activiteit aangevraagd te worden. In artikel 8.74b van het Bkl zijn de beoordelingsregels opgenomen waaraan de aanvraag moet voldoen. De aanvraag moet vergezeld worden van een passende beoordeling waaruit met zekerheid blijkt dat het project de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied niet zal aantasten.
Indien deze zekerheid niet kan worden verkregen, dan kan de omgevingsvergunning alsnog worden verleend indien er geen alternatieve oplossingen zijn, het project nodig is om dwingende regenen van groot openbaar belang en de nodige compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van Natura 2000 bewaard blijft.
2.1.2.
Besluit activiteiten leefomgeving (Bal)
In het Bal zijn een scala aan activiteiten opgenomen die gevolgen kunnen hebben voor de leefomgeving. Aan deze activiteiten zijn regels gesteld, waarbij in het Bal is aangeven uit welk oogmerk deze regels zijn gesteld. Tevens is in het Bal opgenomen wie het bevoegd gezag is bij de desbetreffende activiteit, of er een specifieke zorgplicht geldt, of aan de activiteit maatwerkvoorschriften gesteld kunnen worden en welke gegevens moeten worden verstrekt bij een melding, een verzoek, een aanvraag en dergelijke. In afdeling 11.1 van het Bal zijn regels opgenomen voor activiteiten met mogelijke gevolgen voor Natura 2000gebieden of bijzondere nationale natuurgebieden
2.2.
Beleidsregels intern en extern salderen
Vanwege de vernietiging van het Programma Aanpak Stikstof (PAS) is het voor het bevoegd gezag niet mogelijk om toestemmingen te verlenen voor projecten waarvoor ontwikkelingsruimte nodig is. Om aan te tonen dat een project geen significant effect heeft op de stikstofdepositie ter plaatse van stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden bestaan de volgende mogelijkheden: - aantonen dat in de beoogde situatie geen effect (stikstofdepositie < 0,00 mol/ha/jaar) op de omliggende stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden optreedt. - middels intern of extern salderen aantonen dat in de beoogde situatie geen sprake is van een stikstoftoename met significante gevolgen voor Natura 2000-gebieden ten opzichte van de referentiesituatie. - middels een ecologische voortoets onderzoeken of significante negatieve effecten op instandhoudingsdoelstellingen kunnen worden uitgesloten. Een ecologische voortoets is een mogelijkheid voor activiteiten die enkel zorgen voor een stikstofdepositie op hectares waarvan de kritische depositiewaarde (KDW) niet wordt overschreden.
Stikstofdepositieonderzoek Stationskwartier Ravenstein Datum: 9 oktober 2024 ; Referentie: 20231656.v02
6
Met behulp van een voortoets kan het bevoegd gezag bepalen of op voorhand negatieve gevolgen uit te sluiten zijn. Hiervoor kan met het rekenprogramma AERIUS Calculator berekend worden wat de depositie op de stikstofgevoelige natuurgebieden is. Hoe de resultaten worden beoordeeld, is aan het bevoegd gezag. Hierbij moet voor de gewenste situatie worden uitgegaan van de maximale planologische mogelijkheden. Voor plannen die ten opzichte van de uitgangssituatie op het referentiemoment geen significante toename in stikstofdepositie veroorzaken, zijn negatieve effecten ten aanzien van dit aspect uit te sluiten. In dat geval hoeft geen passende beoordeling te worden opgesteld. Als de stikstofdepositie in de beoogde situatie wel hoger is dan 0,00 mol/ha/jaar, dan is een verdere inhoudelijke beoordeling van de te verwachten stikstofdepositie noodzakelijk. Het is dan mogelijk om toestemming te krijgen op basis van intern of extern salderen. Voor extern salderen geldt een vergunningplicht omdat van de beoogde activiteit op zichzelf negatieve effecten niet op voorhand kunnen worden uitgesloten. Met salderen wordt inzichtelijk gemaakt of in de beoogde situatie sprake is van een stikstoftoename met significante gevolgen voor Natura 2000-gebieden ten opzichte van de referentiesituatie.
Of sprake is van een significante toename van de stikstofdepositie hangt af van de toegestane depositie in de referentiesituatie.
2.3.
Referentiesituatie
Wanneer sprake is van de wijziging of uitbreiding van een bestaande activiteit, gelden voor projecten de volgende referentiesituaties[1], een: - vigerende vergunning die verleend is op basis van de Wet natuurbescherming; - vigerende vergunning die verleend is op basis van de Natuurbeschermingswet 1998; - vigerende omgevingsvergunning die verleend is op basis van de Wabo met een verklaring van geen bedenkingen (VVGB) op grond van één van de twee hierboven genoemde wetten; - tracébesluit, wegaanpassingsbesluit of kavelbesluit waaraan een passende beoordeling is gekoppeld; - (milieu-)toestemming op de Europese referentiedatum, zie afbeelding 3.
Afbeelding 3. Stappenplan voor het bepalen van de referentiesituatie[1]
Van een (planologisch) plan, zoals een bestemmingsplan of omgevingsplan, is de huidige feitelijk aanwezige, planologisch legale situatie de referentiesituatie. 1
Handreiking intern en extern salderen; https://www.bij12.nl/wp-content/uploads/2023/11/Handreiking-intern-extern-salderen-en-verleasen-BIJ124-maart-2021.pdf.
Stikstofdepositieonderzoek Stationskwartier Ravenstein Datum: 9 oktober 2024 ; Referentie: 20231656.v02
7
3.
REKENONDERZOEK