CConstaterende datOss
Koppel je AI →
Document · PDF

3.a Bijlagenboek 1 bij toelichting

Gemeenteraad 12 december 2024, gemeente OssBij agendapunt: B Vaststellen bestemmingsplan Stationskwartier Ravenstein - 202420.742 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

BESTEMMINGPSLAN Stationskwartier Ravenstein - 2024 Bijlagen 1t/m9 bij toelichting

Gemeente Oss | Raadhuislaan 2 | 5341 GM | Oss | T: 14 0412 | F: 0412 642605 | www.oss.nl |

Indexpagina bijlagen bij de toelichting (1)

Bestemmingsplan Stationskwartier Ravenstein – 2024 Bijlage 1

- Quick scan flora en fauna

Bijlage 2

- Aanvullend onderzoek flora en fauna

Bijlage 3

- Stikstofonderzoek

Bijlage 4

- Verkennend archeologisch onderzoek

Bijlage 5

- Proefsleuvenonderzoek Bendelaar

Bijlage 6

- Selectiebesluit 1

Bijlage 7

- Selectiebesluit 2

Bijlage 8

- Verkeerskundig onderzoek

Bijlage 9

- Watertoets

Bijlage 1

- Quick scan flora en fauna

broed

BURO SRO OOST B.V. T.a.v. dhr. L. Arends Sweerts de Landasstraat 50 6814 DG ARNHEM Datum

7 oktober 2021 (revisie 04-03-2022)

Kenmerk

BE/2021/505/r

Uw kenmerk

Email d.d. 30 april 2021

Auteur(s)

ing. G. Fairhurst

Collegiale toets

ir. ing, K.J. Rebergen

Quickscan Wet natuurbescherming Stationskwartier te Ravenstein Aan de Dorskamp, Stationsingel, Baxenbosstraat, Bendelaar en Stationspad te Ravenstein liggen sportvelden, een agrarisch gebied met houtsingels, kavel- en ringsloten en vrijstaande solitaire bomen. De initiatiefnemer is voornemens hier een woonwijk het ‘Stationskwatier’ te realiseren. Het bestemmingsplan voorziet niet in de beoogde ontwikkeling en dient derhalve te worden gewijzigd van ‘agrarisch’ en ‘sport’ naar ‘wonen’. De beoogde ontwikkeling heeft mogelijk een negatief effect op beschermde flora en fauna (soortenbescherming), beschermde natuurgebieden (gebiedsbescherming) en/of beschermde houtopstanden. Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling geldt de wettelijke verplichting onderzoek te verrichten naar de aanwezigheid van beschermde flora en fauna en de mogelijke effecten van de ruimtelijke ingreep daarop. Middels voorliggend ecologisch oriënterend onderzoek is de (potentiële) aanwezigheid van beschermde flora en fauna en de betekenis van de planlocatie voor deze soorten in kaart gebracht. Tevens is de ligging van het gebied ten opzichte van beschermde natuurgebieden en beschermde structuren in kaart gebracht. Buro SRO Oost B.V. begeleidt de ruimtelijke procedure en heeft Blom Ecologie B.V.

verzocht de planlocatie te onderzoeken op aanwezigheid van beschermde flora en fauna en deze vervolgens te toetsen aan de effecten van de werkzaamheden en het geldende bestemmingsplan. Onderzoeksdoelen Middels dit oriënterende onderzoek worden de volgende onderzoeksvragen beantwoord: • Is het bestemmingsplan dat wordt opgesteld voor het project zoals hiervoor omschreven uitvoerbaar zoals het bepaalde in de Wro (art. 3.1.6 Bro)? • Welke, krachtens de Wet natuurbescherming, beschermde flora en fauna zijn (potentieel) aanwezig op de planlocatie? • Welke negatieve effecten treden op voor (potentieel) aanwezige flora en fauna als gevolg van de beoogde ruimtelijke ingreep? • Heeft de beoogde ruimtelijke ingreep een negatief effect op het de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden of de wezenlijke kenmerken en waarden van het Natuurnetwerk Brabant en Groenblauwe mantel? • Heeft de beoogde ruimtelijke ingreep een negatief effect op houtopstanden die middels de Wet natuurbescherming zijn beschermd? • Dienen er vervolgstappen in het kader van de Wet natuurbescherming te worden genomen, en zo ja, welke?

Planlocatie De planlocatie is gelegen aan de Dorskamp, Baxenbosstraat, Bendelaar, Stationsingel en Stationspad (figuur 1). Het betreffen sportvelden (Dorskamp 40) en agrarische velden met een houtsingel, struweel, solitaire bomen en kavel- en ringsloten. Binnen de planlocatie liggen tevens een aantal particulieren woningen, deze zijn met dit onderzoek niet onderzocht en blijven vooralsnog behouden binnen de beoogde ontwikkeling. De sportvelden betreffen voetbalvelden met daaromheen een houtsingel en daarbij behorende clubhuis en omkleedruimtes, welke gesaneerd zullen worden. De bebouwing van het clubhuis is opgebouwd uit stenen muren met spouw en golfplaten daken. Ten westen van de sportvelden ligt een groenperceel met een struweel en ruigtevegetatie. De agrarische velden worden afgewisseld door begrazingsweide en akker met daartussen watergangen met begroeide oevers, solitaire bomen en kleine struiken. In figuur 2 en bijlage 1 zijn een aantal foto’s opgenomen die een impressie geven van de planlocatie en de directe omgeving hiervan. De directe omgeving van de planlocatie wordt gekenmerkt door een landelijke omgeving. Ten zuiden van de planlocatie ligt de stad Ravenstein en aan de noord- en westzijde agrarische landen. Op circa 850 m ten oosten stroomt de Maas en op circa 1,3 km ten zuiden ligt de A50.

Figuur 1

2

De planlocatie (rood omkaderd) is gelegen tussen de Dorskamp, Baxenbosstraat, Dorpenweg en Bendelaar (bron kaartmateriaal: arcgis.com).

Figuur 2

Fotografische indruk van de planlocatie en de directe omgeving hiervan.

Functieverandering en effecten De beoogde ingrepen zijn permanent van karakter. De beoogde ontwikkeling betreft de sanering van de bebouwing behorende bij de sportvelden, kap en verwijdering van groenstructuren ten behoeve van de realisatie van een nieuwbouwwijk (bijlage 4). Hierbij worden nieuwe waterpartijen, een boomgaard, moestuin en kloostertuin en andere groenstroken aangelegd. De functie van het perceel dient te wijzigen van ‘agrarisch’ en ‘sport’ naar ‘wonen’. Onderstaand volgt een korte opsomming van de ingrepen en effecten: • • • • • • •

saneren van clubgebouw: algemene sloopwerkzaamheden en afvoer sloopmateriaal; kappen van bomen: kapwerkzaamheden en afvoer hout; dempen van sloten: graaf- en dempwerkzaamheden; verwijderen terreininrichting, waaronder gedeelte van het groen: graafwerkzaamheden, transport (afvoer) van materiaal en groen; egaliseren terrein: graafwerkzaamheden en grondtransport; realisatie nieuwbouw: algemene bouwwerkzaamheden; revitalisatie terrein en aanleg verharding: allerhande (straat- en hoveniers) werkzaamheden.

Methode Dit oriënterend onderzoek verkent alle relevante vakgebieden met betrekking tot de Wet natuurbescherming. Hierbij wordt een beoordeling gegeven van de aanwezigheid van specifieke potentie voor beschermde flora en fauna op de planlocatie, de betekenis van de planlocatie voor de aanwezige soorten en de effecten van de voorgenomen ingrepen op de soorten. Dit onderzoek bestaat uit een veldbezoek en raadpleging van externe bronnen. Veldbezoek Het veldbezoek is een momentopname van de aanwezige flora en fauna. Op basis van dit veldbezoek wordt een inschatting gemaakt omtrent de mogelijke aanwezigheid van beschermde soorten. Tijdens het veldbezoek is de planlocatie nauwkeurig onderzocht, waarbij ook gelet werd op sporen en delen of restanten van planten en/of dieren.

3

Het veldbezoek heeft plaatsgevonden op 11 juni 2021 en is uitgevoerd door ing. G. Fairhurst. De weersomstandigheden tijdens het veldbezoek waren; droog, 3/8 bewolkt, 20 Celsius en windkracht 0-1 (Bft). Externe bronnen Vaak zijn er al gegevens bekend over een planlocatie en de directe omgeving hiervan. Deze gegevens worden onder andere beheerd in rapporten en naslagwerken en door de Nationale Database Flora en Fauna (NDFF). Raadpleging van externe bronnen levert vaak nuttige aanvullende informatie op en biedt daarmee een vollediger beeld van de (mogelijk) aanwezige flora en fauna.

Wet natuurbescherming Per 1 januari 2017 zijn drie voormalige wetten; de Flora- en faunawet samen met de Boswet en de Natuurbeschermingswet 1998, vervangen door de Wet natuurbescherming (Wnb). Bevoegdheden zijn met het ingaan van deze wet overgedragen van het rijk naar de provincie. Algemene zorgplicht In de Algemene zorgplicht (art. 1.11) wordt voorgeschreven dat nadelige gevolgen voor flora en fauna voorkomen moet worden. Het uitgangspunt van de Algemene zorgplicht is dat het doden, verwonden, verontrusten of beschadigen van flora en fauna wordt vermeden. Deze zorgplicht geldt voor iedereen. (a) Soortenbescherming De soortenbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten (art. 3.1), Habitatrichtlijnsoorten (art. 3.5) en Andere soorten (art. 3.10). Hierin worden ook rust- en voortplantingsverblijfplaatsen en het functioneel leefgebied beschermd. Bij negatieve effecten op soorten in de specifieke soortenbescherming geldt een ontheffingsplicht. Van de verboden als bedoeld in Andere soorten art. 3.10 eerste lid kan door bevoegd gezag vrijstelling verleend worden voor het opzettelijk doden of vangen van individuen en voor het opzettelijk beschadigen of vernielen van vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen voor bepaalde soorten.

In de Omgevingsverordening Provincie Noord-Brabant is voor de volgende soorten vrijstelling opgenomen in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: Tabel 1 Vrijgestelde soorten in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen in de provincie Noord-Brabant. Aardmuis Gewone pad Ree Bastaardkikker

Haas

Rosse woelmuis

Bosmuis

Huisspitsmuis

Tweekleurige bosspitsmuis

Bruine kikker Dwergmuis Dwergspitsmuis

Kleine watersalamander Konijn Meerkikker

Egel Gewone bosspitsmuis

Ondergrondse woelmuis

Veldmuis Vos Wildzwijn Woelrat

(b) Gebiedsbescherming Naast de specifieke soortenbescherming kent Nederland ook gebiedsbescherming, waarbij bepaalde gebieden extra bescherming genieten. Het gaat hier hoofdzakelijk om Natura 2000gebieden, het Natuurnetwerk Brabant en de Groenblauwe mantel. In deze gebieden mogen in principe geen werkzaamheden binnen de grenzen uitgevoerd worden. Natura-2000 gebieden Voor werkzaamheden in Natura 2000-gebieden is bij mogelijke effecten een Voortoets vereist. Met de Voortoets wordt bepaald of de plannen mogelijk negatieve effecten hebben op de doelstellingen van Natura 2000-gebieden. Ten aanzien van Natura 2000-gebieden kunnen ook externe effecten als stikstofdepositie en licht- of geluidsuitstraling van invloed zijn. Bij negatieve effecten op beschermde natuurgebieden dient een vergunning voorhanden te zijn.

4

Provinciaal beleid Binnen het Natuurnetwerk Brabant en de Groenblauwe mantel geldt het ‘nee, tenzij’-principe. In bepaalde gevallen dient er natuurcompensatie uitgevoerd te worden. Ten aanzien van het Natuurnetwerk Brabant geldt dat externe werking als trillingen, geluid, licht, schaduwwerking en betreding mogelijk leiden tot negatieve effecten. (c) Houtopstanden Houtopstanden onder de Wnb betreffen zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, met een oppervlakte van 1000 m2 of meer, of een rijbeplanting met meer dan 20 bomen. Het is verboden een houtopstand geheel of gedeeltelijk te vellen of te doen vellen, met uitzondering van het periodiek vellen van griend- of hakhout, zonder voorafgaand melding te doen bij gedeputeerde staten. Ingeval een houtopstand geheel of gedeeltelijk is geveld, dient deze binnen drie jaar herplant te worden.

Het vellen van houtopstanden is niet meldingsplichtig in het kader van de Wnb als het één van de volgende typen houtopstanden betreft: a) houtopstanden binnen de bij besluit van de gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom; b) houtopstanden op erven of in tuinen; c) fruitbomen en windschermen om boomgaarden; d) naaldbomen, kennelijk bedoeld om te dienen als kerstbomen, indien niet ouder dan twintig jaar; e) kweekgoed; f) uit populieren of wilgen bestaande: (1) wegbeplantingen, (2) beplantingen langs waterwegen en/of (3) éénrijige beplantingen langs landbouwgronden; g) het dunnen van een houtopstand; h) uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen die kennelijk zijn bedoeld voor de productie van houtige biomassa, indien zij: (1) ten minste eens per tien jaar worden geoogst, (2) bestaan uit minstens tienduizend stoven per hectare per beplantingseenheid, zijnde een aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken breder dan twee meter, en (3) zijn aangelegd na 1 januari 2013.

Beoordeling (a) soortenbescherming Op basis van het veldbezoek en de bureaustudie wordt per soortgroep besproken wat de potentie van de planlocatie en de directe omgeving daarvan voor het voorkomen van soorten is, en welke effecten daarop te verwachten zijn ten gevolge van de beoogde ontwikkeling. Voor een aantal van de nationaal beschermde soorten (beschermingsregime ‘Andere soorten’) geldt vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen (zie soortenbescherming). In de voorliggende beoordeling is specifiek gelet op de potentiële aanwezigheid van beschermde soorten waarvoor geen vrijstelling geldt c.q. soorten waarvoor een ontheffingsplicht noodzakelijk is. Planten In de directe omgeving van de planlocatie is het voorkomen bekend van de volgende beschermde planten: kruiptijm (NDFF 2011-2021). Gedurende het veldbezoek zijn geen beschermde planten en/of sporen hiervan aangetroffen. De planlocatie betreft sportvelden en agrarische velden met een houtsingel, struweel en enkele solitaire bomen en struiken. De sportvelden zijn sterk onderhouden en worden wekelijks gemaaid. De agrarische velen bestaan afwisselend uit begrazingsweide en akkers met een hoge mate van voedselrijkdom. Kruiptijm geeft de voorkeur aan droge, zonnig en zeer stikstof- en voedselarme kalkgronden. En komt enkel voor op kalkgraslanden en kalkrijke zeeduinen.

De planlocatie is ongeschikt als groeiplaats en aanwezigheid van kruiptijm kan derhalve worden uitgesloten. De beoogde ontwikkeling leidt niet tot aantasting van beschermde en/of kwetsbare vegetatie. Ter plaatse van de planlocatie is slechts sprake van inheemse of aangeplante planten zonder beschermde status. Enkele waargenomen soorten betreffen: akkerwinde, bitterzoet, boswilg, boerenwormkruid, gele lis, gewone braam, gewone es, gewone klit, gewone vlier, grote

5

brandnetel, grote kaardenbol, hazelaar, kale jonker, kruipende boterbloem, riet, rietgras, schietwilg en zomereik. Gelet op de functie, ligging en het gebruik van het perceel in relatie tot de habitatpreferentie van kwetsbare en zeldzame soorten wordt de aanwezigheid hiervan niet verwacht. Daarnaast zijn beschermde planten niet aangetroffen gedurende het veldbezoek, waarmee negatieve effecten ten aanzien van beschermde planten derhalve kunnen worden uitgesloten. Grondgebonden zoogdieren Binnen een straal van 2,5 km is de aanwezigheid bekend van de volgende zoogdieren: aardmuis, bever, bosmuis, bunzing, bruine rat, das, egel, haas, huisspitsmuis, konijn, mol, ree, rode eekhoorn, rosse woelmuis, steenmarter, veldmuis, vos, wezel en woelrat (NDFF 2011-2021). Voor de volgende soorten geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en dat er geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: bever, bunzing, das, rode eekhoorn, steenmarter en wezel. Tijdens het veldbezoek zijn geen sporen aangetroffen van (beschermde) zoogdieren. De bever komt enkel voor in overgangsgebieden van land naar water als moerassen en uiterwaardengebieden. Hierbij is het van belang dat er voldoende zachthoutbomen en andere voedselbronnen aanwezig op de oevers.

De watergangen zijn hierdoor ongeschikt als essentieel leefgebied voor de bever, daarnaast zijn alle waarnemingen afkomstig van het uiterwaardengebied langs de Maas. Aanwezigheid van essentieel leefgebied van de bever kan derhalve uitgesloten worden. De rode eekhoorn is sterk gebonden aan boomrijke gebieden als bossen, parken en landgoederen. Op de planlocatie is een houtsingel aanwezig. De houtsingel staat niet in verbinding met een aaneengesloten bosgebied of park, waardoor er wordt verwacht dat de planlocatie geen deel uit maakt van het essentieel leefgebied. Echter kan aanwezigheid van de soort niet volledig uitgesloten worden, derhalve dient er een inspectie plaats te vinden naar de aan- of afwezigheid van nestlocaties van de rode eekhoorn in de aanwezige groenstructuren (zie Vervolgstappen). De das komt voornamelijk voor in kleinschalige landschappen op hoge en lage zandgronden met voldoende afwisselende structuren van weilanden, bosschages en houtsingels. De sportvelden maken door het goede onderhoudsbeeld geen deel uit van het leefgebied van de das. Mogelijk komt de das voor op en langs de agrarische velden. Reeds zijn er waarnemingen van de das bekend binnen de planlocatie (waarnemingen van omwonende).

De bunzing, steenmarter en wezel zijn marterachtigen en leven voornamelijk in kleinschalige landschappen met veel afwisselende structuren als houtsingels, bosschages, begroeide oevers, boeren erven en struiken. De planlocatie betreft dergelijke structuren waardoor aanwezigheid van de soorten niet uit te sluiten is. Daarnaast zijn er houtstappels, oude schuren (op de agrarische terreinen) en holen aanwezig, welke mogelijk kunnen dienen als rut- en voortplantingsplaats. De boogde ontwikkeling heeft derhalve mogelijk een negatief effect op de bunzing, steenmarter en/of wezel. Voorafgaand dient middels aanvullend onderzoek de aan- of afwezigheid van deze soorten worden vastgesteld (zie Vervolgstappen). Hiermee kan tevens de functie van planlocatie voor de das in beeld worden gebracht. De planlocatie heeft teven een functie voor algemene soorten. Dit betreft met name egel, konijn, mol en veldmuis. Dergelijke soorten zijn dermate opportunistisch dat in de directe omgeving voldoende vergelijkbaar habitat aanwezig is waar ze zich al dan niet tijdelijk kunnen ophouden. Bovendien geldt voor dergelijke algemene soorten vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Vleermuizen Binnen een straal van 2,5 km is het voorkomen bekend van de volgende vleermuissoorten: gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis en laatvlieger (NDFF 2011-2021).

Onder de Wet natuurbescherming zijn alle in Nederland voorkomende vleermuizen als Habitatrichtlijnsoorten beschermd. Laanvormige bomenrijen, oude bomen met gaten en scheuren, (oude) gebouwen met kieren en spleten en/of structuurrijke groenelementen kunnen een functioneel onderdeel zijn van een vleermuishabitat (BIJ12 kennisdocument Gewone dwergvleermuis, 2017; Limpens et al., 1997; Dietz et al., 2011).

6

Op de planlocatie is een houtsingel en verschillende solitaire bomen aanwezig, hiervan konden ten tijde van het veldbezoek niet alle bomen grondig geïnspecteerd worden op de aan- of afwezigheid van boomholte en loshangend schors welke kunnen dienen als rust- en verblijfplaats voor boombewonende vleermuizen. Aannemelijk zijn deze wel aanwezig, derhalve wordt geadviseerd de te kappen bomen met een diameter van meer dan 20 cm voorafgaand te inspecteren op de aanwezigheid van geschikte boomholte (dit kan gelijktijdig plaats vinden met de inspectie ten aanzien van nesten van de rode eekhoorn en roofvogels) (zie Vervolgstappen). Mogelijk leidt hieruit dat er aanvullend onderzoek noodzakelijk is naar de aan- of afwezigheid van boombewonende vleermuizen. De te slopen bebouwing bij de sportvelden is nauwkeurig geïnspecteerd op de aan- dan wel afwezigheid van potentiële verblijfplaatsen en geschikte invliegopeningen. Alle gevels en daken van de betreffende bebouwing zijn gecontroleerd op eventuele openingen als open stootvoegen, kierende daklijsten, ontbrekende/scheefliggende dakpannen, ontbrekende specie en overige gevelafwerkingen die vleermuizen toegang kunnen verlenen tot een open dakruimte en/of spouwmuur waar ze een verblijfplaats zouden kunnen vinden.

Een dergelijke verblijfplaats moet voldoen aan een geschikt microklimaat, met een constante (lage) temperatuur, een hoge luchtvochtigheid en weinig invloed van weersomstandigheden. De bebouwing van de sportclub is opgetrokken uit stenen muren met spouw en ventilatieroosters. Deze ventilatieroosters geven toegang tot de open spouwruimte. Het dak bestaat uit golfplanten met een dakbeschot. Op enkele plaatsen zijn kieren onder het dak aanwezig welke mogelijk leiden tot de spouw, daarnaast zijn er dilatatievoegen aanwezig, waarvan enkele volledig open zijn. Dergelijke openingen zijn mogelijk geschikt als rust- en verblijfplaats voor gebouwbewonende vleermuizen. Het is derhalve niet uit te sluiten dat de bebouwing op de planlocatie gebruikt wordt door vleermuizen die in bebouwing leven, zoals gewone dwergvleermuis. De aanwezige openingen zijn echter te klein voor grotere vleermuissoorten als de laatvlieger, daarnaast is er sprake van veel lichtverstoring door de hoge lampen om de sportvelden heen, waardoor aanwezigheid van gewone grootoorvleermuis uitgesloten kan worden. Voorafgaand de sloopwerkzaamheden dient middels aanvullend onderzoek de aan- of afwezigheid van vleermuizen worden vastgesteld (zie Vervolgstappen).

Naast de mogelijkheid dat vleermuizen de planlocatie gebruiken als vaste rust- en/of verblijfplaats, bestaat de mogelijkheid dat vleermuizen de planlocatie gebruiken als foerageergebied en/of vliegroute. De houtsingel en watergangen maken mogelijk deel uit van een essentiële vliegroute. Indien deze volledig wordt gekapt dient een vastgesteld te worden of deze hier onderdeel van uitmaakt (zie Vervolgstappen). In de luwte van opgaande vegetatie of bebouwing kunnen vliegbewegingen en foerageeractiviteiten van vleermuizen plaatsvinden. Hierbij kan sprake zijn van tijdelijke verstoring van vleermuizen ten gevolge van werkzaamheden of lichtgebruik. Vleermuizen jagen op insecten waarbij ze opportunistisch gebruik maken van een groot netwerk aan jachtgebieden. De omvang en het gebruik van een gebied alsmede de jachttechniek en prooien verschillen per soort. Gedurende het foerageren verspreiden vleermuizen zich diffuus over het landschap waarbij veelal gebruik wordt gemaakt van bosranden, bomenlanen, oeverzones of andere structuurrijke zones. Vleermuizen kunnen verblind en daardoor gedesoriënteerd raken als gevolg van felle verlichting. Sterk verlichte locaties worden gemeden door vleermuizen. Tijdens en na de beoogde ontwikkeling dient bij voorkeur geen verlichting te worden toegepast. Bij voorkeur de werkzaamheden uitvoeren tussen zonsopkomst en zonsondergang.

Mocht verlichting noodzakelijk zijn wordt vleermuisvriendelijke verlichting geadviseerd. Amfibieën Binnen een straal van 2,5 km is de aanwezigheid bekend van de volgende amfibieënsoorten: Alpenwatersalamander, bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad, kleine watersalamander en poelkikker (NDFF 2011-2021). Voor de volgende soorten geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: Alpenwatersalamander en poelkikker. Amfibieën leven in zowel een aquatisch (m.n. lente/zomer) als een terrestrisch (m.n. herfst/winter) habitat. Beide habitatonderdelen dienen op korte afstand van elkaar te liggen. De poelkikker is een zonminnende soort en wordt veelal aangetroffen in arme en matigvoedselrijke wateren in heidegebieden, veengebieden en (half) natuurlijke graslanden. De

7

Alpenwatersalamander geeft de voorkeur aan heide- en veengebieden en agrarische gronden en is minder habitatkritisch en wordt ook aangetroffen in wateren zonder onderwatervegetatie en veel bladinval. Door de planlocatie stroomt een ringsloot en rondom de agrarische velden en sportvelden liggen kavelsloten, waarvan enkele niet meer watervoerend zijn. De kavelsloten verschillen van steile oevers tot matig steile zonbeschenen oevers met oever- en onderwatervegetatie. Wegens het voorgenoemde kan aanwezigheid van de poelkikker en Alpenwatersalamander niet volledig uitgesloten worden. Doordat enkele kavelsloten verwijderd en/of sterk vergraven worden leidt dit mogelijk tot aantasting van het functioneel leefgebied. Derhalve dient er voorafgaan aanvullend onderzoek plaats te vinden naar de aan- of afwezigheid van de poelkikker en Alpenwatersalamander (zie Vervolgstappen). Het is niet uit te sluiten dat algemene soorten, zoals de bruine kikker en gewone pad, gedurende de terrestrische (herfst/winter) periode voorkomen binnen de planlocatie. Deze dieren vallen echter onder de vrijstelling voor ruimtelijke ontwikkelingen op basis van de vastgestelde provinciale verordeningen. Negatieve effecten op beschermde amfibieën zijn derhalve uitgesloten. Reptielen Binnen een straal van 2,5 km is de aanwezigheid van inheemse reptielen niet bekend (NDFF 20112021).

Daarnaast zijn reptielen over het algemeen verbonden aan structuurrijke en weinig verstoorde biotopen als heidevelden, bosgebied en natuurlijke oevers. Gezien de afwezigheid van structuurrijke biotopen en de hoge mate van menselijke verstoring is het voorkomen van beschermde reptielen binnen het plangebied uitgesloten. Negatieve effecten op beschermde reptielen zijn derhalve uitgesloten. Vissen Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid van beschermde vissoorten niet bekend (NDFF 2011-2021). Door de planlocatie heen liggen kavelsloten en een ringsloot welke met elkaar zijn verbonden. De grote modderkruiper geeft de voorkeur aan wateren die voldoen aan de drie verschillende habitaten; i) winterverblijfplaatsen, dit betreffen vorstvrije diepe plaatsen, ii) het paai en opgroeigebied, zijn rijk aan helofytenvegetaties en iii) het zomerleefgebied. Hierin is de aanwezigheid van een bagger of modderlaag (niet te dik) van belang. Doordat de watergangen op de planlocatie voldoet aan enkele van deze habitateisen kan aanwezigheid van de grote modderkruiper niet uitgesloten worden. Derhalve dient voorafgaand aan de demp- en graafwerkzaamheden aanvullend onderzoek plaatsvinden naar aanwezigheid van de soort (zie Vervolgstappen). Insecten en andere ongewervelden Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid van beschermde insecten of ongewervelden niet bekend (NDFF 2011-2021).

Op de planlocatie is geen sprake van oud hout, zure vennetjes of andere specifieke omstandigheden die duiden op de mogelijke aanwezigheid van beschermde insecten of andere ongewervelden. Negatieve effecten op de soortgroep zijn uitgesloten. Vogels Op de planlocatie en de directe omgeving hiervan zijn tijdens het veldbezoek de volgende soorten waargenomen: buizerd, houtduif, koolmees, kauw, merel, roodborst, torenvalk en zwarte kraai. Vogels - Jaarrond beschermde nestlocaties (cat. 1 t/m 4) Gedurende het veldbezoek zijn geen nesten en/of sporen aangetroffen van vogelsoorten met een jaarrond beschermd nestlocatie en/of leefgebied. De huismus broedt vrijwel altijd bij bebouwing en bouwt zijn nesten onder dakpannen, onder golfplaten, kieren/gaten in de muur en in spantconstructies. Vanuit de nestlocatie en/of vanaf een uitzichtpunt moet de huismus zijn omgeving kunnen zien. Hierbij moet er in de directe omgeving continu voedsel te vinden zijn in de vorm van zaden van grassen en onkruiden en larven van insecten. Daarnaast moet er beschutting nabij de foerageerlocaties, voldoende jaarrond groene struiken of heesters, plaatsen met stof en grind voor stofbaden en water voor waterbaden aanwezig zijn (BIJ12 kennisdocument Huismus, 2017). De enige bebouwing op de planlocatie betreft het clubgebouw behorende bij de voetbalvelden. Deze is omringd door verharding en de

8

sterk onderhouden voetbalvelden. Hierdoor is er slecht beperkt functioneel leefgebied aanwezig voor de huismus. Daarnaast biedt de bebouwing geen geschikte nestlocatie door aanwezigheid van een snel opwarmend golfplatendak, waarin openingen aanwezig zijn die niet leiden naar een schikte krappe nestruimte. Derhalve kan aanwezigheid van nestlocaties van de huismus uitgesloten worden. In de directe omgeving zijn voldoende groenblijvende hagen, struiken en zandbaden aanwezig, waardoor de planlocatie geen deel uitmaakt van het essentieel foerageergebied van de huismus. Van aantasting van nestlocaties en functioneel leefgebied van de huismus is derhalve geen sprake. De gierzwaluw leeft evenals de huismus in de directe omgeving van mensen en broedt tevens als koloniebroeder in gevels en onder (pannen)daken (BIJ12 kennisdocument Gierzwaluw, 2017). De bebouwing op de planlocatie is ongeschikt als nestlocatie wegens het ontbreken van geschikte aanvliegroutes en ruimtes die kunnen dienen als nestlocatie. Hierdoor kan de aanwezigheid van gierzwaluw op de planlocatie uitgesloten worden. De bebouwing op de planlocatie heeft geen functie als rust- of nestlocatie voor uilen soorten als de steenuil en kerkuil. Daarnaast bieden de voetbalvelden geen geschikte foerageerplaatsen.

Mogelijk worden de agrarische velden gebruikt als foerageergebied, echter is in de directe omgeving voldoende en geschikte foerageergebied aanwezig. Derhalve zal de beoogde ontwikkeling niet leiden tot aantasting van het essentieel leefgebied van de kerkuil en/os steenuil. Op de planlocatie en de directe omgeving hiervan zijn veel waarnemingen bekend van de buizerd en een aantal waarnemingen van de havik en sperwer (NDFF, 2011-2021). De Voetbalvelden voorzien niet in voldoende voedsel om van belang te zijn als foerageergebied. Door de omvang van het gebied en de dichtheid van de houtsingel, was het ten tijde van de quickscan niet mogelijk om alle bomen te controleren op de aanwezigheid van horsten en/of nesten. Derhalve dient er een bomeninspectie, in het najaar of vroege voorjaar (wanneer er nog geen blad aan de bomen hangt) plaats te vinden (zie Vervolgstappen). Mogelijk leidt hieruit dat er een aanvullend onderzoek noodzakelijk is naar roofvogelsoorten als de buizerd, havik en sperwer. Grote gele kwikstaart broedt langs stromende watergangen in dichte vegetatie langs natuurlijke oevers of in kunstwerken als bruggen of stuwen. Voor deze soort zijn op de planlocatie geen geschikte nestlocaties of functioneel leefgebied aanwezig.

Vogels - Algemene broedvogels en categorie 5 (beschermde nestlocatie gedurende broedperiode en bij ecologisch zwaarwegende redenen) De planlocatie voorziet in beperkt voedselaanbod en structuurrijke schuilgelegenheden voor algemene soorten. De struiken, bomen en bebouwing vormen voor algemene broedvogels zoals merel, duiven en kleine zangvogels geschikte nestlocaties. Gedurende het broedseizoen zijn de nesten en de functionele leefomgeving van voornoemde soorten beschermd. Het broedseizoen vangt aan onder bepaalde klimatologische omstandigheden en betreft indicatief de periode 15 maart t/m 15 juli. Ten aanzien van algemene broedvogels en categorie 5 soorten kunnen de kapen sloopwerkzaamheden worden opgestart buiten het broedseizoen en/of na het ongeschikt maken van de planlocatie. Indien de beoogde werkzaamheden in het broedseizoen worden opgestart dient de locatie voorafgaand aan de werkzaamheden geïnspecteerd te worden door een ter zake deskundige.

9

Beoordeling (b) gebiedsbescherming Natura 2000-gebieden De planlocatie maakt geen deel uit van een beschermd gebied en/of locatie betreffende: Natura 2000 en het Natuurnetwerk Brabant. Op een afstand van circa 9,7 km ligt het Natura 2000-gebied ‘Rijntakken’ (figuur 3).

Figuur 3

De planlocatie ligt op een afstand van circa 9,7 km tot het Natura 2000-gebied ‘Rijntakken’ (bron: kaartbank.brabant.nl).

Ondanks dat de beoogde ontwikkeling buiten een beschermd gebied uitgevoerd wordt, kunnen er nog steeds effecten optreden. Voor een aantal effecten (trillingen, geluid, optische verstoring etc.) geldt dat de afstand tot de omliggende Natura 2000-gebieden per definitie te groot is. Een toename in stikstofdepositie kan een negatief effect sorteren op kwetsbare en gevoelige habitattypen. Blom Ecologie B.V. adviseert om projecten die kunnen leiden tot een toename van stikstofdepositie in stikstofgevoelige habitattypen binnen Natura 2000-gebieden te beoordelen middels de AERIUS Calculator. Doel daarvan is vast te stellen of significante effecten kunnen worden uitgesloten. In sommige gevallen kan op voorhand negatieve effecten ten aanzien van stikstofdepositie worden uitgesloten, wegens de grote afstand tot stikstofgevoelige habitattypen binnen Natura 2000-gebieden, een afname in stikstofemissie of een beperkte ingreep. De beoogde ontwikkeling betreft de realisatie van een woonwijk het ‘Stationskwatier’. Ten opzichte van de huidige situatie leidt de beoogde ingreep tot een toename in het aantal verkeersbewegingen. De nieuwbouw zal zonder gasaansluiting in de gebruiksfase geen stikstofuitstoot hebben. Gedurende de aanlegfase kan er een beperkte en tijdelijke stikstofemissie verwacht worden ten gevolge van het gebruik van mobiele werktuigen en transportbewegingen (het ‘projecteffect’).

Ondanks de grote afstand (9,7 km) is tussen het plangebied en het Natura 2000-gebied ‘Rijntakken’, wordt wegens de grootschaligheid van het project geadviseerd om een berekening met de AERIUS Calculator uit te voeren. Hiermee kan inzichtelijk gemaakt worden of er sprake is van een verhoging van de stikstofdepositie binnen stikstofgevoelige habitattypen van Natura 2000-gebieden. Natuurnetwerk Nederland Op een afstand van circa 520 m ligt het Natuurnetwerk Brabant (figuur 4). En op een afstand van 400 m ligt de Groenblauwe mantel (figuur 5).

10

Figuur 4

De planlocatie ligt op een afstand van circa 520 m tot het Natuurnetwerk Brabant (bron: kaartbank.brabant.nl).

Figuur 5

De planlocatie ligt op een afstand van circa 400 m tot de Groenblauwe mantel (bron: noordbrabant.tercera-ro.nl).

Ten aanzien van het Natuurnetwerk Brabant en de Groenblauwe mantel geldt dat er geen sprake is van negatieve effecten door externe werking als trillingen, geluid, licht en betreding. De beoogde ontwikkeling leidt niet tot negatieve effecten op beschermde natuurgebieden.

11

Beoordeling (c) houtopstanden In de beoogde ingreep zijn kapwerkzaamheden voorzien aan (i) zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, met een oppervlakte van 1000 m2 of meer of (ii) een rijbeplanting met meer dan 20 bomen. Echter, vallen de houtopstanden onder type a (houtopstanden binnen de bij besluit van de gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom). Het kappen/verwijderen van houtopstanden op de planlocatie is derhalve niet meldingsplichtig in het kader van de Wet natuurbescherming. Naast het landelijk en provinciaal beleid waar deze beoordeling op wordt getoetst hebben gemeenten echter vaak een eigen beleid omtrent het kappen dan wel vellen van bomen en struiken. Dit is vaak opgenomen in een Algemene Plaatselijke Verordening (APV). Gemeentelijke Verordeningen mogen niet strijdig zijn met landelijk/provinciaal beleid. Het is derhalve aanbevelingswaardig om in de voorbereidende fase de bepalingen in de APV af te stemmen met de gemeente om conflicterende situaties in een later stadium te voorkomen.

12

Conclusies Samenvatting (a) Soortenbescherming De planlocatie heeft een essentiële betekenis voor beschermde soorten. Er dient aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden naar de volgende soorten of soortgroepen: (dwerg)vleermuizen, kleine marterachtigen en de das, poelkikker, Alpenwatersalamander en de grote modderkruiper. Ten aanzien van de rode eekhoorn en roofvogels dient een bomeninspectie plaats te vinden. De planlocatie is tevens mogelijk geschikt leefgebied voor algemene zoogdieren, amfibieën, insecten en broedvogels welke niet beschermd zijn (behoudens de Algemene zorgplicht) of een vrijstelling geldt onder de Wet natuurbescherming. (b) Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied of het Natuurnetwerk Brabant of de Groenblauwe mantel. Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie is van externe werking op omliggende Natura 2000-gebieden geen sprake. Een Aerius-berekening, Voortoets en/of ‘nee, tenzij’-toets is niet noodzakelijk. (c) Houtopstanden Op de planlocatie zijn geen houtopstanden aanwezig waarvoor bij kap een meldingsplicht geldt in het kader van de Wet natuurbescherming. Tabel 2

Overzicht van de Soortenbescherming. Voor de benoemde soorten geldt dat aanvullend onderzoek benodigd is. soortenbescherming soortgroep beschermingssoortspecifiek mogelijk functie regime Wet nb onderzoek plangebied

vaatplanten n.v.t. nee grondgebonden zoogdieren bunzing, hermelijn, wezel (en artikel 3.10 ja das) rode eekhoorn artikel 3.10 ja vleermuizen artikel 3.5 ja amfibieën poelkikker artikel 3.5 ja Alpenwatersalamander artikel 3.10 ja reptielen n.v.t. nee vissen grote modderkruiper artikel 3.10 ja insecten en andere n.v.t. nee ongewervelden vogels (cat. 1 t/m 4) nee roofvogels (buizerd, havik, artikel 3.1 sperwer) vogels (cat. 5) * onderzoek kan middels het uitvoeren van een bomeninspectie.

functioneel leefgebied en/of verblijfplaatsen nest- en rustplaatsen* verblijfplaatsen voortplantingswater voortplantingswater functioneel leefgebied -

nest- en rustplaatsen*

Tabel 3

Overzicht van de potentie voor verblijfplaatsen van de verschillende vleermuissoorten (soortenbescherming) en essentiële vliegroute en/of foerageergebied. vleermuissoort potentie boom gebouw onderbouwing bewonend bewonend

13

gewone dwergvleermuis

ja

ja

ja

(massa)winterverblijfplaats gewone dwergvleermuis ruige dwergvleermuis

nee

n.v.t.

n.v.t.

ja

ja

ja

kleine dwergvleermuis laatvlieger

nee nee

ja nee

ja ja

meervleermuis watervleermuis

nee nee

nee ja

ja nee

potentiële openingen in bebouwing geen hoge bebouwing met bufferende vermogen potentiële openingen in bomen én bebouwing bos- en waterrijke omgeving geen potentiële openingen van voldoende grootte in bebouwing geen waterrijke omgeving geen waterrijke omgeving

franjestaart

nee

ja

nee

baardvleermuis

nee

ja

ja

gewone grootoorvleermuis rosse vleermuis

nee nee

ja ja

ja nee

tweekleurige vleermuis

nee

nee

ja

vleermuizen algemeen essentiële vliegroute essentieel foerageergebied

nee nee

n.v.t. n.v.t.

n.v.t. n.v.t.

geen boomholte(s) met voldoende inrotting geen boomholte(s) met voldoende inrotting (te) veel lichtverstoring geen boomholte(s) met voldoende inrotting geen bebouwing met meer dan vierbouwlagen

lijnvormige structuren geen oppervlaktewater

Tabel 4 Overzicht van de potentie type verblijfplaats per soort. vleermuissoort zomer kraam

paar

winter

gewone dwergvleermuis ruige dwergvleermuis

ja ja

nee nee

Tabel 5

ja ja

ja nee

Overzicht van de Gebiedsbescherming.

gebiedsbescherming

afstand

effecten

nader onderzoek

Natura 2000

9,7 km

geen

n.v.t.

Natuurnetwerk Brabant

520 m

geen

n.v.t.

Groenblauwe mantel

400 m

geen

n.v.t.

Tabel 6

Overzicht van de Houtopstanden.

houtopstanden

aanwezig

kap

melding

struiken

ja

ja

n.v.t.

bomen

ja

ja

n.v.t.

Uitvoerbaarheid De beoogde ontwikkeling leidt niet tot overtreding van verbodsbepalingen omtrent gebiedsbescherming en houtopstanden in het kader van de Wet natuurbescherming. Er dienen enkele algemene maatregelen worden getroffen ten aanzien van de Algemene zorgplicht, foeragerende vleermuizen en algemene broedvogels. Voorafgaand aan de werkzaamheden dient met aanvullend onderzoek te worden vastgesteld of de planlocatie een relevante functie heeft voor beschermde soorten (zie tabel 2) (soortenbescherming). Indien er sprake is van overtreding van verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming kan bevoegd gezag onder voorwaarden een ontheffing verlenen. De voorwaarden betreffen: er is geen andere bevredigende oplossing, er is sprake van een wettelijk belang en er wordt geen afbreuk gedaan aan de gunstige staat van instandhouding van de soort (een robuust en ruim maatregelenpakket van tijdelijke en permanente voorzieningen wordt hiertoe voorgesteld en uitgevoerd). Gezien het voorgaande onderzoek is er geen reden om aan te nemen dat eventueel benodigde ontheffingen, mits de juiste maatregelen worden getroffen, er sprake is van een gedegen alternatievenafweging en een wettelijk belang kan worden aangevoerd, niet verkregen zouden kunnen worden. Conclusie De realisatie van de woonwijk ‘Stationskwatier’ te Ravenstein is uitvoerbaar zoals bepaald in de Wro (art. 3.1.6 Bro).

14

Vervolgstappen • Voor de beoogde ontwikkeling dient aanvullend onderzoek naar kleine marterachtigen (bunzing, hermelijn en wezel) uitgevoerd te worden. Dit kan middels een onderzoek met behulp van wildcamera’s, marterboxen en sporenbuizen in de periode maart t/m augustus (actieve periode) gedurende 6 weken of buiten deze periode gedurende twaalf weken. • Voor de beoogde ontwikkeling dient aanvullend onderzoek naar de functie van de planlocatie voor de das uitgevoerd worden. Dit kan middels een onderzoek met behulp van wildcamera’s en sporenonderzoek. • Voor de beoogde ontwikkeling dient aanvullend onderzoek naar vleermuizen uitgevoerd te worden. Een aanvullend onderzoek naar vleermuizen wordt uitgevoerd middels minimaal vier gerichte veldbezoeken in de periode 15 april t/m 30 september, conform het meest actuele Vleermuisprotocol (NGB). Hiervan dienen 2 rondes in het voorjaar en 2 in het najaar plaats te vinden. De potentie van de planlocatie voor verschillende typen verblijfplaatsen en vleermuissoorten wordt in tabel 4 uiteengezet. Er is geen sprake van aantasting van een mogelijk essentieel foerageergebied of essentiële vliegroute. • Voor de beoogde ontwikkeling dient aanvullend onderzoek naar de Alpenwatersalamander en poelkikker worden uitgevoerd.

Dit kan middels twee veldbezoeken in de periode mei t/m augustus (hierbij is er overlap van de optimale onderzoeksperiodes voor beide soorten),waarbij gericht geschept wordt met een schepnet. • Voor de beoogde ontwikkeling dient aanvullend onderzoek worden uitgevoerd naar aanwezigheid van de grote modderkruiper. Dit kan middels één á twee veldbezoeken in de periode maart t/m oktober. Onderzoek kan uitgevoerd worden middels een schepnet en elektrisch visapparaat. • Ten aanzien van de rode eekhoorn en roofvogels (buizerd, havik en sperwer) dient voorafgaand een bomeninspectie plaats te vinden in het najaar of vroege voorjaar, waarbij de bomen geen bladeren bevatten. Bij de technische inspectie dient gericht gezocht te worden naar aanwezigheid van nestlocaties (rode eekhoorn en roofvogels) en roestplaatsen (roofvogels). Mogelijk leidt hieruit dat er nader onderzoek noodzakelijk is.

Te treffen maatregelen • Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (Algemene zorgplicht). • Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige. • Alle aanwezige vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken) gefaseerd verwijderen. Dit om bodembewonende dieren de kans te bieden in de nabijgelegen omgeving een ander leefgebied te benutten. • Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden. • De planlocatie tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur niet verlichten en in de periode april-oktober de werkzaamheden tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes). Mocht verlichting noodzakelijk zijn hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toepassen (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel). • Mogelijke overwinteringslocaties van amfibieën (vorstvrije structuren als stenenstapels, houtwallen, dichte struwelen etc.) dienen verwijderd of ongeschikt gemaakt te worden buiten de overwinteringsperiode oktober – april.

• De kap- en sloopwerkzaamheden opstarten of uitvoeren buiten het broedseizoen van vogels (indicatief medio maart t/m medio juli). Als dit niet mogelijk is dienen de potentiële nestlocaties van algemene broedvogels ruim voorafgaand aan het broedseizoen ongeschikt of ontoegankelijk gemaakt te worden. E.e.a. op aanwijzing van deskundige. Als werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd die mogelijk resulteren in het wegnemen of verstoren van broedgevallen dient voor aanvang door een ter zake deskundig gecontroleerd te worden of er broedvogels aanwezig zijn.

15

Literatuur BIJ12, 2017. Kennisdocument Gewone dwergvleermuis Pipistrellus pipistrellus, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Gierzwaluw Apus apus, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Huismus Passer domesticus, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Ruige dwergvleermuis Pipistrellus nathusii, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. Creemers, R.C.M & J.J.C.W. van Delft (RAVON) (redactie), 2009. De amfibieën en reptielen van Nederland. -Nederlandse fauna 9. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, European Invertebrate Survey - Nederland, Leiden. Diepenbeek, A., 1999. Veldgids Diersporen. KNNV Uitgeverij 5e druk 2015, Zeist. Dietz, C., O. von Helversen, D. Nill & P.H.C. Lina, 2011. Vleermuizen: alle soorten van Europa en Noordwest-Afrika: biologie, kenmerken en bedreigingen. Tirion Natuur, Utrecht. Limpens, H., K. Mostert & W. Bongers, 1997. Atlas van de Nederlandse vleermuizen. Onderzoek naar verspreiding en ecologie. KNNV Uitgeverij, Utrecht. Geraadpleegde websites www.arcgis.com www.bij12.nl www.kaartbank.brabant.nl www.nationaalgeoregister.nl www.ndff.nl www.ravon.nl www.ruimtelijkeplannen.nl www.synbiosys.alterra.nl www.verspreidingsatlas.nl www.vleermuisprotocol.nl www.vlinderstichting.nl www.wilde-planten.nl www.zoogdiervereniging.nl

16

We hopen u met deze rapportage voldoende te hebben geïnformeerd. Mochten er desondanks vragen zijn kunt u vrijblijvend contact opnemen. Met vriendelijke groet,

Blom Ecologie B.V., ing. G. Fairhurst Auteur

Blom Ecologie B.V., ir. ing. K.J. Rebergen Collegiale toets

Bijlage 1 Fotografische impressie Bijlage 2 Vervolgstappen Wet natuurbescherming Bijlage 3 Schetsen van de beoogde ontwikkeling

© BLOM ECOLOGIE B.V. ZANDWEG 46A - 4181 PM WAARDENBURG Niets uit deze rapportage mag zonder schriftelijke toestemming van de opdrachtgever en Blom Ecologie B.V. worden gebruikt door derden. Onder gebruik worden alle vormen van kopie, openbaarmaking en elke andere toepassing begrepen. Deze rapportage mag alleen gebruikt worden voor het doel waarvoor het is samengesteld. Blom Ecologie B.V. is niet aansprakelijk voor schade die voortkomt uit toepassing van de resultaten van werkzaamheden en/of gegevens verkregen van Blom Ecologie B.V.

17

Bijlage 1 Fotografische impressie

18

Figuur 1

De planlocatie is gelegen aan de Dorskamp, Stationsingel, Baxenbosstraat, Bendelaar en Stationspad te Ravenstein, hier het clubgebouw behorende bij de sportvelden.

Figuur 2

De sportvelden met daarachter de houtsingel.

19

Figuur 3

De agrarische velden met ring- en kavelsloten.

Figuur 4

De ringsloot.

Bijlage 2 Vervolgstappen Wet natuurbescherming Als uit het oriënterend onderzoek is gebleken dat effecten op beschermde soorten naar aanleiding van de beoogde ingreep niet uitgesloten zijn, dient een vervolgonderzoek te worden uitgevoerd. Uit dit vervolgonderzoek blijkt of desbetreffende soort aanwezig is en welke functie de planlocatie al dan niet heeft voor de soort. Met onderstaand stappenplan, overgenomen uit ‘Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen’ van het Ministerie van Economische Zaken, wordt inzichtelijk gemaakt welke consequenties dit heeft voor het project.

20

Stap 4b. Is er sprake van een wettelijk belang? Vogelrichtlijnsoort In het kader van de Vogelrichtlijn zijn een aantal belangen waarvoor een ontheffing kan worden aangevraagd. De beoogde ingreep/ontwikkeling dient een dergelijk belang te dienen (Schema 4b ja/nee). De belangen zijn onderstaand weergeven (conform Wet natuurbescherming art. 3.3, lid 4b).

Habitatrichtlijnsoort In het kader van de Habitatrichtlijn zijn een aantal belangen waarvoor een ontheffing kan worden aangevraagd. De beoogde ingreep/ontwikkeling dient een dergelijk belang te dienen (Schema 4b ja/nee). De belangen zijn onderstaand weergeven (conform Wet natuurbescherming art. 3.8, lid 5b).

21

Andere soort Ten aanzien van Andere soorten zijn een aantal belangen waarvoor een ontheffing kan worden aangevraagd. De beoogde ingreep/ontwikkeling dient een dergelijk belang te dienen (Schema 4b ja/nee). De belangen zijn onderstaand weergeven (conform Wet natuurbescherming art. 3.10, lid 2).

22

Bijlage 3 Schetsen van de beoogde situatie

23

24

Bijlage 2

- Aanvullend onderzoek flora en fauna

Aanvullend onderzoek ecologie Stationskwartier te Ravenstein Aanvullend onderzoek naar sperwer, havik, buizerd, das, kleine marterachtigen, rode eekhoorn en vleermuizen in het kader van de Wet natuurbescherming

Colofon Status:

Definitief

Project:

2022-0530

Datum:

16 november 2023, revisie 9 augustus 2024

Samensteller:

S. Gielen Ad.

Collegiale toets:

ir. ing. K.J. Rebergen

Opdrachtgever:

Buro SRO Oost B.V.

Contactpersoon:

L. Arends

Disclaimer Blom Ecologie B.V. is niet aansprakelijk voor schade die voortkomt uit toepassing van de resultaten van werkzaamheden en/of gegevens verkregen van Blom Ecologie B.V. Niets uit deze rapportage mag zonder schriftelijke toestemming van de opdrachtgever en Blom Ecologie B.V. worden gebruikt door derden. Onder gebruik worden alle vormen van kopie, openbaarmaking en elke andere toepassing begrepen. Deze rapportage mag alleen gebruikt worden voor het doel waarvoor het is samengesteld.

Inhoud 1 Inleiding

4

1.1

Aanleiding

4

1.2

Doel

5

1.3

Beschrijving plangebied

5

1.4

Voorgenomen werkzaamheden

6

1.5

Mogelijk aanwezige soorten

6

1.6

Kader Wet natuurbescherming

7

2 Methode onderzoek

8

2.1

Theoretisch kader

8

2.2

Praktische uitvoering

9

2.3

Veldbezoeken

6

2.4

Specifieke omstandigheden

7

3 Resultaten

9

3.1

Bever

9

3.2

Sperwer

10

3.3

Buizerd

13

3.4

Das

13

3.5

Kleine marterachtigen

15

3.6

Steenmarter

18

3.7

Rode eekhoorn

22

3.8

Vleermuizen

23

3.9

Overige soorten

27

4 Conclusie

29

4.1

Bever

29

4.2

Sperwer

29

4.3

Havik

29

4.4

Buizerd

29

4.5

Das

29

4.6

Kleine marterachtigen

29

4.7

Steenmarter

30

4.8

Rode eekhoorn

30

4.9

Vleermuizen

30

4.10

Overige soorten

30

4.11

Vervolgstappen

31

1 Inleiding 1.1

Aanleiding In de omgeving van de Bendelaar (straat) zijn sportvelden en agrarische percelen gesitueerd. Tezamen wordt dit gebied binnen dit project Stationskwartier genoemd (figuur 1.1). Binnen het gebied zijn momenteel woningen aanwezig, houtsingels, struwelen solitaire bomen, weidevelden en kavel- en ringsloten aanwezig. Binnen de beoogde ingreep dienen de groenstructuren te worden gekapt en de huidige bebouwing te worden gesloopt ten behoeve van de realisatie van een nieuwe woonwijk. De waterlichamen blijven behouden binnen de beoogde ontwikkeling.

Figuur 1.1 Het plangebied is gelegen aan de Bendelaar te Ravenstein. Het projectgebied wordt ‘Stationskwartier’ genoemd. Binnen dit gebied zal een nieuwe woonwijk worden gerealiseerd. Gezien de beoogde ingreep mogelijk leidt tot de aantasting van natuurwaarden beschermd onder de Wet natuurbescherming (Wnb) is een quickscan Wnb uitgevoerd naar de potentie van het plangebied en mogelijke negatieve effecten ten gevolge van de beoogde werkzaamheden (Fairhurst, 2021). Op basis van de quickscan Wnb kon de aanwezigheid van vaste rust- en verblijfplaatsen, voortplantingsplaatsen en/of essentieel leefgebied van bever, buizerd, das, kleine marterachtigen, rode eekhoorn, sperwer, steenmarter en vleermuizen niet uitgesloten worden (zie tabel 1.1). Om vast te stellen of het plangebied daadwerkelijk een functie heeft voor vorengenoemde soorten dient aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden. Buro SRO Oost B.V. heeft Blom Ecologie verzocht dit aanvullend onderzoek uit te voeren. In voorliggende rapportage worden de bevindingen beschreven.

4

1.2

Doel In dit aanvullende ecologische onderzoek worden de volgende onderzoeksvragen beantwoord: • Is de bever, buizerd, das, kleine marterachtigen (bunzing, hermelijn en wezel), rode eekhoorn, sperwer, steenmarter en/of vleermuizen aanwezig in het onderzoeksgebied? • Op welke wijze maken vorengenoemde soorten gebruik van het onderzoeksgebied? Zijn in het onderzoeksgebied migratieroutes, foerageergebieden, voortplantings- en/of vaste rust- en verblijfplaatsen aanwezig? • Resulteert de voorgenomen ingreep in het beschadigen of wegnemen van vaste rust-, voortplantings- en/of verblijfplaatsen of essentiële onderdelen van het leefgebied? Is een ontheffing Wet natuurbescherming noodzakelijk voor de voorgenomen ingreep uitgevoerd kan worden?

1.3

Beschrijving plangebied Op de planlocatie zijn sportvelden (Dorskamp 40) en agrarische velden met een houtsingel, struweel, solitaire bomen en kavel- en ringsloten. Binnen de planlocatie liggen tevens een aantal particulieren woningen, deze zijn met dit onderzoek niet onderzocht en blijven vooralsnog behouden binnen de beoogde ontwikkeling. De sportvelden betreffen voetbalvelden met daaromheen een houtsingel en daarbij behorende clubhuis en omkleedruimtes, welke gesaneerd zullen worden. Een uitgebreide beschrijving van het plangebied en de directe omgeving hiervan is te vinden in de quickscan Wnb (Fairhurst, 2021). In figuur 1.2 zijn een aantal foto’s opgenomen die een impressie geven van het plangebied.

Figuur 1.2 Impressie van de planlocatie. Linksboven de sportvelden, rechtsboven het sportcomplex. Linksonder een van de weidevelden en rechtsonder een van de kavelsloten.

5

1.4

Voorgenomen werkzaamheden De beoogde ontwikkeling betreft de sanering van de bebouwing behorende bij de sportvelden, kap en verwijdering van groenstructuren ten behoeve van de realisatie van een nieuwbouwwijk. De ingreep zal indicatief op hoofdlijnen bestaan uit de volgende werkzaamheden: • • • • • • • •

1.5

slopen van bebouwing: algemene sloopwerkzaamheden en afvoer sloopmateriaal; kappen van bomen: kapwerkzaamheden en afvoer hout; Aanleg van een aantal nieuwe sloten: graafwerkzaamheden; verwijderen terreininrichting, waaronder gedeelte van het groen: graafwerkzaamheden, transport (afvoer) van materiaal en groen; egaliseren terrein: graafwerkzaamheden en grondtransport; realisatie nieuwbouw: algemene bouwwerkzaamheden; revitalisatie terrein en aanleg verharding: allerhande (straat- en hoveniers) werkzaamheden.

Mogelijk aanwezige soorten Uit de quickscan Wnb (Fairhurst, 2021) is gebleken dat binnen het plangebied mogelijk voortplantingsen verblijfplaatsen aanwezig zijn van bever, buizerd, das, kleine marterachtigen (bunzing, hermelijn en wezel), rode eekhoorn, sperwer en/of vleermuizen (tabel 1.1.). Doordat er in de beoogde ruimtelijke ontwikkeling geen sloten gedempt zullen worden, is onderzoek naar Alpenwatersalamander, poelkikker en grote modderkruiper komen te vervallen.

Tabel 1.1

Overzicht van de potentie van het plangebied voor beschermde soorten (Fairhurst, 2021). Onderzoek nodig

Bescherming Wnb

Bever Das Bunzing Hermelijn Rode eekhoorn Steenmarter Wezel

Ja Ja Ja Ja Ja Ja Ja

Art. 3.5 Art 3.10 Art 3.10 Art 3.10 Art 3.10 Art 3.10 Art 3.10

Vleermuizen

Ja

Art 3.5

Potentiële openingen in gebouwen en bomen

Ja

Art 3.1

Actieve nesten in bomen en leefgebied

Soortgroep

Mogelijke functie plangebied

Planten Grondgebonden zoogdieren Rust- en/of voortplantingsplaats/migratieroutes/ foerageergebieden

Amfibieën, reptielen en vissen Insecten en ongewervelden Vogels (Cat. 1 t/m 4) Buizerd Havik Sperwer Vogels (Algemeen en cat. 5)

6

Tabel 1.2

Overzicht van de potentie voor vleermuissoorten en type verblijfplaatsen (Fairhurst, 2021).

Vleermuissoort

1.6

Zomer

Kraam

Paar

Massawinter

Gewone dwergvleermuis

Ja

Ja

Ja

Nee

Ruige dwergvleermuis

Ja

Nee

Ja

Nee

Rosse vleermuis

Ja

Ja

Ja

Nee

Kader Wet natuurbescherming De soortenbescherming van de Wet natuurbescherming valt op grond van internationale verdragen en nationaal beschermde soorten uiteen in drie verschillende beschermingsregimes. Deze beschermingsregimes betreffen de Vogelrichtlijn (art. 3.1), Habitatrichtlijn (art. 3.5) en de nationaal beschermde soorten (art. 3.10). Naar aanleiding van de beoogde werkzaamheden kan overtreding van de volgende verbodsbepalingen optreden: Wnb, art. 3.1 (Vogelrichtlijnsoorten) Lid 2: Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. Lid 4: Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen. Wnb, art. 3.5 (Habitatrichtlijnsoorten) Lid 2: Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren Lid 4: Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te beschadigen of te vernielen.

Wnb, art 3.10 lid 1 (b) (Nationaal beschermde soorten) Lid 1: Onverminderd artikel 3.5, eerste, vierde en vijfde lid, is het verboden: de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a (das, bunzing, hermelijn, wezel en steenmarter) opzettelijk te beschadigen of te vernielen; Voorliggend onderzoek en rapportage zijn uitgevoerd in het kader van de Wet natuurbescherming. Per 1 januari 2024 zal de Omgevingswet in werking treden. Binnen de Omgevingswet blijft het beschermingsregime nationaal beschermde soorten onverminderd van kracht. Uitvoeringskaders, termijnen en processen vinden binnen de Omgevingswet op andere wijze plaats. Implementatie en wijze van uitvoering zijn vooralsnog niet vastgesteld.

7

2 Methode onderzoek 2.1

Theoretisch kader Ten behoeve van ecologische onderzoek naar een aantal beschermde soorten in Nederland zijn door experts richtlijnen opgesteld. Deze richtlijnen zijn in zekere mate juridische kaders gaan vormen bij de toetsing van onderzoeken op juistheid en volledigheid. Voor de das zijn deze richtlijnen vastgelegd in het Kennisdocument Das (BIJ12, 2017). Voor de kleine marterachtigen zijn deze richtlijnen vastgelegd in de Handreiking voor kleine marterachtige (Bouwens, 2017). Voor de steenmarter is geen protocollair document voorhanden, maar zal de handreiking van Bouwens 2017 aangehouden worden. De Handleiding veldonderzoek roofvogels door dhr. R.G. Bijlsma (1998) is als richtlijn gebruikt voor de onderzoeken naar de buizerd, havik en sperwer. Voor vleermuizen geldt het meest actuele Vleermuisprotocol (momenteel NGB, 2021) als richtlijn. De richtlijnen worden door de opstellers geëvalueerd en indien noodzakelijk aangepast. De uitgangspunten zoals deze zijn geformuleerd in de richtlijnen vormen de basis voor het soortspecifieke onderzoek wat wordt uitgevoerd door Blom Ecologie. In tabel 2.1 wordt voor de desbetreffende beschermde soorten beknopt weergeven wat de onderzoeksperioden en methode zijn.

Voor de veldbezoeken wordt een minimale tussenliggende periode aangehouden voor een goede spreiding over de onderzoeksperiode, conform de relevante Kennisdocumenten/relevante protocollen/handleidingen.

Tabel 2.1

Samenvatting van de uitgangspunten ten behoeve van het aanvullend ecologisch onderzoek zoals geformuleerd in de relevante Kennisdocumenten en/of NGB soorteninventarisatieprotocollen/aangereikte handleidingen.

Soort

Type

Periode

Omschrijving

Bever

Functioneel leefgebied en burcht

Maart t/m augustus

2 veldbezoeken, waarvan 1 in maart/april en 1 in de zomer

maart t/m 15 mei

4 veldbezoeken na zonsopkomst, met een tussenperiode van minimaal 10 dagen.

Foerageergebied Territorium

1 feb. t/m 15 okt.

3 veldbezoeken verspreid in de periode feb. t/m 15 okt. na zonsopkomst.

Functioneel leefgebied en burcht

Jaarrond (afhankelijk van functie)

Minimaal 4-6 weken inventariseren middels cameravallen en sporenonderzoek, verspreid over 3 fases (voortplanting, migratie en vorming clans)

Functioneel leefgebied en verblijfplaats

Maart - Augustus

Minimaal 6 weken inventariseren middels marterboxen, cameravallen, sporenbuizen en sporenonderzoek.

Steenmarter

Functioneel leefgebied en verblijfplaats

Maart - Augustus

Minimaal 6 weken inventariseren middels cameravallen, sporenbuizen en sporenonderzoek.

Rode eekhoorn

Functioneel leefgebied en nest

Nest Buizerd

Essentieel Foerageergebied / Territorium Nest

Sperwer

Das

Kleine marterachtigen (bunzing, hermelijn en wezel)

Jaarrond

Veldbezoeken ten behoeve van rode eekhoorn worden gecombineerd met onderzoek naar andere soorten en middels onderzoek met cameravallen

8

Verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen

Kraam

15 mei t/m 15 juli

Zomer

15 april t/m 15 aug.

Paar

15 aug. t/m 30 sep.

Verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen

Kraam

15 mei t/m 15 juli

Zomer

15 april t/m 15 aug.

Paar

15 aug. t/m 30 sep.

Cat. 5 vogels Algemene broedvogels

Nest

Minimaal 2 veldbezoeken per type verblijfplaats na zonsondergang of voor zonsopkomst. Veldbezoeken kunnen gecombineerd worden uitgevoerd. Inventariseren van in- en uitvliegende individuen alsmede gedrag indicatief voor een verblijfplaats (o.a. baltsende dieren). 2 veldbezoeken per type verblijfplaats na zonsondergang of voor zonsopkomst. Inventariseren van inen uitvliegende individuen alsmede gedrag indicatief voor een verblijfplaats (o.a. baltsende dieren). De nesten van cat. 5 soorten en andere algemene broedvogels worden meegenomen gedurende de overige veldbezoeken.

2.2 Praktische uitvoering Bever Bevers komen meestal pas in de schemering of in de nacht uit hun verblijfplaats tevoorschijn. Het waarnemen van een bever vindt dan ook niet vaak plaats. Aanwezigheid van bevers in een gebied kan het beste aangetoond worden door de sporen die ze achterlaten te inventariseren vanuit een boot vanaf het water of door oevers af te lopen en te letten op vraatsporen, burchten, dammen, beverkanalen en geursporen. De eerder aangetroffen beverburcht (c.q. hol in oever) is meerdere malen tijdens de overige veldbezoeken geïnventariseerd op activiteit. Tevens zijn in de directe omgeving gezocht naar verse sporen. Das, kleine marterachtigen en steenmarter Op basis van de te verwachten soorten en de relatieve potentie voor deze soorten binnen de planlocatie is het aanvullend onderzoek ingericht. Voorafgaand aan de daadwerkelijke uitvoering wordt bekeken vanaf welke posities de planlocatie het meest efficiënt (strategisch) kan worden onderzocht. De strategische locaties van het plaatsen van de camera’s en het zoeken naar sporen zijn afhankelijk van de aanwezigheid van groenstructuren, watergangen, verlichting en diverse typen van bebouwing. Om de aan- of afwezigheid van das, kleine marterachtigen en steenmarter vast te stellen zijn 3 marterboxen en 8 cameravallen ingezet (figuur 2.1 en figuur 2.2).

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Oss&id=6564681b-1687-4f70-93e5-f8f4c6dcc766