20211101 BP Windmolenpark Elzenburg-De Geer - 2021 -VS01- TOE+RGL-1 (toel en regels in pdf).PDF
Tekst van het document
De ervaring van een bewegende schaduw in de buitenlucht wordt niet als hinderlijk beschouwd. Ten slotte moet de schaduw daadwerkelijk de gevel van het gevoelige object kunnen bereiken en dus niet afgeschermd worden door obstakels zoals gebouwen of bomen ('line of sight'). Gevolgen voor de gezondheid niet aannemelijk Het menselijk oog is gevoelig voor optredende verschillen tussen licht en donker en voor snelle bewegingen. Dit trekt aandacht en leidt af, waardoor dit als hinderlijk kan worden ervaren door de waarnemer. De mate van hinder van een passerende schaduw wordt onder meer bepaald door de frequentie van het passeren (rotortoerental), door de blootstellingsduur en door de intensiteit van de wisselingen in lichtsterkte. Bij frequenties hoger dan 2,5 Hz (aantal passeringen per seconde) kan als gevolg daarvan sprake zijn van een kans op een epileptische aanval bij personen die gevoelig zijn voor licht. 47 Bij grote moderne windturbines is de frequentie echter veel lager dan 2,5 Hz (veelal beneden de 1 Hz), omdat de rotorbladen relatief weinig omwentelingen per minuut maken. Epileptische aanvallen kunnen dan ook op basis daarvan worden uitgesloten. Er is geen bewijs gevonden dat directe blootstelling aan slagschaduw bij frequenties beneden de 2,5 Hz an sich gezondheidseffecten veroorzaakt.
In de periode sinds dit onderzoek (Parsons Brinckerhoff, 2006) zijn in Europa vele duizenden windturbines gerealiseerd waaruit geen wetenschappelijk vastgestelde gevallen van gezondheidseffecten als gevolg van slagschaduw bekend zijn en er zijn ook geen andere onderzoeken gepubliceerd die een andere conclusie geven op dit punt. Directe gevolgen voor de gezondheid als gevolg van blootstelling aan slagschaduw - mits frequenties beneden 2,5 Hz blijven - zijn daarmee niet aannemelijk. Beschikbaar onderzoek naar hinderlijkheid van slagschaduw Uit onderzoek dat in 1999 in Duitsland is verricht blijkt dat omwonenden van windturbines die een netto slagschaduwduur van meer dan 15 uur per jaar ervaren een hogere mate van dagelijkse hinder ervaren in hun leefomgeving.48 Herhaaldelijke of langdurige blootstelling hieraan kan bovendien leiden tot stress en concentratieverlies. De onderzoekers van de Universiteit van Kiel vonden in dezelfde laboratoriumstudie een duidelijke relatie tussen blootstellingsduur aan slagschaduw en de ervaren hinder voor de testpersonen. Uit het laboratoriumonderzoek komt specifiek naar voren dat in de eerste 20 minuten dat contrastrijke slagschaduw optreedt een fysieke reactie wordt veroorzaakt, die bij langere blootstelling daarna door het lichaam wordt gecompenseerd.
De onderzoekers hebben aanbevolen de slagschaduwduur te beperken om effecten op langere termijn te voorkomen vanwege de energie die deze compensatie door het lichaam kost. Slagschaduw wordt op basis van beperkt beschikbaar onderzoek wel als hinderlijk beschouwd. Er is (internationaal) beperkt onderzoek beschikbaar naar de relatie tussen blootstellingsduur aan slagschaduw effecten hiervan op personen. In 2016 heeft Health Canada49 onderzoek gedaan naar variabelen die de hoogte van de ervaren hinder beïnvloeden. Hieruit is gebleken dat wanneer de aaneengesloten blootstellingsduur van slagschaduw onder de 10 minuten is, de hinder beperkt is tot 3,8% van de blootgestelde personen. Indien de blootstellingsduur meer dan 30 aaneengesloten minuten bedraagt, ervaart 21,1% van de personen ernstige hinder. Dit is voor zover bekend de enige dosis-effectrelatie studie die bekend is in relatie tot slagschaduw van windturbines.
68
Gemeente Oss
bestemmingsplan Windmolenpark Elzenburg-De Geer - 2021 Uit een vergelijkende literatuurstudie uit 2017 van Koppen et al50, blijkt dat in veel landen een maximale slagschaduwduur op een slagschaduwgevoelig object wordt gehanteerd van 8 uur per jaar, in sommige gevallen aangevuld met een maximum per dag van 30 minuten. Jaarlijks schijnt de zon, volgens de KNMI, gemiddeld zo'n 1.550 uur in Nederland (minimaal circa 1.400 uur en maximaal circa 1.700 uur). Een jaar telt 8.760 uren en de daglichtperiode is ongeveer de helft daarvan (4.380 uur). Dit betekent dat ongeveer 15% van het jaar de zon schijnt. Er is dus slechts een beperkt deel van het jaar dat slagschaduw kan optreden. Een slagschaduwduur van 6 uur per jaar is een percentage van 0,14% van de totale daglichtperiode per jaar en circa 0,4% van het gehele maximale percentage aan zonuren per jaar dat er slagschaduw kan optreden. Vervolgens wordt ook ervanuit gegaan dat gedurende deze 6 uur slagschaduw iemand zich daadwerkelijk bevindt in een ruimte waarop de slagschaduw optreedt. In praktijk kan iemand op dat moment niet thuis zijn of zich ergens in huis bevinden waar de slagschaduw niet merkbaar is. Wanneer is een object of terrein 'slagschaduwgevoelig'? Niet op alle plekken waar slagschaduw theoretisch kan optreden is sprake van een milieu- of hindereffect indien slagschaduw optreedt.
In een weiland of op open water, waar geen of zeer weinig mensen aanwezig (kunnen) zijn leidt de slagschaduw immers niet tot een waarneembare hinder. In zoverre is dit vergelijkbaar met geluid, waar de beoordeling plaatsvindt op geluidgevoelige objecten. Voor slagschaduw wordt in het Activiteitenbesluit en -regeling aangesloten op de begripsbepaling van geluidgevoelig object uit de Wet geluidhinder. Vanuit een goede ruimtelijke ordening kan er aanleiding bestaan om dit te verfijnen omdat er ook verschillen bestaan tussen beide effecten. Bijvoorbeeld: In een gebouw zonder ramen in de gevel in de richting van de windturbine kan geluid nog steeds een effect veroorzaken, echter een effect van slagschaduw is per definitie uitgesloten omdat geen licht door een dichte gevel kan dringen. Slagschaduwgevoelige objecten zijn objecten bedoelt voor wonen (waaronder woningen). Overige objecten, voor zover personen in een ruimte binnen dit object gedurende langere aaneengesloten tijd verblijven tijdens de daglichtperiode, kunnen vanuit een goede ruimtelijke ordening ook (gedeeltelijk) als voor slagschaduwgevoelig worden aangemerkt. Voorbeelden van overige slagschaduwgevoelige objecten zijn dan onder andere: scholen, (grootschalige) kantoorgebouwen en horecagelegenheden.
Een stal, overige agrarische bebouwing, opslagloods, landbouwgrond, sportveld of parkeerterrein zijn voorbeelden van niet-slagschaduwgevoelige objecten of terreinen. Deze voorbeelden zijn niet limitatief. Kader 5.3 Definitie voor slagschaduw gevoelig object
Blootstelling aan slagschaduw voor gevoelige objecten met een toetsnorm van maximaal 6 uur slagschaduw per jaar (cumulatief) is zoals blijkt op basis van het bovenstaande zeer beperkt en leidt niet tot gezondheidseffecten. 6 uur slagschaduw per jaar is derhalve een ruimtelijk aanvaardbare norm. Lichtschittering Mensen kunnen last hebben van hinderlijke schitteringen van zonlicht op de bewegende rotorbladen van de turbines. Een anti-reflecterende laag/matte coating op de rotorbladen voorkomt schittering. Alle nieuwe windturbines zijn tegenwoordig voorzien van een dergelijke matte coating, waardoor (vrijwel) geen sprake meer kan zijn van schitteringseffect. Er is een regel ten aanzien van toepassing van anti-reflecterende coating opgenomen in de planregels. Slagschaduw op bedrijven en kantoren In de praktijk kan bij kantoren en bedrijfspanden de slagschaduw als hinderlijk worden ervaren. Er is echter geen reden om voor kantoren en bedrijfspanden, hetzelfde beschermingsniveau als voor woningen te hanteren gezien de beperktere aanwezigheidsduur van mensen in een kantoor vanwege bedrijfstijden, weekenden en vrije dagen. Wel wordt hieronder vanuit het oogpunt van een 'goede ruimtelijke ordening' nader aandacht besteed aan potentiële slagschaduw op de aanwezige bedrijven en kantoren.
Gemeente Oss
69
bestemmingsplan “Windmolenpark Elzenburg-De Geer – 2021” (vastgesteld) Gesteld kan worden dat kantoren over het algemeen potentieel meer hinder kunnen ondervinden van slagschaduw van windturbines dan 'overige' bedrijven. Immers, personen die in een kantoorgebouw de hele dag bij een raam zitten te werken, met name achter een beeldscherm, kunnen enige hinder van slagschaduw ondervinden bij hun werk, waarbij de kanttekening moet worden geplaatst dat bij (in)directe zon in praktijk altijd zonwering wordt toegepast bij beeldschermwerk. Voor bedrijven met bedrijfshallen, als ook agrarische bebouwing, geldt dat deze - over het algemeen besloten bebouwing - een afschermende werking kan hebben voor een eventueel aanwezig kantoor bij het bedrijf. In de Osse situatie zijn aanvullende afspraken gemaakt met bedrijven waar meer dan 30 uur per jaar hinderlijke slagschaduw op bestaande kantooruimten51 is te verwachten tijdens kantoortijden en op werkdagen. De ontwikkelaars zijn bereid deze te beperken tot maximaal 30 uur op jaarbasis. Hiervoor is een gebruiksregel opgenomen in de planregels. Overige voor slagschaduw gevoelige objecten Naast woningen en kantoren, als onderdeel van aanwezige bedrijven op bedrijventerrein ElzenburgDe Geer, zijn er geen verdere (overige) slagschaduw gevoelige objecten te onderscheiden nabij de windturbines, waarvoor een norm moet worden gesteld.
Verdere uitgangspunten en achtergronden Voor de verdere uitgangspunten en achtergronden van al het uitgevoerde slagschaduwonderzoek wordt verwezen naar bijlage 4 van Bijlage 1, Bijlage 10 en Bijlage 19. 5.3.2
Onderzoek
Ter bepaling van de maximale slagschaduweffecten is in het slagschaduwonderzoek voor het MER uitgegaan van een Nordex N131 windturbine als hoogste (worst case) windturbine uit de selectie van te onderzoeken windturbines (zie paragraaf 5.1, tabel 5.1) met een rotordiameter van 131 meter en ashoogte van 144 meter. Voor de slagschaduwberekeningen zijn enkel deze geometrische eigenschappen van belang. De windturbines hebben de maximale tiphoogte van 210 meter. In het kader van het MER is slagschaduw voor 5+2 windturbines in beeld gebracht, dus ook voor de in het ontwerp vervallen windturbine 5. Omdat de slagschaduweffecten door het vervallen van een windturbine alleen maar minder is is de onderbouwing in deze paragraaf grotendeels in tact gelaten. In Bijlage 19 is voor de volledigheid de toetsing van de direct bestemde 4 windturbines ten behoeve van de omgevingsvergunningaanvraag opgenomen ter bevestiging van deze aanname. De grens waarbinnen de toegestane slagschaduwduur wordt overschreden kan met een contour op een kaart aangegeven worden. In figuur 5.6 is aangegeven waar de totale jaarlijkse verwachte hinderduur respectievelijk 0, 5, 10 of meer dan 10 uur bedraagt voor het windpark van 5 windturbines met wijzigingsgebied. Overschrijding van de norm voor de jaarlijkse hinderduur kan optreden bij de woningen binnen de 5-uurscontour52.
Ook woningen buiten het wettelijk onderzoeksgebied (12x de maximale rotordiameter van 135 meter) zijn betrokken in het onderzoek. En er is geen onderscheid gemaakt in duur van slagschaduw: alle (kans op) slagschaduw is berekend en er is geen onderscheid gemaakt of de 20 minuten norm wel of niet wordt overschreden. Daarnaast is uitgegaan van een zogenaamd 'greenhouse'-model (gehele gevel bestaat uit glas). Tabel 5.7 Aantal woningen met meer dan 0 uur, meer dan 5 uur en meer dan 10 uur per jaar kans op slagschaduw (bij een reële zonneverwachting) voor 5+2 windturbines [bron: bewerking tabel 23.6 MER]
70
Gemeente Oss
bestemmingsplan Windmolenpark Elzenburg-De Geer - 2021 Figuur 5.7 Slagschaduwcontour windpark Elzenburg-De Geer met vervallen windturbine en met wijzigingsgebied (blauw = 10 uur, groen = 5 uur en bruin = 0 uur) [bron: bijlage 8.4 MER]
Tabel 5.7 geeft het aantal woningen met meer dan 0 en meer dan 5 uur kans op slagschaduw per jaar. Tabel 5.8 geeft voor 10 representatieve locaties het aantal uur kans op slagschaduw. Tabel 5.8 Totaal aantal uren kans op slagschaduw per jaar voor 5+2 windturbines (bij een reële zonneverwachting) [bron: bewerking tabel 23.7 MER]
Het toevoegen van windturbines met de wijzigingsbevoegdheid leidt voor alle toetspunten direct nabij het plangebied tot meer woningen met kans op slagschaduw en een toename van het aantal uren kans op slagschaduw.
Gemeente Oss
71
bestemmingsplan “Windmolenpark Elzenburg-De Geer – 2021” (vastgesteld) Op locaties met een kans op slagschaduw van meer dan 6 uur per jaar moet dit effect wettelijk gemitigeerd (beperkt) worden door stilstand van de windturbine op zonnige dagen. De voor de normoverschrijding relevante windturbines van het windpark zullen worden uitgerust met een stilstandvoorziening om te voldoen aan de wettelijke norm. In de turbinebesturing worden hiervoor dagen en tijden geprogrammeerd waarbinnen de rotor wordt gestopt omdat er dan slagschaduw valt op woningen die bijdraagt aan een overschrijding van de norm. Een dergelijke voorziening leidt tot enig productieverlies. Het treffen van voornoemde voorziening is geregeld in de planregels. De gemeente Oss vindt het belangrijk dat het windpark in zijn geheel aan de slagschaduwnorm voldoet. Dit los van de vraag of er een omgevingsvergunning voor één of meerdere inrichtingen wordt verleend. Het gaat de gemeente Oss om het ruimtelijke effect van het windpark als geheel voor de omgeving. De gemeente streeft een goed woon- en leefklimaat na en wil hinder van het windpark als geheel zo veel mogelijk beperken. Dit mede vanwege de al hoge belasting van de omgeving (door onder meer weg- en industrielawaai).
Op basis van onderhavig bestemmingsplan worden voor de vier direct bestemde windturbines voor twee inrichtingen (twee deelparken met elk twee windturbines) omgevingsvergunning aangevraagd. Een voorschrift wordt opgenomen in de omgevingsvergunningen om beide inrichtingen gezamenlijk (dus cumulatief) aan de slagschaduwnorm van maximaal 6 uur slagschaduw per jaar te laten voldoen. Er is hiervoor ook een nadere regeling opgenomen in dit bestemmingsplan. Voor de eventuele extra twee windturbines, die alleen na het toepassen van een wijzigingsbevoegdheid op grond van dit bestemmingsplan kunnen worden gerealiseerd, is een voorwaarde opgenomen in de wijzigingsbevoegdheid (in de planregels). Deze voorwaarde borgt dat, ook na toepassing van de wijzigingsbevoegdheid (en realisatie van zes windturbines in totaal) op alle woningen maximaal 6 uur slagschaduw wordt veroorzaakt. Er is sprake van een goede ruimtelijke ordening. Slagschaduw op bedrijven De potentiële slagschaduw op bedrijventerrein De Geer is in een aparte notitie in beeld gebracht (zie Bijlage 10) op basis van het windpark met 5 windturbines en zonder wijzigingsbevoegdheid. Met het vervallen van windturbine 5 is deze belasting veranderd (zie ook cumulatieve contour voor windturbines in bijlage 4 van beide rapporten in Bijlage 19).
In onderstaande tabel staat de slagschaduwduur weergegeven van de vier direct bestemde windturbines op enkele (maatgevende) bedrijven aan de rand van het bedrijventerrein voor slagschaduw (op basis van het rekenmodel in Bijlage 19). Tabel 5.9 Verwachte slagschaduw op nabijgelegen bedrijven
Uit tabel 5.9 blijkt dat er bij het maatgevende bedrijf voor slagschaduw op het bedrijventerrein (Nieuwe Waterweg 1) sprake is van maximaal 99 uur slagschaduw op jaarbasis, wanneer alle maatgevende (relevante) gevels van het ter plaatse aanwezige kantoor als volledig uit glas bestaand worden beschouwd. Hierbij is nog geen rekening gehouden met de werkelijke indeling van de gevel ten aanzien van glas. Ook is nog geen rekening gehouden met kantoortijden en weekenden, wanneer er geen slagschaduwhinder kan optreden omdat er niemand aan het werk is. De verwachte slagschaduwhinder zal dus in praktijk lager uitvallen.
72
Gemeente Oss
bestemmingsplan Windmolenpark Elzenburg-De Geer - 2021 De ontwikkelaars zijn bereid de slagschaduw op bestaande kantoorruimten te beperken tot maximaal 30 uur op jaarbasis tijdens kantoortijden en werkdagen. Dit hebben de initiatiefnemers vastgelegd in een brief met een toezegging aan de bedrijven op het adres Nieuwe Waterweg 1 en Nieuwe Waterweg 9. Hierdoor is er ook bij andere bedrijven naar verwachting geen sprake van meer dan 30 uur slagschaduw per jaar. Om deze afspraak, en daarmee aanvullende slagschaduwnorm voor kantoren, te borgen is een regeling opgenomen in de planregels. De beoogde stilstandvoorziening voor slagschaduw op bedrijven gaat ten koste van beperkte productieverliezen waardoor de haalbaarheid van het project ook niet in gevaar komt. Er is sprake van een goede ruimtelijke ordening. 5.3.3
Conclusie
Aan de normen voor slagschaduw kan worden voldaan door een stilstandregeling toe te passen. In de planregels wordt een regeling opgenomen op beide inrichtingen gezamenlijk (dus cumulatief) aan de slagschaduwnorm te laten voldoen van maximaal 6 uur slagschaduw per jaar. In de wijzigingsbevoegdheid voor een uitbreiding naar zes windturbines is een voorwaarde opgenomen die zorgt dat, ook bij uitbreiding naar zes turbines, op alle woningen maximaal 6 uur slagschaduw op jaarbasis wordt veroorzaakt. Vanuit schaduwhinder op woningen is het plan, met het toepassen van een stilstandvoorziening, ruimtelijke inpasbaar en haalbaar. Er is sprake van een goede ruimtelijke ordening. Voor slagschaduw op het kantoorgedeelte van de maatgevende bedrijven geldt dat de norm van maximaal 30 uur slagschaduw per jaar op overige voor slagschaduw gevoelige objecten, specifiek kantoren, wordt opgenomen in de planregels van dit bestemmingsplan.
5.4
Veiligheid
5.4.1
Toetsingskader
Voor de ruimtelijke inpassing van windturbines speelt veiligheid een belangrijke rol. Hoewel het risico laag is, kunnen windturbines omvallen of kunnen er onderdelen afbreken. Het effect van windpark Elzenburg-De Geer op de veiligheidssituatie van de omgeving is beoordeeld aan de hand van een aantal criteria, die zijn afgeleid uit wet- en regelgeving en adviezen voor toetsing van beheerders van infrastructurele werken. Deze toetsingscriteria hebben zowel betrekking op externe veiligheid als op leveringszekerheid ten aanzien van elektriciteitskabels- en (buis)leidingen. Het Activiteitenbesluit en -regeling is gedeeltelijk het kader voor de (externe) veiligheid van windturbines en mag voorlopig niet toegepast worden op basis van de uitspraak windpark Delfzijl Zuid Uitbreiding (zie ook paragraaf 1.1). In het Activiteitenbesluit en -regeling is onder andere geregeld hoe vaak een windturbine moet worden gecontroleerd en wanneer een windturbine wel of niet in werking mag zijn. Zo mag bijvoorbeeld een windturbine niet in werking worden gesteld indien een zodanige ijslaag is afgezet op de rotorbladen dat dit een risico vormt voor de veiligheid van de directe omgeving. Bij moderne windturbines kan door middel van ijsdetectiesystemen de windturbine automatisch stilgezet worden.
De kans dat een persoon aanwezig is precies onder de locatie van het rotorblad tijdens de specifieke weersomstandigheden waarbij gevaarlijke hoeveelheden ijsafglijding op kan treden, is zodanig klein dat het risico voor personen verwaarloosbaar is. Daarnaast bestaat ook nog de interne veiligheid van windturbines. De interne veiligheid van windturbines is geregeld via de certificering van het ontwerp en de productie van windturbines. In Nederland mogen alleen windturbines worden geplaatst die gecertificeerd zijn volgens de veiligheidsnormen ten behoeve van het voorkomen van risico's voor de omgeving. De voorgenoemde voorwaarden (zoals interne veiligheid en certificering) zijn, alhoewel niet allemaal direct ruimtelijk relevant, voor de volledigheid als planregels opgenomen in dit bestemmingsplan (zie verder paragraaf 6.2.2).
Gemeente Oss
73
bestemmingsplan “Windmolenpark Elzenburg-De Geer – 2021” (vastgesteld) In het Activiteitenbesluit en -regeling is ook geregeld dat met betrekking tot veiligheidsafstanden in grote lijnen wordt aangesloten op het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) 53 en dat zich geen kwetsbare objecten mogen bevinden binnen de PR 10-6-contour en geen beperkt kwetsbare objecten binnen de PR 10-5-contour. PR staat voor het Plaatsgebonden Risico. Dit is de kans per jaar dat iemand overlijdt als gevolg van een ongeval van een falende windturbine, als deze persoon permanent en onbeschermd op een bepaalde afstand tot de turbine aanwezig zou zijn. Een PR-norm van 10-5 betekent een maximale kans van maximaal 1 op 100.000, PR 10-6 een kans van 1 op 1.000.000. In 2014 heeft het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties een rapport laten opstellen over het in perspectief zetten van risico's.54 Uit dit rapport kunnen geen cijfermatige conclusies worden getrokken, maar het geeft wel aan waarom een mate van bescherming voor windturbines leidt tot maatschappelijk aanvaardbare risico's in vergelijking met risico's bij andere activiteiten.
Op stadsniveau (generieke stad van 50.000 personen) is de kans op een vergelijkbaar aantal verloren levensjaren voor reizen met het vliegtuig vergeleken met een windturbineongeluk circa 1.000x hoger, het wonen in laaggelegen gebieden (overstromingsrisico) geeft circa een 10x hogere kans en voor autorijden ligt de kans op een vergelijkbaar aantal verloren levensjaren bijna 10.000x hoger dan bij een windturbineongeluk. Hieruit kan worden geconstateerd dat het toepassen van risicocriteria in de orde van grote van PR10-5 en PR10-6 bij windturbines een maatschappelijk geaccepteerd risico kan opleveren. Overigens blijkt uit literatuur en ook navraag bij een externe veiligheidsdeskundige dat wereldwijd het geaccepteerde plaatsgebonden risico over het algemeen ligt op een niveau tussen 10-4 en 10-6. Zo geeft in het Verenigd Koninkrijk de Health and Safety Executive (HSE)55 aan dat de jaarlijkse acceptabele letaliteitskans voor een lid van de maatschappij circa 1:100.000 (=PR10-5) is als gevolg van een nucleaire installatie en bij een niveau van 1:1.000.000 (=PR10-6) is er ook geen verdere verbetering van de situatie meer benodigd.
Met een kans van 1 de 100.000 jaar bij continue jaarlang onbeschermd verblijf op de PR10 -5 contour bij beperkt kwetsbare objecten en 1 op de miljoen bij continue jaarlang onbeschermd verblijf op de PR10-6 contour bij kwetsbare objecten is daarmee sprake van een risico dat aanmerkelijk lager ligt dan andere algemeen aanvaarde (maatschappelijke) risico's en gelijk is aan andere risicobronnen van externe veiligheid. Een norm voor externe veiligheid van windturbines van PR10 -5 voor beperkt kwetsbare objecten en PR10-6 voor kwetsbare objecten is daarmee ruimtelijk aanvaardbaar als toetsingskader voor de plaatsgebonden risicocontouren. Voor de bepaling van de PR-contouren wordt verwezen naar de 'Handreiking Risicozonering Windturbines' (v1.1, 20 mei 2020) en 'Handleiding Risicoberekeningen Windturbines' (versie oktober 2019) (hierna: Handboek), als vervanger van het 'Handboek Risicozonering Windturbines' (2014).56 Ook wordt voor de bepaling van de effecten op infrastructuren en objecten aansluiting gezocht bij het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb)57. Daarnaast hebben beheerders van infrastructurele werken randvoorwaarden voor situaties van uitval van belangrijke infrastructurele werken zoals grote gasleidingen en elektriciteitsvoorzieningen.
Om hier rekening mee te houden is gekeken naar de invloed van plaatsing van windturbines op de leveringszekerheid en betrouwbaarheid van de nabije infrastructurele werken. In het Handboek wordt ook verwezen naar de beleidsregel van Rijkswaterstaat (2002)58 voor de beoordeling van effecten op (vaar)wegen. Deze beleidsregel geldt enkel voor rijks(vaar)wegen, voor provinciale en lokale wegen gelden geen (beleids)regels. In juli 2020 is 'Richtlijnen Vaarwegen 2020' uitgekomen voor de beoordeling voor vaarwegen. De richtlijn is van toepassing is verklaard op provinciale en lokale vaarwegen, eerder was er enkel een toetsafstand voor Rijksvaarwegen. Nu is dezelfde toetsafstand van toepassing voor alle vaarwegen (dus ook recreatievaart etcetera). 59 In de beleidsregel "Windturbines langs auto-, spoor-, en vaarwegen: beoordeling van veiligheidsrisico's" 60 staan de richtlijnen gegeven ten aanzien van de beoordeling van het individueel passentenrisico (IPR) en het maatschappelijk risico (MR) om het effect op overige wegen te beoordelen. Voor het MER is een risicoanalyse uitgevoerd voor het windpark (zie hoofdstuk 8 van Bijlage 1). 5.4.2
Onderzoek
Voor de te hanteren afstanden is een specifieke berekening uitgevoerd voor de referentiewindturbine (worst-case) Nordex N131 op ashoogte van 144 meter uit tabel 5.1 op basis van de methoden uit het Handboek. Voor de achterliggende berekeningen bij de hier genoemde afstanden wordt verwezen naar de externe veiligheidsanalyse in hoofdstuk 8 van Bijlage 1. In het kader van de omgevingsvergunningaanvragen is een aanvullende PR-analyse gemaakt voor meerdere typen windturbines (zie Bijlage 20).
74
Gemeente Oss
bestemmingsplan Windmolenpark Elzenburg-De Geer - 2021 De eigenschappen van de referentiewindturbine met bijbehorende relevante veiligheidsafstanden zijn weergegeven in tabel 5.10. Tabel 5.10 Eigenschappen van de referentiewindturbine [bron: tabel 8.1 MER] 61
Bebouwing Er liggen geen kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten binnen de PR 10 -5 contour van alle windturbines in het plan en geen kwetsbare objecten binnen de PR 10-6 contour. Het geldende bestemmingsplan voor het buitengebied laat ook niet de vestiging van beperkt kwetsbare en/of kwetsbare objecten toe binnen de PR 10-5 en 10-6 contour van de windturbines 1 t/m 4 en 7 en 8. Een klein gedeelte van de PR 10-6 contour gaat over het bedrijventerrein Elzenburg-De Geer. Het huidige bestemmingsplan beoogt geen kwetsbare objecten toe te staan op bedrijventerrein Elzenburg- de Geer, maar gelet op de ontstane jurisprudentie over kwetsbare objecten is het niet 100% uitgesloten dat er toch kwetsbare objecten gevestigd kunnen zijn/worden. Dit betekent dat in dit bestemmingsplan geregeld wordt dat er binnen de PR 10-6 contour geen kwetsbare objecten mogelijk zijn Vanuit het oogpunt van uniformiteit van het plan en als signaleringsfunctie bij ontwikkelingen wordt ook de maximale PR 10-6 contour voor de andere windturbines opgenomen. Met het vastleggen van deze specifieke risicocontouren voor windpark Elzenburg-De Geer wordt ook voorzien in een juridische regeling ter vervanging van de windturbinebepalingen uit het Activiteitenbesluit en -regeling voor de plaatsgebonden risicocontouren. Groepsrisico Er bestaat geen norm voor toetsing van het groepsrisico voor windturbines.
De achtergrond hiervan is dat bij windturbines de risico's enkel bestaan uit direct treffen van windturbineonderdelen en de kans op het tegelijkertijd in gevaar brengen van grote groepen mensen zeer klein is. Met het groepsrisico kan in het kader van een goede ruimtelijke ordening rekening worden gehouden. Nabij de windturbinelocaties wordt, gezien de aanwezige ruimtelijke bestemmingen (vooral agrarisch), geen aanwezigheid van grote groepen mensen verwacht waardoor het in beeld brengen van het groepsrisico niet nodig wordt geacht. Verkeer - wegen In het Handboek wordt verwezen naar de beleidsregel van Rijkswaterstaat (2002) 62. Voor de beoordeling van effecten op wegen. Deze beleidsregel geldt enkel voor rijkswegen, voor provinciale en lokale wegen gelden geen algemene (beleids)regels. Voor rijkswegen wordt gesteld dat wanneer een windturbine zich buiten een afstand van een halve rotordiameter ten opzichte van de rand van de (verharding van de) rijksweg bevindt, er in normale omstandigheden geen significante effecten voor het weggebruik te verwachten zijn. Er is geen rijksweg in de omgeving van het plangebied. Voor de provinciale weg N329 als ook lokale wegen gelden geen toetsingsnormen, zoals bij rijkswegen, maar desalniettemin bevinden deze zich ook buiten de afstand van een halve rotordiameter van de windturbines.
Gesteld kan worden, in lijn met de rijksregels, dat wanneer een windturbine zich buiten een afstand van een halve rotordiameter ten opzichte van de rand van de (verharding van de) weg bevindt, er in normale omstandigheden geen significante onveilige effecten voor het weggebruik te verwachten zijn.
Gemeente Oss
75
bestemmingsplan “Windmolenpark Elzenburg-De Geer – 2021” (vastgesteld) In een aparte notitie (zie Bijlage 11) is een analyse veiligheidseffecten op transport uitgevoerd met 5+2 windturbines. Door het vervallen van windturbine 5 geeft deze analyse geen andere conclusies. De volgende punten zijn uitgevoerd voor wegverkeer: Individueel passanten risico (IPR) en Maatschappelijk risico (MR) voor passanten en personen op de provinciale weg N329 (Megensebaan); Additioneel risico voor gevaarlijke transporten op provinciale weg N329. Individueel passanten risico (IPR) en Maatschappelijk risico (MR) De trefkans per passage bedraagt 1 x 10-11 per jaar. Uitgaande van 500 passages voor een maatgevende individu per jaar is het individueel passanten risico (IPR) daarmee maximaal 5,0 x 1063. Rijkswaterstaat stelt voor rijkswegen een maximale waarde voor het IPR van 10-6. Voor provinciale en lokale wegen zijn geen beleidsregels of normstellingen beschikbaar maar uitgaande van de beleidsregel van Rijkswaterstaat is er geen sprake van een significant risico en kan er ruim worden voldaan aan de norm van Rijkswaterstaat die voor snelwegen geldt. De tweede windturbine op een afstand van 133 meter (windturbine 1) voegt een risico toe van 3,9 x 10-9. Ook cumulatief kan er ruim worden voldaan aan de IPR-eis van Rijkswaterstaat.
Voor beoordeling van het maatschappelijk risico wordt ook aangesloten bij de eisen van Rijkswaterstaat. De beleidsregel stelt hierbij een maximaal maatschappelijk risico van 2 x 10 -3. Dit risico wordt bij windturbine 7 pas overschreden bij 201 miljoen passantenpassages per jaar. Van dergelijke hoeveelheden is met zekerheid geen sprake op deze provinciale weg. Overschrijding van het maatschappelijk risico is onmogelijk. Ook uitgaande van het cumulatieve risico zouden er nog 113 miljoen passages per jaar dienen plaats te vinden. Uitgaande van de beoordelingsmaten voor het IPR en het MR van Rijkswaterstaat voor de beoordeling van de risico’s voor passanten van de provinciale weg is er met zekerheid geen sprake van overschrijding van het Individueel passanten risico of het maatschappelijk risico. Additioneel risico voor gevaarlijke transporten De betrokken provinciale weg is door de Provincie Noord-Brabant niet opgenomen in het Rijksbasisnet Weg voor transport van gevaarlijke stoffen, maar staat wel in de gemeentelijke Beleidsvisie externe veiligheid64. Eventuele lokale transporten over de weg vinden voornamelijk plaats vanuit het zuiden tot aan de kruising Kanaalstraat/Veluwemeer als toegangswegen tot de industrieterreinen van Elzenburg-De Geer. Er wordt geen significante hoeveelheid gevaarlijke transporten verwacht over de N329 ten noorden van dit kruispunt65.
De enkele transporten die plaatsvinden ondervinden per passage een verwaarloosbaar risico van maximaal (cumulatief 2x windturbines) van 2,3 x 10-10 per passage. Vergeleken met de faalfrequentie van wegvervoer uit het HART (Handleiding Risicoanalyse Transport, 11 januari 2017) buiten de bebouwde kom van een atmosferische tankwagen van 2,8 x 10-8 is dit maximaal een toevoeging van 1,6% en daarmee verwaarloosbaar te noemen gezien het intrinsieke risico van vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg. Verkeer - vaarwegen Over het spoor en over het water in de haven vinden geen relevante hoeveelheden vervoer van gevaarlijke stoffen plaats. Beide zijn niet opgenomen in het Basisnet. De volgende punten zijn uitgevoerd voor vaarverkeer: Individueel passanten risico en maatschappelijk risico vaarweg Additioneel risico voor gevaarlijke vaarweg transporten op het Burgemeester Delenkanaal; Analyse van maximale verblijfsduur voor schepen aan de kade van de Burgemeester Delenkanaal. Beoordeling individueel passanten risico en maatschappelijk risico Vaarweg Om het risico voor personen op eventuele varende schepen te beoordelen wordt een inschatting gemaakt van het individueel passanten risico en het maatschappelijk risico van varende personen.
Er wordt uitgegaan van 500 vaarpassages per jaar, een vaarsnelheid van 9 kilometer per uur en vaarpassage in het midden van het betrokken kanaal. De afstand vanaf het hart van de windturbine tot de vaarweg bedraagt circa 88 meter (van de vervallen windturbine 5, die het dichtst bij de vaarweg was gelegen). Het trefrisico per passage bedraagt 1,5 x 10-10, waarmee het IPR zou uitkomen op 7,6 x 10-8, dus ruim binnen de maatstaven die Rijkswaterstaat normaal hanteert. 66 Er zouden 13 miljoen passantenpassages dienen plaats te vinden om een overschrijding van het maatschappelijk risico
76
Gemeente Oss
bestemmingsplan Windmolenpark Elzenburg-De Geer - 2021 mogelijk te maken. Er is geen sprake van significante risico’s voor passanten op de vaarweg. Beoordeling persoonsrisico van aanwezige scheepvaart (ligplaats/kade) Naast varende schepen zouden schepen ook tijdelijk kunnen aanleggen aan de kade. Op basis van de Plaatsgebonden risico contouren kan er iets gezegd worden over het maximaal risico dat zijn kunnen ervaren tijdens hun aanwezigheid. Het plaatsgebonden risico voor de dichtstbijgelegen kade op een afstand van 55 meter vanaf (de vervallen) windturbine 5 bedraagt maximaal 6,6 x 10 -6. Ligplaatsen voor schepen worden vaak gezien als beperkt kwetsbare objecten en dienen daarmee gelegen te zijn buiten de PR 10-5 contour van de windturbines. Ondanks dat dit geen officiële ligplaatsen zijn voldoet het optredende PR risico wel aan de gewenste veiligheid. Indien de ligplaats wordt gezien als een permanentere locatie (woonverblijf) dan zou een maximaal PR risico van 1 x 10 6 acceptabel zijn. Bij verblijfstijden van maximaal 1327 uur per jaar (oftewel maximaal circa 28 uur per werkweek) resteert er een persoonsrisico van maximaal 1x10-6. Gezien het gebruik van de dichtstbijzijnde kade door schepen is van dergelijke verblijfstijden van personen op schepen geen sprake. Er is geen sprake van een significant risico en er is geen reden om de kade aan te wijzen als kwetsbare objecten.
De risico’s voor tijdelijk aangemeerde schepen zijn acceptabel. Beoordeling gevaarlijk transport op de vaarweg in het Burgemeester Delenkanaal De vaarweg lopend van de Maas tot aan de haven van bedrijventerrein Elzenburg-De Geer is in het basisnet water opgenomen als ‘groene vaarweg’. Dit betekent dat de vaarweg gebruikt wordt voor binnenvaart zonder frequent vervoer van gevaarlijke stoffen. Er worden geen tot nauwelijks transporten van gevaarlijke stoffen verwacht over deze vaarweg. In relatie tot het basisnet wordt gesteld dat voor groene vaarwegen geen sprake is van PR 10-6 of groepsrisico plafonds aanwezig zijn op of naast de vaarwegen. Er zijn in het kader van eventuele maatregelen voor nieuwe bestemmingen bij toetsing aan ruimtelijk ordening ook: 67 geen beperkingen voor bebouwing; geen Plasbrand aandachtgebied (PBA); en geen groepsrisicoverantwoording. Er zijn daarmee geen belemmeringen voor de ontwikkeling van windturbines aanwezig en toetsing van risico’s is niet benodigd. De risico’s zijn ook verwaarloosbaar gezien de betrokken vervoershoeveelheden en de beperkte verblijfstijden van schepen met gevaarlijke stoffen binnen de effectzones van windturbines. Industrie en risicovolle inrichtingen Een windturbine is geen (beperkt) kwetsbaar object in de zin van het Bevi.
Een windturbine kan wel een verhogend risico veroorzaken bij risicovolle inrichtingen gelegen in de omgeving. Volgens het Bevi dienen geen kwetsbare objecten te zijn gepositioneerd binnen de PR van deze risicovolle installaties en inrichtingen. Onderzocht is of de windturbines een significant extra risico kunnen toevoegen aan risicovolle inrichtingen in de omgeving. Op basis van de risicokaart blijkt dat zich binnen de werpstand bij overtoeren van 5+2 windturbines geen installaties bevinden die onder het Besluit externe veiligheid inrichtingen vallen. Voor toekomstige risicovolle inrichtingen geldt dat deze onder voorwaarden mogelijk zijn binnen de werpafstanden van de windturbines. Het Bevi stelt hierover dat risicovolle installaties in de nabijheid van windturbines toegestaan zijn zolang het toegevoegde risico er niet toe leidt dat de PR 10 -6 contour van de installatie over (geprojecteerde) kwetsbare objecten in de omgeving komt te vallen. Op bedrijventerrein Elzenburg - de Geer zijn in de nabijheid van het beoogde windpark twee Beviinrichtingen aanwezig. Dit betreffen de bedrijfspanden van MSD en Aspen. In 2016/2017 is MSD afgesplitst van Aspen. In het MER is het derhalve nog als één bedrijf (Aspen) beschouwd. De afsplitsing zorgt niet voor andere conclusies.
Externe veiligheid (toets plaatsgebonden risico) Indien er op Elzenburg een bedrijf gerealiseerd wordt gelden binnen 182 meter van de windturbine (de 10-6 PR contour) beperkingen ten aanzien van het gebruik van de bedrijfsgrond: er mogen binnen deze zone geen kwetsbare objecten (zoals gedefinieerd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen) in gebruik zijn. Er wordt een gebruiksregel opgenomen waarbij de PR10-6 contour van de windturbines wordt vastgelegd op maximaal 182 meter waardoor er ook geen windturbine gerealiseerd kan worden met een eventueel grotere specifieke PR10-6 contour.
Gemeente Oss
77
bestemmingsplan “Windmolenpark Elzenburg-De Geer – 2021” (vastgesteld) Externe veiligheid (toets Besluit externe veiligheid inrichtingen) Verder moeten binnen het invloedsgebied voorgenomen Bevi-activiteiten worden getoetst op het zogeheten domino-effect (het risico dat de windturbine toevoegt aan de initiële faalfrequentie van de Bevi-activiteit). Indien de toename van het risico tot gevolg heeft dat de 10 -6 contour over een kwetsbaar object komt te liggen, geeft dit beperkingen voor de voorgenomen Bevi-activiteit. In de regel geldt dat het domino-effect van windturbines op Bevi-installaties buiten de werpafstand bij nominaal toerental (maximaal 181 meter, zie tabel 5.9) en buiten de valafstand van tiphoogte (210 meter) bij het formaat risicovolle installaties op deze terreinen zeker verwaarloosbaar is. Voor Aspen is in 2016 een QRA opgesteld68. Hieruit blijkt dat het bedrijf geen PR 10-6 contour heeft en dat het groepsrisico lager is dan 0,1 x de oriëntatiewaarde. Het windpark voegt met zekerheid minder risico toe dan 10% van een PR 10-6 contour (PR < 10-8 per m2) Het windpark geeft dus geen toegevoegd risico op Aspen of kwetsbare objecten in de omgeving.
Overige Voor deze overige aspecten, zoals onder- en bovengrondse transportleidingen, hoogspanningsverbindingen en waterkeringen geldt dat deze niet in het plangebied en directe omgeving aanwezig zijn en derhalve niet aan de orde zijn bij het plan. 5.4.3
Conclusie
De veiligheidsrisico's zijn onderzocht. Er zijn vanuit externe veiligheid geen belemmeringen voor de ontwikkeling van het windpark. Er wordt een juridische regeling opgenomen ter voorkoming van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten binnen de PR10-5 en PR10-6 contour. Er is voor het aspect 'externe veiligheid' sprake van een goede ruimtelijke ordening.
5.5
Natuurwaarden
5.5.1
Toetsingskader
Wet natuurbescherming (Wnb) Natuurwaarden worden op gebiedsniveau en op soortenniveau beschermd. De Wet natuurbescherming (hoofdstuk 2) regelt de bescherming van de beschermde Natura 2000-gebieden en in hoofdstuk 3 van de Wnb wordt de bescherming van soorten geregeld. Voor Natura 2000-gebieden zijn instandhoudingsdoelstellingen geformuleerd. Significant negatieve effecten op deze doelstellingen zijn in beginsel niet toegestaan. De alternatieven worden beoordeeld op effecten op de instandhoudingsdoelstellingen. De Wnb beschermt een groot aantal in Nederland voorkomende planten- en diersoorten. De wet verbiedt handelingen of ontwikkelingen die strijdig zijn met de verbodsbepalingen uit de wet. De alternatieven in het MER zijn beoordeeld op effecten op aantasting van leefgebieden van beschermde soorten en effecten op populaties van beschermde soorten, in het bijzonder op populaties van vogels en vleermuizen. Natuurnetwerk Nederland/Natuurnetwerk Brabant Het Natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen Ecologische Hoofdstructuur) is een samenhangend netwerk van natuurgebieden en verbindingszones. In de Provincie Noord-Brabant wordt de NNN Natuurnetwerk Brabant (NNB) genoemd. Binnen het NNB kan uitwisseling van individuen van planten diersoorten plaatsvinden en wordt zo de instandhouding van populaties en de biodiversiteit in het algemeen bevorderd.
Het ruimtelijke beleid voor het NNB is gericht op behoud en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden. Daarom geldt in het NNB het ‘nee, tenzij’-regime. Een ingreep met wezenlijk negatieve effecten op NNB mag alleen doorgaan als er geen reële alternatieven zijn, er sprake is van groot openbaar belang en de effecten worden gecompenseerd. Als een voorgenomen ingreep de ‘nee, tenzij’-toets met positief gevolg doorloopt kan de ingreep doorgang vinden. In principe zijn er dus geen ontwikkelingen toegestaan als deze ontwikkelingen de wezenlijke kenmerken of waarden van het NNB aantasten.
78
Gemeente Oss
bestemmingsplan Windmolenpark Elzenburg-De Geer - 2021 Voor wat betreft het NNB is er volgens het landelijk beleid (Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte) alleen bij directe aantasting sprake van benodigde vervolgstappen, waaronder compensatie. Omdat de windturbines buiten het NNB zijn gesitueerd, is er geen sprake van directe aantasting van het NNB. Voor het NNB in de provincie Noord-Brabant moet ook rekening gehouden worden met externe werking (Interim omgevingsverordening). In het MER zijn daarom ook de effecten beschouwd van de windturbines op NNB, ook al liggen ze buiten NNB. Conform de Interim omgevingsverordening dienen negatieve effecten op de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNB (fysieke aantasting en externe werking) waar mogelijk worden voorkomen danwel beperkt en de overblijvende, negatieve effecten moeten worden gecompenseerd. Voor windturbinegeluid hanteert de provincie Noord-Brabant een drempelwaarde van 52 dB Lden. De provincie gaat er van uit dat bij een geluidbelasting groter dan 52 dB Lden sprake kan zijn van verstoring van wezenlijke waarden en kenmerken van het NNB. Hierbij mag/moet rekening gehouden worden met de bestaande geluidbelasting. Als de huidige geluidbelasting al groter is dan 52 dB L den, leidt een (extra) toename van geluid niet (meer) tot een wezenlijke aantasting en daarmee niet tot een compensatieopgave.
Als door windturbines de geluidbelasting op NNB groter wordt dan 52 dB L den, kan sprake zijn van een compensatieopgave. Bij overschrijding van de 52 dB L den dient het oppervlak met een overschrijding te worden gecompenseerd. In de regel bedraagt de compensatiefactor 1/3. Compensatie is niet van toepassing als de grenswaarde al in de bestaande situatie wordt overschreden. 5.5.2
Onderzoek
5.5.2.1 Gebiedsbescherming Natura 2000 De volgende mogelijke effecten van de windturbines op aangewezen broedvogel- en nietbroedvogelsoorten voor Natura 2000-gebied Rijntakken zijn voor het MER onderzocht, waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen effecten tijdens de aanleg en effecten in de gebruiksfase: Sterfte van vogels door aanvaring met de windturbines gedurende de gebruiksfase; Verlies van areaal of leefgebied door ruimtebeslag gedurende de aanleg- en gebruiksfase; Verstoring en barrièrewerking en effect op trekroutes door beweging, licht en geluid gedurende aanleg- en gebruiksfase. Aanvaringslachtoffers Aangezien de afstand van het plangebied tot het Natura 2000-gebied 10 kilometer bedraagt, er binnen het Natura-2000 gebied en op kortere afstand van het Natura 2000-gebied geschikte foerageergebieden liggen, is het uit te sluiten dat het plangebied een belangrijke functionele relatie met Natura 2000-gebied Rijntakken heeft. De te verwachten sterfte bij 5+2 windturbines (variërend van 100 tot 140 vogels zonder en met wijzigingsbevoegdheid) ligt onder de 1%-mortaliteitsnormen omdat slechts een klein gedeelte van de aanwezige vogels een ecologische binding met de Rijntakken heeft en daarvan een klein percentage aanvaringsslachtoffer wordt.
De brandgans, scholekster en grutto komen in dermate kleine aantallen voor dat - in combinatie met uit uitwijkgedrag - het aantal aanvaringsslachtoffers te verwaarlozen zal zijn. De verwachte aanvaringsslachtoffers hebben hiermee geen meetbaar effect op de populaties in de Rijntakken. Er zijn tot nu toe geen aanwijzingen dat verliezen door aanvaringen met windturbines effect hebben op lokaal of breder populatieniveau (Krijgsveld et al. 2009). Er zijn wel aanwijzingen voor populatie-effecten bij langzaam reproducerende soorten, zoals bij zeevogels en grote roofvogels (gieren en arenden), maar dat is in het geval van het windpark niet relevant. Geconcludeerd kan worden dat het aantal aanvaringsslachtoffers niet leidt tot een effect op de instandhoudingsdoelen voor Natura 2000-gebied Rijntakken. Verlies areaal of leefgebied Het verlies van een relatief klein oppervlakte aan foerageergebied (in alle alternatieven) ten opzichte van het totaal beschikbare foerageergebied in het Natura 2000-gebied en in de omgeving ervan leidt niet tot een effect op de instandhoudingsdoelen. Verstoring en barrièrewerking Door het beperkte aantal windturbines en de grote afstand tot de Rijntakken wordt geconcludeerd dat
Gemeente Oss
79
bestemmingsplan “Windmolenpark Elzenburg-De Geer – 2021” (vastgesteld) de opstelling van 5 of 7 windturbines geen belemmering vormt in vliegbewegingen van deze vogels. Dit betreft zowel de hoge als de lage varianten. Dit betekent dat er geen sprake is van (significante) effecten als gevolg van barrièrewerking of versnippering op soorten waarvoor een instandhoudingsdoel geldt. Effecten als gevolg van emissie van stikstof Bij de realisatie van windpark Elzenburg-De Geer kan sprake zijn van tijdelijke en beperkte stikstofemissies als gevolg van bouwwerkzaamheden en bijbehorende transportbewegingen. Met behulp van de AERIUS Calculator kan een berekening van de eventuele stikstofdepositie gemaakt om de stikstofeffecten op Natura 2000-gebieden te bepalen. Er zijn voor het bestemmingsplan 2019 AERIUS-berekeningen uitgevoerd voor de worst-case situatie van de bouw van zeven windturbines (berekeningen 2018; zie Bijlage 12). Met berekeningen diende aangetoond te worden dat het project niet leidt tot een meetbare toename van stikstof op nabijgelegen Natura 2000-gebieden of, meer specifiek, dat er geen sprake is van depositie boven de grenswaarde van 0,05 mol/ha/jaar (deze grenswaarde is berekend voor gevoelige habitattypen waar in de huidige situatie al sprake is van een overschrijding van de kritische depositiewaarden).
Resultaat van de AERIUS-berekening 2018 is dat er is geen stikstofdepositie boven >0,05 mol/ha/jr is berekend op enig Natura 2000-gebied in verband met het windpark. Op 13 februari 2019 is vervolgens een aanvraag vergunning Wet natuurbescherming ingediend (waaronder ten aanzien van stikstofdepositie), deze is op 23 september 2020 verleend voor de oprichting, exploitatie en verwijdering aan het einde van de levensduur van de vier rechtstreeks bestemde windturbines in het windpark Elzenburg - De Geer. Er is dus sprake van een onherroepelijke vergunning Wnb waardoor herberekening AERIUS op basis van huidige wettelijke kaders en recent rekenmodel niet noodzakelijk is. Daarnaast is op 1 juli 2021 de Wet 'stikstofreductie en natuurverbetering' in werking getreden. Deze wet voorziet in een vrijstelling voor activiteiten van de bouwsector, zoals slopen en bouwen, dus ook voor de bouwfase van een windpark. De bij deze activiteiten vrijkomende emissies mogen bij de beoordeling buiten beschouwing worden gelaten (artikel 2.5 Besluit natuurbescherming). Voor de volledigheid is de depositie als gevolg van het windpark opnieuw berekend voor de exploitatiefase van het windpark (zes windturbines), uitgaande van het meest recente model van AERIUS en de actuele inzichten voor invoer van het model.
De herberekening (zie Bijlage 25) levert geen depositieresultaten op boven 0,00 mol/ha/jr, effecten zijn daarmee dus uit te sluiten. Verslechteringstoets In het kader van het MER is een toets Wnb-gebiedsbescherming uitgevoerd. In deze toets is geconcludeerd, dat het windpark geen significant negatieve effecten heeft op Natura 2000-gebieden. Er is geen sprake van significante verstoring van Natura 2000-gebieden. Aanvaringsslachtoffers - ook van enkele soorten waarvoor het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied Rijntakken is aangewezen, zijn niet met zekerheid uit te sluiten. Bij een niet-significante verslechtering, ongeacht hoe gering die is, moet een verslechteringstoets worden uitgevoerd aldus het standpunt van het bevoegd gezag. Deze verslechteringstoets is opgenomen in Bijlage 13. Op grond de verslechteringstoets kan worden geconcludeerd dat de plaatsing van 4 windturbines bij Elzenburg-De Geer geen negatief effect heeft op populaties in Natura 2000-gebied en dat daarmee negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen met zekerheid zijn uit te sluiten. Bij toepassing van de wijzigingsbevoegdheid zal ook een verslechteringstoets voor de laatste twee windturbines worden uitgevoerd. Natuurnetwerk Brabant Omvang NNB Er bevindt zich geen NNB binnen het plangebied. Er is van directe aantasting van de NNB dan ook geen sprake. De omvang van het NNB wordt niet aangetast.
Kwaliteit NNB Tijdens de aanlegfase kan met name de aanleg van de windturbines die op enige tientallen meters afstand liggen van de verschillende NNB-gebieden voor verstoring zorgen, zoals verstoring door licht, geluid en optische verstoring (verstoring door zichtbaarheid van de windturbines en de beweging van de rotorbladen). In de gebruiksfase is met name het effect van (de toename van) geluid van
80
Gemeente Oss
bestemmingsplan Windmolenpark Elzenburg-De Geer - 2021 windturbines op NNB van belang. In een deel van de NNB gebieden rondom het plangebied voor het windpark heerst nu al een relatief hogere geluidsniveau door industrielawaai (vanaf bedrijventerrein Elzenburg - De Geer) en/of wegverkeer (met name van de N329). Het is de verwachting dat de geluidbelasting door industrie en verkeer in de nabij toekomst verder toe zal nemen (1 tot 3 dB). Het windpark leidt tot aanvullende overschrijding van de 52 dB Lden geluidbelasting in de Hertogswetering. In de overige NNB-gebieden (Ossermeer, Waterwinbos, Eendenkooi, Rietgors, oostelijk deel van de Hertogswetering en Stijbeemden) leidt het windpark niet tot aanvullende overschrijding van de 52 dB Lden geluidbelasting. Bij (aanvullende) overschrijding van de 52 dB L den-geluidnorm dient rekening gehouden te worden met het provinciaal beleid. Dit houdt in dat er eerst onderzocht dient te worden of het geluideffect voorkomen dan wel beperkt kan worden (mitigatie). Indien dit niet het geval is dient het (resterende) geluideffect gecompenseerd te worden. Er is in deze compensatie nodig, de mate waar in en de wijze waar op is verder uitgewerkt in paragraaf 5.2.2. Samenhang NNB De meeste soorten, die de gebieden van het NNB tot leefgebied hebben, zijn gebiedsgebonden. Het plangebied is geen onderdeel van het leefgebied.
Bovendien verspreiden een groot aantal doelsoorten zich over het land zodat de windturbines geen (aanvarings)slachtoffers of een barrière veroorzaken. Dat betekent dat de samenhang van het NNB niet wordt aangetast. Weidevogelgebied Het plangebied in de gemeentelijke structuurvisie69 aangewezen als weidevogelgebied. De aanwijzing in de gemeentelijke structuurvisie geeft geen bescherming op basis van de Wet natuurbescherming. Het weidevogelgebied is ook niet opgenomen als te beschermen weidevogelgebied in de provinciale Verordening waardoor het op die wijze bindend is. Het plangebied is volgens de structuurvisie gelegen in een komgebied. Vanwege de openheid is het gebied belangrijk voor weidevogels, zoals kievit, scholekster, tureluur en grutto en overwinterende watervogels. Bij de Hertogswetering zijn weidevogelgebieden aangewezen in de structuurvisie. Door het intensief agrarisch gebruik, de daarmee gepaard gaande ontwatering en door opgaande beplanting neemt het aantal weidevogels af. De gemeente streeft er naar: "om op basis van vrijwilligheid het areaal weidevogelgebied te vergroten, aansluitend bij de verschillende natuurgebieden. Zo lang het convenant voor weide- en ganzenbeheer wordt nagekomen, zal het aanlegvergunningenstelsel volgens afspraak niet worden toegepast.
Rekening houdend met de belangen van de weidevogels kunnen sloten met ecologische oevers, aangepaste bermen, akker- en weilandrandenbeheer ontwikkeld worden. Langs de Hertogswetering kunnen nieuwe natuurgebieden ontwikkeld worden." Er is geen sprake van een harde doelstelling maar van een zacht streven, waaraan in de praktijk ook uitvoering wordt gegeven. In 2010 is op verschillende plekken in het komgebied gestart met agrarisch natuurbeheer om het tij te keren. Met name de aanleg van zogenaamde 'golfplaatplasdrasgebieden' blijkt effectief (vernatting). Uit waarnemingen door Brabants Landschap70 blijkt dat de stand van de weidevogels in het komgebied (Beerse Overlaat) sterk verbeterd is door agrarisch natuurbeheer. Het lijkt er dan ook op dat tot nu toe genomen (vrijwillige) maatregelen (waaronder vernatting van percelen) tot resultaten hebben geleid. Het aantal broedparen van weidevogels in de Beerse Overlaat is toegenomen van zo'n 500 in 2013 naar ruim 1.100 in 2018. Bijzonder is de terugkeer van zeer kritische weidevogelsoorten als slobeend, kemphaan, watersnip en zomertaling. Het geformuleerde gemeentelijke beleid ten aanzien van weidevogels geldt voor het komgebied met diverse weidevogelgebieden als geheel en is geen harde doelstelling maar een zacht streven, waaraan in de praktijk ook succesvol uitvoering wordt gegeven.
Een belemmering voor windpark Elzenburg-De Geer is niet aan de orde op grond van de uitgevoerde natuuronderzoeken. De gemeente Oss heeft op 26 februari 2019 besloten om een extra budget van € 50.000,beschikbaar te stellen voor het nemen van passende maatregelen ten behoeve van de verdere versterking van het weidevogelgebied. Dit omdat effecten van het windpark op weidevogels niet zijn uit te sluiten en de gemeente bij dit eerste windproject in Oss een gebaar willen maken richting natuurorganisaties, zoals IVN en Brabants Landschap. De wijze van inzet van de gelden wordt in een apart traject bekeken en uitgewerkt.
Gemeente Oss
81
bestemmingsplan “Windmolenpark Elzenburg-De Geer – 2021” (vastgesteld) 5.5.2.2 Soortenbescherming Vleermuizen De verstoring in de aanlegfase leidt niet tot een aantasting van de functionaliteit van verblijfplaatsen in de omgeving of het opzettelijk verstoren van vleermuizen. Er is daarom geen sprake van een overtreding van verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming. In de exploitatiefase vindt geen ruimtebeslag (direct effect) plaats op bomen of gebouwen. Daarom is er geen sprake van directe aantasting van vaste rust- en verblijfplaatsen. Het draaien van windturbines op plaatsen waar vleermuizen voorkomen, kan leiden tot het doden van vleermuizen als gevolg van (bijna) aanvaringen met rotorbladen. In het open landschap zoals het plangebied met weinig individuen zal het gaan om incidentele slachtoffers van de gewone dwergvleermuis en in mindere mate ruige dwergvleermuis (omdat deze soort in lagere aantallen aanwezig is). Worst-case worden er op basis van het MER voor het windpark met 7 windturbines in totaal tussen de 3 en 11 vleermuisslachtoffers voorzien, voor het windpark met 4 of 6 windturbines is dat dus minder. Deze slachtoffers hebben geen effect op de gunstige staat van instandhouding van de gewone dwergvleermuis (de maatgevende 1% mortaliteitsnorm is 1.700 vleermuizen).
Andere vleermuissoorten komen zo weinig voor in en rond het zoekgebied dat sprake is van een verwaarloosbare kans op sterfte. De Commissie m.e.r signaleerde vervolgens in haar advies over het MER71 toch één tekortkoming in het onderzoek naar het effect op vleermuizen. De Commissie is van mening dat de conclusies over de effecten op vleermuizen onvoldoende onderbouwd zijn. Op basis van het veldonderzoek en ervaringsgegevens is uitgegaan van een 'aantal aanvaringen per jaar'. Dit gegeven wordt gebruikt om te toetsen of de 1% mortaliteitsnorm niet wordt overschreden, in cumulatie met andere windparken. Voor deze onderbouwing is in het natuuronderzoek uitgegaan van 1% van de landelijke populatie van de betreffende vleermuizensoorten. Volgens de Commissie, moeten, als dit uitgangspunt wordt gekozen, voor de cumulatiebepaling ook alle factoren worden meegenomen, die van invloed zijn op de landelijke populatie (bijvoorbeeld alle andere windparken in Nederland). De Commissie m.e.r. stelt dat het eenvoudiger en meer gangbaar is de analyse te doen op lokaal/regionaal niveau (in een 'catchment area' van 30 kilometer rondom het windpark).
Binnen dit gebied zou bepaald moeten worden welke aantallen vleermuizen voorkomen, wat de 1%-mortaliteitsgrens per soort is en in hoeverre deze - in cumulatie met andere windparken en andere relevante ontwikkelingen binnen deze 30 kilometer - overschreden wordt. Door het ontbreken van voldoende onderbouwing kan op basis van het MER nog niet worden uitgesloten dat er significante gevolgen voor vleermuizen optreden. Mogelijk zijn mitigerende maatregelen nodig om deze gevolgen te voorkomen. Naar aanleiding van het advies is een aanvulling/reactie opgesteld voor het MER met ook een effectbepaling aanvaringsslachtoffers vleermuizen op basis van regionale populatiebenadering (zie bijlage 1 van Bijlage 2). Deze analyse op basis van een regionale populatiebenadering bevestigt de conclusie uit het MER. Windpark Elzenburg-De Geer heeft geen wezenlijk negatief effect op de gunstige staat van instandhouding van betrokken vleermuissoorten. Mitigatie is derhalve niet nodig. Vogels Het windpark kan mogelijk leiden tot verstoring van het leefgebied van een aantal beschermde soorten en aanvaringsslachtoffers onder deze soorten. De omvang van het effect is afhankelijk van het aantal windturbines. Het effect is groter als er meer windturbines worden geplaatst.
Ervaringen in andere windparken geven aan dat er gemiddeld Nederland (net als in de rest van Europa) in vogelrijke gebieden ongeveer 20 vogelaanvaringsslachtoffers per windturbine per jaar vallen (zonder onderscheid te maken naar soorten). Dit aantal is inclusief hoge aantallen in vogelgebieden zoals in de Eemshaven of de Wieringermeerpolder. In andere windparken is het aantal slachtoffers lager. Zo vallen in het binnenland, in windparken in grasland, bouwland en heide 0,6-1,4 slachtoffers per turbine per jaar (Hötker 2006, Drewitt & Langston 2008). Voor de soorten die aanwezig zijn in het plangebied wordt de 1%-mortaliteitsnorm niet overschreden zodat er geen effect is op populatieniveau.
82
Gemeente Oss
bestemmingsplan Windmolenpark Elzenburg-De Geer - 2021 Tabel 5.11 Samenvattend overzicht aanwezigheid van broedvogels met jaarrond beschermde nesten (*=rode lijst soort) (bron: tabel 13.5 MER)
In een straal van minimaal 100 en maximaal 200 meter rondom een windturbine wordt het gebied minder aantrekkelijk voor vogels als foerageer- en broedgebied. Dit geeft per windturbine 3,1 tot 12,6 hectare verlies aan foerageer- en broedgebied. Door de relatief geringe omvang van het windpark en de brede niet gestuwde zone waarin de trekvogels overtrekken, is er geen sprake van barrièrewerking of negatief effect op trekroutes. Ondanks dat effecten op soorten beperkt zijn is voor een aantal soorten een Wnb-ontheffing soortbescherming noodzakelijk. Effecten op de gunstige staat van instandhouding van de zoogdieren, vleermuizen, amfibieën, vogels en flora zijn echter uitgesloten. De aanvraag Wnb is op 13 februari 2019 ingediend en op 23 september 2020 is de ontheffing verleend. De ontheffing Wnb is inmiddels onherroepelijk. 5.5.3
Conclusie
Geconcludeerd kan worden dat het aantal aanvaringsslachtoffers niet leidt tot een effect op de instandhoudingsdoelen voor Natura 2000-gebied Rijntakken in het MER. Het verlies van een relatief kleine oppervlakte aan foerageergebied (in alle alternatieven) ten opzichte van het totaal beschikbare foerageergebied in het Natura 2000-gebied en in de omgeving ervan leidt niet tot een effect op de instandhoudingsdoelen. Er is geen sprake is van (significante) effecten als gevolg van barrièrewerking of versnippering op soorten waarvoor een instandhoudingsdoel geldt. In de verslechteringstoets wordt geconcludeerd dat de plaatsing van 4 windturbines bij Elzenburg-De Geer geen negatief effect heeft op populaties in Natura 2000-gebied en dat daarmee negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen met zekerheid zijn uit te sluiten. Een vergunning Wnb voor gebiedsbescherming is verleend en onherroepelijk. Voor overschrijding van de 52 dB Lden-geluidnorm bij NNB dient rekening gehouden te worden met een compensatieverplichting die in paragraaf 5.2.2 is uitgewerkt. Het gemeentelijke beleid ten aanzien van weidevogels geldt voor het komgebied met diverse weidevogelgebieden als geheel en is geen harde doelstelling maar een zacht streven, waaraan in de praktijk ook uitvoering wordt gegeven. Een juridische toets van windpark Elzenburg-De Geer is in dit verband niet aan de orde.