CConstaterende datOss
Koppel je AI →
Document · PDF

20211101 BP Windmolenpark Elzenburg-De Geer - 2021 -VS01- TOE+RGL-1 (toel en regels in pdf).PDF

Gemeenteraad 16 december 2021, gemeente OssBij agendapunt: A Bestemmingsplan Windmolenpark Elzenburg-De Geer 2021 (Deel 1 & 2 samen)44.276 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 5 van 5

Gemeente Oss

83

bestemmingsplan “Windmolenpark Elzenburg-De Geer – 2021” (vastgesteld) De verstoring in de aanlegfase leidt niet tot een aantasting van de functionaliteit van verblijfplaatsen in de omgeving of het opzettelijk verstoren van vleermuizen. Windpark Elzenburg-De Geer heeft geen wezenlijk negatief effect op de gunstige staat van instandhouding van betrokken vleermuissoorten. Mitigatie is derhalve niet nodig. Dat er daarom geen sprake is van een overtreding van verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming is ter beoordeling aan het bevoegd gezag. In de exploitatiefase vindt geen ruimtebeslag (direct effect) plaats op bomen of gebouwen. Daarom is er geen sprake van directe aantasting van vaste rust- en verblijfplaatsen. Er zal sprake zijn van incidentele slachtoffers van de gewone dwergvleermuis en in mindere mate ruige dwergvleermuis. De voorziene aantal slachtoffers hebben geen effect op de gunstige staat van instandhouding van de gewone dwergvleermuis (de maatgevende 1% mortaliteitsnorm is 1.700 vleermuizen). Andere vleermuissoorten komen zo weinig voor in en rond het plangebied dat sprake is van een verwaarloosbare kans op sterfte. Voor de overige soorten die aanwezig zijn in het plangebied wordt de 1%-mortaliteitsnorm niet overschreden zodat er geen effect is op populatieniveau. Er is geen sprake van de aantasting van jaarrond beschermde nesten.

Ondanks dat effecten op soorten beperkt zijn is voor een aantal soorten een Wnb-ontheffing soortbescherming noodzakelijk. Effecten op de gunstige staat van instandhouding van de zoogdieren, vleermuizen, amfibieën, vogels en flora zijn echter uitgesloten. Een ontheffing Wnb voor soortenbescherming is verleend en onherroepelijk. Voor het aspect 'natuurwaarden' is er sprake van een goede ruimtelijke ordening.

5.6

Cultuurhistorie

5.6.1

Toetsingskader

Op 16 januari 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag voor de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Deze bescherming was in Nederland geregeld in de Monumentenwet 1988 72. Vanaf 1 juli 2016 geldt de Erfgoedwet73, die de Monumentenwet 1988 vervangt. Het beschermingsniveau van de oude wetgeving blijft gehandhaafd. De Erfgoedwet vormt het kader voor de bescherming van het cultureel erfgoed. 5.6.2

Onderzoek

Archeologie Het plangebied heeft deels een middelhoge tot hoge archeologische verwachtingswaarde (figuur 5.8). In en aan de rand van het noordelijk deel van het plangebied (de Schil) is een aantal archeologische monumenten gelegen (zie ook figuur 5.8). Het noordelijk deel van het plangebied (de Schil) ligt op de rand/maakt onderdeel uit van het provinciaal aangeduide archeologisch landschap Maaskant (figuur 5.9).

84

Gemeente Oss

bestemmingsplan Windmolenpark Elzenburg-De Geer - 2021 Figuur 5.8 Archeologische waardenkaart Oss (bron: figuur 11.9 MER)

. Figuur 5.9 Archeologisch landschap Maaskant (bron: figuur 11.10 MER)

Het windpark is zo geoptimaliseerd dat het geen effect heeft op de archeologische monumenten in het plangebied. De middelhoge archeologische verwachtingswaarde in het plangebied wordt beschermd door het opnemen van een dubbelbestemming voor archeologie, uit het bestemmingsplan buitengebied in voorbereiding. Voor de aanvraag omgevingsvergunning is een inventariserend veldonderzoek uitgevoerd naar archeologie (zie Bijlage 14) voor een viertal deelgebieden waar de windturbines, opstelplaatsen en ontsluitingswegen voor windturbine 1 tot en met 4 zijn gepland. De twee archeologische monumenten in het plangebied zijn hierbij meegenomen. Op basis van het inventariserend veldonderzoek wordt geadviseerd om in de gebieden met een middelhoge of hoge verwachting (22,5 ha) bodemverstorende activiteiten die dieper reiken dan de top van het potentieel archeologisch loopvlak zo veel mogelijk te vermijden. Indien dit niet mogelijk is wordt geadviseerd op die plekken waar de bodem verstoord gaat worden een vervolgonderzoek door middel van een karterend en eventueel waarderend proefsleuvenonderzoek uit te voeren. Binnen de contouren van het AMK-terrein dienen per definitie geen bodemverstorende activiteiten te worden uitgevoerd.

Indien hier sprake gaat zijn van bodemverstorende activiteiten die dieper reiken dan 0,2 m –mv dient een aparte vergunningsaanvraag ingediend te worden bij de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed (RCE).

Gemeente Oss

85

bestemmingsplan “Windmolenpark Elzenburg-De Geer – 2021” (vastgesteld) Tevens wordt geadviseerd om bij dieper reikende bodemverstoringen (meer dan 1 meter onder maaiveld) de gebieden met een lage verwachting op het aantreffen van bewoningsresten, maar een potentiële kans op het aantreffen van water gerelateerde complextypen, nader te onderzoeken (8,5 ha). Te denken valt aan een landschappelijk boor- of proefsleuvenonderzoek dat geschikt is om de aanwezigheid van eventueel aanwezige natte complextypen goed in beeld te kunnen krijgen en tevens de genese van de restgeulen binnen het plangebied beter in beeld te brengen. Voorafgaand aan de uitvoering van een (landschappelijk, karterend en/of waarderend) proefsleuvenonderzoek dient een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen (PvE) te worden opgesteld, waarin de eisen waaraan dergelijke onderzoeken dienen te voldoen worden vastgelegd. Bovenstaand advies is beoordeeld door het bevoegd gezag (gemeente Oss) en is vastgelegd in een selectiebesluit. Op grond van het selectiebesluit worden voorwaarden opgenomen in de omgevingsvergunning. In dit bestemmingsplan zijn archeologische waarde beschermd door het opnemen van dubbelbestemmingen voor archeologie waardoor er ook sprake is van een goede ruimtelijke ordening.

Ter plaatse van de archeologische monumenten worden er hoe dan ook geen bodemverstorende activiteiten uitgevoerd. Overige cultuurhistorische aspecten Beerse Overlaat Het noordelijk deel van het plangebied (de Schil) ligt op de rand/maakt onderdeel uit van het provinciaal aangeduide cultuurhistorisch waardevol vlak Beerse Overlaat (onderdeel van het cultuurhistorische landschap Beerse en Baardwijkse Overlaat (figuur 5.10). In artikel 22 van de provinciale Verordening Ruimte is opgenomen dat een bestemming binnen dit vlak mede gericht dient te zijn op het behoud, versterking en duurzame ontwikkeling van cultuurhistorische waarden. Figuur 5.10 Plangebied Elzenburg-De Geer in cultuurhistorisch waardevol vlak Beerse Overlaat (bron: figuur 11.6 MER)

De Beerse Overlaat is een overlaatsysteem tussen Grave bovenlangs Oss naar Den Bosch, dat eeuwenlang gebruikt is in de regulering van wateroverlast van de Maas. De cultuurhistorische waarden in en nabij het plangebied zijn met name gelegen in de dijken en kades, de weteringen (o.a. Hertogswetering) en de eendenkooien (o.a. de eendenkooi van Macharen). De relatie tussen de openheid en het vrijwel ontbreken van bebouwing met de Beerse Maas is waardevol. Door de periodieke overstromingen was het gebied van de Beerse Overlaat onbebouwd en ontbrak opgaande begroeiing geheel. Het is een van de meest uitgestrekte open landschappen in ons land. Grote delen van de voormalige Beerse Overlaat zijn in de periode 1950 - 1980 onderhevig geweest aan ruilverkavelingen, waarbij de percelering grootschaliger is geworden en er voor het eerst boerderijen werden gebouwd in dit vroeger geheel onbebouwde gebied. Ondanks de bouw van nieuwe boerderijen heeft het gebied zijn weidse en open karakter behouden. Het gebied maakte als inundatiegebied onderdeel uit van de Zuiderwaterlinie.

86

Gemeente Oss

bestemmingsplan Windmolenpark Elzenburg-De Geer - 2021 Een kenmerkende eigenschap van het cultuurhistorisch vlak in de Beerse Overlaat is het open karakter. De turbines worden deels in het open landschap en in het cultuurhistorisch vlak de Beerse Overlaat gerealiseerd (windturbines 4, 6 en 7). De landschappelijke analyse windpark Elzenburg-De Geer (zie bijlage 5 van Bijlage 1, Bosch Slabbers, 2017) heeft in het kader van het MER uitgebreid onderzoek verricht naar de meest wenselijk opstelling, bezien vanuit landschap en cultuurhistorie. Aan de hand van zeven uitgebreid beschreven toetscriteria zijn alle onderzoeksalternatieven in het MER landschappelijk en cultuurhistorisch beoordeeld.Toetscriterium 5 was: ‘Effecten op cultuurhistorische en archeologische waarden’. Naast de Beerse Overlaat zijn meer cultuurhistorische en archeologische waarden in het gebied aanwezig, zoals de eendenkooi en de Hertogswetering. De onderzoeksalternatieven zijn dan ook op meerdere cultuurhistorische aspecten beoordeeld en niet alleen in verband met de Beerse Overlaat (er waren meerdere ‘subtoetscriteria’ binnen toetscriterium 5). Bij de beschrijving van toetscriterium 5 zegt Bosch Slabbers over de Beerse Overlaat: "Plaatsing van turbines in de Beerse Overlaat heeft beperkt effect op de openheid van de Beerse Overlaat.

Ze zal derhalve minder negatief beoordeeld worden" (dan het effect van de windturbines op andere cultuurhistorische waarden in het gebied). De openheid van de Beerse Overlaat wordt mede gekenmerkt door de aanwezigheid van landschappelijke 'kamers' die samen het landschap maken. De 'kamers' worden gevormd door laan en wegbeplanting, de beplante Hertogswetering, kleinere (omplante) dorpskernen, Oss en het bedrijventerrein Elzenburg-De Geer. Door meerdere hoge silo’s en bebouwing op Elzenburg-De Geer blijft de stad duidelijk aanwezig in een open landelijk landschap. De turbines leggen ook een relatie met het bedrijventerrein. Door hun grote hoogte zijn de moderne turbines van veel grotere afstand zichtbaar. Dit is bij het ontwerp van windturbineparken ook een belangrijk gegeven. Het concentreren van windparken in compacte opstellingen maakt de visuele invloed vanuit de verdere omgeving kleiner. De locatie wordt ook vanuit cultuurhistorisch oogpunt geschikt geacht voor het plaatsen van windturbines. De locatie vraagt om een ontwerp dat de weidsheid respecteert en zelfs benadrukt, compactheid uitstraalt en waar mogelijk een herkenbaar beeldmerk in zich heeft. Dit heeft ook input gegeven aan de vormgeving van het uiteindelijke plan voor het windpark waardoor er nadrukkelijk rekening is gehouden met de ligging in cultuurhistorisch vlak Beerse Overlaat.

De totale landschappelijke en cultuurhistorische beoordeling van Bosch Slabbers is in het MER afgezet tegen de beoordeling van een groot aantal andere aspecten. In het MER zijn conclusies getrokken aan de hand van de drie doelcriteria: (maximale) opbrengst, (minimale) hinder en (passendheid in het) landschap. Op basis van de conclusies is nagegaan wat vanuit milieu bezien het voorkeursalternatief is: het optimum. Cultuurhistorie is dus onderdeel van een totaalafweging. Een zeker effect op cultuurhistorische waarden wordt onontkoombaar geacht. Maar de bestemming voor windturbines binnen het cultuurhistorische vlak is wel ‘mede gericht op het behoud, versterking en duurzame ontwikkeling van cultuurhistorische waarden’ zoals dat als eis is opgenomen in artikel 22 van de Verordening Ruimte. Verder is er sprake van een tijdelijke bestemming voor maximaal 25 jaar, waardoor per saldo eveneens sprake is van ‘behoud van cultuurhistorische waarden’. Hertogswetering De Hertogswetering is op de provinciale en gemeentelijke cultuurhistorische waardenkaart aangeduid als historisch geografische lijn van hoge waarde. De Hertogswetering is in het begin van de veertiende eeuw gegraven en met zijn lengte van ruim dertig kilometer een van de langste weteringen van ons land (figuur 5.10). Het windpark heeft geen directe invloed op deze cultuurhistorische waarde.

Eendenkooi Macharen Ten noorden van de Hertogswetering ligt de Macharense eendenkooi. Het is één van de oudste eendenkooien van Brabant. De eerste vermelding van de eendenkooi dateert uit 1670. De aanwezige eendenkooi wordt een hoge waarden toegekend, zowel visueel-ruimtelijk, landschappelijk, cultuurhistorische als natuurlijk. Daarbij vormt ze ook belangrijke oriëntatiepunten en draagt bij aan de identiteit van het gebied. Om zoveel mogelijk eenden te kunnen vangen, moest het rondom de kooi stil zijn. Om de eendenkooi werd een cirkel getrokken. Binnen deze cirkel mocht (de eigenaar uitgezonderd) niemand handelingen verrichten die de eenden zouden verstoren of verjagen.

Gemeente Oss

87

bestemmingsplan “Windmolenpark Elzenburg-De Geer – 2021” (vastgesteld) Het is gewenst om de nog aanwezige eendenkooien en het kooirelict te behouden en waar mogelijk de waarden verder te ontwikkelen. Bij de nog geregistreerde eendenkooien dienen ook de kooicirkels met de bijbehorende afpaalrechten gerespecteerd te worden. Ook privaatrechtelijk geldt de kooicirkel bij de geregistreerde eendenkooien als een zakelijk recht, waarbinnen de kooieigenaar bepaalde rechten heeft. De eendenkooi Macharen is een niet-beschermde eendenkooi en heeft dus geen beschermde kooicirkel waar rekening mee gehouden moet worden. De eendenkooi is een paar jaar geleden hersteld als publieke functie ter behoud van de landschappelijke en cultuurhistorische waarde. De populieren rondom de kooi zijn destijds gekapt uit veiligheidsoverwegingen. De bomen waren aan het einde van hun levensduur en vormden een gevaar voor het publiek in de kooi. In de kooi zijn opnieuw bomen en stuiken gepland (gevarieerde soorten). Dit komt overeen met het historische gebruik van de kooi en de wettelijke eisen die daar destijds aan werden gesteld. Windturbine 7 (de meest noordelijke windturbine) ligt in het invloedsgebied van de eendenkooi. Er geldt geen beperking vanuit de eendenkooi op het windpark. Overige cultuurhistorische waarden Binnen het plangebied zijn de cultuurhistorische waardevolle elementen verder beperkt.

De kavel- en wegstructuur in het gebied is vrij recent, buiten het plangebied zijn enkele cultuurhistorisch waardevolle wegen en boerderijen te vinden. In het plangebied en de directe omgeving liggen geen beschermde cultuurhistorische waarden als monumenten of beschermd stads- of dorpsgezichten. Figuur 5.11 Cultuurhistorie en archeologie (bron: figuur 11.8 MER)

Het windpark doet geen afbreuk aan de cultuurhistorische waarden. 5.6.3

Conclusie

Het windpark doet geen afbreuk aan cultuurhistorische en archeologische waarden in het plangebied en de omgeving ervan. De archeologische waarden zijn beschermd door een juridische regeling in dit bestemmingsplan. Er is geen negatief effect op overige cultuurhistorische waarden. Voor het aspect cultuurhistorie is er sprake van een goede ruimtelijke ordening.

5.7

Water

5.7.1

Toetsingskader

Water en ruimtelijke ordening hebben met elkaar te maken. Enerzijds is water één van de ordende principes in de ruimtelijke ordening en kan daarmee beperkingen opleggen aan het ruimtegebruik. Anderzijds kunnen ontwikkelingen in het ruimtegebruik ongewenste effecten hebben op de waterhuishouding. Een goede afstemming tussen beide is derhalve noodzakelijk om problemen zoals wateroverlast, slechte waterkwaliteit, verdroging, et cetera te voorkomen.

88

Gemeente Oss

bestemmingsplan Windmolenpark Elzenburg-De Geer - 2021 De verplichte watertoets is geregeld in de artikelen 3.1.1. en 3.1.6. van het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: Bro). Vanaf het begin van de planvorming dient overleg gevoerd te worden tussen bevoegd gezag, waterbeheerders en andere betrokkenen. Doel van dit overleg is gezamenlijk de uitgangspunten en wensen vanuit duurzame watersystemen en veiligheid te vertalen naar concrete gebied specifieke ruimtelijke uitgangspunten. Hierbij geldt dat afwenteling moet worden voorkomen en dat de drietrapsstrategie 'vasthouden, bergen en afvoeren' moet worden gehanteerd. Het waterschap Aa en Maas is primair verantwoordelijk voor de waterhuishouding in het plaatsingsgebied en directe omgeving. Onder de verantwoordelijkheden vallen onder andere beveiliging tegen hoog water, peilbeheer en aan- en afvoer van water. Daarnaast wordt geadviseerd hoe om te gaan met hemelwater. In het algemeen zoekt het waterschap naar duurzame oplossingen. Uitgangspunt is dat het water zoveel mogelijk binnen een plangebied en directe omgeving wordt vastgehouden en dat relatief schoon water ook relatief schoon blijft. Daarbij geldt dat het regenwater, dat op verharde oppervlaktes valt en schoon genoeg is (zoals van gevels en daken), zoveel mogelijk wordt vastgehouden of wordt geborgen. 5.7.2

Onderzoek

Grondwater Het plangebied ligt op de overgang van het natte rivierengebied en de hoger gelegen droge dekzandgebied. Het grondwatersysteem kent twee watervoerende pakketten. De grondwaterstroming is noordwestwaarts gericht en komt grofweg overeen met de topografie (het ondiepe grondwater stroomt van de hogere delen richting de Maas). De stroming wordt mede beïnvloed door de neerslag op de hoge gronden ten zuiden van Oss, de waterwinningen, industrie en landbouw gerelateerde onttrekkingen) en de waterhoogte van de Maas. Ten noorden van de Hertogswetering is de stroming variabel: deels gericht op de drinkwaterwinningen en veelal van de rivier naar de hoofdwetering toe. In het Dinoloket zijn geen gegevens van grondwaterboringen beschikbaar in het plangebied. Net ten noorden van het plangebied heeft tussen 2000 en 2013 wel een grondwaterstand-onderzoek plaatsgevonden. De grondwaterstand op de boring locatie schommelt tussen NAP +4.27 meter en NAP +4.85 meter. Uit de grondwatertrappenkaart blijkt dat langs de Hertogswetering de hoogste grondwaterstanden voorkomen. Verder naar het zuiden wordt het droger. Het plangebied zelf bevindt zich niet in een waterwingebied, een grondwater-beschermingszone of een boringvrije zone. Ten westen van de Hertogswetering (buiten het plangebied) lag tot voor kort een drinkwatergebied met omliggend grondwaterbeschermingsgebied.

De drinkwaterwinning in dit gebied wordt in de toekomst afgebouwd: vanaf 2018 wordt er geen drinkwater meer gewonnen (bron: website Brabant Water). De natuur gebieden in de directe omgeving van het plangebied zijn tevens aangewezen als gebieden met een beschermde waterhuishouding. De stand van het grondwater in het plangebied wordt niet beïnvloed door de plaatsing van windturbines. Voor de kwaliteit van het grondwater is het van belang dat de windturbines en de daarbij horende werken, zoals de fundering, geen uitlogende materialen bevatten. Daarnaast moet er tijdens de bouwfase op worden gelet dat er geen milieuvervuilende materialen en stoffen in het gronden oppervlaktewater terecht komen, die mogelijk tot kwaliteitsvermindering kunnen leiden. Bemaling Afhankelijk van de definitieve diepteligging van zowel de fundering als de kabels en de relatie tot de grondwaterstand moet mogelijk bemalen worden voor de aanleg van deze aspecten. Dit dient in een latere fase van het plan uitgewerkt te worden. Oppervlaktewater In het agrarische deel van het plangebied ligt een aantal sloten, op Elzenburg ligt de haven aan het Burgemeester Delenkanaal.

Gemeente Oss

89

bestemmingsplan “Windmolenpark Elzenburg-De Geer – 2021” (vastgesteld) Aan de noordrand van het plangebied stroomt de Hertogswetering, een van de langste weteringen in Nederland met een lengte van ruim 30 kilometer. De wetering is in de veertiende eeuw gegraven uit een oude droge bedding van de Beersche Maas. Het traject van de Hertogswetering dat door Oss stroomt, heeft de functie van ecologische verbindingszone en is aangewezen als Kaderrichtlijnwater (KRW) waterloop en A-watergang op de legger van het waterschap. Langs de zuidzijde van het plangebied, globaal tussen Hertogswetering, langs Megensebaan naar het zuiden en vervolgens langs Eemmeer/Geerstraat ligt ook een A-watergang (primaire watergang), deze heeft ook nog een aftakking vanaf de Megensebaan het plangebied in. Daarnaast liggen er volgens de waterlegger diverse B-watergangen in het plangebied, dit zijn secundaire watergangen of zogenoemde schouwsloten. Deze schouwsloten zijn in onderhoud bij aangrenzende landeigenaren. A-watergangen hebben vanwege hun primaire functie voor de waterhuishouding ook een bestemming 'Water', voor Bwatergangen (schouwsloten) geldt dat niet. Ten behoeve van de aanleg van de ontsluitingsweg van windturbines 1 en 2 wordt een A-watergang gekruist. Voor de aanleg van een duiker bij de ontsluiting van windturbine 1 in deze watergang is een vergunning op basis van de Keur nodig.

Figuur 5.12 Uitsnede legger waterschap Maas en Aas (bron: https://maps.aaenmaas.nl/portaal/ legger_oppervlaktewater/)

De realisatie van de windturbines vraagt per turbine om de aanleg van circa 3.500-4.100 m2 verhard oppervlak (bestaande uit fundering, opstelplaatsen én onderhoudswegen). Hiervoor is vanuit de Keur in beginsel een compensatie-eis gesteld van 60 mm per vierkante meter aan toename van verhard oppervlak bij meer dan 2.000 m2. Door de komst van het windpark vindt er een (beperkte) toename plaats van het hemelwater dat via het verharde oppervlak en de berm vertraagd wordt geloosd op de lokale watergangen. Omdat de toename van deze extra lozingen naar verwachting beperkt is, en de watergangen relatief snel afvoeren op de Hertogswetering kan het effect op eventuele wateroverlast in het gebied worden uitgesloten. In afstemming met het waterschap hoeven er geen specifieke voorzieningen voor waterberging te worden getroffen. Desgewenst kunnen er zaksloten aangelegd worden langs de opstelplaatsen om de afvoer en infiltratie ter plaatse nader te reguleren. Er is geen vergunning of ontheffing op basis van de Keur nodig.

90

Gemeente Oss

bestemmingsplan Windmolenpark Elzenburg-De Geer - 2021 Waterveiligheid Het noordelijk deel van het plangebied (de Schil) is reserveringsgebied voor waterberging in de Verordening Ruimte van de provincie Noord-Brabant. De Verordening bepaalt dat een bestemmingsplan ter plaatse van de aanduiding 'Reservering waterberging' mede strekt tot behoud van het waterbergend vermogen van dat gebied. De toelichting bevat een verantwoording over de wijze waarop de geschiktheid van het gebied voor waterberging behouden blijft indien dat bestemmingsplan voorziet in een ruimtelijke ontwikkeling. Daarnaast ligt de locatie in een potentieel overstromingsgebied (met een laag risico) vanuit de Maas. Mogelijk levert dit bij daadwerkelijke overstroming beperkingen in bereikbaarheid van de windturbines op maar dit vormt verder geen belemmering voor het realiseren van de windturbines. Het reserveringsgebied is opgenomen in het bestemmingsplan met een dubbelbestemming 'Waarde Reserveringsgebied waterberging'. In het reserveringsgebied voor waterberging wordt alleen na toepassing van de wijzigingsbevoegdheid een windturbine geplaatst. De realisatie van de turbine zorgt voor een afname van de ruimte voor waterberging. De komst van kapitaalintensieve bouwwerken mag niet tot een afname van het waterbergend vermogen van het gebied leiden. Het gebied moet kunnen overstromen (1,5 meter water).

De afname van het waterbergingsgebied is minimaal door het plan (ruimte die de fundering en mast innemen: maximaal circa 500 m 2), daardoor zal er geen significante afname van het waterbergend vermogen in het gebied zijn. Als voorwaarden voor toepassing van wijzigingsbevoegdheid, wordt bepaald dat ontwikkelingen in het reserveringsgebied waterberging niet tot een significante afname van het waterbergend vermogen mogen leiden. Zo staat dat ook bepaald in de provinciale verordening. Over het wijzigingsplan is nog wel afstemming met het waterschap noodzakelijk. Binnen de onderliggende bestemmingen is geen bebouwing toegestaan dus hoeft er geen specifieke regeling opgenomen te worden in de dubbelbestemming ten aanzien van bebouwing, ook bestaand bestemd gebruik is niet strijdig met het reserveringsgebied voor waterberging. Hiermee wordt het reserveringsgebied beschermd en in stand gehouden. Figuur 5.12 Waterbergingsgebied en reserveringsgebied waterberging (bron: figuur 12.10 MER)

Waterkwaliteit/KRW De waterkwaliteit in het agrarisch deel van plangebied is niet bekend. Naar verwachting is de waterkwaliteit vooral bepaald door de natuurlijke ondergrond en het menselijke (agrarische) gebruik). Ook op Elzenburg is de waterkwaliteit niet bekend. Deze hangt naar verwachting samen met het gebruik als bedrijventerrein. Uit de Waterkwaliteitskaart van het Waterschap Aa en Maas blijkt dat er geen meldingen zijn gedaan over de waterkwaliteit in de omgeving van het plangebied.

Gemeente Oss

91

bestemmingsplan “Windmolenpark Elzenburg-De Geer – 2021” (vastgesteld) De Hertogswetering is aangewezen als Kaderrichtlijnwater (KRW)-watergang: NLD38-7D, type M3 gebufferde regionale kanalen. De Hertogswetering heeft een ecologische functie waarvoor een goede waterkwaliteit van belang is. Het waterschap heeft in 2014 factsheets uitgebracht over de waterkwaliteit van de KRW-watergangen. De Hertogswetering ligt in het rivierkleigebied, is gegraven, heeft een onnatuurlijk karakter, ligt deels in kades en ontvangt afhankelijk van de aanvoer water uit het waterlichaam Graafsche Raam, Lage Raam en Peelkanaal of uit de Maas. Primair vindt voeding plaats met water uit de Raam. In droge periodes wordt water vanuit de Maas ingelaten die via de Raam dan richting de Hertogswetering wordt gestuurd. Daarnaast ontvangt het jaarlijks circa 20 miljoen m3 aan effluentwater van de RWZI Oijen (Dit echter ten westen/stroomafwaarts van het plangebied). De aanleg en het gebruik van de windturbines leidt niet tot waterverontreiniging en heeft daarmee ook geen invloed op KRW-waterlichaam Hertogswetering. Watertoets Het voorontwerpbestemmingsplan is in het kader van overleg met instanties als bedoeld in artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) voorgelegd aan het Waterschap Aa en Maas. De resultaten van overleg zijn verwerkt in het ontwerpbestemmingsplan.

Daarmee is invulling gegeven aan de verplichte watertoets. 5.7.3

Conclusie

De windturbines hebben geen negatief effect op de waterhuishouding. Een watervergunning is in ieder geval noodzakelijk voor watercompensatie/-berging. Daarnaast is mogelijk ook een watervergunning nodig voor grondwateronttrekking tijdens de aanleg, als ook bij aanpassingen aan watergangen. Rekening houdend met de aanbevelingen van het waterschap voldoet het plan voor het aspect water aan een goede ruimtelijke ordening.

5.8

Overige aspecten

5.8.1

Geur en stoffen

Toetsingskader Het plaatsen van windturbines kan mogelijk effect hebben op de verspreiding van stoffen van andere bronnen in de lucht (bijvoorbeeld stikstofoxiden, fijnstof en geur) (figuur 5.13). Voor de duidelijkheid: windturbines zelf produceren geen stikstofoxiden, fijnstof en geur. De aanwezigheid en mate van het mogelijk effect van windturbines hangt af van een aantal factoren:  de locatie van de windturbine ten opzichte van de bron en gevoelige objecten (bovenwinds of benedenwinds);  de hoogte van de windturbine in relatie tot de hoogte van bronnen (zit de pluim van de emissie uit de bron wel, niet of gedeeltelijk in het invloedsgebied van de windturbine);  de aard van de uitstoot (temperatuur, snelheid e.d.);  de weerscondities. Figuur 5.13 Mogelijke invloed van windturbine op verspreiding stoffen (bron: MER)

Onderzoek Met behulp van een specifiek voor dit onderwerp gemaakt rekenmodel STACKS heeft Erbrink Stacks Consult het effect van windturbines op en nabij Elzenburg-De Geer op de verspreiding stoffen van omliggende bronnen onderzocht (bijlage 9 van Bijlage 1). De effecten van zijn berekend voor de

92

Gemeente Oss

bestemmingsplan Windmolenpark Elzenburg-De Geer - 2021 worst-case alternatieven uit het MER 1A (meeste lage turbines) en 1B (meeste hoge turbines). Alternatief 1B is representatief voor onderliggend plan. In het onderzoek zijn de bronnen van 6 bedrijven op Elzenburg - De Geer betrokken. Deze bedrijven hebben uitstoothoogtes (> 20 meter) in het invloed gebied van de windturbines. Lagere bronnen zijn niet betrokken: de uitstoot hiervan ligt niet in het invloedsgebied van de windturbines. Uitzondering is Unipol. Deze heeft een uitstoothoogte van 15 meter, maar een specifieke warmte uitstoot die de pluim wellicht toch in het invloedsgebied van de windturbines brengt. Een deel van de onderzochte emissie is huidig bestaand, een deel betreft vergunde maar nog niet bestaande uitstoot (de mogelijke mestverwerkingsfabriek bij OOC en de uitbreiding van Bracofeed Storage Oss). De effecten van de windturbines op de verspreiding van stikstofoxides (NOx), fijnstof (PM10) en geur zijn berekend. Deze berekeningen zijn gedaan met en zonder de invloed van bebouwing op de verspreiding. Met gebouwinvloed wordt het effect van windturbines enigszins kleiner, zonder gebouwinvloed wordt het effect van de windturbines enigszins overschat. De NO2 (stikstofdioxide) uitstoot van de onderzochte bronnen is minder dan 0,5 ug/m 3 en laag ten opzichte van de achtergrondconcentratie (15 tot 18 ug/m3).

In noordoostelijke richting leiden de windturbines tot een verlaging van de NO2-concentraties ten opzichte van de achtergrondconcentraties (tot 5% met gebouwinvloed, tot 15% zonder gebouwinvloed). Op enkele locaties op Elzenburg zelf is er (gerekend zonder gebouwinvloed) enige toename (maximaal 8%), met gebouwinvloed gerekend is er weer geen toename. In andere richtingen is geen effect waarneembaar. Wettelijke grenswaarden voor NO2 (40 ug/m3) worden niet overschreden en dat verandert niet door de windturbines. De PM10 (fijnstof) uitstoot van de onderzochte bronnen is minder laag (lokaal tot 5 à 6 ug/m 3) ten opzichte van de achtergrondconcentratie (22 tot 25 ug/m3) dan die van NO2, met name door grondgebonden bronnen. De uitstoot uit schoorstenen is relatief laag. De windturbines hebben nauwelijks effect op de PM10-concentraties (op enkele punten 4% afname ten opzichte van de achtergrondconcentratie). De verlaging is gering: maximaal 0,04 ug/m3 op de referentiewoningen (gerekend met gebouwinvloed). Gerekend met gebouwinvloed zijn de afnames, vergelijkbaar met NO2, groter en is er op Elzenburg zelf lokaal een (geringe) toename (maximaal 0,03 ug/m 2). Wettelijke grenswaarden voor PM10 (40 ug/m3) worden niet overschreden en dat verandert niet door de windturbines. De hogere windturbines leiden niet tot toename van geurconcentraties.

Als gekeken wordt naar het effect van windturbines op de verspreiding van geur van individuele bedrijven, kan gesteld worden dat de hogere windturbines geen effect hebben. Ten noorden van Elzenburg neemt de geurblootstelling als gevolg van Bracofeed Storage Oss af. Agrifirm heeft de grootste uitstoot van geur van de onderzochte bronnen, maar de windturbines hebben hier geen effect op. Ook de geuruitstoot van OOC (waaronder de voorgenomen mestverwerkingsfabriek) wordt niet beïnvloed door windturbines. Als bij een calamiteit op Elzenburg - De Geer of op de N329/Burgemeester Deelenkanaal een gifwolk vrijkomt en als deze in het invloedsgebied komt van de windturbines, kunnen de windturbines effect hebben op de verspreiding van de gifwolken. Vergelijkbaar met het effect op verspreiding van stikstof, fijn stof en geur hangt dit af van een aantal factoren (locatie bron ten opzichte van windturbines, karakteristiek van de gifwolk (hoogte van de pluim, temperatuur). In veel gevallen zal de gifwolk (sneller) worden verdund. In enkele gevallen zal de gifwolk eerder neerslaan op de grond of juist verder weg neerslaan. Er bestaan geen wettelijke of beleidsregels over de mogelijke interactie van windturbines en gifwolken bij calamiteiten. Bij calamiteit kunnen de windturbines indien noodzakelijk worden stilgezet.

Conclusie Voor wat betreft het aspect geur en stoffen wordt voldaan aan een goede ruimtelijke ordening. 5.8.2

Vliegverkeer

Toetsingskader De bouw van windturbines kan van invloed zijn op het vliegverkeer in Nederland, met name de hoogte van windturbines is daarbij relevant. Voor het vliegverkeer is het van belang dat de vliegveiligheid en de werking van radar- en communicatieapparatuur te allen tijde kunnen worden gegarandeerd.

Gemeente Oss

93

bestemmingsplan “Windmolenpark Elzenburg-De Geer – 2021” (vastgesteld) Laagvlieggebieden en helikopteroefengebieden kennen bouwhoogtebeperkingen waarbij voorkeur rekening mee gehouden wordt. Hierbij is van belang dat de rotorbladen van een windturbine de route niet 'doorsnijden'. Er moet dus bij voorkeur (niet verplicht) een afstand van minimaal een halve rotordiameter tot de rand van de laagvlieggebieden worden gehouden. Voor het veilig gebruik van luchthavens voor de militaire en civiele luchtvaart zijn obstakelbeheersvlakken ingesteld waarbinnen hoogtebeperkingen gelden. Afhankelijk van de locatie kan een windpark een verstorende werking hebben op Communicatie-, Navigatie- en Surveillance (CNS)-apparatuur van de luchtverkeersleiding voor burgerluchtvaart. Onderzoek Het windpark Elzenburg-De Geer bevindt zich niet in een op basis van het Barro beschermde laagvliegroute, maar wel in het laagvlieggebied Maas en Waal en onder de zogenoemde 'laagvliegroute VO'. Het laagvlieggebied Maas en Waal wordt gebruikt als oefengebied voor de luchtmacht voor het verbeteren van de navigatie en positionering van helikopters in onbekend terrein. De laagvliegroute VO is oefengebied voor de vliegeropleiding. De minimum vlieghoogte bedraagt 75 meter boven hindernissen.

Op basis van contact met de Directie Vastgoedbeheer Rijksvastgoedbedrijf van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (zie Bijlage 16) mag geconcludeerd worden dat laagvlieggebieden (waaronder ook 'Maas-Waal') geen bouwhoogtebeperkingen opleveren voor windturbines. Het laagvlieggebied VO (voor helikopters en lichte vliegtuigen) werpt ook geen beperkingen op, al wordt de bruikbaarheid van het gebied zeer gering wanneer een hoog obstakel binnen het gebied wordt geplaatst. De minimum vlieghoogte in dit gebied is 30 meter. Het zou dus zeer worden gewaardeerd wanneer er geen turbines in die route worden geplaatst. Verschuiven van de windturbines in het plangebied biedt hiervoor geen oplossing. Voor de gemeente Oss is het plangebied het meest kansrijke gebied om windturbine op korte termijn te realiseren en een aanzienlijk aandeel in haar energiedoelstellingen te bewerkstelligen. Er is dus desondanks voor gekozen de windturbines in het laagvlieggebied te positioneren. Dit is aan de rand van het gebied en er blijft dus nog voldoende vrij laagvlieggebied over. Figuur 5.14 Laagvliegroute Maas en Waal (bron: figuur 10.1 MER)

94

Gemeente Oss

bestemmingsplan Windmolenpark Elzenburg-De Geer - 2021 Luchtverkeersleiding Nederland (LVNL) heeft aangegeven (zie Bijlage 16) dat een windpark op de beoogde locatie buiten de toetsingsvlakken ligt die horen bij de communicatie-, navigatie- en surveillance apparatuur in beheer van Luchtverkeersleiding Nederland. Er is geen verder onderzoek nodig door LVNL. Ook is advies gevraagd aan de Inspectie voor Infrastructuur en Transport (ILenT). De Inspectie toetst of te realiseren objecten gevolgen hebben voor de veiligheid van de burgerluchtvaart. De Inspectie voor Infrastructuur en Transport (ILenT) geeft aan dat het beoogde windpark zich bevindt buiten hoogtebeperkingsgebieden rondom luchthavens (zie Bijlage 16). Daarnaast verzoekt ILenT om de windturbines te voorzien van obstakelmarkering en obstakellichten in overeenstemming met het informatieblad ‘Aanduiding van windturbines en windparken op het Nederlandse vasteland’. Bij realisatie van de windturbines wordt verzocht dit in een lichtenplan ter toetsing voor te leggen. Conclusie Vanuit het aspect luchtvaart is er sprake van een goede ruimtelijke ordening. 5.8.3

Defensie- en scheepsradar

Toetsingskader Plaatsing van windturbines kan mogelijk ook leiden tot verstoring van de radar. Dat geldt voor zowel radar ten behoeve van de lucht- als de scheepvaart. Voor de militaire radarposten in Nederland moet binnen een straal van 75 kilometer van een radarpost worden gekeken of windturbines de radar niet teveel verstoren en moet een plan ter goedkeuring aan Defensie worden voorgelegd. Het beleid over verstoringsgebieden rond militaire radars van het Ministerie van Defensie is vastgelegd in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro)74 en is nader uitgewerkt in de Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro)75. Er dient een minimale dekkingsgraad van 90% op 1.000 voet in stand te blijven om een goede werking van de radar te garanderen. Onderzoek Defensieradar Het Rarro schrijft verstoringsgebieden voor waarbinnen de radarverstoring moet worden getoetst. Voor deze gebieden wordt een normprofiel aangehouden dat voor windturbines loopt tot 75 kilometer van de primaire radarposten, zijnde de vijf zogenoemde Millitary Approach Surveillance Systems (MASS)-radars en twee Medium Power Range (MPR)-radars. TNO heeft onderzoek gedaan naar de effecten van windturbines op en nabij Elzenburg - de Geer (zie Bijlage 17).76 Bij de berekeningen is uitgegaan van twee windturbineconfiguraties: 

configuratie 1: Een opstelling met vier windturbines uitgevoerd met windturbines met worst-case afmetingen uit de vermogensklasse van 4 MW, een ashoogte van 142 meter en een rotordiameter van 136 meter;  configuratie 2: Een opstelling met zes windturbines uitgevoerd met windturbines van het type Vestas V136 met een opgewekt vermogen van 4.2 MW, een ashoogte van 142 meter en een rotordiameter van 136 meter. Het bouwplan bevindt zich binnen de 75 kilometer cirkels van één van de Military Approach Surveillance System (MASS) verkeersleidingsradars en binnen de 75 kilometer cirkel rond de locatie van de MPR gevechtsleidingsradar Nieuw Milligen en de nieuwe SMART-L EWC GB gevechtsleidingsradar te Herwijnen die op termijn de locatie bij Nieuw Milligen gaat vervangen. De analyse is uitgevoerd voor de volgende radarsystemen:  het primaire verkeersleidingsradarnetwerk, bestaande uit een vijftal MASS verkeersleidingsradarsystemen verspreid over Nederland en met de nog te plaatsen extra MASS radar bij De Kooy in Den Helder en aangevuld met de Terminal Approach radar (TAR) West bij Schiphol;  de MPR gevechtsleidingsradar op de locatie Nieuw Milligen;  de SMART-L gevechtsleidingsradar op de locatie Herwijnen.

Resultaten primaire verkeersleidingsradarnetwerk Op de locatie van de windturbines eist het Ministerie van Defensie voor het verkeersleidingsradarnetwerk een minimale detectiekans van 90% voor een doel met een radaroppervlak van 2 m2. De berekeningen zijn uitgevoerd voor twee configuraties. Twee mogelijke

Gemeente Oss

95

bestemmingsplan “Windmolenpark Elzenburg-De Geer – 2021” (vastgesteld) optredende effecten zijn onderzocht: 1. reductie van de detectiekans ter hoogte van het bouwplan: Na realisatie van het bouwplan is er op de toetsingshoogte van 1000 voet zijn de verminderingen van de detectiekans ter hoogte of in de directe nabijheid van het bouwplan als volgt:  voor configuratie 1 is kleinst berekende detectiekans 98%. Het bouwplan voldoet dus aan de thans gehanteerde 2018 norm;  voor configuratie 2 is kleinst berekende detectiekans 99%. Het bouwplan voldoet dus aan de thans gehanteerde 2018 norm. 2. reductie van het maximum bereik ten gevolge van de schaduwwerking van het bouwplan:  voor configuratie 1: De MASS radars te Soesterberg en Volkel ondersteunen elkaar volledig in de schaduwgebieden achter het bouwplan. Na realisatie van het bouwplan is er op de toetsingshoogte van 1000 voet dan ook geen afname van het maximum bereik waarneembaar. Het bouwplan blijft daarmee binnen de thans gehanteerde 2018 norm;  voor configuratie 2: De MASS radars te Soesterberg en Volkel ondersteunen elkaar volledig in de schaduwgebieden achter het bouwplan. Na realisatie van het bouwplan is er op de toetsingshoogte van 1000 voet dan ook geen afname van het maximum bereik waarneembaar. Het bouwplan blijft daarmee binnen de thans gehanteerde 2018 norm.

Resultaten MPR gevechtsleidingsradar te Nieuw Milligen Op de locatie van de windturbines eist het Ministerie van Defensie voor de gevechtsleidingsradar een minimale detectiekans van 90%. Er zijn twee mogelijke optredende effecten zijn onderzocht: 1. Reductie van de detectiekans ter hoogte van het bouwplan:  voor configuratie 1: De detectiekans is na realisatie van het bouwplan op de toetsingshoogte van 1000 voet binnen de thans gehanteerde 2018 norm gebleven;  voor configuratie 2: De detectiekans is na realisatie van het bouwplan op de toetsingshoogte van 1000 voet niet binnen de thans gehanteerde 2018 norm gebleven. 2. Reductie van de detectiekans ten gevolge van de schaduwwerking van het bouwplan:  voor configuratie 1: Het verlies aan maximum bereik van de radar op deze hoogte in de sector waarin schaduwwerking optreedt, blijft na realisatie van het bouwplan binnen de thans gehanteerde 2018 norm;  voor configuratie 2: Het verlies aan maximum bereik van de radar op deze hoogte in de sector waarin schaduwwerking optreedt, blijft na realisatie van het bouwplan binnen de thans gehanteerde 2018 norm. Resultaten gevechtsleidingsradar op de nieuwe locatie te Herwijnen Op de locatie van de windturbines eist het Ministerie van Defensie voor de gevechtsleidingsradar een minimale detectiekans van 90%. Er twee mogelijke optredende effecten zijn onderzocht: 1.

Reductie van de detectiekans ter hoogte van het bouwplan:  voor configuratie 1: De detectiekans is na realisatie van het bouwplan op de toetsingshoogte van 1000 voet binnen de thans gehanteerde 2018 norm gebleven;  voor configuratie 2: De detectiekans is na realisatie van het bouwplan op de toetsingshoogte van 1000 voet binnen de thans gehanteerde 2018 norm gebleven. De detectiekans is na realisatie van het bouwplan op de toetsingshoogte van 1000 voet binnen de thans gehanteerde 2018 norm gebleven; 2. Reductie van de detectiekans ten gevolge van de schaduwwerking van het bouwplan:  voor configuratie 1: Het maximum bereik van de radar op deze hoogte in de sector waarin schaduwwerking optreedt, blijft na realisatie van het bouwplan binnen de thans gehanteerde 2018 norm;  voor configuratie 2: Het maximum bereik van de radar op deze hoogte in de sector waarin schaduwwerking optreedt, blijft na realisatie van het bouwplan binnen de thans gehanteerde 2018 norm. Beoordeling Defensie Het radarverstoringsonderzoek is beoordeeld door namens het Commando Luchtstrijdkrachten

96

Gemeente Oss

bestemmingsplan Windmolenpark Elzenburg-De Geer - 2021 (CLSK) van het Ministerie van Defensie (zie ook de brief d.d. 15 april 2019 in Bijlage 17).77 De Configuratie 1, met 4 windmolens in de worst-case categorie blijft, hoewel minimaal, binnen de door CLSK gestelde limieten. Het CLSK heeft dan ook geen bezwaar tegen uitvoering van dit windpark conform de getoetste configuratie 1. De configuratie 2, met 6 windmolens van het type Vestas V136 blijft niet binnen de door het CLSK gestelde limieten. Het CLSK heeft dan ook bezwaar tegen uitvoering van dit windpark conform de getoetste configuratie 1. Echter, de limietoverschrijding vindt plaats op een militaire radar die op de nominatie staat vervangen te worden. Indien deze vervanging plaatsvindt dan wordt er aan de minimale radardekkingseisen voldaan. Het CLSK heeft dan ook geen bezwaar tegen de realisatie van de in configuratie 2 benoemde windpark met dien verstande dat aan onderstaande voorwaarden voldaan moet worden: 1. de radar te Herwijnen is in werking gesteld; 2. het windpark (van zes windturbines) bestaat volledig uit de getoetste windturbine Vestas V136. Indien aan voorwaarde 2 niet voldaan wordt, dan zal een nieuw radarverstoringsonderzoek aan CLSK ter beoordeling aangeboden moeten worden met de juiste configuratie van windturbines.

Het ministerie van Defensie kan zich vinden in de onderzoeksresultaten van TNO en ziet met inachtneming van de opmerkingen over de twee configuraties geen andere bezwaren om zich tegen de komst van het windpark Elzenburg-De Geer te keren. Substantiële op wat door TNO is getoetst, dienen opnieuw voor akkoord voorgelegd te worden aan het ministerie van Defensie. Er wordt een voorwaarde aan de wijzigingsbevoegdheid toegevoegd die invulling geeft aan de voorwaarden ten aanzien van radarverstoring. Aangetoond is dat er voor de worst-case windturbines voor de vier direct bestemde windturbines er sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Ook is aangetoond dat het gehele windpark op basis van een concreet windturbinetype kan voldoen wanneer de radar in Herwijnen in werking is gesteld. Door het opnemen van een voorwaarde in de wijzigingsbevoegdheid voor de toetsing van radarverstoring in alle andere gevallen (dus bij keuze voor een ander dan het getoetste windturbinetype dan in configuratie 2 en/of in het geval dat NieuwMilligen nog in werking is), is er sprake van een ruimtelijk uitvoerbaar plan. Scheepsradar Er is onderzocht of nabij het plangebied walradarstations voor de scheepvaart gelegen zijn en of het plangebied in het invloedsgebied ervan ligt. Dit is niet het geval. De haven van Oss heeft geen walradarsysteem.

Conclusie Vanuit de aspecten defensieradar en scheepsradar is er sprake van een goede ruimtelijke ordening. 5.8.4

Gezondheid

Toetsingskader Er bestaat een relatie tussen milieu en gezondheid. Ook andere factoren dan milieufactoren zijn van invloed op de gezondheid van mensen, denk aan roken, beweging en het binnenklimaat van woningen. Uit ervaring bij projecten voor windenergie blijkt dat er bij omwonenden zorgen kunnen bestaan over de mogelijke gevolgen van windenergie op de kwaliteit van de leefomgeving. In het MER (zie Bijlage 1 hoofdstuk 15) is daarom het onderwerp windenergie in relatie tot gezondheid nader belicht. Uit zienswijzen bij projecten voor windenergie blijkt dat er bij een gedeelte van de omwonenden zorgen bestaan over de mogelijk negatieve effecten van windenergie op de directe leefomgeving (hinder). De invloed van windturbines op omwonenden is globaal in drie aspecten te verdelen:  geluid en trillingen;  visuele aspecten (zichtbaarheid en slagschaduw);  veiligheid. Wanneer windturbines in bewoonde gebieden worden geplaatst, kunnen omwonenden hinder ondervinden van deze aspecten. Windturbines worden regelmatig in verband gebracht met een verscheidenheid aan gezondheidsproblemen. Hierbij dient te worden opgemerkt dat er een onderscheid is tussen hinder en effecten op gezondheid, hoewel er wel een verband tussen beide bestaat. Hinder kan worden ondervonden, terwijl er geen sprake hoeft te zijn van

Gemeente Oss

97

bestemmingsplan “Windmolenpark Elzenburg-De Geer – 2021” (vastgesteld) gezondheidseffecten. (Ernstige) hinder zou kunnen leiden tot gevoelens van irritatie, boosheid en onbehagen en als gevolg daarvan tot gezondheidseffecten (zoals bijvoorbeeld hoge bloeddruk). Het aspect gezondheid maakt impliciet deel uit van eerdere paragrafen in dit hoofdstuk, aangezien de normen die zijn opgesteld voor geluid, slagschaduw en externe veiligheid het doel hebben mensen te beschermen tegen onaanvaardbare hinder. Bij het vaststellen van die normen speelden gezondheidsaspecten een rol. Voor het aspect gezondheid op zich bestaat geen wettelijk toetsingskader. De GGD heeft de alternatieven voor Windpark Elzenburg - De Geer beoordeeld op effecten op gezondheid van omwonenden (zie bijlage 8 van Bijlage 1). Voor meer achtergronden wordt verwezen naar hoofdstuk 15 van Bijlage 1. Onderzoek In paragraaf 5.2, 5.3, en 5.4 is al ingegaan op (hinder)aspecten die mede van belang kunnen zijn voor het effect op de gezondheid en bijbehorende wettelijke normen. Dit betreft de aspecten geluid, slagschaduw en veiligheid. In paragraaf 5.2 wordt ook al specifiek in gegaan op laagfrequent geluid, wat regelmatig wordt aangehaald als gezondheids- en hinder aspect in relatie tot windturbines. In paragraaf 5.8.1 wordt ingegaan op geur en stoffen.

Voor deze aspecten is aangetoond dat het windpark voldoet aan de geldende normen en dat er sprake is van een goede ruimtelijke ordening op de individuele aspecten. Wetenschappelijke studies Er zijn talrijke studies naar gezondheidseffecten78 van windturbines uitgevoerd. Juist omdat het om gezondheid gaat, wordt alleen gebruik gemaakt van die studies waaraan in belangrijke mate door onafhankelijke medici of gezondheidsinstituten is meegewerkt. De relatie tussen blootstelling aan windturbines en gezondheidsklachten is complex. Op basis van verschillende (wetenschappelijke) onderzoeken is de algemene conclusie dat windturbines wel bij individuen tot het ervaren van hinder leiden, en daardoor indirect tot gezondheidseffecten leiden. Er is echter geen rechtstreeks verband tussen windturbines en gezondheidseffecten aangetoond. Slaapverstoring door windturbines is niet uitgesloten, maar kan op basis van de huidige beschikbare data ook niet worden aangetoond. Deze paragraaf bevat een beknopte uiteenzetting van de belangrijkste studies en onderwerpen.

WHO Environmental Noise Guidelines for the European Region De World Health Organization (WHO) heeft richtlijnen voor milieugeluid ontwikkeld op basis van wetenschappelijk onderzoek, waaronder windturbinegeluid.79 De WHO geeft in het rapport een geconditioneerd advies om de blootstelling van geluidniveaus van windturbines te reduceren tot 45 dB Lden. Dit geconditioneerd advies volgt uit de constatering dat er op basis van vier studies wordt gesteld dat 10 procent van de populatie sterk gehinderd is door blootstelling aan een geluidniveau van 45 dB Lden. Omdat het beschikbare bewijs voor de relatie tussen windturbinegeluid en hinder en gezondheid volgens de WHO van lage kwaliteit is, wordt het advies voor een normstelling van 45 dB Lden als conditioneel beschouwd. Verder komt uit het rapport van de WHO naar voren dat er geen statistisch significante relatie gevonden tussen blootstelling aan windturbinegeluid en hart- en vaatziekten, hoge bloeddruk, cognitieve stoornissen, gehoorproblemen, ongunstige zwangerschap uitkomsten en slaapstoornissen. De WHO vat het bewijs voor de relatie tussen windturbinegeluid en gezondheid als volgt samen: "as the foregoing overview has shown, very little evidence is available about the adverse health effects of continuous exposure to wind turbine noise." (p. 84).

Tot slot geeft het rapport aan dat contextuele factoren (zoals de opvatting ten opzichte van windturbines, direct zicht, economisch profijt) een belangrijke rol spelen in de effecten en de ervaring van windturbinegeluid. Het RIVM heeft aangegeven de richtlijnen te bestuderen. Onderzoek RIVM & GGD 201380, 201781 en 202082 Het informatieblad GGD is in 2013 opgesteld door het RIVM. De GGD heeft behoefte aan concrete, objectieve en evenwichtige informatie om er hun advies op te baseren. Het informatieblad dient als ondersteuning bij het beantwoorden van gezondheidsvragen van omwonenden van (geplande) windturbines. In 2017 heeft de GGD Amsterdam in samenwerking met het RIVM nog een literatuurstudie uitgevoerd naar de relatie tussen blootstelling aan windturbinegeluid en gezondheid. 32 (peer reviewed83) wetenschappelijke onderzoeken tussen 2009 en 2017 zijn onderzocht in de literatuurstudie. In 2020 heeft de GGD Amsterdam in samenwerking met het RIVM een update van

98

Gemeente Oss

bestemmingsplan Windmolenpark Elzenburg-De Geer - 2021 het 2017 onderzoek gepubliceerd. Alle literatuurstudies concluderen dat een windturbine geen directe effecten heeft op de gezondheid van omwonenden. Wel kunnen er indirecte effecten optreden. Mensen die in de nabijheid bij windturbines wonen, kunnen hinder door geluid ondervinden. Slagschaduw, zichtbaarheid en knipperende lichten kunnen bijdragen aan de mate van hinder die wordt ondervonden. Het geluidniveau van windturbines is minder hoog dan van andere bronnen (verkeer en dergelijke), maar het karakter zorgt ervoor dat het windturbinegeluid bij lagere niveaus als hinderlijk wordt ervaren. Hinder kan zich uiten in irritatie, boosheid en onbehagen. Weinig data is beschikbaar om de invloed van windturbines op slaapoverlast te kunnen evalueren. In de onderzoeken is gevonden dat slaapoverlast en andere gezondheidseffecten van omwonenden van windparken gerelateerd kan zijn aan hinder, in plaats van directe blootstelling. Eveneens kunnen economische aspecten van invloed zijn op het ervaren van hinder van windturbines. In een Zweeds onderzoek84 is geconcludeerd dat mensen met een economisch belang bij windturbines geen hinder ondervonden van het windturbinegeluid, ondanks dat zij hetzelfde geluidniveau ondervinden als andere respondenten en dezelfde termen gebruikten om het geluid te karakteriseren.

Tevens kunnen persoonlijke omstandigheden zoals gevoeligheid, privacy zaken en het planningsproces van het windpark van invloed zijn op de ervaren hinder. Het informatieblad van 2013 adviseert om omwonenden zoveel mogelijk te betrekken bij de ontwikkeling van windenergie en waar mogelijk in de exploitatiefase, bijvoorbeeld in de vorm van (financiële) participatie. Hierdoor kan hinder mogelijk worden verminderd. Windturbinesyndroom Regelmatig wordt het onderzoek van de Amerikaanse arts Pierpont (2009) geciteerd over het windturbinesyndroom85. Deze ziekte zou veroorzaakt worden door laagfrequent geluid. Symptomen zijn onder andere verstoring van slaap, hoofdpijn, oorsuizen en duizeligheid. Haar onderzoek is gebaseerd op klachten van 38 mensen uit tien families uit verschillende landen die in de omgeving (300 meter tot 1,5 kilometer) van een windturbine wonen. De conclusies worden niet gedeeld door 17 andere studies die windturbines en gezondheidseffecten in verband met elkaar brachten. De studie is breed bekritiseerd als wetenschappelijk zwak. Uit de beschikbare wetenschappelijke onderzoeken blijkt dat er geen bewijs is voor een zogenoemd windturbinesyndroom. Economische aspecten Economische aspecten kunnen van invloed zijn op de ervaring van hinder door windturbines. Omwonenden met een economisch voordeel van de windturbines ervaren over het algemeen minder hinder86.

Lichtschitteringen Wanneer de zon op de turbine schijnt, kan het zonlicht reflecteren op de rotorbladen in de richting van de beschouwer. Tegenwoordig worden windturbines uitgevoerd met een anti-reflecterende coating, zodat lichtschittering niet optreedt. RIVM (2013) bevestigt dit ook in haar informatieblad 87. De verplichting tot het toepassen van niet reflecterende materialen of coatinglagen op relevante onderdelen van de windturbine ten behoeve van het voorkomen of beperken van lichtschittering is ook opgenomen in de planregels. Elektromagnetische velden Elektrische, magnetische en elektromagnetische velden komen overal voor. Bekende natuurlijke vormen zijn Uv-straling (zon), infrarode straling (warme voorwerpen) en zichtbaar licht. De sterkte van elektromagnetische velden neemt sterk af wanneer de afstand tot de bron groter wordt. Rondom de gondel en de kabels die de windturbine koppelen aan het hoogspanningsnet kunnen magnetische velden voorkomen. Voor slagschaduw, geluid en externe veiligheid wordt echter op basis van wettelijke vereisten een zodanige afstand tussen windturbines en bebouwing aangehouden dat er geen sprake is van effecten voor omwonenden door eventuele elektromagnetische velden van het windpark.

Trillingen Op grond van ervaringen op land blijkt dat fundaties van windturbines, mits goed gedimensioneerd, geen hinderlijke trillingen doorgeven aan de ondergrond en de omgeving. De Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu heeft in een brief het volgende laten weten (2013) 88: "de bewering in enkele

Gemeente Oss

99

bestemmingsplan “Windmolenpark Elzenburg-De Geer – 2021” (vastgesteld) literatuurbronnen dat ook overdracht door de grond plaats vindt is ongegrond, hetgeen blijkt uit nauwkeurige metingen van trillingsniveaus in de bodem rondom windturbines". Neodymium In zienswijzen wordt regelmatig aandacht gevraagd voor het gebruik van neodymium in windturbines, ook in relatie tot gezondheid. Neodymium is een zeldzaam aardmetaal en wordt ook gebruikt voor de permanent magneten in windturbines met een 'direct drive' mechanisme (zonder tandwielkast). In bepaalde gebieden waar neodymium wordt gewonnen wordt gerapporteerd over gezondheidseffecten ter plaatse als gevolg van de verwerking van de radioactieve materialen die bij de winning van neodymium vrijkomen. Er is echter geen bewijs voor een relatie tussen de aanwezigheid van neodymium in windturbines en gezondheidseffecten op omwonenden. Neodymium zelf is geen radioactief materiaal. SF6 gas De Telegraaf concludeert in het artikel van 29 oktober 2019 (Windmolen lekt schadelijk gas) dat het toenemend gebruik van het gas zwavelhexafluoride - SF6 - een onbedoeld, maar direct gevolg is van de transitie naar duurzame energie. Het artikel baseert zich op een bericht van de BBC waarin een studie door de Cardiff University naar het Britse elektriciteitsnet wordt aangehaald.

Hierin wordt gesteld dat de toename in het gebruik van SF6 een direct gevolg is van de groei van duurzame energiesector. Het klopt dat SF6 wordt toegepast in uiteenlopende onderdelen van het energiesysteem om kortsluiting te voorkomen. Andere fluoride-gassen worden gebruikt in verhittings- en koelapparatuur, zoals koelkasten, warmtepompen en airconditioners. Het BBC artikel stelt dat SF6 voornamelijk door lekkages terechtkomt in de atmosfeer. Bij windturbines kunnen deze lekkages ontstaan door mechanisch falen, slijtage van machines of tijdens onderhoud of ontmanteling van een windturbine. Ter voorkoming van vrijkomen van SF 6 in de atmosfeer wordt het bij reparatie en ontmanteling afgevangen. Vervolgens wordt het hergebruikt in nieuwe apparaten. Onderzoek van WindEurope89 wijst uit dat alle 100.000 windturbines in Europa jaarlijks naar schatting 150 kilo aan SF6 lekten in de afgelopen zes jaar. Dit staat gelijk aan een jaarlijkse uitstoot van 3.525 ton CO2. Om dit in perspectief te plaatsen: deze 100.000 windturbines bespaarden in dat jaar 255 miljoen ton aan CO2 door 336 TWh aan groene stroom op te wekken. De lekkage van SF 6 vormt dan ook slechts fractie, namelijk 0,001%, van de vermeden uitstoot van CO 2. Er is geen bewijs voor een relatie tussen de eventuele (zeer minimale) lekkage van SF6 uit windturbines en gezondheidseffecten op omwonenden.

Windturbines zorgen juist voor een groot aandeel in vermeden emissies van CO2 omdat de elektriciteit duurzaam wordt opgewekt. Desondanks is het de verantwoordelijkheid van de windsector om het gebruik van SF6 waar mogelijk te verminderen en waar dit om praktische redenen niet mogelijk is te zorgen dat het risico op lekkages zo klein mogelijk is. Diverse alternatieven voor SF6 worden momenteel onderzocht, zoals nieuwe combinaties van schone gassen. Conclusie Windturbines kunnen bij individuen wel tot het ervaren van hinder leiden, en daardoor indirect tot gezondheidseffecten leiden. Er is echter geen rechtstreeks verband tussen windturbines en gezondheidseffecten aangetoond. Economische aspecten kunnen van invloed zijn op de ervaring van hinder door windturbines. Gelet op de uitkomsten van de onderzoeken naar de effecten op de omgeving kan geconcludeerd worden dat het windpark gerealiseerd kan worden binnen de geldende wet- en regelgeving als ook dat er voor de desbetreffende aspecten sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Er is daarnaast sprake van een zorgvuldig ruimtelijk ontwerp en het ontwerp voldoet aan het vigerend beleid. Er is voor het aspect gezondheid dan ook sprake van een goede ruimtelijke ordening.

100

Gemeente Oss

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Oss&id=7a6f36fa-5dda-473d-8c94-0e65bbfce9d3