CConstaterende datOss
Koppel je AI →
Document · PDF

2 Toelichting.PDF

Gemeenteraad 11 maart 2021, gemeente OssBij agendapunt: A Vaststellen bestemmingsplan Partiele Herziening Kom Geffen - 201620.170 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

- Ecologische Verbindingszones In het landelijke gebied werkt de gemeente samen met het waterschap aan de invulling van de Ecologische verbindingszones (EVZ) langs waterlichamen als uitwerking van reconstructieafspraken en afspraken in het kader van de KaderRichtlijn Water (KRW). Stedelijk oppervlaktewater Vanuit het gemeentelijk waterbeleid (‘Plan Watertaken 2012 – 2017’) is op termijn meer water in de stad noodzakelijk ten behoeve van de stedelijke wateropgave. Regenwater dat op het stedelijk gebied valt zal vooral in het gebied moeten worden vastgehouden en geborgen. Bestaande afvoeren moeten via de gemengde riolering op termijn worden ontkoppeld. Daarnaast zal de gemeente maatregelen moeten treffen om overlast (1x/100 jaar) door overstroming van oppervlaktewater en/of door regenwater uit rioleringen te voorkomen. Naast meer ruimte voor water in kwantitatieve zin liggen er ook kwalitatieve opgaven. De kwaliteit van stedelijk water zal moeten voldoen aan de kwaliteitseisen die daaraan via de KRW (Kader Richtlijn Water) worden gesteld. Kort samengevat betekent e.e.a. voor stedelijk oppervlaktewater: - vergroting van bestaand/aanleg van nieuw oppervlaktewater (kwantiteit); - verminderen van overstorten vanuit gemengde riolering (kwaliteit);

Bestemmingsplan Partiële herziening 2 Kom Geffen – 2016, pag. 29 van 54

-

berging/buffering en afvoer van afgekoppelde/niet aangekoppelde regenwaterafvoeren van bebouwing en verhardingen (kwantiteit); van vast peilbeheer naar variabel peilbeheer (kwantiteit en kwaliteit: meer berging en natuurlijk water); meer ecologische/natuurlijke inrichting van oevers en waterpartijen (biodiversiteit en kwaliteit oppervlaktewater); meer doorstroming van oppervlaktewater (kwaliteit); recreatief medegebruik stimuleren/verder ontwikkelen.

De verantwoording met betrekking tot het vigerend beleid, in de vorm van de Watertoets, wordt in het volgende hoofdstuk 6 beschreven en toegelicht. 5.4.5

Verkeer

Mobiliteitsvisie, Balans in beweging In de mobiliteitsvisie (2009) staan drie begrippen centraal; bereikbaarheid, verkeersveiligheid en leefbaarheid. Het centrale doel van de mobiliteitsvisie is het in balans brengen van de bereikbaarheid, leefbaarheid en veiligheid in de gemeente, nu en in de toekomst. Om deze balans te bereiken streeft de gemeente naar een verschuiving in het gebruik van vervoerswijzen. Een groter deel van de verplaatsingen moet plaats gaan vinden met de fiets of met het openbaar vervoer. Dit is nodig om Oss bereikbaar en leefbaar te houden. Oss wil de verschuiving bereiken door het gebruik van fiets en openbaar vervoer te stimuleren. Deze vervoerswijzen moeten veilig en comfortabel zijn en men moet snel op de plaats van bestemming kunnen komen. De goede bereikbaarheid is met name gericht op de economisch belangrijke gebieden van Oss. De bedrijventerreinen vallen hieronder. De doorstroming op de wegen naar de bedrijventerreinen (i.c. N329) moet optimaal zijn. Hoewel de bereikbaarheid van de economisch belangrijke gebieden voor alle vervoerswijzen goed moet zijn, streeft de gemeente wel naar een verschuiving van vervoerswijze. Korte verplaatsingen moeten bij voorkeur per fiets of te voet afgelegd worden en niet per auto. Voor het vervoer van goederen zal het gebruik van water en spoor verder gestimuleerd worden.

In de uitwerkingsfase zullen de doelstellingen uit de visie langs drie lijnen worden uitgewerkt: infrastructuur, gedrag en organisatie. Er heeft inmiddels een uitwerking plaatsgevonden in de deelplannen Wegen, Fiets, Openbaar Vervoer en Gedrag. Parkeren Op 13 december 2016 heeft het college van burgemeester en wethouders de nota “Parkeernormen 2017” vastgesteld. In deze notitie staat beschreven welke parkeernormen gehanteerd moeten worden bij nieuwe projecten (zowel uitbreidingen als herstructurering). Uitgangspunt voor herontwikkeling is dat het parkeren op eigen terrein dient te worden opgelost. Ten aanzien van dit plangebied gaat het echter niet om een nieuwe situatie maar om het vastleggen van een bestaande situatie (enkele kleine ontwikkelingen daargelaten). De gemeente Oss heeft een bepaalde aanpak voor parkeerproblemen binnen bestaand gebied. Om het gesignaleerde parkeerprobleem ook objectief vast te kunnen stellen, wordt eerst de parkeercapaciteit in een bepaald gebied bepaald. Hoeveel parkeerplaatsen (zowel in de openbare ruimte en op eigen terrein) zijn er? Vervolgens wordt gekeken naar de parkeerdruk. Daarbij wordt de vraag naar parkeerplaatsen in het gebied afgezet tegen het aantal beschikbare plaatsen. Wanneer de bezettingsgraad in een (deel van een) woonwijk structureel groter is dan 95% is sprake van een parkeerprobleem.

Bestemmingsplan Partiële herziening 2 Kom Geffen – 2016, pag. 30 van 54

Wanneer sprake is van een parkeerprobleem worden de oorzaken nader onderzocht. Wordt de parkeerdruk veroorzaakt door bewoners van de buurt of is sprake van parkeerdruk van buitenaf? Is het autobezit in een bepaalde buurt hoger dan gemiddeld? Wordt er veel geparkeerd door bezoekers van een voorziening in of aan de rand van een wijk? Hoe is de parkeercapaciteit over de wijk verdeeld? Zijn de aanwezige parkeerplaatsen – met name op eigen terrein - bruikbaar? Het vaststellen van de oorzaak van het parkeerprobleem is essentieel om een oplossingsrichting te bepalen. Oplossingen kunnen worden gezocht in het beïnvloeden van het gedrag van mensen, in fysieke ingrepen om meer parkeerplaatsen te realiseren en in parkeerregulering. Wanneer het parkeerprobleem in een woonwijk wordt veroorzaakt door bewoners van de buurt zelf, zal eerst worden gekeken naar het gedrag van mensen. Daarbij kan worden gedacht aan onder andere het stimuleren van alternatieve vervoerswijzen en bewust maken van acceptabele loopafstanden (vooral voor de tweede auto). Soms zijn binnen een straal van 100 meter nog parkeerplaatsen aanwezig. Als de eerste stap geen soelaas biedt, wordt gekeken naar de mogelijkheid meer parkeerplaatsen te realiseren in het openbare gebied. Soms zijn daar mogelijkheden voor.

Soms moet een afweging worden gemaakt of het acceptabel is dat het aanwezige groen wordt opgeofferd ten gunste van parkeerplaatsen. In de buurten waar parkeeroverlast is vanwege parkeergedrag van omliggende bedrijven dan wel van treinreizigers (dus van buitenaf) kan worden bezien of parkeerregulering een vermindering van de parkeerdruk geeft. In uitzonderingsgevallen kan als laatste stap gekozen worden voor het creëren van extra parkeerplaatsen bij nieuwe ontwikkelingen of sanering van bebouwing ten behoeve van extra parkeerplaatsen. Die laatste stap hoeft in Oss eigenlijk niet doorlopen te worden. In hoofdstuk 3 is een passage over verkeer en parkeer opgenomen, toegesneden op deze planontwikkeling. Deze passage is als verantwoording ook opgenomen in het navolgende hoofdstuk 6. Uit die verantwoording blijkt dat deze planontwikkeling voldoet aan het gemeentelijk beleid voor wat betreft verkeer en parkeren. 5.4.6 Archeologie Op 16 januari 1992 is door de EU lidstaten het Europees Verdrag inzake bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Valletta, ook wel Verdrag van Malta genoemd) ondertekend. De lidstaten hebben zich met het tekenen van dit verdrag verplicht tot het zorgvuldiger beschermen van het in de bodem gelegen cultureel erfgoed.

Het verdrag kent in hoofdlijnen drie uitgangspunten: - Streven naar het behoud van archeologische waarden ter plaatse in de bodem; - Tijdig rekening houden in de ruimtelijke ordening met archeologie; - De verstoorder betaalt voor het laten verrichten van archeologisch onderzoek indien behoud van archeologie in de bodem niet mogelijk is. De Wet op de archeologische monumentenzorg is de Nederlandse uitwerking van het verdrag van Malta. De wet, die de Monumentenwet 1988 wijzigde, is in september 2007 in werking getreden. In hoofdlijnen omvat deze wet voor gemeenten het volgende: - De verplichting tot het inzichtelijk maken van archeologische waarden en verwachtingen (inventarisatie); - De verplichting tot het opstellen van archeologiebeleid ter bescherming van archeologische waarden en verwachtingen; - De verplichting tot juridische waarborging van archeologische belangen, oftewel het vertalen van het beleid naar regelgeving door middel van een vergunningenstelsel; - De gemeente draagt de verantwoording voor archeologie/wordt het bevoegde gezag.

Bestemmingsplan Partiële herziening 2 Kom Geffen – 2016, pag. 31 van 54

De Monumentenwet 1988 is in juli 2016 opgegaan in de Erfgoedwet, zoals eerder in hoofdstuk 5 hierboven aangegeven. Op 14 oktober 2010 heeft de gemeente Oss haar ‘Archeologiebeleid’ vastgesteld. Het beleid is vastgelegd in een ‘Archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart’. Deze kaart is een ‘voorspellingskaart’ waarop verwachtingen met betrekking tot de situering van (nog) onbekende archeologische vindplaatsen zijn vertaald in termen van vlakken en zones. Beleidsmatig heeft de gemeente Oss voornoemde wettelijke plicht vertaald in de nota ‘Archeologiebeleid gemeente Oss 2010’, vastgesteld door de gemeenteraad op 14 oktober 2010. In 2015 heeft de gemeenteraad het archeologiebeleid (opnieuw) vastgesteld. Dit was nodig vanwege de gemeentelijke herindeling met Maasdonk. Onderdeel van de vaststelling in 2015 is het rapport ‘Actualisatie archeologiebeleid gemeente Oss, een herziene archeologische beleidskaart voor het nieuwe grondgebied van de gemeente Oss’. Aan de hand van onderzoeken, inzichten en boringen in het veld zelf zijn de eerdere archeologische kaarten gedeeltelijk bijgesteld. De wijzigingen zijn per deelgebied in het rapport uiteengezet. Op de kaart worden zones aangegeven met verschillende verwachtingen: hoge, middelhoge of lage en indien van toepassing zeer lage verwachtingswaarde.

Deze verwachting heeft geen kwaliteitswaarde, het gaat om de kans op aanwezigheid van archeologische waarden. De archeologische verwachtingswaarden vormen de basis voor de beleidsadvieskaart, die gebruikt kan worden voor de toetsing van ruimtelijke plannen, omgevingsvergunningaanvragen, kabelleggingen en graafmeldingen op de mogelijke aanwezigheid van archeologische waarden. Op deze manier kan vroegtijdig bij planvorming rekening worden gehouden met archeologie. De verantwoording ten opzichte van het aspect ‘archeologie’ wordt in hoofdstuk 6 toegelicht.

Bestemmingsplan Partiële herziening 2 Kom Geffen – 2016, pag. 32 van 54

Hoofdstuk 6

Verantwoording

6.1 Milieu- en omgevingsaspecten In deze paragraaf wordt ingegaan op de milieu- en omgevingsaspecten die verband houden met, of betrekking hebben op de ruimtelijke ontwikkeling. Het gaat daarbij meestal om de wisselwerking met de omgeving. Welke gevolgen heeft het initiatief voor de omgeving en omwonenden? Maar ook, welke gevolgen hebben activiteiten in de omgeving voor de mogelijkheden op de projectlocatie? Achtereenvolgens komen de volgende aspecten aan bod: - Bedrijven en milieuzonering (§ 6.1.1) - Bodem (§ 6.1.2) - Externe veiligheid (§ 6.1.3) - Geurhinder: agrarisch (§ 6.1.4) - Geur: industrieel (§ 6.1.5) - Luchtkwaliteit (§ 6.1.6) - Mobiliteit en parkeren (§ 6.1.7) - Straling (§ 6.1.8) - Water (§ 6.1.9) - Weg-, spoor-, en industrielawaai (§ 6.1.10) - Gezondheid (6.1.11) 6.1.1 Bedrijven en milieuzonering Een goede ruimtelijke ordening voorkomt hinder en gevaar. Dit kan door voldoende afstand te houden tussen milieubelastende activiteiten van bedrijven en gevoelige functies, zoals woningen. Het doel van milieuzonering is om de kwaliteit van het woon- en leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Daarnaast kan milieuzonering bedrijven voldoende zekerheid bieden om hun activiteiten duurzaam uit te voeren. De handreiking Bedrijven en milieuzonering van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) geeft richtafstanden om de milieuzonering van bedrijven te kunnen bepalen.

Om te komen tot een ruimtelijk relevante toetsing van bedrijfsvestigingen op milieuhygiënische aspecten wordt het begrip milieuzonering gehanteerd. Onder milieuzonering wordt een voldoende ruimtelijke scheiding verstaan tussen enerzijds milieubelastende bedrijven of inrichtingen en anderzijds milieugevoelige gebieden zoals woonwijken. Om het begrip hanteerbaar te maken is gebruik gemaakt van de publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' van de VNG. Richtafstanden De inhoud van de milieuzonering wordt bepaald aan de hand van drie bouwstenen, te weten richtafstanden, omgevingstypen en functiemenging. In de richtafstandenlijst zijn bedrijven opgenomen, ingedeeld in milieucategorieën, waarbij per bedrijf is aangegeven wat de minimale afstand tot een rustige woonwijk moet zijn om het woon- en leefklimaat niet aan te tasten. Ten oosten van het plangebied ligt een brandweerkazerne. Een brandweerkazerne wordt gerangschikt onder milieucategorie 3.1 waarbij in principe een richtafstand van 50 meter hoort. Deze afstand behoort bij het milieuaspect geluid. Voor de aspecten geur, stof en gevaar zijn geen afstanden opgenomen in de richtafstandenlijst in het geval van een brandweerkazerne. Omgevingstype bepalend voor te hanteren richtafstanden De genoemde richtafstand van 50 meter voor geluid geldt ten opzichte van een rustige woonwijk.

De richtafstanden die bij een bepaalde ontwikkeling horen kunnen, zonder dat dit ten kosten gaat van het woon- en leefklimaat, met één afstandstap worden verlaagd indien sprake is van een omgevingstype 'gemengd gebied'. In dit geval, waar sprake is van een lint in een dorpskern met meerdere functies bij elkaar en/of een gebied langs een drukke ontsluitingsweg, kan gesteld worden dat er sprake is van ‘gemengd gebied’. Hierdoor kan de richtafstand verlaagd worden tot 30 meter

Bestemmingsplan Partiële herziening 2 Kom Geffen – 2016, pag. 33 van 54

Verantwoording De 2 oostelijk gesitueerde woningen liggen in de 50 meter zone. Echter, de bestaande woning Groenstraat 17, die grenst aan de kazerne, is maatgevend in het kader van het Activiteitenbesluit. De geluidsbelasting van de kazerne op de gevel van Groenstraat 17 moet dus voldoen aan het Activiteitenbesluit. Om daaraan te kunnen voldoen is er bij de brandweerkazerne een geluidscherm aanwezig. Maar omdat sprake is van ‘gemengd gebied’ en de aan te houden afstand dan 30 meter wordt, zoals omschreven hierboven, kan gesteld worden dat ook de 2 oostelijke woningen buiten de 30 meter zone liggen. Verder is aan de overzijde van het plangebied, op het adres Groenstraat 14, een transformatorhuisje gelegen. De aan te houden richtafstand in het kader van gevaar (brandveiligheid) bedraagt 30 meter. Deze afstand moet dus minimaal aangehouden worden op basis van brandveiligheid. Hierbij (categorie gevaar) is geen verlaging van een afstandsstap mogelijk in een ‘gemengd gebied’. Geen van de op te richten woningen valt binnen de 30 meter zone. Het planvoornemen voldoet aan de richtlijnen inzake de milieuzonering. 6.1.2 Bodem Op basis van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening en artikel 3.2 Algemene wet bestuursrecht, moet in planvorming rekening gehouden worden met de bodemkwaliteit in relatie tot de gewenste functies.

In de Bouwverordening van de gemeente Oss is geregeld dat onder bepaalde omstandigheden het oprichten van gebouwen pas kan plaatsvinden als de bodem geschikt is (of geschikt is gemaakt) voor het beoogde doel. Om die reden dient bij iedere nieuwbouwactiviteit de bodemkwaliteit door middel van onderzoek te worden vastgesteld. Verantwoording In opdracht van de gemeente Oss heeft NIPA milieutechniek BV een verkennend bodemonderzoek conform NEN 5740 uitgevoerd. Het onderzoeksrapport, ‘Verkennend bodemonderzoek Verlengde Run te Geffen’ d.d. 3 januari 2019, is als bijlage bij deze plantoelichting in een separaat bijlagenboek opgenomen. Bodemonderzoek De conclusie van het onderzoek is als volgt: “Uit de resultaten van het verkennend bodemonderzoek uitgevoerd op het perceel Verlengde Run te Geffen, kadastraal bekend als gemeente Geffen, sectie C, nummers 4930, 4932, 5562, 5563 en 6041, blijkt dat de vaste bodem plaatselijk licht verhoogde gehaltes aan PCB en/of PAK bevat. Het grondwater bevat licht verhoogde gehaltes aan barium, nikkel en/of zink.

De zware metalen in het grondwater hebben waarschijnlijk een natuurlijke oorsprong en worden niet als een verontreiniging beschouwd.” “Tegen de voorgenomen ontwikkeling van de onderzoekslocatie zijn, ons inziens, geen zwaarwegende milieuhygiënische bezwaren aan te voeren.” Indien grond afgevoerd moet worden van de locatie, dient rekening gehouden te worden met gebruiksbeperkingen van de vrijkomende grond. Conform de Regeling bodemkwaliteit mag de grond slechts onder voorwaarden worden hergebruikt. Eventueel vrijkomende grond mag echter wel op de locatie worden hergebruikt. Grond die binnen de gemeente wordt hergebruikt kan, als de gemeente beschikt over een bodemkwaliteitskaart, op basis van dit rapport hergebruikt worden. Indien de gemeente niet over een bodemkwaliteitskaart beschikt of de grond buiten de grenzen van de bodemkwaliteitskaart toegepast zal worden, dient een partijkeuring conform het BRL SIKB 1000 VKB protocol 1001 uitgevoerd te worden. Niet Gesprongen Explosieven (NGE) Het plangebied ligt volgens de gemeentelijke kaart ‘niet gesprongen explosieven’ in een aandachtsgebied. Daarom is door bureau ‘Bombs Away’ uit Utrecht een nader onderzoek uitgevoerd. Het bijbehorende onderzoeksrapport d.d. 20 mei 2019, hoort als bijlage bij deze plantoelichting en is opgenomen in een separaat bijlagenboek. De conclusie van het onderzoek is als volgt.

Op basis van de geraadpleegde bronnen, de beoordeling en evaluatie van de indicaties is vastgesteld dat het onderzoeksgebied en de omgeving daarvan betrokken

Bestemmingsplan Partiële herziening 2 Kom Geffen – 2016, pag. 34 van 54

zijn geweest bij oorlogshandelingen tijdens de Tweede Wereldoorlog. Er zijn echter geen concrete indicaties aangetroffen in de beschikbare gegevens en op de geraadpleegde luchtfoto’s, waardoor sprake is van een verhoogde kans op het aantreffen van conventionele explosieven (CE) uit de Tweede Wereldoorlog in het onderzoeksgebied. Het onderzoeksgebied is om deze reden onverdacht verklaard op CE of restanten van CE. Hiermee wijkt de conclusie voor het onderzoeksgebied af van de CEbodembelastingkaart van de gemeente Oss waarin het onderzoeksgebied verdacht is verklaard op artillerie- mortier- of raketbeschieting. Het onderzoeksbureau adviseert daarom als volgt: “Op basis van de resultaten van het uitgevoerde vooronderzoek en de getrokken conclusies, is het onderzoeksgebied onverdacht verklaard op het aantreffen van conventionele explosieven of restanten daarvan in de bodem. De voorgenomen werkzaamheden kunnen plaatsvinden zonder dat vervolgstappen noodzakelijk zijn in de conventionele explosieven-opsporing. De werkzaamheden kunnen derhalve regulier worden uitgevoerd.” 6.1.3

Externe veiligheid

Rijkskader Externe veiligheid behandelt de risico's die ontstaan als gevolg van opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen. Deze risico’s kunnen hun weerslag hebben op de omgeving. Het wettelijke kader voor externe veiligheid bestaat onder meer uit: - het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) - de circulaire Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen (cRNVGS) - het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Enerzijds gaat het over de risicobronnen (bedrijven of transportroutes). Anderzijds gaat het over de risicoontvangers (omstanders die niets met de opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen te maken hebben). Wat betreft de risico-ontvangers maakt de wetgeving onderscheid in kwetsbare objecten en beperkt kwetsbare objecten. Kwetsbare objecten zijn gebouwen, waarin (of waarbij) groepen van circa 50 personen of groter, gedurende langere aaneengesloten tijd verblijven. Ook sommige gebouwen waarin/waarbij kleinere groepen verblijven, worden als kwetsbaar object gezien, wanneer die personen beperkt zelfredzaam zijn (zoals zieken, bejaarden of gehandicapten). Beperkt kwetsbare objecten zijn verspreid liggende woningen en bedrijven waarin/waarbij groepen van minder dan 50 personen gedurende langere aaneengesloten tijd verblijven.

In de landelijke wetgeving wordt meer gedetailleerd beschreven wat er onder kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten wordt verstaan. Belangrijk is hierbij dat de opsomming in de wetgeving niet limitatief is, zodat er in de verdere uitwerking van het beleid nog enige vrijheid rest. Verder maakt de wetgever onderscheid tussen het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico (PR) geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De kans heeft betrekking op een fictief persoon die continu op die plaats aanwezig is. Het PR kan op de kaart worden weergegeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. De wetgever schrijft voor hoe moet worden omgegaan met de PR 10-6/jaar. Binnen deze contour heeft iemand die hier continu aanwezig is de kans van 1 op één miljoen om te overlijden als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico (GR) is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang. Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting bij een calamiteit. Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit.

Dit invloedsgebied wordt begrensd door de 1% letaliteitsgrens (tenzij anders bepaald): de afstand waarop niet meer dan 1% van de blootgestelde mensen in de omgeving komt te overlijden bij een calamiteit met gevaarlijke stoffen. Gemeentelijk kader Ook in de gemeente Oss zijn risicobronnen aanwezig in de vorm van transportassen en stationaire activiteiten. Dit vraagt om een gemeentelijke visie. Op 19 mei 2011 heeft de gemeenteraad de

Bestemmingsplan Partiële herziening 2 Kom Geffen – 2016, pag. 35 van 54

Beleidsvisie Externe veiligheid vastgesteld. Deze beleidsvisie beschrijft op welke manier de gemeente Oss externe veiligheid in haar afwegingen betrekt. Verantwoording Door Antea Group is een (beschouwend) onderzoek externe veiligheid uitgevoerd. Het bijbehorende onderzoeksrapport, d.d. 27 maart 2019, hoort als bijlage bij deze plantoelichting en is opgenomen in een separaat bijlagenboek. In het kader van de voorgenomen ontwikkeling aan de Groenstraat te Geffen is een onderzoek externe veiligheid uitgevoerd. Uit dit onderzoek is gebleken dat er drie risicobronnen nabij het plangebied zijn. Het gaat hierbij om de spoorlijn Den Bosch Diezebrug aansluiting - Ressen Noord, een hogedruk aardgastransportleiding en de A59. Hieronder zijn de bevindingen ten aanzien van deze risicobronnen beschreven. Spoorlijn Den Bosch Diezebrug aansluiting - Ressen Noord - De spoorlijn heeft geen PR 10⁻⁶ contour; - De spoorlijn bevindt zich op meer dan 200 meter afstand tot het plangebied. Een risicoberekening is derhalve niet noodzakelijk; - Over de spoorlijn vindt transport van stofcategorie B2 plaats. Hierdoor ligt het plangebied binnen het invloedgebied van de spoorlijn. Verantwoording ten aanzien van de spoorlijn Den Bosch Diezebrug aansluiting - Ressen Noord is verplicht.

Doordat over de spoorlijn toxische stoffen worden vervoerd, verdient het de aanbeveling om de woningen te voorzien van ‘centraal afsluitbare mechanische ventilatie’. De genoemde verantwoording is terug te vinden in hoofdstuk 4 van het onderzoeksrapport, in welk hoofdstuk ook verwezen wordt naar de standaard verantwoording zoals opgenomen in het externe veiligheidsbeleid van de gemeente Oss. Hogedruk aardgastransportleiding A-527-05 - De hogedruk aardgastransportleiding heeft geen PR 10⁻⁶ contour - Uit de groepsrisicoberekening blijkt dat er géén groepsrisico is voor het plangebied ten aanzien van de hogedruk aardgastransportleiding. Een beperkte verantwoording is verplicht ten aanzien van de hogedruk aardgastransportleiding. Deze verantwoording is eveneens terug te vinden in hoofdstuk 4 van het onderzoeksrapport. A59

-

De A59 bevindt zich op meer dan 200 meter afstand tot het plangebied. Een risicoberekening is derhalve niet noodzakelijk De A59 heeft géén PR 10-6 contour. Hierdoor vormt dit geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling Het invloedgebied van de weg reikt niet tot het plangebied. Hierdoor vormt dit geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling

De A59 vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de voorgenomen planontwikkeling. 6.1.4

Geurhinder: agrarisch

De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) is het beoordelingskader voor geur bij milieuvergunningen, bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen. Het gaat uitdrukkelijk om agrarische geur van landbouwhuisdieren uit dierstallen. De wet maakt onderscheid tussen geurnormen voor intensieve en extensieve veehouderijen. De geurbelasting van intensieve veehouderijen wordt berekend en uitgedrukt in de vorm van een geurcontour. De geurbelasting van extensieve veehouderijen wordt uitgedrukt in vaste afstanden.

Bestemmingsplan Partiële herziening 2 Kom Geffen – 2016, pag. 36 van 54

De gemeente Oss heeft op basis van de wet een eigen geurbeleid opgesteld. Het geurbeleid bestaat uit twee delen: de “Geurgebiedsvisie Oss 2013” en de “Ruimtelijke ontwikkelingen en geurhinder gemeente Oss 2013”. Het hanteert per soort gebied een eigen geurnorm en streeft de volgende doelen na: - de burger beschermen tegen geurhinder; - de veehouderijen niet onnodig beperken; - ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk maken, onder de voorwaarde dat er een aanvaardbaar woonen leefklimaat is. De gemeentelijke “Ruimtelijke ontwikkelingen en geurhinder gemeente Oss 2013” is van belang voor de vraag of een ruimtelijke ontwikkeling kan plaatsvinden. De beleidsregel geeft aan wanneer sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Verantwoording Deze ontwikkeling is getoetst aan het meest recente toepasselijke beleid, neergelegd in de ‘Verordening geurhinder en veehouderij gemeente Oss 2017’ (vastgesteld op 13 april 2017 door de gemeenteraad van de gemeente Oss). Verder is gekeken naar de in juni 2018 door de Omgevingsdienst Brabant-Noord (Odbn) voor de gemeente Oss opgestelde kaart met daarop alle (agrarische) gecumuleerde achtergrondbelasting. Hieruit blijkt dat de geursituatie op de projectlocatie als goed beschouwd kan worden.

Ook is er gekeken naar de in juli 2018 door de Omgevingsdienst Brabant-Noord (Odbn) voor de gemeente Oss opgestelde kaart waarop de voorgrondcontouren zijn opgenomen. Daaruit blijkt dat er geen geurcontour de projectlocatie overschrijdt. De Ou-norm wordt niet overschreden. Uit de kaarten blijkt dat er op de projectlocatie sprake is van een goede situatie t.a.v. geurhinder van agrarische bedrijven. Hieruit kan worden afgeleid dat sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat (m.b.t. geur). Conclusie: gekeken naar het geurbeleid van Oss en de gecumuleerde achtergrondbelasting worden, wat betreft geurhinder van agrarische bedrijven, geen belemmeringen verwacht. 6.1.5 Geurhinder: industrieel Het nationale industriële geurbeleid is vastgelegd in de Nederlandse emissierichtlijn (NeR). De brief van het ministerie van Infrastructuur en Milieu van 30 juni 2005 stelt het rijksbeleid in grote lijnen vast. Het algemene uitgangspunt is het voorkomen van (nieuwe) hinder. Dit uitgangspunt vormt samen met het toepassen van de Beste Beschikbare Techniek (BBT) de kern van het geurbeleid. Uitgangspunten van het rijksbeleid zijn: - als er geen hinder is, zijn maatregelen niet nodig; - als er wel hinder is, worden maatregelen getroffen op basis van het Beste Beschikbare Techniekprincipe; - de gemeente stelt vast welke mate van hinder acceptabel is.

Gemeenten en provincies hebben de bevoegdheid om een eigen geurbeleid vast te stellen. De provincie Noord-Brabant heeft een eigen geurbeleid voor provinciale bedrijven, de Beleidsregel beoordeling geurhinder omgevingsvergunningen industriële bedrijven Noord-Brabant. De gemeente Oss heeft geen eigen industrieel geurbeleid. Per situatie stelt de gemeente Oss vast of sprake is van een acceptabel geurniveau. Er zijn verschillen in het niveau van bescherming mogelijk. Voor een bedrijfswoning kan bijvoorbeeld een hogere geurbelasting gehanteerd worden dan voor aaneengesloten woonbebouwing.

Bestemmingsplan Partiële herziening 2 Kom Geffen – 2016, pag. 37 van 54

Verantwoording Zoals deels al beschreven in de paragraaf ‘bedrijven en milieuzonering’ is het plangebied niet gelegen in de nabijheid van een gezoneerd industrieterrein. Ook ligt er in de nabijheid geen niet-gezoneerd industrieterrein. De in de buurt van het plangebied gelegen ‘bedrijven’ betreffen een brandweerkazerne en een transformatorhuisje. Zoals in de paragraaf ‘bedrijven en milieuzonering’ beschreven, hebben beide geen richtafstand voor geur. Deze locaties stoten ook geen geur uit. Voor geurhinder door industrie en bedrijven gelden overigens planologisch gezien geen wettelijke kaders. Voor richtafstanden kan echter wel gebruik worden gemaakt van de ‘Handreiking Bedrijven en milieuzonering’ zoals opgesteld door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG). Zoals hierboven aangegeven is dat gedaan waarbij de conclusie is dat op basis van de richtafstanden uit de handreiking en gelet op de ligging van de projectlocatie, geen belemmeringen worden verwacht m.b.t. het aspect (industriële) geur. 6.1.6 Luchtkwaliteit Het beleid en de regelgeving over luchtkwaliteit heeft tot doel om mensen te beschermen tegen de gezondheidseffecten van luchtverontreiniging. Ze bevatten luchtkwaliteitsnormen voor verschillende stoffen.

Ruimtelijke plannen of projecten die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit, zoals bestemmingsplannen, dienen getoetst te worden aan de Wet milieubeheer (afdeling 5.2.). Deze wet bevat grenswaarden voor de stoffen zwaveldioxide, stikstofdioxide, stikstofoxiden, fijn stof, lood, benzeen en koolmonoxide in de buitenlucht. In Nederland zijn de maatgevende luchtverontreinigende stoffen stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Overschrijding van de grenswaarden van andere stoffen komt bijna niet voor. De wet maakt onderscheid tussen kleine en grote ruimtelijke projecten. Kleine projecten zijn projecten die de luchtkwaliteit niet ‘in betekende mate’ (NIBM) verslechteren. Deze projecten hoeven niet meer beoordeeld te worden op luchtkwaliteit. Ze zijn namelijk zo klein dat ze geen wezenlijke invloed hebben op de luchtkwaliteit. Er is geen belemmering als een klein project niet of nauwelijks bij draagt aan luchtverontreiniging, óók niet in overschrijdingsgebieden (gebieden met te veel luchtvervuiling). De ministeriële Regeling NIBM geeft aan in welke gevallen een nieuw project in ieder geval een NIBMproject is. Dit is bijvoorbeeld het geval als er minder dan 500 woningen worden gebouwd bij minimaal één ontsluitingsweg, of minder dan 1.000 woningen bij twee ontsluitingswegen.

Het Besluit gevoelige bestemmingen beperkt de vestiging van zogeheten ‘gevoelige bestemmingen’, zoals een school, in de nabijheid van provinciale en rijkswegen. Het besluit is gericht op bescherming van mensen met een verhoogde gevoeligheid voor fijn stof (PM10) en stikstofdioxide (NO2), met name kinderen, ouderen en zieken. Daartoe voorziet het besluit in zones waarbinnen luchtkwaliteitsonderzoek nodig is: 300 meter aan weerszijden van rijkswegen en 50 meter langs provinciale wegen, gemeten vanaf de rand van de weg. Waar in zo’n onderzoekszone de grenswaarden voor PM10 of NO2 (dreigen te) worden overschreden, mag het totaal aantal mensen dat hoort bij een ‘gevoelige bestemming’ niet toenemen. Dit wordt bereikt door op zo’n plek de vestiging van bijvoorbeeld een school niet toe te staan. Bij uitbreidingen van bestaande gevoelige bestemmingen is een eenmalige toename van maximaal 10% van het totale aantal blootgestelden toegestaan. De volgende gebouwen met de bijbehorende terreinen zijn aangemerkt als gevoelige bestemming: scholen, kinderdagverblijven, en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Het gaat hierbij niet om bestemmingen in de meest enge zin van het woord, maar om alle vergelijkbare functies, ongeacht de exacte aanduiding ervan in bestemmingsplannen en andere besluiten.

Van doorslaggevend belang is de (voorziene) functie van het gebouw en het bijbehorende terrein. In de context van dit besluit worden ziekenhuizen, woningen en sportaccommodaties dus niet als gevoelige bestemming gezien. De gemeente heeft geen eigen regelgeving en beleid over luchtkwaliteit. Verantwoording NIBM-project

Bestemmingsplan Partiële herziening 2 Kom Geffen – 2016, pag. 38 van 54

Het project/bestemmingsplan voorziet in de bouw van in totaal 9 woningen. Dat is ruim onder de ondergrens van 500 woningen en dus kan geconcludeerd worden dat sprake is van een project dat de luchtkwaliteit niet in betekenende mate (NIBM) verslechtert. Besluit gevoelige bestemmingen Er is hier geen sprake van de vestiging van een zogenaamde ‘gevoelige bestemming’, zoals een school, kinderdagverblijf of bejaardentehuis, in het kader van bovengenoemde besluit. Een bestemming ten behoeve van woningbouw, zoals hier, wordt niet aangemerkt als een ‘gevoelige bestemming’ in het kader van voornoemd besluit. Dat betekent dat het besluit niet van toepassing is en een toets aan het besluit, i.v.m. mogelijke luchtverontreiniging door wegverkeer, dan ook achterwege kan blijven. Met betrekking tot een goed woon- en leefklimaat in relatie tot de (geur)achtergrondbelasting, merken we nog het volgende op. Gezien het feit dat er geen agrarische bedrijven of industrie in de nabijheid van het plangebied ligt (en raadplegen van de richtafstandenlijst behorende bij de handreiking bedrijven en milieuzonering derhalve ook niet nodig is) wordt geconcludeerd dat er, gekeken naar de luchtkwaliteit, geen belemmeringen zijn te verwachten.

De prognose is dat de luchtkwaliteit op de planlocatie ruim onder de wettelijke grenswaarden blijft, waardoor gesteld kan worden dat sprake is van een goed woon- en leefklimaat met betrekking tot luchtkwaliteit. Daarnaast draagt het project zelf dus niet in betekenende mate bij aan een slechtere luchtkwaliteit, zoals hierboven al aangegeven. Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor het planvoornemen. 6.1.7 Mobiliteit en parkeren De Mobiliteitsvisie Oss uit 2009 heeft als doel het in balans brengen van bereikbaarheid, leefbaarheid en veiligheid. De mobiliteitsvisie wordt uitgewerkt in het Mobiliteitsplan 2020 Oss. Het deelplan Wegen werkt het gewenste netwerk voor het autoverkeer uit. Per weg wordt de gewenste functie vastgelegd. Van belang is de vraag of een initiatief leidt tot extra verkeersbewegingen en of de toename van verkeersbewegingen passen binnen de normen die voor ontsluitingswegen gelden. De gemeente Oss heeft een gemeentelijk parkeerbeleidsplan vastgesteld. De nota Parkeernormen 2017 gemeente Oss geeft aan welke parkeernormen voor welke gebieden gelden. Verantwoording verkeer (extra verkeersbewegingen en ontsluitingswegen) en parkeren Extra verkeersbewegingen en ontsluitingswegen De nieuwe woonpercelen binnen het plangebied worden direct ontsloten op het bestaande stratenpatroon van Geffen.

De vijf woningen aan de noordzijde van het plangebied worden direct ontsloten op Den Herd. De vier woningen aan de zuidzijde van het plangebied krijgen een eigen inrit naar de Groenstraat. Uitgaande van acht voertuigbewegingen per woning per etmaal leidt dit bouwplan tot 72 extra voertuigbewegingen. Dit betekent een zeer beperkte toename van het verkeer in de omgeving. Voor beide straten is deze toename verkeerskundig geen enkel probleem. Parkeren In het plan dient voldaan te worden aan de gestelde parkeernormen van de gemeente Oss, Parkeernormen 2017. Binnen het plangebied worden alleen vrijstaande woningen gerealiseerd. De hiervoor geldende norm bedraagt 2,3 parkeerplaats per woning. Het ‘bezoekersparkeren’, zijnde 0,3 parkeerplaats per woning, is bij deze norm inbegrepen. Bij deze woningen is het uitgangspunt dat er twee parkeerplaatsen op eigen terrein worden gerealiseerd. Het bezoekersparkeren kan in de berm naast de rijbaan plaatsvinden. Daarvoor kunnen de benodigde parkeervoorzieningen worden aangelegd (1,5 plaats totaal voor de 5 woningen aan Den Herd en 1,2 plaats totaal voor de woningen aan de Groenstraat) indien nodig. De wijk biedt echter voldoende

Bestemmingsplan Partiële herziening 2 Kom Geffen – 2016, pag. 39 van 54

parkeerplaatsen in de openbare ruimte voor bezoekers dus is het meer voorstelbaar dat bezoekers daarvan gebruik maken, ook gelet op de genoemde lage norm voor bezoekersparkeren in deze. Verder ligt er bij de postduivenvereniging een grote parkeerplaats waarvan bezoekers gebruik zouden kunnen maken. Uit bovenstaande motivering, eveneens terug te vinden in hoofdstuk 3 van deze plantoelichting, blijkt dat de aspecten verkeer en parkeren geen belemmering vormen voor deze ontwikkeling. 6.1.8 Straling Het beleid voor elektromagnetische velden is opgenomen in het Nationaal Milieubeleidsplan (NMP4), de Toekomstagenda Milieu en de beleidsnota Nuchter Omgaan met Risico's, beslissen met gevoel voor onzekerheden (2004). Het ministerie van Infrastructuur en milieu heeft het beleid voor bovengrondse hoogspanningslijnen uitgewerkt in een advies van oktober 2005. Dit advies is verder toegelicht in een brief van november 2008. De gemeente Oss heeft in het Milieubeleidsplan 2010-2014 het rijksadvies vastgelegd als beleidsuitgangspunt. Dit houdt in dat er bij nieuwbouwplannen of het realiseren van nieuwe hoogspanningslijnen voorkomen dient te worden dat er gevoelige bestemmingen terecht komen in een zone waar het magnetische veld gemiddeld over een jaar hoger is dan de norm van 0,4 microtesla.

Verantwoording Nieuw te realiseren woningen mogen niet gepland worden in een bovengenoemde zone waar het magnetische veld gemiddeld over een jaar hoger is dan de norm van 0,4 microtesla. Dat betekent voor wat betreft bovengrondse hoogspanningslijnen dat een afstand van 80 m aangehouden dient te worden. Deze ontwikkeling is niet gelegen binnen de 80 m-zone van een bovengrondse hoogspanningslijn. In de buurt van de planlocatie zijn überhaupt geen hoogspanningslijnen gelegen. Het aspect straling is daarmee geen belemmering voor deze ontwikkeling. 6.1.9 Water De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater. Ook verbetert de Waterwet de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) stelt een watertoets verplicht voor ruimtelijke plannen waarin waterbelangen spelen. De watertoets bewaakt de waterkwaliteit en waterkwantiteit. Een watertoets is het hele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en beoordelen. Waterhuishoudkundige aspecten zijn onder meer veiligheid, wateroverlast, waterkwaliteit, verzilting en verdroging. De watertoets heeft betrekking op alle wateren: rijkswateren, regionale wateren, gemeentelijke en particuliere wateren en grondwater. De gemeente Oss heeft in 2013 een integraal plan Watertaken vastgesteld. Het plan bestaat uit twee delen.

Het “verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan” (vGRP) regelt de zorg voor inzameling en transport van afvalwater. Ook regelt het vGPR een doelmatige verwerking van afvloeiend hemelwater en overtollig grondwater. Daarnaast biedt het plan Watertaken een kader voor de andere watertaken van de gemeente. De gemeente is verantwoordelijk voor de openbare ruimte. Het gaat vooral om de zorg voor oppervlaktewater in bebouwd gebied. De gemeente is ook verantwoordelijk voor een goede ruimtelijke ordening. Het gaat om voldoende ruimte voor water in ruimtelijke plannen. De watertoets is opgenomen in het Besluit op de ruimtelijke ordening (Bro). Beleid van gemeente, provincie en rijk is van toepassing bij een watertoets. Toetsing van de waterparagraaf in een ruimtelijk plan gebeurt op kwaliteit en kwantiteit. De verwerking van hemelwater, afvalwater en planologische ‘waterbestemmingen’ komen aan bod. Watertoets In eerste instantie is een digitale watertoets uitgevoerd waaruit blijkt dat er voor de ontwikkeling van dit plangebied belangen van het waterschap spelen.

Bestemmingsplan Partiële herziening 2 Kom Geffen – 2016, pag. 40 van 54

Omdat in het plan sprake is van een verhardingstoename van ca. 3000 m² binnen het plangebied dient er volgens de Keur van het Waterschap Aa en Maas gecompenseerd te worden. Deze toename is ten opzichte van de bestaande (onbebouwde) situatie. Juridisch-planologisch geldt er voor een gedeelte aan Den Herd reeds een woonbestemming. Ook de wateropgave is hiervoor in betreffend bestemmingsplan (moeder-bestemmingsplan 'Kom Geffen – 2016’) reeds geregeld. Ten opzichte hiervan is de verhardingstoename in deze partiële herziening veel beperkter, namelijk slechts ca. 1500 m². Uitgaande van ca. 3000 m² verhardingstoename betekent dit dat er op basis van een eerste berekening conform de actuele rekenregels circa 180 m² (3000 x 0,06 x 1) binnen het plangebied geborgen dient te worden. In de berekening is rekening gehouden met de gevoeligheidsfactor 1 voor stedelijk gebied en een compensatie conform de nieuwe Keur van 60 millimeter/m² verhardingstoename. Hiervoor is geen vergunning nodig. Hierbij is er van uitgegaan dat de woningen hun eigen regenwater niet volledig op het eigen perceel kunnen infiltreren. Binnen het plangebied is echter voldoende ruimte om het regenwater te infiltreren. Om te kunnen voldoen aan het uitgangspunt hydrologisch neutraal bouwen dient al het regenwater binnen het plangebied geborgen danwel geïnfiltreerd te worden, of vertraagd afgevoerd te worden.

Er is een buffer voorzien door de bestaande watergang aan de westzijde van de Verlengde De Run door te trekken naar het plangebied en daar te laten uitmonden in een waterplas/waterberging. Van het hemelwater zal de eerste 10 mm door particulieren op eigen terrein gebufferd/verwerkt dienen te worden (conform de eisen van de gemeente Oss). Het overige hemelwater van particuliere percelen zal bovengronds naar de nieuwe berging (waterpartij) aan de westzijde van het plangebied en de bestaande sloot aan de zuidzijde worden afgevoerd. De groenzone met aan te leggen waterplas/waterberging is ruim 2000 m² groot en biedt voldoende ruimte voor een adequate berging. Bij de uitvoering van het bestemmingsplan zal de definitieve inrichting en maatvoering/dimensionering van de waterbergingsvoorzieningen worden bepaald. 6.1.10 Weg-, spoor- en industrielawaai De Wet geluidhinder (Wgh) biedt bescherming tegen (spoor)weglawaai en tegen industrielawaai van inrichtingen voor zover gelegen op een gezoneerd industrieterrein. In de Wgh wordt een beperkt aantal typen objecten beschermd, de zogenoemde geluidgevoelige objecten. De Wet geluidhinder kent een stelsel van normen ter voorkoming van geluidhinder. Ter bescherming van woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen zijn grenswaarden opgenomen.

Hierbij is een ondergrens (voorkeursgrenswaarde) en een bovengrens (maximaal toelaatbare grenswaarde) opgenomen. De Wgh biedt gemeenten de mogelijkheid om gericht in te spelen op de lokale situatie door maatwerk te leveren. Burgemeester en wethouders kunnen een hogere waarde vaststellen dan de ondergrens, maar mogen daarbij de bovengrens niet overschrijden. In 2010 heeft de gemeenteraad van Oss de geluidsnota “Geluidskwaliteit in de leefomgeving” vastgesteld. De gemeente Oss maakt hierbij gebruik van gebiedsgericht geluidbeleid. Per gebied wordt een geluidskwaliteit nagestreefd. Zo zijn er ‘rustige gebieden’, ‘dynamische gebieden’ en er zijn gebieden die ten aanzien van geluid onder druk staan. De geluidsnota gaat ook in op de realistische inzet van onderzoek, het stellen van eigen criteria voor het toestaan van een hogere waarde en bedrijfswoningen op industrieterreinen. De gemeente Oss streeft naar een leefbare woonsituatie, ook op locaties met een hoge geluidsbelasting. Deze leefbaarheid wordt bereikt door terughoudend te zijn met hogere grenswaarden en door hieraan voorwaarden te verbinden. Deze voorwaarden leggen de initiatiefnemer of de beheerder een inspanning op voor een leefbare woonomgeving als compensatie voor het bouwen en het veroorzaken van een lawaaiige situatie.

Bestemmingsplan Partiële herziening 2 Kom Geffen – 2016, pag. 41 van 54

Zonering van industrielawaai in het kader van de Wet geluidhinder is het ruimtelijk scheiden van industrieterreinen waarop (grote) lawaaimakers zijn gevestigd enerzijds en woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen anderzijds. Ook in Oss is er een aantal gezoneerde industrieterreinen. Met zonering wordt beoogd rechtszekerheid te bieden aan zowel bedrijven als aan bewoners/gebruikers van woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen. Bedrijven kunnen aan de ene kant hun geluidsproducerende activiteiten niet onbeperkt uitbreiden ter bescherming van woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen binnen en buiten de zone. Aan de andere kant wordt, ter bescherming van hun akoestische ruimte, voorkomen dat woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen te veel oprukken naar de bedrijven toe. Verantwoording Deze partiële herziening heeft betrekking op het mogelijk maken van de bouw van 9 vrijstaande woningen. Een woning is een geluidsgevoelig object in de zin van de Wet geluidhinder en daarom is, in het kader van (spoor)weglawaai en industrielawaai van inrichtingen voor zover gelegen op een gezoneerd industrieterrein, gekeken naar de ligging van de op te richten woningen ten opzichte van gezoneerde industrieterreinen (1), spoorzones (2) en wegzones (3). In dat kader het volgende.

• Ad 1 en 2: de te realiseren woningen zijn niet gelegen binnen de invloedssfeer van een gezoneerd industrieterrein en een spoorzone. De geluidzone voor railverkeer bedraagt ca. 600 meter. Het plangebied ligt niet in de geluidzone. Verder ligt het plangebied dermate ver van het spoor af (ca. 900 meter) en wordt het afgeschermd door omliggende woningen dat de voorkeursgrenswaarde (55 dB) niet wordt overschreden op de gevel. Verder ligt er geen gezoneerd industrieterrein in de buurt van het plangebied. De gemeente Oss heeft 3 gezoneerde industrieterreinen, Vorstengrafdonk, Molada en Elzenburg, en deze liggen niet in de buurt van het plangebied. • Ad 3: de woningen zijn wel gelegen binnen de invloedssfeer van wegzones. Er is daarom een onderzoek uitgevoerd naar de geluidbelasting ten gevolge van het wegverkeer in de omgeving. Het onderzoeksrapport van SPA WNP ingenieurs d.d. 22 januari 2019 is als bijlage bij deze toelichting in een separaat bijlagenboek opgenomen. De samenvatting en conclusies van het onderzoek luiden als volgt: In het gebied tussen de Groenstraat en de Den Herd in Geffen wil de gemeente Oss 9 nieuwe woningen realiseren. De gevels van het plan ondervinden een geluidbelasting ten gevolge van het wegverkeer in de omgeving.

Ten behoeve van de ruimtelijke onderbouwing van de plannen is een akoestisch onderzoek uitgevoerd en is de situatie beoordeeld aan de hand van de Wet geluidhinder, de Wet ruimtelijke ordening en het gemeentelijke geluidbeleid. Doel van dit onderzoek is het bepalen van de geluidbelasting binnen het plangebied voor zover deze wordt veroorzaakt door het relevante wegverkeer. De nieuwe woningen liggen binnen de bebouwde kom van Geffen in de geluidzone van de: Groenstraat/Heesterseweg, de Molengraaf en de Papendijk (zuidelijk deel). Voor het noordelijke deel van de Papendijk geldt een maximale rijsnelheid van 30 km/uur. Ondanks het feit dat er geen sprake is van een geluidzone langs deze weg, is in het voorliggende onderzoek de geluidbelasting ten gevolge van deze weg toch berekend. Dit omdat: · de gemeente in het kader van een goede ruimtelijke onderbouwing de belangen van het realiseren van het bouwplan af moet wegen tegen de mogelijke hinder door de geluidbelasting; · bij het realiseren van de woningen deze geluidbelasting meegenomen kan worden bij de beoordeling van de geluidwering in het kader van een goed woonklimaat. De overige wegen liggen op grotere afstand van het plangebied en/of de verkeersintensiteit is er dusdanig gering (o.a. Den Herd), dat deze wegen niet relevant zijn met betrekking tot de geluidbelasting.

Uit het onderzoek blijkt dat alleen de geluidbelasting ten gevolge van het verkeer op de Groenstraat/Heesterseweg bij de vier eerstelijns woningen, hoger is dan de voorkeurswaarde (= 48 dB), maar lager is dan de maximale ontheffing (= 63 dB). Ten gevolge van de overige gezoneerde wegen zal de geluidbelasting ruim lager zijn dan de voorkeurswaarde. Ook ten gevolge van het

Bestemmingsplan Partiële herziening 2 Kom Geffen – 2016, pag. 42 van 54

noordelijke deel van de Papendijk (30 km-weg), zal de geluidbelasting ruim lager zijn dan de voorkeurswaarde zoals deze geldt voor gezoneerde wegen. Gezien de situatie en de berekende waarden zijn er geen reële maatregelen mogelijk om de geluidbelasting bij de vier eerstelijns woningen te reduceren tot maximaal 48 dB (de voorkeurswaarde). Om deze woningen te kunnen realiseren moet de gemeente Oss hogere waarden tot 54 dB, ten gevolge van het wegverkeerslawaai op de Groenstraat/Heesterseweg vaststellen en vastleggen in het kadaster. Hierbij wordt opgemerkt dat voldaan wordt aan alle voorwaarden die de gemeente Oss stelt aan de verlening van hogere waarden voor nieuwbouw. Zo hebben alle nieuwe woningen minimaal 1 geluidluwe gevel. De achtertuinen (buitenruimten) zijn gelegen aan deze geluidluwe gevel. Als ontheffingscriterium voor het vaststellen van hogere waarden geldt hier dat “de nieuwe woningen een open plaats opvullen tussen aanwezige bebouwing”. Verder geldt dat de vier eerstelijns woningen een afschermend effect hebben voor de nieuwe en bestaande woningen daarachter.

Om een goed woon- en leefklimaat binnen de vier eerstelijns woningen te realiseren, is het nodig dat de karakteristieke geluidwering van de gevels voldoen aan de eisen uit het Bouwbesluit Een andere geluidsbron in het gebied is de brandweerkazerne aan de Groenstraat 19 in de vorm van sirenes bij uitrukking met alarmering bij brand. De VNG brochure bedrijven en milieuzonering schrijft een richtlijnafstand voor tot het houden van 50 meter afstand vanwege geluid tussen brandweerkazerne en gevoelige functies zoals nieuwe woningen. De nieuwe woningen liggen op meer dan 50 meter afstand waardoor voldaan wordt aan deze richtlijn. 6.1.11 Gezondheid Met betrekking tot dit aspect is gekeken naar geitenhouderijen in de nabijheid van het project. Zoals te zien in de onderstaande figuur ligt er geen geitenhouderij (met 50 geiten of meer) binnen een straal van twee kilometer van het plangebied. We beschouwen deze ontwikkeling dan ook als aanvaardbaar, voor wat betreft volksgezondheid in relatie tot geitenhouderijen, gezien: •

•

•

Er ligt géén geitenhouderij met meer dan 50 geiten binnen twee kilometer van de beoogde locatie. De VGO onderzoeken hanteren een ondergrens van 50 geiten op bedrijven. Bedrijven met minder dieren worden niet meegenomen. Het is logisch om aan te sluiten bij deze aanpak. De relatief grote afstand tussen de geitenhouderij en het plangebied. Gezien de recente bevindingen in het VGO-3 onderzoek blijkt dat de associatie vooral sterk is naarmate de afstand tussen plangebied en geitenhouderij kleiner is. In dit geval betreft de afstand meer dan 2000 meter, een relatief grote afstand. Informatiemogelijkheid bewoners. Toekomstige bewoners kunnen nader worden geïnformeerd over de aanwezigheid van een geitenhouderij en de (mogelijk) daaruit voortkomende gezondheidsrisico's.

Bestemmingsplan Partiële herziening 2 Kom Geffen – 2016, pag. 43 van 54

Figuur met rood omlijnd de ligging van het plangebied t.o.v. de 2 km grens rondom geitenhouderijen

6.2 Waarden Binnen het plangebied voorkomende waarden op het vlak van natuur, archeologie of cultuurhistorie dienen te worden gerespecteerd en beschermd, mogelijk zelfs bevorderd. Bij ontwikkelingen moet proactief rekening worden gehouden met de aanwezige waarden. Achtereenvolgens komen aan bod: - Archeologie en cultuurhistorie (§ 6.2.1) - Natuur (§ 6.2.2) 6.2.1

Archeologie en cultuurhistorie

Archeologie: wettelijk kader De gemeente is op basis van artikel 38a van de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz) verplicht om rekening te houden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten (rekening houden met archeologie bij een bestemmingsplan). Ook in de Erfgoedwet/Omgevingswet is/wordt dit verankerd. Archeologie: gemeentelijk en provinciaal beleid Beleidsmatig heeft de gemeente Oss voornoemde wettelijke plicht vertaald in de nota ‘Archeologiebeleid gemeente Oss 2010’, vastgesteld door de gemeenteraad op 14 oktober 2010. In 2015 heeft de gemeenteraad het archeologiebeleid (opnieuw) vastgesteld. Dit was nodig vanwege de gemeentelijke herindeling met Maasdonk. Onderdeel van de vaststelling in 2015 is het rapport ‘Actualisatie archeologiebeleid gemeente Oss, een herziene archeologische beleidskaart voor het nieuwe grondgebied van de gemeente Oss’. Aan de hand van onderzoeken, inzichten en boringen in het veld zelf zijn de eerdere archeologische kaarten gedeeltelijk bijgesteld. De wijzigingen zijn per deelgebied in het rapport uiteengezet. Er kan sprake zijn van een hoge, een middelhoge of een lage verwachtingswaarde. In het beleid is vastgelegd welke acties moeten worden ondernomen bij voorgenomen ontwikkelingen/werkzaamheden.

Een en ander is afhankelijk van de gebiedscategorie (laag, middelhoog, hoog: zie verderop) waarin de voorgenomen ontwikkeling is gelegen. Zo moet in gebied met een hoge archeologische verwachtingswaarde onderzoek uitgevoerd worden indien de oppervlakte van de ontwikkeling 100 m² of meer bedraagt en de bodem dieper dan 30 cm geroerd wordt. In gebied met een middelhoge verwachtingswaarde is het criterium een oppervlakte van 1000 m² of meer en dieper dan 30 cm roering. Voor bepaalde ook anderszins waardevolle gebieden, zoals historische stadskernen en beschermde stadsgezichten, gelden weer andere criteria. Het verdient aanbeveling om aan de ‘voorkant’, dat wil

Bestemmingsplan Partiële herziening 2 Kom Geffen – 2016, pag. 44 van 54

zeggen voordat de ruimtelijke onderbouwing of plantoelichting wordt opgesteld, onderzoek te doen. Afhankelijk van de verwachtingswaarde van het gebied waarin de ontwikkeling is voorgenomen, kan dat een bureauonderzoek, een booronderzoek, een proefsleuvenonderzoek of een daadwerkelijk opgravingsonderzoek zijn. In geval van onderzoek vooraf is wellicht, uiteraard afhankelijk van de uitkomst daarvan, geen bescherming nodig door het opnemen van een zogenaamde dubbelbestemming in de planregels. Daarover hieronder meer. Indien vooraf geen onderzoek is gedaan is het in elk geval noodzakelijk dat de archeologische (verwachtings)waarde beschermd wordt door borging in de planregels. Het provinciale archeologisch beleid is neergelegd in de Verordening ruimte en op de provinciale Cultuurhistorische waardenkaart 2010. Hierin is de bescherming van aardkundig waardevolle gebieden en archeologische landschappen geregeld. Het gemeentelijk archeologisch beleid is veel gedetailleerder dan het algemene provinciale beleid op dit punt en prevaleert daarom ook boven het provinciale archeologisch beleid. Overigens is het gemeentelijk beleid getoetst door de provincie en akkoord bevonden.

Archeologie: bestemmingsplanregels en regels in provinciale Verordening ruimte Zoals hierboven ook al kort aangestipt vertaalt de gemeente Oss de wet (Wamz) en het archeologisch beleid ook door in standaard bestemmingsplanregels. Zo heeft de gemeente bestemmingsplanregels (dubbelbestemmingen: dat wil zeggen dat deze naast de hoofdbestemming gelden) voor bescherming van historische kernen, beschermde monumenten, monumenten en voor gebieden met een middelhoge of hoge archeologische verwachtingswaarde. Met deze regels kan, ter bescherming van archeologische waarden, worden bepaald wanneer er een omgevingsvergunning voor bepaalde werkzaamheden nodig is, wanneer dat niet het geval is en onder welke omstandigheden en met welke nadere eisen en voorwaarden een omgevingsvergunning kan worden verleend. Ook de provinciale Verordening ruimte bevat regels ter bescherming van aardkundig waardevolle gebieden en archeologische landschappen. Bescherming van deze laatste categorie geschiedt doordat de ‘vlakken’ met aanduiding archeologisch landschap overeenkomen met de aanduiding aardkundig waardevolle gebieden in de Verordening ruimte. Verantwoording In dit kader is door de gemeentelijk archeoloog een (bureau)onderzoek uitgevoerd. Het rapport d.d. 21 mei 2019 daarvan is als bijlage bij deze toelichting opgenomen in een separaat bijlagenboek.

De conclusie van het uitgevoerde onderzoek is als volgt: Direct ten noorden van het plangebied heeft voorafgaand aan de ontwikkeling van de woonbuurt Verlengde De Run, in 2005 een archeologisch proefsleuvenonderzoek plaatsgevonden. Het proefsleuvenonderzoek destijds heeft echter geen relevante (behoudenswaardige) archeologische sporen aan het licht gebracht. Daarop is geadviseerd het gebied zonder nader archeologisch onderzoek middels opgraving vrij te geven. De aangetroffen situatie met relatief recente verkavelingsgreppels, spitsporen en zandontgravingskuilen, zonder enig vondstmateriaal, kan zonder enige twijfel worden geëxtrapoleerd naar het onderhavige plangebied Groenstraat (Bron: Hamburg, T. / M. Hemminga, 2006: Inventariserend Veldonderzoek Geffen ’t Run (2005), Archol-rapport 60). Op grond van bovenstaande overweging, wordt geadviseerd om de dubbelbestemming waarde archeologie ‘verwachtingswaarde hoog’, zoals die is opgenomen in het moederplan Kom Geffen – 2016, in de partiële herziening te laten vervallen en niet op te nemen op de verbeelding. Archeologisch onderzoek heeft hier in het kader van de voorgenomen ontwikkeling geen meerwaarde. Het aspect archeologie is derhalve geen belemmering voor het planvoornemen. Cultuurhistorie: molenbiotoop Een stukje buiten het plangebied van deze partiële herziening staat een molen, aan de Groenstraat 20.

In verband daarmee bevat het moederplan ‘Kom Geffen – 2016’ een zogenaamde algemene

Bestemmingsplan Partiële herziening 2 Kom Geffen – 2016, pag. 45 van 54

aanduidingsregel ‘vrijwaringszone – molenbiotoop’ (art. 29). Hiermee wordt de windvang op de molen beschermd en geborgd. De afstand van het hart van de molen tot de dichtstbijzijnde nieuw op te richten bebouwing, bedraagt ca. 120 meter. Op grond van de planregels mag de maximale bouwhoogte dan 10,1 meter zijn. Zoals op te maken uit de verbeelding bij deze partiële herziening, is de maximale bouwhoogte 9 meter. Conclusie is derhalve dat de nieuw op te richten bebouwing geen belemmering is voor de windvang van en het zicht op de molen. 6.2.2 Natuur Bij de bescherming van natuurwaarden gaat het enerzijds om soortenbescherming en anderzijds om gebiedsbescherming. Beschermde plant- en diersoorten ontlenen hun bescherming onder andere aan opname in de Flora- en faunawet. Deze bescherming moet er toe leiden dat het voortbestaan van de soort niet in gevaar komt. De gebiedsbescherming is verankerd in de Natuurbeschermingswet. Wet natuurbescherming De Wet natuurbescherming is op 1 januari 2017 in werking getreden en beschermt Nederlandse natuurgebieden en plant- en diersoorten. Het is belangrijk voor de natuur dat er veel verschillende planten diersoorten zijn. Wanneer het met de natuur goed gaat, is er ook meer ruimte voor economische en andere maatschappelijke activiteiten. Maar sommige soorten zijn kwetsbaar, zoals vleermuizen en mussen.

Een goede natuurbescherming is dan ook belangrijk. De Wet natuurbescherming vervangt 3 wetten die tot 1 januari 2017 golden: - De Natuurbeschermingswet 1998. Deze wet regelde de natuurbescherming van gebieden. - De Flora- en faunawet. Deze wet beschermde in het wild voorkomende diersoorten en plantensoorten. - De Boswet. Deze wet beschermde de Nederlandse bossen. Met één wet en minder regels wordt de regelgeving voor natuurbescherming overzichtelijker. Programma Aanpak Stikstof Te veel stikstof in de natuur is schadelijk voor verschillende planten en dieren. De overheid wil de hoeveelheid stikstof in de natuur (stikstofdepositie) terugdringen, met name de invloed van nieuwe op Natura 2000-gebieden. Daarvoor is het Programma Aanpak Stikstof (PAS) ingevoerd. Met een vergunningstelsel bood het PAS ruimte aan nieuwe activiteiten die stikstof uitstootten. Rolverdeling tussen provincies en Rijk Sinds 1 januari 2017 bepalen de provincies wat wel en niet mag in de natuur binnen de provincie. De provincies zorgen voor de vergunningen en ontheffingen. De Rijksoverheid blijft verantwoordelijk voor het beleid van grote wateren en internationaal beleid (zoals Natura2000). Ruimtelijke plannen en omgevingsvergunningen die invloed hebben op beschermde natuur moeten passen binnen de Wet natuurbescherming, Daarnaast gelden ook provinciale regelingen voor natuurbescherming.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Oss&id=ddb5e8b0-6423-445c-acdb-7eb82ea2400c