CConstaterende datOss
Koppel je AI →
Document · PDF

2 Toelichting.PDF

Gemeenteraad 11 maart 2021, gemeente OssBij agendapunt: A Vaststellen bestemmingsplan Partiele Herziening Kom Geffen - 201620.170 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

BESTEMMINGSPLAN Partiële Herziening 2 Kom Geffen – 2016 Toelichting

Gemeente Oss | Raadhuislaan 2 | 5341 GM | Oss | T: 14 0412 | F: 0412 642605 | www.oss.nl |

Bestemmingsplan Partiële herziening 2 Kom Geffen – 2016, pag. 1 van 54

Bestemmingsplan Partiële herziening 2 Kom Geffen – 2016 Toelichting

Bestemmingsplan Partiële herziening 2 Kom Geffen – 2016, pag. 2 van 54

INHOUDSOPGAVE TOELICHTING Hoofdstuk 1 Inleiding ............................................................................................................................... 6 1.1 Aanleiding en korte planbeschrijving ............................................................................................ 6 1.2 Begrenzing plangebied ................................................................................................................. 6 1.3 Geldende bestemmingsplannen ................................................................................................... 7 Hoofdstuk 2 Bestaande situatie ............................................................................................................... 9 2.1 Ontstaansgeschiedenis ................................................................................................................ 9 2.2 Bestaande situatie ...................................................................................................................... 10 Hoofdstuk 3 Toelichting op het plan ...................................................................................................... 12 3.1 Beoogde situatie .........................................................................................................................

12 3.2 Stedenbouwkundige karakteristiek ............................................................................................. 12 3.3 Functionele karakteristiek ........................................................................................................... 13 3.4 Verkeer en parkeren ................................................................................................................... 14 3.5 Groen en water ........................................................................................................................... 14 Hoofdstuk 4 Toelichting op de regels .................................................................................................... 15 4.1 Algemeen.................................................................................................................................... 15 4.2 Regels......................................................................................................................................... 15 Hoofdstuk 5 Beleidskader en programma ............................................................................................. 17 5.1 Wettelijk kader ............................................................................................................................

17 5.2 Rijksbeleid .................................................................................................................................. 19 5.3 Provinciaal beleid ....................................................................................................................... 20 5.4 Gemeentelijk beleid .................................................................................................................... 26 Hoofdstuk 6 Verantwoording.................................................................................................................. 32 6.1 Milieu- en omgevingsaspecten ................................................................................................... 32 6.2 Waarden ..................................................................................................................................... 43 6.3 Defensie...................................................................................................................................... 47 6.4 Milieueffectrapportage (M.e.r.) ................................................................................................... 47 Hoofdstuk 7 Handhaving........................................................................................................................

50 7.1 Beleidskader ............................................................................................................................... 50 7.2 Professionele handhaving en handhavingprogramma ............................................................... 50 7.3 Handhaafbaarheid, positief bestemmen, overgangsrecht .......................................................... 51 Hoofdstuk 8 Economische uitvoerbaarheid ........................................................................................... 52 Hoofdstuk 9 Overleg en maatschappelijke uitvoerbaarheid .................................................................. 53 9.1 Inspraak ...................................................................................................................................... 53 9.2 Wettelijk vooroverleg en overleg andere instanties .................................................................... 53 9.3 Zienswijzen ................................................................................................................................. 54

REGELS VERBEELDING BIJLAGEN zie separaat bijlagenboek • Rapport ‘Bouwplan Groenstraat/Den Herd in Geffen, Akoestisch onderzoek Wet geluidhinder

Bestemmingsplan Partiële herziening 2 Kom Geffen – 2016, pag. 3 van 54

Wegverkeerslawaai’ d.d. 22 januari 2019 (SPA WNP ingenieurs) • Rapport ‘Verkennend bodemonderzoek Verlengde Run te Geffen’ d.d. 3 januari 2019 (NIPA milieutechniek BV), • Rapport ‘Beschouwing externe veiligheid, De Run - Groenstraat in Geffen, Gemeente Oss’ d.d. 27 maart 2019 (Antea Group) • Rapport ‘Vooronderzoek conventionele explosieven, Groenstraat Geffen, gemeente Oss’ d.d. 20 mei 2019 (Bombs Away BV Utrecht) • Rapport ‘Quickscan Flora & Fauna, Groenstraat Geffen’ d.d. 21 mei 2019 (uitvoerrapport Nationale Databank Flora en Fauna ) • Onderzoeksrapport ‘archeologie’ d.d. 21 mei 2019 • Besluit hogere waarden Wet geluidhinder d.d. 15 april 2021 • Zakelijke beschrijving overeenkomst d.d. 4 oktober 2018 • Stikstof / PAS onderbouwing 14 juli 2020 • Nota van zienswijzen

Bestemmingsplan Partiële herziening 2 Kom Geffen – 2016, pag. 4 van 54

TOELICHTING Bestemmingsplan Partiële herziening 2 Kom Geffen – 2016

Bestemmingsplan Partiële herziening 2 Kom Geffen – 2016, pag. 5 van 54

Bestemmingsplan Partiële herziening 2 Kom Geffen – 2016, pag. 6 van 54

Hoofdstuk 1 1.1

Inleiding

Aanleiding en korte planbeschrijving

De aanleiding voor deze partiële planherziening is het verzoek van enkele particuliere initiatiefnemers om op hun gronden aan de Groenstraat woningbouwkavels te ontwikkelen. In deze planherziening is ook een aangrenzende strook grond van de gemeente aan Den Herd betrokken. Deze strook grond sluit aan op de woonbuurt Verlengde De Run. Door deze gemeentelijke en particuliere gronden in de planherziening samen te nemen is het mogelijk om hier tot een logische ruimtelijke afronding van de woonbuurt Verlengde De Run en de kern Geffen te komen. Met deze partiële planherziening wordt het planologisch mogelijk gemaakt om in het plangebied in totaal negen vrijstaande woningen te bouwen; vijf woningen aan Den Herd op gemeentegrond en vier woningen aan de Groenstraat op particuliere grond. Met dit bestemmingsplan wordt onderbouwd dat het ruimtelijk voorstelbaar en milieukundig aanvaardbaar is om op deze locatie in totaal negen vrijstaande woningen te realiseren. 1.2

Begrenzing plangebied

Het plangebied ligt aan de zuidwestzijde van de kern Geffen.

Ligging plangebied aan zuidwestzijde van de kern Geffen

Bestemmingsplan Partiële herziening 2 Kom Geffen – 2016, pag. 7 van 54

Het gebied wordt aan drie zijden omsloten door straten. Aan de noordzijde ligt Den Herd, een straat binnen de woonbuurt Verlengde De Run. Aan de zuidzijde ligt de Groenstraat, een oude, landelijke verbindingsweg die de kern Geffen aan de zuidzijde begrenst. Aan de westzijde ligt de Molengraaf. Ook een oude weg die de overgang vormt tussen de bebouwde kern en het buitengebied. Aan de oostzijde wordt het plangebied begrensd door een woonperceel, Groenstraat 17.

Begrenzing plangebied

Het gaat om de kadastrale percelen Geffen, sectie C, nummers 4930, 4932, 5009, 5562, 5563 en 6041. 1.3

Geldende bestemmingsplannen

Tot de inwerkingtreding van voorliggend bestemmingsplan “Partiële Herziening 2 Kom Geffen – 2016” geldt binnen het plangebied het bestemmingsplan “Kom Geffen – 2016”, vastgesteld op 1 juni 2017. Het grootste gedeelte van de strook grond in eigendom van de gemeente heeft in het geldende bestemmingsplan Kom Geffen – 2016 een woonbestemming. Binnen deze strook kunnen op basis van het geldende bestemmingsplan (maximaal) 9 patio-woningen worden gerealiseerd. De gronden in particulier eigendom hebben in het geldende bestemmingsplan een groenbestemming en de bestemming water. Hier kunnen op basis van het geldende bestemmingsplan geen woningen gebouwd worden.

Bestemmingsplan Partiële herziening 2 Kom Geffen – 2016, pag. 8 van 54

Bestemmingsplan Kom Geffen - 2016

Om tot een logische ruimtelijke afronding van de woonbuurt Verlengde De Run en de kern Geffen te komen is voor het plangebied een nieuw woningbouwplan ontworpen (waarbij de patiowoningen die in het bestemmingsplan “Kom Geffen – 2016” mogelijk zijn gemaakt komen te vervallen). Dit nieuwe woningbouwplan kan binnen het geldende bestemmingsplan niet gerealiseerd worden. Vandaar dat deze partiële herziening van het bestemmingsplan is opgesteld. Na de inwerkingtreding van voorliggende partiële herziening verliest het bestemmingsplan “Kom Geffen – 2016” binnen het plangebied, zijn rechtskracht.

Bestemmingsplan Partiële herziening 2 Kom Geffen – 2016, pag. 9 van 54

Hoofdstuk 2 2.1

Bestaande situatie

Ontstaansgeschiedenis

Geffen is ontstaan op de overgang van de hoger gelegen zandgronden in het zuiden, naar het lager gelegen rivierengebied van de Maas aan de noordzijde. Langs een stelsel van paden en wegen ontstonden agrarische bebouwingsclusters en -linten. Het centrum van Geffen ontstond rondom de kerk aan de Kerkstraat. Lange tijd groeide Geffen ‘kavel voor kavel’ door uitbreiding en verdichting van de bebouwingsclusters en bebouwingslinten. Halverwege de 20e eeuw kregen de uitbreidingen een meer grootschalig karakter. De ruimten tussen de bebouwingslinten werden langzaam maar zeker ingevuld met planmatig opgezette woonbuurten. Nabij het plangebied vormen de Groenstraat, Molengraaf en Papendijk onderdeel van de oude paden- en wegenstructuur. De Papendijk is een belangrijke route door Geffen en vormt van oudsher een bebouwingslint dat in de loop der tijd steeds verder verdicht is. De Groenstraat en Molengraaf hebben een veel landelijkere uitstraling. Langs deze wegen is veel minder bebouwing gerealiseerd. Vanaf circa 2010 is de ruimte tussen genoemde wegen ingevuld met de planmatig opgezette woonbuurt Verlengde De Run. In deze woonbuurt is een mix van grondgebonden woningen (vrijstaande, halfvrijstaande en rijwoningen) gerealiseerd.

Deze ontwikkeling is zichtbaar op navolgende uitsneden uit topografische kaarten, die een beeld geven van de ontstaansgeschiedenis van Geffen en het plangebied vanaf ca. 1900 tot nu.

Ontstaansgeschiedenis Geffen

Bestemmingsplan Partiële herziening 2 Kom Geffen – 2016, pag. 10 van 54

2.2

Bestaande situatie

Het plangebied vormt een onbebouwde strook grond tussen de Groenstraat en de woonbuurt Verlengde De Run. De noordelijke strook, direct grenzend aan Den Herd, is feitelijk braakliggende bouwgrond van de gemeente. Hier was voorheen de bouw van maximaal negen patiowoningen voorzien. Door de groene inrichting vormt deze strook nu functioneel en visueel een verlengde van de openbare groene ruimte die de woonbuurt aan de westzijde begrensd. De gronden ten zuiden hiervan, grenzend aan de Groenstraat, zijn hobbymatig in gebruik als weilandje, groentetuin en siertuin. Hiertoe zijn ook enkele kleine schuurtjes en andere bouwsels opgericht. De opgaande begroeiing op en rondom de percelen begrenzen de percelen en zorgen voor een groene uitstraling.

Bestaande situatie plangebied

Bestaande situatie omgeving plangebied

Ten noorden van het plangebied ligt de woonbuurt Verlengde De Run. Hier is vanaf ca. 2010 een mix van vrijstaande, halfvrijstaande en rijwoningen gebouwd, deels projectmatig en deels particulier. Direct tegenover het plangebied aan Den Herd staan vier vrijstaande woningen van twee bouwlagen met kap. Den Herd (het gedeelte ten noordoosten van het plangebied) vormt ook de ontsluiting van de buurt Verlengde De Run voor het (auto)verkeer. Deze straat sluit aan op de Papendijk, die in noordelijke

Bestemmingsplan Partiële herziening 2 Kom Geffen – 2016, pag. 11 van 54

richting een directe verbinding vormt met het centrum van Geffen. Ten zuiden van deze aansluiting ligt een rotonde die de zuidelijke entree van het dorp vormt. Aan de oostzijde grenst het plangebied aan een woonperceel, Groenstraat 17. Ten oosten hiervan staat de brandweerkazerne (aan de Groenstraat) en het clubgebouw van de postduivenvereniging (aan Den Herd). Een sloot scheidt het plangebied van de Groenstraat. Dit is een redelijk belangrijke verbindingsweg tussen Nuland en Geffen met aan weerszijde een vrijliggend fietspad. Ten zuiden van deze weg, tegenover het plangebied staan twee vrijstaande woningen geclusterd. In het weiland achter deze woningen staat de standerdmolen De Vlijt. Aan de westzijde ligt de Molengraaf. Deze landelijke straat waar bebouwingsclusters worden afgewisseld door onbebouwde plekken vormt de overgang naar het aangrenzende buitengebied.

Bestemmingsplan Partiële herziening 2 Kom Geffen – 2016, pag. 12 van 54

Hoofdstuk 3

3.1

Toelichting op het plan

Beoogde situatie

In het nieuwe verkavelingsplan, dat ten grondslag ligt aan deze partiële herziening, is naar een logische overgang gezocht van de woonbuurt Verlengde De Run naar de Groenstraat. Hiertoe zijn woningen voorzien ten noorden van de Groenstraat en ten zuiden van Den Herd. Deze woningen worden aangesloten op de bestaande bebouwing ten oosten van het plangebied. De westzijde van het plangebied blijft onbebouwd en vormt een beëindiging van de groenzone die de Verlengde De Run aan de westzijde begrenst. Doordat de groenzone hier aanmerkelijk wordt verbreed, ontstaat een ruime, groene openbare plek die de Verlengde De Run en de bebouwingslinten aan de Groenstraat en Molengraaf met elkaar verknoopt. Aan Den Herd zijn vijf vrijstaande woningen gepland. Deze gaan deel uitmaken van de woonbuurt Verlengde De Run. Aan de Groenstraat zijn vier vrijstaande woningen voorzien die deel gaan uitmaken van het bebouwingslint.

Verkavelingsplan

3.2

Stedenbouwkundige karakteristiek

De woningen aan de Groenstraat sluiten aan op de bestaande bebouwing aan de Groenstraat; de woning Groenstraat 17 en de brandweerkazerne. Zo ontstaat een geleidelijke overgang vanaf de zuidelijke dorpsentree bij de rotonde naar het buitengebied. Om de woningen aan te laten sluiten bij de landelijke karakteristiek van het bebouwingslint zijn hier woningen van één bouwlaag met kap voorzien. Door te variëren met de rooilijn en de kaprichting ontstaat een informeel bebouwingsbeeld dat aansluit bij het losse karakter van het bebouwingslint. De vier woonpercelen krijgen een eigen aansluiting (inrit) op de Groenstraat. Daartoe zal de sloot parallel aan de Groenstraat ter hoogte van de inritten worden overkluisd.

Bestemmingsplan Partiële herziening 2 Kom Geffen – 2016, pag. 13 van 54

Straatbeeld Groenstraat (richting westen) met rechts de nieuwe woningen (NB: n.a.v. de informatieavond van 2 juli 2019 zijn de goothoogten verlaagd; dit sfeerbeeld geeft de maximale goothoogte van 4 meter niet juist weer).

Aan Den Herd zijn vijf vrijstaande woningen gepland. Om een geleidelijke afbouw van de woonbuurt Verlengde De Run naar de Groenstraat te realiseren zijn hier woningen van één à anderhalve bouwlaag met kap voorzien. De drie westelijke woningen hebben, gelet op de beperkte diepte van de percelen hun ‘achtertuin’ aan de zijkant van de woning. Hierdoor ontstaan wat grotere ruimten tussen de woningen wat een luchtig straatbeeld oplevert. De twee woningen aan de oostzijde zorgen voor een begeleiding van de entree van de woonbuurt. De entree wordt hierdoor versterkt.

Straatbeeld Den Herd (richting oosten) met rechts de nieuwe woningen (NB: n.a.v. de informatieavond van 2 juli 2019 zijn de goothoogten verlaagd; dit sfeerbeeld geeft de maximale goothoogte van 4 meter niet juist weer).

In de gemeente Oss gelden geen welstandseisen meer voor bouwen. Dus ook in dit geval is sprake van een welstandsvrij bouwplan. 3.3

Functionele karakteristiek

Binnen dit plan worden alleen woningen toegevoegd, geen andere functies. Wel is het mogelijk om onder bepaalde voorwaarden een aan huis gebonden beroep uit te oefenen. Dit betreft een reguliere regeling die bij alle woonbestemmingen mogelijk wordt gemaakt. Deze invulling met woningen sluit functioneel goed aan op de directe omgeving. De omgeving is toch voornamelijk te karakteriseren als een woonomgeving. Alleen de brandweerkazerne en het clubgebouw van de duivensportvereniging ten oosten van het plangebied zijn hiervan afwijkende functies.

Bestemmingsplan Partiële herziening 2 Kom Geffen – 2016, pag. 14 van 54

3.4

Verkeer en parkeren

De nieuwe woonpercelen binnen het plangebied worden direct ontsloten op het bestaande stratenpatroon van Geffen. De vijf woningen aan de noordzijde van het plangebied worden direct ontsloten op Den Herd. De vier woningen aan de zuidzijde van het plangebied krijgen een eigen inrit naar de Groenstraat. Uitgaande van acht voertuigbewegingen per woning per etmaal leidt dit bouwplan tot 72 extra voertuigbewegingen. Dit betekent een zeer beperkte toename van het verkeer in de omgeving. Voor beide straten is deze toename verkeerskundig geen enkel probleem. In het plan dient voldaan te worden aan de gestelde parkeernormen van de gemeente Oss, Parkeernormen 2017. Binnen het plangebied worden alleen vrijstaande woningen gerealiseerd. De hiervoor geldende norm bedraagt 2,3 parkeerplaats per woning. Het ‘bezoekersparkeren’, zijnde 0,3 parkeerplaats per woning, is bij deze norm inbegrepen. Bij deze woningen is het uitgangspunt dat er twee parkeerplaatsen op eigen terrein worden gerealiseerd. Het bezoekersparkeren kan in de berm naast de rijbaan plaatsvinden. Daarvoor kunnen de benodigde parkeervoorzieningen worden aangelegd (1,5 plaats totaal voor de 5 woningen aan Den Herd en 1,2 plaats totaal voor de woningen aan de Groenstraat) indien nodig.

De wijk biedt echter voldoende parkeerplaatsen in de openbare ruimte voor bezoekers dus is het meer voorstelbaar dat bezoekers daarvan gebruik maken, ook gelet op de genoemde lage norm voor bezoekersparkeren in deze. Verder ligt er bij de postduivenvereniging een grote parkeerplaats waarvan bezoekers gebruik zouden kunnen maken. 3.5

Groen en water

Aan de westzijde van de woonbuurt Verlengde De Run is een groenzone aangelegd als groene overgang naar de landelijke weg Molengraaf en het daarachter gelegen buitengebied. In deze groenzone is een brede sloot opgenomen waar met name het regenwater uit de buurt wordt opgevangen. Deze groenzone wordt in het plangebied doorgetrokken en verbreed. Ook de sloot wordt in deze groenzone doorgetrokken en vergroot tot een plas. Bestaande bomen, zoals de knotwilgen langs de Molengraaf, worden voor zover mogelijk behouden. En wellicht worden er bomen toegevoegd. Zo moet een aantrekkelijke ‘groene knoop’ ontstaan, die de samenkomst van buitengebied, de Molengraaf, de Groenstraat en de woonbuurt Verlengde De Run aan elkaar knoopt. De sloot langs de Groenstraat blijft behouden. Ten behoeve van de inritten naar de vier woningen aan de Groenstraat zal de sloot op plekken overkluisd worden.

Bestemmingsplan Partiële herziening 2 Kom Geffen – 2016, pag. 15 van 54

Hoofdstuk 4 4.1

Toelichting op de regels

Algemeen

Het bestemmingsplan bevat regels die het juridisch instrumentarium geven voor het regelen van het gebruik van de gronden en opstallen én bepalingen over de toelaatbaarheid van bebouwing. Het bestemmingsplan kan worden verbeeld op papier, en gaat vergezeld van deze toelichting. De toelichting heeft geen bindende werking en maakt juridisch geen deel uit van het bestemmingsplan. Wel heeft zij een belangrijke functie bij de onderbouwing van het plan. De Wet ruimtelijke ordening biedt zowel de mogelijkheid om een globaal bestemmingsplan te maken als de mogelijkheid van een gedetailleerd bestemmingsplan. Qua systematiek is het bestemmingsplan ‘Partiële Herziening 2 Kom Geffen – 2016’ gebaseerd op het zogenaamde moeder(bestemmings)plan ‘Kom Geffen – 2016’. Dat betekent dat op de verbeelding voor het plangebied van deze partiële herziening de nieuwe (enkel)bestemmingen zijn opgenomen, te weten Wonen – Vrijstaand, Verkeer – Verblijf, Tuin en Groen maar dat voor de regels behorende bij die bestemmingen wordt verwezen naar/aangesloten bij de regels zoals die voor de genoemde bestemmingen zijn opgenomen in het bestemmingsplan ‘Kom Geffen – 2016’. Verder bevat de verbeelding bij deze partiële herziening de gebiedsaanduiding vrijwaringszone – molenbiotoop in verband met de zuidelijk van het plangebied gelegen molen.

Ook hier wordt voor de regels weer aangesloten bij de in bestemmingsplan ‘Kom Geffen – 2016’ opgenomen regels. Voor het overige bevat de verbeelding bouwvlakken en maatvoeringsaanduidingen. De regels bestaan slechts uit 2 hoofdstukken. Dit zijn de inleidende regels (artikelen 1 en 2) en de overgangs- en slotregels (artikel 3). In de volgende paragraaf worden de diverse artikelen uit de regels toegelicht. 4.2

Regels

Hoofdstuk 1: Inleidende regels Artikel 1: Begrippen In dit artikel worden de in de regels gehanteerde begrippen nader verklaard om verschillen in interpretatie te voorkomen. Artikel 2:

Verhouding van de partiële herziening 'Partiële Herziening 2 Kom Geffen - 2016' tot het bestemmingsplan 'Kom Geffen - 2016' Dit artikel geeft aan welk gedeelte en op welke manier de partiële herziening het bestemmingsplan ‘Kom Geffen – 2016’ vervangt.

Hoofdstuk 2: Overgangs- en slotregels Artikel 3:

Slotregel

Bestemmingsplan Partiële herziening 2 Kom Geffen – 2016, pag. 16 van 54

Dit artikel regelt de formele titel waaronder het bestemmingsplan kan worden aangehaald.

Bestemmingsplan Partiële herziening 2 Kom Geffen – 2016, pag. 17 van 54

Hoofdstuk 5

Beleidskader en programma

In dit hoofdstuk wordt het voor onderhavige ontwikkeling relevante ruimtelijke, rijks-, provinciaal en gemeentelijk beleid uiteengezet. 5.1

Wettelijk kader

5.1.1 Wet ruimtelijke ordening Op 1 juli 2008 is de Wet ruimtelijke ordening in werking getreden. De hoofdlijnen van de nieuwe wet zijn samengevat: - Decentraal wat kan en centraal wat moet: rijk en provincie moeten en mogen niet meer regelen dan wat de taak van deze overheden direct met zich meebrengt; - Rijk, provincie en gemeente hebben gelijke instrumenten en kunnen die inzetten voor de eigen taken op het gebied van de ruimtelijke ordening: structuurvisie, bestemmingsplan en projectafwijkingsbesluit; - Rijk en provincie kunnen zaken voor gemeente dwingend voorschrijven via een verordening en via een aanwijzing; - Er is een strikte scheiding tussen beleid en bestemmingsplan; beleidsdocumenten hebben geen directe juridische werking meer; - De goedkeuring van de provincie op bestemmingsplannen is vervallen; - De gemeente moet meer werk maken van de herziening van bestemmingsplannen: o Er komt een sanctie op verouderde bestemmingsplannen: geen legesheffing meer mogelijk; o Voor de realisering van projecten kan een projectafwijkingsbesluit genomen worden; - Voor gebieden waar geen ruimtelijke ontwikkelingen spelen kan de gemeente kiezen om een beheersverordening te maken in plaats van een bestemmingsplan; - Er is een drempel voor planschade van 2%; - De mogelijkheid van kostenverhaal bij grondexploitatie is verbeterd; - Bestemmingsplannen moeten analoog en digitaal worden

gemaakt. 5.1.2 Grondexploitatiewet Tegelijk met de Wet ruimtelijke Ordening is de nieuwe Grondexploitatiewet (Grex-wet) in werking getreden. De grondexploitatiewet is als paragraaf 6.4 in de nieuwe Wet ruimtelijke ordening opgenomen. De Grex-wet is noodzakelijk omdat eerdere wettelijke instrumenten voor kostenverhaal, te weten de exploitatieverordening en de baatbelasting, niet toereikend bleken. Doelstelling van de nieuwe wet is een goede regeling voor kostenverhaal, binnenplanse verevening en enkele locatie-eisen bij particuliere grondexploitatie. Onder de Grex-wet is kostenverhaal mogelijk via het privaatrechtelijke spoor (door middel van een vrijwillige samenwerkingsovereenkomst) en door middel van het publiekrechtelijke spoor. Eén van de belangrijkste vernieuwingen die de wet brengt, is het verplichtende karakter van het kostenverhaal. Privaatrechtelijke afspraken hebben de voorkeur. Maar als een gemeente er niet in geslaagd is met alle particuliere eigenaren in een gebied een overeenkomst te sluiten over grondexploitatie moet de gemeente publiekrechtelijk kosten verhalen bij partijen waarmee geen contract is gesloten. Dit publiekrechtelijke verhaal gaat door middel van een exploitatieplan, waarvan de totstandkoming gelijk op moet lopen met een bestemmingsplan. De verplichting tot een publiekrechtelijke regeling is gekoppeld aan twee voorwaarden:

Bestemmingsplan Partiële herziening 2 Kom Geffen – 2016, pag. 18 van 54

1. In de eerste plaats is een ruimtelijk besluit op grond van de Wet ruimtelijke ordening nodig. Het publiekrechtelijk instrumentarium is alleen van toepassing bij de vaststelling van een bestemmingsplan, wijziging van een bestemmingsplan, of een projectafwijkingsbesluit. 2. De tweede voorwaarde is dat het ruimtelijk besluit voorziet in nieuwbouw of in belangrijke en omvangrijke verbouwplannen met functiewijzigingen. De bouwplannen waar het om gaat zijn in het Besluit ruimtelijke ordening aangewezen. Dit bestemmingsplan voorziet in nieuwe bouwmogelijkheden. De Grondexploitatie-wetgeving is dan ook van toepassing. Dat betekent dat meerkosten voor de planologische procedure als gevolg van particuliere ontwikkelingen dienen te worden verhaald op de initiatiefnemer(s). Het verhaal van deze kosten kan op twee manieren worden geregeld, namelijk via een anterieure overeenkomst of via een exploitatieplan. De gemeente Oss heeft nadrukkelijk de voorkeur om dit via een anterieure overeenkomst met de initiatiefnemer te regelen omdat het opstellen van een exploitatieplan aanzienlijke meerkosten voor gemeente én initiatiefnemer tot gevolg heeft. De gemeente heeft een anterieure overeenkomst gesloten met de particuliere initiatiefnemers die in dit plan participeren.

5.1.3 Wet op de archeologische monumentenzorg In de Wet op de archeologische monumentenzorg, aangenomen in 2006, is het doel van het in 1992 gesloten Verdrag van Valletta (Malta) verwerkt: bescherming van het archeologische erfgoed als bron van het Europese gemeenschappelijke geheugen en als middel voor geschiedkundige en wetenschappelijke studie. Om dat doel te bereiken moet de wetgever het archeologisch erfgoed betrekken bij de ruimtelijke ordening. Met de wet wordt het Verdrag van Valletta in de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd. De kern van de wet is dat gemeenten verantwoordelijk worden voor de archeologische monumentenzorg binnen de gemeentegrenzen. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan dient de gemeente rekening te houden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische waarden. Erfgoedwet (Ew) Tot 1 juli 2016 was het grootste deel van de regelgeving met betrekking tot onroerend erfgoed (het archeologisch bodemarchief, gebouwde en aangelegde monumenten en cultuurlandschappen) vastgelegd in de Monumentenwet 1988, de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). De Wro en Wabo blijven van kracht totdat de Omgevingswet in werking treedt.

Doordat er voor de diverse disciplines, waaronder ook museumcollecties, allerlei verschillende regelgeving was, kende elk erfgoedtype zijn eigen specifieke definities, procedures en beschermingsmaatregelen. De huidige Erfgoedwet, integreert de verschillende regelingen. Tegelijkertijd liep (en loopt) er al een proces van herziening en systematisering van alle regelgeving over de fysieke leefomgeving: de stelselherziening omgevingsrecht, met als voornaamste wettelijk kader de Omgevingswet (Ow). De combinatie van beide operaties betekent dat voor de omgang met het onroerend erfgoed in de ruimtelijke ordening een knip optreedt. Hierbij is een deel van de regelgeving uit de Monumentenwet 1988 ondergebracht in de Erfgoedwet en een ander deel in de Omgevingswet en de hierbij behorende onderliggende regelgeving. Behoudens enkele uitzonderingen geldt dat de duiding van erfgoed is geregeld in de Erfgoedwet en de omgang met erfgoed in de Omgevingswet. Met de inwerkingtreding van de Erfgoedwet op 1 juli 2016 is de Monumentenwet 1988 opgeheven. Het overgangsrecht uit de Erfgoedwet (art 9.1) bepaalt echter, dat tot het moment dat de Ow in werking

Bestemmingsplan Partiële herziening 2 Kom Geffen – 2016, pag. 19 van 54

treedt, de onderdelen uit de Monumentenwet 1988 die in de Omgevingswet opgaan van kracht blijven. Bij besluiten op grond van deze artikelen kan sinds 1 juli 2016 dus worden vermeld, dat deze besluiten zijn genomen op grond van de Erfgoedwet art. 9.1 in samenhang met het betreffende artikel uit de Monumentenwet. Ten behoeve van deze planontwikkeling is een archeologisch (bureau)onderzoek uitgevoerd. In hoofdstuk 6 wordt hier verder op ingegaan. 5.1.4 Wet natuurbescherming De Wet natuurbescherming is op 1 januari 2017 in werking getreden en beschermt Nederlandse natuurgebieden en planten- en diersoorten. Het is belangrijk voor de natuur dat er veel verschillende planten- en diersoorten zijn. Wanneer het met de natuur goed gaat, is er ook meer ruimte voor economische en andere maatschappelijke activiteiten. Maar sommige soorten zijn kwetsbaar, zoals vleermuizen en mussen. Een goede natuurbescherming is dan ook belangrijk. De Wet natuurbescherming vervangt 3 wetten die tot 1 januari 2017 golden: - De Natuurbeschermingswet 1998. Deze wet regelde de natuurbescherming van gebieden. - De Flora- en faunawet. Deze wet beschermde in het wild voorkomende diersoorten en plantensoorten. - De Boswet. Deze wet beschermde de Nederlandse bossen. Met één wet en minder regels wordt de regelgeving voor natuurbescherming overzichtelijker.

Rolverdeling tussen provincies en Rijk Sinds 1 januari 2017 bepalen de provincies wat wel en niet mag in de natuur binnen de provincie. De provincies zorgen voor de vergunningen en ontheffingen. De Rijksoverheid blijft verantwoordelijk voor het beleid van grote wateren en internationaal beleid (zoals Natura2000). Ruimtelijke plannen en omgevingsvergunningen die invloed hebben op beschermde natuur moeten passen binnen de Wet natuurbescherming. Daarnaast gelden ook provinciale regelingen voor natuurbescherming. Ten behoeve van deze ontwikkeling is een QuickScan flora en fauna uitgevoerd. In hoofdstuk 6 wordt hier verder op ingegaan. 5.2

Rijksbeleid

5.2.1 Ladder voor duurzame verstedelijking Op 1 oktober 2012 is het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gewijzigd, en is ‘de ladder voor duurzame verstedelijking’ daaraan toegevoegd. De ladder ondersteunt gemeenten en provincies in vraaggerichte programmering van hun grondgebied, het voorkomen van ‘overprogrammering’ en de keuzes die daaruit volgen (Bro, artikel 3.1.d). Doel van de ladder voor duurzame verstedelijking is een goede ruimtelijke ordening in de vorm van een optimale benutting van ruimte in stedelijke gebieden. Tot 1 juli 2017 dienden overheden een nieuwe stedelijke ontwikkeling te motiveren met drie voorgeschreven, opeenvolgende trappen (de treden van de ladder). Omdat de ladder als te ingewikkeld werd ervaren en voor veel onderzoekslasten zorgde, is de regeling per 1 juli 2017 gewijzigd. In de nieuwe regeling is de tekst teruggebracht tot de essentie: de drie treden worden losgelaten en vervangen door de volgende tekst (artikel 3.1.6 lid 2 Besluit ruimtelijke ordening): “De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkelingen, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.”

Bestemmingsplan Partiële herziening 2 Kom Geffen – 2016, pag. 20 van 54

Als er sprake is van een wijzigings- of uitwerkingsplan, geldt het volgende (artikel 3.1.6 lid 3 Besluit ruimtelijke ordening): “Indien in een bestemmingsplan een wijzigings- of uitwerkingsbevoegdheid is opgenomen, dan kan in dat bestemmingsplan worden bepaald dat de beschrijving van de behoefte aan een nieuwe stedelijke ontwikkeling en de motivering daarvan (als bedoeld in artikel 3.1.6. lid 2 Bro) wordt opgenomen in de toelichting bij het wijzigings- of het uitwerkingsplan als bedoeld in dat artikel”. Het bestemmingsplan ’Partiële herziening 2 Kom Geffen – 2016’ voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling en moet dus worden getoetst aan de ladder voor duurzame verstedelijking. Verantwoording De ontwikkeling die met dit bestemmingsplan mogelijk wordt gemaakt, vindt plaats binnen bestaand stedelijk gebied. De ontwikkeling is te beschouwen als een nieuwe stedelijke ontwikkeling maar dient ter vervanging van juridisch harde bestaande plancapaciteit. Immers in het vigerende bestemmingsplan ‘Kom Geffen – 2016’ is het mogelijk om op de gemeentelijke strook grond 9 (patio-)woningen te bouwen.

In de voorgenomen planopzet wordt er voor gekozen om eveneens 9 woningen te bouwen maar dan van het type vrijstaand waarbij 4 woningen worden gebouwd op een strook grond die nu nog geen woonbestemming heeft, namelijk de strook aan de zuidzijde van het plangebied die in particuliere eigendom is. De ontwikkeling is (beleidsmatig) ook afgewogen binnen de kaders van het portefeuillemanagement Oss 2019 en is passend bevonden. Het aantal te bouwen woningen was al opgenomen in het gemeentelijk woningbouwprogramma. Immers op basis van het vigerende bestemmingsplan mogen er al maximaal 9 woningen worden gebouwd. Zowel het reeds opgenomen bouwplan als het nu voorgenomen plan betreft de bouw van 9 dure grondgebonden koopwoningen (maar in het nu voorgenomen plan dus van een ander type). Het huidige planvoornemen betekent geen wijziging van het woningbouwprogramma. In het vigerende bestemmingsplan is sprake van een bouwmogelijkheid voor (patio)woningen die geschikt zijn voor wonen op één ‘verdieping’ c.q. die levensloopbestendig zijn. Dat is met name voor ouderen geschikt en verhoogt ook de toekomstbestendigheid van de woningen.

In de nieuwe planopzet is sprake van vrijstaande woningen maar deze zullen ook levensloopbestendig worden uitgevoerd (mogelijkheid tot wonen op één ‘verdieping’) zodat de woningen kunnen voorzien in de woningbehoefte van ouderen en er zo wordt ingespeeld op de behoefte die voortvloeit uit de demografische ontwikkelingen (vergrijzing). Hiermee heeft ook de nieuwe planopzet een toegevoegde waarde (voorziet in een behoefte) ten opzichte van de bestaande woningvoorraad in Geffen. 5.3

Provinciaal beleid

5.3.1 Structuurvisie Ruimtelijke Ordening 2010 – partiële herziening 2014 Op 19 maart 2014 hebben Gedeputeerde Staten van de provincie Noord-Brabant de Structuurvisie Ruimtelijke Ordening 2014 vastgesteld. Deze structuurvisie is een actualisatie van de visie die in 2010 werd vastgesteld. Met deze structuurvisie worden de hoofdlijnen van het provinciaal ruimtelijke beleid tot 2025 weergeven, met een doorkijk naar 2040. De visie is bindend voor het ruimtelijk handelen van de provincie en vormt de basis voor de wijze waarop de provincie de instrumenten, die de Wet ruimtelijke ordening biedt, inzet. Naast de Structuurvisie stelt de provincie een ‘Verordening ruimte’ op. In deze verordening vertaalt de provincie de kaderstellende elementen uit het provinciaal beleid in regels die van toepassing zijn op (gemeentelijke) bestemmingsplannen. Aanvullend zijn ook gebiedspaspoorten opgesteld. Deze vormen een uitwerking van de visie en bevatten de landschapskenmerken die bepalend zijn voor de kwaliteit van een gebied of een landschapstype en hoe ruimtelijke ontwikkelingen kunnen bijdragen aan het behoud en versterking daarvan.

Bestemmingsplan Partiële herziening 2 Kom Geffen – 2016, pag. 21 van 54

De provincie kiest met de structuurvisie voor een duurzame ontwikkeling waarin de kwaliteiten van de provincie sturend zijn bij de ruimtelijke keuzes die de komende jaren op de provincie af komen. Nieuwe ontwikkelingen moeten bijdragen aan de kracht en identiteit van Noord-Brabant. Provinciale belangen en ruimtelijke keuzes De provincie wil sturen op ruimtelijke kwaliteit. De ruimtelijke keuzes geven inhoud aan het streven naar ruimtelijke kwaliteit en zijn van provinciaal belang. De belangrijkste keuzes voor de gemeente Oss zijn: -

-

-

-

-

-

-

Regionale contrasten De provincie wil de contrasten tussen klei, zand en veenontginningen versterken. Een multifunctioneel landelijk gebied De provincie kiest voor een integrale aanpak. Waar de landbouw de drager van het landschap is wordt ruimte gegeven aan optimale en duurzame ontwikkeling van de aanwezige landbouwsector. In de jonge rivierkleigebieden moet de agrarische functie (rundveehouderij) behouden blijven. Op de oeverwallen langs de rivieren wordt ruimte geboden voor menging van landbouw, natuur, landschap, recreatie, wonen, werken en zorg. Dit is van belang voor de plattelandseconomie. Een robuust en veerkrachtig water- en natuursysteem Het patroon van beken en kreken moet beter beleefbaar worden. De ecologische hoofdstructuur wordt versterkt door het natuursysteem nog beter aan het watersysteem te koppelen. Een betere waterveiligheid door preventie Gestreefd wordt naar vergroting van de watervoerende capaciteit van het rivierbed in combinatie met het concept van de doorbraakvrije dijk. Concentratie van verstedelijking Brabant heeft de ambitie zich te ontwikkelen tot een top kennis- en innovatieregio op Europees niveau. De provincie vindt het daarom belangrijk dat er verschil blijft tussen de steden en de kernen in het landelijk gebied, de zogenaamde mozaïekstructuur. Sterk stedelijk netwerk De provincie wil een sterk stedelijk netwerk van Brabantse steden.

Goede bereikbaarheid tussen de steden onderling en andere omliggende stedelijke netwerken is belangrijk. Groene geledingszones tussen steden De provincie zet in op behoud en ontwikkeling van groene geledingszones tussen de stedelijke kernen. Gedifferentieerd aanbod goed bereikbare vrijetijdsvoorzieningen Een kwalitatief goede vrijetijdsbesteding is een belangrijke voorwaarde voor het realiseren van een goed leef-, werk- en vestigingsklimaat. Belangrijk aandachtspunt daarbij is dat er een breed aanbod aan vrijetijdsvoorzieningen is met een goede toegankelijkheid en bereikbaarheid.

Zorgplicht voor ruimtelijke kwaliteit Nieuwe ontwikkelingen bieden een kans voor behoud en ontwikkeling van het landschap. De hoofdregel is dat ontwikkelruimte dient bij te dragen aan het versterken van de ruimtelijke kwaliteit. Het ontwikkelen van landschap reikt verder dan vasthouden aan wat er is, ontwikkelen van het landschap gaat ook om het toevoegen van nieuwe kwaliteiten. De zorgplicht voor ruimtelijke kwaliteit bepaalt dat: - er zorgvuldig wordt omgegaan met het ruimtegebruik; - er rekening wordt gehouden met de omgeving; - de ontwikkeling bijdraagt aan het behoud of de versterking van de ruimtelijke kwaliteit. Dit principe is van toepassing op zowel het stedelijk als het landelijk gebied en wordt uitgewerkt in de Verordening ruimte 2014. Zorgvuldig ruimtegebruik

Bestemmingsplan Partiële herziening 2 Kom Geffen – 2016, pag. 22 van 54

De provincie wil dat gemeenten bij ruimtelijke afwegingen het principe van zorgvuldig ruimtegebruik toepassen. Nieuw ruimtebeslag moet zoveel mogelijk voorkomen worden. In eerste instantie krijgen initiatieven een plek binnen bestaand bebouwd gebied. Pas als hier geen mogelijkheden zijn of de kwaliteiten van de geplande ontwikkeling hier niet bij passen, wordt er in de omgeving gezocht naar de best mogelijke plek. Naast zuinig ruimtegebruik richt de provincie zich ook op herstructurering en hergebruik van verouderde locaties in het stedelijk gebied en op sanering van ongewenste functies in het buitengebied. Rekening houden met de omgeving Gebiedskenmerken en omliggende waarden, gebaseerd op de lagenbenadering, zijn leidend bij de vraag “waar” en “hoe” de nieuwe ruimte wordt aangesneden. De ruimtelijke onderbouwing van een ontwikkeling geeft aan hoe is omgegaan met de ambities zoals verwoord in de structuren en in de gebiedspaspoorten. Hierbij wordt een relatie gelegd tussen de ruimtelijke ontwikkeling en de gebiedskenmerken van de plek. Kwaliteitsverbetering van het landschap Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen wil de provincie dat de initiatiefnemer zorgt voor een kwaliteitsverbetering van het landschap om daarmee het verlies aan omgevingskwaliteit te beperken.

Dit uitgangspunt geldt voor ontwikkelingen buiten bestaand stedelijk gebied én buiten de ecologische hoofdstructuur en maakt de principes van ontwikkelingsplanologie toepasbaar. Concreet betekent dit dat passende functies zich kunnen ontwikkelen als er ook een prestatie voor het landschap tegenover staat. Daardoor wordt aantasting van de basiskwaliteit (bodem, water) en verlies aan ecologische, cultuurhistorische en landschappelijke waarden voorkomen. Ontwikkelingen die passen bij de aard, schaal en functie van het landelijk gebied, zoals agrarische en recreatieve ontwikkelingen en kleinschalige dienstverlening zijn mogelijk. Ook de ontwikkeling van andere (rode) functies is onder voorwaarden mogelijk. De ruimtelijke onderbouwing van een besluit geeft aan welke bijdrage wordt geleverd aan de kwaliteitsverbetering van het landschap en hoe dit is geborgd. In principe gaat de provincie uit van de realisering van een fysieke prestatie op de projectlocatie en/of de directe projectomgeving. Indien dat niet mogelijk is, is de vorming van gemeentelijk of regionaal landschapsfonds een optie. Structuren: ambitie, beleid en uitvoering De structuren geven een hoofdkoers aan, een ruimtelijk ontwikkelingsperspectief voor een combinatie van functies. Maar ook waar functies worden uitgesloten of welke randvoorwaarden de provincie aan functies stelt.

Binnen de structuren is ruimte voor regionaal maatwerk. De volgende vier structuren worden onderscheiden. - De groenblauwe structuur - Het landelijk gebied - De stedelijke structuur - De infrastructuur

Structurenkaart

Bestemmingsplan Partiële herziening 2 Kom Geffen – 2016, pag. 23 van 54

Het bestemmingsplan richt zich op de ontwikkeling in een bestaand stedelijk gebied. Hierdoor wordt enkel de stedelijke structuur belicht. De stedelijke structuur De stedelijke structuur bestaat uit de steden en dorpen in Noord-Brabant. Binnen de stedelijke structuur heeft de provincie de volgende doelen: 1. Concentratie van verstedelijking 2. Inspelen op demografische ontwikkelingen 3. Zorgvuldig ruimtegebruik 4. Meer aandacht voor ruimtelijke kwaliteit 5. Betere verknoping van stedelijke ontwikkelingen aan de infrastructuur 6. Versterking van de economische clusters Er worden binnen de stedelijke structuur twee perspectieven onderscheiden: - Stedelijk concentratiegebied In het stedelijk concentratiegebied met de bijhorende zoekgebieden voor verstedelijking wordt het merendeel van de verstedelijkingsopgave opgevangen. De groene ruimten tussen de steden worden open gehouden. - Kernen in landelijk gebied De kernen in het landelijk gebied worden zo veel mogelijk ontzien van verdere verstedelijking doordat daar alleen de opvang van de eigen verstedelijkingsbehoefte wordt opgevangen (migratiesaldo-nul). De planontwikkeling ligt binnen stedelijk concentratiegebied waar het merendeel van de verstedelijkingsopgave wordt opgevangen. De ontwikkeling sluit aan op het vigerend beleid van de Structuurvisie Ruimtelijke Ordening.

5.3.2 Verordening ruimte In de Verordening ruimte vertaalt de provincie Noord-Brabant de kaderstellende elementen uit haar beleid en rijksbeleid, waaronder het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening, in regels die van toepassing zijn op (gemeentelijke) bestemmingsplannen. De Verordening ruimte geldt als vervanging van de Verordening ruimte 2012. Het vigerend beleid is op 1 januari 2019 geconsolideerd. In artikel 2 van de regels in de Verordening ruimte worden de algemene regels ten aanzien van het bevorderen van de ruimtelijke kwaliteit gegeven. In het algemeen houdt ruimtelijke kwaliteit in dat gebruikers van een gebied rekening houden met het karakter, de grootte en de functie ervan. De bevordering van de ruimtelijke kwaliteit is uiteengezet in drie artikelen: -

-

Zorgplicht voor ruimtelijke kwaliteit Een bestemmingsplan dat voorziet in een ruimtelijke ontwikkeling moet bijdragen aan behoud en ontwikkeling van de ruimtelijke kwaliteit. Er moet in ieder geval sprake zijn van een goede landschappelijke inpassing en zorgvuldig ruimtegebruik. Zorgvuldig ruimtegebruik is het gebruik van bestaande ruimte. Dit betekent dat gebruik gemaakt wordt van bestaande bouwpercelen en dat ontwikkelingen worden verantwoord middels de ‘ladder voor duurzame verstedelijking’. Er moet ook rekening worden gehouden met de maat en schaal van de ontwikkeling en de impact op de omgeving. Kwaliteitsverbetering van het landschap Een ruimtelijke ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied moet gepaard gaan met een fysieke verbetering van het gebied of de omgeving. De verbetering moet financieel, juridisch en feitelijk zijn geborgd en passen in het ruimtelijk beleid. Er moet ook verantwoord worden hoe de regionale afspraken over de kwaliteitsverbetering van het landschap worden nagekomen.

Bestemmingsplan Partiële herziening 2 Kom Geffen – 2016, pag. 24 van 54

-

Afwijking in verband met maatwerk Bij ontwikkelingen van een groot openbaar belang kan worden afgeweken van provinciaal beleid. Nieuwvestiging is echter alleen mogelijk als aangetoond kan worden dat er geen mogelijkheden zijn voor vestiging.

Deze algemene regels zijn van toepassing op zowel stedelijk, als landelijk gebied. Ontwikkeling binnen bestaand stedelijk gebied Een ruimtelijke ontwikkeling binnen bestaand stedelijk gebied kan plaatsvinden binnen de structuren ‘stedelijk concentratiegebied’ en ‘kernen landelijk gebied’. De hoofdregel van het beleid is dat stedelijke ontwikkeling binnen bestaand stedelijk gebied plaatsvindt. Alleen als hiertoe geen mogelijkheden bestaan, kan een stedelijke ontwikkeling buiten het bestaande stedelijke gebied plaatsvinden binnen daarvoor in de verordening aangeduide zoekgebieden. Stedelijke ontwikkeling In de Verordening ruimte wordt het bestaand stedelijk gebied nader afgebakend en gedefinieerd. Volgens artikel 1.1 van de Verordening wordt onder bestaand stedelijk gebied verstaan: “gebied dat het bestaande ruimtebeslag van een kern bevat ten behoeve van een samenhangende ruimtelijke structuur van stedelijke functies”. De afbakening van het bestaand stedelijk gebied en het zoekgebied voor stedelijke ontwikkeling zijn opgenomen in de bij de verordening behorende kaartlagen. In artikel 4 is het beleid ten aanzien van stedelijke ontwikkeling nader uitgewerkt. Artikel 4.2 van de Verordening ruimte stelt dat bestemmingsplannen die voorzien in een stedelijke ontwikkeling uitsluitend gelegen zijn in het bestaand stedelijk gebied.

In artikel 4.3 worden de voorwaarden gegeven waarbinnen de nieuwbouw van woningen in bestaand stedelijk gebied mogelijk is. De toelichting bij een bestemmingsplan dat voorziet in nieuwbouw van woningen moet een verantwoording bevatten over de wijze waarop: - de afspraken die daaromtrent in het regionaal ruimtelijk overleg zijn gemaakt, worden nagekomen; - de beoogde nieuwbouw zich verhoudt tot de afspraken zoals hiervoor genoemd en tot de beschikbare harde plancapaciteit voor woningbouw. Onder die harde plancapaciteit wordt verstaan de capaciteit voor nieuw te bouwen woningen waarover een gemeente beschikt: - die wordt uitgedrukt in aantallen woningen; - die is opgenomen in een vastgesteld bestemmingsplan waarbij de bestemming nog niet is verwezenlijkt. De realisatie van 9 woningen sluit eveneens aan op de plancapaciteit voor woningbouw in het stedelijk gebied. Het bestemmingsplan sluit aan op het vigerend beleid van de Verordening Ruimte. Meest recent provinciaal beleid; Omgevingsvisie 2018 en Interim Omgevingsverordening 2020 De Omgevingsvisie Noord-Brabant van 14 december 2018 heeft als basisopgave werken aan veiligheid, gezonden en omgevingskwaliteit. Voor de verstedelijkingsopgave borduurt de provincie voort op het principe van zorgvuldig ruimtegebruik. In de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant (geconsolideerd 1 maart 2020) is dat verder uitgewerkt.

Voor stedelijke ontwikkeling zijn er in deze verordening twee werkingsgebieden opgenomen:1. Stedelijk gebied met een onderverdeling in stedelijk concentratiegebied en kernen in landelijk gebied. 2. Verstedelijking afweegbaar. Er is een basisregeling geformuleerd voor een duurzame stedelijke ontwikkeling. Uitgangspunt daarbij is dat eerst de mogelijkheden in Stedelijk gebied worden benut of de mogelijkheden in leegkomend of leegstaand erfgoed elders in de gemeente. Als daarbinnen vanuit kwalitatieve- of kwantitatieve

Bestemmingsplan Partiële herziening 2 Kom Geffen – 2016, pag. 25 van 54

overwegingen geen ruimte beschikbaar is, kan een afweging worden gemaakt voor nieuw ruimtebeslag in Verstedelijking afweegbaar.

Plangebied aangeduid als stedelijk concentratiegebied, Interim Omgevingsverordening 2020

Zorgvuldig ruimtegebruik Zorgvuldig ruimtegebruik is als basisprincipe opgenomen vanuit de zorg voor een goede omgevingskwaliteit. Dat betekent dat een stedelijke ontwikkeling voor wonen, werken of voorzieningen in beginsel plaatsvindt binnen Stedelijk gebied en dat de ruimte binnen Stedelijk gebied zo goed als mogelijk wordt benut. De realisatie van 9 woningen sluit aan op het laatste provinciaal beleid.

Bestemmingsplan Partiële herziening 2 Kom Geffen – 2016, pag. 26 van 54

5.4

Gemeentelijk beleid

5.4.1 Volkshuisvesting In de Woonvisie Oss 2013, ‘Een passend, geschikt en duurzaam (t)huis voor iedereen’, staan de belangrijkste doelen en ambities voor het wonen in Oss voor de komende jaren. Achtergronden van de keuzes en doelen staan in een aparte notitie ‘Analyse van het wonen in de gemeente Oss’. In deze analyse wordt aansluiting gezocht bij de recente prognoses voor de bevolkingsontwikkeling en woningbouw van de provincie. De huidige veranderlijkheid van de woningmarkt vraagt mogelijk om bijstelling van de ambities en doelen uit de woonvisie. De woonvisie biedt daarom ruimte voor jaarlijkse evaluatie en bijstelling. Dit vraagt om flexibele plannen waarbij maatwerk mogelijk moet zijn. Met de woonvisie wil de gemeente Oss aan drie ambities uitvoering geven: -

Complete woongemeente. Aandacht voor de woonomgeving in bestaande wijken en kernen. Een flexibel en gedifferentieerd woningbouwprogramma. Comfortabele woningvoorraad. Een woningvoorraad die aansluit bij de behoeften en wensen van de bewoners. De woningen zijn duurzaam en toekomstbestendig. Een (t)huis van alle groepen inwoners. Aandacht voor de groep kwetsbare inwoners met een zorgbehoefte die in de toekomst in een reguliere woning moeten blijven wonen.

Ook aandacht voor de inwoners met een middeninkomen en jongeren die in de koop- en huursector buiten de boot dreigen te vallen en aandacht voor goede huisvesting van arbeidsmigranten. Voor het buitengebied is geen volkshuisvestelijke opgave vastgesteld. Het uitgangspunt is dat nieuwe burgerwoningen in het buitengebied niet gewenst zijn. Wonen is in beginsel een stedelijke functie en hoort in de stad Oss en de andere kernen van de gemeente thuis. Door sterk te sturen op inbreiding en herstructurering wordt de stedelijke structuur versterkt en (onnodige) verstening van het buitengebied tegen gegaan. Bovendien kunnen (burger)woningen in het buitengebied een belemmering vormen voor de ontwikkelingsmogelijkheden van agrarische bedrijven. 5.4.2 Beleid aan huis gebonden activiteiten Op 22 november 2012 heeft de gemeenteraad het Beleid aan huis gebonden activiteiten – Actualisatie 2012 vastgesteld. Het beleid voor aan huis gebonden activiteiten is opgesteld om mogelijkheden te bieden aan ondernemen vanuit de eigen woning. Door de jaren heen zijn de activiteiten die aan huis worden ondernomen steeds meer divers geworden. Het gaat allang niet meer alleen om een huisarts of accountant aan huis. Er is een breed scala dat aan huis uitgeoefend kan worden. Voorbeelden zijn een adviesbureau, pedicure of afslanksalon.

Ook komen er steeds vaker vragen om kleinschalige cursussen te mogen geven, voor kleinschalige kinderopvang, ambachtelijke bedrijfjes of een bed en breakfast. Met het beleid wordt ingespeeld op de veranderende inzichten over aan huis gebonden activiteiten. Er wordt ruimte gegeven aan deze nieuwe vormen om vanuit de thuissituatie te werken. Het gaat dus altijd om een bewoner die de activiteit uitvoert. Een andere belangrijke voorwaarde is steeds dat de activiteit zich goed verhoudt met de woonomgeving. Het beleid aan huis gebonden activiteiten is er op gericht om zoveel mogelijk rechtstreeks toe te staan. Er is een lijst opgesteld met een breed scala aan activiteiten die rechtstreeks mogen worden uitgeoefend in de woning. Deze lijst is als bijlage 2 opgenomen bij de planregels van het moederplan Kom Geffen – 2016. Bij het opstellen van de lijst van rechtstreeks toegestane activiteiten is de woonomgeving het uitgangspunt geweest. Dit houdt in dat er geen bedrijven op staan die veel verkeer aantrekken of activiteiten die milieuhinder veroorzaken, die niet past in een woonomgeving. Het oppervlak van de rechtstreeks toegestane activiteiten is 35m2.

Bestemmingsplan Partiële herziening 2 Kom Geffen – 2016, pag. 27 van 54

Maar niet alle activiteiten kunnen rechtstreeks in een woning worden uitgevoerd. Soms is een toetsing vooraf nodig. Als dit positief is, wordt toestemming verleend in de vorm van een ‘omgevingsvergunning waarbij van het bestemmingsplan wordt afgeweken’. Bij deze afweging spelen publieksaantrekkende werking en milieu- en verkeersaspecten altijd een rol. Voorbeelden van activiteiten waarbij een toetsing vooraf nodig is zijn: een groter oppervlak dan het toegestane 35 m2, andere activiteiten dan die in de lijst zijn opgenomen of groepsmatige activiteiten. In het nieuwe beleid worden de mogelijkheden voor dit afwijkend gebruik beschreven. Voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor afwijkend gebruik moet de aanvrager een concrete aanvraag om toestemming bij de gemeente indienen. Het beleid voor aan huis gebonden activiteiten is verankerd en juridisch vertaald door opname van de bovengenoemde lijst met activiteiten als bijlage bij de van toepassing zijnde planregels van het moederplan Kom Geffen – 2016. 5.4.3

Mantelzorg

Dankzij mantelzorg zijn ouderen en mensen met beperkingen beter in staat zo lang mogelijk thuis/zelfstandig te wonen. Door mantelzorg te faciliteren dicht bij huis zijn bijvoorbeeld kinderen beter in staat hun ouders mantelzorg te bieden. Om deze vorm van mantelzorg te faciliteren is in 2006/2007 een regeling voor mantelzorgwoningen opgesteld: bestemmingsplan Regeling Huisvesting ten behoeve van Mantelzorg. Deze regeling maakte het onder voorwaarden mogelijk om een vrijstaand bijgebouw te mogen gebruiken voor bewoning ten behoeve van mantelzorg. De belangrijkste elementen van deze regeling zijn het stellen van een maximum oppervlakte van 80 m2 en het onderbouwen van de noodzaak. Om aan te tonen dat de mantelzorg noodzakelijk is, is een indicatie vanuit de Wet maatschappelijke ondersteuning nodig. De regels in het moederplan ‘Kom Geffen – 2016’ met betrekking tot mantelzorg komen overeen met de regels uit het bestemmingsplan ‘Regeling Mantelzorg gemeente Oss’. Ook het Rijk wil ruime mogelijkheden bieden voor bijwonen ten behoeve van mantelzorg. Onder voorwaarden is het gebruik ten behoeve mantelzorg zelfs vergunningsvrij. De voorwaarden hiervan worden gegeven in het Besluit omgevingsrecht. (Bor, bijlage II).

Belangrijk daarbij is wel dat de behoefte aan mantelzorg met een verklaring van een huisarts, wijkverpleegkundige of andere door de gemeente aangewezen sociaal-medisch adviseur kan worden aangetoond. Door deze ruime vergunningsvrije mogelijkheden zal in de praktijk waarschijnlijk minder vaak een beroep op de regeling uit het moederplan ‘Kom Geffen – 2016’ worden gedaan. 5.4.4 Water Het huidige beleid van het rijk, de provincie, de waterbeheerder en de gemeente is gericht op een duurzamer waterbeheer. In het 2e Nationaal Waterplan (2016-2021) staat het Nederlands beleid voor de waterveiligheid en zoetwatervoorziening voor de periode 2016-2021 met een doorkijk richting 2050. Ook wordt er gekeken hoe het water in Nederland zo goed mogelijk kan worden ingepast in de ruimtelijke inrichting. Met dit Nationaal Waterplan wordt een stap gezet in het robuust en toekomstgericht inrichten van ons watersysteem, gericht op een goede bescherming tegen overstromingen, het voorkomen van wateroverlast en droogte en het bereiken van een goede waterkwaliteit en een gezond ecosysteem als basis voor welzijn en welvaart.

Belangrijk in de aanpak is het realiseren van veerkrachtige watersystemen die weer de ruimte krijgen, het niet afwentelen van knelpunten in tijd of plaats, de drietrapsstrategie 'vasthouden, bergen, afvoeren', en

Bestemmingsplan Partiële herziening 2 Kom Geffen – 2016, pag. 28 van 54

het reserveren van de ruimte die nodig is voor de wateropgave. Dit heeft er toe geleid dat sinds 2003 in de Wet ruimtelijke ordening (Wro) de watertoets, als verplichting, is opgenomen voor de wijziging van een bestemmingsplan. In het waterbeheerplan 2016-2021 beschrijft het waterschap Aa en Maas de hoofdlijnen voor het te voeren beleid. Verder hanteert het waterschap de “Uitgangspunten watertoets waterschap Aa en Maas”. Hierin hanteert het waterschap een aantal uitgangspunten ten aanzien van het duurzaam omgaan met water, die van belang zijn als vertrekpunt van het overleg tussen initiatiefnemer en waterbeheerder. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen dient de initiatiefnemer hier invulling aan te geven. Dit is van belang voor de nieuwe ontwikkelingen in dit bestemmingsplan. Zowel het waterbeheerplan als de uitgangspunten voor de watertoets zijn terug te vinden op www.aaenmaas.nl. Het waterschap streeft naar een duurzame en integrale benadering van de totale waterhuishouding binnen een plangebied. Dit is nader uitgewerkt in het beleidsstuk “Ontwikkelen met duurzaam wateroogmerk” van waterschap De Dommel en waterschap Aa & Maas (juli 2006). Hierbij is geformuleerd dat: “men streeft naar een veilig en goed bewoonbaar land met een gezond en duurzaam watersysteem”. Uitgangspunt is wel dat realisering plaats dient te vinden tegen acceptabele maatschappelijk kosten.

Er dient hydrologisch neutraal gebouwd te worden, waarbij de afvoer uit het plangebied de huidige afvoer niet mag overschrijden. De gemeente heeft in overleg met het waterschap en de provincie het beleidsdocument ‘Plan Watertaken 2012-2017’ opgesteld. De hoofdpunten van dit plan zijn onder andere: - Anders omgaan met afstromend regenwater. Dit betekend voor nieuwe gebieden dat hemelwater niet wordt gemengd met afvalwater. In bestaand gebied wordt bij rioolvervanging waar mogelijk ook regenwater niet meer afgevoerd via de riolering maar lokaal verwerkt oftewel afgekoppeld. Op lange termijn is dit goed voor mens, milieu en portemonnee. - In het beheer en onderhoud van oppervlaktewater in bebouwd gebied is een gebiedsgerichte benadering het uitgangspunt. Dat wil zeggen dat het waterschap voor haar onderhoudstaken bijdraagt in het integraal beheer en onderhoud van de openbare ruimte dat onder regie van de gemeente wordt uitgevoerd. - Via het watertoetsproces wordt in ruimtelijke plannen noodzakelijke ruimte voor water en waterveiligheid verzekerd. Het watertoetsproces controleert de invloed van nieuwe ontwikkelingen op het bestaande grondgebruik.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Oss&id=ddb5e8b0-6423-445c-acdb-7eb82ea2400c