2 Toelichting.PDF
Tekst van het document
Meer informatie over vergunningen en ontheffingen Wet natuurbescherming staat op de site van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland. Verantwoording In het kader van natuur (flora en fauna) is een zogenaamde quickscan uitgevoerd, bestaande uit een bureauonderzoek en een schouw in het veld. Qua bureauonderzoek is de Nationale Databank Flora en Fauna geraadpleegd. Hieruit blijkt dat er 22 waarnemingen zijn gedaan binnen het plangebied en de directe omgeving van het plangebied, gerekend over ‘alle jaren’. Van die 22 waarnemingen hebben slechts 2 waarnemingen betrekking op het plangebied zelf; een zwarte roodstaart (baltsend / zingend) en een konijn (ter plaatse, algemeen vrijgestelde soort). De waarneming van deze soorten is geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling ter plaatse.
Bestemmingsplan Partiële herziening 2 Kom Geffen – 2016, pag. 46 van 54
Het rapport van het bureauonderzoek (‘Quickscan Flora & Fauna, Groenstraat Geffen’ d.d. 21 mei 2019 (uitvoerrapport Nationale Databank Flora en Fauna )) is als bijlage bij deze plantoelichting opgenomen in een separaat bijlagenboek. Op 4 juni 2019 is de planlocatie en directe omgeving ter plaatse bezocht. De in het plangebied aanwezige bomen (singels loofbomen en een groepje naaldbomen) zijn daarbij onderzocht op het voorkomen van nesten, holten en spleten. Verder is de sloot aan de zuidzijde en de watergang aan de noordwestzijde onderzocht op het voorkomen van amfibieën. Het resultaat van het uitgevoerde veldbezoek is als volgt: • de aanwezige bomen zijn onderzocht op nesten, holten en scheuren. Deze zijn niet aangetroffen. Van mogelijke verstoring van een voortplantingsplaats/rustplaats is dus geen sprake; • de waterpartij in de noordwest hoek is onderzocht op de aanwezigheid van amfibieën. Er is sprake van stagnerend troebel water waarin geen amfibieën voorkomen. Van mogelijke verstoring van een voortplantingsplaats/rustplaats is dus geen sprake; • de sloot aan de zuidzijde staat droog. Hierin komen dus ook geen amfibieën voor waardoor eveneens geen sprake is van mogelijke verstoring van een voortplantingsplaats/rustplaats; • in het plangebied zijn geen bijzondere flora en fauna waargenomen. Conclusie: het aspect flora en fauna vormt geen belemmering voor het planvoornemen.
Sloot/waterpartij noordwesthoek
Zicht op plangebied vanuit noordwesten
Stikstof / PAS Het PAS is bedoeld om ruimte te bieden aan nieuwe activiteiten die stikstof uitstoten op nabijgelegen Natura 2000-gebieden. In dit geval hebben we in het planologisch vergelijk niet te maken met een nieuwe activiteit. Zowel in de nu geldende situatie met het bestemmingsplan Kom Geffen – 2016 als met dit bestemmingsplan is de bouw van 9 woningen mogelijk en is er in planologisch opzicht geen verruiming van de bestemming en daarmee van stikstof uitstotende activiteiten. De bouw van 9 woningen op deze locatie op zichzelf heeft bovendien geen wezenlijk effect op nabijgelegen Natura 2000-gebieden. Dichtstbijzijnd gebied betreft het gebied rondom de rivier de Waal (Rijntakken). De gemeente Oss heeft voorbeeldberekeningen uitgevoerd. Daaruit bleek dat bijvoorbeeld
Bestemmingsplan Partiële herziening 2 Kom Geffen – 2016, pag. 47 van 54
de bouw van 15 wooneenheden te Lith, dichterbij het Natura 2000-gebied, geen stikstofdepositieresultaten opleverde boven de 0,00 mol/ha/jr. Conclusie: Stikstof / PAS vormt geen belemmering voor het planvoornemen. 6.3 Defensie Uit oogpunt van defensie kunnen er beperkingen gesteld worden aan ruimtelijke ontwikkelingen in een gebied. Belangrijke aandachtspunten met betrekking tot het defensiebelang zijn: - Radarverstoringsgebieden; - Obstakelbeheergebieden; - Laagvliegroutes voor jachtvliegtuigen; - Geluidszones voor militaire luchtvaartterreinen. Het gehele plangebied is gelegen binnen het radarverstoringsgebied van een radar van de vliegbasis Volkel. Binnen dit gebied is het in beginsel niet toegestaan om hogere bebouwing op te richten dan 114 meter boven NAP. Indien er initiatieven zijn voor het oprichten van hogere bouwwerken of gebouwen, dan kan dit toegestaan worden als blijkt dat de radar niet onevenredig wordt verstoord. Dit kan door TNO worden berekend. Dit bestemmingsplan voorziet echter nergens in bouwmogelijkheden tot een dergelijke hoogte. Daarmee is het belang van het radarverstoringsgebied binnen dit bestemmingsplan voldoende gewaarborgd. Bij een eventueel toekomstig initiatief voor een bouwwerk met een hoogte tot 114 meter boven NAP of hoger dient het defensiebelang nadrukkelijk betrokken te worden bij de aanvaardbaarheid van de ontwikkeling.
Voor het overige geldt dat het plangebied niet gelegen is binnen een obstakelbeheergebied, een laagvliegroute voor jachtvliegtuigen of een geluidszone voor militaire luchtvaartterreinen. Aan deze aspecten hoeft dan ook geen verdere aandacht besteed te worden. 6.4 Milieueffectrapportage (M.e.r.) Een milieueffectrapportage (m.e.r.) brengt de milieugevolgen van een plan in beeld voordat er een besluit over wordt genomen. In een milieueffectrapport worden de gevolgen voor het milieu beschreven. Zo kan de overheid die het besluit neemt de milieugevolgen bij haar afwegingen betrekken. Het doel van m.e.r. is om het milieu een volwaardige plaats te geven in de besluitvorming over plannen en projecten. In een m.e.r.-beoordeling kijkt het bevoegd gezag of een project mogelijk belangrijke nadelige milieugevolgen heeft. Als dat zo is, moet een m.e.r.-procedure worden doorlopen. Wanneer speelt een m.e.r.-beoordeling? In het Besluit m.e.r. staat wanneer m.e.r. of een m.e.r.-beoordeling aan de orde is. De activiteit die het project mogelijk maakt en het besluit over de activiteit zijn daarbij bepalend. In de C- en D-lijst in de Bijlage bij het Besluit m.e.r. staat of sprake is van m.e.r.-plicht of m.e.r.-beoordelingsplicht. Per categorie van activiteiten is een drempelwaarde voor de omvang van de activiteit gegeven.
Boven de C-drempel geldt een m.e.r.-plicht, tussen de C- en D-drempel geldt een plan-m.e.r.-plicht en onder de D-drempel geldt een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Bij de vormvrije m.e.r.-beoordeling dient onderbouwd te worden of de activiteit belangrijke nadelige milieugevolgen heeft. Het m.e.r.-beoordelingsbesluit. De initiatiefnemer stelt een aanmeldnotitie op, waarover het bevoegd gezag binnen zes weken een m.e.r.-beoordelingsbesluit moet nemen. Het bevoegd gezag motiveert het besluit door in te gaan op de selectiecriteria van Bijlage III van de M.e.r.-richtlijn. Het gaat daarbij om de hoofdcategorieën: 1. kenmerken van het project 2. plaats van het project
Bestemmingsplan Partiële herziening 2 Kom Geffen – 2016, pag. 48 van 54
3. kenmerken van het potentiële effect. Is het bevoegd gezag zelf initiatiefnemer, dan is het bevoegd gezag, anders dan een derde, niet verplicht een aanmeldnotitie op te stellen. Verantwoording Deze ontwikkeling (9 woningen) komt uit onder de D-drempel van bijlage III van het Besluit m.e.r. Daarmee zou er in principe een zogenaamde vormvrije m.e.r.-beoordeling gelden waarbij (vormvrij) onderbouwd dient te worden of de activiteit belangrijke nadelige milieugevolgen heeft. Echter, in dit geval waren er op basis van het geldend bestemmingsplan Kom Geffen – 2016 hier ook al 9 woningen mogelijk. In het planologisch vergelijk is daarmee geen sprake van een stedelijke ontwikkelingsproject (aanleg / uitbreiding en of wezenlijke wijziging) waardoor een vormvrije m.e.r.-beoordeling hier niet aan de orde is. Desalniettemin wordt voor de volledigheid hierna toch even kort stilgestaan bij de beoordelingspunten. De motivering van het m.e.r.-beoordelingsbesluit bestaat uit een afweging ten aanzien van de selectiecriteria van Bijlage III van de M.e.r.-richtlijn. Deze selectiecriteria bestaan uit de volgende hoofden subcategorieën: 1.
Kenmerken van het project Bij de kenmerken van het project moet in het bijzonder in overweging worden genomen: - de omvang van het project - de cumulatie met andere projecten - gebruik van natuurlijke hulpbronnen - de productie van afvalstoffen - verontreiniging en hinder - het risico van zware ongevallen en/of rampen, waaronder rampen door klimaatverandering - risico's voor de menselijke gezondheid 2. Plaats van het project Bij de mate van kwetsbaarheid van het milieu in de gebieden waarop het project van invloed kan zijn moet in het bijzonder in overweging worden genomen: - het bestaande grondgebruik - relatieve rijkdom aan en de kwaliteit en het regeneratievermogen van de natuurlijke hulpbronnen van het gebied - het opnamevermogen van het natuurlijke milieu, met in het bijzonder aandacht voor de volgende typen gebieden: o wetlands o kustgebieden o berg- en bosgebieden o reservaten en natuurparken o gebieden die in de wetgeving van lidstaten zijn aangeduid of door die wetgeving worden beschermd; speciale beschermingszones door de lidstaten aangewezen volgens Richtlijn 79/409/EEG (= Vogelrichtlijn) en Richtlijn 92/43/EEG (= Habitatrichtlijn o gebieden waar de milieukwaliteitsnormen al niet worden nagekomen o gebieden met een hoge bevolkingsdichtheid o landschappen van historisch, cultureel of archeologisch belang 3.
Kenmerken van het potentiële effect Bij de potentiële aanzienlijke effecten van het project moeten in samenhang met de criteria van de punten 1 en 2 in het bijzonder in overweging worden genomen:
Bestemmingsplan Partiële herziening 2 Kom Geffen – 2016, pag. 49 van 54
-
de orde van grootte en het ruimtelijk bereik van de effecten (bijvoorbeeld geografisch gebied en omvang van de bevolking die getroffen kan worden) de aard van het effect het grensoverschrijdend karakter van het effect de intensiteit en de complexiteit van het effect de waarschijnlijkheid van het effect de verwachte aanvang, de duur, de frequentie en de omkeerbaarheid van het effect de cumulatie van effecten met de effecten van andere projecten de mogelijkheid om de effecten doeltreffend te verminderen
Voor de gemaakte afweging ten aanzien van de selectiecriteria wordt verwezen naar wat wij elders in deze toelichting over de afzonderlijke milieuaspecten hebben opgemerkt. Op basis van de afweging aan de hand van bovenstaande selectiecriteria kan daarmee gesteld worden dat dit project geen belangrijke nadelige milieugevolgen heeft waardoor het ook niet nodig is een m.e.r.-procedure te doorlopen. Op grond van het bepaalde in de Wet milieubeheer neemt het bevoegd gezag de beslissing of een m.e.r.procedure moet worden doorlopen in een zo vroeg mogelijk stadium voor de voorbereiding van het besluit. Onder "zo vroeg mogelijk" wordt verstaan het stadium voorafgaand aan de ter inzagelegging van het ontwerpbesluit. In dit geval betekent dit dat het college van B&W voor de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan, beslist dat hier geen m.e.r.-procedure hoeft te worden doorlopen.
Bestemmingsplan Partiële herziening 2 Kom Geffen – 2016, pag. 50 van 54
Hoofdstuk 7
7.1
Handhaving
Beleidskader
Naar aanleiding van een landelijk traject heeft de gemeente Oss in 2005 de nodige besluiten genomen om de handhaving te professionaliseren. De gemeente wil namelijk een professionele organisatie zijn. Om haar handhavingstaken zo transparant en objectief mogelijk uit te voeren, heeft zij een toezicht-, sanctie- en gedoogstrategie opgesteld. De wijze waarop de gemeente handelt bij overtredingen is daarin vastgelegd. Het uitgangspunt voor handhaving is: elke norm die het verdient te worden gesteld, verdient het ook te worden gehandhaafd. De gemeente is verantwoordelijk voor het algemeen belang, dat concreet wordt in de belangen van veiligheid, volksgezondheid, natuurlijk milieu en ruimtelijke kwaliteit. Deze belangen vragen om een actieve handhaving. Een goede handhaving start echter al bij het opstellen van beleid, regels en voorschriften. Om in dit verband bestemmingsplannen actief te kunnen handhaven moet voldaan zijn aan de volgende criteria: - het opstellen van uitvoerbaar beleid en duidelijke regels; - het verstrekken van duidelijke informatie op basis waarvan burgers en bedrijven hun keuzes kunnen maken; - zorgen voor de naleving van regels door middel van toezicht en de inzet van handhavinginstrumenten.
Als primaire verantwoordelijkheid van burgers en bedrijven wordt gezien: - het aanvaarden van de consequenties van de eigen keuzes; - nakoming van afspraken en naleving van regels. In het Handhavingprogramma wordt het concrete belang van handhaving van regels van bestemmingsplannen aangegeven. De negatieve effecten van niet-handhaving kunnen immers groot zijn, zoals schade aan natuur en ruimtelijke kwaliteit, financieel-economische schade en onveiligheid. Maar ook kunnen burgers en bedrijven worden benadeeld door illegale activiteiten van hun buren/omwonenden. De ruimte in Nederland is schaars en iedereen heeft belang bij een goede woon-, werk- en leefomgeving. De kwaliteit hiervan wordt grotendeels in bestemmingsplannen vastgelegd en die kwaliteit verdient het om te worden beschermd, onder meer door toezicht op naleving van de voorschriften en desnoods bestuursrechtelijke handhaving. Het bestuurlijke belang van een adequate handhaving van bestemmingsplannen is dus groot, maar dat geldt ook voor de individuele belangen van burgers en bedrijven. 7.2
Professionele handhaving en handhavingprogramma
De gemeente Oss voldoet aan de wettelijke kwaliteitscriteria voor een professionele handhavingorganisatie. Elke vier jaar wordt er een Handhavingprogramma opgesteld waarin de prioriteiten voor de uitvoering worden vastgelegd. Dit gebeurt na de aantreding van een nieuwe gemeenteraad en de vorming van een nieuw college van burgemeester en wethouders. Elk jaar wordt aan de hand van een probleem- of omgevingsanalyse een voortschrijdend programma gemaakt, waarin rekening wordt gehouden met gewijzigde wetgeving en de op dat moment concrete problematiek. Handhaving van bestemmingsplannen is een vaste prioriteit in het programma.
Bestemmingsplan Partiële herziening 2 Kom Geffen – 2016, pag. 51 van 54
7.3
Handhaafbaarheid, positief bestemmen, overgangsrecht
De regels van dit bestemmingsplan zijn getoetst op handhaafbaarheid. De Wet algemene bepalingen omgevingsrecht voorziet in een verbod op het (laten) gebruiken van gronden en bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan. Overtreding van dit verbod is een strafbaar feit. In beginsel worden bouwwerken die in overeenstemming zijn met het vorige bestemmingsplan positief bestemd. Hetzelfde geldt voor gebruik in overeenstemming met het vorige bestemmingsplan. Met andere woorden: bestaande rechten worden gerespecteerd. Zij zijn in beginsel alleen onder het algemene overgangsrecht gebracht als te voorzien is dat zij binnen de planperiode van tien jaar zullen verdwijnen. Als sprake is van een naar huidige beleidsinzichten onwenselijke situatie die in het vorige bestemmingsplan al onder het overgangsrecht valt, is bezien of deze onder het persoonsgebonden overgangsrecht kan worden gebracht. Dat wil zeggen dat het overgangsrecht voor de betreffende percelen is beperkt tot degenen die die percelen gebruiken op het moment van inwerkingtreding van het bestemmingsplan. Voortgezet gebruik door anderen wordt niet als bestaand gebruik aangemerkt. Wij geven hieraan de voorkeur boven een uitsterfconstructie. Een uitsterfconstructie houdt in feite een positieve bestemming in, die afloopt na beëindiging van het betreffende gebruik. Dit maakt opvolging in de tijd door meerdere gebruikers mogelijk.
Daarmee kan in beginsel het ongewenste gebruik eindeloos lang duren. Persoonsgebonden overgangsrecht heeft als voordeel dat het gekoppeld is aan gebruik door één specifieke gebruiker of een beperkt aantal specifieke gebruikers. Daarmee kan het ongewenste gebruik in de praktijk eerder beëindigd worden, en zeker niet eindeloos lang voort blijven duren, waarmee mee recht wordt gedaan aan de bedoeling van overgangsrecht. Het persoonsgebonden overgangsrecht heeft zeker bij situaties die illegaal zijn ontstaan onze voorkeur boven een uitsterfregeling. Daarnaast kan het voorkomen dat bouwwerken in strijd met het vorige bestemmingsplan zijn opgericht, of dat bestaand gebruik in strijd is met dat plan. Een positieve bestemming ligt dan in de rede als de met het vorige bestemmingsplan strijdige situatie naar huidige beleidsinzichten ruimtelijk aanvaardbaar is. Indien de betreffende situatie ruimtelijk niet aanvaardbaar is, zal hiertegen in beginsel handhavend worden opgetreden. Indien dat in een uitzonderlijk geval niet (meer) mogelijk is, is bezien of de situatie onder het persoonsgebonden overgangsrecht gebracht kan worden. Overigens zijn strijdige situaties op grond van de planregels standaard uitgezonderd van het algemene overgangsrecht. Het Besluit ruimtelijke ordening schrijft dit voor.
Uiteindelijk is altijd maatwerk vereist om te bepalen of een positieve bestemming, algemeen overgangsrecht of persoonsgebonden overgangsrecht mogelijk is.
Bestemmingsplan Partiële herziening 2 Kom Geffen – 2016, pag. 52 van 54
Hoofdstuk 8
Economische uitvoerbaarheid
Bij de voorgenomen woningbouwontwikkeling zijn een particulier initiatief en een gemeentelijke ontwikkeling samengebracht. De particuliere initiatiefnemers krijgen de mogelijkheid om vier vrijstaande woningen te ontwikkelen aan de Groenstraat. De gemeente kan vijf vrijstaande woningen ontwikkelen aan Den Herd. Verder zal er door de gemeente groene openbare ruimte (indien nodig met waterberging) worden aangelegd en ingericht, aansluitend op de bestaande groenzone langs de Molengraaf. Deze groene openbare ruimte zal voor derden vrij toegankelijk zijn. Om deze ontwikkeling mogelijk te maken dragen initiatiefnemers een deel van hun grond over aan de gemeente ten behoeve van de ontwikkeling van het gemeentelijk deel van het plangebied inclusief de aanleg en inrichting van de groene openbare ruimte. Daartegenover staat dat de gemeente het bestemmingsplan opstelt. Voor de door de gemeente aan te leggen openbare ruimte in verband met de (met name civieltechnische) ontsluiting/aansluiting van de percelen van initiatiefnemers, betalen de particuliere initiatiefnemers een financiële vergoeding aan de gemeente. Voor het overige betalen initiatiefnemers alle aansluitings/ontsluitingskosten voor hun woningen/percelen zelf. De eventuele planschade als gevolg van de woningen aan de Groenstraat komt ook voor rekening van initiatiefnemers. Dit is vastgelegd in een anterieure overeenkomst.
Hiermee is de financiële haalbaarheid van de planontwikkeling voor de gemeente gegarandeerd. De economische uitvoerbaarheid is hiermee voldoende aangetoond.
Bestemmingsplan Partiële herziening 2 Kom Geffen – 2016, pag. 53 van 54
Hoofdstuk 9
9.1
Overleg en maatschappelijke uitvoerbaarheid
Inspraak
Het gemeentelijk beleid voor de toepassing van inspraak bij ruimtelijke plannen biedt de mogelijkheid om bij ‘kleine plannen’ af te zien van inspraak. Met dit bestemmingsplan wordt een ontwikkeling mogelijk gemaakt met een beperkt effect op de omgeving. Er is sprake van een zogenaamd ‘klein plan’. Daarom is geen inspraakprocedure gevolgd en wordt meteen overgegaan tot het ter visie leggen van een ontwerpbestemmingsplan. Dat wil zeggen ná doorlopen van overleg en wettelijk vooroverleg. Om (maatschappelijk) draagvlak te creëren is de stedenbouwkundige opzet, waarop dit bestemmingsplan is gebaseerd, in januari 2019 (informeel) besproken in de dorpsraad van Geffen. Verder is het concept-ontwerpbestemmingsplan, inclusief de stedenbouwkundige planopzet, besproken en toegelicht tijdens een door de gemeente georganiseerde informatieavond op 2 juni 2019 voor de buurt. Hierbij is door buurtbewoners de wens geuit om de goothoogte van de drie geplande woningen aan Den Herd te verlagen. Hieraan is gehoor gegeven in dit bestemmingsplan door de goothoogte te verlagen van 6 meter naar 4 meter. De resultaten van de informatieavond zijn per brief van 17 september 2019 kenbaar gemaakt aan de buurt. Daarnaast is het concept-ontwerpbestemmingsplan in het kader van het wettelijk vooroverleg voorgelegd aan betrokken instanties.
De uitkomst van het wettelijk vooroverleg en het overleg met andere instanties wordt hieronder bij 9.2 beschreven. De gemeente is van mening dat sprake is van draagvlak voor het plan en daarmee een maatschappelijk uitvoerbaar plan. 9.2
Wettelijk vooroverleg en overleg andere instanties
Artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening bepaalt dat ‘het bestuursorgaan dat belast is met de voorbereiding van een bestemmingsplan daarbij overleg pleegt met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn’. Ter uitvoering daarvan zijn de volgende instanties in de gelegenheid gesteld om te reageren op het concept-ontwerpbestemmingsplan: • Provincie Noord-Brabant, directie Ruimtelijke Ontwikkeling en Handhaving • Waterschap Aa en Maas • Brandweer Brabant-Noord Artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening schrijft dit voor. Reacties wettelijke vooroverleginstanties Het plan is bij de provincie aangemeld. Het gaf voor de provincie geen aanleiding tot het geven van een inhoudelijke reactie. Het waterschap heeft het plan beoordeeld. Als reactie gaven zij geen opmerkingen te hebben op de waterhuishoudkundige onderdelen. De brandweer heeft advies geleverd. Zij onderschrijven de conclusie in het rapport externe veiligheid. Het advies van de brandweer is integraal toegevoegd bij de bijlage rapport externe veiligheid voor kennisgeving over risico’s en handelingsperspectieven mochten bepaalde ongeval scenario’s zich voordoen.
Bestemmingsplan Partiële herziening 2 Kom Geffen – 2016, pag. 54 van 54
9.3
Zienswijzen
Het ontwerpbestemmingsplan heeft ingevolge artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening en afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht met ingang van 12 maart 2020 gedurende zes weken voor iedereen ter inzage gelegen en is tegelijkertijd elektronisch beschikbaar gesteld via de gemeentelijke website en de landelijke website (ruimtelijkeplannen.nl). Hiervan is op 11 maart 2020 mededeling gedaan in het plaatselijke blad Oss Actueel, in de Staatscourant en op de gemeentelijke website. Gedurende deze periode kon iedereen zijn zienswijze over het ontwerpbestemmingsplan bij de gemeenteraad naar voren brengen. Er zijn 9 zienswijzen ingediend. Het ontwerpbestemmingsplan is gelijktijdig toegezonden naar de Provincie Noord-Brabant en het Waterschap Aa en Maas. Van deze instanties zijn geen zienswijzen ontvangen.