1. Toelichting+regels Macharen-west - 2024
Tekst van het document
Indien er sprake is van overtreding van verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming kan bevoegd gezag onder voorwaarden een ontheffing verlenen. De voorwaarden betreffen: er is geen andere bevredigende oplossing, er is sprake van een wettelijk belang (das: er is sprake van een reden van sociale of economische aard, marterachtigen: in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, vleermuizen: er is sprake van een reden van sociale of economische aard, huismus: er zijn belangen vanuit volksgezondheid en/of openbare veiligheid - aan te voeren) en er wordt geen afbreuk gedaan aan de gunstige staat van instandhouding van de soort (een robuust en ruim maatregelenpakket van tijdelijke en permanente voorzieningen wordt hiertoe voorgesteld en uitgevoerd). Op basis van de uitgevoerde quickscan is er geen reden om aan te nemen dat eventueel benodigde ontheffingen, mits de juiste maatregelen worden getroffen, er sprake is van een gedegen alternatievenafweging en een wettelijk belang kan worden aangevoerd, niet verkregen zouden kunnen worden.
5.2
Archeologie & cultuurhistorie
5.2.1
Erfgoedwet en overgangsregeling Omgevingswet
De Erfgoedwet beschermt het cultureel erfgoed in Nederland. In deze wet staan regels om belangrijk cultureel erfgoed beter te beschermen en behouden. In de Erfgoedwet staat wat cultureel erfgoed is, hoe de overheid omgaat met roerend cultureel erfgoed (zoals schilderijen), wie welke verantwoordelijkheden heeft en hoe de overheid daar toezicht op houdt. Het beschermingsregime voor de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten (lees archeologische resten) net als de bescherming van gebouwde rijksmonumenten wordt opgenomen in de Omgevingswet. Vooruitlopend op de ingang van de Omgevingswet is het deel van de Monumentenwet 1988 dat gaat over de fysieke leefomgeving geregeld in het overgangsrecht van de Erfgoedwet. Het gaat om: vergunningen tot wijziging, sloop of verwijdering van rijksmonumenten; verordeningen, bestemmingsplannen, vergunningen en ontheffingen op het gebied van archeologie; bescherming van stads- en dorpsgezichten. Het erfgoed in de ruimtelijke ordening wordt nu nog voor een belangrijk deel geregeld via de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Ruimtelijke plannen die toepassing hebben op cultureel erfgoed moeten passen binnen wettelijke kaders van de Erfgoedwet en ook de regelingen die in andere wetten en regelgeving is opgenomen,
Macharen - West - 2024 pag 36 van 62 vastgesteld
zoals de Wabo en het Bro.
5.2.2 Archeologiebeleid Het provinciale archeologisch beleid is neergelegd in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant van 25 oktober 2019 en op de provinciale Cultuurhistorische waardenkaart 2010, herzien 2016. Hierin is de bescherming van aardkundig waardevolle gebieden en archeologische landschappen geregeld. Het gemeentelijk archeologisch beleid is veel gedetailleerder dan het algemene provinciale beleid op dit punt en prevaleert daarom ook boven het provinciale archeologisch beleid. Op 14 oktober 2010 heeft de gemeente Oss haar 'archeologiebeleid' vastgesteld. In 2015 heeft de gemeenteraad het archeologiebeleid opnieuw vastgesteld. Dit was nodig vanwege de gemeentelijke herindeling met Maasdonk. Onderdeel van de vaststelling in 2015 is het rapport 'Actualisatie archeologiebeleid gemeente Oss, een herziene archeologische beleidskaart voor het nieuwe grondgebied van de gemeente Oss' (Goddijn, 2012). Aan de hand van onderzoeken, inzichten en boringen in het veld zijn de eerdere archeologische kaarten gedeeltelijk bijgesteld. Op de beleidskaart is sprake van meerdere beleidscategorieën (zie onderstaande tabel). In het beleid is per beleidscategorie vastgelegd wanneer sprake is van een onderzoeksplicht en wanneer ontwikkelingen hiervan zijn vrijgesteld. Verw achting/w aarde
Vrijstellingsgrenzen
Archeologisch beschermd rijksmonument Archeologisch (AMK-) monument
0 m2 / 30 cm -Mv
Beschermde stadsgezichten
35 m2 / 30 cm -Mv
Historische stads-/dorpskern
50 m2 / 30 cm -Mv
Hoge verw achtingsw aarde
100 m2 / 30 cm -Mv
Hoge verw achtingsw aarde – bedrijventerrein Middelhoge verw achtingsw aarde
1000 m2 / 30 cm -Mv
Lage verw achtingsw aarde
5 hectare / 30 cm -Mv
Reeds onderzocht
Afhankelijk van de resultaten van het reeds uitgevoerde onderzoek.
Verstoord
Geen onderzoeksplicht
5.2.3 Archeologietoets Volgens de archeologische beleidskaart van de gemeente is aan het bestemmingsplangebied een hoge verwachtingswaarde toegekend. Concreet betekent dit dat er een archeologische onderzoeksplicht geldt indien de bodemingrepen dieper reiken dan 30 cm beneden huidig maaiveld én de omvang van het gebied groter is dan 100 m2. Doorvertaling bestemmingsplan Ter plaatse van het plangebied is een verkennend archeologisch onderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is als bijlage 3 bij de toelichting gevoegd. Op basis van het bureauonderzoek geldt er voor het gehele plangebied een hoge archeologische verwachting. Specifiek worden er archeologische resten uit het neolithicum tot en met de nieuwe tijd verwacht vanaf 30 cm -mv. Binnen het plangebied is sprake van beddingafzettingen die richting het noordwesten naar beneden wegduiken en die zijn afgedekt door komafzettingen, waarop oeverwalafzettingen voorkomen. Het plangebied is opgedeeld in twee delen: het hoger gelegen deel langs de Hoogstraat en het lagergelegen deel in het noordwesten. In het hoger gelegen deel geldt een hoge verwachting op bewoningssporen uit het neolithicum tot en met de nieuwe tijd in de top van de C-horizont (5,6 m +NAP, circa 180 cm -mv).
Macharen - West - 2024 pag 37 van 62 vastgesteld
Er geldt specifiek een hoge verwachting voor sporen uit het neolithicum en de ijzertijd. De sporen uit de nieuwe tijd kunnen al hoger verwacht worden, namelijk in de oude akkerlaag vanaf 100 cm -mv. In het lagergelegen deel van het plangebied komt deze akkerlaag niet voor, maar kunnen off-sitefenomenen verwacht worden in het beddingszand wat wegduikt naar dieper dan 2,10 m -mv. In de oeverwalafzettingen, vanaf 5,5 m +NAP (15-30 cm -mv) kunnen resten uit de middeleeuwen en later verwacht worden. Geadviseerd wordt om bij bodemverstorende activiteiten die dieper reiken dan 30 cm -mv in het lagergelegen deel en dieper dan 70 cm -mv in het hoger gelegen deel een vervolgonderzoek door middel van een proefsleuvenonderzoek uit te laten voeren. Op 6 november 2023 heeft de gemeente op basis van dit advies een selectiebesluit genomen, zie bijlage 4 bij de toelichting. Zij neemt het advies, zoals dat is geformuleerd in het onderzoek, met een kleine nuance over. Uit het onderzoek blijkt dat vrijwel in het gehele plangebied het archeologisch niveau vanaf 30 cm-Mv voorkomt. Alleen in de zuidoosthoek zou het archeologisch niveau, op basis van 1 boring, pas vanaf 100 cm -Mv voorkomen. De zuidoosthoek ligt echter binnen de historische kern van Macharen, waar historische erven aanwezig zijn (zie afb. 2.4 uit het rapport). Booronderzoek is geen geschikte methode voor dergelijke gebieden.
De aangetroffen ophoging kan namelijk ook gerelateerd zijn aan een historische huisplaats. Vandaar dat in het gehele plangebied archeologisch vervolgonderzoek in de vorm van proefsleuvenonderzoek noodzakelijk is, als grondwerkzaamheden plaatsvinden die dieper gaan dan 30 cm beneden het huidige maaiveld. Dit vervolgonderzoek is inmiddels uitgezet en via een voorwaardelijke verplichting in de regels geborgd. De gemeente Oss vertaalt de wet en het archeologisch beleid ook door in standaard bestemmingsplanregels. Zo heeft de gemeente bestemmingsplanregels (dubbelbestemmingen: dat wil zeggen dat deze naast de hoofdbestemming gelden) voor bescherming van historische kernen, beschermde monumenten, monumenten en voor gebieden met een middelhoge of hoge archeologische verwachtingswaarde. Met deze regels kan, ter bescherming van archeologische waarden, worden bepaald wanneer er een omgevingsvergunning voor bepaalde werkzaamheden nodig is, wanneer dat niet het geval is en onder welke omstandigheden en met welke nadere eisen en voorwaarden een omgevingsvergunning kan worden verleend. Om het archeologisch traject te borgen is aan het gehele plangebied een dubbelbestemming 'Waarde Archeologie verwachtingswaarde hoog' toegekend. Voor het gebied geldt dat bij bodemverstoringen groter dan 100 m² en dieper dan 30 cm beneden huidig maaiveld archeologisch onderzoek nodig is.
Macharen - West - 2024 pag 38 van 62 vastgesteld
5.2.4 Cultuurhistorie Wettelijk kader Door een wijziging van het Bro moeten cultuurhistorische waarden voortaan vooraf in het proces van ruimtelijke ordening worden meegenomen, met name bij de voorbereiding en vaststelling van bestemmingsplannen. Het Bro bevat eisen waaraan de voorbereiding van een bestemmingsplan moet voldoen. Zo wordt er onder meer een beschrijving verlangd van de manier waarop met in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. Dat wordt veranderd in: met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten. De regering wil hiermee bereiken dat aandacht voor cultuurhistorische waarden voortaan in het planproces naar voren wordt gehaald. Doordat plannen nu nog pas na afloop van het planproces worden getoetst aan de regelgeving van de monumentenzorg, wordt monumentenzorg dikwijls ervaren als hindernis. Dit is door de regering erkend en daarbij is de ambitie uitgesproken om de positie van cultuurhistorie aan het begin van het ruimtelijk ordeningsproces juridisch te versterken. Door de verankering van cultuurhistorische waarden in de bestemmingsplannen vermindert tegelijkertijd de noodzaak tot het aanwijzen van nieuwe beschermde monumenten, omdat het belang van de cultuurhistorie wordt geborgd via het proces van de ruimtelijke ordening.
In de Wet tot wijziging van de Monumentenwet 1988 en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in verband met modernisering van de monumentenzorg is daarom al de mogelijkheid voor burgers en belangengroepen om een aanvraag in te dienen om een monument aan te wijzen als beschermd monument, geschrapt. Dit instrument werd door belangengroepen nogal eens ingezet om afgifte van bouwvergunningen te frustreren of te vertragen. Met de wijziging van het Bro wordt tevens de adviesrol van Gedeputeerde Staten beperkt. Tot nu toe moet bij alle ingrepen aan een beschermd monument buiten de bebouwde kom advies aan Gedeputeerde Staten worden gevraagd. Met de wijziging van het besluit hoeft dat alleen nog, als het gaat om monumenten die door de minister op grond van de Monumentenwet 1988 zijn aangewezen. Daarnaast voorziet het besluit in een aantal versoepelingen van vergunningsvrij wijzigen of bouwen in, aan of bij beschermde monumenten. Samengevat komen die versoepelingen er op neer, dat voor gewoon onderhoud of voor inpandige veranderingen aan beschermde monumenten geen monumentenvergunning meer nodig is, als de betreffende onderdelen geen monumentale waarde hebben. Bij twijfelgevallen zal men het bevoegd gezag moeten raadplegen.
De bedoeling van het wijzigingsbesluit is om enerzijds cultuurhistorische waarden een duidelijke plaats te geven aan het begin van het planproces en anderzijds onnodige regeldruk, vooral wanneer het gaat om ondergeschikte wijzigingen aan een monument, weg te nemen. Cultuurhistorie: gemeentelijk en provinciaal beleid Het beleid van de gemeente Oss voor wat betreft cultuurhistorie is onder meer neergelegd in het Erfgoedplan Oss 2006 “Op gemengde bodem”. Hierin zijn onder andere opgenomen: historisch bebouwde gebieden, oude verkavelingspatronen, de invloed van de Maas en Rijksmonumenten. Deze nota heeft (nog) geen betrekking op het grondgebied van de voormalige gemeente Lith. Daarnaast heeft de gemeente Oss een Monumentenlijst 2019. Hierin zijn de Rijks- en gemeentelijke monumenten opgenomen. Het provinciale cultuurhistorische beleid is verankerd in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant en op de Cultuurhistorische waardenkaart 2010. Hierin zijn onder andere opgenomen: cultuurhistorische vlakken en complexen van cultuurhistorisch belang. Cultuurhistorie: bestemmingsplanregels en regels in de provinciale omgevingsverordening Met de onder het kopje 'archeologie' genoemde bestemmingsplanregels, is het ook mogelijk om cultuurhistorische waarden in bestemmingsplannen te beschermen. Een en ander voor zo ver het terreinen betreft (inbouwen sloopvergunningstelsel voor bebouwing).
Kortheidshalve wordt naar het kopje 'archeologie: bestemmingsplanregels' verwezen. De provincie Noord-Brabant heeft in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant bindende regels opgenomen ter bescherming van cultuurhistorische waarden. Binnen het plangebied zijn geen waarde zoals opgenomen in de cultuurhistorische waardenkaart van zowel de gemeente als de provincie Noord-Brabant gelegen. Om deze reden wordt er met de beoogde ontwikkeling geen afbreuk gedaan aan de cultuurhistorische elementen van de gemeente Oss. Het
Macharen - West - 2024 pag 39 van 62 vastgesteld
onderdeel cultuurhistorie vormt om deze reden geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
5.3
Mobiliteit en parkeren
5.3.1 Verkeer De Mobiliteitsvisie Oss uit 2009 heeft als doel het in balans brengen van bereikbaarheid, leefbaarheid en veiligheid. De mobiliteitsvisie is uitgewerkt in het Mobiliteitsplan 2020 Oss. Het deelplan Wegen werkt het gewenste netwerk voor het autoverkeer uit. Per weg is de gewenste functie vastgelegd. Van belang is de vraag of een initiatief leidt tot extra verkeersbewegingen en of de toename van verkeersbewegingen passen binnen de normen die voor ontsluitingswegen gelden. Verkeersgeneratie De verkeersgeneratie van het gebied is bepaald aan de hand van kencijfers uit CROW-publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren' (met daarin op kencijfers voor verkeersgeneratie). De volgende uitgangspunten zijn hierbij gehanteerd: Aantal en type woningen komen uit de stedenbouwkundige verkenning d.d. 15 november 2021, de voorzieningen conform een opgave van de gemeente; Stedelijkheid is 'matig stedelijk', type gebied is 'rest bebouwde kom'; Het gemiddelde van het hoogste en laagste kencijfer is gebruikt; Voor de functie 'dorpshuis' is gekozen voor de functie 'bibliotheek' als meest passende functie. Functie
voorziening
Norm
CROW-functie
omvang
eenheid
gem.
Aantal verplaatsingen per dag eenheid
WONINGEN 1
vrijstaande w oning
vrijstaande w oning
8 w oningen
8,2 per w oning
66
2
tw ee-onder-een-kap
tw ee-onder-een-kap
10 w oningen
7,8 per w oning
78
3
tussen/hoekw oning
tussen/hoekw oning
29 w oningen
7,1 per w oning
206
4
sociale w oning
sociale huur
8 w oningen
4,9 per w oning
39
0,104 per m2 bvo
60
OVERIG 5 6 7 8
gemeenschapshuis kinderdagverblijf gymzaal tennisbanen
bibliotheek kinderdagverblijf gymzaal tennishal
580 m2 bvo 2
150 m bvo 2
345 m bvo 2
780 m bvo
2
50
2
45
2
27
0,332 per m bvo 0,13 per m bvo 0,035 per m bvo
Totaal afgerond naar boven
600
Op basis van de gehanteerde uitgangspunten bedraagt de totale verkeersgeneratie in de nieuwe situatie circa 600 motorvoertuigen per dag. Dit aantal moet worden gezien als 'worst-case', immers in de huidige situatie is er al een (beperkte) verkeersstroom aanwezig naar de huidige voorzieningen (dorpshuis De Bongerd en tennisbanen). In de praktijk zal de toename van verkeer derhalve minder dan 600 motorvoertuigen per dag zijn. Verkeersafwikkeling Het plangebied wordt op de Hoogstraat ontsloten. De Hoogstraat is conform het Mobiliteitsplan Oss een erftoegangsweg, type II. Dit type weg heeft een intensiteit die lager is dan 4.000 motorvoertuigen per etmaal. De capaciteit van de Hoogstraat is ruim voldoende om de toename van het aantal voertuigbewegingen op te vangen. Het aspect 'verkeer' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit
Macharen - West - 2024 pag 40 van 62 vastgesteld
bestemmingsplan. 5.3.2 Parkeren De gemeente Oss heeft een gemeentelijk parkeerbeleidsplan vastgesteld. De 'Nota Parkeernormen Oss 2023' geeft aan welke parkeernormen voor welke gebieden gelden. Voor het bepalen van de parkeerbehoefte zijn de volgende uitgangspunten gehanteerd: Aantal en type woningen komen uit de stedenbouwkundige verkenning d.d. 15 november 2021, de voorzieningen conform een opgave van de gemeente; Stedelijkheid is 'matig stedelijk', type gebied is 'rest bebouwde kom'; Het gemiddelde van het hoogste en laagste kencijfer is gebruikt; Voor de functie 'dorpshuis' is gekozen voor de functie 'cultureel centrum/wijkgebouw' als meest passende functie.
Met dubbelgebruik bedraagt de totale parkeereis voor Bongerd, tennis en woongebied 121 parkeerplaatsen. Voor het gemeenschapshuis + tennisbanen zijn maximaal 38 parkeerplaatsen noodzakelijk. Uitgangspunt is dat bewoners en bezoekers van de woningen niet parkeren op het parkeerterrein bij het dorpshuis. Voor de gebruikers van het parkeerterrein bij het dorpshuis is echter dubbelgebruik van parkeerplaatsen mogelijk. De parkeervraag daalt voor deze groep parkeerders dan van 38 naar 31 parkeerplaatsen. Zie de twee tabellen hierboven. In totaal moeten dus 89 parkeerplaatsen bij de woningen aanwezig zijn en 31 parkeerplaatsen bij het dorpshuis. Binnen het plangebied is het mogelijk dit aantal te realiseren. Hiermee wordt voldaan aan de parkeernormen. Aangezien het overgrote deel van de parkeerplaatsen in het openbaar gebied binnen het plangebied komen te liggen, wordt tevens voldaan aan de eis van minimaal 0,3 parkeerplaats per woning in de openbare ruimte voor bezoekers. Het aspect 'parkeren' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.
Macharen - West - 2024 pag 41 van 62 vastgesteld
5.4
Water
5.4.1
Wetgeving en beleid
De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater. Ook verbetert de Waterwet de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) stelt een watertoets verplicht voor ruimtelijke plannen waarin waterbelangen spelen. De watertoets bewaakt de waterkwaliteit en waterkwantiteit. Een watertoets is het hele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en beoordelen. Waterhuishoudkundige aspecten zijn onder meer veiligheid, wateroverlast, waterkwaliteit, verzilting en verdroging. De watertoets heeft betrekking op alle wateren: rijkswateren, regionale wateren, gemeentelijke en particuliere wateren en grondwater. De gemeente Oss heeft in december 2022 een Water- en Rioleringsprogramma vastgesteld (WRP 2023-2029). Het programma biedt een kader voor de gemeentelijke watertaken en regelt de zorg voor inzameling en transport van afvalwater, doelmatige verwerking van afvloeiend (overtollig) hemelwater en overtollig grondwater. De gemeente is verantwoordelijk voor de openbare ruimte. In bebouwd gebied vraagt de zorg voor oppervlaktewater extra aandacht. De gemeente is ook verantwoordelijk voor een goede ruimtelijke ordening. Het gaat om voldoende ruimte voor water in ruimtelijke plannen. De watertoets is opgenomen in het Besluit op de ruimtelijke ordening (Bro).
Beleid van gemeente, provincie en rijk is van toepassing bij een watertoets. Toetsing van uw waterparagraaf gebeurt op kwaliteit en kwantiteit. De verwerking van hemelwater, afvalwater en planologische 'waterbestemmingen' komen aan bod. Waterbeheerplan Op 19 november 2021 is het nieuwe waterbeheerplan van waterschap Aa en Maas vastgesteld. In dit plan is beschreven welke doelstellingen het waterschap nastreeft in de periode 2022-2027 en hoe zij die doelstellingen wil gaan halen. Het plan geldt van 22 december 2021 tot en met 21 december 2027. Het waterbeheerplan is uitgewerkt in de volgende drie programma's: 1. Waterveiligheid; Het programma 'Waterveiligheid' draait om de bescherming tegen overstromingen vanuit de Maas en het regionale watersysteem. 2. Klimaatbestendig en gezond watersysteem; Het programma 'Klimaatbestendig en gezond watersysteem' draait om een goed functionerend watersysteem in normale én in extreem droge en natte situaties: klimaatbestendig, robuust, veerkrachtig en stuurbaar. Daarbij let het waterschap op de hoeveelheid (goede waterpeilen, het vasthouden van water en het omgaan met wateroverlast en droogte); en op de kwaliteit van het water (chemisch en ecologisch). 3.
Schoon Water;
In het programma 'Schoon Water' speelt het zuiveren van afvalwater een centrale rol. Voor bebouwde gebieden heeft het waterschap specifieke doelen geformuleerd. In bebouwd gebied werkt het waterschap toe naar een klimaatrobuust watersysteem waarin: schoon water niet naar de zuivering gaat, maar het grondwater voedt; de waterkwaliteit geen risico's geeft voor de volksgezondheid en geschikt is voor een goede ontwikkeling van flora en fauna, maar ook voor recreatie en evenementen; de kans op wateroverlast en problemen door droogte en hittestress acceptabel is; de betrokkenheid en het waterbewustzijn van inwoners, bedrijven en andere stedelijke partners is toegenomen. Deze programma's zijn verder uitgewerkt in het WBP naar concrete doelstellingen. Deze doelstellingen vinden onder andere een doorwerking in de beschikbare instrumenten van het waterschap; Keur, legger, communicatie en stimuleringsmiddelen. ' Waterschap Aa en Maas is verantwoordelijk voor het waterbeheer in haar beheersgebied. Het gaat om het waterkwantiteits- en waterkwaliteitsbeheer, de waterkeringszorg, waterzuivering, grondwaterbeheer en waterbodembeheer. De regels zijn vastgelegd in de Keur (met Algemene- en Beleidsregels) in de vorm van een aantal gebods- en verbodsbepalingen.
Keur
Macharen - West - 2024 pag 42 van 62 vastgesteld
De Keur is een waterschapsverordening en omvat samen met de Waterwet alle gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen of activiteiten die consequenties hebben voor de waterkwantiteit, waterkwaliteit en waterveiligheid. De Keur is verder uitgewerkt beleids- en algemene regels. Legger De Keur verwijst in de gebods- en verbodsbepalingen volop naar de legger. De legger legt de status en afmetingen behorende bij de regels van de Keur vast in een overzichtskaart van het waterbeheersgebied. Op deze kaart zijn onder andere dijken, waterlopen en bijbehorende beschermingszones aangegeven. Sinds 1 maart 2015 hanteert waterschap Aa en Maas onderstaande (beleids)uitgangspunten voor het beoordelen van plannen waarbij het verhard oppervlak toeneemt. Deze (beleids)uitgangspunten zijn opgenomen in 'Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen'. Voor een toename van het verhard oppervlak tussen de 500 m2 en 10.000 m2 kan de vereiste compensatie berekend worden door de toename van het verhard oppervlak (m2) te vermenigvuldigen met een waterschijf van 60 mm. De uitgangspunten bij het toetsen van ruimtelijke plannen zijn: Gescheiden houden van vuil (afval)water en schoon hemelwater; Voorkomen van vervuiling van water; Schoon hemelwater kan volgens de voorkeursvolgorde worden verwerkt: 1. Hergebruik; 2. Infiltratie/bergen; 3.
Afvoer Hydrologisch neutraal ontwikkelen (HNO), zodat een ontwikkeling niet leidt tot een hydrologische achteruitgang, zowel in als buiten het plangebied. Ook mogen geen hydrologische knelpunten ontstaan voor huidige en vastgelegde toekomstige landgebruik functies. Dit betekent dat: 1. De afvoer uit het gebied niet groter wordt dan in de referentiesituatie; 2. De grondwateraanvulling in het plangebied gelijk blijft of toeneemt; 3. Grond- en oppervlaktewaterstanden in de omgeving gelijk blijven, of verbeteren voor de huidige en toekomstige landgebruiksfuncties; 4. De (grond)waterstanden in het plangebied aansluiten op de (nieuwe) functie(s) van het plangebied; 5. Het plangebied zo wordt ingericht dat de hydrologische gevolgen van vastgestelde toekomstige ontwikkelingen in de omgeving niet leiden tot knelpunten in het plangebied. De aanleg van voldoende waterbergingsvoorzieningen is via de regels van het bestemmingsplan geborgd. 5.4.2 Watertoets In het plangebied is een waterhuishoudkundig onderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is als bijlage 5 bij de toelichting gevoegd. In het midden van het plangebied bevindt zich een zaksloot met aan weerszijden een houtopstand. Aan de west-, noord-, en oostzijde bevindt zich een bomenrij. Om de bomenrij liggen sloten. Deze sloten zijn op de door het waterschap Aa en Maas vastgelegde legger voor oppervlaktewateren aangeduid als B-watergang.
Macharen - West - 2024 pag 43 van 62 vastgesteld
Beoogde waterhuishoudhouding Macharen-west Het plan is zo ontworpen dat de grondwaterstanden in de plansituatie zo veel mogelijk gelijk blijven ten opzichte van de huidige situatie. De grondwaterstand zorgt voor de (tegen)druk en niet de maaiveldhoogte. Daarom is er geen verandering van grondwaterstroming te verwachten. In het plan zijn twee droogvallende waterbergingen voorzien die het hemelwater opvangen en vertraagd afvoeren naar de B-watergang rondom het plangebied. Het hemelwater binnen het plangebied stroomt bovengronds via goten in het wegprofiel af naar de droogvallende waterbergingen. Het maaiveld in het plangebied ligt momenteel tussen 5,5 en 5,8 mNAP. Voor de planvorming wordt uitgegaan van een (toekomstige) GHG van 5,3 mNAP. De ontwatering van wegen en woonstraten dient minimaal 0,7 meter te zijn wat betekent dat de wegen in plan minimaal 0,7 meter boven de GHG op een hoogte van 6,0 mNAP moeten worden aangelegd. Bij deze aanleghoogte is de drooglegging (verschil tussen oppervlaktewaterpeil (4,75 mNAP en weghoogte 6,0 mNAP) groter dan 1,2 meter en dus voldoende. Door de ophoging van het plangebied ontstaat een hoogteverschil met de omgeving. Aan de noord-, oosten westzijde ligt een B-watergang die dit hoogteverschil ‘opvangt’. Aan de zuidzijde ligt bestaande bebouwing langs de Dorpsstraat waarvan de achtertuinen grenzen aan het plangebied.
De afwatering van deze achtertuinen is een aandachtpunt die in de plansituatie niet mag verslechteren.
Macharen - West - 2024 pag 44 van 62 vastgesteld
Een aandachtspunt is dat het plangebied in een gebied ligt wat bij overstroming vanuit de rivieren kan onder lopen. Overwogen kan worden om nog verder op te hogen om dat risico verder te beperken. Vooralsnog wordt daar niet vanuit gegaan, omdat de kans op overstroming heel klein is . En stel dat dit gebeurt dan is dit niet het enige woongebied die dan onderloopt. Afwatering omliggende percelen Het noordelijk deel van de achtertuinen, grenzend aan het plangebied, ligt lager dan de toekomstige hoogte van het plangebied. Het is van belang dat deze percelen kunnen blijven afwateren. In het waterhuishoudkundig plan is een eerste oplossingsrichting geschetst waarbij de afwatering van de bestaande percelen aan de Dorpsstraat gewaarborgd blijft. Werking hemelwatersysteem In bijlage 5 wordt aangegeven hoe de wegen met daarin de afvoergoten aangelegd worden. Nabij de droogvallende waterbergingen liggen de wegen op 6,0 mNAP. Van daaruit lopen de wegen op tot circa 6,3 mNAP. De bodem van de waterbergingen ligt 40 cm lager dan de straat op 5,6 mNAP. De hoogtes worden in de ontwerpfase in detail uitgewerkt. Waterbergingsopgave De bestaande verharding betreft circa 6000 m2. De toename aan verharding is circa 9.000 m2. Het uitgangspunt is dat minimaal 60 mm waterberging beschikbaar is ten opzichte van de toename aan verharding.
De ambitie van de gemeente is een klimaatbestendige inrichting en om 60 mm te realiseren ten opzichte van alle verharding in de nieuwe situatie. Daarbij is het goed een doorkijk te maken naar het functioneren van het watersysteem bij nog grotere buien, bijvoorbeeld bij een bui van 90 mm. In het stedenbouwkundig plan zijn twee groenzones opgenomen die ingericht kunnen worden als waterberging. In tabel 4-3 van bijlage 5 is de hierin beschikbare waterberging opgenomen ervan uitgaande dat de bodem van de gehele groenzone tenminste 0,4 meter beneden straatpeil ligt en dat de waterberging geheel gevuld is (tot kant weg). In de waterbergingen kan circa 1276 m3 water geborgen worden. Dit is voldoende om 60 mm ten opzichte van de totale toekomstige verharding te bergen. In de waterbalans is nog geen rekening gehouden met waterberging die op particulier terrein wordt gerealiseerd. Conform beleid van gemeente Oss moet op particulier terrein 25 mm waterberging aanwezig zijn ten opzichte van de verharding van de betreffende kavel. Dit komt voor het plangebied neer op 193 m3 waterberging (7.711 m2 x 25 mm). De totale beschikbare waterberging binnen het plangebied in particuliere en openbare voorzieningen samen is daarmee 1469 m3. Dit komt neer op 97 mm ten opzichte van de totale toekomstige verharding (1469 m3/ 15104 m2).
B-watergangen rondom het plangebied De bestaande B-watergangen rondom het plangebied zijn eigendom van de gemeente Oss. In de huidige situatie is de gemeente Oss daarom onderhoudsplichtig, maar op basis van een afspraak tussen gemeente en waterschap coördineert het waterschap het onderhoud van deze watergangen. Afvalwatersysteem De hoogte van de riolering in zowel de Hoogstraat (bob 6,0 mNAP) als in de Dorpsstraat (bob 4,8 mNAP) ligt te hoog om daarop onder vrijverval vanuit plangebied te kunnen aansluiten. Het plangebied zal daarom een eigen gemaal krijgen waarop de afvalwaterriolering zal afvoeren. Het gemaal verpompt het afvalwater naar het gemengde riool van Macharen (waarschijnlijk in Hoogstraat) via welke het afvalwater wordt afgevoerd naar de rioolwaterzuivering. Uitgaande van 58 wooneenheden en gemiddeld 2,5 personen per wooneenheid is het maatgevende afvalwateraanbod 2,2 m3/h (58 x 2,5 x 15 l/h/inw). Dit debiet wordt gedurende 10 h/dag verwacht. Het aspect 'water' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan
Macharen - West - 2024 pag 45 van 62 vastgesteld
5.5
Defensie
Uit oogpunt van defensie kunnen er beperkingen gesteld worden aan ruimtelijke ontwikkelingen in een gebied. Belangrijke aandachtspunten met betrekking tot het defensiebelang zijn: Radarverstoringsgebieden; Obstakelbeheergebieden; Laagvliegroutes voor jachtvliegtuigen; Geluidszones voor militaire luchtvaartterreinen. Het gehele plangebied is gelegen binnen het radarverstoringsgebied van een radar van de vliegbasis Volkel. Binnen dit gebied is het in beginsel niet toegestaan om hogere bebouwing op te richten dan 114 meter boven NAP. Indien er initiatieven zijn voor het oprichten van hogere bouwwerken of gebouwen, dan kan dit toegestaan worden als blijkt dat de radar niet onevenredig wordt verstoord. Dit kan door TNO worden berekend. Dit bestemmingsplan voorziet echter nergens in bouwmogelijkheden tot een dergelijke hoogte. Daarmee is het belang van het radarverstoringsgebied binnen dit bestemmingsplan voldoende gewaarborgd. Bij een eventueel toekomstig initiatief voor een bouwwerk met een hoogte tot 114 meter boven NAP of hoger dient het defensiebelang nadrukkelijk betrokken te worden bij de aanvaardbaarheid van de ontwikkeling. Voor het overige geldt dat het plangebied niet gelegen is binnen een obstakelbeheergebied, een laagvliegroute voor jachtvliegtuigen of een geluidszone voor militaire luchtvaartterreinen.
Aan deze aspecten hoeft dan ook geen verdere aandacht besteed te worden.
5.6
Milieuaspecten
5.6.1 Bedrijven en milieuzonering Rijkskader Een goede ruimtelijke ordening voorkomt hinder en gevaar. Dit kan door voldoende afstand te houden tussen milieubelastende activiteiten van bedrijven en gevoelige functies, zoals woningen. Het doel van milieuzonering is om de kwaliteit van het woon- en leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Daarnaast kan milieuzonering bedrijven voldoende zekerheid bieden om hun activiteiten duurzaam uit te voeren. De handreiking Bedrijven en milieuzonering van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) geeft richtafstanden om de milieuzonering van bedrijven te kunnen bepalen. In de VNG-brochure worden twee omgevingstypen onderscheiden, namelijk ‘rustige woonwijk’/’rustig buitengebied’ en ‘gemengd gebied’. De richtafstanden uit de VNG-brochure zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit zoals die wordt nagestreefd in een rustige woonwijk of een daarmee vergelijkbaar omgevingstype (zoals een rustig buitengebied). De indicatieve afstanden zijn de afstanden die moeten worden aangehouden tot de gevels van woningen in een 'rustige woonwijk'. Voor woningen in een 'gemengd gebied' mag de indicatieve afstand worden gecorrigeerd en kan de afstand met één trede worden verlaagd, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat. Het plangebied kan worden aangemerkt als rustig woongebied.
Doorvertaling bestemmingsplan In de omgeving van het plangebied zijn voornamelijk woningen gelegen. Een uitzondering is de basisschool aan de Hoogstraat 1. De richtafstand van een basisschool bedraagt 30 m. De beoogde woningen zijn alle op een afstand van meer dan 30 m van de school en het schoolplein gelegen. Bovendien zijn de bestaande dichterbij gelegen woningen maatgevend voor de mogelijkheden van de school. Daarnaast worden binnen het plangebied ook een aantal functies gerealiseerd. Namelijk een dorpshuis, gecombineerd met een tennisclub, een multifunctionele zaal en een kinderdagverblijf met
Macharen - West - 2024 pag 46 van 62 vastgesteld
buitenschoolse opvang. In de VNG-publicatie zijn voor soortgelijke functies (zoals buurthuis, kinderdagverblijf, buitenschoolse opvang, gymnastiekzaal en tennisbanen) richtafstanden opgenomen. De grootste richtafstand bedraagt 50 m voor het maatgevende aspect geluid. Omdat de beoogde woningbouw op kortere afstand van het dorpshuis is geprojecteerd, is nader onderzoek gedaan naar het aspect geluid (Bijlage 9). Uit dit onderzoek blijkt dat voor deze woningen sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Zie hiervoor ook paragraaf 5.6.8. Het aspect 'milieuzonering' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.
5.6.2 Bodem Rijkskader Op basis van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening en artikel 3.2 Algemene wet bestuursrecht, moet in planvorming rekening gehouden worden met de bodemkwaliteit in relatie tot de gewenste functies. In de Bouwverordening van de gemeente Oss is geregeld dat onder bepaalde omstandigheden het oprichten van gebouwen pas kan plaatsvinden als de bodem geschikt is (of geschikt is gemaakt) voor het beoogde doel. Om die reden dient bij iedere nieuwbouwactiviteit de bodemkwaliteit door middel van onderzoek te worden vastgesteld. Doorvertaling bestemmingsplan Er is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is als bijlage 6 bij de toelichting gevoegd. Voor het plangebied is voor de algemene kwaliteit van het verhard en bebouwd deel de hypothese gesteld van een verdachte locatie met betrekking tot het voorkomen van een bodemverontreiniging. Voor de voormalige voetbalvelden is de hypothese gesteld van een onverdachte locatie. Op basis van de resultaten kan de gestelde verdachte hypothese van het verharde en bebouwde deel worden verworpen en de onverdachte hypothese voor de voormalige voetbalvelden worden aangenomen. In zowel de boven-, ondergrond als in het grondwater zijn namelijk maximaal licht verhoogde gehalten voor de onderzochte parameters aangetoond.
De aangetoonde verhoogde gehalten betreffen overschrijdingen van de achtergrond- of streefwaarden. Aangezien de gestandaardiseerde meetwaarden de indexwaarden van 0,5 niet overschrijden, zijn geen vervolgstappen in het kader van de Wbb noodzakelijk. Zowel zintuiglijk als analytisch zijn geen waarnemingen gedaan die duiden op de aanwezigheid van ernstige verontreinigingen als gevolg van de voormalige watergangen en voormalige weg. Naar verwachting is voorafgaand aan de demping eventueel slib uit de watergangen verwijderd en zijn de watergangen gedempt met gebiedseigen grond. De voormalige weg is naar verwachting volledig verwijderd. In het onderzoek is het meest verdachte gebied onderzocht op OCB en daarnaast is de waterbodem van de watergang onderzocht op OCB. Ter plaatse van de voormalige boomgaard is in één mengmonster een marginaal verhoogd gehalte voor DDD aangetoond (index = 0). In het andere mengmonster ter plaatse van de voormalige boomgaard en in het mengmonster van boringen in de omgeving van de voormalige boomgaard zijn geen verhoogde gehalten voor de onderzochte OCB-parameters aangetoond ten opzichte van de achtergrondwaarden. Daarnaast zijn in de waterbodem geen verhoogde gehalten voor OCB aangetoond.
Hiermee is de onderzoekslocatie in voldoende mate onderzocht en worden er geen verontreinigingen met de OCB-parameters verwacht op de overige locatie, aangezien ter plaatse van de meest verdachte locaties in één mengmonster slechts een marginaal verhoogd gehalte is aangetoond. Volledigheidshalve wordt er echter na de sloop van de bebouwing nog een aanvullend verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Op basis van bovenstaande toelichting worden geen verontreinigingen met OCB verwacht op de overige locatie en wordt derhalve voorgesteld om gelijktijdig met dat onderzoek na sloop, tevens de teeltlaag van de overige locatie aanvullend te onderzoeken op OCB. Dit aanvullend onderzoek is via een voorwaardelijke verplichting in de regels geborgd. Voor het verkennend onderzoek naar asbest ter plaatse van het verhard en bebouwd deel is de hypothese gesteld van een verdachte locatie met betrekking tot het voorkomen van een verontreiniging met asbest. Op basis van de onderzoeksresultaten kan de gestelde hypothese worden verworpen, aangezien zintuiglijk (fractie > 20 mm) geen asbest is aangetroffen. Analytisch (fractie < 20 mm) is maximaal een gehalte van 24,3 mg/kg d.s. aangetoond, welke beneden de interventiewaarde (100
Macharen - West - 2024 pag 47 van 62 vastgesteld
mg/kg d.s.) blijft, alsmede de norm van 50 mg/kg d.s. voor nader onderzoek. Ontplofbare oorlogsresten WOII Daarnaast is het plangebied geheel onverdacht van ontplofbare oorlogsresten uit WOII op basis van de bodembelastingkaart ontplofbare oorlogsresten en het daaraan gekoppelde vooronderzoek van AVG uit 2016. Zie de afbeelding hieronder.
Plangebied (groen gearceerd) op de bodembelastingkaart Geheel onverdacht van ontplofbare oorlogsresten uit WOII wil zeggen dat de kans dat tijdens grondwerkzaamheden binnen het plangebied explosieven of munitie wordt gevonden zeer klein is. Het is niet nodig om hier onderzoek naar te doen. Echter kan het voorkomen dat bij toeval toch een artikel wordt gevonden wat er uit ziet als een explosief of munitie. In dat geval geldt het protocol toevalsvondsten: stop de werkzaamheden, iedereen verlaat lopend het werkterrein (i.v.m. trillingen door voertuigen en machines) en bel de politie op 0900-8844. De Explosieven Verkenner (EV) of Teamleider Explosieven Veiligheid (TEV) van de politie komt op de locatie beoordelen of het om munitie gaat die moet worden geruimd. Zo ja, schakelt deze de Explosieven Opruimingsdienst van Defensie (EODD) in. Zo nee, dan kunnen werkzaamheden worden hervat. Vanuit milieuhygiënisch oogpunt bestaan geen bezwaren tegen de voorgenomen bestemmingswijziging en herontwikkeling. Het aspect 'bodem' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.
Macharen - West - 2024 pag 48 van 62 vastgesteld
5.6.3 Externe veiligheid Rijkskader Externe veiligheid behandelt de risico's die ontstaan als gevolg van opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen. Deze risico's kunnen hun weerslag hebben op de omgeving. Het wettelijke kader voor externe veiligheid bestaat onder meer uit: het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Enerzijds gaat het over de risicobronnen (bedrijven of transportroutes). Anderzijds gaat het over de risico-ontvangers (omstanders die niets met de opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen te maken hebben). Wat betreft de risico-ontvangers maakt de wetgeving onderscheid in kwetsbare objecten en beperkt kwetsbare objecten. Kwetsbare objecten zijn gebouwen, waarin (of waarbij) groepen van circa 50 personen of groter, gedurende langere aaneengesloten tijd verblijven. Ook sommige gebouwen waarin/waarbij kleinere groepen verblijven, worden als kwetsbaar object gezien, wanneer die personen beperkt zelfredzaam zijn (zoals zieken, bejaarden of gehandicapten). Beperkt kwetsbare objecten zijn verspreid liggende woningen en bedrijven waarin/waarbij groepen van minder dan 50 personen gedurende langere aaneengesloten tijd verblijven.
In de landelijke wetgeving wordt meer gedetailleerd beschreven wat er onder kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten wordt verstaan. Belangrijk is hierbij dat de opsomming in de wetgeving niet limitatief is, zodat er in de verdere uitwerking van het beleid nog enige vrijheid rest. Verder maakt de wetgever onderscheid tussen het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico (PR) geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De kans heeft betrekking op een fictief persoon die continu op die plaats aanwezig is. Het PR kan op de kaart worden weergegeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. De wetgever schrijft voor hoe moet worden omgegaan met de PR 10-6/jaar. Binnen deze contour heeft iemand die hier continu aanwezig is de kans van 1 op één miljoen om te overlijden als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico (GR) is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang. Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting bij een calamiteit. Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit.
Dit invloedsgebied wordt begrensd door de 1% letaliteitsgrens (tenzij anders bepaald): de afstand waarop niet meer dan 1% van de blootgestelde mensen in de omgeving komt te overlijden bij een calamiteit met gevaarlijke stoffen. Gemeentelijk kader Ook in de gemeente Oss zijn risicobronnen aanwezig in de vorm van transportassen en stationaire activiteiten. Dit vraagt om een gemeentelijke visie. Op 19 mei 2011 heeft de gemeenteraad de Beleidsvisie Externe veiligheid vastgesteld. Deze beleidsvisie beschrijft op welke manier de gemeente Oss externe veiligheid in haar afwegingen betrekt. Doorvertaling bestemmingsplan Op navolgende afbeelding is een uitsnede weergegeven van de risicokaart. Hierop is informatie weergegeven ten aanzien van inrichtingen met gevaarlijke stoffen, transportroutes en buisleidingen:
Macharen - West - 2024 pag 49 van 62 vastgesteld
Uitsnede risicokaart met globale aanduiding plangebied (gele cirkel) Inrichtingen c.q. bedrijven Uit de risicokaart valt af te leiden dat het plangebied niet is gelegen binnen het invloedsgebied van een inrichting. Vervoer van gevaarlijke stoffen door een buisleiding Het plangebied is niet gelegen in de directe nabijheid van aardgastransportleidingen. Vervoer van gevaarlijke stoffen Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van een basisnetroute water, te weten de Maas. De afstand van het plangebied tot het midden van de route bedraagt circa 930 m. Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van het toxisch scenario vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen over deze basisnetroute. Gelet op het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) is verantwoording van het groepsrisico noodzakelijk. Daarbij is het ingaan op de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de ramp en zelfredzaamheid in dit geval voldoende. Bestrijdbaarheid van de omvang van een ramp of zwaar ongeval Bij een calamiteit, waarbij toxische stoffen (kunnen) vrijkomen, zal de brandweer inzetten op het beperken of voorkomen van effecten. Deze inzet zal voornamelijk plaatsvinden bij de bron. De brandweer richt zich dan niet direct op het bestrijden van effecten in of nabij het plangebied. De mogelijkheden voor bestrijdbaarheid worden daarom niet verder in beschouwing genomen.
Mogelijkheden tot zelfredzaamheid Bij een calamiteit, waarbij toxische stoffen (kunnen) vrijkomen, is het belangrijk dat de aanwezigen in het plangebied worden geïnformeerd hoe te handelen bij dat incident. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van de zogenaamde waarschuwings- en alarmeringspalen (WAS-palen) of NL-alert. Bij het genoemde incidentscenario is het advies om te schuilen in een gebouw en de ramen, deuren en ventilatieopeningen te sluiten. In het plangebied zijn voldoende mogelijkheden aanwezig om dit advies tijdig op te volgen. Gelet op de hiervoor genoemde overwegingen zijn er voldoende mogelijkheden voor de zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid bij een zwaar ongeval op deze transportroute. Dit betekent dat geen nadere eisen aan het plan gesteld hoeven te worden in het kader van het aspect externe veiligheid.
Macharen - West - 2024 pag 50 van 62 vastgesteld
Het aspect 'externe veiligheid' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.
5.6.4 Geurhinder: agrarisch Rijkskader De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) is het beoordelingskader voor geur bij milieuvergunningen, bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen. Het gaat uitdrukkelijk om agrarische geur van landbouwhuisdieren uit dierstallen. De wet maakt onderscheid tussen geurnormen voor intensieve en extensieve veehouderijen. De geurbelasting van intensieve veehouderijen wordt berekend en uitgedrukt in de vorm van een geurcontour. De geurbelasting van extensieve veehouderijen wordt uitgedrukt in vaste afstanden. Gemeentelijk kader De gemeente Oss heeft op basis van de wet een eigen geurbeleid opgesteld. Het geurbeleid bestaat uit twee delen: de “Geurgebiedsvisie 2013” en de “Agrarische geurverordening gemeente Oss 2017”. Het hanteert per soort gebied een eigen geurnorm en streeft de volgende doelen na: de burger beschermen tegen geurhinder; de veehouderijen niet onnodig beperken; ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk maken, onder de voorwaarde dat er een aanvaardbaar woon- en leefklimaat is. De gemeentelijke “Beleidsregel ruimtelijke ontwikkelingen en geurhinder” is van belang voor de vraag of een ruimtelijke ontwikkeling kan plaatsvinden. De beleidsregel geeft aan wanneer sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
In de Verordening geurhinder en veehouderij gemeente Oss 2017 wordt de maximale waarde voor de geurbelasting van een veehouderij op een geurgevoelig object binnen de gemeente Oss vastgelegd. Conform Artikel 3 Waarden voor de geurbelasting van de verordening zijn de volgende waarden vastgelegd: Lid 1. Op grond van artikel 6, lid 1 van de wet en in afwijking van artikel 3, lid 1 van de wet bedraagt de maximale waarde voor de geurbelasting van een veehouderij op een geurgevoelig object in het gebied als genoemd in artikel 2, lid 1 van deze verordening: A. Stad Oss
1,0 Ou
B. Woonkern met geen/enige intensieve veehouderij
2,0 Ou
C. Plangebied (bij kern A en B)
3,0 Ou
D. Woonkern met intensieve veehouderij
6,0 Ou
E. Zoekgebied + plangebied Maren-Kessel West en Liesdaal
6,0 Ou
F. Recreatiegebieden
8,0 Ou
G. Extensiveringsgebieden
8,0 Ou
H. Bedrijventerreinen
8,0 Ou
I. Bedrijventerrein Vorstengrafdonk
12,0 Ou
J. Verw evingsgebied
14,0 Ou
K. Landbouw ontw ikkelingsgebied
14,0 Ou
Doorvertaling bestemmingsplan In de omgeving van het plangebied is aan de Hoogoordstraat 8 in Macharen een melkveehouderijbedrijf gelegen. Op grond van de gemeentelijke geurverordening geldt voor de melkveehouderij een vaste afstand van 50 m binnen de bebouwde kom. Het plangebied ligt op circa 125 m en is zodoende niet binnen de vaste afstand van de veehouderij gelegen. Bovendien ligt het plangebied in een gebied met
Macharen - West - 2024 pag 51 van 62 vastgesteld
een goede achtergrondbelasting, waarvoor geldt dat sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Het aspect 'agrarische geur' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.
5.6.5 Geurhinder: industrieel Rijkskader Het nationale industriële geurbeleid is vastgelegd in de Nederlandse emissierichtlijn (NeR). De brief van het ministerie van Infrastructuur en Milieu van 30 juni 2005 stelt het rijksbeleid in grote lijnen vast. Het algemene uitgangspunt is het voorkomen van (nieuwe) hinder. Dit uitgangspunt vormt samen met het toepassen van de Beste Beschikbare Techniek (BBT) de kern van het geurbeleid. Uitgangspunten van het rijksbeleid zijn: als er geen hinder is, zijn maatregelen niet nodig; als er wel hinder is, worden maatregelen getroffen op basis van het Beste Beschikbare Techniek-principe; de gemeente stelt vast welke mate van hinder acceptabel is. Provinciaal en gemeentelijk kader Gemeenten en provincies hebben de bevoegdheid om een eigen geurbeleid vast te stellen. De provincie Noord-Brabant heeft een eigen geurbeleid voor provinciale bedrijven, de Beleidsregel beoordeling geurhinder omgevingsvergunningen industriële bedrijven Noord-Brabant. De gemeente Oss heeft geen eigen industrieel geurbeleid. Per situatie stelt de gemeente Oss vast of sprake is van een acceptabel geurniveau. Er zijn verschillen in het niveau van bescherming mogelijk. Voor een bedrijfswoning kan bijvoorbeeld een hogere geurbelasting gehanteerd worden dan voor aaneengesloten woonbebouwing.
Doorvertaling bestemmingsplan Aangezien aan de bedrijfs- en milieuzonering van de omliggende bedrijven kan worden voldaan kan worden geconcludeerd dat het onderdeel geur industrieel geen belemmering vormt voor de beoogde ontwikkeling. Het aspect 'industriële geur' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.
5.6.6 Luchtkwaliteit Rijkskader Het beleid en de regelgeving over luchtkwaliteit heeft tot doel om mensen te beschermen tegen de gezondheidseffecten van luchtverontreiniging. Ze bevatten luchtkwaliteitsnormen voor verschillende stoffen. Ruimtelijke plannen of projecten die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit, zoals bestemmingsplannen, dienen getoetst te worden aan de Wet milieubeheer (afdeling 5.2.). Deze wet bevat grenswaarden voor de stoffen zwaveldioxide, stikstofdioxide, stikstofoxiden, fijn stof, lood, benzeen en koolmonoxide in de buitenlucht. In Nederland zijn de maatgevende luchtverontreinigende stoffen stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Overschrijding van de grenswaarden van andere stoffen komt bijna niet voor. De wet maakt onderscheid tussen kleine en grote ruimtelijke projecten. Kleine projecten zijn projecten die de luchtkwaliteit niet 'in betekende mate' (NIBM) verslechteren. Deze projecten hoeven niet meer beoordeeld te worden op luchtkwaliteit. Ze zijn namelijk zo klein dat ze geen wezenlijke invloed hebben op de luchtkwaliteit. Er is geen belemmering als een klein project niet of nauwelijks bij draagt aan luchtverontreiniging, óók niet in overschrijdingsgebieden (gebieden met te veel luchtvervuiling). De ministeriële Regeling NIBM geeft aan in welke gevallen een nieuw project in ieder geval een NIBM-project is.
Dit is bijvoorbeeld het geval als er minder dan 500 woningen worden gebouwd bij minimaal één ontsluitingsweg, of minder dan 1.000 woningen bij twee ontsluitingswegen. Het Besluit gevoelige bestemmingen beperkt de vestiging van zogeheten 'gevoelige bestemmingen', zoals een school, in de nabijheid van provinciale en rijkswegen. Het besluit is gericht op bescherming
Macharen - West - 2024 pag 52 van 62 vastgesteld
van mensen met een verhoogde gevoeligheid voor fijn stof (PM10) en stikstofdioxide (NO2), met name kinderen, ouderen en zieken. Daartoe voorziet het besluit in zones waarbinnen luchtkwaliteitsonderzoek nodig is: 300 meter aan weerszijden van rijkswegen en 50 meter langs provinciale wegen, gemeten vanaf de rand van de weg. Waar in zo'n onderzoekszone de grenswaarden voor PM10 of NO2 (dreigen te) worden overschreden, mag het totaal aantal mensen dat hoort bij een 'gevoelige bestemming' niet toenemen. Dit wordt bereikt door op zo'n plek de vestiging van bijvoorbeeld een school niet toe te staan. Bij uitbreidingen van bestaande gevoelige bestemmingen is een eenmalige toename van maximaal 10% van het totale aantal blootgestelden toegestaan. De volgende gebouwen met de bijbehorende terreinen zijn aangemerkt als gevoelige bestemming: scholen, kinderdagverblijven, en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Het gaat hierbij niet om bestemmingen in de meest enge zin van het woord, maar om alle vergelijkbare functies, ongeacht de exacte aanduiding ervan in bestemmingsplannen en andere besluiten. Van doorslaggevend belang is de (voorziene) functie van het gebouw en het bijbehorende terrein. In de context van dit besluit worden ziekenhuizen, woningen en sportaccommodaties dus niet als gevoelige bestemming gezien.
Gemeentelijk kader De gemeente heeft geen eigen regelgeving en beleid over luchtkwaliteit. Doorvertaling bestemmingsplan De realisatie van circa 55 nieuwe woningen in dit bestemmingsplan valt ruim binnen de NIBM-regeling, zodat onderzoek op grond van de Wet milieubeheer niet noodzakelijk is. Behalve woningen wordt met dit bestemmingsplan ook de realisatie/verplaatsing van een tennisclub, een dorpshuis, een multifunctionele zaal en een kinderdagverblijf mogelijk gemaakt. In subparagraaf 5.3.1 is bepaald hoeveel extra voertuigbewegingen dit oplevert en met de NIBM-tool is vervolgens gekeken of sprake is van een NIBM-bijdrage aan de verslechtering van de luchtkwaliteit.
Uitvoer NIBM-tool Uit de NIBM-tool blijkt dat ruimschoots onder de norm van 1,2 µg/m³ gebleven wordt en sprake is van een NIBM-bijdrage aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Er is ook geen sprake van de realisatie van een gevoelige bestemming zoals opgenomen in het 'Besluit gevoelige bestemmingen'. Vandaar dat onderzoek op grond van de Wet luchtkwaliteit niet noodzakelijk is. In het kader van een goede ruimtelijke ordening zijn aan de hand van de Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten (GCN en GDN), de jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 bepaald ter hoogte van het plangebied. Daaruit blijkt dat de jaargemiddelde grenswaarden van 40 µg/m3 (voor NO2 en PM10) en 25 µg/m3 (voor PM2,5) niet worden overschreden. Daarnaast is de trend dat in de toekomst de emissies en de achtergrondconcentraties van deze stoffen zullen dalen, waardoor geen overschrijdingen van de grenswaarden zijn te verwachten.
Macharen - West - 2024 pag 53 van 62 vastgesteld
Het aspect 'luchtkwaliteit' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.
5.6.7
Straling
Rijkskader Het beleid voor elektromagnetische velden is opgenomen in het Nationaal Milieubeleidsplan (NMP4), de Toekomstagenda Milieu en de beleidsnota Nuchter Omgaan met Risico's, beslissen met gevoel voor onzekerheden (2004). Het ministerie van Infrastructuur en milieu heeft het beleid voor bovengrondse hoogspanningslijnen uitgewerkt in een advies van oktober 2005. Dit advies is verder toegelicht in een brief van november 2008. Gemeentelijk kader De gemeente Oss heeft in het Milieubeleidsplan 2010-2014 het rijksadvies vastgelegd als beleidsuitgangspunt. Dit houdt in dat er bij nieuwbouwplannen of het realiseren van nieuwe hoogspanningslijnen voorkomen dient te worden dat er gevoelige bestemmingen terecht komen in een zone waar het magnetische veld gemiddeld over een jaar hoger is dan de norm van 0,4 microtesla. Doorvertaling bestemmingsplan Het onderhavige woningbouwinitiatief is niet gelegen binnen een zone van 80 m van een bovengrondse hoogspanningslijn waardoor straling geen beperkende factor voor het initiatief is. Het aspect 'straling' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.
5.6.8 Weg-, spoor- en industrielawaai Rijkskader De Wet geluidhinder (Wgh) biedt bescherming tegen (spoor)weglawaai en tegen industrielawaai van inrichtingen voor zover gelegen op een gezoneerd industrieterrein. In de Wgh wordt een beperkt aantal typen objecten beschermd, de zogenoemde geluidgevoelige objecten. De Wet geluidhinder kent een stelsel van normen ter voorkoming van geluidhinder. Ter bescherming van woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen zijn grenswaarden opgenomen. Hierbij is een ondergrens (voorkeursgrenswaarde) en een bovengrens (maximaal toelaatbare grenswaarde) opgenomen. De Wgh biedt gemeenten de mogelijkheid om gericht in te spelen op de lokale situatie door maatwerk te leveren. Burgemeester en wethouders kunnen een hogere waarde vaststellen dan de ondergrens, maar mogen daarbij de bovengrens niet overschrijden. Gemeentelijk kader In 2010 heeft de gemeenteraad van Oss de geluidsnota “Geluidskwaliteit in de leefomgeving” vastgesteld. De gemeente Oss maakt hierbij gebruik van gebiedsgericht geluidbeleid. Per gebied wordt een geluidskwaliteit nagestreefd. Zo zijn er 'rustige gebieden', 'dynamische gebieden' en er zijn gebieden die ten aanzien van geluid onder druk staan. De geluidsnota gaat ook in op de realistische inzet van onderzoek, het stellen van eigen criteria voor het toestaan van een hogere waarde en bedrijfswoningen op industrieterreinen.
De gemeente Oss streeft naar een leefbare woonsituatie, ook op locaties met een hoge geluidsbelasting. Deze leefbaarheid wordt bereikt door terughoudend te zijn met hogere grenswaarden en door hieraan voorwaarden te verbinden. Deze voorwaarden leggen de initiatiefnemer of de beheerder een inspanning op voor een leefbare woonomgeving als compensatie voor het bouwen en het veroorzaken van een lawaaiige situatie. Zonering van industrielawaai in het kader van de Wet geluidhinder is het ruimtelijk scheiden van industrieterreinen waarop (grote) lawaaimakers zijn gevestigd enerzijds en woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen anderzijds. Ook in Oss is er een aantal gezoneerde industrieterreinen. Met zonering wordt beoogd rechtszekerheid te bieden aan zowel bedrijven als aan bewoners/gebruikers van woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen. Bedrijven kunnen aan de ene kant hun geluid producerende activiteiten niet onbeperkt uitbreiden ter bescherming van woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen binnen en buiten de zone. Aan de andere kant wordt, ter bescherming
Macharen - West - 2024 pag 54 van 62 vastgesteld
van hun akoestische ruimte, voorkomen dat woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen te veel oprukken naar de bedrijven toe. Doorvertaling bestemmingsplan Voor de beoogde woningen en het kinderdagverblijf is een akoestisch onderzoek uitgevoerd voor wegverkeerslawaai (Bijlage 8). Dit vanwege de ligging van een geluidsgevoelige functie binnen de onderzoekszone van 200 m ten gevolge van de geluidzone van de Dorpenweg. De geluidsbelasting op de nieuw te bouwen woningen en het kinderdagverblijf bedraagt ten hoogste 40dB. Er vindt geen overschrijding van de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting van 48 dB plaats. Tevens kan worden voldaan aan de streefwaarde van het gemeentelijk beleid van het gebiedstype 'woonwijk met lage geluidsdruk'. Tevens is akoestisch onderzoek uitgevoerd voor het geluid van het nieuwe gemeenschapshuis op de nieuw te bouwen woningen (Bijlage 9). De conclusie hiervan luidt dat woningbouw binnen de bouwvlakken zoals opgenomen in het plan mogelijk is met een standaardgevelwering volgens de eisen uit het Bouwbesluit. Het binnenniveau kan daarmee worden gegarandeerd. Daarmee is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Er gelden akoestisch derhalve geen belemmeringen voor de realisatie van het plan. Er liggen geen spoorwegen of bedrijventerreinen in de directe nabijheid van het plangebied.
Het aspect 'geluid' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.
5.6.9 Gezondheid Rijkskader Uit de VGO-rapporten die afgelopen jaren zijn gepubliceerd door het RIVM komt duidelijk naar voren dat er een relatie wordt gevonden tussen veehouderijen en de gezondheid van omwonenden. Deze relatie is door de onderzoeker op verschillende manieren vastgesteld. Daarbij komt dichtheid van veehouderijbedrijven en afstand tot bepaalde type individuele veehouderijen concreet naar voren als factoren die van invloed zijn op de gezondheid van omwonenden. Verder blijkt uit VGO-onderzoek dat er in een straal van twee kilometer rond geitenhouderijen een verhoogde incidentie van longontstekingen (ca. 25-30% hoger) voorkomt. De oorzaak van het verhoogde risico op longontsteking rond geitenbedrijven is vooralsnog onbekend en onderwerp van vervolgonderzoek. Op dit moment kan er geen enkele bron-effect relatie worden beschreven tussen de verhoogde longontsteking incidentie en de uitstoot vanuit geitenhouderijen. Wel is er een causaal verband geconstateerd waarbij de associatie sterker is naarmate de afstand tot een geitenhouderij kleiner is. Tot er meer duidelijkheid is over de bron van de verhoogde incidentie longontstekingen kan niet worden geadviseerd over beschermde maatregelen. Afstand houden en goed informeren is de enige maatregel die de GGD op dit moment adviseert.