CConstaterende datOpsterland
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2 Rapport rkc-onderzoek Gebiedsteam.pdf

Raadsvergadering 17 januari 2022, gemeente OpsterlandBij agendapunt: Rekenkamercommissie Gebiedsteam34.289 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Administratie / Isam Frontoffice/adm. Leerplichtambtenaar Mw. relatie-/contractbeheer Kwaliteitsadviseur Mw Functioneel beheer

Aantal 2 3 1 1 1 1

Bron: teamleiders gebiedsteam Alhoewel de taken die neergelegd zijn bij het Gebiedsteam bekend zijn, ligt er niet een expliciet geformuleerde opdracht aan ten grondslag waarover gerapporteerd wordt door het Gebiedsteam. Wel wordt de voortgang mondeling besproken met de portefeuillehouder en met de concernmanager. 3.1.1 Transformatieopgave: taak van het Gebiedsteam? In het Beleidsplan definieert Opsterland de transformatie opgave als volgt: ‘Het gaat om de vernieuwing van het stelsel van ondersteunende voorzieningen en om een verandering van de cultuur en de werkwijze binnen het sociaal domein. Het huidige systeem van de verzorgingsstaat zet (onbedoeld) te veel mensen aan de zijlijn en benut onvoldoende de eigen kracht van de samenleving’. Welke prestaties het Gebiedsteam dient te leveren en wat precies hun rol is in de transformatie is niet afgebakend en scherp gemaakt. Dat is ook niet in een later stadium, bijvoorbeeld bij het opstellen van de Ontwikkelagenda, gebeurd. Aan het Gebiedsteam is geen schriftelijk vastgelegde opdracht verstrekt, waarin bijvoorbeeld kengetallen zijn geformuleerd voor de prestaties die worden verwacht. Er is een wettelijke taak en er wordt over de beleidsdoelen gerapporteerd, maar niet aan de hand van kengetallen over de inzet van het Gebiedsteam. Ook houden de medewerkers van het Gebiedsteam hun uren/bestede tijd niet bij.

Er wordt niet navolgbaar gestuurd op doorlooptijden en het afdoen van meldingen binnen de gestelde wettelijke termijnen. Er worden wel eisen gesteld aan de vaardigheden en de kennis van de medewerkers, maar niet aan de kwaliteit van de dienstverlening die zij leveren. Aan de gebiedsteammedewerkers is in de enquête de vraag gesteld: ‘Wat vind je van de taak van het gebiedsteam in de transformatie van het sociaal domein? Heeft het gebiedsteam een realistische opgave hierin? Waarom wel / niet?’ In de beantwoording valt op dat gebiedsteammedewerkers er op wijzen dat de transformatieopgave niet een taak is van het Gebiedsteam alleen, dat ook andere partners daarin een rol hebben. Ook wordt benoemd dat de benodigde formatieve ruimte ontbreekt om voldoende tijd te kunnen besteden aan preventief werken, terwijl dit juist in de transformatie centraal staat. Waar het volgens de gebiedsteammedewerkers om gaat is dat alle stakeholders - inclusief de inwoners - een rol hebben 19

RKC Opsterland in het doen slagen van de transformatie. Hieronder enkele quotes van medewerkers die het beeld van de transformatieopgave in de praktijk weergeven: “De transformatie vergt samenwerking. Het is niet realistisch om te zeggen dat alleen het gebiedsteam de opgaven van transformatie heeft. In ons werk is samenwerken heel belangrijk. Samenwerken met de cliënt, maar ook met de ketenpartners. Als alleen wij ons best zouden doen om de transformatie te laten slagen, zou het niet lukken. Net zoals je problemen bij één gezinslid niet oplost door alleen met dat ene gezinslid te werken. Het hele gezinssysteem is daarbij nodig. Zo zie ik dat ook bij de transformatie in het sociaal domein. We moeten samenwerken met ieder hetzelfde doel voor ogen. Wel is het verstandig één trekker te hebben (regie), en daar is het gebiedsteam goed in. We hebben hele bekwame collega's in ons team die dat goed kunnen uitvoeren.” “Ik zie het Gebiedsteam als een middel om de transformatie in het sociaal domein vorm te geven. Echter gelet op de werkdruk zie je dat er in de praktijk weinig tijd is om aan de slag te gaan met dergelijke thema's en ben je al blij als je je eigen caseload kunt beheren.

Om het tot een realistische opgave te laten komen moet je ook nog andere soort professionals toevoegen aan het Gebiedsteam (denk aan opbouwwerkers, specialisten met kennis van preventie).” “Voor de transformatie van het sociaal domein is het nodig dat er een goed functionerende 0e lijn is met uiteenlopende ketenpartners en vrijwilligersorganisaties die goed samenwerken met elkaar én waar het gebiedsteam naar kan verwijzen. Maar ook van de inwoners wordt er gevraagd dat zij zich zo goed mogelijk zelf(standig) redden en oplossingen vinden met inzet van het eigen netwerk. In de praktijk blijkt dit alles bij elkaar een belangrijke, maar complexe opgave. Voor preventie moet de komende tijd meer aandacht komen en ook is het belangrijk dat we de inwoners (nog) meer wijzen op hun eigen verantwoordelijkheid voor het oplossen van problemen die zij ondervinden in het dagelijks leven bv. vanwege beperkingen.” Bron: enquête gebiedsteammedewerkers

3.2 Samenwerking binnen en buiten het gemeentehuis Het Gebiedsteam heeft een prominente rol in de transformatie van het Sociaal Domein, maar de kracht van het samenspel tussen de actoren maakt of de transformatie slaagt. Het gaat daarbij dan zowel om interne partners als externe partners zoals de voorliggende voorzieningen (0de lijn), de eerstelijns (zorg)professionals (1ste lijn) en de gecontracteerde zorgaanbieders (2de lijn). In het kort wordt hieronder de zorg- en ondersteuningsstructuur in Opsterland geschetst. Vervolgens wordt ingegaan op hoe de samenwerking in de praktijk beleefd wordt. 3.2.1 De samenwerking in huis verloopt prima In het taakveld Sociaal Domein binnen de gemeente Opsterland zijn meerdere teams actief: het Gebiedsteam, het team Werk en Inkomen en een (beleids)team Samen Leven. Elk team heeft een teamleider die samen met de concernmanager Sociaal Domein het management vormen van het Sociaal Domein. Ten tijde van het onderzoek gaven de teamleiders van het Gebiedsteam ook leiding aan het team Werk en Inkomen en was er geen concernmanager. Sinds maart 2021 wordt er gewerkt met twee directeuren en zijn er twee teamleiders uitvoering sociaal domein en 1 teamleider beleid sociaal domein.

Het team Samen Leven ontwikkelt beleid op het gebied van de Jeugd-, de Wmo- en de Participatiewet, dorpenbeleid, dorpshuizen, sport, onderwijs, onderwijshuisvesting, gezondheid en openbare orde en veiligheid. Binnen het Sociaal Domein heeft het team Samen Leven een belangrijke rol in het organiseren van de verdere transformatie. Het Gebiedsteam en het team Werk en Inkomen zijn zelfstandig werkende teams die vanuit verschillende disciplines integraal dienen te werken binnen het Sociaal Domein. De intentie is om de beleidsontwikkeling in het team 20

RKC Opsterland Samen Leven in continue afstemming en samenwerking te doen plaatsvinden met de uitvoering in het Gebiedsteam en het team Werk en Inkomen. Als het gaat om de interne samenwerking komt naar voren dat de medewerkers van het Gebiedsteam elkaar onderling goed kunnen vinden. Het is echt een team geworden, zo geven medewerkers aan. Dat is prettig voor de medewerkers, maar de cliënt ervaart het ook, omdat gebiedsteammedewerkers snel kunnen schakelen. Uit de enquête komt dat ook naar voren. Op de vraag of er effectief samengewerkt wordt binnen het Gebiedsteam geeft 88% van de gebiedsteammedewerkers aan het daarmee eens te zijn (zie figuur 3.2.1). Figuur 3.2.1 Er wordt door het gebiedsteam over het algemeen effectief (doeltreffend) samengewerkt met ...

Bron: enquête gebiedsteam

Zoals uit figuur 3.2.1 blijkt is de samenwerking van het Gebiedsteam effectiever met het onderdeel Werk binnen het team Werk en Inkomen dan met het onderdeel Inkomen. Dat heeft te maken met de aard van de werkzaamheden. Het onderdeel Werk gaat over re-integratie en werk/participatie en vraagt daardoor meer afstemming met het Gebiedsteam dan het onderdeel Inkomen, dat gaat over inkomensvoorzieningen. De samenwerking tussen het Gebiedsteam en Werk scoort 60% ‘mee eens’, bij Inkomen is de score lager (48%). Er is weliswaar sprake van een andere werkwijze en ook is er sprake van een andere taal (begrippenkader Participatiewet), maar over het algemeen weten de medewerkers elkaar te vinden. Er worden leerbijeenkomsten georganiseerd rond casussen waar medewerkers van het Gebiedsteam en het team Werk en Inkomen over en weer van elkaar leren en kennis uitwisselen. Aan het bewustzijn om Werk en Inkomen te betrekken wordt gewerkt, het elkaar opzoeken zou nog wel meer kunnen, zo geven gebiedsteammedewerkers aan. Dat medewerkers van het Gebiedsteam en het team Werk en Inkomen elkaars gegevens niet standaard kunnen raadplegen, is een belemmerende factor in de uitvoering. De samenwerking met het team Samen Leven scoort relatief het laagst met 45% ‘mee eens’. Er wordt tussen het Gebiedsteam en het beleidsteam Samen Leven afstand ervaren. De 21

RKC Opsterland gebiedsteammedewerkers zeggen dat vanuit Beleid allerlei plannen worden gemaakt, waarbij niet altijd wordt nagedacht over wat dat betekent voor de uitvoering en de inwoners. Zo zeggen ze: “Er wordt wel veel bedacht en iedereen moet dan weer meedenken, maar het wordt niet ingevoerd of uitgevoerd”. Binnen het beleidsteam zijn ook veel personele wisselingen geweest, waardoor de relatie nog niet voldoende is opgebouwd. Wat de interne samenwerking meer in algemene zin in de weg staat is de actuele situatie met Corona. In de enquête is gevraagd wat de samenwerking kan verbeteren. Daarbij geven de medewerkers aan dat onderling contact, de leerbijeenkomsten en casusbesprekingen en kennis hebben over wie wat doet en welke kaders er zijn helpt bij het versterken van de samenwerking. Uit enquête en interviews komt wel naar voren dat er inmiddels stappen gezet worden om de verbinding tussen het team Samen Leven en het Gebiedsteam te verstevigen. Onderstaande quotes uit de enquête geven een beeld van de samenwerking. “Als ik naar mijn werk kijk als procesregisseur, dan heb ik bij alle collega's ingang. Iedereen werkt mee en kijkt naar waar mogelijkheden liggen. Daar is een mooie slag in gemaakt. Het kan altijd nog beter. De leerbijeenkomsten gaan daar zeker bij helpen. Door met elkaar in gesprek te gaan krijg je begrip en kom je samen verder.

Ook vanuit beleid is het belangrijk integraal onderwerpen aan te pakken. Dat ontstaat ook steeds mee zeker nu we een aantal nieuwe beleidsmedewerkers hebben. Er is veel wisseling geweest en dat heeft dit proces niet bevorderd. Ik ben dus blij met hoe het nu loopt, maar zie ook zeker dat er nog een verbeterslag is te maken, het is dan wel belangrijk dat het privacyvraagstuk ook helder is, want daar kan het nu nog op stuk lopen. Ik ben blij met de nieuwe wet die eraan komt dat geeft ruimte” Bron: enquête gebiedsteammedewerkers

“In 2019/begin 2020 zijn we gestart met leerbijeenkomsten sociaal domein breed zodat we ook van elkaar weten wat de functies inhouden en wat je aan elkaar kunt hebben. Door het Coronavirus is dit helaas weer tot stilstand gekomen. Zodra het weer kan moet dit weer worden opgestart. Daarnaast werden er ook cursussen aangeboden over andere wetgevingen (Participatiewet en Jeugdwet), zodat je weet waar je collega tegenaan loopt als iets wettelijk niet kan (wederzijds begrip). Dit was eerder nog vrijwillig, ik zou dit tot een verplichting maken, zodat je een betere generalistische blik krijgt. Tot slot bestaan er over het algemeen nog te veel schotten tussen beleid en uitvoering. Het zou naar mijn idee goed zijn als je daar tussen nog personen hebt die de verbinding weten te leggen (aanjagers o.i.d.)”. Bron: enquête gebiedsteammedewerkers

Tot slot wordt opgemerkt dat het Gebiedsteam niet alleen samenwerkt met het team Werk en Inkomen. Steeds vaker komen de gebiedsteammedewerkers ook in aanraking met het Team Toezicht en handhaving (bijvoorbeeld als jeugd die bekend is bij het Gebiedsteam overlast geeft), het team Vergunning als er aanpassingen aan woningen worden aangevraagd en het team Samen Werken in het omgevingsdomein. Er is contact en samenwerking doordat gebiedsteammedewerkers casusregisseur zijn (en in complexe gevallen procesregisseur). De samenwerking wordt als wat onwennig ervaren. Zo zegt een gebiedsteammedewerker: “We hebben veel met ‘veiligheidsmensen’ te maken: Handhaving en Vergunningen. Zij vinden ons nog wel een beetje nieuw”. 3.2.2 Er wordt gewerkt aan relaties met partners buiten het gemeentehuis De ondersteuning in de gemeente Opsterland wordt op drie niveaus uitgevoerd, van licht naar zwaar: voorliggende voorzieningen, eerstelijns (zorg)professionals en tweedelijns voorzieningen. Het totaal van deze partijen wordt in de uitvoeringspraktijk ‘ketenpartners’ genoemd.

22

RKC Opsterland Voorliggende voorzieningen (0de lijn) Het eerste niveau is de ondersteuning vanuit de samenleving, ook wel voorliggende voorzieningen, algemene voorzieningen, nulde lijn of de sociale basis genoemd. Ondersteuning vanuit de samenleving is gebaseerd op sociale samenhang en onderlinge betrokkenheid. De bedoeling van de transformatie is dat zoveel mogelijk ondersteuningsvragen vroeg gesignaleerd worden en met behulp van het eigen netwerk of de voorliggende voorzieningen opgelost worden. Inwoners met ondersteuningsvragen kunnen zonder doorverwijzing bij voorliggende voorzieningen terecht, of (zorg)professionals verwijzen inwoners door naar de voorliggende voorzieningen. Voorliggende voorzieningen bestaan in Opsterland onder andere uit Timpaan, Code Hans, vrijwilligersorganisaties, verenigingen en dorpssteunpunten. Ook is met één van de zorgaanbieders een afspraak gemaakt over het in stand houden van een voorliggende voorziening. Timpaan biedt sinds 2019 een basistakenpakket: vrijwilligersondersteuning, maatschappelijke begeleiding nieuwkomers, taalcafés en taalcoaches en integratie. Bij Code Hans is vrijwilligersbemiddeling en jongerenwerk ondergebracht. Verder is Support Fryslân een vrijwilligersorganisatie die maatjesprojecten voor jongeren biedt. Ook hebben vrijwel alle dorpen in Opsterland een dorpssteunpunt voor informatie en advies.

De functie van de dorpssteunpunten is de afgelopen jaren kleiner geworden. Daar waar het zelf vroeger ook wat ondersteuning bood in bijvoorbeeld aanvragen voor Wmo, gaat het nu meer om het verwijzen naar het Gebiedsteam. Enkele dorpssteunpunten organiseren nog wel spreekuren voor inwoners (maar niet alle). Ze verbinden vrijwilligers aan mensen die wensen/klussen hebben. De dorpssteunpunten hebben regelmatig contact met het Gebiedsteam, maar hebben geen omschreven opdracht van het Gebiedsteam gekregen. Eerstelijns (zorg)professionals (1ste lijn) Op het tweede niveau, de eerstelijns (zorg)professionals, wordt lichte ondersteuning geboden zonder beschikking. Het gebiedsteam biedt zelf professionele hulp, van informatie & advies bij beginnende schulden tot en met lichte opvoedondersteuning en behoort dus tot de eerstelijns (zorg)professionals. Maar ook huisartsen, tandartsen, wijkverpleegkundigen, GGD, consultatiebureaus en scholen behoren tot de eerstelijns (zorg)professionals. De POH-ers GGZ jeugd van het Gebiedsteam houden spreekuren bij de verschillende huisartsenpraktijken. De samenwerking met de huisartsen is hierdoor in de laatste jaren versterkt. Elke school heeft een jeugd-consulent als vast aanspreekpunt binnen het Gebiedsteam. Elk dorp heeft een eigen Wmoconsulent als vast aanspreekpunt.

Huisartsen en het Gebiedsteam zijn de twee partijen5 die inwoners met een zwaardere hulpvraag kunnen doorverwijzen naar de (tweedelijns) zorgaanbieders. Tweedelijns voorzieningen (2e lijn) Tot de tweedelijns voorzieningen behoren de gecontracteerde zorgaanbieders Jeugd en Wmo. Opsterland heeft met zeventien andere gemeenten in Friesland in Sociaal Domein Fryslân (SDF) verband jeugdhulp partners gecontracteerd. Opsterland heeft in OWO verband Wmo partners gecontracteerd voor de uitvoering van maatwerktrajecten. Met één zorgaanbieder zijn apart afspraken gemaakt over een collectieve voorziening dagbesteding. Voor een vast bedrag voert deze zorgaanbieder in de drie grote dorpen deze vrij toegankelijke dagbesteding uit en biedt daarmee een voorliggende voorziening.

5

Gecertificeerde Instellingen kunnen ook inwoners doorverwijzen naar de tweedelijns zorgaanbieders, maar zijn zelf geen eerstelijns (zorg)professionals. Zij werken vanuit het gedwongen kader en vallen buiten de scope van dit onderzoek.

23

RKC Opsterland 3.2.3 Gebiedsteam is tevreden over samenwerking in de eerste en tweede lijn Uit de enquête komt naar voren dat gebiedsteammedewerkers vinden dat ze effectief samenwerken met de eerstelijns (zorg)professionals zoals huisartsen, GGD en scholen (86% mee eens, 10% enigszins mee eens). Ook wordt de samenwerking met gecontracteerde zorgaanbieders jeugd (55% mee eens, 45% enigszins mee eens) en zorgaanbieders Wmo (69% mee eens en 31% enigszins mee eens) als effectief beoordeeld door de gebiedsmedewerkers. Als aan de gebiedsteammedewerkers wordt gevraagd hoe ze nog effectiever kunnen samenwerken met het werkveld geven ze daarover aan dat ontmoeting, kennis over wie wat doet en mag, heldere afspraken en verwachtingen daarbij helpen. De effectieve samenwerking met de voorliggende voorzieningen zoals Code Hans, Timpaan, dorpssteunpunten en vrijwilligersorganisaties wordt grotendeels gemist. Slechts 26% zegt effectief samen te werken met voorliggende voorzieningen, 55% zegt enigszins effectief samen te werken met de voorliggende voorzieningen (zie figuur 3.2.2). Figuur 3.2.2 Er wordt door het gebiedsteam over het algemeen effectief (doeltreffend) samengewerkt met ...

Bron: enquête gebiedsteam

“Wij zijn nog onvoldoende geïntegreerd in een dorp. Hierdoor werken wij nog onvoldoende samen met de dorpssteunpunten, vrijwilligersorganisaties. De samenwerking met Code Hans verloopt goed. Samen projecten oppakken zeker op de BHS komt steeds beter van de grond. Ons preventieplan wat nu ontwikkeld wordt gaat als het goed is ons handvatten geven hoe we nog beter kunnen samenwerken met ons voorliggende veld. Hier zijn nog echt stappen in te zetten. Zoals ik al eerder benoemde is het in gesprek gaan met de dorpen, wat speelt er wat is er nodig, hoe krijg je ingang, hoe kun je wat voor elkaar betekenen etc. een belangrijke stap hierin”.

24

RKC Opsterland

“Investeren in het contact met de 0-de lijn. Niet alleen het contact maar ook medewerkers in dienst nemen die tussen de 0-de lijn en het Gebiedsteam staan (opbouwwerkers, gespecialiseerde preventiemedewerkers)”. Bron: enquête gebiedsteammedewerkers

3.2.4 Ketenpartners werken op casusniveau naar tevredenheid samen met het Gebiedsteam Aan ketenpartners is gevraagd in welke mate zij zich verantwoordelijk voelen en samenwerken met het Gebiedsteam aan de transformatie in Opsterland: beperkt zich dat tot de casus waarin zij actief zijn of voelen zij zich verantwoordelijk voor de hele opgave in Opsterland? Maar een klein deel geeft aan samen te werken aan de opgave in de transformatie in Opsterland. Blijkbaar zien ze de transformatieopgave toch vooral als een opgave van het Gebiedsteam. Dat blijkt ook uit tabel 3.2.1: “Op welke manier werkt u samen met het gebiedsteam?” Slechts 12% van de zorgaanbieders zegt op opgave niveau (de transformatie opgave) samen te werken, de rest niet. De samenwerking blijft daarmee vooral gericht op individuele casussen (casusniveau). In de interviews wordt ook aangegeven: zorgaanbieders doen mee aan een aanbesteding en dienen wel een plan in, maar in de praktijk is er geen tijd om met alle zorgaanbieders contact te houden; het zijn er al snel meer dan 100. Van de eerstelijns (zorg)professionals zegt 35% op opgaveniveau samen te werken met het gebiedsteam. Tabel 3.2.1 Op welke manier werkt u samen met het gebiedsteam? Samenwerking

0de lijn 33%

1e lijn 87%

2e lijn 80%

aantal

0%

35%

12%

18

67%

87%

27%

51

Doorverwijzen door GBT

92%

19%

65%

56

Andere samenwerking

0%

3%

8%

6

Geen samenwerking

8%

3%

0%

2

Aantal aanbieders met minstens 1 antwoord

12

31

60

103

Op casusniveau (bijvoorbeeld casusregie, casusoverleg, informatie delen over individuele inwoners) Op opgaveniveau (bijvoorbeeld processen verbeteren, aanbod ontwikkelen, algemene informatie delen, ketenoverleg) Doorverwijzen naar GBT

79

Bron: enquête ketenpartners

Ketenpartners die samenwerken met het Gebiedsteam is vervolgens gevraagd naar hun tevredenheid over deze samenwerking (zie figuur 3.2.3). De meeste professionals zijn tevreden over de samenwerking op casusniveau. Zorgaanbieders (86% (zeer) tevreden) zijn nog iets meer tevreden over de samenwerking op casusniveau dan eerstelijns (zorg)professionals (70% (zeer) tevreden).

25

RKC Opsterland Figuur 3.2.3 Tevredenheid samenwerking op casusniveau*

Bron: enquête ketenpartners *er zijn slechts 4 voorliggende voorzieningen die deze vraag hebben ingevuld

Er zijn slechts 11 eerstelijns (zorg)professionals en 7 zorgaanbieders die op opgaveniveau samen zeggen te werken met het Gebiedsteam. Hun antwoorden zijn weergegeven in tabel 3.2.2. Tabel 3.2.2 Tevredenheid samenwerking op opgaveniveau Tevredenheid 1ste lijns 2e lijns zeer ontevreden ontevreden neutraal 5 tevreden 5 5 zeer tevreden 1 2 Totaal 11 7 Bron: enquête ketenpartners

In de toelichting wordt door ketenpartners aangegeven dat de samenwerking weliswaar persoonsafhankelijk is maar dat er korte lijnen zijn, dat het Gebiedsteam cliëntgericht is, snel werkt en dat er wordt meegedacht. In de interviews wordt dit beeld bevestigd. Als belemmeringen worden genoemd dat niet altijd duidelijk is wie wat doet en dat wisselende gezichten niet helpen bij het opbouwen van relaties. Als voorwaarden voor goede samenwerking worden ontmoeten en heldere afspraken genoemd en een enkele keer: relatiebeheer.

3.3 Kosten van en controle op de kwaliteit van het Gebiedsteam Deze paragraaf gaat in op de bedrijfsvoeringskosten van het Gebiedsteam6 en de wijze waarop de kwaliteit van de dienstverlening wordt gecontroleerd. Ook wordt stilgestaan bij de vraag of de administratieve organisatie de uitvoering van het Gebiedsteam in voldoende mate ondersteunt. 6

Deze bedrijfsvoeringskosten worden ook wel de ‘kleine geldstroom’ genoemd. Dit als onderscheid met de ‘grote geldstroom’ waar kosten van de ingezette zorg onder worden verstaan.

26

RKC Opsterland Verder komt aan de orde de wijze waarop de kwaliteit van dienstverlening van het Gebiedsteam getoetst wordt. 3.3.1 Formatie en kosten Gebiedsteam zijn niet gekoppeld aan taken of productie De kosten van het Gebiedsteam worden niet separaat inzichtelijk gemaakt. Er is zicht op wie er in dienst is, wie er ingehuurd wordt voor bepaalde taken in het Sociaal Domein en wie er werken in het Gebiedsteam. Er wordt jaarlijks een HRM-begroting gemaakt. De bezetting in FTE’s van het Gebiedsteam en de personeelskosten die daarbij gemaakt zijn over de periode 2017-2020 zijn als volgt: Tabel 3.3.1 Kosten uitvoering door Gebiedsteam Jaartal Aantal Kosten per Totale FTE FTE kosten 2020 35 € 75.000 € 2.650.000 2019 34 € 73.500 € 2.500.000 2018 32 € 72.500 € 2.320.000 2017 31 € 71.500 € 2.200.000 Bron: financieel expert Sociaal Domein

De kosten in de jaarrekening worden verantwoord conform het Besluit Begroten en Verantwoorden, waarbij kosten worden toegerekend aan een taakveld, in dit geval het sociaal domein. In de jaarrekening is daarom wel zichtbaar wat de kosten zijn van het hele sociaal domein (Gebiedsteam, Team Samen Leven, Team Werk en Inkomen en de backoffice), maar niet specifiek wat de kosten zijn van het Gebiedsteam. Daar krijgt de raad in de reguliere verantwoording ook geen informatie over. De informatie in tabel 3.3.1 is een reconstructie van de financieel medewerker en de onderzoekers. Er wordt niet met normen of kengetallen gewerkt voor het bepalen van de benodigde formatie van het Gebiedsteam. Er zijn in de afgelopen periode wel taken bijgekomen, bijvoorbeeld in het kader van inburgering en de uitvoering van schuldhulpverlening, maar deze extra taken hebben niet geleid tot extra formatie. Nieuwe taken leiden tot andere afwegingen binnen het Gebiedsteam: de nieuwe taak wordt met dezelfde hoeveelheid mensen uitgevoerd. Als er een grote nieuwe taak bijkomt, dan wordt (soms) wel formatie toegevoegd. Omdat er geen kengetallen zijn waarin taken gekoppeld zijn aan de formatie, gaat dit op basis van een inschatting van de werkdruk door de medewerkers en teamleiders zelf.

Er zijn geen monitoringsgegevens over de caseload, behandeling van aantallen of soorten dossiers per (soort) consulent of andere kengetallen over de uitvoering door het Gebiedsteam. Wel zijn er kwantitatieve monitoringsgegevens over de ingezette zorg vanuit de zorgadministratie. Kwalitatieve monitoringsgegevens ontbreken. Wel is er een samenvatting van het werkproces, dat gaat over de route en taakverdeling tussen KCC, loket consulenten en administratie, maar het bevat geen richtlijnen voor inhoudelijke keuzes of keuzes rond de inzet van medewerkers in uren. In de afgelopen jaren is er niet in omvang bezuinigd op de uitvoeringskosten van het Gebiedsteam, wel heeft het team er taken bij gekregen zonder dat de formatie is uitgebreid. In 2019 is er een taakstelling op de formatie van het team Werk en Inkomen geweest van € 100.000,- en die is ook gerealiseerd.

27

RKC Opsterland Het was de bedoeling om de omvang van het Gebiedsteam en de uitgevoerde taken te vergelijken met gebiedsteams in andere gemeenten. Omdat er maar geen gegevens over de bedrijfsvoering in het Gebiedsteam worden bijgehouden, is dat niet mogelijk. Er is geen berekening gemaakt van taakomvang en formatie, er worden geen kengetallen bijgehouden, gebiedsteammedewerkers schrijven geen tijd, er is geen heldere beschrijving van het takenpakket en er is geen prioritering binnen de taken voorgeschreven. Het is dan ook niet mogelijk de keuzes en afspraken hierin te vergelijken met andere gemeenten. 3.3.2 Ervaren werkdruk, caseload en arbeidstevredenheid: het is te doen In de enquête is gevraagd naar de ervaren werkdruk, caseload en arbeidstevredenheid. Bijna 90% van gebiedsteammedewerkers vindt de werkdruk in meer of mindere mate aanvaardbaar. In gesprek met de teamleiders worden prioriteiten gesteld als de werkdruk te hoog wordt. De caseload wordt wisselend ervaren, het verschilt per periode of anders gezegd: er worden pieken in de werkdruk ervaren. De medewerkers hebben het gevoel dat er naar ze geluisterd wordt en vinden dat er oog is voor de werkdruk en caseload. Geen enkele medewerker is ontevreden met zijn of haar baan (zie figuur 3.3).7 Figuur 3.3 In hoeverre ben je het eens met onderstaande stellingen over werkdruk, caseload en arbeidstevredenheid?

Bron: enquête gebiedsteam

Uit figuur 3.3 blijkt ook dat de medewerkers van mening zijn dat zij onvoldoende tijd hebben voor samenlevingsopbouw, vroegsignalering en - in mindere mate - de inzet van kortdurende

7

De stellingen luidden achtereenvolgens: De werkdruk in het gebiedsteam is aanvaardbaar Mijn caseload is behapbaar Ik heb voldoende tijd voor de inzet van kortdurende hulpverlening Ik heb voldoende tijd voor samenlevingsopbouw en welzijnsactiviteiten Ik heb voldoende tijd voor vroegsignaleringsactiviteiten, outreachend werken en 'erop af' acties Ik voel mij als medewerker van het gebiedsteam gezien en gehoord door de organisatie De organisatie heeft de juiste aandacht voor werkdruk en caseload Ik ben alles overziend tevreden met mijn baan

28

RKC Opsterland hulpverlening. De caseload is dus behapbaar, omdat er geprioriteerd wordt in taken. Juist voor de taken die bijdragen aan de transformatie ervaren de medewerkers onvoldoende tijd (zie verder hoofdstukken 4 en 5). 3.3.3 Administratieve ondersteuning op orde De backoffice sociaal domein wordt door de OWO gemeenten gezamenlijk georganiseerd; administratieve afhandeling voor Jeugd en Wmo (Ooststellingwerf) en financiële administratie (Weststellingwerf). De administratie van het gebiedsteam Opsterland verwerkt de maatwerkplannen en de toegekende voorzieningen van de eigen gemeente. Over het algemeen zijn medewerkers in en buiten het Gebiedsteam heel tevreden over de samenwerking met de backoffice. Backoffice medewerkers zijn zeer kostenbewust en zijn proactief. De backoffice heeft een signalerende functie. Als er veel verwijzingen komen van een externe partij, dan leidt dat tot een signaal van de backoffice. Dat gebeurt ook bij overschrijding van het budget voor een maatwerktraject. Het proces loopt heel goed: het is procedureel goed geregeld, zo geven medewerkers aan. Als een huisarts veel verwijzingen doet, dan gaat er een signaal rechtstreeks naar de POH GGZ jeugd. Deze neemt dan contact op met de huisarts. Ook wordt er incidenteel een lijst met doorverwijzingen met de POH-er/huisarts besproken. Dat wordt als nuttig ervaren.

Ook als een Gecertificeerde Instelling (GI) veel verwijst dan gaat er een signaal naar het Gebiedsteam. De consulent neemt vervolgens contact op met de GI. Voor Wmo en Jeugd gaat 99% van de afhandeling van een maatwerkvoorziening automatisch via het berichtenverkeer: automatisch wordt gecontroleerd of het past binnen de afgegeven voorziening. Zo ja, dan wordt het betaalbaar gesteld. Pas als het betaalverzoek er niet in past, wordt deze handmatig gecontroleerd en actie ondernomen. Als er door een aanbieder altijd 100% gedeclareerd wordt op een indicatie, dan is dat opvallend. Dat zou betekenen dat er nooit uitval is van cliënten. Daar wordt op gestuurd. De beschikkingen worden door administratieve medewerkers van het Gebiedsteam gemaakt. Deze worden steekproefsgewijs getoetst door de lijn controller en de medewerkers van de interne controle. Over de administratie van het Gebiedsteam wordt aangegeven dat daar in het verleden veel verloop was en dat dat gevolgen had voor het afgeven van de beschikkingen. Inmiddels is dat verbeterd. 3.3.4 Geen structurele controle op termijnen en kwaliteit De Wmo en de Jeugdwet gaan er vanuit dat de procedure van melding tot toekenning niet meer dan acht weken zou mogen duren.

Als er onvoldoende gegevens zijn om een beslissing te nemen dient het college de cliënt daarvan op de hoogte te stellen en aan te geven hoeveel tijd er aanvullend nodig is om onderzoek te doen. In de wet Schuldhulpverlening 2017 wordt aangegeven dat iemand die zich wendt tot het college voor schuldhulpverlening binnen vier weken zal worden uitgenodigd voor een eerste gesprek en bij bedreigende schulden binnen 3 dagen. In Opsterland wordt niet met behulp van kengetallen, streefcijfers en monitoring gestuurd op wettelijke termijnen. In de interviews zeggen de medewerkers daarover dat dat niet noodzakelijk is, omdat het overgrote deel van de beschikkingen ruim binnen de wettelijke termijn verstuurd wordt. In uitzonderingsgevallen waarbij meer tijd nodig is om te kunnen beslissen, wordt er door de consulent contact onderhouden met de cliënt. Er is focus op inhoud en er zijn niet veel klachten.

29

RKC Opsterland De maatwerkplannen worden door de consulenten van het Gebiedsteam opgesteld. Bij de start van het gebiedsteam was er een toetsgroep die alle maatwerkplannen toetste. Dit proces is na verloop van tijd weer losgelaten. Nu vormen de Wmo consulenten zelf een toetsgroep en worden jeugd casussen in casuïstiekoverleg besproken. De kwaliteit van de plannen wordt verder steekproefsgewijs getoetst door de teamleiders, waarbij er aandacht is voor bijvoorbeeld de toegepaste kennis, inzicht, nauwkeurigheid, taalgebruik en duidelijkheid. De consulenten en teamleiders zijn van mening dat deze manier van toetsen goed past bij de professionaliteit van de medewerkers van het team en de organische manier waarop wordt samengewerkt. Het format dat wordt gebruikt voor de maatwerkplannen Wmo is gekopieerd voor de maatwerkplannen Jeugd. Jeugd-consulenten lopen er tegenaan dat het format voor jeugdcasussen niet passend is en daarom loopt momenteel een proces om het format te verbeteren. Aan medewerkers van het Gebiedsteam is gevraagd of er voldoende hulpmiddelen, protocollen of methodieken zijn voor het opstellen van maatwerkplannen en hoe de kwaliteit van de maatwerkplannen wordt bewaakt. Uit de antwoorden van de medewerkers blijkt: - er zijn voor Schuldhulpverlening nog geen hulpmiddelen/protocollen.

Daar is al wel een start mee gemaakt; - iedere consulent stelt naar vanuit eigen professionaliteit een plan op, er lijkt weinig uniformiteit in de wijze van opstellen van plannen te zitten (er is geen protocol en het format maatwerkplan wordt zeer uiteenlopend ingevuld); - de maatwerkplannen worden niet structureel gedeeld met/gelezen door collega consulenten; - de consulenten hebben de mogelijkheid om vragen te stellen tijdens intervisie, werkbegeleiding en casuïstiekoverleg en kunnen de beleidsadviseur, juridisch adviseur en kwaliteitsadviseur om advies vragen; - er wordt een toetser gemist, de insteek is dat de medewerkers elkaar controleren, maar door Corona gebeurt dat niet/minder; - de maatwerkplannen worden als te onoverzichtelijk beschouwd, vooral die van Jeugdcasussen. Aan de gebiedsteammedewerkers is gevraagd of de opgestelde maatwerkplannen tot veel discussie leiden met zorgaanbieders en zo ja, waar de discussie zich dan op richt. De ene consulent zegt dat het niet zo vaak gebeurt, de ander zegt dat het vaak voorkomt. De discussies gaan over de benodigde intensiteit, duur en hoeveelheid van zorg- en ondersteuning. Uiteindelijk zijn de discussies terug te leiden naar geld/kosten. Een deel van de gebiedsteammedewerkers ervaart dat er veel discussies met de zorgaanbieders zijn. Aan zorgaanbieders is dezelfde vraag voorgelegd.

Zij geven aan vaak op één lijn te zitten met gebiedsteammedewerkers, dat in gesprekken verschillende dingen op een goede manier worden belicht en dat het over het algemeen prettige discussies zijn, die op samenwerking gericht zijn. De zorgaanbieders ervaren maar in beperkte mate discussies met het Gebiedsteam. Daar waar de gebiedsteammedewerkers de discussies als veel en pittig ervaren, ervaren de zorgaanbieders de discussies als beperkt en prettig.

30

RKC Opsterland 3.4 Inwoners in beeld 3.4.1 Onafhankelijke cliëntondersteuning wordt niet actief benut Een inwoner kan gebruik maken van een onafhankelijke cliëntondersteuner om aanwezig te zijn bij het keukentafelgesprek. Deze ondersteuning is mogelijk als er in het eigen netwerk niemand is die de inwoner bij kan staan. De cliëntondersteuning is gratis. In de praktijk blijkt dat in de meeste gevallen iemand uit de eigen omgeving meegaat naar het intakegesprek. Soms gaat een zorgaanbieder mee die al betrokken is bij een cliënt. De gebiedsteammedewerkers wijzen niet standaard op de mogelijkheid om gebruik te maken van onafhankelijke cliëntondersteuners. Er lijkt gelet op de respons in dit onderzoek, ook van de zijde van inwoners, niet veel noodzaak te zijn om hier meer aandacht voor te vragen. Het wordt ‘natuurlijk’, ‘op eigen kracht’, opgelost. Het is wel een onderwerp waar de Adviesraad Sociaal Domein zich zorgen over maakt - er zijn voldoende ondersteuners beschikbaar, maar wordt er wel voldoende gebruik van gemaakt? 3.4.2 Klachten worden informeel afgehandeld De gemeente Opsterland beschikt sinds 2013 over een klachtenprotocol op basis van de Algemene wet Bestuursrecht.

Het gaat uit van het klachtrecht: een ieder heeft het recht over de wijze waarop (een medewerker van) een bestuursorgaan zich in een bepaalde aangelegenheid jegens hem of een ander heeft gedragen een klacht in te dienen bij de gemeente. Opsterland kent een klachtencoördinator. De functionaris richt zich vooral op het begeleiden van het proces van klachtafhandeling. Het betreft klachten binnen alle domeinen en voor het geheel van de organisatie. De klachtencoördinator concludeert (op basis van eigen vergelijking met andere gemeenten) dat het om geringe aantallen klachten gaat. Onderstaand overzicht geeft inzicht in het aantal klachten. Het gaat uitsluitend over de bejegening door medewerkers van het gebiedsteam (Wmo en Jeugd). Tabel 3.4: aantal klachten bejegening medewerkers Gebiedsteam 2015-2020 Jaar aantal klachten 2015 4 2016 8 2017 7 2018 11 2019 7 2020 (t/m 8-12) 6 Bron: klachtenfunctionaris, samengesteld voor dit onderzoek

3.4.3 Beperkt aantal bezwaren De gemeente Opsterland kent een Bezwarencommissie. Deze stelt jaarlijks een jaarverslag op. Het meest recente verslag en daarmee de meest recente cijfers gaan in op het jaar 2019. In 2019 zijn vierentwintig bezwaarschriften tegen besluiten ingevolge de Participatiewet en de Wet maatschappelijke ondersteuning ingediend. Er zijn geen bezwaarschriften ingediend tegen besluiten ingevolge de Jeugdwet. Twaalf bezwaarschriften werden voorafgaand aan inhoudelijke behandeling door de Bezwarencommissie ingetrokken, meestal omdat uit het pre-mediation traject bleek dat aan de bezwaarmaker tegemoet kon worden gekomen. Dit heeft tot gevolg gehad dat het besluit werd herzien en het bezwaarschrift werd ingetrokken. De commissie heeft inzake het Sociaal Domein zeven adviezen uitgebracht. Vier bezwaarschriften wachtten eind 2019 nog op behandeling door de commissie. 31

RKC Opsterland

3.4.4 Cliëntervaringsonderzoeken zijn positief Medio 2020 zijn de wettelijke verplichte cliëntervaringsonderzoeken uitgevoerd over het jaar 2019. De uitkomsten van het cliëntervaringsonderzoek Wmo en Jeugd zijn positief. In den lande en ook in Opsterland worden er wel vraagtekens geplaatst bij de representativiteit van de onderzoeken. Het college heeft dan ook besloten in te zetten op een andere wijze van benaderen om de respons te gaan verhogen. Of dat tot andere uitkomsten leidt moet in de toekomst blijken. Voor Wmo worden de volgende conclusies getrokken: ● Cliënten zijn tevreden over het eerste contact met de gemeente. De gebiedsteammedewerker nam de cliënt serieus en er is samen naar oplossingen gezocht. ● Driekwart van de cliënten heeft het contact met de gemeente als prettig ervaren. ● 11% heeft veel moeite ervaren bij het aanvragen van hulp. ● Cliënten beoordelen het gesprek met de gebiedsteammedewerker met een 8,1. ● De zorgaanbieder wordt met een 8,0 beoordeeld. Veel cliënten hebben een duidelijk besluit ontvangen over de soort en lengte van de hulp. ● Ruim 80% van de cliënten is tevreden over de kwaliteit van de ondersteuning. ● Cliënten zijn meer tevreden over het effect van de hulp in vergelijking met 2018. Voor Jeugd worden de volgende conclusies getrokken: ● De medewerker heeft duidelijk uitgelegd hoe het verder zou gaan (85%).

● Cliënten zijn erg tevreden over het gesprek met de gebiedsteammedewerker. ● Cliënten vinden de hulp goed en voelden zich serieus genomen (99%). ● 85% van de cliënten vindt dat het nu (een beetje) beter gaat dan voorheen. Helaas kan 36% de cliënten nog niet zonder hulp verder. ● Cliënten vinden dat goed naar hen geluisterd wordt, dat de hulp persoonlijk en op maat is en de hulpverleners deskundig zijn.

32

RKC Opsterland 4 De transformatie in de praktijk In dit hoofdstuk staat centraal hoe de transformatie in het sociaal domein door de betrokkenen wordt beleefd. De onderzoekers beschrijven de ervaring en beleving van de medewerkers van het Gebiedsteam, beleidsmedewerkers, de cliënten en de professionals in de voorliggende voorzieningen, de eerstelijns (zorg)professionals en de zorgaanbieders.8 Dit hoofdstuk geeft een antwoord op onderzoeksvraag 3. De informatie komt uit de enquêtes, interviews en casusanalyse. In bijlage 4 is een uitgebreide versie van dit hoofdstuk met illustrerende quotes van respondenten en tabellen met uitkomsten van de enquêtes opgenomen. In paragrafen 4.1 tot en met 4.5 zijn ingedeeld aan de hand van de vijf uitgangspunten van de transformatie. Van elk uitgangspunt komt aan bod wat de medewerkers van het Gebiedsteam eronder verstaan en hoe zij er in de praktijk aan werken. Daarna beschrijft iedere paragraaf de waardering van de voortgang op het betreffende uitgangspunt volgens de medewerkers, de ketenpartners en de cliënten. Daarbij is het goed om te beseffen dat de beleving van medewerkers en ketenpartners representatief is, maar de beleving van inwoners gezien het beperkt aantal respondenten alleen illustratief. Voor het cliëntperspectief zijn gesprekken gevoerd met 7 cliënten9 en is een interview afgenomen bij de Adviesraad Sociaal Domein.

Het interview met de Adviesraad Sociaal Domein heeft geen compleet en goedgekeurd verslag opgeleverd en is daarom beperkt bruikbaar. Elke paragraaf eindigt met de toetsing van een deel van de normen over de beleving in de praktijk. Het gaat daarbij om de mening van de respondenten over het draagvlak voor en de voortgang in de uitgangspunten van de transformatie in het sociaal domein. Het houdt geen oordeel in over de mate van doelbereiking in het sociaal domein binnen de gemeente Opsterland. Dit sluit aan bij de onderzoeksvraag die een oordeel vraagt over de voortgang in de transformatie in brede zin. Dit hoofdstuk bevat alleen de normen die gaan over ervaren draagvlak en een positieve waardering voor de voortgang. De overige normen uit het normenkader komen in volgende hoofdstuk aan de orde. In paragraaf 4.6 ten slotte, gaan we in op succesfactoren en belemmeringen bij het werken aan de transformatie. Dit biedt informatie over de mening van de medewerkers en ketenpartners over de stappen die in de toekomst nog gezet kunnen worden om de transformatie te bevorderen.

4.1 Integraal werken Gebiedsteammedewerkers verstaan onder integraal werken het breed benaderen van de hulpvraag: alle leefgebieden komen aan bod. Verder is het voeren van casusregie onderdeel van integraal werken. Als doel beschrijven zij het voorkomen van doorverwijzen of afschuiven van cliënten. Integraal werken betekent in de praktijk vooral samenwerken en afstemmen, de cliënt centraal

8

Een overzicht van welke ketenpartners hebben deelgenomen aan de enquête is opgenomen in bijlage 3. Een schets van het werkveld is opgenomen in paragraaf 3.2.2. 9 Er zijn gesprekken gevoerd met 7 cliënten. Deze cliënten zijn verdeeld over de verschillende domeinen die binnen de gebiedsteams aan de orde komen; 2 cliënten hebben gesproken over het domein Jeugd, 2 cliënten hebben gesproken over het domein Wmo en 3 cliënten hebben gesproken over overige hulp. Van deze 7 cliënten hebben 2 cliënten hulp gehad m.b.t. een enkelvoudige vraag. 5 cliënten hebben hulp gehad m.b.t een meervoudige vraag, waarbij er vanuit het gebiedsteam één aanspreekpunt is geweest voor hun casus.

33

RKC Opsterland stellen en maatwerk leveren. Om dat te kunnen doen, is kennis nodig van elkaars vakgebied en ‘korte lijntjes’ met ketenpartners. Het draagvlak voor integraal werken is heel groot, vooral onder medewerkers van het Gebiedsteam, maar ook onder zorgaanbieders (zie bijlage 4.1). Eerstelijns (zorg)professionals hebben iets minder draagvlak voor de integrale aanpak als uitgangspunt van de transformatie, maar nog ruim voldoende. Als het gaat om de normen over het draagvlak voor dit uitgangspunt, beoordelen de onderzoekers dat voor gebiedstteammedewerkers en ketenpartners als voldaan. Gebiedsteammedewerkers vinden dat het Gebiedsteam al goed integraal werkt en ook zorgaanbieders zijn positief over de integrale aanpak door het Gebiedsteam. Dat komt door de aanwezigheid van brede expertise in het team en de goede samenwerking met expertises van buiten het team. Er zijn korte lijntjes, medewerkers zijn benaderbaar en er is een open, lerende houding. De zorgaanbieders geven aan dat de het Gebiedsteam casusregie serieus oppakt en dat in de uitvoering het cliëntperspectief centraal staat. Eerstelijns (zorg)professionals zien nog wel verbetermogelijkheden bij het integraal werken, dat zit hem vooral in de wisselende ‘vaste contactpersonen’ voor de eerstelijns (zorg)professionals en de terugkoppeling over casussen naar andere betrokken professionals (melders).

Gebiedsteammedewerkers zien een verschil in werkwijze en benadering is tussen het Gebiedsteam en het team Werk en Inkomen, maar dat leidt in de praktijk niet tot problemen, de samenwerking verloopt prima. Het afstandswerken door Corona en het delen van gegevens (de AVG) worden als belemmeringen genoemd bij het integraal werken (zie verder paragraaf 4.6). Omdat zowel Gebiedsteammedewerkers als ketenpartners nog verbetermogelijkheden zien als het gaat om de voortgang in het integraal werken, beoordelen de onderzoekers deze norm als deels voldaan. De bij het onderzoek betrokken inwoners van Opsterland zijn allemaal tevreden over het duidelijke en benaderbare aanspreekpunt dat zij hebben bij het Gebiedsteam. Vijf van de zeven ondervraagde inwoners van Opsterland geven in de gesprekken aan dat zij een vast contactpersoon hebben bij het gebiedsteam, de andere twee hadden een enkelvoudige vraag die al is afgerond. Drie inwoners noemen dat het prettig is dat de contactpersoon duidelijk casusregie voert en zorgt dat alle hulpverlening bij elkaar komt. Eén cliënt heeft meerdere plannen van aanpak voor verschillende opvoedkundige problemen, maar ervaart dat niet als probleem, omdat de consulent ‘de hoofdaanstuurder’ is. Hoe de Adviesraad Sociaal Domein het integraal werken ervaart is niet bekend. De onderzoekers beoordelen deze norm als deels voldaan.

Tabel 4.1: Normen beleving Integraal werken Norm beleving Integraal werken Er is onder GBT-medewerkers voldoende draagvlak voor een ‘Integrale aanpak’. Er is onder ketenpartners voldoende draagvlak voor een ‘Integrale aanpak’. GBT-medewerkers waarderen de stand van zaken op het gebied van ‘Integrale aanpak’ positief. Cliënten / adviesorganen waarderen de stand van zaken op het gebied van ‘Integrale aanpak’ positief. Ketenpartners waarderen de stand van zaken op het gebied van ‘Integrale aanpak’ positief.

Toetsing Voldaan Voldaan Deels voldaan Deels voldaan Deels voldaan

34

RKC Opsterland

4.2 Versterken van zelfredzaamheid en eigen kracht Het versterken van zelfredzaamheid en eigen kracht is in de praktijk geworden: samenredzaamheid. Daarmee wordt bedoeld: uitgaan van wat de cliënt zelf - of samen met het netwerk - nog kan. ‘Normaliseren’ is een term die vaak genoemd wordt als gebiedsteammedewerkers spreken over het versterken van zelfredzaamheid en eigen kracht, en die als tegenhanger van het ‘medicaliseren’ gezien kan worden. Als laatste wordt ook ‘in hun eigen kracht zetten’ genoemd als betekenis. Werken aan het versterken van zelfredzaamheid betekent in de praktijk dat eerst gevraagd wordt wat de cliënt of het netwerk zelf nog kan en dat deze kracht eerst geactiveerd wordt. Voor de overblijvende hulpvraag wordt vervolgens eerst naar een oplossing in het voorliggende veld gezocht. Met behulp van coaching wordt gestreefd naar een duurzaam resultaat, waarbij de cliënt zoveel mogelijk zelf de regie houdt. De gebiedsteammedewerkers en zorgaanbieders vinden het versterken van zelfredzaamheid een vanzelfsprekendheid en het draagvlak is dan ook groot: de norm over draagvlak scoort voldaan. Gebiedsteammedewerkers geven direct ook aan: zelfredzaamheid kan niet altijd verwacht worden, ook niet met de inzet van het netwerk van de cliënt.

Mensen hebben niet altijd een netwerk, het netwerk kan niet geactiveerd worden en er zijn ook niet altijd geschikte voorliggende voorzieningen beschikbaar. Daar komt nog bij dat mensen moeilijk hulp vragen en het vervelend vinden om hun netwerk te benaderen, er is sprake van schaamte. Het versterken van zelfredzaamheid vraagt een lange adem en een grote tijdsinvestering en komt daardoor soms onder druk te staan, omdat het op de korte termijn conflicteert met het uitgangspunt ‘kostenbewust handelen’. De helft van de gebiedsteammedewerkers is van mening dat de zelfredzaamheid nog onvoldoende versterkt wordt. Omdat een zo groot deel niet positief is over de voortgang, scoort deze norm niet voldaan. Onder zorgaanbieders is dat een derde (zie bijlage 4.2). De ketenpartners zijn positiever over de voortgang, daarom scoren zij deels voldaan. Opvallend is dat het draagvlak voor versterken van zelfredzaamheid onder eerstelijns (zorg)professionals laag is (bijna de helft is van mening dat het weinig of een beetje bijdraagt, zie bijlage 4.2). Daarom scoort de norm over draagvlak voor de ketenpartners als deels voldaan. Deze professionals zijn ook matig tevreden over de stand van zaken op dit uitgangspunt: slechts een kwart is van mening dat in Opsterland voldoende sprake is van het versterken van de zelfredzaamheid en eigen kracht van inwoners.

Vijf van de zeven cliënten vertellen dat er door de gebiedsteammedewerker veel aandacht is voor wat de cliënt zelf kan, dit komt meermaals in gesprekken terug. Eén cliënt vindt dat vervelend, omdat hij afgekeurd is en niet zoveel meer kan. Bij twee cliënten is ook uitdrukkelijk gevraagd wat het netwerk kan betekenen. De ene cliënt zet het netwerk volop in (vervoer naar het ziekenhuis), de ander noemt dat het netwerk zelf problemen heeft, maar geeft ook toe daar eigenwijs in te zijn. Eén mevrouw op leeftijd geeft in het gesprek aan eenzaamheid te ervaren (behoefte te hebben aan een gesprek), maar het Gebiedsteam besteedt daar geen aandacht aan, mevrouw wordt niet op voorliggende voorzieningen gewezen of iets dergelijks. Cliënten herkennen het inzetten op zelfredzaamheid, maar zijn daar gematigd positief over. Hoe de Adviesraad Sociaal Domein dit waardeert is niet bekend. De norm over de positieve waardering van de voortgang op dit uitgangspunt door cliënten wordt door de onderzoekers als deels voldaan beoordeeld. Tabel 4.2: Normen beleving Versterken van zelfredzaamheid en eigen kracht Norm beleving Versterken van zelfredzaamheid en eigen kracht

Toetsing

35

RKC Opsterland Er is onder GBT-medewerkers voldoende draagvlak voor ‘Versterken van zelfredzaamheid en eigen kracht’. Er is onder ketenpartners voldoende draagvlak voor ‘Versterken van zelfredzaamheid en eigen kracht’. GBT-medewerkers waarderen de stand van zaken op het gebied van ‘Versterken van zelfredzaamheid en eigen kracht’ positief. Cliënten / adviesorganen waarderen de stand van zaken op het gebied van ‘Versterken van zelfredzaamheid en eigen kracht’ positief. Zorgprofessionals (0de, 1e en 2e lijn) waarderen de stand van zaken op het gebied van ‘Versterken van zelfredzaamheid en eigen kracht’ positief.

Voldaan Deels voldaan Niet voldaan Deels voldaan Deels voldaan

4.3 Laagdrempelige toegang tot ondersteuning Met een laagdrempelige toegang bedoelen medewerkers van het Gebiedsteam dat er zo weinig mogelijk fysieke, bureaucratische, mentale of andere drempels zijn voor inwoners om contact op te nemen met het Gebiedsteam. Gebiedsteammedewerkers geven aan dat zij contact onderhouden met bestaande cliënten om uitval te voorkomen. Laagdrempelige toegang begint in de praktijk met het bekend en vindbaar zijn van het Gebiedsteam. Hier wordt vooral aan gewerkt door samen te werken met ketenpartners. Als ketenpartners weten waar het Gebiedsteam voor is, dan worden inwoners via hen naar het Gebiedsteam toe geleid, zo is de gedachte. Het Gebiedsteam heeft daarom veel ingezet op de samenwerking met de eerstelijns (zorg)professionals. Om laagdrempelig te zijn voor inwoners, wil het Gebiedsteam goed bereikbaar zijn en snel contact leggen als een inwoner heeft gebeld of een mail heeft gestuurd. De spreekuurpunten die in Gorredijk en Ureterp voor het sociaal domein georganiseerd zijn, zijn bedoeld om fysieke drempels tot het Gebiedsteam te verkleinen. Op scholen worden inloopspreekuren georganiseerd waar consulenten Jeugd aanwezig zijn. Om bureaucratische drempels zo laag mogelijk te houden is er gekozen om geen aanvraagformulieren te gebruiken, snel te reageren en het voor inwoners zo makkelijk mogelijk te maken.

Het Gebiedsteam investeert veel in het onderhouden van open contact en een vriendelijke bejegening om benaderbaar te zijn voor inwoners. Er is onder alle professionals in Opsterland een groot draagvlak voor laagdrempeligheid (zie bijlage 4.3): de normen over draagvlak scoren dan ook ‘voldaan’. Maar ondanks dat er veel geïnvesteerd is in laagdrempelig werken, zijn zowel de medewerkers als de ketenpartners in Opsterland nog niet tevreden over voortgang op het uitgangspunt laagdrempeligheid van het Gebiedsteam voor inwoners. Een veel genoemde belemmering rond laagdrempelige toegang is het feit dat het Gebiedsteam ‘de gemeente’ is en als je ernaartoe gaat, dat een zekere mate van bureaucratie onvermijdelijk is. De persoonlijke benadering helpt daarbij zeker, maar de belangrijkste drempel neem je daarmee niet weg: dat iemand zelf hulp moet vragen. Zowel inwoners als ketenpartners geven in de interviews aan: hulp vragen is niet makkelijk! Omdat zowel gebiedsteammedewerkers als ketenpartners over de voortgang op dit uitgangspunt niet positief zijn, beoordelen de onderzoekers dit als niet voldaan. Twee van de zeven cliënten zijn bij het Gebiedsteam terechtgekomen op doorverwijzing van de huisarts, één op doorverwijzing van de werkcoach.

Twee cliënten zijn op het Gebiedsteam gewezen door een bekende (buurvrouw, kennis) en één cliënt is op eigen initiatief naar het loket in Beetsterzwaag gegaan, nadat hij informatie hierover had gevonden in het gemeentehuis. De zevende weet niet meer hoe het eerste contact heeft plaatsgevonden. Twee cliënten geven aan dat je als je hulp zoekt toch eerst naar de huisarts gaat en ook twee cliënten geven aan dat je een mentale drempel over moet om hulp te vragen ‘wat je zelf kunt, wil je zelf doen’. Cliënten lijken 36

RKC Opsterland het Gebiedsteam makkelijk te kunnen vinden, maar ervaren hulp vragen niet als makkelijk. Hoe de Adviesraad Sociaal Domein dit waardeert is niet bekend. De inwoners ervaren de voortgang positiever dan de gebiedsteammedewerkers en ketenpartners en daarom beoordelen de onderzoekers de norm voor inwoners als deels voldaan. Tabel 4.3: Normen beleving Laagdrempelige toegang Norm beleving Laagdrempelige toegang Er is onder GBT-medewerkers voldoende draagvlak voor een ‘Laagdrempelige toegang’. Er is onder ketenpartners voldoende draagvlak voor een ‘Laagdrempelige toegang’. GBT-medewerkers waarderen de stand van zaken op het gebied van ‘Laagdrempelige toegang’ positief. Cliënten / adviesorganen waarderen de stand van zaken op het gebied van ‘Laagdrempelige toegang’ positief. Zorgprofessionals (0de, 1e en 2e lijn) waarderen de stand van zaken op het gebied van ‘Laagdrempelige toegang’ positief.

Toetsing Voldaan Voldaan Niet voldaan Deels voldaan Niet voldaan

4.4 Preventie en vroegsignalering Gebiedsteammedewerkers denken bij preventie en vroegsignalering vooral aan het op tijd reageren op signalen, met als doel: zorgen dat je er vroeg bij bent. Als problemen vroeg bekend zijn, dan kan verergering met lichte hulp en ondersteuning voorkomen worden, kunnen voorliggende voorzieningen ingezet worden en kan de inzet van duurdere vormen van zorg voorkomen of uitgesteld worden. Als voorwaarde wordt daarbij wel genoemd dat het Gebiedsteam, maar ook de mogelijke interventies laagdrempelig moeten zijn. Gebiedsteammedewerkers denken in het kader van preventie daarnaast aan voorlichting, educatie en advies, zowel de inwoners als voor de professionals. Medewerkers van het Gebiedsteam noemen veel verschillende manieren waarop in de praktijk aan preventie kan worden gewerkt, maar in de meeste gevallen worden daarbij termen gebruikt als ‘zal worden opgestart’, ‘is net opgestart’, ‘zijn aan het ontwikkelen’, ‘er wordt gewerkt aan het realiseren van’, ‘er zijn plannen om’, ‘we willen gaan inzetten op’ etc. Preventie wordt gezien als een voorwaarde om aan de andere uitgangspunten te werken. Het Gebiedsteam ontplooien veel initiatieven om aan de slag te gaan met preventie, want het draagvlak is heel groot, maar toch blijft dit het uitgangspunt waar ze zich tekort voelen schieten.

En ook de ketenpartners zijn van mening dat preventie en vroegsignalering uiterst belangrijk zijn, maar dat zowel het Gebiedsteam als andere partijen in Opsterland er onvoldoende aan toe komen (zie bijlage 4.4). De norm over het draagvlak voor dit uitgangspunt in de transformatie wordt door de onderzoekers beoordeeld als voldaan, terwijl de positieve waardering voor de voortgang op dit uitgangspunt in de praktijk als niet voldaan wordt beoordeeld. Als belangrijkste belemmering wordt de beschikbare tijd genoemd. Ook geven de medewerkers aan dat de deskundigheid ontbreekt: preventie is een specialistische en lastige opgave waarvoor je nauw moet samenwerken en het is haast onmogelijk om aan te tonen wat het oplevert. Voorliggende voorzieningen geven aan dat er te weinig met hen wordt samengewerkt en dat er te weinig doorverwijzingen komen vanuit het Gebiedsteam, het Gebiedsteam herkent deze signalen. Eerstelijns (zorg)professionals noemen expliciet de aanwezigheid op scholen en de POH GGZ jeugd als sterke punten van het Gebiedsteam als het gaat om preventie en vroegsignalering. Twee cliënten zeggen dat ze achteraf misschien eerder naar het Gebiedsteam hadden kunnen gaan, maar dat zij niet wisten dat die mogelijkheid er was.

Eén moeder geeft aan laagdrempelige voorzieningen zoals koffieochtenden of opvoedcafés te missen en ook inloopactiviteiten voor jongeren, hoewel haar kinderen wel meedoen aan de sportweken van Code Hans. Dit is een 37

RKC Opsterland illustratie dat de aanwezigheid van voldoende voorzieningen die vrij toegankelijk zijn wordt gemist. Hoe de Adviesraad Sociaal Domein dit waardeert is niet bekend. Omdat de cliënten hier weinig informatie over konden geven, wordt deze norm door de onderzoekers niet beoordeeld. Tabel 4.4: Normen beleving Preventie en Vroegsignalering Norm beleving Preventie en vroegsignalering Er is onder GBT-medewerkers voldoende draagvlak voor een ‘Preventie en vroegsignalering’. Er is onder ketenpartners voldoende draagvlak voor een ‘Preventie en vroegsignalering’. GBT-medewerkers waarderen de stand van zaken op het gebied van ‘Preventie en vroegsignalering’ positief. Cliënten / adviesorganen waarderen de stand van zaken op het gebied van ‘Preventie en vroegsignalering’ positief. Zorgprofessionals (0de, 1e en 2e lijn) waarderen de stand van zaken op het gebied van ‘Preventie en vroegsignalering’ positief.

Toetsing Voldaan Voldaan Niet voldaan Onvoldoende data10 Niet voldaan

4.5 Kostenbewust handelen Kostenbewust handelen houdt volgens de gebiedsteammedewerkers in dat de inzet van zorg zo licht als mogelijk, maar zo zwaar als nodig is. Daarbij moet wel een duurzaam resultaat nagestreefd worden. Het doel is om kosten op de langere termijn te besparen en het versterken van zelfredzaamheid en preventie en vroegsignalering worden gezien als randvoorwaarden om op de lange termijn kosten te kunnen besparen. Zorgaanbieders worden door het Gebiedsteam gecontroleerd op inzet en resultaten en aangesproken als de kosten opvallend hoog zijn, of de uitval opvallend laag is (en daarmee het aantal volledig gedeclareerde trajecten opvallend hoog is). Dat is een indicatie dat het Gebiedsteam kostenbewust handelt. Er is sinds 2019 capaciteit in het team vrijgemaakt voor inkoopondersteuning, deze medewerkers voeren de gesprekken met zorgaanbieders over de kosten. Uit de enquête blijkt dat de ketenpartners het Gebiedsteam als kostenbewust zien. In de interviews met ketenpartners wordt aangegeven dat het Gebiedsteam van Opsterland een sterkere focus op kosten heeft dan dat ketenpartners gewend zijn van andere gemeenten. Gebiedsteammedewerkers zijn zich terdege bewust van de tekorten in het Sociaal Domein en de bezuinigingsopgave die er ligt en het draagvlak voor dit uitgangspunt is hoog.

Ook zijn de medewerkers positief over de voortgang die op dit uitgangspunt is gemaakt. Opvallend is wel dat bijna de helft van de medewerkers van het Gebiedsteam vindt dat het eigen kostenbewust handelen toch nog beter kan. Als enige concrete belemmering wordt genoemd dat er onvoldoende informatie over de ontwikkeling in de kosten van voorzieningen beschikbaar is, daar moeten medewerkers van het Gebiedsteam intern specifiek om vragen. Ook de ketenpartners zijn zich bewust van de tekorten in het sociaal domein, maar hebben niet dezelfde drive om de kosten te beperken als de medewerkers van het Gebiedsteam. Het draagvlak voor dit uitgangspunt is onder de ketenpartners lager: de onderzoekers beoordeling de norm over draagvlak onder ketenpartners dan ook als deels voldaan.

10

Cliënten hebben hier geen zicht op en het interview met de adviesraad gaf hiervoor onvoldoende informatie.

38

RKC Opsterland Het Gebiedsteam is sterk van mening dat andere zorgprofessionals in Opsterland onvoldoende kostenbewust handelen. Uit tabel 4.5 in bijlage 4 blijkt dat zorgaanbieders positief zijn over het kostenbewust handelen in Opsterland en specifiek door het Gebiedsteam: zij vinden het Gebiedsteam heel kostenbewust. Zij vinden ook dat zij zelf voldoende kostenbewust handelen - dat zien de gebiedsteammedewerkers duidelijk anders (zie bijlage 4.5). De norm over een positieve waardering voor de voortgang op dit uitgangspunt bij de ketenpartners wordt door de onderzoekers als deels voldaan beoordeeld. Cliënten herkennen het kostenbewust handelen in mindere mate. Eén cliënt die een taxipas heeft gekregen (omdat de Plusbus door corona niet rijdt) merkt dat het gebiedsteam heel duidelijk is over dat de taxipas alleen in noodgevallen kan worden gebruikt en ook tijdelijk is. Twee cliënten vertellen dat de benodigde zorg is ingezet en dat er geen gesprekken zijn geweest over kosten. De jeugdige met een verwijzing naar een psycholoog is in de veronderstelling dat de zorg via de zorgverzekering wordt betaald. Bij de overige cliënten is er geen sprake van de inzet van maatwerkvoorzieningen. Hoe de Adviesraad Sociaal Domein dit waardeert is niet bekend. Hoewel slechts illustratief, wordt de voortgang op dit uitgangspunt door de inwoners beoordeeld als deels voldaan.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Opsterland&id=42e755b7-cb2d-4ebd-8abe-22b640e9feca