Bijlage 1 Ontwerpbestemmingsplan Gorredijk De Vrieswijck zonder bijlagen
Tekst van het document
5.1.3
Conclusie
De Wet geluidhinder vormt geen belemmering voor de uitvoering van het voorgenomen plan. Nader onderzoek is niet noodzakelijk.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
29
Bestemmingsplan “Gorredijk – De Vrieswijck”
5.2
Bodemkwaliteit
5.2.1
Algemeen
Bij de vaststelling van een bestemmingsplan dient te worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van die bodem en of deze optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Om hierin inzicht te krijgen, dient doorgaans een bodemonderzoek te worden verricht conform NEN 5740.
5.2.2
Situatie plangebied
In het kader van voorliggend plan heeft Hunneman Milieu-Advies in 2018 een verkennend bodemonderzoek conform NEN 5740 in combinatie met een verkennend asbestonderzoek uitgevoerd ter plaatse van het plangebied. Hieronder worden de belangrijkste onderzoeksconclusies kort weergegeven. Voor het volledige onderzoeksrapport wordt verwezen naar bijlage 3 bij deze plantoelichting.
5.2.2.1 Onderzoeksresultaten Zintuiglijk zijn zeer lokaal , in de vaste bodem, zwakke puinbijmengingen waargenomen. Zintuiglijk zijn in de vaste bodem geen oliecomponenten waargenomen. Op en in de vaste bodem is zintuiglijk geen asbestverdacht materiaal aangetroffen. In de actuele contactzone zijn analytisch geen noemenswaardige gehalten aan asbest aangetoond. In de vaste bodem zijn licht verhoogde gehalten aan zware metalen, PAK, PCB’s, minerale olie en/of chloordaan aangetoond. In het grondwater zijn licht verhoogde gehalten aan zware metalen, en lokaal naftaleen aangetoond. De aangetoonde gehalten vormen geen aanleiding tot nader onderzoek. Op basis van de onderzoeksresultaten is de actuele bodemkwaliteit afdoende vastgelegd en bestaan er geen bezwaren voor de voorgenomen herontwikkeling van de locatie.
5.2.3
Conclusie
De bodemkwaliteit wordt als passend bij het beoogde gebruik gezien. Het aspect bodemkwaliteit vormt hiermee geen belemmering voor de uitvoering van de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling.
5.3
Luchtkwaliteit
5.3.1
Beoordelingskader
Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet luchtkwaliteit. In de Wet luchtkwaliteit staan ondermeer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen:
Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen); Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen);
5.3.1.1 Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip “niet in betekenende mate” is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
30
Bestemmingsplan “Gorredijk – De Vrieswijck”
stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn:
woningen: 1500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m2 bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg.
Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden.
5.3.1.2 Besluit gevoelige bestemmingen Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/ klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet milieubeheer nodig.
5.3.2
Situatie plangebied
Voorliggend bestemmingsplan voorziet in de herontwikkeling van een bedrijfsperceel ten behoeve van de realisatie van maximaal 95 woningen. Een project met een dergelijke (relatief kleine) omvang is aan te merken als een project welke “niet in betekenende mate bijdraagt” aan luchtverontreiniging. Om dit te kunnen bevestigen is met de NIBM-tool van het voormalige Ministerie van Infrastructuur en Milieu nagegaan wat de berekende maximale bijdrage aan luchtemissies als gevolg van de verkeersgeneratie die samenhangt met de ontwikkeling is. Voor de ontwikkeling is overeenkomstig paragraaf 3.2.4 uitgegaan van 779 verkeersbewegingen per weekdagetmaal. Het aandeel vrachtverkeer is op 10% gezet, ondanks dat het voornemen uitsluitend uitgaat van de functie ‘wonen’. Het aandeel van vrachtverkeer in de aanlegfase is onder deze 10% te scharen, ondanks dat dit slechts tijdelijk van aard is. Daarnaast zijn de verkeersbewegingen behorend bij de huidige planologische bestemming niet in mindering gebracht. Er kan dan ook worden gesproken over een worst-case berekening aangezien per saldo sprake is van een afname van de verkeersgeneratie. De onderstaande afbeelding geeft een overzicht van de berekening met de NIBM-tool. Aangezien De verkeersbewegingen behorend bij de huidige planologische bestemming zijn zoals gezegd niet in mindering gebracht.
Van een weergave van de hoeveelheid “extra verkeer” zoals hieronder weergegeven is dan ook feitelijk geen sprake. Door de met de ontwikkeling samenhangende verkeersgeneratie volledig op te nemen is een worst-case scenario in beeld gebracht.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
31
Bestemmingsplan “Gorredijk – De Vrieswijck”
Afbeelding 5.1
Worst-case berekening voor de bijdrage van het verkeer als gevolg van het plan op de luchtkwaliteit (Bron: NIBMtool)
Uit de bovenstaande tabel blijkt dat het plan niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit. Uit de jaarlijkse rapportage van de luchtkwaliteit blijkt daarnaast dat er, in de omgeving van het plangebied, langs wegen geen overschrijdingen van de grenswaarden aan de orde zijn. Een overschrijding van de grenswaarden is ook in de toekomst niet te verwachten. Tot slot wordt geconcludeerd dat deze ontwikkeling niet voorziet in het toevoegen van een gevoelige bestemming in het kader van het ‘Besluit gevoelige bestemmingen’.
5.3.3
Conclusie
Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoering van het plan.
5.4
Externe veiligheid
5.4.1
Algemeen
Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Bij nieuwe ontwikkelingen moet worden voldaan aan strikte risicogrenzen. Een en ander brengt met zich mee dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer: • • • • •
het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi); het Registratiebesluit externe veiligheid; het Besluit risico's zware ongevallen 2015 (Brzo 2015); het Vuurwerkbesluit.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
32
Bestemmingsplan “Gorredijk – De Vrieswijck”
Voor vervoer van gevaarlijke stoffen geldt de ‘Wet Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen’ (Wet Basisnet). Dat vervoer gaat over water, spoor, wegen of door de lucht. De regels van het Basisnet voor ruimtelijke ordening zijn vastgelegd in: • • •
het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt); de Regeling basisnet; de (aanpassing) Regeling Bouwbesluit (veiligheidszone en plasbrandaandachtsgebied).
Voor het transport van gevaarlijke stoffen per buisleiding geldt het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico.
5.4.2
Situatie plangebied
Aan hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven. In afbeelding 5.2 is een uitsnede van de Risicokaart met betrekking tot het plangebied (blauwe omlijning) en omgeving weergegeven.
Afbeelding 5.2
Uitsnede Risicokaart (Bron: Risicokaart.nl)
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
33
Bestemmingsplan “Gorredijk – De Vrieswijck”
Uit de inventarisatie blijkt dat het plangebied: 1. 2. 3. 4.
zich niet bevindt binnen de risicocontour van Bevi- en Brzo-inrichtingen danwel inrichtingen die vallen onder het Vuurwerkbesluit (plaatsgebonden risico); zich niet bevindt binnen een gebied waarbinnen een verantwoording van het groepsrisico nodig is; niet ligt binnen de veiligheidsafstanden van het vervoer gevaarlijke stoffen; niet ligt binnen de veiligheidsafstanden van buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen.
In de directe omgeving van het plangebied bevinden zich wel meerdere potentiële risicobronnen. Sportcentrum Kortezwaag Aan de Mientewei 2, direct ten zuiden van het plangebied bevindt zich Sportcentrum Kortezwaag. Ter plaatse is sprake van een opslagtank voor chloorbleekloog met een maximale inhoud van 2.000 m³. Hoewel dit in het kader van het Bevi geen risicovolle inrichting is, is chloorbleekloog wel een vloeistof die potentieel giftige gassen kan veroorzaken. Volgens de Leidraad Risico-Inventarisatie gevaarlijke stoffen is sprake van een potentieel risicovolle inrichting. Voor een opslagtank met een maximaal volume van 2.000 m³ ligt het invloedsgebied voor de 1% letaliteitsafstand volgens de ‘Leidraad Risico-Inventarisatie gevaarlijke stoffen’ op 90 meter vanaf de opslag voor chloorbleekloog. Deze afstand valt samen met de op de risicokaart opgenomen terreingrens. De afstand tot het plangebied bedraagt in voorliggend geval minimaal 150 meter. Hiermee bevindt het plangebied zich niet binnen de 1% letaliteitsafstand. Binnen een straal van 880 meter rondom de opslag kunnen mensen theoretisch gezien gewond raken door chloorgassen. Het plangebied ligt hiermee binnen deze effectafstand voor gezondheidsschade. Aangezien geen sprake is van een risicovolle inrichting volgens Bevi is nadere toetsing aan deze effectafstand in beginsel niet noodzakelijk.
In dit kader wordt echter opgemerkt dat voorliggend plan uitgaat van de realisatie van reguliere woningen, waarvan de bewoners in beginsel als zelfredzaam moeten worden aangemerkt. Een nadere risicoverantwoording en/of het stellen van aanvullende eisen aan de woningen is hiermee niet noodzakelijk De ligging van het plangebied nabij deze chloorbleekloogopslag vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan en is in overeenstemming met de wet- en regelgeving ter zake van externe veiligheid. Lapack Export Aan De Klok 5, ten noordwesten van het plangebied bevindt zich Lapack Export. Ter plaatse is sprake van palletopslag met een maximale oppervlakte van 5.000 m². Hoewel dit in het kader van het Bevi geen risicovolle inrichting is, is wel sprake van de opslag van brandbare materialen. Binnen de groep ‘transport en opslag’ is voor de (externe) veiligheid kenmerkend dat er opslag is van een grote hoeveelheid vaste of vloeibare brandbare stof, in voorliggend geval houtpallets (vaste brandbare stof). Op basis van de ‘Leidraad Risico-Inventarisatie gevaarlijke stoffen’ geldt dat indien sprake is van de opslag van vaste brandbare stoffen waarbij 50% van het totaaloppervlak meer bedraagt dan 1.000 m², waar in voorliggend geval sprake van is, de meest relevante effecten gelden overeenkomstig het scenario ‘grote branden’.
De bijbehorende effectafstand bedraagt in voorliggend geval 50 meter. Deze afstand valt samen met de op de risicokaart opgenomen terreingrens. De afstand tot het plangebied bedraagt in voorliggend geval minimaal 900 meter. Hiermee bevindt het plangebied zich niet binnen de effectafstand. De ligging van het plangebied nabij deze palletopslag vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan en is in overeenstemming met de wet- en regelgeving ter zake van externe veiligheid. Een nadere risicoverantwoording is niet noodzakelijk. Aardgasleiding Gasunie Ten noordwesten van het plangebied ligt een NEN-3650 aardgasleiding van de Gasunie. Het betreft een leiding met een uitwendige diameter van 168 mm en een maximale werkdruk van 40,00 bar. De bijbehorende 100%en 1%-letaliteitsafstand bevindt zich op respectievelijk 40 en 70 meter vanuit het hart van de buisleiding. De afstand tot het plangebied bedraagt in voorliggend geval minimaal 750 meter.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
34
Bestemmingsplan “Gorredijk – De Vrieswijck”
De ligging van het plangebied nabij deze buisleiding vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan en is in overeenstemming met de wet- en regelgeving ter zake van externe veiligheid. Een nadere risicoverantwoording is niet noodzakelijk. Gasontvangststation Gorredijk Aan de Kerkewal 60, ten noordwesten van het plangebied bevindt zich het gasontvangststation Gorredijk. Ter plaatse is sprake van een gasdrukregel- en meetstation met een werkdruk aan de inlaatzijde van >16 bar. Hiermee is volgens de ‘Leidraad Risico-Inventarisatie gevaarlijke stoffen’ sprake van een ‘type C’ station waarvoor een maximale toetsingsafstand van 25 meter tot woningen van toepassing is. De afstand tot het plangebied bedraagt in voorliggend geval minimaal 850 meter. Hiermee bevindt het plangebied zich niet binnen de effectafstand. De ligging van het plangebied nabij dit gasontvangststation vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan en is in overeenstemming met de wet- en regelgeving ter zake van externe veiligheid. Een nadere risicoverantwoording is niet noodzakelijk.
5.4.3
Conclusie
Een en ander brengt met zich mee dat het project in overeenstemming is met wet- en regelgeving ter zake van externe veiligheid.
5.5
Milieuzonering
5.5.1
Algemeen
Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: • •
het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen.
Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave “Bedrijven en Milieuzonering” uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan of wijzigingsplan mogelijk is. Hoewel deze richtafstanden indicatief zijn, volgt uit jurisprudentie dat deze afstanden als harde eis gezien worden door de Raad van State bij de beoordeling of woningen op een passende afstand van bedrijven worden gesitueerd.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
35
Bestemmingsplan “Gorredijk – De Vrieswijck”
5.5.2
Gebiedstypen
In de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering is een tweetal gebiedstypen te onderscheiden; 'rustige woonwijk' en 'gemengd gebied'. Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Overige functies komen vrijwel niet voor. Langs de randen is weinig verstoring van verkeer. Een 'gemengd gebied' is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend. Het gebied waarin het plangebied zich bevindt is in beginsel aan te merken als ‘rustige woonwijk’. Dit vanwege het feit dat er in de directe omgeving voornamelijk woonpercelen aanwezig zijn, en hiermee geen sprake is van een sterke tot matige functiemenging. Aan de zijde van de Nijewei is echter wel sprake van een matige tot sterke functiemenging.
Aan deze zijde van de Nijewei zijn meerdere sportverenigingen/centra gevestigd, is een maatschappelijke functie aanwezig en is sprake van een relatief drukke weg. Om deze reden wordt voor de zuidzijde van de Nijewei, ter plaatse van het plangebied, aangemerkt als ‘gemengd gebied’. Milieucategorie 1 2 3.1 3.2 4.1 4.2 5.1 5.2 5.3 6
5.5.3
Richtafstanden tot omgevingstype rustige woonwijk 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m 1.500 m
Richtafstanden tot omgevingstype gemengd gebied 0m 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m
Situatie plangebied
5.5.3.1 Algemeen Aan de hand van vorenstaande regeling is onderzoek verricht naar de feitelijke situatie. De VNG uitgave “Bedrijven en Milieuzonering” geeft een eerste inzicht in de milieuhinder van inrichtingen. Zoals reeds hiervoor genoemd, wordt bij het realiseren van nieuwe functies gekeken naar de omgeving waarin de nieuwe functies gerealiseerd worden. Hierbij spelen twee vragen en rol: 1. 2.
past de nieuwe functie in de omgeving? (externe werking); laat de omgeving de nieuwe functie toe? (interne werking).
5.5.3.2 Externe werking Hierbij gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ordening. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden in ernstige mate wordt aangetast. De functie ‘wonen’ betreft in beginsel geen milieubelastende functie voor de omgeving. In dit kader wordt echter nog wel het volgende opgemerkt. In de huidige feitelijke situatie is al jaren grotendeels sprake van een braakliggend terrein zonder functie met potentiele hinder. In de planologische situatie is echter nog steeds sprake van een bedrijfsperceel met bijbehorende bedrijfsmogelijkheden. In paragraaf 3.2.4 is reeds aangetoond dat er vanuit planologisch oogpunt sprake is van een forse afname van de te verwachten
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
36
Bestemmingsplan “Gorredijk – De Vrieswijck”
verkeersgeneratie. Daarnaast wordt aangenomen dat een bedrijfsperceel met een dergelijke omvang in het algemeen meer hinder (geluid, geur, gevaar, stof) veroorzaakt dan een woongebied van de omvang zoals in dit plan is opgenomen. Desondanks is in het akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai inzichtelijk gemaakt wat de gevolgen van de nieuwe ontwikkeling zijn in relatie tot de geluidsbelasting als gevolg van wegverkeerslawaai op bestaande woningen in de directe omgeving van het plangebied. Want hoewel vanuit planologisch oogpunt sprake is van een theoretische afname van de hoeveelheid verkeer, in praktische zin is al jaren sprake van een braakliggend terrein. Voor omwonenden zal als gevolg van de ontwikkeling dan ook een toename aan verkeer worden ervaren. Deze aanvulling op het onderzoek bestaat uit een vergelijking van de bestaande geluidsbelasting op omliggende woningen als gevolg van wegverkeerslawaai en de te verwachten geluidsbelasting op omliggende woningen als gevolg van wegverkeerslawaai in de nieuwe situatie. Hierna wordt kort ingegaan op de conclusie van deze vergelijkingsberekening. Voor de volledige onderbouwing en onderzoeksresultaten wordt verwezen naar het akoestisch onderzoek (bijlage 2, hoofdstuk 5). Op basis van de vergelijkingsberekening wordt geconcludeerd dat het grootst berekende verschil afgerond 1 dB bedraagt.
Kortom het verschil tussen de bestaande geluidsbelasting wegverkeerslawaai (o.b.v. de bestaande verkeersintensiteit) en de te verwachten geluidsbelasting wegverkeerslawaai (o.b.v. de te verwachten toename van de verkeersintensiteit als gevolg van het plan “De Vrieswijck”) bedraagt maximaal 1 dB ter plaatse van bestaande woningen in de omgeving. Op basis van het bovenstaande wordt geconcludeerd dat als gevolg van dit bestemmingsplan geen sprake is van een onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat van omwonenden ten aanzien van geluidshinder als gevolg van wegverkeerslawaai.
5.5.3.3 Interne werking Hierbij gaat het om de vraag of de nieuwe milieugevoelige objecten/functies (woningen) hinder ondervinden van bestaande functies in de omgeving. Omgekeerd gaat het om de vraag of bestaande functies in de omgeving belemmerd worden in de bedrijfsvoering of ontwikkelingsmogelijkheden door nieuwe milieugevoelige objecten/functies (woningen). In voorliggend geval is er met de toevoeging van maximaal 95 woningen aan de woningvoorraad tevens sprake van de realisatie van nieuwe milieugevoelige objecten. In de directe omgeving van het plangebied bevinden zich enkele milieubelastende functies. In dit kader zijn de volgende functies het meest relevant: -
maatschappelijke bestemming, Mientewei 4, maximale milieucategorie 2 Sportbestemming, Mientewei 2, maximale milieucategorie 4.1 (zwembad, niet overdekt); Horecabestemming, Brouwerswal 39, maximale milieucategorie 2.
In de nabijheid van het plangebied bevinden zich onder andere een maatschappelijke- en horecafunctie. Het betreft in beide gevallen maximaal milieucategorie 2 functies, met een grootste richtafstand van 30 meter in het gebiedstype ‘rustige woonwijk’ en 10 meter in het gebiedstype ‘gemengd gebied’. De afstand tussen het plangebied en de dichtstbijzijnde grens van het bestemmingsvlak van een van deze functies bedraagt minimaal 30 meter. Hiermee wordt aan de richtafstanden voldaan. Sportverenigingen Direct ten zuiden van het plangebied bevinden zich aan de Mientewei 2 meerdere sportverenigingen. Op basis van het geldende bestemmingsplan ‘Gorredijk Kom’ is ter plaatse onder andere een onoverdekt zwembad toegestaan. Deze functie kent een maximale milieucategorie 4.1 met in ‘gemengd gebied’ een grootste richtafstand van 100 meter voor het aspect ‘geluid’. Hiermee ligt de bijbehorende milieucontour deels over het plangebied, wanneer gerekend wordt vanaf de dichtstbijzijnde grens van de sportbestemming. In dit kader wordt echter het volgende opgemerkt. Het onoverdekte zwembad maakt onderdeel uit van het Sportcentrum Kortezwaag. De afstand tussen het onoverdekte zwembad en het plangebied bedraagt in realiteit minimaal 200 meter. Hiermee wordt feitelijk voldaan aan de richtafstanden ten opzichte van deze functie.
Aangezien het sportgebied al volledig is ingevuld met andere sportfuncties is het niet reëel om te veronderstellen dat het onoverdekte zwembad binnen de
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
37
Bestemmingsplan “Gorredijk – De Vrieswijck”
planperiode op kortere afstand van de nieuwe woningen komt te liggen. Geconcludeerd wordt dan ook dat het onoverdekte zwembad geen belemmering vormt voor deze ontwikkeling. Op kortere afstand van het plangebied zijn enkele andere sportverenigingen gevestigd. Het gaat met name om veldsportcomplexen met verlichting. Dit betreft een functie met een maximale milieucategorie 3.1, waarvoor in het gebiedstype ‘gemengd gebied’ een grootste richtafstand geldt van 30 meter voor het aspect ‘geluid’. De afstand tussen de beide bestemmingsvlakken bedraagt in voorliggend geval circa 25 meter, waarmee formeel niet aan de richtafstanden wordt voldaan. In dit kader wordt echter het volgende opgemerkt. De afstand tot het bouwvlak behorend tot de dichtstbijzijnde nieuwe woning bedraagt wel minimaal 30 meter. Hiermee wordt feitelijk voldaan aan de richtafstanden ten opzichte van deze functie. Overige milieubelastende functies in de directe omgeving bevinden zich op dusdanig grote afstand van het plangebied dat nadere toetsing niet noodzakelijk wordt geacht. Omliggende bedrijven worden niet meer belemmerd in de bedrijfsvoering of ontwikkelingsmogelijkheden dan waar in de bestaande situatie al sprake van is. In dit kader zijn in alle gevallen reeds bestaande en dichterbij gelegen woningen maatgevend.
5.5.4
Conclusie milieuzonering
Het aspect milieuzonering vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.
5.5
Geur
5.5.1
Wet geurhinder en veehouderij
De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader vergunningverlening, als het gaat om geurhinder vanwege dierenverblijven van veehouderijen. De Wgv stelt één landsdekkend beoordelingskader met een indeling in twee categorieën. Voor diercategorieën waarvan de geuremissie per dier is vastgesteld, wordt deze waarde uitgedrukt in een ten hoogste toegestane geurbelasting op een geurgevoelig object. Voor de andere diercategorieën is die waarde een wettelijke vastgestelde afstand die ten minste moet worden aangehouden. Op grond van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) dient voor diercategorieën waarvoor per dier geen geuremissie is vastgesteld (bijvoorbeeld melkkoeien en paarden) en een geurgevoelig object de volgende afstanden aangehouden te worden: • •
ten minste 100 meter indien het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom is gelegen, en ten minste 50 meter indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen.
Voor diercategorieën waarvoor in de Wgv een geuremissie per dier is vastgesteld geldt dat, buiten een concentratiegebied, de geurbelasting op geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom niet meer dan 2 odour units per kubieke meter lucht mag bedragen. Voor geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom mag deze niet meer bedragen dan 8 odour units per kubieke meter lucht. Binnen een concentratiegebied gelden voor binnen en buiten de bebouwde kom respectievelijk 3 en 14 odour units per kubieke meter lucht als maximum.
5.5.2
Geurverordening gemeente Opsterland
De gemeente Opsterland beschikt over een eigen geurverordening in de vorm van de ‘Verordening agrarische geur Opsterland 2012’. In afwijking van de Wgv is in de geurverordening bepaald dat de afstand tussen een bestaande stal en een geurgevoelig object dat binnen een bebouwde kom is gelegen ten minste 50 meter bedraagt. Bij nieuwbouw wordt een afstand van tenminste 100 meter gehandhaafd.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
38
Bestemmingsplan “Gorredijk – De Vrieswijck”
5.5.3
Situatie plangebied
5.5.3.1 Algemeen Met dit plan worden maximaal 95 geurgevoelige objecten, namelijk de woningen, mogelijk gemaakt. Het bevoegd gezag moet in de ruimtelijke ordening rekening houden met de geurwetgeving vanwege de zogenaamde ‘omgekeerde werking’. Dit betekent dat zowel de belangen van het geurgevoelig object (woning) als de belangen van de veehouderij en derden moeten worden afgewogen: • •
Is er geen sprake van onevenredige aantasting van belangen van derden (belangen veehouderij en derden)? Is ter plaatse een aanvaardbaar woon- en leefklimaat gegarandeerd (geurgevoelig object)?
5.5.3.2 Situatie plangebied De dichtstbijzijnde gronden waar een agrarisch bedrijf is toegestaan bevinden zich aan De Leijen 4, in het buitengebied van Gorredijk. Ter plaatse is een grondgebonden veehouderij toegestaan, met een intensieve neventak tot maximaal 250 m². De afstand tussen het plangebied en dit agrarische perceel bedraagt minimaal 600 meter. Hiermee wordt ruimschoots voldaan aan de in de gemeentelijke geurverordening bepaalde afstand tussen een bestaande stal en een geurgevoelig object. Ook wordt voldaan aan de afstanden zoals bepaald in de Wgv. Daarnaast is deze afstand zodanig dat in relatie tot de intensieve tak kan worden verondersteld dat ter plaatse van de woningen geen sprake is van geurhinder. Er wordt dan ook gesteld dat ter plaatse van het plangebied sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voor wat betreft geurhinder afkomstig van veehouderijen. Daarnaast worden agrarische bedrijven in de omgeving niet belemmerd in de ontwikkelingsmogelijkheden aangezien reeds bestaande dichterbij gelegen woningen in dit kader maatgevend zijn.
5.5.4
Conclusie
Gesteld wordt dat het aspect geur geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van dit plan.
5.6
Ecologie
5.6.1
Algemeen
Bescherming in het kader van de natuur wet- en regelgeving is op te delen in gebieds- en soortenbescherming. Sinds 1 januari 2017 is het wettelijk kader ten aanzien van gebieds- en soortenbescherming vastgelegd in de Wet natuurbescherming. Bij gebiedsbescherming heeft men te maken met Natura 2000-gebieden en het Natuur Netwerk Nederland. Soortenbescherming gaat uit van de bescherming van dier- en plantensoorten.
5.6.2
Gebiedsbescherming
5.6.2.1 Natura 2000-gebieden Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Deze gebieden worden in Nederland op grond van de Wet natuurbescherming beschermd.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
39
Bestemmingsplan “Gorredijk – De Vrieswijck”
Het plangebied is niet gelegen binnen een Natura 2000-gebied. Het plangebied bevindt zich op circa 2,9 kilometer van het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige Natura 2000-gebied ‘Van Oordt’s Mersken’. Voor elk Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen geformuleerd voor alle beschermde soorten en habitats die daar aanwezig zijn. Per soort of habitat is aangegeven of behoud van de huidige aantallen/arealen voldoende is, danwel of uitbreiding of een verbetering nodig is. Niet alleen activiteiten binnen een Natura 2000-gebied maar ook activiteiten buiten een Natura 2000-gebied kunnen de instandhoudingsdoelstellingen in gevaar brengen. Dit wordt externe werking genoemd. Gezien de mogelijke externe werking van de beoogde ontwikkeling op het nabijgelegen Natura 2000-gebied, is het van belang om te toetsen of de realisatie van de beoogde ontwikkeling conflicteert met de waarden waarvoor dit gebied is aangewezen. Hiervoor is in elk geval een toetsing aan de Wet natuurbescherming noodzakelijk. Gelet op de onderlinge afstand is directe hinder (bijv. geluid, verstrooiing van licht etc.) niet aan de orde. Naast directe hinder dient tevens te worden gekeken naar de mogelijke toename van stikstofdepositie op kwetsbare habittatypen binnen het Natura 2000-gebieden.
Om dit te beoordelen heeft BJZ.nu een zogenaamde AERIUSberekening uitgevoerd voor zowel de bouwfase (tijdelijk karakter) en de gebruiksfase die samenhangt met de voorgenomen ontwikkeling. Hierna wordt de belangrijkste onderzoeksconclusie weergegeven. Voor de volledige onderzoeksrapportage wordt verwezen naar bijlage 4 bij deze toelichting. Geconcludeerd wordt dat voor zowel de aanlegfase als de gebruiksfase geen sprake is van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j. Er is daarmee geen sprake van een stikstofdepositie met significant negatief effect op Natura 2000-gebieden. Het project is in het kader van de Wet natuurbescherming, ten aanzien van de effecten van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden, niet vergunningsplichtig.
5.6.2.2 Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de kern van het Nederlands natuurbeleid. Het NNN is in provinciale structuurvisies uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het ‘nee, tenzij’- principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. Het dichtstbijzijnde gebied dat is aangewezen als NNN is gelegen op circa drie kilometer afstand van het plangebied. Gezien de onderlinge afstand en de aard en omvang van de ontwikkeling, wordt gesteld dat er geen sprake is van aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN.
5.6.3
Soortenbescherming
5.6.3.1 Algemeen Sinds 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming van kracht. Het is verboden om alle soorten die beschermd zijn volgens de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn, evenals de in paragraaf 3.2 en 3.3 van de Wet natuurbescherming genoemde soorten te doden en te verwonden, evenals het beschadigen en vernielen van voortplantingsplaatsen of rustplaatsen. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden.
5.6.3.2 Situatie plangebied Quickscan natuurwaardenonderzoek In het kader van voorliggend plan heeft Natuurbank Overijssel in 2021 ter plaatse van het plangebied een quickscan natuurwaardenonderzoek uitgevoerd. Hierna wordt ingegaan op de belangrijkste conclusies uit dit onderzoek. Voor de volledige onderzoeksrapportage wordt verwezen naar bijlage 5 bij deze toelichting.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
40
Bestemmingsplan “Gorredijk – De Vrieswijck”
De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde planten, maar wel tot een geschikt functioneel leefgebied van verschillende beschermde diersoorten. Beschermde diersoorten benutten het plangebied als foerageergebied en mogelijk bezetten beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën er een vaste rust- en voortplantingsplaats, nestelen er vogels en bezetten vleermuizen er een verblijfplaats. Van de in het plangebied nestelende vogelsoorten, is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. Bezette vogelnesten zijn beschermd en mogen niet beschadigd of vernield worden. Gelet op de aard van de werkzaamheden kan geen ontheffing verkregen worden voor het beschadigen of vernielen van bezette vogelnesten. Indien de beplanting verwijderd dient te worden en de bebouwing gesloopt dient te worden tijdens de voortplantingsperiode, wordt geadviseerd vooraf een broedvogelscan uit te voeren om de aanwezigheid van een bezet vogelnest uit te kunnen sluiten. Mogelijk wordt een beschermd grondgebonden zoogdier en amfibie gedood en wordt een vaste rust- en voortplantingsplaats van een beschermd grondgebonden zoogdier en amfibie beschadigd en vernield, als gevolg van uitvoering van de voorgenomen activiteiten.
Voor de beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën, die een vaste (winter)rust- en/of voortplantingsplaats in het plangebied bezetten, en die mogelijk gedood worden, geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen ‘doden’ en het ‘beschadigen/vernielen van vaste rust- en voortplantingsplaatsen’. Vleermuizen en hun vaste rust- en voortplantingsplaatsen zijn beschermd en mogen alleen met een ontheffing negatief beïnvloed worden. Om de functie van de bebouwing voor vleermuizen vast te kunnen stellen dient aanvullend onderzoek conform het vleermuisprotocol uitgevoerd te worden. Door het transformeren van het huidige plangebied naar een woonwijk, neemt de betekenis van het plangebied als foerageergebied voor verschillende in het plangebied foeragerende beschermd dieren af. Dit leidt echter niet tot wettelijke consequenties, omdat deze functie niet beschermd is, of omdat het negatieve effect beperkt is en er voldoende alternatief foerageergebied beschikbaar is. Aanvullend vleermuizenonderzoek Op basis van het uitgevoerde quickscan natuurwaardenonderzoek (bijlage 5) is gebleken dat het te slopen voormalige kantoorgebouw potentieel functioneel leefgebied vormt voor vleermuizen. Om de functie van dit gebouw voor vleermuizen vast te stellen is door Natuurbank Overijssel een aanvullend onderzoek conform het vleermuisprotocol uitgevoerd.
Hierna wordt ingegaan op de belangrijkste conclusies uit dit onderzoek. Voor de volledige onderzoeksrapportage wordt verwezen naar bijlage 6 bij deze toelichting. In de zomer en het najaar van 2021 is de functie van de bebouwing aan de Nijewei (ongenummerd) te Gorredijk onderzocht op de aanwezigheid van een verblijfplaats van vleermuizen. Het onderzoek is uitgevoerd volgens het daarvoor geldende protocol en is volledig en onder gunstige weersomstandigheden uitgevoerd. Uit het onderzoek is gebleken dat vleermuizen geen verblijfplaats bezetten in het onderzoekgebied. Het slopen van de bebouwing leidt niet tot wettelijke consequenties in het kader van de wet- en regelgeving voor beschermde soorten. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen ontheffing van de verbodsbepalingen aangevraagd te worden.
5.6.4
Conclusie
De Wet natuurbescherming vormt, rekening houdend met bescherming van bezette vogelnesten, geen belemmering voor voorliggend plan en de uitvoering van de voorgenomen activiteiten.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
41
Bestemmingsplan “Gorredijk – De Vrieswijck”
5.7
Archeologie & Cultuurhistorie
5.7.1
Archeologie
5.7.1.1 Algemeen De Monumentenwet 1988 is per 1 juli 2016 vervallen. Een deel van de wet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de Omgevingswet, wanneer deze in 2022 in werking treedt. Vooruitlopend op de datum van ingang van de Omgevingswet zijn deze artikelen te vinden in het Overgangsrecht in de Erfgoedwet, waar ze ongewijzigd van toepassing blijven zolang de Omgevingswet nog niet van kracht is. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten.
5.7.1.2 Situatie plangebied Ten behoeve van voorliggend bestemmingsplan heeft Laagland Archeologie ter plaatse van het plangebied een archeologisch onderzoek uitgevoerd. Hierna worden de belangrijkste onderzoeksconclusies weergegeven. Voor de volledige onderzoeksrapportage wordt verwezen naar bijlage 7 bij deze plantoelichting. Op basis van het uitgevoerde booronderzoek is de kans klein dat het plangebied archeologische sporen bevat, afgezien van geïsoleerde diepe grondsporen uit de Nieuwe Tijd. Het archeologisch belang van dergelijke sporen is meestal laag. Om deze reden wordt geadviseerd geen vervolgonderzoek uit te voeren en het plangebied vrij te geven.
5.7.2
Cultuurhistorie
5.7.2.1 Algemeen Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. In de Bro is in artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a opgenomen dat een bestemmingsplan of wijzigingsplan “een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden” dient te bevatten.
5.7.2.2 Situatie plangebied Het plangebied kent geen bijzondere cultuurhistorische waarden. In de directe nabijheid van het plangebied bevinden zich tevens geen rijks- danwel gemeentelijke monumenten of andere cultuurhistorische waarden die mogelijkerwijs negatief zouden kunnen worden beïnvloed door voorliggend plan. Daardoor wordt gesteld dat cultuurhistorie geen belemmering vormt voor dit bestemmingsplan.
5.7.3
Conclusie
Het uitvoeren van een nader archeologisch onderzoek wordt in het kader van dit bestemmingsplan niet noodzakelijk geacht en er is geen sprake van negatieve effecten op de aanwezige cultuurhistorische waarden.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
42
Bestemmingsplan “Gorredijk – De Vrieswijck”
De aspecten archeologie en cultuurhistorie vormen hiermee geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.
5.8
Besluit milieueffectrapportage
5.8.1
Kader
De milieueffectrapportage is een wettelijk instrument met als doel het aspect milieu een volwaardige plaats in deze integrale afweging te geven. Een ruimtelijk besluit kan op drie manieren met milieueffectrapportage in aanraking komen: •
Op basis van artikel 7.2a, lid 1 Wm (als wettelijk plan);
Er ontstaat een m.e.r.-plicht wanneer er een passende beoordeling op basis van art. 2.8, lid 1 Wet natuurbescherming nodig is. •
Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 3); Er ontstaat een m.e.r.-plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 3 (plannen).
•
Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 4); Er ontstaat een m.e.r.-(beoordelings)plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 4 (besluiten).
In het Besluit m.e.r. neemt het bestemmingsplan een bijzondere positie in, want het kan namelijk tegelijkertijd opgenomen zijn in zowel kolom 3 als in kolom 4 van het Besluit m.e.r.. Of het bestemmingsplan in deze gevallen voldoet aan de definitie van het plan uit kolom 3 of aan de definitie van het besluit uit kolom 4 is afhankelijk van de wijze waarop de activiteit in het bestemmingsplan wordt bestemd. Als voor de activiteit eerst één of meerdere uitwerkings- of wijzigingsplannen moeten worden vastgesteld dan is sprake van ‘kaderstellend voor' en voldoet het bestemmingsplan aan de definitie van het plan. Is de activiteit geheel of gedeeltelijk als eindbestemming opgenomen voldoet het aan de definitie van het besluit. Een belangrijk element in het Besluit m.e.r.. is het (in feite) indicatief maken van de gevalsdefinities (de drempelwaarden in kolom 2 in de D-lijst). Dit betekent dat het bevoegd gezag meer moet doen dan onder de oude regelgeving. Kon vroeger worden volstaan met de mededeling in het besluit dat de omvang van de activiteit onder de drempelwaarde lag en dus geen m.e.r. (beoordeling) noodzakelijk was, onder de nu geldende regeling moet een motivering worden gegeven. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.beoordeling gehanteerd.
5.8.2
Situatie plangebied
Voorliggende ontwikkeling is niet als activiteit opgenomen in de C-lijst van het Besluit MER. In de D-lijst is de volgende activiteit opgenomen: 'De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen'. Indien geoordeeld wordt dat sprake is van een 'stedelijk ontwikkelingsproject' is een vormvrije m.e.r.-beoordeling noodzakelijk. De drempelwaarden zijn ten aanzien van de hiervoor genoemde activiteit als volgt: 1.
een oppervlakte van 100 hectare of meer,
2.
een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat, of
3.
een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer. m.e.r.-beoordeling gehanteerd.
Uit jurisprudentie volgt dat het antwoord op de vraag of sprake is van een 'stedelijk ontwikkelingsproject' afhankelijk is van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aan de hand van aspecten als aard en de omvang van de voorziene ontwikkeling moet worden beoordeeld of sprake is van een stedelijk
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
43
Bestemmingsplan “Gorredijk – De Vrieswijck”
ontwikkelingsproject. Niet relevant is of per saldo aanzienlijke negatieve gevolgen voor het milieu kunnen ontstaan. In voorliggend geval wordt de oppervlakte van 100 hectare niet overschreden en is geen sprake van een ontwikkeling dat een aaneengesloten gebied betreft waarbij meer dan 2.000 woningen worden gerealiseerd. Van een directe m.e.r.-plicht is dan ook geen sprake. Desalniettemin dient, gelet op de aard en omvang van het project, wel een vormvrije m.e.r.-beoordeling te worden uitgevoerd. In bijlage 8 bij deze toelichting is de bij dit plan behorende aanmeldnotitie vormvrije m.e.r. beoordeling opgenomen. De vormvrije m.e.r.beoordeling maakt duidelijk dat de milieueffecten als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling beperkt zijn en dat er geen sprake is van een bijzondere omstandigheid die het opstellen van een plan-m.e.r. noodzakelijk maakt.
5.8.3
Conclusie
Voorliggende ontwikkeling is niet m.e.r.-(beoordelings)plichtig.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
44
Bestemmingsplan “Gorredijk – De Vrieswijck”
HOOFDSTUK 6
WATERASPECTEN
6.1
Vigerend beleid
6.1.1
Europees beleid
De Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) is op 22 december 2000 in werking getreden en is bedoeld om in alle Europese wateren de waterkwaliteit chemisch en ecologisch verder te verbeteren. De Kaderrichtlijn Water omvat regelgeving ter bescherming van het binnenlandse oppervlaktewater, overgangswateren (waaronder estuaria worden verstaan), kustwateren en grondwater. Streefdatum voor het bereiken van gewenste waterkwaliteit is 2015. Eventueel kan er, mits goed onderbouwd, uitstel (derogatie) verleend worden tot uiteindelijk 2027. Voor het uitwerken van de doelstellingen worden er op (deel)stroomgebied plannen opgesteld. In deze (deel)stroomgebiedbeheersplannen staan de ambities en maatregelen beschreven voor de verschillende (deel)stroomgebieden. Met name de ecologische ambities worden op het niveau van de deelstroomgebieden bepaald.
6.1.2
Rijksbeleid
Het Rijksbeleid op het gebied van het waterbeheer is vastgelegd in het Nationaal Water Programma 20222027 (vastgesteld 18 maart 2022). Dit document geeft een overzicht van de ontwikkelingen binnen het waterdomein en legt nieuw ontwikkeld beleid vast. Het belangrijkste uitgangspunt is het werken aan schoon, veilig en voldoende water dat klimaatadaptief en toekomstbestendig is. Ook is er aandacht voor de raakvlakken van water met andere sectoren. De doorwerking van de beleidsambities/uitgangspunten naar lagere overheden is geregeld in het Bestuursakkoord Water (2011) en de Waterwet (2009). In relatie tot de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) wordt de doorwerking geregeld in de Omgevingswet
6.1.3
Provinciaal beleid
In het Streekplan Fryslân 2007 wordt ruim aandacht besteedt aan de wateraspecten. De provincie heeft de volgende ambitie geformuleerd: Wij streven naar goede ruimtelijke condities voor een veilige en bewoonbare provincie en voor gezonde en veerkrachtige duurzame watersystemen waarin sociaaleconomische en ecologische ontwikkelingen met elkaar in evenwicht zijn. Water is een belangrijk mede ordenend principe in de ruimtelijke inrichting van Fryslân. Voor een goede waterbeheersing worden de nodige ruimtelijke maatregelen getroffen. Door klimaatverandering, bodemdaling en de toename van verhard oppervlak kan in veel gevallen voor een goede waterbeheersing niet meer worden volstaan met technische maatregelen. Voor een robuust en veerkrachtig watersysteem, dat zowel wateroverschotten als watertekorten goed kan opvangen, zullen de (on)mogelijkheden van het watersysteem medebepalend zijn voor de functionele bestemming en inrichting van de ruimte. Een goed functionerende Friese boezem is cruciaal voor de waterhuishouding van heel Fryslân.
6.1.4
Wetterskip Fryslân
In het Waterbeheerplan 2016 – 2021 beschrijft Wetterskip Fryslân de doelen voor de komende jaren, de strategische keuzes die het waterschap maakt en de financiële consequenties daarvan. Het bestuur wil in de planperiode richting geven aan goed, efficiënt en betaalbaar waterbeheer, nu en in de toekomst. Speerpunten uit het bestuursprogramma worden uitgewerkt in het Waterbeheerplan (WBP). Enkele speerpunten zijn: • •
Zeedijken, boezemkaden, duinen en andere waterkeringen onderhouden en ervoor zorgen dat ze aan de veiligheidsnormen voldoen. Grond- en oppervlaktewaterpeilen regelen en het watersysteem onderhouden. BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
45
Bestemmingsplan “Gorredijk – De Vrieswijck”
• •
De inrichting van het watersysteem afstemmen op de functies en wensen van gebruikers. Initiëren van het project Wateractieve Stad. Hiermee onderzoeken we de effecten van klimaatverandering in het stedelijk gebied. • De waterkwaliteit monitoren en indien nodig verbeteren. Lozingen en emissies van bedrijven en onze eigen zuiveringsinstallaties reguleren en hierop toezien.
6.1.5
Gemeentelijk Watertaken Programma
6.1.5
Algemeen
De gemeente Opsterland beschikt over eigen waterhuishoudkundig beleid in de vorm van het ‘Gemeentelijk Watertaken Programma Gemeente Opsterland’ (GWP). In het GWP staan de uitvoeringsafspraken voor behalen van de doelstellingen in relatie tot het thema ‘water’. Het gemeentelijke waterprogramma heeft betrekking op maatregelen voor inzameling, transport en (lokale) verwerking van stedelijk afval-, hemel-, en grondwater in gemeente Opsterland voor de periode van 20202025. De gemeente Opsterland staat voor een goed watersysteem. Dat betekend enerzijds een goed ontworpen watersysteem (bijvoorbeeld door een waterhuishoudkundig plan op locatieniveau), en anderzijds een goed ingeregeld watersysteem. De gemeente stelt vast of een watersysteem goed functioneert in termen van waterhuishouding. Waterkwaliteit en biodiversiteit.
6.2
Waterparagraaf
6.2.1
Algemeen
Zoals in voorgaande paragrafen uiteen is gezet, wordt in het moderne waterbeheer (waterbeheer 21e eeuw) gestreefd naar duurzame, veerkrachtige watersystemen met minimale risico's op wateroverlast of watertekorten. Belangrijk instrument hierbij is de watertoets, die sinds 1 november 2003 in ruimtelijke plannen is verankerd. In de toelichting op ruimtelijke plannen dient een waterparagraaf te worden opgenomen. Hierin wordt verslag gedaan van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie (watertoets). Het doel van de watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater).
6.2.2
Watertoetsproces
Het Wetterskip Fryslân is geïnformeerd over het plan door gebruik te maken van de digitale watertoets. De beantwoording van de vragen heeft ertoe geleid dat de ‘normale procedure’ van toepassing is. Het plan heeft invloed heeft op het watersysteem en de waterketen. Voor het volledige watertoetsresultaat wordt verwezen naar bijlage 9 bij deze toelichting. Met de uitgangspunten uit dit wateradvies wordt rekening gehouden in de verdere uitwerking van het plan.
6.2.3
Waterstructuurplan
Er wordt ten behoeve van het plan nieuw water aangelegd en er worden wijzigingen aangebracht in het huidige watersysteem. In het kader van voorliggend plan is door Roelofs, in nauw overleg met het Wetterskip Fryslân en de gemeente Opsterland, een waterstructuurplan opgesteld. Het waterstructuurplan borgt een optimale invulling van de waterhuishouding binnen het plangebied, waarbij zoveel mogelijk rekening is BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
46
Bestemmingsplan “Gorredijk – De Vrieswijck”
gehouden met de beleidsdoelstellingen van het Wetterskip Fryslân en de gemeente Opsterland. Voor het volledige waterstructuurplan wordt verwezen naar bijlage 10 bij deze plantoelichting.
6.2.4
Provinciaal waterbelang
In aanvulling op de bovengenoemde beleidsdocumenten heeft de provincie in het kader van vooroverleg/inspraak een reactie afgegeven in verband met haar belang in relatie tot de ligging van het plangebied nabij de Nieuwe Vaart (paragraaf 9.2). Het plan bevat vooralsnog geen functies/werkzaamheden waardoor het beheer van de Nieuwe Vaart in het geding zou kunnen komen. Eventuele planwijzigingen die hierop van invloed zouden kunnen zijn dienen te worden voorbesproken met Provincie Fryslân. Mogelijk dat in dat geval een ontheffing nodig is van Vaarwegenverordening Fryslan.
6.2.5
Conclusie
Met inachtneming van de uitgangspunten zoals geformuleerd in het waterschapsadvies en het waterstructuurplan vormt het aspect ‘water’ geen belemmering voor voorliggend plan.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
47
Bestemmingsplan “Gorredijk – De Vrieswijck”
HOOFDSTUK 7 7.1
JURIDISCHE ASPECTEN EN PLANVERANTWOORDING
Inleiding
In de voorgaande hoofdstukken is ingegaan op het plangebied, het relevante beleid en de milieu- en omgevingsaspecten. De informatie uit deze hoofdstukken is gebruikt om keuzes te maken bij het maken van het juridische deel van het bestemmingsplan: de verbeelding en de regels. In dit hoofdstuk wordt dieper ingegaan op de opzet van dit juridische deel. Daarnaast wordt een verantwoording gegeven van de gemaakte keuzes op de verbeelding en in de regels. Dat betekent dat er wordt aangegeven waarom een bepaalde functie ergens is toegestaan en waarom bepaalde bebouwing daar acceptabel is.
7.2
Opzet van de regels
7.2.1
Algemeen
In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) die op 1 juli 2008 in werking is getreden, is de verplichting opgenomen om ruimtelijke plannen en besluiten digitaal vast te stellen. De digitaliseringsverplichting geldt vanaf 1 januari 2010. In de ministeriële Regeling standaarden ruimtelijke ordening is vastgelegd dat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) de norm is voor de vergelijkbaarheid van bestemmingsplannen. Naast de SVBP zijn ook het Informatiemodel Ruimtelijke Ordening en de Standaard Toegankelijkheid Ruimtelijke Instrumenten normerend bij het vastleggen en beschikbaar stellen van bestemmingsplannen. De SVBP geeft normen voor de opbouw van de planregels en voor de digitale verbeelding van het bestemmingsplan. Dit bestemmingsplan is opgesteld conform de normen van de SVBP2012. Het juridisch bindend gedeelte van het bestemmingsplan bestaat uit planregels en bijbehorende verbeelding waarop de bestemmingen zijn aangegeven. Deze verbeelding kan zowel digitaal als analoog worden verbeeld. De verbeelding en de planregels dienen in samenhang te worden bekeken. De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken: 1. 2. 3. 4.
7.2.2
Inleidende regels (begripsbepalingen en wijze van meten); Bestemmingsregels; Algemene regels (o.a. afwijkingsregels); Overgangs- en slotregels.
Inleidende regels
Hoofdstuk 1 bevat de inleidende regels. Deze regels gelden voor het gehele plangebied en bevatten: •
Begrippen (Artikel 1) In dit artikel zijn definities van de in de regels gebruikte begrippen opgenomen. Hiermee is een eenduidige interpretatie van deze begrippen vastgelegd.
•
Wijze van meten (Artikel 2) Dit artikel geeft op een eenduidige manier aan op welke wijze bouwhoogtes, afstanden, dakhellingen en oppervlakten moeten worden gemeten en hoe voorkomende eisen betreffende de maatvoering begrepen moeten worden.
7.2.3
Bestemmingsregels
Hoofdstuk 2 van de regels bevat de juridische vertaling van de in het plangebied voorkomende bestemmingen. De regels zijn onderverdeeld in o.a.:
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
48
Bestemmingsplan “Gorredijk – De Vrieswijck”
• • • • •
7.2.4
Bestemmingsomschrijving: omschrijving van de activiteiten die zijn toegestaan; Bouwregels: eisen waaraan de bebouwing moet voldoen (bouwhoogte, goothoogte etc.); Afwijken van de bouwregels: onder welke voorwaarde(n) mag afgeweken worden van de aangegeven bouwregels. Specifieke gebruiksregels: welk gebruik van gronden en opstallen in ieder geval strijdig zijn of onder welke voorwaarden toegestaan zijn; Afwijken van de gebruiksregels: onder welke voorwaarde(n) mag afgeweken worden van de aangegeven bestemming en/of specifieke gebruiksregels.
Algemene regels
Hoofdstuk 3 bevat de algemene regels. Deze regels gelden voor het gehele plangebied. Dit hoofdstuk is opgebouwd uit: •
• •
•
•
•
7.2.5
Anti-dubbeltelregel (Artikel 7) Deze regel is opgenomen om een ongewenste verdichting van de bebouwing te voorkomen. Deze verdichting kan zich met name voordoen, indien een perceel of een gedeelte daarvan, meer dan één keer betrokken wordt bij de berekening van een maximaal bebouwingspercentage. Algemene bouwregels (Artikel 8) In dit artikel staan regels beschreven omtrent toegestane overschrijdingen van bouwgrenzen. Algemene gebruiksregels (Artikel 9) In dit artikel staat beschreven welk gebruik van gronden en bouwwerken in elk geval strijdig zijn met het bestemmingsplan. Algemene afwijkingsregels (Artikel 10) In dit artikel worden de algemene afwijkingsregels beschreven. Deze regels maken het mogelijk om op ondergeschikte punten van de regels in het bestemmingsplan af te wijken. Algemene wijzigingsregels (Artikel 11) In dit artikel wordt weergegeven op welke wijze en op welke onderdelen het bevoegd gezag het bestemmingsplan kan wijzigen. Overige regels (Artikel 10) In dit artikel zijn bepalingen opgenomen inzake aanvullende parkeerregels.
Overgangs- en slotregels
In hoofdstuk 4 van de regels staan de overgangs- en slotregels. In de overgangsregels is aangegeven wat de juridische consequenties zijn van bestaande situaties die in strijd zijn met dit bestemmingsplan. In de slotregels wordt aangegeven hoe het bestemmingsplan wordt genoemd.
7.3
Verantwoording van de regels
Kenmerk van de Nederlandse ruimtelijke ordeningsregelgeving is dat er uitgegaan wordt van toelatingsplanologie. Een bestemmingsplan geeft aan welke functies waar zijn toegestaan en welke bebouwing mag worden opgericht. Bij het opstellen van dit bestemmingsplan zijn keuzes gemaakt over welke functies waar worden mogelijk gemaakt en is gekeken welke bebouwing stedenbouwkundig toegestaan kan worden. Het is noodzakelijk dat het bestemmingsplan een compleet inzicht biedt in de bouw- en gebruiksmogelijkheden binnen het betreffende plangebied. Het bestemmingsplan is het juridische toetsingskader dat bindend is voor de burger en overheid en geeft aan wat de gewenste planologische situatie voor het plangebied is. In deze paragraaf worden de gemaakte keuzes nader onderbouwd.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
49
Bestemmingsplan “Gorredijk – De Vrieswijck”
“Groen” (Artikel 3) De voor ‘Groen’ aangewezen gronden zijn hoofdzakelijk bestemd voor groenvoorzieningen, bebossing, wegen en paden en speelvoorzieningen. Ter plaatse zijn uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde toegestaan met uitzondering van kleinschalige nutsgebouwen. Deze bestemming is opgenomen ter plaatse van openbaar groen.
“Verkeer – Verblijf” (Artikel 4) De voor ‘Verkeer - Verblijf’ aangewezen gronden zijn hoofdzakelijk bestemd voor woonstraten, voet- en rijwielpaden, bermen en beplanting, parkeervoorzieningen, groenvoorzieningen, waterlopen en waterpartijen, geluidswerende voorzieningen en speelvoorzieningen. Ter plaatse zijn uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde toegestaan met uitzondering van kleinschalige nutsgebouwen. Deze bestemming is opgenomen ter plaatse van de interne wegenstructuur binnen het plan.