CConstaterende datOoststellingwerf
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 4 - Partiële herziening beheersverordening windturbines Ooststellingwerf

Raadsvergadering 25 januari 2022, gemeente OoststellingwerfBij agendapunt: Paraplubestemmingsplan en partiële herziening beheersverordening windturbines Ooststellingwerf19.414 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Buisleidingen Middels artikel 11, lid 2, uit het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) moet bij de realisatie van een beperkt kwetsbaar object bij een buisleiding rekening worden gehouden met een richtwaarde van PR 10-6. Een windturbine is een zgn. risico verhogend object. Volgens artikel 11, lid 3, van het Bevb moet bij vaststelling van een bestemmingsplan waarbij een risico verhogend object wordt toegelaten in de directe omgeving van de buisleiding, bij kwetsbare objecten nog steeds worden voldaan aan een grenswaarde voor het PR van 10-6 per jaar. Bij beperkt kwetsbare objecten wordt hierbij een richtwaarde van 10-6 per jaar aangehouden. Wij adviseren om aan voornoemde wettelijke risicocontouren vast te houden. Vervoer gevaarlijke stoffen over transportroutes Vanuit het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt), bijvoorbeeld m.b.t. tankauto’s met gevaarlijke stoffen, bestaat geen verplichting om het toegevoegd risico ten gevolge van een windturbine te beschouwen. Overige risicovolle objecten Wij adviseren om ook een PR 10-6 contour aan te houden van een windturbine of een combinatie van windturbines tot risicovolle objecten welke niet onder het Bevi vallen (bijvoorbeeld kleinere opslagen met gevaarlijke stoffen). Wanneer een onderdeel van de windturbine een dergelijke installatie of opslag treft staan wij als brandweer ook dan voor een enorme uitdaging.

Richtlijnen/ toetsingscriteria We merken op dat sommige instanties tevens eigen richtlijnen/ toetscriteria hebben opgesteld m.b.t. windturbines. Zo worden bijvoorbeeld (afstands)regels gehanteerd vanuit: ▪ Tennet van hoogspaningskabels- en masten tot windturbines. ▪ Gasunie van hogedruk aardgasleidingen tot windturbines. ▪ Etc. De richtlijnen hebben wij niet beschreven in dit advies.

Brief: UIT/21013430/BRW/BR/RB Pagina 3 van 4

Wij adviseren om bij de realisatie van windturbines rekening te houden met de richtlijnen/ toetsingscriteria van de diverse instanties. Advies risico’s en brandweerzorg Brandweer Fryslân heeft de mogelijkheid een advies risico’s en brandweerzorg te geven in het kader van bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen. In een dergelijk advies komen aspecten aan bod die van belang zijn voor de basisbrandweerzorg. Voor windturbines zijn de gevaren in twee groepen te verdelen, te weten gevaar voor brand in of aan de windturbine (o.a. blikseminslag, falen van elektrische installatie-onderdelen) en gevaar voor de directe omgeving door het vallen van (onderdelen van) de windturbine (o.a. afbreken van de gondel, knikken en omvallen van de mast, wegslingeren van (delen van) het turbineblad, ijsafwerping). Bij een brand (hoog) in een windturbine zien wij in eerste instantie geen mogelijkheden om die te blussen. Dit omdat wij niet naar binnen gaan in een dergelijke (smalle) toren van een windturbine. Het zal dan gaan om een zgn. afbrandscenario, waarbij ook de wieken/ rotorbladen kunnen vallen. Ook bij gevaar voor de directe omgeving zullen wij op veilige afstand opstellen. Eveneens bij aanwezigheid van een opstelplaats voor een hoogwerker zullen we als brandweer zeer terughoudend zijn, helemaal als de windturbine nog in bedrijf is.

Het is dus volledig situatie afhankelijk of wij een inzet met een hoogwerker kunnen plegen. Wij adviseren om voornoemde, al dat niet in gezamenlijkheid met Brandweer Fryslân, te bespreken met de toekomstige initiatiefnemers van windturbines. Omgevingswet/ planregels Met het oog op de ingang van de Omgevingswet per 1 juli 2022 is ons advies, omdat niet alles middels wet- en regelgeving is geregeld voor dergelijke windturbines, om te overwegen om planregels op te nemen in het omgevingsplan. Uiteraard denken wij vanuit Brandweer Fryslân hierin graag mee. Advies In overeenstemming met bovengenoemde opmerkingen adviseert Brandweer Fryslân om: ▪

▪ ▪

▪

▪

Aan de onder ‘Externe veiligheid’ beschreven wettelijke risicocontouren en de door ons geadviseerde risicocontouren vast te houden. Als hieraan wordt vastgehouden dan hebben wij geen aanvullende (wettelijke) adviezen. Bij de realisatie van windturbines rekening te houden met de richtlijnen/ toetsingscriteria van de diverse instanties als omschreven onder ‘Richtlijnen/ toetsingscriteria’. Al dat niet in gezamenlijkheid met Brandweer Fryslân, met toekomstige initiatiefnemers van windturbines te bespreken dat afhankelijk van de situatie, de brandweer bij een incident met een windturbine zeer terughoudend zal optreden. Te overwegen om, met het oog op de Omgevingswet per 1 juli 2022, planregels m.b.t. windturbines op te nemen in het omgevingsplan. Dit omdat voor dergelijke windturbines niet alles middels wet- en regelgeving is geregeld. Brandweer Fryslân te betrekken bij de verdere uitwerking van onze adviezen en de realisatie van toekomstige windturbines.

Brief: UIT/21013430/BRW/BR/RB Pagina 4 van 4

Mocht u naar aanleiding van bovenstaande nog vragen hebben, dan kunt u contact opnemen met M. Koonstra, specialist risicobeheersing van Brandweer Fryslân, te bereiken via 088 - 229 89 44. Hoogachtend, namens het dagelijks bestuur van Veiligheidsregio Fryslân, voor deze,

S. Veerbeek Clusterhoofd risicobeheersing afdeling Noordwest Fryslân Deze brief is in een automatisch proces opgemaakt en geaccordeerd en daarom niet ondertekend.

Regels

42/190

Hoofdstuk 1 Artikel 1

Inleidende regels

Begrippen

1.1 het plan: de Partiële herziening beheersverordening windturbines Ooststellingwerf met identificatienummer NL.IMRO.0085.BVWind-VG01 van de gemeente Ooststellingwerf; 1.2 de beheersverordening: de geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en de daarbij behorende bijlagen; 1.3 dakturbine een kleine windturbine zonder mast, geplaatst op het dak van een gebouw; 1.4 natuurtoets: Een natuurtoets is een uitgebreide en zorgvuldige ecologische effecten-beoordeling van de impact van windmolen(s) op beschermde soorten en gebieden in het kader van de Wet Natuurbescherming. In het bijzonder het effect op belangrijke foerageerplaatsen, voortplantingslocaties (waaronder weidevogel(herstel)gebieden), rustplaatsen en trekroutes van deze dieren. Een natuurtoets start in de meeste gevallen met een Quick Scan. Dit is een korte toets waaruit blijkt of er risico's bestaan op overtredingen van de Wet natuurbescherming. Indien deze risico's niet kunnen worden uitgesloten, kunnen de plannen worden aangepast, zodat het risico wordt weggenomen of er kan nader onderzoek worden uitgevoerd naar het daadwerkelijke voorkomen en de verwachtte risico's. Ook daaruit kunnen aanpassingen van het plan ontstaan, of ontheffing worden aangevraagd bij het bevoegd gezag, de provincie Fryslân.

Houd er rekening mee dat als ontheffing wordt aangevraagd een onderdeel hiervan altijd compensatie en mitigatie is. Dat betekent dat er aanpassingen aan het plan moeten worden gemaakt, zodat de Gunstige staat van Instandhouding van de betreffende soort(en) niet in het geding komt. Daarnaast wordt de Externe werking van windmolens op de Instandhoudingsdoelen van de Natura 2000-gebieden beoordeeld. Tevens wordt het cumulatieve effect van voortschrijdende windmolenplaatsing op essentiële landschapsecologische relaties ter behoud van dierpopulaties (Gunstige staat van Instandhouding) op regionaal niveau beoordeeld. 1.5 risicovolle inrichting: een inrichting, die ingevolge het Besluit externe veiligheid inrichtingen, zoals deze luidt op het moment van terinzagelegging van het ontwerp van dit plan, een grenswaarde, een richtwaarde voor het risico c.q. een risicoafstand moet worden aangehouden bij het in het bestemmingsplan toelaten van kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten; 1.6 windturbine: een installatie c.q. bouwwerk voor het opwekken van elektrisch of thermisch vermogen uit wind;

43/190

Artikel 2

Wijze van meten

2.1 ashoogte van een windturbine: hoogte gemeten vanaf het peil tot aan de (wieken)as van de windturbine;

2.2 tiphoogte van een windturbine a. turbines met een horizontale as: 1. de ashoogte van een windturbine plus de straal van de rotorcirkel; b. turbines met een verticale as: 1. de ashoogte van een windturbine plus het deel van de rotorbladen dat daarbovenuit steekt.

44/190

rotordiameter van een windturbine 2.3 deze wordt bepaald door het maximale bereik van de rotordiameter, gemeten loodrecht op de as.

45/190

Artikel 3

Van toepassing verklaring

Deze beheersverordening is van toepassing op de beheersverordeningen en de daarin aangehaalde artikelen, zoals opgenomen in bijlage 1.

46/190

Hoofdstuk 2 Artikel 4

Regels windturbines

Algemene bouwregels

4.1 Afwijken van de bouwregels Met een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in de bouwregels van de in bijlage 1 genoemde beheersverordeningen in die zin dat ten hoogste 2 windturbines op of direct grenzend aan het bouwperceel van een bestaand agrarisch bedrijf worden gebouwd, mits: a. de ashoogte ten hoogste 15 m bedraagt; b. bij toepassing van dakturbines, de hoogte maximaal 1 m hoger bedraagt dan de bestaande nokhoogte; c. het op te stellen vermogen is gericht op de energiebehoefte van het agrarisch bedrijf; d. de turbines zorgvuldig worden ingepast binnen de landschappelijke- en cultuurhistorische kernkwaliteiten, zoals beschreven in het 'Landschappelijk kader windturbines Ooststellingwerf' (Bijlage 2 van de regels, waarbij de mogelijkheden om te voorzien in de energiebehoefte van het agrarische bedrijf door middel van zonnepanelen op de gebouwen zijn verkend; e. de afstand van de te bouwen windturbines tot: 1. een locatie voor radioastronomie tenminste 2,00 km bedraagt, waarbij de twee kilometer zone is weergegeven ter plaatse van besluitvlak 'overige zone - zone radioastronomie'; 2. gasinfrastructuur ten minste 25,00 m bedraagt (hart leiding), tenzij de leidingbeheerder instemt met een kortere afstand; 3.

hoogspanningsinstrastructuur ten minste de maximale werpafstand bij twee keer het nominaal toerental van de windturbine, tenzij de netbeheerder instemt met een kortere afstand; 4. een woning van derden of andere gevoelige objecten tenminste 75,00 m bedraagt; f. uit een natuurtoets blijkt dat er geen negatieve ecologische gevolgen zijn voor de aanwezige beschermde soorten; g. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de milieusituatie, de natuurlijke waarden en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden; h. de aanvraag ter advisering aan de provincie Fryslân wordt voorgelegd; i. indien op grond van de in de regels van de in bijlage 1 genoemde beheersverordeningen het gebruik voor windenergie niet is toegestaan, tevens wordt afgeweken van het gebruik, zoals opgenomen in artikel 5 lid 5.1.

47/190

Artikel 5

Algemene gebruiksregels

5.1 Afwijken van de gebruiksregels Voor zover krachtens de beheersverordeningen, zoals genoemd in bijlage 1 het gebruik van gronden voor windenergie niet is toegestaan, kan met een omgevingsvergunning worden afgeweken voor het gebruik van de gronden ten behoeve van de opwekking van windenergie.

48/190

Hoofdstuk 3 Artikel 6

Algemene regels

Anti-dubbeltelregeling

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

49/190

Hoofdstuk 4 Artikel 7

Overgangs- en slotregels

Overgangsrecht bouwen

a. Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van beheersverodening aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot, 1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd; 2. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan. b. Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van sublid a. een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in het sublid a. met maximaal 10 %. c. Sublid a. is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.

50/190

Artikel 8

Overgangsrecht gebruik

a. Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van de beheersverordening en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet. b. Het is verboden het met de beheersverordening strijdige gebruik, bedoeld in sub a, te veranderen of te laten veranderen in een ander met de beheersverordening strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind. c. Indien het gebruik, bedoeld in sub a, na het tijdstip van inwerkingtreding van de beheersverordening voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten. d. Het bepaalde in sub a is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende beheersverordening, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.

51/190

Artikel 9

Slotregel

De regels worden aangehaald als: Regels van de Partiële herziening beheersverordening windturbines Ooststellingwerf.

52/190

Bijlagen regels

53/190

54/190

Bijlage 1

55/190

Lijst van toepassing zijnde beheersverordeningen

Naam

IDN nummer

Status

Vaststellingsdatum Functie

Appelscha 2014

NL.IMRO.0085.Appelscha2014-VG01

vastgesteld

20-05-2014

Bestaande agrarische bedrijven

Haulerwijk 2014

NL.IMRO.0085.Haulerwijk2014-VG01

vastgesteld

20-05-2014

Bestaande agrarische bedrijven

Oosterwolde 2014

NL.IMRO.0085.Oosterwolde2014-VG01

vastgesteld

20-05-2014

Bestaande agrarische bedrijven

Overige dorpen 2014

NL.IMRO.0085.Overigedorpen2014-VG01

vastgesteld

20-05-2014

Bestaande agrarische bedrijven

Bijlage 2

57/190

Landschappelijk kader windturbines Ooststellingwerf

1 december 2021

1/46

1 december 2021 20201890 Parapluregeling windturbines Ooststellingwerf mr. J. Poelstra gemeente Ooststellingwerf 20201890.001 Marieke Rekswinkel Definitief

2/46

1. Inleiding ...................................................................................................................... 1.1 Aanleiding en doelstelling 1.2 Leeswijzer

4

2. Beleidskader ............................................................................................................. 2.1 Beleid provincie Friesland 2.2 Beleid regio Zuidoost Friesland 2.3 Beleid gemeente Ooststellingwerf 2.3.1 Structuurvisie 2.3.2 Bestemmingsplan Buitengebied 2016 2.3.3 Procesboek ontwikkeling agrarische erven

5

3. Het landschap…………………………..……………………………………………………………………………. 3.1 Algemeen 3.2 Woudontginningen 3.3 Beekdalen 3.4 Essenlandschap 3.5 Hoogveen ontginningen 3.6 Heide ontginningen

10

5. Toetsingskader windturbines (objectgerichte kwaliteitscriteria).............................. 19 5.1 JA, MITS niet te dichtbij woningen, een locatie voor natuur of radioastronomie 5.2 JA, MITS goed inpasbaar op het erf en in het landschap 5.3 Algemene uitgangspunten 5.3.1 Vrijstaande windturbines 5.3.2 Dakturbines 5.4 Uitgangspunten per landschapstype voor meerdere vrijstaande windturbines 5.4.1 Woudontginningen 5.4.2 Beekdalen 5.4.3 Essenlandschap 5.4.4 Hoogveenontginningen 5.4.5 Heideontginningen

4. Windturbines ………..…………………………………………………………………………………………… 4.1 Verschillende soorten windturbines 4.1.1 Grondgebonden turbines 4.1.2 Turbines op dak 4.1.3 Nieuwe types windturbines

14

Bijlagen 1 Landschapstypen in Grutsk op ‘e Romte 2 Landschapstypen en landschapstypenkaart Ooststellingwerf 3 Kaarten Toelichting Bestemmingsplan Buitengebied Ooststellingwerf 4 Windkaart 5 Procesboek ontwikkeling agrarische erven Ooststellingwerf

3/46

goede inpassing in het landschap een eis. En daarvoor biedt dit landschappelijk kader inspiratie en houvast. Het laat onder andere voorbeelden zien van mogelijke opstellingen van twee of drie windturbines bij een boerderij. Door een recente wijziging van de Verordening Romte Fryslân bestaan er mogelijkheden om onder voorwaarden windturbines bij agrarische bouwpercelen te realiseren. Het gaat om maximaal 3 windturbines op of direct grenzend aan het bouwperceel van een bestaand agrarisch bedrijf. De windturbines mogen een maximale ashoogte van 15 meter hebben. Het op te stellen vermogen is gericht op de energiebehoefte van het agrarisch bedrijf. De turbines moeten zorgvuldig worden ingepast binnen de landschappelijke- en cultuurhistorische kernkwaliteiten, waarbij de mogelijkheden om te voorzien in de energiebehoefte van het agrarische bedrijf door middel van zonnepanelen op de gebouwen zijn verkend. Hoewel de provincie ruimte biedt tot drie windturbines op een agrarisch erf, heeft de Raad van State geconcludeerd dat er een plan-MER ten grondslag had moeten liggen aan de windturbinenormen uit het Activiteitenbesluit en –regeling. Nu de minister dit heeft nagelaten, is er per windpark een milieubeoordeling nodig. Er is sprake van een windpark vanaf drie windturbines.

Door maximaal twee windturbines per agrarisch bedrijf mogelijk te maken, is er geen sprake van een windpark en is er voor het paraplubestemmingsplan en de partiële herziening geen MER-beoordeling nodig. De gemeente Ooststellingwerf wil wel ruimte bieden voor projecten met drie windturbines, maar wil tegelijk de realisatie van projecten met één of twee turbines niet onnodig vertragen. De gemeente wil voor projecten tot één of twee windturbines relatief eenvoudig een omgevingsvergunning kunnen verlenen. Om dit te kunnen, is een nieuw paraplubestemmingsplan nodig en een partiële herziening van de beheersverordening. In deze twee plannen wordt een afwijkingsregel opgenomen, die het mogelijk maakt om de windturbines met een reguliere procedure te vergunnen. Voor plannen met drie turbines is een uitgebreide procedure nodig. Voor zowel de reguliere procedure (voor één of twee turbines) als de uitgebreide procedure (drie turbines) gelden diverse voorwaarden voor medewerking. In beide trajecten is een

4/46

Hoofdstuk 2 geeft een overzicht van het landschapsbeleid op provinciaal, regionaal en gemeentelijk niveau. Op provinciaal niveau is dat Grutsk op ‘e Romte. Op regionaal niveau is de Landschapsvisie Zuidoost Friesland 2018 een belangrijke bouwsteen. En op gemeentelijk niveau zijn de Structuurvisie, het Bestemmingsplan buitengebied 2016 en het Procesboek agrarische erven relevant. In hoofdstuk 3 wordt in het kort het landschap en de verschillende landschapstypes in de gemeente Ooststellingwerf geanalyseerd. Bijlage 2 gaat hier verder op in.

Hoofdstuk 4 geeft een beeld van verschillende soorten windturbines. Modellen voor op het dak of voor vrijstaande windturbines. Dit hoofdstuk bevat vooral beeldmateriaal dat laat zien welke turbines er in de huidige markt verkrijgbaar zijn en geeft een paar voorbeelden van waar ze geplaatst zijn. De beelden zijn niet bedoeld als goede voorbeelden, al zitten die er wel tussen. Het vijfde hoofdstuk bevat de uitgangspunten voor het plaatsen van een windturbine. Als een plan voldoet aan de uitgangspunten, past het meestal goed in het landschap. De inhoud van dit hoofdstuk wordt toegevoegd aan het welstandsbeleid, zodat een welstandsadvies wordt gebaseerd op deze uitgangspunten. De criteria laten zien hoe het ongeveer zou kunnen, maar bepalen plaatsing of details niet exact. Ze zijn zo opgesteld, dat er ruimte blijft voor maatwerk. Het ene erf is het andere immers niet.

In maart 2014 is de Structuurvisie Grutsk op 'e Romte vastgesteld. In Grutsk op 'e Romte worden landschappelijke en cultuurhistorische structuren van provinciaal belang in samenhang geanalyseerd, gewaardeerd en van een richtinggevend advies voorzien. Het doel hiervan is behoud en verdere ontwikkeling van de ruimtelijke kwaliteit door middel van informeren, adviseren en inspireren. Op deze wijze verwacht de provincie de doorwerking van de provinciale belangen in ruimtelijke plannen van gemeenten te borgen. In Grutsk op 'e Romte is een zogenaamde “Top 10” weergegeven. Dit zijn 10 landschappelijke en cultuurhistorische structuren van provinciaal belang. Dit zijn structuren die de grenzen van deelgebieden overschrijden en bepalend zijn voor de identiteit van de gehele provincie. Het gaat hierbij om: Verscheidenheid aan landschapstypen, overgangszones van het een naar het andere landschapstype en contrasten daartussen. Grootschalige openheid en weidsheid of leegte van de open landschapstypen. Het totaal aan watersystemen. Van zeer grootschalige tot de zeer fijnmazige watersystemen en van voormalig naar huidige of heropende waterverbindingen. Het Waddensysteem. Stelsel van dijken als onderdeel van en voorwaarde voor het watersysteem en agrarische ontwikkeling van Fryslân. Reliëf. Verkaveling. Onzichtbare waarden in de ondergrond. Nederzettingen, dorpen en steden in hun omgeving.

Structuur van de nederzettingen, dorpen en steden. De provincie is ingedeeld in 11 deelgebieden. De gemeente Ooststellingwerf ligt in het deelgebied de Zuidelijke Wouden.

5/46

Landschapstypenkaart

Deelgebied de Zuidelijke Wouden

het een landschappelijk waardevol gebied dat duurzaam in stand moet worden gehouden. Landschapsversterking zal vooral plaatsvinden waar de landschappelijke structuur zwak is, of waar toekomstige recreatieve ontwikkelingen en stedelijke uitbreidingen aanleiding zijn tot versterking van het landschap.

Opgaven per landschapstype

Ooststellingwerf wordt gekenmerkt door een grote mate aan verscheidenheid van overwegend redelijk goed herkenbare landschapstypen. In samenhang met diverse grootschalige natuurgebieden als het Drents Friese Wold en het Fochteloerveen en de beekdalen, vormt

6/46

In de Landschapsvisie Zuidoost Friesland wordt aandacht besteed aan de thema’s ‘Gebouwgebonden (kleine) windmolens op erven’, aan ‘Gebouwgebonden (kleine) windmolens, nabij dorpen of lintbebouwing’ (zie rode pijlen in figuur hierboven) en aan vrijstaande (grote) windmolens. Er wordt niet ingegaan op vrijstaande (kleine) windmolens. Voor de ‘Gebouwgebonden (kleine) windmolens op erven’ wordt geadviseerd terughoudend om te gaan in hoogveenontginningen en het landgoederenlandschap (laatste niet aanwezig in Ooststellingwerf) en voor de overige landschappen maatwerk te leveren. Met betrekking tot het landgoederenlandschap wordt dit gemotiveerd (maat en schaal niet passend in kleinschalig landschap en de hoogte van de windmolens dient beperkt te blijven om niet beeldbepalend te worden). De motivering waarom voor het hoogveenlandschap af wordt geweken ontbreekt. Nabij dorpen of lintbebouwing wordt voor alle landschapstypen geadviseerd terughoudend om te gaan met gebouwgebonden kleine windmolens.

De gemeente Ooststellingwerf heeft in 2009 de structuurvisie 2010 – 2020 -2030 vastgesteld. In hoofdstuk 8 ‘Landschap als onderlegger’ wordt uitgebreid aandacht besteed aan de verschillende landschapstypes in Ooststellingwerf, en de ontstaansgeschiedenis ervan. Dit hoofdstuk beschrijft de landschappen van de gemeente Ooststellingwerf en legt hiermee ook de onderlegger voor de structuurvisie uit. Deze onderlegger is een kaart die de structuur van de landschappen en de ruimtelijke effecten van bestaand beleid laat zien. Er wordt beknopt beschreven wat de onderlegger laat zien, de structuur en de kwaliteiten van en de ruimtelijke effecten van bestaand beleid in het landschap. De onderlegger vormt de basis voor de structuurvisie zoals de landschappen de basis zijn van Ooststellingwerf. De kernkwaliteiten natuur, cultuurhistorie, gebruikswaarde en belevingswaarde vormen de basis van deze structuurvisie. Daarbij gaat het ook om elementen zoals waardevolle molens en terreinen met een archeologische betekenis. De landschappen van Ooststellingwerf hebben hun kwaliteiten en karakteristieken door de eeuwen heen weten te behouden. Hierdoor is de geschiedenis van Ooststellingwerf nog duidelijk leesbaar in het landschap. Ieder landschap en dorp heeft nog een duidelijke eigen identiteit. De landschappen bieden volop kansen voor recreatieve mogelijkheden.

De landschappen zijn het ‘groene goud’ van de gemeente Ooststellingwerf. Het is dan ook belangrijk om de kwaliteiten van de landschappen te behouden en te versterken en zodat landschappen aantrekkelijk blijven voor zowel toekomstige bewoners als voor recreanten. In de analyse (hoofdstuk 3) wordt gebruik gemaakt van deze structuurvisie.

7/46

In de toelichting op het bestemmingsplan is in hoofdstuk 2.2 (gebiedsbeschrijving/ landschap en cultuurhistorie) wordt aangegeven dat de ontwikkeling van het huidige landschap haar basis vindt in de bodem en waterhuishouding, de natuurlijke vegetatie en de invloed die de mens in de loop van de tijd hierop heeft gehad. De huidige verschijningsvorm van het landschap is dan ook een samenspel tussen de natuurlijke ondergrond en wat de mens daar mee hebben gedaan. Door verschillen in reliëf, waterhuishouding en vruchtbaarheidstoestand van de bodem is het gebied op verschillende manieren in gebruik genomen. Hierdoor zijn verschillende landschapstypen te onderscheiden met eigen cultuurhistorische, visuele en functionele kenmerken. Hieruit blijkt ook het raakvlak, zeker in buitengebieden, tussen landschap en cultuurhistorie. Cultuurhistorie gaat namelijk over alle sporen die de mens heeft nagelaten en die kenmerkend zijn voor de tijdsperiode waarin ze zijn gedaan en karakteristiek zijn geworden voor onze hedendaagse omgeving. Deze cultuurhistorische sporen zijn nu vaak belangrijke dragers van de landschappelijke eigenheid en karakteristiek. In de figuur hiernaast met de landschapstypologieën worden dezelfde typologiën gebruikt als in de structuurvisie. In bijlage 4 zijn extra kaarten opgenomen uit het bestemmingsplan.

Landschapstypologieën uit ‘bestemmingsplan buitengebied 2016’

8/46

Gemeente Ooststellingwerf hecht aan haar fraaie landschap. Het is een van de visitekaartjes van de gemeente. Daarom vindt de gemeente het van groot belang dat nieuwe ontwikkelingen in het landelijke gebied goed passen in het landschap en in hun omgeving: een mooi erf in een mooi landschap. Hierbij wordt de ‘ja,mits’- benadering gehanteerd: nieuwe ontwikkelingen mogen in het landelijk gebied, mits ze een bijdrage leveren aan het verbeteren van de kwaliteit van het landschap. Dit procesboek laat zien op welke wijze de gemeente wil ontwikkelen met kwaliteit in het landelijk gebied. Daarbij wordt aangegeven dat ontwikkelen met kwaliteit altijd maatwerk is en afhankelijk van plannen en plek. Maar in dit boek worden de handvatten gegeven om het goede maatwerk te kunnen leveren en te komen tot een plan dat ontwikkelruimte biedt en een kwalitatieve meerwaarde levert voor de locatie en de directe omgeving. Het bestemmingsplan buitengebied geeft de kaders waarbinnen ontwikkelingen in het buitengebied mogen plaatsvinden. Tussen het bestemmingsplan en dit procesboek zit een nauwe relatie. In het bestemmingsplan is namelijk vastgelegd dat ontwikkelingen pas worden toegestaan als daarbij de stappen uit het procesboek zijn gevolgd en het daaruit voortkomende plan door het college van Burgemeester en Wethouders is goedgekeurd. Het procesboek is als bijlage bij de regels vastgesteld.

Ook dit procesboek heeft, net als de landschapsvisie Zuidoost Friesland, de Structuurvisie en de toelichting van het Bestemmingsplan als basis gediend voor het opstellen van deze notie ’Landschappelijk kader windturbines’. In het Procesboek zelf worden ‘windturbines’ niet benoemd. Het procesboek is in de bijlage opgenomen.

9/46

De landschappen van Ooststellingwerf hebben hun kwaliteiten en karakteristieken door de eeuwen heen weten te behouden. Hierdoor is de geschiedenis van Ooststellingwerf nog duidelijk leesbaar in het landschap. Het is belangrijk om de kwaliteiten van de landschappen te behouden en te versterken. Aan de hand van vijf landschapstypen wordt het landschap van Ooststellingwerf doorlopen (zie figuur op bladzijde 8 en ook bijlage 2). Per landschapstype worden de belangrijkste landschapskarakteristieken en kernkwaliteiten beschreven. De landschapstypen zijn: 1. Woudontginningen. 2. Beekdalen. 3. Essenlandschap. 4. Hoogveen ontginningen. 5. Heide ontginningen. Een uitgebreide beschrijving van de landschapstypen is opgenomen in de bijlagen.

Schets uit Structuurvisie

10/46

 Besloten, kleinschalig karakter, op hoge zandruggen, lange, smalle kavels met houtsingels op de perceelsgrenzen.

Laanbeplanting langs de wegen, houtsingels op perceelsgrenzen en bosstroken geven het gebied een kleinschalig en vrij besloten karakter. Duidelijk contrast tussen meer beplante dekzandruggen en weidse beekdalen.

Aaneengesloten, grootschalig met kleinschalige gradiënten, weids karakter, lagere ligging.

Uitsnede onderlegger met woudontginningslandschap bij Donkerbroek en Haule Kernkwaliteiten:

    

11/46

Parallelle wegenstructuur met aanliggende bebouwing, wat resulteert in lange, rechte bebouwingslinten. Opstrekkende verkavelingsrichting met lange, smalle kavels vanaf de ontginningsas richting het beekdal. Historische boerderijen in de linten, aan of op enige afstand van de weg. Vaak parallelle wegenstructuur met een binnenweg op het hoogste deel van de zandrug en een buitenweg aan de zijde van het beekdal. Regelmatige opzet van erven.

Kernkwaliteiten:  Open, weids karakter.  Een grootschalige openheid, die sterk contrasteert met de meer besloten woudontginningen op de zandruggen.  Slotenpatroon haaks op de loop van de beek.  Rationele en planmatig aangelegde ruilverkavelingswegen.  Bebouwing komt beperkt voor, alleen aan later aangelegde ruilverkavelingswegen.

  

Regelmatige opzet van erven. Incidentele beplanting, meestal gekoppeld aan erven. Aanwezigheid van dijken.

Kernkwaliteiten:

   

Beslotenheid, kleinschaligheid en een onregelmatige verkavelingsstructuur.

 

Aanwezigheid van microreliëf: bollende bouwlanden (essen) en steilranden. Kleinschalig landschap met een afwisseling van houtsingels, bospercelen, esrandbeplantingen, boomgroepen, losse bomen en laanbeplanting langs de wegen; Onregelmatige verkaveling. Organisch wegenverloop vanuit de dorpen naar de omgeving, waarbij de wegen vaak nog een klinkerbestrating hebben en een bomenrij aan weerszijden. Historische boerderijen in een ruime opzet en vrije ordening ten opzichte van de weg en van elkaar. Onregelmatige opzet van erven. Zware erfbeplanting.

Kleinschalig/half-open tot weids/nat gebied/ veel vaarten Verkavelingsstructuur: regelmatig, opstrekkend. Kernkwaliteiten:  De herkenbare veenkoloniale ontginningsstructuur van wijken, verkaveling en laanbeplantingen.  Stelsel van open hoofdvaarten met haaks daarop wijken in regelmatige onderlinge afstand.  Bebouwingslinten die zijn uitgegroeid tot langgerekte dorpen langs de hoofdvaart;  Leidijken als oude waterkering (bij Fochteloo en Waskemeer).  De omgeving van Ravenswoud (met de Compagnonsbossen) als beschermd (dorps)gezicht met kenmerkende rationele, blokvormige en rechtlijnige verkaveling die zich uit in de opzet van de wijkenstructuur en de ligging van de boerderijen op de kop van de kavels.  Bebouwingslinten die zijn uitgegroeid tot langgerekte dorpen langs de hoofdvaart. Uitsnede onderlegger met essenlandschap rond Oosterwolde

12/46

Uitsnede onderlegger met hoogveenontginningslandschap bij Haulerwijk en het Fochteloërveen   

De structuur van het gebied wordt bepaald door een opstrekkende verkaveling haaks op de hoofdvaart. Erven meest een tot tweezijdig beplant en regelmatig van opzet. Erven als verdichtingen aan de weg. Open gebieden die door beplante wegen en bebouwingslinten worden begrensd.

Half-open tot besloten, hoog en droog, blokverkaveling. Kernkwaliteiten:  Planmatige, rationele verkaveling in lange lijnen.

13/46

Uitsnede onderlegger met heide- en broekontginningslandschap bij Appelscha en Langedijke  

     

Nieuwe erven aan de nieuwe wegen door het gebied. De structuur van het gebied wordt bepaald door een rechthoekige verkaveling met afwisseling van landbouwgrond, grote bospercelen en heiderestanten en daarmee een afwisseling van open en besloten gebieden. Inmiddels verdwenen spoorlijnen, grotendeels samenvallend met huidige wegenpatroon. Aanwezigheid van pingoruïnes en dobben. Bebouwing ligt verspreid aan de meestal sterk beplante wegen. Regelmatige opzet van erven. Erven als verdichtingen aan de weg. Afwisseling van open en besloten gebieden.

De foto's in dit hoofdstuk tonen enkele typen van kleine windturbines die op de markt beschikbaar zijn. Niet al deze voorbeelden zijn per se bedoeld als positief voorbeeld. Lees vooraf aan het selecteren van een type turbine daarom vooral de in hoofdstuk 5 genoemde uitgangspunten voor plaatsing, vorm en opmaak van de turbines.

Er zijn windturbines met een horizontale as (HAT, horizontale as turbine) en met een verticale as (VAT, verticale as turbine)). Voor beide types geldt uiteraard dat ze het beste in windrijke gebieden geplaatst kunnen worden. Grondgebonden windturbines zijn meestal HAT turbines. De zogenaamde HAT turbines hebben wieken, en worden ook wel ’wiekturbines’ of ‘turbines van het propellertype’ genoemd.

14/46

De onderstaande foto’s geven een indruk van hoe (HAT) windturbines in de praktijk geplaatst zijn op of nabij een agrarisch bedrijfserf (locaties respectievelijk in Woerden 2x, Cornwerd Fr, Bronckhorst, Putten, Groningen.

15/46

Er zijn ook grondgebonden windturbines met een verticale as (VAT turbines). Twee veel voorkomende typen zijn het ‘Savonius’ en het ‘Darrieus’ type. Onderstaande twee turbine zijn voorbeelden van deze twee typen.

Op daken komen juist vooral Verticale as turbines (VAT turbines) voor. VAT turbines zijn erg geschikt voor een bebouwde omgeving, waar vaak windvlagen voorkomen en de windrichting veel varieert. Dit neemt niet weg dat ook deze turbines in het buitengebied geplaatst kunnen worden. Verticale as turbines worden ook wel ‘windwokkels’ genoemd. Deze turbine wekt energie op doordat de wind de wieken wegduwt. De rotor beweegt nooit sneller dan de wind. Er zijn ook voorbeelden van turbines met een horizontale as (HAT) op daken. Windturbines op een dak maken meestal teveel inbreuk op de ruimtelijke kwaliteit. Ze tasten de contour van de gebouwen al te zeer aan en ogen als wezensvreemde elementen. Daarom zijn ze in principe niet toegestaan. De enige toe te passen turbines zijn degenen die aansluiten bij de (kap)contour van het bouwvolume en architectonisch een eenheid vormen met het dak.

Windturbine van het zgn ‘Darrieus-type’

Windturbine van het zgn ‘Savonius-type’’

Windturbine in de vorm van een boom; uitvinding van Jérôme Michaud-Larivière

16/46

Voorbeeld van een goede integratie in de architectuur

Hieronder volgen een aantal minder geslaagde voorbeelden van turbines op daken. Deze type turbines zullen in Ooststellingwerf in principe niet worden toegestaan.

17/46

Door nieuwe technologieën en de hernieuwde interesse in (kleinere) windturbines, is het aannemelijk dat er de komende tijd nieuwe typen windturbines worden ontwikkeld. Aangezien nu nog niet bekend is hoe deze er uit komen te zien, kan daar nu ook niet verder op ingegaan worden. Wel is het belangrijk deze niet bij voorbaat uit te sluiten.

18/46

In dit hoofdstuk staan uitgangspunten voor windturbines op een agrarisch erf. Het zijn objectgerichte kwaliteitscriteria, die een onderdeel vormen van het ruimtelijk kwaliteitsbeleid van de gemeente. Onder de werking van de Omgevingswet zal een commissie het gemeentebestuur adviseren over op dit toetsingskader. Dit maakt de beoordeling transparant en in zekere zin voorspelbaar. Er zijn weinig exacte regels. Vooral een paar duidelijke uitgangspunten. Dit geeft ruimte voor maatwerk. De uitgangspunten moeten helpen om de windturbines verantwoord in het landschap te plaatsen, met behoud van een werkbaar agrarisch erf en met aandacht voor de omgeving. Zoals een woning of natuurgebied in de buurt. In paragrafen 5.1 en 5.2 lichten we kort de belangrijkste ‘ja, mits’ gedachten toe die ten grondslag lagen aan de uitgangspunten die we in 5.3 en 5.4 hebben opgenomen. De algemene uitgangspunten die altijd gelden staan in paragraaf 5.3. Deze punten zijn voor een groot deel gelijk aan de criteria die Hûs en Hiem aan de Friese gemeenten heeft voorgesteld in de notitie ‘Kleine windturbines in Fryslân’. We hebben daarbij een paar punten toegevoegd die we zelf belangrijk vinden voor een goede ruimtelijke (beeld)kwaliteit. Paragraaf 5.4 laat zien welke opstellingen van meerdere vrijstaande windturbines in de landschappen van Ooststellingwerf denkbaar zijn.

Ook hiervoor geldt dat elke situatie om maatwerk vraagt. Het kan ook voorkomen dat een geschetste opstelling in praktijk niet realiseerbaar is.

Om onze duurzaamheidsdoelen te kunnen halen, willen we zoveel mogelijk ruimte bieden voor kleine windturbines. Als een turbine (in aanvulling op zonnepanelen) nodig is om de

19/46

energiebehoefte van een agrarisch bedrijf op te vangen, dan willen we daar graag aan meewerken. De windturbines helpen ons om Ooststellingwerf voor te bereiden op een duurzame toekomst. Een belangrijk uitgangspunt is om windturbines in elk landschapstype toe te staan. De meeste erven zijn geschikt voor plaatsing van één of meerdere windturbines. We gaan uit van een ‘ja, mits’ benadering. De mits betekent dat er ook erven kunnen zijn die niet geschikt zijn. Dat is soms direct duidelijk, soms is er eerst een onderzoek (natuurtoets) voor nodig. woningen Wat al duidelijk is, is dat we geen windturbines willen toestaan op minder dan 75 meter van een woning van iemand anders. Kleine windturbines zijn vrij nieuwe elementen in ons landschap en woonomgeving. Veel mensen zien een windturbine waarschijnlijk niet graag direct naast hun woning of tuin verschijnen. Door deze afstandsregel houden we hier rekening mee. Op veel agrarische erven zal ook met deze regel nog veel mogelijk zijn, bijvoorbeeld door een turbine echt achterop het erf te plaatsen, op afstand van woningen in de omgeving (die meestal aan de weg staan). radioastronomie Ook duidelijk is dat er geen windturbines worden toegestaan binnen 2 kilometer van de locatie voor radioastronomie. natuur Wat op voorhand niet direct duidelijk is, is of er ecologische belangen worden geschaad door een windturbine.

Ze kunnen vooral voor (beschermde) vogels of vleermuizen schadelijk zijn. Met een natuurtoets moet worden onderzocht welk effect de windturbine heeft. Worden beschermde soorten verstoord, verwond of zelfs gedood? Dan kan het reden zijn om de windturbine niet toe te staan. Een natuurtoets is voor elke windturbine verplicht. De regels voor de genoemde ‘mitsen’ staan in het paraplubestemmingsplan en de partiële herziening van de beheersverordening waar dit landschappelijk kader een bijlage bij is. Ze worden bij de uitgangspunten voor plaatsing (in 5.3) voor de duidelijkheid ook benoemd.

Is het erf op voldoende afstand van woningen, radioastronomie of natuur? Dan is de volgende stap om een windturbine zo goed mogelijk op zijn plek te zetten. Op een dak, of vrijstaand. In het algemeen werkt het voor het beeld vanaf de straat het best als een windturbine vrijstaand achterop het erf wordt geplaatst. Niet te ver van gebouwen of hoge beplanting. Het moet zichtbaar blijven dat de windturbine bij de boerderij hoort. Het risico is anders dat er veel ‘losse’ windturbines in het landschap komen te staan, waarmee een rommelig totaalbeeld dreigt te ontstaan. Bovendien willen we zichtbaar houden dat de windturbine bij de boerderij hoort. Het is dan heel duidelijk te zien waar die boerderij (een deel van) zijn energie vandaan haalt. En dat is ook een mooi verhaal voor onze kinderen. Als er één vrijstaande windturbine wordt gevraagd, dan zal meestal een goede plek te vinden zijn op het zij- of achtererf. Als er meerdere vrijstaande turbines worden gevraagd, dan is het belangrijk de opstelling te plaatsen op een manier die past bij de landschappelijke structuren rondom het erf. Als daar geen aandacht voor zou zijn, kan een erg rommelig of onlogisch beeld ontstaan. Daarom zijn er voor opstellingen met meerdere vrijstaande windturbines wat meer regels.

-

-

-

Hier worden de algemene uitgangspunten benoemd die in alle landschapstypen gelden voor de plaatsing van één, twee of drie vrijstaande turbines of voor dakturbines.

-

Maximaal 3 windturbines (mits dat goed past bij het totaalbeeld van het erf). Bij 3 stuks zijn de onderlinge afstanden gelijk aan elkaar. Op of direct grenzend aan een agrarisch bouwperceel (dat is de grond die op basis van een bestemmingsplan/beheersverordening/omgevingsplan voor agrarische erfbebouwing in aanmerking komt). Op een plek met voldoende windvang en in principe binnen de (visuele) begrenzing van het erf. Niet ten koste van bomen. Op een ondergeschikte locatie (zo mogelijk achter opgaande beplanting of bebouwing). In principe niet op het voorerf. Plaatsing op een voorerf kan overwogen worden voor erven die op meer dan 200 meter van de doorgaande weg liggen of die door tussenliggend bos of andere bebouwing niet goed zichtbaar zijn vanaf de weg. Plaatsing op een voorerf kan de voorkeur hebben in situaties waarin het voorerf het oorspronkelijke (typologische) achtererf is. Dit soort gevallen vereisen maatwerk. Aansluitend bij bebouwing of boombeplanting op het erf, maar bij toetsing oog houden voor een praktische bedrijfsvoering en windvang. Op voldoende afstand tot cultuurhistorisch waardevolle elementen en structuren (bijvoorbeeld dijken, beken, vaarten, essen, dobben, pingoruïnes). Als richtlijn hanteren we 25 meter, maar per geval is maatwerk nodig. Niet in beschermd dorpsgezicht Ravenswoud.

HOOFDVORM -

PLAATSING -

20/46

Niet bij woningen van anderen, afstand minimaal 75 meter (zie 5.1). Niet binnen 2 kilometer van de locatie voor radioastronomie (zie 5.1). Niet in of bij kwetsbare natuur of vlieggebied van kwetsbare vogels of vleermuizen. Een natuurtoets is overal verplicht en moet uitwijzen of plaatsing verantwoord is (zie 5.1).

-

Bij 2 of 3 stuks zijn alle windturbines van hetzelfde type: gelijke hoogte, verhoudingen, materialen en kleuren. Zelfstandige, eenduidige hoofdvorm. HAT (horizontale as) en VAT (verticale as) turbines mogelijk. HAT: ashoogte maximaal 15 meter. VAT: hoogte maximaal 15 meter.

-

-

HAT: evenwichtige verhouding masthoogte/wiekdiameter. Verhoudingen die veel voorkomen liggen tussen 1:1 en 1,5:1 ( dus bij een mast van 15 m heeft een wiek de lengte tussen de 5 en 7,5 meter). Overwegend rank. Bijbehorende elementen (transformator, hekwerk, e.a.) in maat sterk ondergeschikt.

HOOFDVORM -

OPMAAK -

Bij 2 of 3 stuks zijn alle windturbines van hetzelfde type: gelijke hoogte, verhoudingen, materialen en kleuren. Materialen: metaal, hout, kunststof (glas- en carbonfibers). Vanuit duurzaamheid een voorkeur voor hernieuwbaar materiaal als staal (mast) en hout (rotorbladen). Kleur: onopvallend, mat . Bijbehorende elementen (transformator, hekwerk, e.a.) gedekte kleurstelling. Reclame: niet toegestaan.

PLAATSING -

21/46

Op het dak. Niet op monumenten. Niet op karakteristieke panden (overeenkomstig de provinciale nota Grutsk op ‘e Romte). Niet in beschermd dorpsgezicht Ravenswoud. Niet bij woningen van anderen, afstand minimaal 75 meter. Niet binnen 2 kilometer van de locatie voor radioastronomie. Niet in of bij kwetsbare natuur of vlieggebied van kwetsbare vogels of vleermuizen. Een natuurtoets is overal verplicht en moet uitwijzen of plaatsing verantwoord is.

Bij meerdere turbines op één dak zijn alle windturbines van hetzelfde type: gelijke hoogte, verhoudingen, materialen en kleuren. Maximaal tot 1 meter boven de nok. Alleen toegestaan zijn turbines die aansluiten bij de (kap)contour van het bouwvolume en die architectonisch een eenheid vormen met het dak. Duidelijk ondergeschikt in beeld en omvang ten opzichte van het dakvlak waarop de turbine wordt geplaatst.

OPMAAK -

Bij meerdere turbines op één dak zijn alle windturbines van hetzelfde type: gelijke hoogte, verhoudingen, materialen en kleuren. Materialen: metaal, hout, kunststof (glas- en carbonfibers). Vanuit duurzaamheid een voorkeur voor hernieuwbaar materiaal als staal en hout. Kleur: afgestemd op de kleur van de dakbedekking. Reclame: niet toegestaan.

KENMERKEN EN STRUCTUUR De in deze paragraaf ingetekende opstellingen voor twee of drie turbines, zijn bedoeld als voorbeeld en inspiratiebron. De afbeeldingen schetsen hoe een opstelling eruit kan zien als de uitgangspunten van een landschapstype gehanteerd zijn. Er zijn altijd meer opstellingen mogelijk dan hier op de afbeeldingen geschetst. De illustraties zijn bedoeld als hulpmiddel om te laten zien wat meestal kan. Het kan in praktijk ook voorkomen dat een geschetste illustratie juist niet uitvoerbaar is. Bijvoorbeeld omdat het erf weliswaar in het genoemde landschapstype ligt, maar het erf of de directe omgeving toch iets andere kenmerken heeft (dan meestal in dat landschap). Dan is echt maatwerk nodig. Alle afbeeldingen zijn noordgericht. De heersende windrichting uit west tot zuidwest is op de afbeeldingen zichtbaar gemaakt. De getekende opstellingen houden rekening met die windrichting. De erven op de voorbeelden liggen aan de noordzijde van de weg. Natuurlijk zijn er in praktijk veel erven die een andere situering kennen. Ook voor die gevallen blijven de uitgangspunten echter hetzelfde en kunnen de voorbeelden als inspiratie dienen. Voor de illustraties uit deze paragraaf is gebruik gemaakt van de figuren uit het Procesboek Agrarisch Erven Ooststellingwerf.

-

Zand op rug. Beslotenheid. Boomsingels op kavelgrenzen. Lintbebouwing. Tussen bebouwing zicht op achterliggende (beken)landschap. Veel natuurgebiedjes.

Meest kenmerkend: bossingels of houtwallen haaks op de weg die van vooraan de weg tot ver in het land liggen. Gebouwen met nokrichting in de verkavelingsrichting. PLAATSING WINDTURBINES -

-

Plaatsing met slagen mee in lijn met verkaveling (niet haaks erop en ook geen diagonalen). Niet in driehoeksverband. Verlengen van een bossingel of houtwal met windturbines in lijnopstelling (als moderne variant op herstel van deze landschapselementen). Dit betekent dat in dit landschapstype een uitzondering mogelijk is op de algemene plaatsingsregels (op de regel: bij sterke voorkeur binnen de (visuele) begrenzing van het erf). Plaatsing bij voorkeur achter bebouwing i.v.m. doorzicht op het landschap. Plaatsing naast bebouwing wel mogelijk ter verlenging bossingel of houtwal. De eerste windturbine moet in het bouwvlak van het agrarisch bedrijf liggen (of in de marge daar net omheen zoals het bestemmingsplan of beheersverordening dat toestaat), zodat de lijnopstelling ook visueel verbonden blijft met het agrarisch bedrijf.

Let op! De uitgangspunten uit paragraaf 5.3.1 gelden aanvullend op bovenstaande punten. Ook daar moet dus rekening mee worden gehouden bij het uittekenen van een plan voor twee of drie turbines.

22/46

Verkavelingsstructuur: slagenverkaveling

Lijnopstelling naast gebouwen verlengt de groenstructuur en houdt doorzichten op het landschap open.

23/46

Lijnopstelling in aansluiting op het achtererf. Dit verlengt de groenstructuur.

24/46

Lijnopstelling achter de bebouwing. Lijnopstelling achter de bebouwing, in de richting van de verkaveling. In dit voorbeeld is er aan de westzijde van het erf wat minder beplanting dan in de vorige twee voorbeelden en is aan de oostzijde juist veel beplanting aanwezig. Hierdoor lijkt het in dit geval logischer om in de buurt van de westelijke erfgrens een lijnopstelling te plaatsen. De afstand tot de beplante weg aan de westzijde is vrij ruim, waardoor deze plek waarschijnlijk genoeg windvang biedt.

5.4.2

Beekdalen

PLAATSING WINDTURBINES -

KENMERKEN EN STRUCTUUR Slagenverkaveling (minder smal dan woud- en heideontginning). Openheid en weidsheid met relatief weinig opgaande beplanting. Nat gebied met sloten loodrecht op de beek. Erven als (vaak groene) eilanden in de ruimte. Principe erfbeplanting: één achterhoek van het erf beplanten.

-

Ondanks de openheid wel windturbines toestaan. De turbines zijn transparant en niet breed ‘vertakt’, waardoor ze als opgaande elementen niet vergelijkbaar zijn met bomen en het open en weidse karakter van dit landschap niet aantasten. In principe op alle erven in dit landschap mogelijk, maar liefst zo ver mogelijk van de beek. In driehoeksverband ter markering van een van de achterhoeken van het erf In lijnopstelling haaks op of in lijn met de verkaveling (geen diagonalen).

Let op! De uitgangspunten uit paragraaf 5.3.1 gelden aanvullend op bovenstaande punten. Ook daar moet dus rekening mee worden gehouden bij het uittekenen van een plan voor twee of drie turbines.

Verkavelingsstructuur: (wat bredere) slagenverkaveling.

25/46

Driehoeksopstelling die een achterhoek van het erf markeert. De turbines markeren nu de niet beplante hoek van dit erf. Samen met de beplanting op de andere hoek, wordt de ligging van het erf hierdoor extra goed geaccentueerd. De hoek markeren past goed in dit landschap.

26/46

Lijnopstelling net achter het erf. Buiten het erf plaatsen is hier goed mogelijk. Door in lijn te blijven met de beplantingssingel in de noordoosthoek ontstaat een rustig totaalbeeld waarbij de turbines nog goed onderdeel uitmaken van het erf. Soms is er weinig beplanting aanwezig om in lijn op aan te sluiten. Ook dan is een lijnopstelling kort achter het erf (in de breedte) vaak goed mogelijk.

5.4.3

Essenlandschap

KENMERKEN EN STRUCTUUR -

Oud landschap. Structuur landschap en erven: grillig, onregelmatig. Beslotenheid. Kleinschalig. Oude, monumentale panden. Aanwezigheid landschapselementen: essen, eenmansessen, esdorpen.

Meest kenmerkend: de es als hoge bult in het land. Soms nog met een duidelijke steilrand en soms met beplanting op de rand van de es of kort bij de steilrand. Boerenerven hebben een compacte opzet met de gebouwen ten opzichte van elkaar vaak gedraaid. De achterkant van het boerenerf ligt meestal naar de es. PLAATSING WINDTURBINES -

-

Lijnopstelling net naast het erf. De voorkeur heeft het om binnen het erf te zoeken, maar In deze situatie liggen de sleufsilo’s erg kort op een sloot die net naast het erf loopt. Hierdoor is er geen ruimte meer om turbines daartussen te plaatsen. Een lijnopstelling aan de andere zijde van de sloot, net buiten het erf, is in zo’n geval mogelijk.

27/46

Bij 2 of 3: alleen van hetzelfde type in gelijke hoogte, verhoudingen, materialen en kleuren (individuele keuzen kunnen wel verschillen tussen erven gaan geven). Niet op de es om deze ongerept en duidelijk herkenbaar te houden. Op erven die kort op een es liggen: de windturbine(s) plaatsen op de andere zijde van het erf (van de es af). De turbines kunnen echter niet op een typologisch voorerf worden geplaatst. Voor erven die met de achterzijde naar de es liggen, kan een goede inpassing daarom erg moeilijk of zelfs onmogelijk zijn. Windturbines mogen in lijnopstelling, waarbij de lijnrichting gekoppeld wordt aan die van lijnstructuren in het landschap op of nabij het erf (van beplanting, greppels, sloten) of aan de richting van een van de belangrijkste gebouwen op het erf. De lijnopstelling kan in een niet haakse hoek staan ten opzichte van andere elementen (door de vaak gedraaide opzet van gebouwen onderling en ten opzichte van lijnen in het landschap).

Let op! De uitgangspunten uit paragraaf 5.3.1 gelden aanvullend op bovenstaande punten. Ook daar moet dus rekening mee worden gehouden bij het uittekenen van een plan voor twee of drie turbines.

Windturbines in driehoeksverband ; geeft de verschillende richtingen van het erf weer. De turbines blijven op ruime afstand van de es (rechts in lichtgeel afgebeeld).

28/46

Twee windturbines op afstand van de es (rechts in het lichtgeel afgebeeld). Ze staan net buiten het erf, maar volgen de richting van de aanwezige beplantingsstructuur. Ze staan in dit voorbeeld net buiten het erf om voldoende windvang te kunnen krijgen.

5.4.4

Hoogveenontginningen

KENMERKEN EN STRUCTUUR -

Slagenverkaveling (loodrecht op de vaart). Vaarten (met laanbeplanting) en sloten. Lintbebouwing. Beschermd dorpsgezicht Ravenswoud (de wijkenstructuur net buiten het dorp is beschermd). Het niet ontgonnen natuurgebied Fochtelooerveen.

Wijkenstructuur (sloten haaks op de ontginningsvaart) moet goed zichtbaar blijven. Daarom ligt hier het accent op de lengterichting van het landschap (met de verkaveling mee). Uitgangspunten als in de woudontginningen gelden ook hier. Verschil is dat de wegen sterkere accenten vormen. Meer regelmatige (laan)beplanting langs die wegen en langs de vaart. Dat vormt een stevig raamwerk in het landschap. Accent op lengte is hierdoor iets minder sterk. PLAATSING WINDTURBINES -

Lijnopstelling van drie turbines achter het erf. De lijnrichting is hier parallel aan de grote kapschuur die de noordzijde van het erf markeert. Door aanwezige kleinere plantgroepen net buiten het erf (groepjes struiken, solitaire bomen) zijn de turbines niet de enige elementen net buiten het erf. Ook hier blijven de turbines op ruime afstand van de es (rechts in lichtgeel afgebeeld). Bij een mogelijke uitbreiding van het bouwvlak kunnen de turbines een rol spelen bij de nieuwe begrenzing van het erf.

-

-

29/46

Bij 2 of 3: alleen van hetzelfde type in gelijke hoogte, verhoudingen, materialen en kleuren en met gelijke onderlinge afstand (individuele keuzen kunnen wel verschillen tussen erven gaan geven). Plaatsing met slagen mee in lijn met verkaveling Niet in driehoeksverband, niet haaks op verkavelingsstructuur en ook geen diagonalen. Verlengen van een bossingel met windturbines in lijnopstelling (als moderne variant op herstel van deze landschapselementen). Dit betekent dat in dit landschapstype een uitzondering mogelijk is op de algemene plaatsingsregels (op de regel: bij sterke voorkeur binnen de (visuele) begrenzing van het erf). Plaatsing bij voorkeur achter bebouwing i.v.m. doorzicht op het landschap. Plaatsing naast bebouwing wel mogelijk ter verlenging bossingel of houtwal, mits doorzicht behouden blijft. Niet in beschermd dorpsgezicht Ravenswoud en niet in het Fochtelooerveen.

Let op! De uitgangspunten uit paragraaf 5.3.1 gelden aanvullend op bovenstaande punten. Ook daar moet dus rekening mee worden gehouden bij het uittekenen van een plan voor twee of drie turbines.

Windturbines verlengen de westelijke bossingel.

30/46

Windturbines verlengen de oostelijke bossingel. Deze turbines staan op ruime afstand van de laanbeplanting langs de weg ten westen van het erf. Ze zullen meer wind vangen dan wanneer de turbines de westelijke erfsingel verlengen (zoals in het vorige voorbeeld).

5.4.5

Heideontginningen

KENMERKEN EN STRUCTUUR -

Jong landschap. Blokverkaveling. Heide, met bossen. Grootschalig. Dobben en pingo’s (meertjes ontstaan in de ijstijd). Erfbeplanting vaan aan twee zijden van het erf. Meestal is tenminste één achterhoek beplant.

Vergelijkbaar met de beekdalen. Het landschap is meer besloten, door de beplante wegen. De gelijksoortige erfopzet als in het beekdal is ontstaan door min of meer gelijke ruilverkavelingsopzet langs haakse lijnen. Het principe van één achterhoek beplant geldt ook hier. Groene eilanden in het landschap. Doorzichten over het erf naar achter hoeven niet open te blijven. PLAATSING WINDTURBINES -

-

Windturbines achter de bebouwing zorgen voor behoud van een doorkijk op het landschap (tussen de stallen door). Of deze opstelling haalbaar is, zal afhangen van de aard en opzet van de ingetekende beplanting. Zijn het lagere struiken, dan lijkt dit realistisch, maar als het bomen zijn dan zullen deze waarschijnlijk een sterk verstorend effect hebben op de windvang.

31/46

Bij 2 of 3: alleen van hetzelfde type in gelijke hoogte, verhoudingen, materialen en kleuren en met gelijke onderlinge afstand (individuele keuzen kunnen wel verschillen tussen erven gaan geven). Koppeling aan blokverkaveling. In driehoeksverband ter markering van een van de achterhoeken van het erf. In lijnopstelling haaks op of in lijn met de verkaveling (geen diagonalen).

Let op! De uitgangspunten uit paragraaf 5.3.1 gelden aanvullend op bovenstaande punten. Ook daar moet dus rekening mee worden gehouden bij het uittekenen van een plan voor twee of drie turbines.

Lijnopstelling in de lengterichting van de verkaveling. Door de vele beplanting aan de westzijde van het erf, is het voor een goede windvang nodig om de turbines buiten de erfgrenzen te plaatsen, zodat ze in de wind komen te staan. Een situatie is een voorbeeld waarin maatwerk geleverd moet worden om de exact goede plek te vinden voor de turbines. Dit hangt af van de hoogte van de beplanting en van de gebouwen op het erf. Van een afstand bezien moeten de turbines wel blijven ‘meedoen’ met het erf en daar als het ware bij horen. De turbines kunnen daardoor niet teveel naar het westen worden geschoven. Ze zouden dan ‘los’ in het weiland komen te staan. De eerste turbine staat in dit voorbeeld op ruime afstand van de weg, waardoor de lijnopstelling minder opvalt vanaf de weg.

32/46

Wanneer er in tegenstelling tot het vorige voorbeeld, weinig beplanting is aan de westzijde van het perceel, kan een lijnopstelling tot dichter op de weg worden geplaatst, zonder daarbij allesoverheersend te worden. Hier is gekozen om de voorzijde van de dichtstbij gelegen stal als punt aan te houden voor de voorste turbine. Belangrijk uitgangspunt is dat er geen bomen gekapt worden ten gunste van een windturbine. We zien liever een opstelling van turbines net buiten een erf met behoud van de bomen op dat erf, dan dat er bomen gekapt worden. Dat past niet bij onze keuzes om in te zetten op meer biodiversiteit en een gezond klimaat. Bomen zorgen voor CO2-opslag en helpen de opwarming van de aarde tegen te gaan.

Lijnopstelling van twee turbines, die met de bomenrij aan de westzijde als het ware een ruimere noordwesthoek voor dit erf vormt.

33/46

   

Beekdallandschap-benedenloop

Kernkwaliteiten van het beekdallandschap-benedenloop op basis van de landschapstypen: Bodem en ondergrond | klei en klei op veen veengronden, door klink en vervening van het omliggende land, relatief hooggelegen ten opzichte van de omgeving, aanwezigheid microreliëf Maat en schaal | middenschalig, gesitueerd in ruimere grootschalige omgeving Structuren | kronkelig, dijken en parallelle wegen, gerichte openheid in klei op veen gebied Dorpen | lokaal verspreide lintbebouwing of bebouwing langs de dijken Boerenerven | verspreid liggende erven Wegen | grotendeels parallelle wegen aan beek Water | lengterichting brede beekloop plaatselijk aangepaste bochten deels gekanaliseerd en kunstmatige vormen van oeververdediging Verkaveling | hoofdrichting opstrekkend haaks op de beekloop met verschillende andere verkavelingspatronen met grote afwisseling in variatie en schaal Beplanting | voornamelijk grasland en deels natuurlijke oeverbegroeiing (grasland en riet), stroomdalen vrijwel afwezigheid van opgaande beplanting, plaatselijke verdichting door verlande petgaten Kernkwaliteiten van het beekdallandschap-benedenloop volgens CHK/FAMKE:  rivierdijk en hemdijken  beeklopen, deels gekanaliseerd  wegen parallel aan de waterlopen

34/46

boerderijplaatsen, lineair gelegen langs de lopen van de beken boerderijerven, verspreid liggend lineaire bebouwing verkaveling, opstrekkend

Fries essenlandschap

Kernkwaliteiten van het Fries essenlandschap op basis van de landschapstypen: Bodem en ondergrond | dekzandplateau met sterk hellende randen, esgronden en zandgronden met dik humeus dek, overgang naar vlakke veenranden of meeroevers Maat en schaal | kleinschalig tot zeer kleinschalig Structuren | kronkelige wegen met bebouwing en glooiende percelen, es veelal begrensd door randweg Dorpen | esstructuren met verspreide bebouwingsclusters op hoger gelegen gronden: Jistrum, Eastermar, Sumar, Burgum-oost: Friese esdorpen Boerenerven | verspreid langs wegen structuur en bij kruisingen Wegen | kronkelig verloop van hoofd- en instekende miedwegen Verkaveling | blokverkaveling naar plaatselijk opstrekkend Beplanting | boombeplanting langs wegen, houtwallen, hege dyken en elzensingels als perceelsbegrenzing Kernkwaliteiten van het Fries essenlandschap volgens CHK/FAMKE:  verkaveling, onregelmatige blokverkaveling  (oude)boerderijplaatsen en boerderijerven verspreid gelegen  nederzettingen, Friese esdorpen  onregelmatige wegenstructuur  kleinschalige karakteristieke bebouwing

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Ooststellingwerf&id=f7cbae5b-1f68-4b13-9308-f96362065665