Bijlage 4 - Partiële herziening beheersverordening windturbines Ooststellingwerf
Tekst van het document
beheersverordening
Partiële herziening beheersverordening windturbines Ooststellingwerf Ooststellingwerf
DATUM IMRO IDN
25-01-2022 NL.IMRO.0085.BVWind-VG01
PROJECT PROJECTLEIDER OPDRACHTGEVER PROJECTNUMMER
20201890.BHV
AUTEUR STATUS
vastgesteld
Inhoudsopgave Toelichting
5
Hoofdstuk 1
Inleiding
6
1.1
Aanleiding
6
1.2
Planvorm
6
1.3
Verordeningsgebied
7
1.4
Memo achtergrond en uitgangspunten
8
1.5
Landschappelijk kader windturbines
8
Beleid
9
2.1
Rijksbeleid
9
2.2
Provinciaal beleid
9
2.3
Gemeentelijk beleid
9
Hoofdstuk 3
Juridische toelichting
10
3.1
Uitleg van de regeling
10
Milieu- en omgevingsaspecten
13
4.1
Algemeen
13
4.2
Ecologie
13
4.3
Externe veiligheid
14
4.4
Geluid
18
4.5
Slagschaduw
18
4.6
Veiligheid
18
4.7
Verstoring
18
Uitvoerbaarheid
20
5.1
Economische uitvoerbaarheid
20
5.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
20
Hoofdstuk 2
Hoofdstuk 4
Hoofdstuk 5
Bijlagen toelichting
23
Bijlage 1
Memo parapluregeling windturbines bij agrarische percelen
25
Bijlage 2
Vooroverlegreactie EV advies FUMO
31
Bijlage 3
Vooroverlegreactie Brandweer
37
3/190
42
Regels Hoofdstuk 1
Inleidende regels
43
Artikel 1
Begrippen
43
Artikel 2
Wijze van meten
44
Artikel 3
Van toepassing verklaring
46
Hoofdstuk 2
Regels windturbines
47
Artikel 4
Algemene bouwregels
47
Artikel 5
Algemene gebruiksregels
48
Algemene regels
49
Anti-dubbeltelregeling
49
Hoofdstuk 4
Overgangs- en slotregels
50
Artikel 7
Overgangsrecht bouwen
50
Artikel 8
Overgangsrecht gebruik
51
Artikel 9
Slotregel
52
Hoofdstuk 3 Artikel 6
Bijlagen regels
53
Bijlage 1
Lijst van toepassing zijnde beheersverordeningen
55
Bijlage 2
Landschappelijk kader windturbines Ooststellingwerf
57
4/190
Toelichting
5/190
Hoofdstuk 1 1.1
Inleiding
Aanleiding
Provinciale Staten van de provincie Fryslân hebben in hun vergadering van 1 juli 2020 de Wijziging Verordening Romte Fryslân 2014 (windturbines) gewijzigd vastgesteld. Door deze wijziging bestaan er in de provincie nu mogelijkheden om onder voorwaarden windturbines bij agrarische bouwpercelen te realiseren. De provincie geeft aan dat windturbines geregeld kunnen worden in een paraplubestemmingsplan of een herziening van een beheersverordening door middel van een afwijkingsmogelijkheid gebaseerd op een aantal voorwaarden en dat een aanvraag aan de provincie moet worden voorgelegd. De gemeente Ooststellingwerf wil naar aanleiding van deze beleidswijziging een gemeentedekkende planologische regeling opstellen met daarin een eensluidende regeling voor windturbines bij agrarische bouwpercelen. De voorliggende partiële herziening van de beheersverordeningen voorziet hierin, voorzover het de gebieden betreft waarvoor een beheersverordening geldt in plaats van een bestemmingsplan. Hoewel de provincie ruimte biedt tot drie windturbines op een agrarisch erf, heeft de Raad van State geconcludeerd dat er een plan-MER ten grondslag had moeten liggen aan de windturbinenormen uit het Activiteitenbesluit en –regeling. Nu de minister dit heeft nagelaten, is er per windpark een milieubeoordeling nodig. Er is sprake van een windpark vanaf drie windturbines.
Door maximaal twee windturbines per agrarisch bedrijf mogelijk te maken, is er geen sprake van een windpark en is er voor de partiële herziening beheersverordening geen MER-beoordeling nodig. De gemeente Ooststellingwerf wil wel ruimte bieden voor projecten met drie windturbines, maar wil tegelijk de realisatie van projecten met één of twee turbines niet onnodig vertragen. Daarvoor is in deze partiële herziening beheersverordening een afwijkingsregel opgenomen, die het mogelijk maakt om op of aansluitend op een boerenerf één of twee windturbines met een reguliere procedure omgevingsvergunning te verlenen. Voor plannen met drie turbines biedt deze partiële herziening beheersverordening geen ruimte, maar daarvoor is een uitgebreide procedure soms mogelijk.
1.2
Planvorm
Het is mogelijk om één of meerdere beheersverordeningen tegelijkertijd op één of meerdere thema's of onderdelen te wijzigen zodat ze weer zijn voorzien van een goede regeling. Dit kan in de vorm van een (partiële) herziening van de beheersverordeningen. Op één of meer aspecten worden meerdere beheersverordeningen aangevuld, voor het overige blijven de desbetreffende 'bestemmingen' (regels en verbeelding) van kracht. Dit maakt het dus mogelijk om met één beheersverordening alle beheersverordeningen aan te vullen of aan te passen waarvoor dit noodzakelijk is. De voorliggende partiële herziening is daarmee een aanvullende regeling voor het onderwerp windturbines bij agrarische bouwpercelen en herziet de bestaande beheersverordeningen op dit onderdeel. De beheersverordening voorziet in een regeling om onder (de door de provincie gestelde voorwaarden windturbines op of bij een agrarisch bouwperceel toe te staan.
6/190
Tegelijkertijd wordt voor hetzelfde onderwerp ook een herziening voor de bestemmingsplannen opgesteld. Dat bestemmingsplan heeft hetzelfde doel, maar kan juridisch gezien geen deel uitmaken van een herziening van een beheersverordening, omdat het gaat om verschillende ruimtelijke instrumenten met elk een eigen procedure.
1.3
Verordeningsgebied
De beheersverordening heeft betrekking op alle gronden binnen geldende beheersverordeningen waar agrarische bouwpercelen aanwezig zijn en op gronden direct grenzend aan agrarische bouwpercelen. De ligging van het verordeningsgebied is weergegeven in bijgaande figuur. In bijlage 1 van de regels zijn alle beheersverordeningen opgenomen die met deze partiële herziening worden herzien. Op een groot deel van het gemeentelijk grondgebied zijn bestemmingsplannen van kracht. Voor die gebieden is onderhavige regeling niet van toepassing maar hiervoor is, zoals eerder aangegeven, een aparte regeling opgesteld in de vorm van een paraplubestemmingsplan.
Figuur 1
7/190
Verordeningsgebied
1.4
Memo achtergrond en uitgangspunten
De parapluregeling maakt het mogelijk om voor windturbines met een aqshoogte tot 15 meter een omgevingsvergunning te verlenen in afwijking van de beheersverordening. Voorafgaande aan het opstellen van de regeling is een beknopte memo opgesteld waarin wordt ingegaan op de achtergrond en de uitgangspunten voor deze juridische regeling. Met deze memo wordt aldus het kader geschetst voor de op te stellen juridische regeling. In de memo wordt onder meer ingegaan op de achtergrond en de beleidsmatige context. Ook worden de belangrijkste randvoorwaarden in relatie tot omgevingsaspecten toegelicht. Deze randvoorwaarden zijn waar nodig vertaald in de juridische regeling. De memo is als bijlage 1 toegevoegd aan de toelichting van deze partiële herziening.
1.5
Landschappelijk kader windturbines
Eén van de voorwaarden die de provincie aan het toestaan van windturbines bij agarische percelen stelt, is de voorwaarde dat de windturbines zorgvuldig worden ingepast in de landschappelijke- en cultuurhistorische kernkwaliteiten van het landschapstype. Een windturbine is een zichtbaar element in het landschap. Om de impact op het landschap te beperken moet de turbine een ruimtelijke eenheid vormen met de overige bebouwing en beplanting op het perceel. Ten behoeve van de beoordeling van de zorgvuldige inpassing is een landschappelijk toetsingskader opgesteld, waarin randvoorwaarden voor plaatsing worden opgenomen. Het landschappelijk kader is als bijlage 2 bij de regel van de partiële herziening beheersverordening opgenomen. Het landschappelijk kader omvat algemene, overal geldende ruimtelijke randvoorwaarden. Daarnaast omvat het landschappelijk kader eisen en randvoorwaarden per landschapstype: in welk landschapstype worden op basis van het beleid windturbines uitgesloten, waar zou terughoudend met windturbines omgegaan moeten worden en waar zou maatwerk geleverd moeten worden. Met betrekking tot de voorwaarde dat de windturbines zorgvuldig worden ingepast in de landschappelijke- en cultuurhistorische kernkwaliteiten van het landschapstype, zal de beoordeling aldus plaatsvinden aan de hand van het separaat opgestelde 'Landschappelijk kader windturbines Ooststellingwerf'.
8/190
Hoofdstuk 2 2.1
Beleid
Rijksbeleid
Op verschillende niveaus gelden beleidsnota's die betrekking hebben op het verordeningsgebied. Op rijksniveau is dit onder andere de "Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte" en de Ontwerp Nationale Omgevingsvisie. Deze beleidsnota's geven geen specifieke uitgangspunten voor het verordeningsgebied. Verder zijn op basis van rijksbeleid diverse thema's op het verordeningsgebied van toepassing. Hierbij worden uitsluitend regels gesteld ten aanzien van ontwikkelingen. Omdat geen sprake is van nieuwe, ruimtelijk relevante ontwikkelingen, zijn deze thema's niet van belang. In algemene zin wordt gestreefd naar een voortzetting en met name een verbetering van het bestaande kwaliteitsniveau. Dit geldt dan ook voor het verordeningsgebied .
2.2
Provinciaal beleid
Op provinciaal niveau geldt het Streekplan Fryslân 2007, dat verder is uitgewerkt in de Verordening Romte Fryslân 2014. Voor de onderhavige partiële herziening van de beheersverordeningen is de Wijziging Verordening Romte Fryslân 2014 (windturbines) van belang. Deze wijziging voorziet in mogelijkheden om onder de volgende voorwaarde maximaal 3 windturbines op of direct grenzend aan het bouwperceel van een bestaand agrarisch bedrijf te realiseren: 1. de windturbines mogen een maximale ashoogte van 15 meter hebben; 2. het op te stellen vermogen is gericht op de energiebehoefte van het agrarisch bedrijf; 3. de turbines moeten zorgvuldig worden ingepast binnen de landschappelijke- en cultuurhistorische kernkwaliteiten, waarbij de mogelijkheden om te voorzien in de energiebehoefte van het agrarische bedrijf door middel van zonnepanelen op de gebouwen zijn verkend.
2.3
Gemeentelijk beleid
Ooststellingwerf wil zich ontwikkelen tot een energieneutrale gemeente, een doel dat (reeds) in 2030 behaald moet zijn. Recent zijn ook in regionaal verband afspraken gemaakt over de productie van hernieuwbare energie via de (concept-)RES Fryslân. De vraag is ontstaan hoeverre de huidige energievraag en duurzame-energie-productie zich tot elkaar verhouden, om inzicht te krijgen in de resterende opgave onderweg naar de eigen doelen en die uit de RES. In het verlengde hiervan wil de gemeente graag weten welk potentieel Ooststellingwerf kent om het aandeel duurzame energie op korte en middellange termijn verder uit te breiden. De 'Nulmeting en potentiestudie hernieuwbare energie' (vastgesteld 16 oktober 2020) geeft hier inzicht in. Naar aanleiding van het door de provincie vastgestelde nieuwe beleid om windturbines bij agrarische bouwpercelen mogelijk te maken, wenst de gemeente deze vorm van duurzame energievoorzieningen planologisch te faciliteren door middel van een relatief eenvoudige procedure (zie hoofdstuk 3). De juridische regeling sluit zo veel mogelijk aan op de provinciale omgevingsverordening.
9/190
Hoofdstuk 3 3.1
Juridische toelichting
Uitleg van de regeling
3.1.1 Inleiding De partiële herziening beheersverordening is gebaseerd op het behouden van de juridisch-planologische ruimte zoals deze is opgenomen in de geldende beheersverordeningen. De beheersverordening vormt het juridisch-planologische regime voor het onder voorwaarden mogelijk maken van windturbines op en aangrenzend aan agrarische bouwpercelen. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van de zogenaamde binnenplanse afwijkingsprocedure. 3.1.2 Opzet en toelichting regels Per hoofdstuk is de opbouw van de regels beschreven. Hoofdstuk 1 Inleidende regels Artikel 1 Begrippen Dit hoofdstuk bestaat uit de inhoudelijke begripsbepalingen die van belang zijn voor de toepassing van de beheersverordening. Deze regeling heeft zijn eigen begrippen. Deze begrippen worden daarom toegevoegd of vervangen de bestaande begrippen uit de geldende beheersverordeningen. Het begrip kleine windturbine is toegevoegd om aan te geven wat hieronder valt. Het begrip sluit aan op het begrip uit de Verordening Romte 2014. Het begrip risicovolle inrichting: is opgenomen omdat moet worden voldaan aan bepaalde richtafstanden tot aardgastransportleidingen en hoogspanningsverbindingen. Verder is om duidelijk te maken wat onder het gebruik van gronden voor kleinschalige duurzame energiewinning wordt verstaan, het begrip kleinschalige duurzame energiewinning toegevoegd. Artikel 2.
Wijze van meten Teneinde interpretatieverschillen over het bepalen van de hoogte van een windturbine te voorkomen, wordt gemeten vanaf de ashoogte. Tevens is een meetvoorschrift voor de tiphoogte en rotordiameter van een windturbine opgenomen. Bij de wijze van meten is aangegeven wat hieronder wordt verstaan. Artikel 3 Van toepassing verklaring Dit artikel geeft aan op welke gebieden de beheersverordening betrekking heeft. De regels in dit bestemmingsplan zijn van toepassing op de in bijlage 1 opgenomen beheersverordeningen. In deze bestemmingsplannen wordt met de nieuwe regeling binnen de bestemmingen 'Bestaande agrarische bedrijven' en daarmee vergelijkbare en/of andere bestemmingen en aanduidingen het plaatsen van windturbines via een afwijkingsbevoegdheid mogelijk gemaakt. De overige regels binnen de vigerende beheersverordeningen blijven onverkort van toepassing.
10/190
Hoofdstuk 2 Regels windturbines Artikel 4 Algemene bouwregels In dit artikel is de afwijkingsbevoegdheid opgenomen om windturbines te bouwen bij of aangrenzend aan een agrarisch bouwperceel. De voorwaarden die de provincie aan het toestaan van windturbines stelt, zijn als toetsingskader aan de afwijking met een omgevingsvergunning opgenomen. Voor de toetsing aan de onderdelen b en c van lid 4.1 Afwijken van de bouwregels kan de toelichting van de provincie als leidraad worden genomen: 4.1.b. Eigen behoefte: Uit landschappelijke overwegingen is het van belang dat het aantal windturbines beperkt blijft en dat extra druk op het net zoveel mogelijk wordt voorkomen. Om deze redenen mogen alleen bij agrarische bedrijven windturbines worden geplaatst als het opgestelde vermogen van de te plaatsen windturbine(s) is gericht op de eigen behoefte van het agrarisch bedrijf. Voor het bepalen van het eigen gebruik kan het gemiddelde energieverbruik van de afgelopen drie jaar als leidraad aangehouden worden. Wanneer gekozen wordt voor een combinatie met zonnepanelen of een mestvergister is het bijna niet te vermijden dat op enig moment toch sprake is van teruglevering aan het net. Dit mag, zolang gebruik gemaakt kan worden van de bestaande eigen netaansluiting van het agrarische bedrijf. Maatwerk blijft ook hier echter mogelijk.
In uitzonderingsgevallen kan gemotiveerd worden dat door omstandigheden een netverzwaring toch nodig is om in de eigen behoefte te kunnen voorzien. 4.1.c. Landschappelijke inpassing Het is verder van belang om de windturbines goed in te passen en daarbij de tevens mogelijkheden voor zon op dak te verkennen. Maatwerk is belangrijk. Wanneer zon op dak een reële optie is voor het bedrijf dan moet zorgvuldig worden afgewogen of vanuit oogpunt van ruimtelijke kwaliteit het plaatsen van zon op dak dan niet de betere manier is om te voorzien in de eigen energiebehoefte. Met betrekking tot de voorwaarde dat de windturbines zorgvuldig worden ingepast in de landschappelijke- en cultuurhistorische kernkwaliteiten van het landschapstype, zal de beoordeling plaatsvinden aan de hand van de zal de beoordeling plaatsvinden aan de hand van het door de gemeente Ooststellingwerf separaat opgestelde 'Landschappelijk kader windturbines Ooststellingwerf'. 4.1.d Aan te houden afstand van een windturbine 1. Binnen de gemeente Ooststellingwerf is een locatie voor radioastronomie aanwezig. Om verstoring op de werking van de antennes te voorkomen is een gebied van 2,00 kilometer rondom de locatie uitgesloten voor plaatsing van windturbines. 2.
Er dient bij een aanvraag omgevingsvergunning voor de bouw van een windturbine rekening te worden gehouden met de aanwezigheid van aardgastransportleidingen binnen de gemeente. Binnen een afstand van 25,00 meter, gemeten uit het hart van de leiding, mogen geen windturbines worden gebouwd. In overleg met de leidingbeheerder kan van deze afstand worden afgeweken. 3. In de omgeving van hoogspanningsverbindingen dient rekening te worden gehouden met een minimale
11/190
afstand van de maximale werpafstand rotorblad bij twee keer het nominaal toerental van een windturbine. Per type windturbine kan deze aan te houden afstand verschillend zijn. 4. De aan te houden afstand tot een woning van derden en andere gevoelige objecten bedraagt minimaal 75 meter. 4.1.e Uit te voeren Natuurtoets Voorafgaand aan plaatsing van een windmolen voor de eigen energievoorziening, wordt een natuurtoets uitgevoerd waaruit blijkt dat er geen negatieve gevolgen zijn voor de aanwezige beschermde soorten. Artikel 5 Algemene gebruiksregels Het is mogelijk dat in een aantal geldende beheersverordeningen windturbines niet zijn toegestaan en/of het gebruik van de gronden voor windturbines planologisch niet mogelijk is op agrarische bouwpercelen en de daarbijbehorende agrarische gronden. Indien hiervan sprake is dient in combinatie met het bouwen ook het gebruik mogelijk te worden gemaakt. Hiervoor is een afwijkingsbevoegdheid opgenomen die in dat geval in combinatie met artikel 4 lid 4.1 moet worden toegepast. Hoofdstuk 3 Overgangs- en slotregels De overige artikelen in deze beheersverordening zijn opgenomen omdat dat op basis van het Besluit ruimtelijke ordening verplicht is.
De anti-dubbeltelregeling in hoofdstuk 3 is bedoeld om te voorkomen dat van ruimte die in een bestemmingsplan voor de realisering van een bepaald gebruik of functie mogelijk is gemaakt, na realisering daarvan, ten gevolge van feitelijke functie- of gebruiksverandering van het gerealiseerde, opnieuw zou kunnen worden gebruik gemaakt. Tenslotte is in hoofdstuk 4 nog een standaardbepaling voor het overgangsrecht opgenomen (artikel 7 en 8) en een slotregel (artikel 9).
12/190
Hoofdstuk 4 4.1
Milieu- en omgevingsaspecten
Algemeen
Deze beheersverordening bestaat uit enkele aanvullingen en aanpassingen van de bestaande regels die in het kader van de procedure geen toetsing aan de diverse omgevingsaspecten zoals water en milieu vragen. Bij het toepassen van een afwijkingsbevoegdheid voor het verlenen van een omgevingsvergunning zal worden beoordeeld in hoeverre deze genoemde omgevingsaspecten van invloed zijn. De Keur van het Wetterskip Fryslân is onverkort van kracht.
4.2
Ecologie
4.2.1 Algemeen Vanaf 1 januari 2017 is de Wet Natuurbescherming in werking getreden. De Wet Natuurbescherming is ingesteld ter bescherming en behoud van alle in het wild levende inheemse planten- en diersoorten. In deze wet is onder meer bepaald dat beschermde dieren niet mogen worden gedood, gevangen of verstoord. Beschermde planten mogen niet worden geplukt, uitgestoken of verzameld. Deze wet heeft dan ook belangrijke consequenties voor ruimtelijke plannen. Wanneer plannen worden ontwikkeld voor ruimtelijke ingrepen of voornemens ontstaan om werkzaamheden uit te voeren, dient vooraf goed te worden beoordeeld of er mogelijke nadelige gevolgen voor beschermde inheemse soorten zijn. In beginsel is de initiatiefnemer zelf verantwoordelijk. Van het verbod op schadelijke handelingen kan onder voorwaarden worden afgeweken, in dat geval kan een ontheffing worden verleend. Voor alle soorten geldt een algemene zorgplicht, wat inhoud dat men zorgvuldig om moet gaan met de flora en fauna ter plaatse. Deze zorgplicht geldt ook als er een ontheffing is verleend voor de beschermde soorten. Een ecologische QuickScan zal in het licht van de Wet natuurbescherming nodig zijn indien bijvoorbeeld op een erf sprake is van afbraak van een object om plaats te maken voor een windmolen, zoals een boerenschuur met uilenbroedplaats.
4.2.2 Natuurtoets Omdat nadelige effecten van kleine windmolens op beschermde soorten niet op voorhand zijn uit te sluiten, is in de regels van partiële herziening beheersverordening een voorwaarde opgenomen inhoudende dat, voorafgaand aan plaatsing van een windmolen voor de eigen energievoorziening, een natuurtoets wordt uitgevoerd waaruit blijkt dat er geen negatieve gevolgen zijn voor de beschermde soorten. De natuurtoets borgt het zorgvuldig handelen ten aanzien van biodiversiteitsversterking en landschapsecologische processen (inclusief behoud of versterking van (weide)vogelgebieden, trekroutes en foerageergebieden).
13/190
Uit de natuurtoets moet blijken of er geen overtreding is van de bepalingen in de Wet Natuurbescherming. Wanneer dit wel het geval is, zal de initiatiefnemer ofwel de plannen moeten wijzigen, zodat er geen overtreding meer ontstaat op de Wet Natuurbescherming, ofwel een ontheffing moeten aanvragen bij de provincie Fryslân. Vanwege de in Ooststellingwerf aanwezige natuurwaarden wordt initiatiefnemers aangeraden voorafgaand aan mogelijke investeringen een natuurtoets uit te voeren, om mogelijk nadelige effecten van een windturbine op beschermde soorten in kaart te brengen.
4.3
Externe veiligheid
Externe veiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van opslag of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit kan betrekking hebben op inrichtingen (bedrijven) of transportroutes. Op beide categorieën is verschillende wet- en regelgeving van toepassing. Voor inrichtingen is dit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), voor transportroutes het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en voor hogedruk aardgastransportleidingen het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Binnen het beleidskader voor externe veiligheid staan twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Op 27 oktober 2004 zijn het Bevi en de Regeling externe veiligheid inrichtingen van kracht geworden. In het Bevi zijn risiconormen voor externe veiligheid met betrekking tot inrichtingen met gevaarlijke stoffen wettelijk vastgelegd. Het plaatsgebonden risico (PR) geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden ten gevolge van een ongeval bij een risicovolle activiteit. De kans heeft betrekking op een fictief persoon die de hele tijd op die plaats aanwezig is. Het PR kan op de kaart van het gebied worden weergeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. Binnen de 10-6/jaarcontour (die als wettelijk harde norm fungeert) mogen geen nieuwe kwetsbare objecten geprojecteerd worden.
Voor beperkt kwetsbare objecten geldt de 10-6/jaarcontour niet als grenswaarde, maar als een richtwaarde. Het groepsrisico (GR) is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang. Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting bij een calamiteit. Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Dit invloedsgebied wordt begrensd door de 1%-letaliteitsgrens (tenzij anders bepaald): de afstand waarop nog 1% van de blootgestelde mensen in de omgeving komt te overlijden bij een calamiteit met gevaarlijke stoffen. Het GR kan niet 'op de kaart' worden weergegeven, maar wordt weergegeven in een grafiek waar de kans (f) afgezet wordt tegen het aantal slachtoffers (N): de fN-curve. Onderzoek Uit de risicokaart blijkt dat in het plangebied van dit bestemmingsplan, verscheidene risicovolle inrichtingen aanwezig zijn. De onderstaande afbeelding bevat een uitsnede van de betreffende risicokaart.
14/190
Figuur 2: Uitsnede risicokaart (Bron: www.risicokaart.nl) Binnen het plangebied waarop dit paraplubestemmingsplan van toepassing is, liggen verscheidene hogedruk aardgastransportleidingen, gasleidingen, regionale wegen en andere risicobronnen. Gebieden kunnen op voorhand niet worden getoetst op de mogelijkheid van de bouw van een windturbine met een ashoogte van maximaal 15 meter. Deze toetsing wordt uitgevoerd bij een aanvraag omgevingsvergunning. In de juridische regeling is om die reden een regel opgenomen die de afstand van windturbines tot risicobronnen borgt. Gasleidingen
15/190
Figuur: uitsnede EV-signaleringskaart met gasinfrastructuur (geraadpleegd op 8 juli 2021) In bovenstaande figuur wordt de ligging van de gasinfrastructuur die door de gemeente Ooststellingwerf loopt weergegeven. In het noordelijk deel van het plangebied liggen ondergrondse hogedruk aardgastransportleidingen. Zowel de buisleidingexploitanten en exploitanten voor hoogspanningsinfrastructuur adviseren om voldoende afstand te houden tot hun infrastructuur. De afstand van een windmolen tot de gasinfrastructuur moet ten minste 25 meter bedragen (hart leiding), tenzij de leidingbeheerder instemt met een kortere afstand. Hoogspanningsleidingen
16/190
Figuur 3: Uitsnede HoogspanningsNet Netkaart (bron: hoogspanningsnet.com) In bovenstaande figuur wordt de ligging van hoogspanningsverbindingen die door de gemeente Ooststellingwerf lopen weergegeven. Binnen het plangebied bevindt zich hoogspanningsinfrastructuur. Het betreft een 110 kV-leiding van het trafostation Drachten naar het trafostation Oosterwolde en een 110 kV-leiding van het trafostation Oudehaske naar het aftakpunt Donkerbroek. De eigenaar van de hoogspanningsleidingen, TenneT, bepaalt de afstand die moet worden aangehouden tussen eigendommen van TenneT en windturbines op basis van het 'Handboek Risicozonering Windturbines'. Omdat geen eis voor certificering is opgenomen en omdat de veiligheidsmaatregelen bij windturbines met een ashoogte van maximaal 15 meter afwijken van de grote exemplaren, heeft TenneT rekening gehouden met de maximale werpafstand bij tweemaal nominaal toerentaal waarbij TenneT de mogelijkheid biedt dat kan worden volstaan met een kortere afstand. De gemeente Ooststellingwerf heeft in regels bepaald dat een windturbine op zijn minst op de maximale werpafstand bij twee keer het maximale toerental van hoogspanningsleidingen moeten worden geplaatst. Dat is de afstand die een rotorblad kan afleggen bij het losschieten van de windturbine als deze twee keer zo snel draait dan maximaal mogelijk (nominaal toerental).
Het toetsingskader wordt toegepast bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor het bouwen van een windturbine, zoals door dit bestemmingsplan geboden. Het plan voldoet hiermee aan de gestelde eisen.
17/190
4.4
Geluid
De kleinschalige windturbine moet voldoen aan de van toepassing zijnde eisen van het Activiteitenbesluit, waaronder de geluidsnormen. Het totale geluidniveau wat een inrichting maximaal mag produceren op de gevel van omwonenden en andere geluidgevoelige objecten is opgenomen in het Activiteitenbesluit. Een windturbine of een combinatie van windturbines moet, ten behoeve van het voorkomen of beperken van geluidhinder, voldoen aan de norm zoals is aangegeven in het Activiteitenbesluit. Er is een akoestisch onderzoek in 2018 uitgevoerd bij een windturbine met een ashoogte van 24 meter. Daaruit blijkt dat bij windsnelheden tussen de 2 en 8 meter per seconde het geluid van de turbine op een afstand van 30 a 40 meter niet meer boven het achtergrondgeluid uitkomt. Naarmate het harder waait maakt de wind zelf ook meer geluid.
4.5
Slagschaduw
In het activiteitenbesluit zijn ook regels voor het voorkomen of beperken van slagschaduw en lichtschittering opgenomen. Bij kleine windturbines treedt geen slagschaduw op. Als de zon de rotor van een grote windturbine belicht, leidt dit tot een bewegende schaduw. Doordat de wieken van een grote windturbine heel lang zijn (30 tot 50 meter) ervaren mensen deze schaduw soms als hinderlijk. De lange wieken maken namelijk een lange schaduw en bewegen bovendien relatief langzaam (20 omwentelingen per minuut). Miniturbines kunnen geen slagschaduw maken. Enerzijds heeft dat te maken met een korte en smalle wiek (maximale wieklengte is 2,5 meter) en anderzijds door een hoog aantal (150 tot 400) omwentelingen per minuut. De wieken van een miniturbine zijn te klein en draaien te snel om een hinderlijke schaduw te kunnen veroorzaken.
4.6
Veiligheid
In het Bouwbesluit staan technische eisen en normen voor een verantwoorde bouw. In de Bouwverordening en in het Besluit omgevingsrecht (Bor) zijn met name eisen gesteld aan de situering van bouwwerken en de toegestane hoogte. Kleinschalige windturbines worden niet expliciet genoemd in de Bouwverordening en het Bor. Een aanvraag voor een omgevingsvergunning moet de gemeente op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) toetsen aan het Bouwbesluit. Dit geldt voor alle bouwwerken en dus ook voor de kleinschalige windturbines. De kleinschalige windturbines moeten voldoen aan de van toepassing zijnde eisen uit het Bouwbesluit, bijvoorbeeld ten aanzien van fundering. De kleinschalige windturbine is daarnaast, voor zover mogelijk, voorzien van het Kleinwind-keurmerk opgesteld door de Nederlandse Windenergie Associatie (NWEA) of een daarmee gelijk te stellen keurmerk.
4.7
Verstoring
Locatie voor radioastronomie In de gemeente Ooststellingwerf is een locatie voor radioastronomie. Kleine windturbines kunnen een effect hebben op de werking van deze antennes. Als er windturbines binnen 2 km van de antennes worden geplaatst dan verstoren zij de signalen die worden opgevangen en zou daarmee de volledige locatie onbruikbaar worden. Daarom wordt er in het parapluplan een bepaling opgenomen dat binnen 2 km van de locatie geen windturbines gebouwd mogen worden. Onderstaande figuur geeft de locatie van de antenne weer inclusief de zone van 2
18/190
kilometer. De twee kilometerzone rond de locatie voor radioastronomie is op de verbeelding en in de regels van deze herziening opgenomen.
Figuur 4:
19/190
Locatie radioastronomie (bron: Astron)
Hoofdstuk 5 5.1
Uitvoerbaarheid
Economische uitvoerbaarheid
Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) in de plantoelichting minimaal inzicht te worden gegeven in de economische uitvoerbaarheid van het plan. Als er sprake is van ontwikkelingen waarvoor de gemeente redelijkerwijs kosten moet maken, moeten deze kosten worden verhaald op de initiatiefnemer c.q. ontwikkelaar. De kosten die worden gemaakt voor het opstellen van voorliggende partiële herziening worden gefinancierd uit de gemeentelijke middelen. Planschade Artikel 6.1 van de Wro bepaalt dat burgemeester en wethouders een belanghebbende die als gevolg van een bepaling van een bestemmingsplan (of een ander ruimtelijk besluit) schade lijdt, in de vorm van inkomensderving of waardevermindering van een onroerende zaak, op zijn verzoek een tegemoetkoming in de schade toekennen. Daarbij geldt dat de schade redelijkerwijs niet voor rekening van de aanvrager behoort te blijven en dat een tegemoetkoming op een andere wijze niet is verzekerd. Binnen het normale maatschappelijke risico vallende schade blijft voor rekening van de aanvrager. Daarnaast wordt ook een waardevermindering van maximaal 2% ontstaan door een verandering in het planologisch regime binnen het normale maatschappelijke risico gerekend.
Bij het toepassen van een afwijkingsbevoegdheid (zoals aangegeven in 3.1.1) wordt een planschadeovereenkomst gesloten met de betreffende aanvrager. Hiermee komen eventuele planschadekosten voor rekening van de aanvrager. Dit geldt voor alle afwijkingen van het bestemmingsplan en dus ook voor kleinschalige windturbines.
5.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
De Wet ruimtelijke ordening (Wro) kent geen voorbereidingsprocedure voor de beheersverordening. De beheersverordening wordt door de gemeenteraad vastgesteld. Tegen het vaststellingsbesluit van een beheersverordening kan geen bezwaar of beroep worden aangetekend. De verordening treedt in werking met ingang van de achtste dag na de bekendmaking van het vaststellingsbesluit, tenzij in het besluit daarvoor een ander tijdstip is aangewezen. Gelijktijdig met het vooroverleg van het paraplubestemmingsplan is ook de beheersverordening toegezonden naar de overlegpartners provincie Fryslân, Wetterskip Fryslân, Veiligheidsregio en FUMO. Er zijn twee overlegreacties binnengekomen, namelijk van de FUMO en van Brandweer Fryslân. Deze overlegreacties zijn als bijlage 2 en bijlage 3 bij de toelichting opgenomen. Naar aanleiding van de overlegreacties zijn er een aantal wijzigingen in de beheersverordening doorgevoerd. Naar aanleiding van ingediende zienswijzen op het ontwerp-parapluplan is ook de partiële herziening beheersverordening hierop gewijzigd en/of aangevuld.
20/190
Vaststelling De partiele herziening beheersverordening is op 25 januari 2022 door de gemeenteraad van Ooststellingwerf vastgesteld.
21/190
22/190
Bijlagen toelichting
23/190
24/190
Bijlage 1
25/190
Memo parapluregeling windturbines bij agrarische percelen
MEMO Van Project Opdrachtgever
: : :
Mariëtte Hooftman 20201890 Gemeente Ooststellingwerf
Datum Aan CC
: : :
04-02 2021 … …
Betreft
:
Memo parapluregeling kleinschalige windturbines
1. Inleiding
Door een recente wijziging van de Verordening Romte Fryslân bestaan er nu mogelijkheden om onder voorwaarden kleine windturbines bij agrarische bouwpercelen te realiseren. Er wordt een zgn ‘parapluregeling’ opgesteld waarmee de geldende bestemmingsplannen en beheersverordeningen in de gemeente Ooststellingwerf op dit onderdeel worden herzien. De parapluregeling maakt het mogelijk om voor kleinschalige windturbines een omgevingsvergunning te verlenen in afwijking van het bestemmingsplan. Voorafgaande aan het opstellen van de regeling is deze beknopte memo opgesteld waarin wordt ingegaan op de achtergrond en de uitgangspunten voor de op te stellen juridische regeling. Met deze memo wordt aldus het kader geschetst voor de op te stellen parapluregeling. De juridische regeling sluit zo veel mogelijk aan op de provinciale omgevingsverordening.
2. Achtergrond
Ooststellingwerf wil in 2030 een energieneutrale gemeente zijn. Dit houdt in dat vanaf dan alle benodigde energie duurzaam binnen de eigen gemeentegrenzen moet worden opgewekt. Dat doel wordt alleen behaald wanneer er voldoende lokale hernieuwbare opwekking plaatsvindt. De verordening Romte biedt met de recente wijziging de ruimte om dit voor agrarische bedrijven te faciliteren. Zonnepanelen op agrarische bedrijfsdaken waren uiteraard al toegestaan maar de ervaring leert, dat een goede combinatie van zon en wind tot een energieneutraal bedrijf kan leiden. Met deze regeling wordt het voor meer boeren wellicht haalbaar om energieneutraal te worden1. Naast klimaatdoelstellingen en het voorkomen van problemen met- en investeringen in het netwerk, biedt het nieuwe beleid de agrarische bedrijven ook mogelijkheden om een rendabele bedrijfsinvestering te doen waardoor de energielasten dalen. Afstemming tussen energieverbruik en – opwek Een goede afstemming tussen eigen energieverbruik en -opwekking wordt steeds belangrijker omdat de terugleververgoeding zal worden afgebouwd en de (maatschappelijke) opgave om het elektriciteitsnet te verzwaren steeds groter wordt. Dat komt niet alleen vanwege een grotere vraag naar elektriciteit maar met name omdat steeds meer mensen en bedrijven zelf duurzame stroom gaan produceren.
Wanneer de netverzwaring direct samenhangt met energieproductie in plaats van de energievraag, wordt steeds vaker de vraag gesteld of er nog wel sprake is van maatschappelijke kosten. Wanneer verbruik en opwekking redelijk in evenwicht zijn hoeven kosten m.b.t. netverzwaring meestal niet te worden gemaakt en is ook de vraag wie de kosten moet betalen niet aan de orde. Er zijn dan zelfs mogelijkheden om – wanneer er ook nog sprake is van eigen opslag – volledig energieonafhankelijk te worden en ’off grid’ te gaan. De nu door de provincie geboden 1
In Fryslân zijn verschillende partijen actief als het gaat om de levering van kleine windturbines. Zij leveren verschillende typen kleine windturbines die variëren in een jaarlijkse energieproductie van 30.000 tot ongeveer 90.000 kWh, afhankelijk van het type molen en de locatie.
1
Rho adviseurs voor leefruimte Druifstreek 72-C 8911 LH LEEUWARDEN
mogelijkheid om onder voorwaarden kleine windturbines bij agrarische bouwpercelen te realiseren voorziet in een goede afstemming tussen eigen energieverbruik en -opwekking. Een stabieler netwerk door een combinatie van zon en wind Een combinatie van zon en wind zorgt voor een stabieler netwerk. Hoewel hiervoor niet ingericht, was de capaciteit van het elektriciteitsnet aanvankelijk toereikend om het stroomgebruik en de -teruglevering te verwerken. Nu wordt steeds vaker duidelijk dat de grenzen van het laag- en het middenspanningsnetwerk zijn bereikt en is verdere netverzwaring steeds vaker noodzakelijk. Dit is een tijdrovend en duur proces. Door wind en zon te combineren, wordt piekverbruik en pieklevering vermeden en hoeft het net niet op deze extremen te worden ontworpen en ontstaat een stabieler netwerk en blijft de verduurzaming van het energieverbruik door de uitbouw van elektriciteitsopwekking en -distributie betaalbaar. De nu door de provincie geboden mogelijkheid om onder voorwaarden kleine windturbines bij agrarische bouwpercelen te realiseren voorziet in de mogelijkheid zon en wind te combineren, en daardoor voor een stabieler netwerk te zorgen.
3. Omgevingsaspecten
De belangrijkste randvoorwaarden in relatie tot omgevingsaspecten worden hieronder kort toegelicht. Geluid De kleinschalige windturbine moet voldoen aan de van toepassing zijnde eisen van het Activiteitenbesluit, waaronder de geluidsnormen. Het totale geluidniveau wat een inrichting maximaal mag produceren op de gevel van omwonenden en andere geluidgevoelige objecten is opgenomen in het Activiteitenbesluit. Een windturbine of een combinatie van windturbines moet, ten behoeve van het voorkomen of beperken van geluidhinder, voldoen aan de norm zoals is aangegeven in het Activiteitenbesluit. Er is een akoestisch onderzoek in 2018 uitgevoerd bij een windturbine met een ashoogte van 24 meter. Daaruit blijkt dat bij windsnelheden tussen de 2 en 8 meter per seconde het geluid van de turbine op een afstand van 30 a 40 meter niet meer boven het achtergrondgeluid uitkomt. Naarmate het harder waait maakt de wind zelf ook meer geluid. Ecologie Bij elke aanvraag voor plaatsing van een kleinschalige windturbine wordt per locatie gekeken of de Flora- en Faunawet van toepassing is. Wanneer dit het geval is, zal de initiatiefnemer een ontheffing moeten aanvragen. Slagschaduw In het activiteitenbesluit zijn ook regels voor het voorkomen of beperken van slagschaduw en lichtschittering opgenomen. Bij kleine windturbines treedt geen slagschaduw op.
Als de zon de rotor van een grote windturbine belicht, leidt dit tot een bewegende schaduw. Doordat de wieken van een grote windturbine heel lang zijn (30 tot 50 meter) ervaren mensen deze schaduw soms als hinderlijk. De lange wieken maken namelijk een lange schaduw en bewegen bovendien relatief langzaam (20 omwentelingen per minuut). Miniturbines kunnen geen slagschaduw maken. Enerzijds heeft dat te maken met een korte en smalle wiek (maximale wieklengte is 2,5 meter) en anderzijds door een hoog aantal (150 tot 400) omwentelingen per minuut. De wieken van een miniturbine zijn te klein en draaien te snel om een hinderlijke schaduw te kunnen veroorzaken. Veiligheid In het Bouwbesluit staan technische eisen en normen voor een verantwoorde bouw. In de Bouwverordening en in het Besluit omgevingsrecht (Bor) zijn met name eisen gesteld aan de situering van bouwwerken en de toegestane hoogte. Kleinschalige windturbines worden niet expliciet genoemd in de Bouwverordening en het Bor. Een aanvraag voor een omgevingsvergunning moet de gemeente op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) toetsen aan het Bouwbesluit. Dit geldt voor alle bouwwerken en dus ook voor de kleinschalige windturbines. De kleinschalige windturbines moeten voldoen aan de van toepassing zijnde eisen uit het Bouwbesluit, bijvoorbeeld ten aanzien van fundering.
De kleinschalige windturbine is daarnaast, voor zover mogelijk, voorzien van het Kleinwind-keurmerk opgesteld door de Nederlandse Windenergie Associatie (NWEA) of een daarmee gelijk te stellen keurmerk. 2 Rho adviseurs voor leefruimte Druifstreek 72-C 8911 LH LEEUWARDEN
Landschap, zicht en beleving Een kleine windturbine is een zichtbaar element in het landschap. Om de impact op het landschap te beperken moet de turbine een ruimtelijke eenheid vormen met de overige bebouwing en beplanting op het perceel. De turbines moeten zorgvuldig worden ingepast binnen de landschappelijke-en cultuurhistorische kernkwaliteiten. Hiertoe wordt een landschappelijk toetsingskader opgesteld, waarin randvoorwaarden voor plaatsing worden opgenomen. Het landschappelijk kader wordt als bijlage bij het parapluplan opgenomen. Het landschappelijk kader omvat algemene, overal geldende ruimtelijke randvoorwaarden. Daarnaast omvat het landschappelijk kader eisen en randvoorwaarden per landschapstype: in welk landschapstype worden op basis van het beleid kleine windturbines uitgesloten, waar zou terughoudend met windturbines omgegaan moeten worden en waar zou maatwerk geleverd moeten worden. De te plaatsen kleinschalige windturbine voldoet aan de ter plaatse geldende welstandsnota. Indien de kleinschalige windturbine wordt geplaatst op of bij een Rijksmonument, beeldbepalend pand of karakteristiek pand wordt alleen medewerking verleend bij een positief advies van een onafhankelijke deskundige op het gebied van landschap en stedenbouw. Verstoring In de gemeente Ooststellingwerf is een locatie voor radioastronomie.
Kleine windturbines kunnen een effect hebben op de werking van deze antennes. Als er windturbines binnen 2 km van de antennes worden geplaatst dan verstoren zij de signalen die worden opgevangen en zou daarmee de volledige locatie onbruikbaar worden. Daarom wordt er in het parapluplan een bepaling opgenomen dat binnen 2 km van de locatie geen windturbines gebouwd mogen worden. Overige aspecten De aanvrager van de kleinschalige windturbine is bereid een planschadeovereenkomst aan te gaan met de gemeente.
4. Beleidsmatig context
Met het vaststellen van het klimaatakkoord en de ondertekening door de VNG op 29 november 2019 is er landelijk een kader vastgesteld waar initiatieven rekening mee dienen te houden. De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) stuurt aan op het bieden van ruimte voor opwekking van duurzame energie en de Omgevingsvisie Fryslân (‘De Romte Diele’) zet in op vier urgente opgaven voor de provincie, waaronder ‘de energietransitie met kracht voortzetten’. Hieronder wordt beknopt ingegaan op het relevante beleidskader: 1. Verordening Romte Fryslân Op 1 juli 2020 is de Wijziging Verordening Romte Fryslân 2014 (windturbines) gewijzigd vastgesteld. De wijzigingen betreffen een kleine nuancering in de voorwaarden voor windturbines met een tiphoogte van maximaal 15 meter in de planregels en een aanpassing in de toelichting m.b.t. de ruimtelijke procedure voor windturbines met een tiphoogte van maximaal 15 meter. Ook is een lijst met bestaande dorpsturbines opgenomen en zijn de voorwaarden voor de opschaling aangepast. Op grond van de regeling wordt onder voorwaarden ruimte geboden voor de volgende ontwikkelingen: 1. het realiseren van een windturbine (maximaal 3) met een as-hoogte van maximaal 15 meter, geplaatst bij agrarische bebouwing; 2. het opschalen van een bestaande dorpsturbine tot een tiphoogte van 100 meter; 3.
het plaatsen van een nieuwe solitaire windturbine met een tiphoogte van 100 meter na sanering van oude windturbines met een gezamenlijke tiphoogte van 100 meter. De verordening is in werking getreden op 22 juli 2020. In relatie tot de op te stellen parapluregeling is punt 1 van belang. In een ruimtelijk plan kan het plaatsen van maximaal 3 windturbines op of direct grenzend aan het bouwperceel van een bestaand agrarisch bedrijf worden toegestaan, met in achtneming van de volgende voorwaarden: a. de windturbines mogen een maximale as-hoogte van 15 meter hebben; b. het op te stellen vermogen is gericht op de energiebehoefte van het agrarisch bedrijf; 3 Rho adviseurs voor leefruimte Druifstreek 72-C 8911 LH LEEUWARDEN
c.
de turbines moeten zorgvuldig worden ingepast binnen de landschappelijke- en cultuurhistorische kernkwaliteiten, waarbij de mogelijkheden om te voorzien in de energiebehoefte van het agrarische bedrijf door middel van zonnepanelen op de gebouwen zijn verkend.
In de ‘Toelichting wijziging Verordening Romte Fryslân 2014 (windturbines)’ wordt het volgende vermeld ten aanzien van ‘eigen behoefte’, ‘inpassing’ en ‘procedure’: Eigen behoefte Uit landschappelijke overwegingen willen wij het aantal windturbines beperkt houden. Ook vinden wij het belangrijk dat extra druk op het net zoveel mogelijk wordt voorkomen. Om deze redenen is besloten alleen windturbines bij agrarische bedrijven toe te staan als het opgestelde vermogen van de te plaatsen windturbine(s) is gericht op de eigen behoefte van het agrarisch bedrijf. Voor het bepalen van het eigen gebruik kan het gemiddelde energieverbruik van de afgelopen drie jaar als leidraad aangehouden worden. Wij begrijpen echter dat het afstemmen van het vermogen op de eigen behoefte geen exacte wetenschap is. Vooral wanneer gekozen wordt voor een combinatie met zonnepanelen of een mestvergister is het bijna niet te vermijden dat op enig moment toch sprake is van teruglevering aan het net. Dit vinden we niet problematisch, zolang gebruik gemaakt kan worden van de bestaande eigen netaansluiting van het agrarische bedrijf. Maatwerk blijft ook hier echter mogelijk. In uitzonderingsgevallen kan gemotiveerd worden dat door omstandigheden een netverzwaring toch nodig is om in de eigen behoefte te kunnen voorzien.
Inpassing In de regels van de verordening wordt van gemeenten gevraagd om de windturbines goed in te passen en daarbij de tevens mogelijkheden voor zon op dak te verkennen. Maatwerk is belangrijk. Wanneer zon op dak een reële optie is voor het bedrijf dan moet zorgvuldig worden afgewogen of vanuit oogpunt van ruimtelijke kwaliteit het plaatsen van zon op dak dan niet de betere manier is om te voorzien in de eigen energiebehoefte. Procedure Het draagvlak dat in de provincie aanwezig is voor windturbines van 15 meter willen wij graag behouden. Wij vinden het daarom belangrijk dat van geval tot geval een gedegen landschappelijke afweging wordt gemaakt tussen de opties voor zon op dak en wind. Wij willen hier ook op toezien. Wij vragen daarom van gemeenten om alleen meteen uitgebreide procedure omgevingsvergunning, wijzigingsplan, postzegelplan of een reguliere procedure op grond van Bijlage II artikel 4 Bor mee te werken aan het plaatsen van windturbines van 15 meter. Concreet betekent dit dat over alle aanvragen voor het plaatsen van één of meerdere windturbine(s)wettelijk vooroverleg op grond van artikel 3.1.1 Besluit Ruimtelijke Ordening/artikel 6.18 Besluit omgevingsrecht met de provincie gevoerd zal moeten worden.
2. Klimaatakkoord en RES (Regionale Energie Strategie) De regionale energie strategie (RES) is een voortvloeisel van het klimaatakkoord. De landelijke opgave tot het opwekken van 35TWh aan hernieuwbare energie is hierin benoemd. Tevens geeft het klimaatakkoord kaders mee aan de RES. Voor de overgang naar meer schone energie en minder CO₂-uitstoot is het belangrijk om samen te werken over gemeentegrenzen heen. Daarom is Nederland ingedeeld in dertig energieregio’s. Fryslân is daar één van. Binnen de regio’s werken overheden, inwoners, bedrijfsleven, netbeheerders, energiecoöperaties en maatschappelijke organisaties samen aan de energietransitie. Hun afspraken leggen ze vast in een Regionale Energiestrategie (RES). De concept-RES is klaar. Hierin staat welke elektriciteit er al wordt opgewekt in Fryslân, welke elektriciteitsprojecten op de planning staan en welke kansen er zijn om de woningen duurzaam te verwarmen. In Fryslân wordt in 2030 tenminste 2,3 TWh aan energie opgewekt met zonnepanelen en windturbines. De meeste elektriciteit (1,8 TWh) komt straks uit wind. Hiervan levert Windpark Fryslân 1,34 TWH. Bij zonne-energie gaat het om zowel zonneparken als zonnepanelen op daken. 3. Fryske Energie Waaier De Fryske Energie Waaier is een handreiking voor de ontwikkeling van energieprojecten om duurzame stroom op te wekken in Fryslân.
De Waaier is ontwikkeld in het kader van de RES Fryslân. In het Klimaatakkoord zijn afspraken gemaakt om de COշ uitstoot in 2030 met 49% te reduceren ten opzichte van 1990. Om dit te realiseren is Nederland opgedeeld in 30 RES regio’s waarbij elke regio aangeeft hoe bij te dragen aan de opwekking van duurzame energie. De Fryske Energie Waaier bevat een eerste set aan energiebouwstenen en uitgangspunten. De energiebouwstenen zijn flexibel, het zijn principe-oplossingen. Deze zijn in elk landschap anders en kunnen per plek anders ontwikkeld worden. In de ‘Fryske Energie Waaier’ wordt geconstateerd dat de waardering voor het landschap groot is. Er zijn zorgen dat de optelsom van energiemaatregelen ten koste kan gaan van de 4 Rho adviseurs voor leefruimte Druifstreek 72-C 8911 LH LEEUWARDEN
ruimtelijke kwaliteit en verrommeling van het landschap kan veroorzaken. De ruimtelijke kwaliteit al in het planproces afstemmen kan meerwaarde hebben. Dit voorkomt risico’s van verrommeling op de lange termijn. En daarmee het risico van minder maatschappelijk draagvlak. 4. Nulmeting en potentiestudie hernieuwbare energie (16 oktober 2020) Ooststellingwerf wil zich ontwikkelen tot een energieneutrale gemeente, een doel dat (reeds) in 2030 behaald moet zijn. Recent zijn ook in regionaal verband afspraken gemaakt over de productie van hernieuwbare energie via de (concept-)RES Fryslân. De vraag is ontstaan hoeverre de huidige energievraag en duurzame-energieproductie zich tot elkaar verhouden, om inzicht te krijgen in de resterende opgave onderweg naar de eigen doelen en die uit de RES. In het verlengde hiervan wil de gemeente graag weten welk potentieel Ooststellingwerf kent om het aandeel duurzame energie op korte en middellange termijn verder uit te breiden. De ‘Nulmeting en potentiestudie hernieuwbare energie’ geeft hier inzicht in.
5. Miniturbines of ‘wokkels’
Naast kleinschalig wind zijn ook miniturbines of ‘wokkels’ mogelijk. Dit zijn windturbines speciaal ontwikkeld voor de toepassing boven op gebouwen. Een miniturbine is toegestaan op gebouwen en bouwwerken, geen gebouw zijnde. De bouwhoogte van een mini turbine is maximaal 5 meter boven het hoogste punt van dat gebouw of bouwwerk. Deze turbines kunnen beter overweg met de wisselende windomstandigheden, maar hebben over het algemeen wel een lager rendement. De (kleinschalig) opgewekte elektriciteit kan direct in het gebouw en/of op locatie worden gebruikt. Voor een miniwindturbine is een omgevingsvergunning nodig is. Op grond van artikel 4, lid 4 van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (kruimelgevallenregeling) is het mogelijk om af te wijken van de bouwregels uit het bestemmingsplan. Een miniwindturbine valt onder de categorie `gelijksoortige uitbreiding`: `uitbreiding van een bouwwerk met een bouwdeel van ondergeschikte aard, zoals liftopbouwen, schoorstenen, ventilatiekanalen, airco-units, luchtbehandelingsinstallaties, glazenwassersinstallaties, brandtrappen of bouwwerken die samenhangen met installaties binnen een gebouw`. De afwijking van het bestemmingsplan moet wel gemotiveerd worden.
6. Toelichting op de juridische regeling
Het parapluplan voorziet in een regeling om onder (de door de provincie gestelde) voorwaarden kleine windturbines op of aangrenzend aan een agrarisch bouwperceel toe te staan. De juridische regeling sluit dan ook zo veel mogelijk aan op de randvoorwaarden zoals gesteld in de provinciale omgevingsverordening. Het parapluplan is gebaseerd op het behouden van de juridisch-planologische ruimte zoals deze is opgenomen in de geldende bestemmingsplannen/beheersverordeningen. Het parapluplan vormt het juridisch-planologische regime voor het onder voorwaarden mogelijk maken van kleine windturbines op en aangrenzend aan agrarische bouwpercelen. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van de zogenaamde binnenplanse afwijkingsprocedure. In de’ algemene bouwregels’ wordt een afwijkingsbevoegdheid opgenomen om kleine windturbines te bouwen bij of aangrenzend aan een agrarisch bouwperceel. De voorwaarden die de provincie aan het toestaan van kleine windturbines stelt, worden als toetsingskader aan de afwijking met een omgevingsvergunning opgenomen. Met betrekking tot de voorwaarde dat de kleine windturbines zorgvuldig worden ingepast in de landschappelijke- en cultuurhistorische kernkwaliteiten van het landschapstype, zal de beoordeling plaatsvinden aan de hand van het separaat opgestelde ‘Landschappelijk toetsingskader kleine windturbines’.
5 Rho adviseurs voor leefruimte Druifstreek 72-C 8911 LH LEEUWARDEN
Bijlage 2
31/190
Vooroverlegreactie EV advies FUMO
MEMO Van Aan
: Kerstin Probst : Petra Rietsema
Datum Betreft Referentie
: 26 augustus 2021 : 2021-FUMO-0053881 :
Algemeen De gemeente Ooststellingwerf heeft een bestemmingsplan opgesteld (paraplubestemmingsplan) kleine windturbines, versie 25-5-2021. Gevraagd wordt om te adviseren over de paragraaf externe veiligheid. Het plan voorziet in een eensluidende regeling voor windturbines bij agrarische bouwpercelen. De parapluregeling maakt het mogelijk om voor windturbines met een ashoogte tot 15 meter een omgevingsvergunning te verlenen in afwijking van het bestemmingsplan.
Figuur 1: plangebied paragraaf 4.1.2 Externe Veiligheid In de paragraaf wordt niet specifiek ingegaan op de risico’s van kleine windturbines op externe veiligheid/omgevingsveiligheid. risico’s kleine windturbines Grote windturbines (> 1 MW, ashoogte 60 meter en meer) worden in de wet- en regelgeving zoals het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) gezien als risicoverhogende objecten. Voor kleine windturbines is er geen wettelijk kader.
Zowel de buisleidingexploitanten en exploitanten voor hoogspanningsinfrastructuur adviseren voor kleine windturbines om voldoende afstand te houden tot hun infrastructuur. Omdat echter een wettelijk kader ontbreekt, dient de gemeente een beleidskader op te stellen waarin de ruimtelijke randvoorwaarden en toetsingskader voor het aanvragen van een omgevingsvergunning (zoals nu is opgenomen in de regels artikel 4 en in de toelichting par. 3.1.2. onder 4.1d ) zijn vastgelegd. Diverse voorbeelden hiervan zijn: b_NL.IMRO.0109.100BP00043-0002_rb1.pdf (ruimtelijkeplannen.nl) b_NL.IMRO.1730.BPfacetwindBuTy-0401_rb1.pdf (planviewer.nl) Geadviseerd wordt om te overwegen om een dergelijk beleidskader in de bijlage van de toelichting op te nemen. onderzoek risicobronnen plangebied Voor het plangebied is met name de buisleidinginfrastructuur en hoogspanningsinfrastructuur van belang. Figuur 3 suggereert dat in het gehele plangebied gasinfrastructuur is gelegen. Geadviseerd wordt om een figuur op te nemen waarin alleen de buisleiding wordt gepresenteerd zoals onderstaand voorbeeld (uitsnede EV-signaleringskaart met gasinfrastructuur (geraadpleegd op 8 juli 2021).
Binnen het plangebied bevindt zich hoogspanningsinfrastructuur. Het betreft een 110 kV-leiding van het trafostation Drachten naar het trafostation Oosterwolde en een 110 kV-leiding van het trafostation Oudehaske naar het aftakpunt Donkerbroek.
-2/4-
Geadviseerd wordt om een figuur op te nemen waarin de hoogspanningslijn wordt gepresenteerd zoals onderstaand voorbeeld (uitsnede HoogspanningsNet Netkaart (geraadpleegd op 8 juli 2021)
aan te houden afstanden hoogspanningsinfrastructuur Zie uitspraak van de Raad van State m.b.t. afstanden hoogspanningsinfrastructuur. 05-Bijlage-3-Memo-toelichting-aanpassing-bestemmingsplan-1.pdf (midden-groningen.nl) Voorgesteld wordt om in deze paragraaf het volgende op te nemen onder het kopje onderzoek: Binnen het plangebied liggen verscheidene gasleidingen, regionale wegen en andere risicobronnen; gebieden kunnen niet worden getoetst aan de mogelijkheid om de bouw van een kleinschalige windturbine al dan niet uit te sluiten en wordt dit gedaan ten tijde van een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het bouwen van een windturbine. noot: Hierbij kan worden verwezen naar het beleidskader behorend tot dit bestemmingsplan dat eisen stelt aan kleinschalige windturbines ten aanzien van de afstand ervan tot de risicobronnen). - specifiek de benaming van de hoogspanningslijnen vermelden. noot: Hierbij weer te verwijzen naar het beleidskader. planregels Er zijn geen regels gedefinieerd aangaande: - de plaatsing van de windturbine op een gebouw en de toegestane tiphoogte t.o.v. bouwhoogte gebouw; - maximale rotordiameter van een VAT-type; - afstanden van kleine windturbine tot andere kleine windturbine; - de mogelijkheid om een kleinere afstand van 25 meter mits de leidingbeheerder instemt met een kortere afstand;
-3/4-
-
het gestelde m.b.t. de maximale werpafstand bij 2 keer het nominaal toerental geldt voor het HAT-type; - welke afstand geldt tot de meest nabijgelegen gevoelige bestemming; Geadviseerd wordt om na te gaan in hoeverre bovenstaand moet worden toegevoegd. De wet- en regelgeving voor kleine windturbines is niet opgenomen. Zie onderstaand voorbeeld.
Geadviseerd wordt om na te gaan in hoeverre bovenstaand moet worden toegevoegd.
-4/4-
36/190
Bijlage 3
37/190
Vooroverlegreactie Brandweer
Gemeente Ooststellingwerf T.a.v. M. van der Zwaag Postbus 38 8430 AA OOSTERWOLDE
Datum 11 augustus 2021 Onze referentie UIT/21013430/BRW/BR/RB Uw referentie Uw brief van 5 juli 2021
Onderwerp
Postbus 612 8901 BK LEEUWARDEN T 088 22 99 666 F 088 22 99 661 I www.brandweerfryslan.nl E info@brandweerfryslan.nl
Behandeld door M. Koonstra Doorkiesnummer 088 22 98 944 E-mail m.koonstra@brandweerfryslan.nl Bijlagen 0
Advies concept paraplubestemmingsplan en concept partiële herziening beheersverordening voor kleine windturbines bij agrarische bedrijven in Ooststellingwerf
Geacht college, Op 5 juli 2021 heeft u in het kader van artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening aan ons ter advisering het concept van het ‘Paraplubestemmingsplan windturbines Ooststellingwerf’ en het concept van de ‘Partiële herziening beheersverordening windturbines Ooststellingwerf’ toegezonden, met de vraag eventuele opmerkingen aan u te richten. Er zijn geen exacte locaties beschreven waar men voornemens is één of meer windmolens/ turbines te plaatsen, maar middels het paraplubestemmingsplan en de beheersverordening met eensluidende regeling worden kleine windturbines (met een ashoogte tot 15 meter) op en aangrenzend aan agrarische bouwpercelen in de gehele gemeente Ooststellingwerf mogelijk gemaakt. Het moet daarbij gaan om windturbines waarvan het opgestelde vermogen van de te plaatsen windturbine(s) is gericht op de eigen behoefte van het agrarisch bedrijf. Externe veiligheid en overige Voor windturbines gelden met het oog op de externe veiligheid diverse veiligheidseisen vanuit verschillende soorten wet- en regelgeving. Daarnaast hanteren sommige instanties eigen richtlijnen/ toetsingscriteria. Onderstaand hebben we vanuit het oogpunt van externe veiligheid gekeken naar een aantal aspecten voor realiseren van toekomstige windturbines. Ook gaan we (kort) in op de richtlijnen/ toetsingscriteria van sommige instanties. De lijst is niet limitatief.
Kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten Middels het Activiteitenbesluit milieubeheer is onder artikel 3.15a lid 1 en 2 beschreven wat de wettelijke afstand is vanaf kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten tot windturbines. Onder lid 1 is bepaald dat het plaatsgebonden risico (PR) voor een buiten de inrichting gelegen kwetsbaar object, veroorzaakt door een windturbine of een combinatie van windturbines, niet hoger is dan 10-6 per jaar (PR 10-6). Op basis van artikel 3.15a, lid 2, geldt voor een beperkt kwetsbaar object een PR 10-5 per jaar. De exacte veiligheidsafstanden in meters zijn vooraf niet te bepalen. Dit omdat deze afhankelijk zijn van turbine type, vermogen, ashoogte e.d. van de windturbine.
Brief: UIT/21013430/BRW/BR/RB Pagina 2 van 4
Wij adviseren om aan voornoemde wettelijke risicocontouren tot kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten vast te houden. Risicovolle inrichtingen conform Bevi Overeenkomstig het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) worden objecten van hoge infrastructurele waarde, zoals windturbines, gezien als een beperkt kwetsbaar object. In het Bevi staan geen bepalingen voor het plaatsen van windturbines bij risicovolle inrichtingen. Een goede ruimtelijke ordening (Wro) houdt wel in dat met risicoverhoging rekening wordt gehouden bij de besluitvorming over een vergunning of bestemmingsplan voor nieuwe windturbine(s). Bij een nieuwe of gewijzigde vergunning voor een Bevi-inrichting, of een (wijziging van) het bestemmingsplan voor een Bevi-inrichting, moet de risicoverhogende werking van bestaande windturbines wel worden meegenomen in de kwantitatieve risicoanalyse (QRA). Conform het Bevi wordt op basis van de QRA onder andere getoetst of de inrichting voldoet aan de normen voor het PR en moet het GR worden verantwoord. Wij adviseren om voor nieuw te plaatsen windturbines bij risicovolle inrichtingen eveneens een PR 10-6 contour aan te houden en daarnaast voor een nieuwe of gewijzigde vergunning of bestemmingsplan voor een Bevi-inrichting de uitgangspunten conform Bevi vast te houden.