CConstaterende datOoststellingwerf
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 4 - Partiële herziening beheersverordening windturbines Ooststellingwerf

Raadsvergadering 25 januari 2022, gemeente OoststellingwerfBij agendapunt: Paraplubestemmingsplan en partiële herziening beheersverordening windturbines Ooststellingwerf19.414 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

Woudontginningslandschap

 

Kernkwaliteiten van het woudontginningslandschap op basis van de landschapstypen: Bodem en ondergrond | humeuze dekzand met plaatselijk reliëf, pingoruïnes en dobben Maat en schaal | zeer kleinschalig Structuren | lange bebouwingslinten met wegbeplanting met voornamelijk haaks daarop staande van houtwallen of singels voorziene opstrekkende percelen met een gevarieerde lengtebreedte verhouding 1:4 tot 1:5 tot rechthoekige percelen; plaatselijk landgoederenstructuren opgenomen in de verkaveling Dorpen | wegdorpen en lintbebouwing Boerenerven | verspreid liggend opgenomen in de houtwallen- en elzensingelpatroon aan zandpaden en wegen Wegen | enkele hoofdwegen, intensief ontsloten door (zand)paden en (zand)wegen Water | vaarten, kanalen, veel verspreid voorkomende pingoruïnes en dobben Verkaveling | zeer langgerekte opstrekkende verkaveling Beplanting | elzensingels (lagere delen met sloten) en houtwallen( hogere delen), wegbeplanting, plaatselijk lanen en landgoedbossen Kernkwaliteiten van het woudontginningslandschap volgens CHK/FAMKE:  leidijken  vaarten, trekvaarten en wijken  verkaveling, opstrekkende  houtwallen en elzensingels  patroon van (zand)paden  eendenkooien  boerderijplaatsen  lineaire dorpen  kloosters, uithoven, kerken, stinzen- en staten(terreinen), landgoederen/ buitenplaatsen

35/46

kleinschalige, karakteristieke bebouwing: kleine boerderijen, arbeiderswoningen, zuivelfabrieken aan de vaarten beschermde dorpsgezichten

36/46

Het contrast tussen het open, grootschalige, lager gelegen beekdal en de besloten, kleinschalige, hoger gelegen woudontginning zorgt ervoor dat de opbouw van het gebied duidelijk herkenbaar is in het landschap. Om dit contrast herkenbaar te houden is het belangrijk om de beslotenheid en kleinschaligheid van de woudontginningen door opgaande beplanting te behouden en te versterken. Besloten, kleinschalig karakter, op hoge zandruggen, lange, smalle kavels met houtsingels op de perceelsgrenzen.

In de dertiende eeuw zijn de mensen begonnen met het in cultuur brengen van de dekzandruggen tussen de beekdalen. Deze ruggen zijn de hogere en dus drogere plekken in het landschap en daarom geschikt als woonplek. Op de dekzandruggen liggen langgerekte kavels, die haaks staan op de loop van de beek. De percelen worden van elkaar gescheiden door houtsingels en smalle bosstroken. Op deze drogere dekzandruggen, die van oost naar west liggen, zijn de lintdorpen ontstaan. De dorpen en buurtschappen zijn onderling verbonden door een rechtlijnig wegenpatroon dat ook de dekzandruggen volgt. Kenmerkend voor woudontginningen zijn de parallelle wegen waarvan er één over het hoogste deel van de zandrug loopt, de zogenaamde binnenweg, en de ander op de overgang tussen beekdal en dekzandrug ligt, de buitenweg. De grote doorgaande wegen op de zandruggen worden begeleid door laanbeplanting. Ook de bebouwing volgt de dekzandrug waardoor de woudontginningen hun karakteristieke langgerekte patroon van lintbebouwing, essen, heidevelden, hooilanden en bos hebben gekregen. De structuur van de woudontginningen wordt bepaald door het ontginningslint met haaks daarop singels, houtwallen en bosstroken die langgerekte landbouwkavels begeleiden. Deze kavelgrensbeplanting komt in verschillende breedtes, lengtes en dichtheden voor en staan tot op het erf.

De bebouwing en beplanting zorgt voor een afwisselend beeld van open en gesloten waardoor een aantrekkelijk silhouet ontstaat. Het is belangrijk om de doorzichten te waarborgen. Ook de overgang naar het beekdal geeft een afwisselend beeld doordat de singels, houtwallen en bosstroken in verschillende lengtes tot in het open gebied doorlopen.

37/46

Uitsnede onderlegger met woudontginningslandschap bij Donkerbroek en Haule

Kernkwaliteiten:  Parallelle wegenstructuur met aanliggende bebouwing, wat resulteert in lange, rechte bebouwingslinten;  Opstrekkende verkavelingsrichting met lange, smalle kavels vanaf de ontginningsas richting het beekdal;  Historische boerderijen in de linten, aan of op enige afstand van de weg.  Vaak parallelle wegenstructuur met een binnenweg op het hoogste deel van de zandrug en een buitenweg aan de zijde van het beekdal;  Regelmatige opzet van erven;

 

Laanbeplanting langs de wegen, houtsingels op perceelsgrenzen en bosstroken geven het gebied een kleinschalig en vrij besloten karakter; Duidelijk contrast tussen meer beplante dekzandruggen en weidse beekdalen.

Aanwezigheid van dijken.

Aaneengesloten, grootschalig met kleinschalige gradiënten, weids karakter, lagere ligging. De beekdalen zijn lage, door beken uitgesleten delen tussen de zandruggen. Doordat ze van oudsher nat en moeilijk begaanbaar waren, zijn de beekdalen lange tijd onbewoond gebleven. In de middeleeuwen fungeerden de beekdalen als hooiland en weidegrond voor het vee. In Ooststellingwerf liggen de beekdalen van de Linde, de Tjonger (Kuunder) en het Grootdiep/ Koningsdiep. Van oorsprong zijn dit meanderende beken, maar vanwege onder andere de waterbeheersing zijn de beken in de vorige eeuw gekanaliseerd: de Tjonger in 1880 en de Linde vanaf 1922. De vroegste bewoning van de beekdalen vond in drogere tijden ooit plaats op de oevers van de beken. Tegenwoordig staan verspreid langs wegen uit de ruilverkaveling forse boerderijen met schuren en stallen duidelijk als kleine en geïsoleerde elementen in het open beekdal. Kernkwaliteiten:  Open, weids karakter;  Een grootschalige openheid, die sterk contrasteert met de meer besloten woudontginningen op de zandruggen;  Slotenpatroon haaks op de loop van de beek;  Rationele en planmatig aangelegde ruilverkavelingswegen;  Bebouwing komt beperkt voor, alleen aan later aangelegde ruilverkavelingswegen;  Regelmatige opzet van erven;  Incidentele beplanting, meestal gekoppeld aan erven;

38/46

Uitsnede onderlegger met beekdallandschap van De Tsjonger

Beslotenheid, kleinschaligheid en een onregelmatige verkavelingsstructuur. Op de uitlopers van het Drents Plateau is, net als in Drenthe, in de vroege middeleeuwen het essenlandschap ontstaan. Rond deze essen zijn de dorpen en buurtschappen gegroeid, zoals Oosterwolde, Jardinga, Schrappinga, Weper, Tronde en Oud Appelscha. De essen liggen als eilanden tussen de beekdalen van het Grootdiep, de Tjonger en de Linde. Het ‘onland’ is vanuit de esdorpen afgeplagd en gemeenschappelijk begraasd. De lange geschiedenis van de esdorpen is in het landschap nog steeds te zien. Historische boerderijen, erven, houtsingels en (het reliëf van) de essen maken het een waardevol gebied. Het wegenverloop is kronkelig. De bolle vorm van de essen en de aanwezige steilranden zorgen op kleine schaal voor hoogteverschil.

Aan de rand van de essen, op de overgangen naar de beekdalen, liggen de esdorpen die vaak een stervormig bebouwingspatroon hebben met een brink als dorpskern. Bij boerderijen staat zware erfbeplanting van kleine bosjes, houtsingels en houtwallen als afscherming tussen het erf en de akkers en weilanden. Door deze erfbeplanting met veelal inheemse soorten loopt deze over in de beplanting in de omgeving. De bebouwing is hierdoor ingebed in het landschap. Rond de dorpen en buurtschappen liggen essen van diverse grootten. Wegen zijn zwaar beplant met bomenrijen en houtsingels die samen met reliëfrijke percelen met beplante randen, bospercelen en houtwallen zorgen voor een coulissewerking in het kleinschalige essenlandschap. Beplanting op de steilranden van een es zorgt ervoor dat de hoogteverschillen in het landschap zichtbaar zijn en blijven. Uitsnede onderlegger met essenlandschap rond Oosterwolde

Kernkwaliteiten:

 

   

39/46

Aanwezigheid van microreliëf: bollende bouwlanden (essen) en steilranden; Kleinschalig landschap met een afwisseling van houtsingels, bospercelen, esrandbeplantingen, boomgroepen, losse bomen en laanbeplanting langs de wegen; Onregelmatige verkaveling; Organisch wegenverloop vanuit de dorpen naar de omgeving, waarbij de wegen vaak nog een klinkerbestrating hebben en een bomenrij aan weerszijden; Historische boerderijen in een ruime opzet en vrije ordening ten opzichte van de weg en van elkaar; Onregelmatige opzet van erven. Zware erfbeplanting.

Kleinschalig/ half-open tot weids/ nat gebied/ veel vaarten Verkavelingsstructuur: regelmatig, opstrekkend. De hoogveengebieden zijn lange tijd ondoordringbare natte, ruige gebieden geweest. De hoogvenen strekten zich uit over het Drents Plateau tot in de bovenlopen van de beken en tot aan de dekzandruggen. Vanaf het eind van de negentiende eeuw zijn de gebieden in cultuur gebracht. De turf werd over het water afgevoerd. Langs de vaarten waar de turfstekers zich vestigen, ontstonden veenkoloniedorpen. De vaarten vormen zo naast transportas een ontginngingsbasis en afwateringskanaal voor het ‘onland’. Hier bevindt zich het Fochteloërveen, een 2500 hectare groot restant van het Drents- Friese hoogveengebied, en één van de weinige, bewaard gebleven, hoogveengebieden in Nederland. De Compagnonsbossen en het dorp Ravenswoud zijn in 2007 aangewezen als beschermd dorpsgezicht. De Compagnonsbossen kenmerken zich door het strakke patroon van wijken die op gelijke afstand van elkaar liggen. Dit geeft het gebied een duidelijke en systematische ordening. De vaarten vormen de hoofdstructuur van de dorpen in de hoogveenontginningen. Langs de vaarten zijn de veenkoloniale dorpen met de vele kleine arbeidershuisjes ontstaan. Bebouwing staat nu in halfopen en dichte linten langs de vaart waarbij in de dorpskern het dorp vaak is uitgegroeid tot buiten het lint.

Doorzichten vanuit het dorp naar het landschap zorgen voor een relatie tussen dorp en het buitengebied. De opstrekkende verkaveling ligt haaks op de vaarten en bebouwing waarbij sloten met houtsingels en elzensingels de kavelgrens aangeven. Deze erfbeplanting loopt over het erf langs de wijken en sloten het landschap in. De hoofdvaarten zijn geaccentueerd met zware laanbeplanting. Kernkwaliteiten:  De herkenbare veenkoloniale ontginningsstructuur van wijken, verkaveling en laanbeplantingen;  Stelsel van open hoofdvaarten met haaks daarop wijken in regelmatige onderlinge afstand;

40/46

Uitsnede onderlegger met hoogveenontginningslandschap bij Haulerwijk en het Fochteloërveen

  

 

Bebouwingslinten die zijn uitgegroeid tot langgerekte dorpen langs de hoofdvaart; Leidijken als oude waterkering (bij Fochteloo en Waskemeer); De omgeving van Ravenswoud (met de Compagnonsbossen) als beschermd (dorps)gezicht met kenmerkende rationele, blokvormige en rechtlijnige verkaveling die zich uit in de opzet van de wijkenstructuur en de ligging van de boerderijen op de kop van de kavels; Bebouwingslinten die zijn uitgegroeid tot langgerekte dorpen langs de hoofdvaart; De structuur van het gebied wordt bepaald door een opstrekkende verkaveling haaks op de hoofdvaart;

 

Erven meest een tot tweezijdig beplant en regelmatig van opzet. Erven als verdichtingen aan de weg; Open gebieden die door beplante wegen en bebouwingslinten worden begrensd.

De structuur van het gebied wordt bepaald door een rechthoekige verkaveling met afwisseling van landbouwgrond, grote bospercelen en heiderestanten en daarmee een afwisseling van open en besloten gebieden;

Half-open tot besloten, hoog en droog, blokverkaveling. De heideontginningen zijn de gronden in de gemeente die pas laat in cultuur zijn gebracht. Door hun natuurlijke omstandigheden, vooral de arme en droge bodem, waren deze gronden in eerste instantie niet geschikt als landbouwgrond. In het begin van de 20e eeuw zijn de heideontginningen ontstaan op de drogere randen van het Drents plateau en de hogere gronden langs de middenloop van beken. Door het steken van plaggen en begrazing ontstonden heidevelden en soms stuifzand. Later zijn deze heideontginningen dankzij de komst van kunstmest gecultiveerd of bebost voor houtproductie. Doordat heideontginningen een relatief jong landschap zijn, vind je er geen oude dorpsstructuren, maar ligt de bebouwing verspreid over het landschap in een onregelmatige blokverkaveling. In de open landbouwgebieden staan vaak grote bedrijfsgebouwen met een robuuste erfbeplanting van singels, erfbosjes en solitaire bomen. Het Nationaal Park Drents-Friese Wold is met een oppervlakte van meer dan 6000 hectare één van de grootste natuurgebieden van Nederland en is onderdeel van het heideontginningslandschap. De structuur van het landschap wordt bepaald door boscomplexen, grote en kleine heiderestanten en open landbouwgebieden die doorsneden worden door berkensingels, houtwallen en bosjes. Het landschap is daardoor afwisselend open en besloten.

Kernkwaliteiten:  Planmatige, rationele verkaveling in lange lijnen;  Nieuwe erven aan de nieuwe wegen door het gebied;  Afwisseling van open en besloten gebieden.

41/46

Uitsnede onderlegger met heide- en broekontginningslandschap bij Appelscha en Langedijke   

Inmiddels verdwenen spoorlijnen, grotendeels samenvallend met huidige wegenpatroon; Aanwezigheid van pingoruïnes en dobben; Bebouwing ligt verspreid aan de meestal sterk beplante wegen;

 

Regelmatige opzet van erven; Erven als verdichtingen aan de weg;

noordelijk deel

42/46

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Ooststellingwerf&id=f7cbae5b-1f68-4b13-9308-f96362065665