Bijlage 3 - GoFlo inclusief bijlagen (nieuw)
Tekst van het document
GoFlo De Compagnonswijk Appelscha
45
Er heeft op 17 september 2024 een vooroverleg met Wetterskip Fryslân plaatsgevonden. De gemaakte opmerkingen zijn verwerkt bij de uitwerking van het waterhuishoudingsplan (zie blz. 7). Samengevat: uit het waterhuishoudingsplan van Ortageo en het voorgaande blijkt dat er een goede waterhuishouding binnen De Compagnonswijk ontstaat. In het kader van de omgevingsvergunning voor de opvolgende fase(n) wordt het plan civieltechnisch uitgewerkt, in overleg met gemeente en waterschap. Op dat moment wordt ook de melding gedaan voor de te graven en verbreden watergangen. Het waterbelang is voor deze eerste fase voldoende afgewogen. 4.17 Lichthinder Lichthinder kan negatieve effecten veroorzaken voor de mens (denk aan nachtrust of verkeersveiligheid), ecologie (beïnvloeding natuurlijk gedrag van dieren) of horizon (zichtbaarheid op grote afstand). Het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) bevat een zorgplicht met betrekking tot het voorkomen van lichthinder bij het mobiel breken van bouw- en sloopafval. Voor assimilatiebelichting in kassen stelt het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) regels. Het Bal bevat tevens een zorgplicht met betrekking tot lichthinder door milieubelastende activiteiten. In de Omgevingsverordening provincie Fryslân (zie paragraaf 3.2.3) zijn geen regels opgenomen ter voorkoming van lichthinder.
In het Omgevingsplan gemeente Ooststellingwerf staan alleen regels over lichthinder bij sportvelden. Voor woningbouw gelden op dit moment geen regels. Toetsing In het landschapsplan is aangegeven dat de “hoogst noodzakelijke verlichting laag boven maaiveld zal worden aangebracht, zodat flora en fauna zo min mogelijk verstoord worden.” Om dit juridisch te borgen is een voorwaardelijke bepaling in de Bopa opgenomen. Een dergelijke wijze van verlichten is niet alleen goed voor de natuur maar ook voor de (nachtrust van) omwonenden en toekomstige bewoners. Het zorgt er tevens voor dat De Compagnonswijk niet van grote afstand zichtbaar is. Ook de nieuwe landschapsstructuren dragen sterk bij aan het afschermen van licht binnen en vanuit het projectgebied. Er is in dit opzicht sprake van een ETFAL.
GoFlo De Compagnonswijk Appelscha
46
5. Financieel-economische uitvoerbaarheid Economische uitvoerbaarheid In voorliggende GoFlo is onderbouwd dat met de ontwikkeling van De Compagnonswijk een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wordt bereikt. Er is op voorhand geen reden om aan te nemen dat het planvoornemen (vanwege financiële redenen) niet binnen een redelijke termijn gerealiseerd kan worden. Er is daarmee sprake van een economisch uitvoerbaar besluit. Kostenverhaal Op grond van artikel 13.11 Omgevingswet is de gemeente verplicht tot kostenverhaal, indien sprake is van een of meerdere aangewezen bouwactiviteiten. Het gaat hier om ‘kostenverhaalsplichtige activiteiten’ als genoemd in artikel 8.13 Omgevingsbesluit (Ob) ofwel 'een aangewezen bouwactiviteit’. Dit houdt in dat de gemeenteraad kostenverhaalsregels dient vast te stellen in het omgevingsplan, tenzij middels gemeentelijke gronduitgifte en/of een anterieure overeenkomst, cofinanciering, subsidies, gemeentelijk krediet, de kosten die het vanwege artikel 8.15 Ob maakt, anderszins verzekerd zijn dan wel vrijstelling wordt/is verleend voor de kosten in de gevallen genoemd in artikel 8.14 Ob. Het planvoornemen heeft betrekking op aangewezen bouwactiviteiten. De kosten voor De Compagnonswijk zijn ‘anderszins verzekerd’ omdat er een anterieure overeenkomst tussen de gemeente en de initiatiefnemer wordt afgesloten.
Nadeelcompensatie In artikel 8.15 Ob worden de kostensoorten in de tabellen A en B van bijlage IV Ob aangewezen als ‘verhaalbare kostensoorten’. In onderdeel A11 staat “Nadeelcompensatie aan derden als bedoeld in hoofdstuk 15 van de wet”. Nadeelcompensatie is een regeling voor schadevergoeding door rechtmatig overheidsoptreden. Het gaat over schade boven het normale maatschappelijke risico en het bedrijfsrisico die een persoon onevenredig zwaar treft. Daarbij kan onderscheid gemaakt worden tussen directe schade en indirecte schade. Directe schade ontstaat als er bestaande rechten worden ingeperkt. Indirecte schade heeft betrekking op toegevoegde activiteiten in de omgeving. In titel 4.5 Algemene wet bestuursrecht (Awb) staan de grondslagen, inhoudelijke eisen en procedurele bepalingen over de toekenning van nadeelcompensatie. De gemeente heeft dit uitgewerkt in de ‘Verordening nadeelcompensatie Ooststellingwerf 2022’. In de anterieure overeenkomst zijn bepalingen op basis van deze verordening opgenomen.
GoFlo De Compagnonswijk Appelscha
47
6. Voorbereiding & Participatie Verkennen initiatief (vooroverleg) De initiatiefnemer heeft in 2021 het overleg met de gemeente over de haalbaarheid van De Compagnonswijk opgestart. Het concept-plan is daarna uitgewerkt. Op 7 december 2022 is een principeverzoek bij het college van burgemeester en wethouders ingediend. Het college heeft op 5 september 2023 besloten om in principe medewerking te verlenen aan De Compagnonswijk. Daarbij is overwogen dat het plan ruimtelijk aanvaardbaar is, aansluit bij de Omgevingsvisie Ooststellingwerf alsook bij de Woon(zorg)visie Ooststellingwerf 2022-2026 en de regionale woningbouwafspraken, een bijdrage levert aan het terugdringen van het woningtekort en inzet op experimentele en architectonisch hoogwaardige woningbouw. Het college stelt als eis dat omwonenden tijdig geïnformeerd worden (zie hierna) en dat de vier geclusterde wooneenheden alleen zelfstandig en niet als zorgwoningen gebruikt mogen worden (zie paragraaf 3.3). Het landschapsplan is tot stand gekomen in nauw overleg tussen de initiatiefnemer en de gemeentelijke Taskforce Wonen. De taskforce heeft daarbij de provincie aangehaakt. Het provinciale Team Ruimtelijke kwaliteit heeft het landschapsplan positief beoordeeld en aangegeven dat het in dezelfde lijn uitgewerkt kan worden (per email d.d. 24 juli 2023).
Ook het waterschap is zo vroeg mogelijk betrokken vanuit het principe ‘bodem en water sturend’ (zie paragraaf 4.16). Het landschapsplan is aangepast naar aanleiding van deze overleggen met ketenpartners. Adviezen ketenpartners Op 10 november 2024 is de omgevingsvergunning voor de eerste fase aangevraagd. In dat kader zijn door de gemeente adviezen opgevraagd bij provincie Fryslân, Brandweer Fryslân en Wetterskip Fryslân. De binnengekomen adviezen zijn opgenomen als bijlage 15. Op 20 januari 2025 heeft de initiatiefnemer de adviezen besproken met de brandweer en het waterschap. Met de brandweer zijn afspraken gemaakt over het aanleggen van twee brandkranen, het verruimen van de bochtstralen, de belastbaarheid van de hoofdontsluiting en het garanderen van een voldoende doorgangbreedte en -hoogte voor brandweerauto’s. De afspraken met de brandweer zijn vastgelegd in een email (zie bijlage 15) en verwerkt in het landschapsplan en de bijbehorende doorsneden. Met het waterschap is afgesproken dat de sloot aan de westkant verbreed wordt tot 3 m om als afvoer richting de Boksloot te kunnen dienen. Verder is verduidelijkt dat de onderhoudsstrook langs de Boksloot aan de eisen van het waterschap voldoet. De afspraken met het waterschap zijn vastgelegd in een email (zie bijlage 15) en verwerkt in de waterparagraaf en het waterhuishoudkundig plan.
Het advies van de provincie gaf aanleiding tot nadere afstemming over de Regio Deal Zuidoost Friesland (zie paragraaf 3.3.2). Daarnaast vraagt de provincie duidelijkheid te geven over een eventuele ontgrondingsvergunning (zie paragraaf 4.15). Tevens wordt verzocht een vergunningvoorschrift op te nemen, zodat het project in het kader van soortenbescherming uitvoerbaar is (zie paragraaf 4.6). Tenslotte vraagt de provincie om het stikstofonderzoek aan te passen, vooral vanwege recente jurisprudentie. Het aangepaste stikstofonderzoek is opgenomen als bijlage 8 en verwerkt in paragraaf 4.6. Participatie Volgens de Nota van toelichting bij het Omgevingsbesluit is participatie: “het in een vroeg stadium betrekken van belanghebbenden (burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en
GoFlo De Compagnonswijk Appelscha
48
andere overheden) bij het proces van de besluitvorming over een project of activiteit” (blz. 133). Hoe deze betrokkenheid gebeuren moet, is niet aangegeven in de wet. Participatie is daarmee vormvrij. De gemeente Ooststellingwerf heeft ter inspiratie een ‘Participatiewijzer’ voor initiatiefnemers opgesteld. Daarin is aangegeven dat participatie betekent dat belanghebbenden tijdig bij plannen worden betrokken. Het doel daarvan is: “Door belanghebbenden bij jouw plan te betrekken, kom je tot een beter plan. Vragen, zorgen of ideeën van jouw omgeving kun je namelijk bespreken en meenemen in jouw plan. Daarnaast zorgt participatie met jouw omgeving ervoor dat de gemeente sneller een besluit kan nemen over jouw plan” (blz. 5). Er heeft een uitbreid participatietraject plaatsgevonden. In de periode van oktober tot en met december 2023 zijn de direct omwonden middels keukentafelgesprekken op de hoogte gebracht. Afhankelijk van de behoefte hebben soms meerdere gesprekken per adres plaatsgevonden. Op 14 november 2024 is ook Plaatselijk Belang Appelscha geïnformeerd. Voor de ondernemers rond het projectgebied is op 25 januari 2024 een afzonderlijke avond georganiseerd. Daarin is de relatie tussen het plan en de individuele bedrijfsbelangen besproken. Op 1 februari 2024 is een terugkoppeling van de keukentafelgesprekken in de Dorpskamer Appelscha gegeven.
Daarin is toegelicht op welke onderdelen het plan is aangepast naar aanleiding van de participatie (zie hierna). Op deze avond is tevens de website https://compagnonswijk.nl/ gelanceerd, waarmee alle bewoners van Appelscha (nader) geïnformeerd zijn over het planvoornemen. Parallel daaraan is op 15 februari 2024 een persbericht in de Nieuwe Ooststellingwerver ingezonden. Op 27 juni 2024 zijn de omwonenden in de Dorpskamer Appelscha gezamenlijk bijgepraat over het beeldkwaliteitsplan. Tijdens deze avond zijn nadere afspraken gemaakt over de verdere planuitwerking (zie onder). De omwonenden gaven tevens aan behoefte te hebben aan persoonlijke gesprekken met de initiatiefnemer. Dit heeft in juli 2024 plaatsgevonden. Van elk gesprek is een verslag teruggekoppeld aan de betreffende omwonenden. Naar aanleiding van de keukentafelgesprekken, het gesprek met Plaatselijk Belang Appelscha en het gesprek met de ondernemers is het landschapsplan op de volgende onderdelen aangepast: • In december 2023 is - mede naar aanleiding van de ‘ondernemersavond’ - besloten om in het kader van ‘milieuzonering’ enkele woningen op grotere afstand van de bedrijven te plaatsen.24 • De geclusterde wooneenheid is enkele meters opgeschoven in zuidelijke richting, zodat het doorzicht vanaf aangrenzende percelen (vooral Vaart NZ 9) zoveel mogelijk behouden blijft.
• De boomsingel aan de westzijde is enkele meters opgeschoven om bladval in de aangrenzende percelen tegen te gaan en om ruimte te bieden aan een onderhoudspad voor de sloot. • Om ongewenste zaadverspreiding vanuit het plangebied richting biologische kwekerij Symbiose tegen te gaan, worden struiken ten noorden van de ontsluitingsweg aangeplant. Voor deze beplantingsstrook (en het overige groen binnen het projectgebied) geldt een aanleg- en instandhoudingsverplichting op grond van een voorwaardelijke bepaling in de Bopa. Naar aanleiding van de avond over het beeldkwaliteitsplan zijn de volgende afspraken gemaakt:
24 In oktober 2024 is de systematiek voor milieuzonering door de VNG herzien. Hierop wordt in paragraaf 4.8 ingegaan.
GoFlo De Compagnonswijk Appelscha
49
•
Toekomstige bewoners van De Compagnonswijk worden actief geïnformeerd over het ‘gemengde gebied’ waarin ze komen te wonen. Daarmee wordt aan verwachtingsmanagement gedaan en wordt, zo mogelijk, begrip gecreëerd voor de activiteiten van omliggende bedrijven. • De initiatiefnemer gaat in een later stadium in overleg met de gemeente over de civieltechnische uitwerking van de ontsluiting op het Zuideinde. De omwonenden die over deze uitwerking mee willen denken, kunnen zich melden bij de initiatiefnemer of bij de gemeente. • Er is een visualisatie (3-D voorstelling) gemaakt om beter inzicht in het planvoornemen te geven. Deze visualisatie is gepresenteerd op de gemeentelijke ‘woningmarkt’ en de website. • De initiatiefnemer voert individuele gesprekken met omwonenden over de doorlopen participatie, de (verdere) planuitwerking en specifieke individuele wensen. Dit heeft plaatsgevonden. • Omwonenden worden via de website en e-mail doorlopend geïnformeerd over de planuitwerking en de procedure. Overige inwoners kunnen op aanvraag op de maillijst gezet worden. De omwonenden hebben verder aangegeven te vrezen voor verlies van uitzicht en privacy. Degenen die de achterzijde open hebben gelaten, kijken nu op het weiland uit.
Hieraan is tegemoet gekomen door de boomsingel met ondergroei aan de westzijde, verder naar het oosten op te schuiven, zodat er meer afstand tot de bestaande woningen ontstaat. Aan de noordzijde is de houtsingel (op verzoek) deels open gelaten om een doorzicht in stand te houden. Voor de houtsingel met ondergroei is een voorwaardelijke bepaling in de Bopa opgenomen. De omliggende bedrijven hebben zorgen geuit over mogelijke belemmeringen van De Compagnonswijk voor de bedrijfsvoering. Dit heeft ertoe geleid dat de dichtstbijzijnde woning aan de noordelijke rand op grotere afstand is geplaatst. De geclusterde wooneenheid is opgeschoven tot ‘achter’ de gesloten bedrijfsbebouwing van Mulder, wat gunstig is om eventuele geluidhinder te voorkomen. Tenslotte is door DGMR een milieukundige beoordeling opgesteld. Hieruit blijkt dat er geen sprake is van belemmeringen voor de bedrijfsvoering (zie paragraaf 4.8).
GoFlo De Compagnonswijk Appelscha
50
7. Belangenafweging en conclusie Voor De Compagnonswijk is een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (Bopa) op grond van artikel 5.1 lid 1 onder a van de Omgevingswet nodig. De aanvraag van een Bopa vraagt om een ‘goede onderbouwing van de effecten op de fysieke leefomgeving’ (een zogeheten ‘GoFlo’). In de GoFLo moet aangetoond worden dat sprake is van een ‘evenwichtige toedeling van functies aan locaties’ (ETFAL). Daarbij moet in ieder geval voldaan worden aan de beoordelingsregels uit artikel 8.0b t/m 8.0e van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Verder zijn de instructieregels voor het omgevingsplan uit hoofdstuk 5 Bkl van belang. In voorliggende GoFlo zijn alle relevante aspecten van de fysieke leefomgeving voor het planvoornemen onderzocht en afwogen. Daarbij zijn zowel de beoordelingsregels uit artikel 8.0b t/m 8.0e Bkl (zie vooral hoofdstuk 3) als de instructieregels uit hoofdstuk 5 Bkl (met name hoofdstuk 4 en 5) aan bod gekomen. Ook is een afweging gemaakt met betrekking tot de belangen van initiatiefnemer en omwonenden (zie met name hoofdstuk 1, 5 en 6). Uit het geheel van deze GoFlo blijkt dat sprake is van een ETFAL. Het planvoornemen is daarmee aanvaardbaar.
GoFlo De Compagnonswijk Appelscha
51
8. Bijlagen
Bijlage 1: Landschapsplan - boekje (+PEIL Bureau voor Architectuur en Stedenbouw) Bijlage 2: Landschapsplan - tekening (Buitenplans Projectontwikkeling) Bijlage 3: Beeldkwaliteitsplan (BügelHajema Adviseurs) Bijlage 4: M.e.r.-beoordeling (Gorissen Ruimtelijk Advies) Bijlage 5: Woningmarktverkenning (Makelaardij De Smelthe) Bijlage 6: Memo verkeer (BügelHajema Adviseurs) Bijlage 7: Ecologisch onderzoek (Bureau FaunaX) Bijlage 8: Stikstofonderzoek (BügelHajema Adviseurs) Bijlage 9: Memo Activiteiten en milieuzonering (DGMR) Bijlage 10: Onderzoek wegverkeerslawaai (WMA) Bijlage 11: Bodemonderzoek (Ortageo) Bijlage 12: Waterhuishoudingsplan (Ortageo) Bijlage 13: Doornsneden (BügelHajema Adviseurs) Bijlage 14: Bouwvlakken (BügelHajema Adviseurs) Bijlage 15: Adviezen ketenpartners
COLOFON Opdrachtgever Fam. J. Hoeksma Rapportage Gorissen Ruimtelijk Advies BV info@gorissenadvies.nl
Datum 29 januari 2025 Status DEFINITIEF
Copyright @2025 Gorissen Ruimtelijk Advies. Niets uit dit document mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm, elektronisch op geluidsband of op welke andere wijze dan ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming.
Memo verkeer woningbouwplan noordoostelijke rand Appelscha Opdrachtgever: Datum:
Buitenplans Projectontwikkeling BV 29 oktober 2024
Auteur:
BügelHajema Adviseurs
1
Projectnummer:
P002157
Inleiding
Onderzocht wordt de mogelijkheid een 12 tal woningen te realiseren aan de noordoostelijke rand van Appelscha in de gemeente Ooststellingwerf. De locatie ligt in de oksel van het Zuideinde en de Vaart Noordzijde.
Afbeelding 1 – Locatie woningbouw
De vragen wat betreft verkeer die bij deze locatie rijzen zijn:
2
-
hoeveel verkeer genereert de woningbouwlocatie?
-
hoe dient de locatie te worden ontsloten?
-
kan de doorstroming ten gevolge van dit plan in gevaar komen? Verkeersgeneratie
Aan de hand van de CROW-publicatie nr. 744 'Parkeerkencijfers 2024 - Basis voor parkeernormering' (augustus 2024) is het aantal ritten dat per etmaal wordt gegenereerd door de locatie berekend. Deze publicatie geeft naast kencijfers in de parkeerbehoefte per woning ook inzicht in de te verwachten
verkeersgeneratie per woning op basis van de stedelijkheidsgraad en de ligging (centrum, schil centrum, rest bebouwde kom, buitengebied). De berekening hiervan is weergegeven in onderstaande tabel. Bij de berekeningen is er van uitgegaan dat de woningen deel uitmaken van het ‘buitengebied’. Op grond van gegevens van het CBS wordt de stedelijkheidsgraad van de gemeente Ooststellingwerf beschouwd als ‘matig stedelijk’. Omdat er geen redenen zijn om uit te gaan van het minimum of maximum aantal ritten is uitgegaan van het gemiddelde en bedraagt de verkeersgeneratie 95,2 ritten per etmaal. tabel 1. Verkeersgeneratie per etmaal aantal functie locatie 8 4
woning appartement
3
buitengebied buitengebied
min 7,8 7,0
ritten per woning max gem. 8,6 8,2 7,8 7,4
ritten tot. 65,6 29,6
omschrijving CROW koop, huis, vrijstaand koop, appartement, duur
Ontsluiting
De aansluiting van de nieuwe woonlocatie op het Zuideinde is aangegeven in afbeelding 1. Deze ligt parallel aan een weg die voorheen als verbinding tussen Appelscha en Fochteloo dienst deed, maar inmiddels alleen nog als privéweg functioneert. Deze privéweg blijft in het navolgende buiten beschouwing. De gemeente Ooststelling werf heeft er in het verleden voor gekozen om aansluitingen en kruispunten in wegen met een beperkte verkeersfunctie en verkeersintensiteit uit te rusten met een gedeeltelijke elementenverharding van het kruisingsvlak (zie afbeelding 2). Het betreft hier aansluitingen en kruispunten waarbij de voorrang niet met borden is geregeld (rechts heeft voorrang).
Afbeelding 2 – aansluiting met gedeeltelijke elementenverharding, bron Google Maps
Uit het voorgaande blijkt dat de woningbouw een geringe hoeveelheid verkeer per etmaal genereert. Het ligt daarom voor de hand om uit oogpunt van herkenbaarheid en continuïteit een vergelijkbare aansluiting met de nieuwe woonlocatie te realiseren. Daarbij verdienen de volgende drie aspecten de aandacht: 1
de nieuwe aansluiting ligt vlak bij de bestaande aansluiting met de weg Willemstad;
datum 29-10-2024
projectnummer P002157
2
2
de nieuwe aansluiting ligt in de binnenbocht van het Zuideinde, waardoor het oprijzicht vanuit de nieuwe woonlocatie in het geding kan komen;
3
het zicht op de nieuwe aansluiting voor verkeer op het Zuideinde, komende vanuit noordelijke richting, zou beperkt kunnen zijn. In dit verband is het stopzicht van belang.
ad1 De nieuwe aansluiting ligt vlakbij de aansluiting met de weg Willemstad. Het verdient daarom aanbeveling om de toegepaste elementenverharding door te trekken op een zodanige wijze dat een groot kruisingsvlak ontstaat. Dit komt de herkenbaarheid van beide aansluitingen ten goede. Op deze manier ontstaat een ‘bajonetkruispunt’. Hoewel het weinig verkeer zal betreffen, maakt verkeer van de nieuwe ontsluiting naar de weg Willemstad v.v. eerst de ‘moeilijke’ verkeersbeweging (linksaf slaan) en dan de ‘eenvoudige’ verkeersbeweging (rechtsaf slaan). ad 2 Als oprijzicht voor een 60 km/uur weg wordt 100 meter aangehouden gerekend vanaf 5 meter uit de kant of kantstreep (Handboek Wegontwerp – Erftoegangswegen). Uit onderstaande afbeelding blijkt dat het oprijzicht over de berm van het Zuideinde loopt waardoor dit door bijvoorbeeld aanwezige beplanting belemmerd kan worden.
Afbeelding 3 – oprijzicht nieuwe woonlocatie
ad 3 Zoals gezegd is het Zuideinde geen voorrangsweg. Verkeer op het Zuideinde, komende vanuit noordelijke richting, moet voorrang verlenen aan verkeer komende vanaf de nieuwe woonlocatie. Dit houdt
datum 29-10-2024
projectnummer P002157
3
in dat dit verkeer voldoende stopzicht moet hebben. Voor een 60 km/uur weg dient een afstand tussen de 50 en 65 meter aangehouden te worden (Handboek Wegontwerp – Erftoegangswegen).
Afbeelding 4 – stopzicht vanuit het noorden
4
Voorrangsregeling
4.1
Bomenkap
Om het oprijzicht en het stopzicht te verbeteren zouden één of meerdere bomen in de westelijke berm van het Zuideinde gekapt kunnen worden. De gemeente Ooststellingwerf is echter zeer terughoudend met het kappen van bomen voor ruimtelijke ontwikkelingen. 4.2
Instellen voorrangsregeling
Een volgende mogelijkheid is het instellen van een voorrangsregeling op het betreffende kruispunt met behulp van bebording. Daarmee komt echter de herkenbaarheid en continuïteit ten opzichte van de overige aansluitingen en kruispunten in gevaar. 4.3
Uitritconstructie
Een laatste mogelijkheid is de aansluiting van de woonlocatie op het Zuideinde vorm te geven als een uitrit of uitweg. Uitritten in het buitengebied worden normaliter voor afzonderlijke percelen toegepast (bijvoorbeeld een agrarisch bedrijf). Het onderhavige geval betreft echter een bijzondere woonlocatie die als een eenheid kan worden opgevat. Er wordt een kleinschalig, (semi) zelfvoorzienend, vernieuwend en
datum 29-10-2024
projectnummer P002157
4
daarmee samenwerkend groepje woningen gerealiseerd, woningen die ‘te gast zijn’ in het landschap en een minimale ecologische voetafdruk hebben. Het geheel van maaiveldinrichting, energiehuishouding, bebouwing, groen en water is uitgesproken duurzaam en passend in het landschap. De te realiseren wegverharding is zeer beperkt (karrespoor of iets vergelijkbaars). Daarmee kan de woonlocatie als een eenheid worden gezien en zou de ontsluiting op het Zuideinde kunnen worden vormgegeven als inritconstructie waarbij het verkeer op het Zuideinde voorrang heeft op het verkeer vanuit de woonlocatie. Wat betreft het oprijzicht kan in dat geval worden uitgegaan van een afstand van 2,5 met uit de kantverharding van het Zuideinde en ontstaat zo voldoende oprijzicht. Het stopzicht is bij de uitritconstructie niet meer relevant, aangezien het verkeer op de uitrit altijd moet stoppen om te bezien of er veilig op het Zuideinde ingevoegd kan worden.
Afbeelding 5 - oprijzicht in noordelijke richting 2,5 meter uit de kantverharding
5
Doorstroming
De doorstroming van het verkeer kan door de komst van de nieuwbouwwoningen niet in gevaar komen. Een toename van minder dan 95,2 mvt/etmaal op het Zuideinde is voor de afwikkeling van het verkeer op deze weg, gelet op de lage verkeersintensiteit1, geen probleem.
1
Uit recent onderzoek naar wegverkeerslawaai blijkt dat er sprake is 1.200 motorvoertuigbewegingen per etmaal.
datum 29-10-2024
projectnummer P002157
5
6
Conclusie
Wat betreft de doorstroming van het verkeer zijn geen knelpunten te verwachten. Ten aanzien van de verkeersveiligheid is het nodig om specifieke maatregelen te treffen. De in het Handboek Wegontwerp – Erftoegangswegen aangehouden normen, wat betreft oprijzicht en stopzicht, worden niet gehaald. Er zijn drie mogelijkheden om alsnog een verkeersveilige situatie te creëren, namelijk: 1. het rooien van beplanting in de berm van het Zuideinde; 2. het instellen van een voorrangsregeling met bebording; 3. het vormgeven van de ontsluiting als een uitrit, waarbij voorrang verleend wordt aan verkeer op het Zuideinde. Voorgesteld wordt te kiezen voor dit laatste. Dit sluit goed aan bij het beoogde woonconcept.
datum 29-10-2024
projectnummer P002157
6
2024 Quickscan+ flora en fauna Omgevingswet Woningbouwproject De Compagnonswijk te Appelscha
1
COLOFON BUREAU FAUNAX B.V. Tijnjedyk 89 8936 AC Leeuwarden 0683772548 info@faunax.nl www.faunax.nl Lid van Netwerk Groene Bureaus
Quickscan+ flora en fauna Omgevingswet Woningbouwproject De Compagnonswijk te Appelscha Leeuwarden, september 2024 In opdracht van: Buitenplans Projectontwikkeling B.V. Uitvoering: Bureau FaunaX B.V. Veldwerk en rapportage: Dhr. J. Groen Autorisatie: Dhr. E.P. de Boer Foto’s voorpagina: Impressie van het plangebied. © Bureau FaunaX B.V. Gebruik en overname van gegevens alleen toegestaan met volledige bronvermelding: Bureau FaunaX B.V. (2024). Quickscan Omgevingswet/ Woningbouwproject De Compagnonswijk te Appelscha. Rapport 24157. Bureau FaunaX B.V., Leeuwarden. Disclaimer: In deze rapportage worden de resultaten van een onafhankelijk onderzoek behandeld. Bureau FaunaX B.V. heeft een adviserende rol en spreekt zich niet uit over de wenselijkheid van het plan waarop dit onderzoek betrekking heeft. Dit onderzoek is zo zorgvuldig en nauwkeurig mogelijk uitgevoerd. Het voorkomen van beschermde soorten is echter onvoorspelbaar. Aan dit rapport kunnen geen rechten worden ontleend. Wanneer deze rapportage, op wat voor manier dan ook, wordt aangepast en/of aangevuld door een partij anders dan Bureau FaunaX B.V., verliest deze rapportage zijn validiteit en geldigheid. Gegevens die afkomstig zijn uit de NDFF (Nationale Databank Flora en Fauna) mogen niet zonder toestemming van BIJ12 worden verstrekt aan derden of op enige andere wijze openbaar gemaakt worden.
Op dit onderzoek zijn onze algemene voorwaarden van toepassing, zoals gedeponeerd bij de Kamer van Koophandel te Leeuwarden.
INHOUDSOPGAVE 1.
2
INLEIDING ..................................................................................................................... 1 1.1
Aanleiding ..................................................................................................................... 1
1.2
Doel ...............................................................................................................................2
1.3
Onderzoeksopzet ..........................................................................................................2
1.4
Karakteristiek plangebied en planvoornemen ............................................................. 3
RESULTATEN QUICKSCAN ........................................................................................... 5 2.1
Flora ...............................................................................................................................5
2.2
Vogels ............................................................................................................................5 Jaarrond beschermde vogelnesten ...............................................................................5
2.3
Zoogdieren ................................................................................................................... 6 Vleermuizen ................................................................................................................. 6 Overige zoogdieren .......................................................................................................7
2.4
Reptielen....................................................................................................................... 8
2.5
Amfibieën ..................................................................................................................... 9
2.6
Vissen .......................................................................................................................... 10
2.7
Ongewervelden ........................................................................................................... 10
2.8
Gebiedsbescherming .................................................................................................... 11 Stikstofgevoeligheid .................................................................................................... 12
2.9 3
4
5
Houtopstanden ........................................................................................................... 12
SAMENVATTING EN CONCLUSIES ..............................................................................13 3.1
Overzicht beschermde soorten .................................................................................. 13
3.2
Effectbespreking en aanbevelingen ............................................................................ 13
3.3
Overzicht vervolgstappen ........................................................................................... 15
Aanbevelingen ten behoeve van de natuur................................................................ 16 4.1
Inrichting..................................................................................................................... 17
4.2
Beheer .......................................................................................................................... 18
LITERATUUR EN BRONNEN ....................................................................................... 19
BIJLAGE I WET- EN REGELGEVING ................................................................................. - 1 Ow Soortbescherming ........................................................................................................- 1 Ow Gebiedsbescherming ................................................................................................... - 4 Ow Houtopstanden ........................................................................................................... - 5 -
1. INLEIDING 1.1 Aanleiding Plan 'De Compagnonswijk' voorziet in de bouw van twaalf duurzame woningen, waarvan vier in een geclusterde eenheid. De woningbouw gaat gepaard met landschapsherstel en bevordering van biodiversiteit. Ruimtelijke plannen zoals deze dienen te worden beoordeeld op uitvoerbaarheid, onder meer in relatie tot de natuurwetgeving. Zo dient te worden onderzocht of als gevolg van de uitvoering van het plan sprake is van effecten op wettelijk beschermde soorten flora en fauna en/of natuurgebieden (Natura 2000, NatuurNetwerk Nederland, weidevogelkansgebieden en/of ganzenfoerageergebieden), alsook in het kader van houtopstanden. Om hierin inzicht te krijgen wordt in eerste instantie een ecologische Quickscan uitgevoerd. Bij dit onderzoek wordt een inschatting gemaakt van de (mogelijk) binnen de invloedssfeer van het project aanwezige beschermde natuurwaarden en de effecten van de voorgenomen plannen op deze waarden. Voor meer informatie over de Omgevingswet (hierna Ow) en de handelswijze wordt verwezen naar Bijlage I.
Figuur 1.1. Het plangebied (rood omlijnd) te Appelscha.
1
1.2 Doel Deze ecologische beoordeling geeft, voor zover mogelijk, antwoord op de volgende vragen: 1. 2. 3. 4. 5.
Komen binnen het plangebied (biotopen van) onder de Omgevingswet beschermde soorten voor? Komen binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden beschermde natuurgebieden en/of houtopstanden voor? Wat zijn de mogelijke effecten van de werkzaamheden op deze beschermde natuurwaarden en -gebieden, zowel tijdens de realisatie als na afloop hiervan? Voor welke soorten en hun leefgebied wordt de wet mogelijk overtreden en in hoeverre kunnen overtredingen vermeden, dan wel verzacht worden? Wat zijn de te ondernemen vervolgstappen met betrekking tot het voorkomen van schade aan beschermde soorten binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden?
Voor het beantwoorden van deze vragen zijn, naast de verzamelde gegevens tijdens het veldonderzoek, ook andere bronnen geraadpleegd. Zie hiervoor de bronnenlijst in hoofdstuk 5.
1.3 Onderzoeksopzet Soorten In opdracht van Buitenplans Projectontwikkeling B.V. heeft Bureau FaunaX B.V. het planvoornemen door middel van een ecologische Quickscan getoetst aan de natuurwetgeving. Deze Quickscan heeft bestaan uit een bureaustudie en een veldbezoek gebaseerd op ecologisch inzicht (expert judgement). Een ecologische Quickscan of beoordeling is meestal de eerste stap van ecologisch onderzoek en is bedoeld om een inschatting te maken van de mogelijke effecten op eventueel aanwezige beschermde flora en fauna en/of natuurgebieden binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden. Het veldonderzoek voor deze Quickscan is uitgevoerd op donderdag 22 augustus 2024 en vond plaats onder gunstige weersomstandigheden (22°C, windkracht 4, half bewolkt). Dit onderzoek bestond uit een visuele inspectie van het plangebied, waarbij is gelet op de aanwezigheid van (of sporen van) beschermde soorten en op de eventuele aanwezigheid van geschikt leefgebied van deze soorten. Gebieden - Natura 2000 Behalve dat onderzocht wordt welke soorten binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden kunnen voorkomen, wordt ook gecontroleerd of er sprake kan zijn van negatieve effecten op instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden. Dit gebeurt middels een grove analyse op basis van de geplande werkzaamheden en de relevante afstand tot de meest nabij gelegen Natura 2000-gebieden.
Houtopstanden Onder de Omgevingswet worden ook houtopstanden beschermd. Er wordt gecontroleerd in welke mate er sprake is van kap en of hier een meld- en/of herplantingsplicht aan de orde kan zijn. Overige gebiedsbescherming Naast de Omgevingswet zijn er nog meer regelgevingen die ingaan op het beschermen van de natuur in Nederland. Dit zijn veelal provinciale stukken, al dan niet als uitvoeringsorgaan vanuit rijksbeleid. Het gaat hierbij om regelgeving omtrent het NatuurNetwerk Nederland, ganzenfoerageergebieden en weidevogelgebieden. Deze toetsing stipt kort aan of er sprake kan zijn van een conflict tussen de provinciale regelgevingen en het geplande initiatief.
2
Kansen voor biodiversiteit Naast de ecologische quickscan zullen ook aanbevelingen worden gedeeld met als doel natuur in het plangebied meer ruimte te geven. Hierbij zal het speerpunt zijn dat enerzijds de biodiversiteit wordt verhoogd, maar dit anderzijds ook gepaard gaat met een fijnere leefomgeving voor de bewoners. De aanbevelingen zullen in een apart hoofdstuk worden besproken.
1.4 Karakteristiek plangebied en planvoornemen Het plangebied bestaat uit de grond waarop de woningbouw plaats zal vinden. Deze grond bestaat op het moment van schrijven uit een weiland. Het weiland wordt aan de zuidkant begrensd door een brede boksloot. De rest van het plangebied daarentegen wordt begrensd door relatief ondiepe greppels. Aan de noordzijde is tevens sprake van begrenzing door een oude eikenlaan. Ten westen van het plangebied is sprake van een tuincentrum, terwijl ten noorden van het plangebied sprake is van een kwekerij. In het plangebied is geen bebouwing aanwezig. Tevens is er geen sprake van (oude) bomen. De omgeving van het plangebied wordt gekenmerkt door agrarisch gebied dat wordt doorspekt door sloten en de bebouwde kom van Appelscha. Het planvoornemen bestaat uit de realisatie van een achttal woningen. Ook zal er een hoofdgebouw en een zonnecarport worden gebouwd en zullen er sloten en boomsingels worden gerealiseerd. Binnen vijf meter van de Boksloot zullen geen werkzaamheden worden uitgevoerd.
Figuur 1.2.: Het planvoornemen. Bron: Buitenplans Projectontwikkeling B.V..
3
Figuur 1.3.: Een impressie van het plangebied en de begrenzing hiervan.
4
2 RESULTATEN QUICKSCAN 2.1 Flora In het plangebied werden diverse plantensoorten aangetroffen als smalle weegbree, witte klaver en kruipende boterbloem. Allen soorten die (deels) gebonden zijn aan gecultiveerde (agrarische) omstandigheden. Geen van de waargenomen soorten valt onder de beschermde plantensoorten. Het habitat is tevens niet geschikt voor dergelijke beschermde soorten. De onder de Ow beschermde plantensoorten stellen veelal kritische eisen aan hun standplaatsen. Aan deze eisen wordt binnen het plangebied niet voldaan. Het voorkomen van beschermde plantensoorten kan op voorhand worden uitgesloten. •
De aanwezigheid van beschermde plantensoorten binnen het plangebied kan op voorhand worden uitgesloten.
2.2 Vogels Jaarrond beschermde vogelnesten Boomnesten Nesten van vogelsoorten die jaarrond beschermd zijn bevinden zich over het algemeen in volgroeide bomen en/of bossen, zoals ooievaarsnesten en horsten van roofvogels. In het plangebied staan geen bomen waarin zich grote vogelnesten kunnen bevinden. Het planvoornemen heeft dus niet tot gevolg dat er jaarrond beschermde boomnesten verloren gaan. Grenzend aan het plangebied is wel sprake van grote bomen, vooral in de vorm van de eikenlaan ten noorden van het plangebied. In deze bomen zijn echter geen grote boomnesten aangetroffen. Derhalve kan ook verstoring van jaarrond beschermde nesten als gevolg van het planvoornemen worden uitgesloten. Gebouwbroeders Naast op de aanwezigheid van jaarrond beschermde boomnesten is het plangebied ook beoordeeld op de mogelijke aanwezigheid van jaarrond beschermde nesten in bebouwing. Dit gaat om nesten van soorten als huismus, gierzwaluw en kerkuil. Omdat in het plangebied geen bebouwing aanwezig is, kan de aanwezigheid van nestplaatsen en/of andere verblijfplaatsen van deze soorten in het plangebied op voorhand worden uitgesloten. Overige soorten Kijkend naar de overige soorten waarvan de nesten in de provincie Friesland jaarronde bescherming genieten, inclusief de zogenaamde categorie 5-soorten, komen hier geen soorten uit naar voren die in het plangebied tot broeden kunnen komen. •
Negatieve effecten op jaarrond beschermde nesten kunnen op voorhand worden uitgesloten.
Overige (broed)vogelsoorten Naast op de aanwezigheid van jaarrond beschermde nesten is het plangebied ook beoordeeld op waarden voor broedvogels waarvan de nesten niet jaarrond beschermd zijn. De nesten van deze soorten zijn uitsluitend beschermd tijdens het broedproces. Het plangebied zelf biedt vrij weinig kansen voor broedvogels omdat het intensief wordt beheerd. Kansen liggen in dat opzicht vooral in de aangrenzende boksloot, waar water minnende soorten als wilde eend en meerkoet tot broeden kunnen komen. Ook in de aan het plangebied grenzende eikenlaan kunnen vogels tot broeden komen, waarbij kan worden gedacht aan soorten als houtduif en
5
koolmees. Negatieve effecten (als gevolg van verstoring) op broedgevallen van soorten waarvan de nesten geen jaarronde bescherming genieten kunnen niet op voorhand worden uitgesloten. •
Binnen en vooral vlak buiten het plangebied komen waarschijnlijk andere vogelsoorten tot broeden waarvan de nesten geen jaarronde bescherming genieten, maar wel beschermd zijn tijdens het broedproces.
2.3 Zoogdieren Vleermuizen Verblijfplaatsen Vleermuizen verblijven in Nederland over het algemeen in bomen, gebouwen of andere kunstmatige bouwwerken. In bomen verblijven vleermuizen vaak in oude spechtengaten of gaten die binnenin een boom zijn doorgerot als het gevolg van bijvoorbeeld het afbreken van takken. In het plangebied staan echter überhaupt geen bomen waarin vleermuizen kunnen verblijven. Verblijfplaatsen van vleermuizen in kunstmatige bouwwerken bestaan doorgaans uit ruimten onder gegolfde dakpannen en/of dakplaten, of in de spouwmuur wanneer deze bijvoorbeeld via de daklaag of spouwvoegen toegankelijk is voor vleermuizen. Ook van bebouwing is in het plangebied geen sprake. Negatieve effecten op verblijfplaatsen van vleermuizen kunnen op voorhand worden uitgesloten. Foerageergebieden en vliegroutes Ook foerageergebieden en vliegroutes van vleermuizen zijn beschermd, indien deze van essentieel belang zijn voor de instandhouding van een populatie vleermuizen in de omgeving. Als vliegroute worden doorgaans lijnvormige landschapselementen gebruikt, zoals bomenlanen, houtwallen, watergangen en gebouwenrijen. In het kader van het planvoornemen worden geen landschapselementen uit het landschap verwijderd. Van het in directe zin onderbreken van een vliegroute of verloren doen gaan van een foerageergebied is derhalve geen sprake.
Ook is er geen sprake van het onderbreken van een in potentie essentiële vliegroute als gevolg van het gebruik van kunstlicht. Hetzelfde geldt voor het in kwaliteit achteruit doen gaan van een essentieel foerageergebied. Voor elementen in de omgeving, zoals de aan het plangebied grenzende eikenlaan, zijn in de omgeving genoeg alternatieven aanwezig. Daarnaast is de verwachting dat lichtuitstraling van kunstlicht niet tot gevolg zal hebben dat een dergelijk element voor vleermuizen haar functie verliest. Ons inziens kunnen negatieve effecten op essentiële vliegroutes en foerageergebieden op voorhand worden uitgesloten. • • •
6
De aanwezigheid van verblijfplaatsen van vleermuizen in het plangebied kan op voorhand worden uitgesloten. Negatieve effecten op een essentiële vliegroute van vleermuizen als gevolg van het planvoornemen kunnen op voorhand worden uitgesloten. Negatieve effecten op een essentieel foerageergebied van vleermuizen als gevolg van planvoornemen kunnen op voorhand worden uitgesloten.
Overige zoogdieren Het plangebied is tevens gecontroleerd op de aanwezigheid van (geschikt habitat van) overige beschermde soorten zoogdieren. Kijkend naar waarnemingen van soorten uit deze soortgroepen in en om Appelscha van de afgelopen 10 jaar, komen zeven soorten naar voren: bunzing, bever, das, eekhoorn, wezel, wolf en otter (bron: NDFF). Gezien de eigenschappen van het plangebied, dat bestaat uit intensief beheerd grasland, kan dit voor dergelijke soorten hoogstens dienen als onderdeel van een veel groter foerageergebied en/of gebied dat alleen gepasseerd wordt. Van essentieel leefgebied, alsmede verblijfplaatsen is geen sprake dan wel de kans hierop is zo klein dat we het niet realistisch achten om hier rekening mee te houden. Uitzondering hierop wordt gevormd door de uiterste randen van het plangebied, met name in de oeverzone van de boksloot. Langs deze randen staat hogere vegetatie waarin kleine marterachtigen als bunzing en wezel kunnen verblijven, bijvoorbeeld in oude holen van knaagdieren.
Figuur 2.1.: Langs de uiterste randen van het plangebied zijn potentiële verblijfplaatsen van kleine marterachtigen aanwezig.
Binnen het plangebied kunnen wel zoogdiersoorten aanwezig zijn die binnen de provincie Fryslân ten tijde van dit schrijven zijn vrijgesteld voor ruimtelijke ingrepen, zoals de veldmuis. Voor deze soorten dient men zich te houden aan de specifieke zorgplicht voor ruimtelijke ingrepen (Bijlage I).
7
• • •
Het voorkomen van verblijfplaatsen van wezel en bunzing langs de randen van het plangebied kan niet op voorhand worden uitgesloten. De aanwezigheid van (verblijfplaatsen van) overige beschermde landzoogdieren binnen het plangebied kan op voorhand worden uitgesloten. In het plangebied komen waarschijnlijk wel andere licht beschermde soorten voor, zoals de veldmuis. Voor deze soorten geldt een provinciale vrijstelling in het geval van ruimtelijke ontwikkelingen, maar geldt wel de specifieke zorgplicht voor ruimtelijke ingrepen (zie Bijlage I).
2.4 Reptielen Het plangebied is tevens gecontroleerd op waarden voor beschermde reptielen. De aanwezigheid van de in Nederland voorkomende beschermde reptielen kan op voorhand worden uitgesloten op basis van verspreidingsgegevens (bron: NDFF) en habitateigenschappen. Soorten als adder, gladde slang, levendbarende hagedis en hazelworm komen wel in het Fochteloërveen en het Drents Friese Wold voor maar niet in het plangebied en de directe omgeving hiervan. Uitzondering hierop vormt de ringslang, welke weliswaar ook vooral in bovengenoemde natuurgebieden voorkomt, maar ook in omliggende al dan niet agrarische delen. Hierbij verspreidt de soort zich vooral via het water. De soort is in Appelscha waargenomen, op maar een paar honderd meter afstand van het plangebied. Zo ook vlakbij de Boksloot die langs het plangebied loopt (figuur 2.1.). Feit is wel dat het hier lagere dichtheden betreft dan in naburige natuurgebieden.
Figuur 2.2.: Waarnemingen van de ringslang (<10 jaar oud) in de omgeving van het plangebied.
Het bovenstaande in acht nemend is het niet reëel om het voorkomen van deze soort in het plangebied op voorhand uit te sluiten. Feit is echter wel dat er sprake is van een zeer harde overgang van het intensief beheerde plangebied en de minder intensief beheerde randen hiervan. Ook zal in een dergelijke omgeving geen sprake zijn van een hoge populatiedichtheid.
8
Niettemin kan vooral de rand van het plangebied die grenst aan de Boksloot verblijfplaatsen van ringslangen herbergen, evenals foerageergebied voor de soort. Ringslangen jagen graag langs de oevers van waterlichamen, op zoek naar kikkers. De rest van het plangebied biedt onzes inziens door een gebrek aan dekking dusdanig weinig waarden voor ringslangen dat in combinatie met de lage populatiedichtheid, de kans op negatieve effecten dusdanig klein is dat we het niet realistisch achten om hier rekening mee te houden. • •
De aanwezigheid van (leefgebied van) de ringslang langs de randen van het plangebied kan niet op voorhand worden uitgesloten. Het voorkomen van overige beschermde reptielensoorten kan op voorhand worden uitgesloten.
2.5 Amfibieën Het plangebied is gecontroleerd op waarden voor beschermde amfibieën. Omdat in het plangebied geen waterlichamen aanwezig zijn, kan worden uitgesloten dat er negatieve effecten plaatsvinden op voortplantingswater. Wel kan het plangebied dienen als landhabitat voor soorten die zich (vlak) buiten het plangebied voortplanten. Uit de ruime omgeving van het plangebied zijn waarnemingen bekend van heikikker, poelkikker, rugstreeppad, Alpenwatersalamander en boomkikker. De waarneming van de rugstreeppad betreft een fout. De waarneming is afkomstig van waarneming.nl en ten onrechte goedgekeurd. Het voorkomen van deze soort in en om het plangebied kan worden uitgesloten op basis van verspreidingsgegevens. Voor de poelkikker geldt dat deze in en om Appelscha een versnipperde en beperkte verspreiding kent (bron: NDFF). Feit is echter dat dit verspreidingsbeeld waarschijnlijk beperkt wordt doordat deze soort lastig te determineren is. Het is zeker niet onmogelijk dat deze soort zich voortplant op korte afstand van het plangebied, bijvoorbeeld in een grote aangelegde poel aan de andere kant van het Zuideinde. Waarnemingen van de heikikker uit de omgeving van het plangebied beperken zich tot het Drents Friese Wold en het Fochteloërveen (bron: NDFF). Uit Appelscha zijn geen waarnemingen van deze soort bekend. Vermoedelijk laat de NDFF in deze een realistisch beeld zien.
Voor de Alpenwatersalamander geldt dat waarnemingen zich concentreren in het Drents Friese Wold en aangrenzend vakantiepark. Uit de bebouwde kom van Appelscha, zo ook uit de directe omgeving van het plangebied, zijn geen waarnemingen van deze soort bekend. Voor de boomkikker geldt dat deze in de buurt van het plangebied voorkomt. De soort is waargenomen in de aangelegde poel aan de andere kant van het Zuideinde, op zo’n 100 meter van het plangebied. Waarschijnlijk plant de soort zich hier voort. Gezien het feit dat deze soort zich soms in sloten voortplant, is voortplanting op kortere afstand van het plangebied niet onmogelijk.
9
Figuur 2.3.: Op korte afstand van het plangebied is een boomkikker waargenomen.
Al het bovenstaande in acht nemend kan voortplanting in de directe omgeving van het plangebied door poelkikker en boomkikker niet worden uitgesloten, waardoor deze soorten het plangebied als landhabitat kunnen gebruiken. Feit is echter ook in dit geval dat het plangebied grotendeels ongeschikt is als landhabitat omdat het intensief wordt beheerd. We achten de kans op negatieve effecten in dit deel dusdanig klein dat we het niet realistisch achten om hier rekening mee te houden. Net als in het geval van de ringslang en kleine marterachtigen liggen kansen vooral langs de randen van het plangebied (figuur 2.1.), waar genoeg dekking aanwezig is. Gebruik van landhabitat (overwintering) kan specifiek in deze randen niet worden uitgesloten.
•
Negatieve effecten op (leefgebied van) beschermde amfibieën kunnen niet op voorhand worden uitgesloten. Dit heeft betrekking op boomkikker en poelkikker.
2.6 Vissen Het plangebied is gecontroleerd op de aanwezigheid van de in Nederland voorkomende groep beschermde zoetwatervissen. Omdat in het plangebied geen waterlichamen aanwezig zijn, kunnen negatieve effecten op beschermde vissen op voorhand worden uitgesloten. •
Negatieve effecten op beschermde vissen kunnen op voorhand worden uitgesloten.
2.7 Ongewervelden De meeste onder de Ow beschermde soorten ongewervelden, zoals zeldzame dagvlinders, libellen, mollusken of (water)kevers hebben zeer specifieke habitateisen en kennen daardoor een beperkte verspreiding.
10
Het voorkomen van beschermde ongewervelden kan op voorhand worden uitgesloten. In het plangebied zijn geen waterlichamen aanwezig waarin bijvoorbeeld beschermde libellen zich voort kunnen planten. Ook zijn in het plangebied bijvoorbeeld geen waardplanten van beschermde vlinders aanwezig. •
Negatieve effecten op leefgebied van beschermde ongewervelden als gevolg van de voorgenomen werkzaamheden kunnen op voorhand worden uitgesloten.
2.8 Gebiedsbescherming Tijdens de bureaustudie zijn geen vormen van gebiedsbescherming naar voren gekomen die betrekking hebben op het plangebied. Het plangebied is geen onderdeel van weidevogelkansgebied of ganzenfoerageergebied, het NatuurNetwerk Nederland (NNN) of een Natura2000-gebied (Kaartenkijkdoos Provincie Fryslân). Negatieve effecten op dergelijke gebieden als gevolg van het planvoornemen (anders dan die als gevolg van stikstofuitstoot) kunnen op voorhand worden uitgesloten.
Figuur 2.4.: De ligging van het plangebied ten opzicht van omliggende beschermde gebieden. Groen en oranje zijn NNN. Donker groen is NNN en N2000.
•
Negatieve effecten op beschermde gebieden (anders dan effecten als gevolg van stikstofuitstoot) kunnen naar ons inzicht op voorhand worden uitgesloten.
11
Stikstofgevoeligheid Bij het uitvoeren van bouwprojecten, zoals het hier getoetste planvoornemen, wordt vaak stikstof uitgestoten. Meerdere habitattypen van omliggende Natura2000-gebieden zijn stikstofgevoelig. Om deze reden wordt gekeken of de geplande werkzaamheden effect hebben op deze stikstofgevoelige habitats. Tijdens de uitvoering van de voorgenomen werkzaamheden komt er waarschijnlijk extra stikstof vrij door bijvoorbeeld het inzetten van mobiele werktuigen. De provincie Friesland is bevoegd gezag in deze en bepaalt of het uitvoeren van een AERIUS-berekening benodigd is voor de voortgang van dit project. We adviseren om hierover contact op te nemen met de Provincie en te informeren of een AERIUS-berekening nodig is. •
We adviseren bij de provincie Friesland te informeren of een AERIUS-berekening dient te worden uitgevoerd.
2.9 Houtopstanden Als er een (deel van een) houtareaal wordt gekapt van meer dan 10 are (1000 m2) of een (deel van een) bomenrij van meer dan 20 bomen buiten de bebouwingscontour houtkap kan er sprake zijn van een meld- en/of herplantingsplicht. Houtkap is geen onderdeel van het planvoornemen. Van een meld- en/of herplantingsplicht is derhalve geen sprake. Voor houtopstanden is een specifieke zorgplicht opgenomen in de Omgevingswet. Deze specifieke zorgplicht schrijft voor dat, wanneer de voorgenomen handelingen gepaard gaan met negatieve effecten op natuurbescherming, instandhouding areaal houtopstanden in Nederland en de bescherming van landschappelijke waarden, deze handelingen achterwege worden gelaten, tenzij dit niet redelijkerwijs gevergd kan worden. Voor meer informatie over de specifieke zorgplicht voor houtopstanden wordt verwezen naar Bijlage I. •
12
Er is geen sprake van een meld- of herplantingsplicht.
3 SAMENVATTING EN CONCLUSIES 3.1 Overzicht beschermde soorten In onderstaand overzicht worden de aangetroffen en potentieel aanwezige beschermde soorten en hun beschermingsstatus binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden samengevat. In de Omgevingswet, onder het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) zijn vooral vaste verblijfsplaatsen (voortplantingslocaties zoals nesten, holen, kraamkolonies etc.) van belang, maar ook de functionele leefomgeving die vaste verblijfplaatsen in stand houdt. In dit overzicht zijn alleen die soorten opgenomen, waarvoor het plangebied onderdeel vormt van hun leefgebied en/of levenscyclus en waarop eventueel in de toekomst geplande werkzaamheden van negatieve invloed kunnen zijn. Tabel 3.1 Overzicht van aangetroffen en potentieel voorkomende beschermde flora en fauna in en rond het plangebied. Soortgroep
Soort
Aanwezigheid Art 11.37 Bal Art. 11.46 Bal
Vogels
Algemene Broedvogels
Ja
Zoogdieren
Wezel en bunzing
Mogelijk
X
Reptielen
Ringslang
Mogelijk
X
Amfibieën
Poelkikker en boomkikker
Mogelijk
X
Overige soorten
Ja
(extra) Stikstofuitstoot
Ja
Overige soortgroepen Gebiedsbescherming
Art. 11.54 Bal
Vrijgesteld Advies Werken buiten broedseizoen of onder begeleiding van een ecoloog. Vermijd (conform het planvoornemen) werkzaamheden aan de randen, anders nader onderzoek en/of ontheffingsaanvraag. Vermijd (conform het planvoornemen) werkzaamheden aan de randen, anders nader onderzoek en/of ontheffingsaanvraag. Vermijd (conform het planvoornemen) werkzaamheden aan de randen, anders nader onderzoek en/of ontheffingsaanvraag.
X
X
Specifieke zorgplicht. Informeren bij de provincie Fryslân.
3.2 Effectbespreking en aanbevelingen Algemene broedvogels Binnen en vlak buiten het plangebied kunnen vogelsoorten tot broeden komen waarvan de nesten geen jaarronde bescherming genieten. We adviseren om de voorgenomen werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren. Voor het broedseizoen wordt over het algemeen de periode van 15 maart-15 juli aangehouden. Afhankelijk van de soort en klimatologische omstandigheden kunnen soorten echter eerder of later in het jaar tot broeden komen. Wat voor deze soorten van belang is, is of er sprake is van een broedgeval. Zo ja, dan is deze altijd beschermd. Wezel & bunzing Langs de randen van het plangebied kunnen verblijfplaatsen van wezel en/of bunzing aanwezig zijn. Dit geldt vooral voor de oever van de Boksloot (figuur 2.1.). We adviseren om deze randen conform het planvoornemen te ontzien als het om grondwerk gaat. Als dit niet mogelijk is, dan adviseren we op basis van nader onderzoek vast te laten stellen of de wezel en de bunzing inderdaad in het plangebied verblijven. Hiervoor kan een zogenaamde ‘struikrover’ worden ingezet. Alternatief kan zijn om het nader onderzoek over te slaan, ervan uit te gaan dat betreffende
13
soorten in het plangebied voorkomen en deze op voorhand op te nemen in een vergunning aan de Omgevingswet. Ringslang Langs de randen van het plangebied kunnen tevens verblijfplaatsen van de ringslang aanwezig zijn. Dit geldt ook in dit geval vooral voor de oever van de Boksloot (figuur 2.1.). We adviseren om deze randen conform het planvoornemen te ontzien als het om grondwerk gaat. Als dit niet mogelijk is, dan adviseren we op basis van nader onderzoek vast te laten stellen of de ringslang inderdaad in het plangebied voorkomt. De trefkans lijkt echter relatief klein te zijn. Alternatief kan zijn om het nader onderzoek over te slaan, ervan uit te gaan dat betreffende soort in het plangebied voorkomt en deze op voorhand op te nemen in een vergunning aan de Omgevingswet. Poelkikker en boomkikker Langs de randen van het plangebied kunnen tevens verblijfplaatsen van poelkikker en boomkikker aanwezig zijn. Dit geldt ook in dit geval vooral voor de oever van de Boksloot (figuur 2.1.). We adviseren om deze randen conform het planvoornemen te ontzien als het om grondwerk gaat. Als dit niet mogelijk is, dan heeft het uitvoeren van nader onderzoek ons inziens niet veel meerwaarde. Van de boomkikker staat reeds vast dat deze vlakbij het plangebied is waargenomen, waardoor het gebruik van het plangebied als landhabitat niet kan worden uitgesloten.
Dit gebruik als landhabitat is moeilijk vast te stellen. Alternatief is om het nader onderzoek over te slaan, ervan uit te gaan dat betreffende soorten in het plangebied voorkomen en deze op voorhand opnemen in een vergunning aan de Omgevingswet. Specifieke zorgplicht Er kunnen soorten voorkomen in het plangebied waarvoor een vrijstelling geldt voor ruimtelijke ingrepen. Voor deze en andere soorten geldt een specifieke zorgplicht (art. 11.27 Bal). Deze specifieke zorgplicht schrijft voor dat men bijvoorbeeld verplicht is om alles wat redelijkerwijze mogelijk is, te doen of juist te laten om schade aan wilde planten en dieren zo veel mogelijk te voorkomen. Dit kan bijvoorbeeld tot uiting worden gebracht door altijd zo te werken, dat dieren kunnen ontsnappen en/of deze te verplaatsen naar een geschikt biotoop in de directe omgeving. De specifieke zorgplicht geldt voor de fysieke leefomgeving, inclusief elke soort en elk individu in Nederland. Voor de voorwaarden waaraan de vrijstellingen moeten voldoen in het kader van de soorten waarvoor een vrijstelling geldt, wordt verwezen naar Bijlage I. (extra)Stikstofuitstoot Voor de voortgang van de voorgenomen werkzaamheden is mogelijk een AERIUS-berekening benodigd. We adviseren hierover contact op te nemen met het bevoegd gezag, de provincie Fryslân.
14
3.3 Overzicht vervolgstappen Het planvoornemen kan zonder bezwaren doorgang vinden binnen de kaders van de vigerende natuurwetgeving, mits aan de volgende voorwaarden wordt voldaan: • • • • • •
Broedvogels: werken buiten het broedseizoen (grofweg 15 maart-15 juli) of op basis van een broedvogelcheck. Wezel en bunzing: ontzie (conform het planvoornemen) randen plangebied (boksloot), anders nader onderzoek en/of vergunningaanvraag. Ringslang: ontzie (conform het planvoornemen) randen plangebied (boksloot), anders nader onderzoek en/of vergunningaanvraag. Boomkikker en poelkikker: ontzie (conform het planvoornemen) randen plangebied (boksloot), anders nader onderzoek en/of vergunningaanvraag. Zorgplicht: naleven van de specifieke zorgplicht. AERIUS-berekening: informeren (indien nodig) bij provincie Fryslân.
15
4 Aanbevelingen ten behoeve van de natuur Bij de aanvraag van de offerte in het kader van de hierboven uitgewerkte ecologische toetsing is naar voren gekomen dat er vraag is naar aanbevelingen om ‘het gebied ecologisch interessanter te maken’. Hiervoor is het BKP als basis gebruikt.
Figuur 4.1.: De beoogde inrichting van het plangebied.
In dit BKP worden enkele maatregelen genoemd en afgebeeld (zie figuur 4.1.) welke (deels) als doel hebben biodiversiteit te verhogen. • • • • • • •
Het aanleggen van een gemeenschappelijk tuin Het aanleggen van sloten Het aanplanten van boomsingels Het creëren van een laagte om regenwater in op te vangen Het bedekken van daken met gras/sedum Het inzaaien van grasland met een kruidenrijk plantenmengsel Het aanleggen van wadi’s
Hieronder zijn enkele aanbevelingen uitgewerkt. Deze aanbevelingen hebben deels betrekking op inrichting en hebben grotendeels betrekking op de hierboven gedeelde voorgenomen maatregelen. Andere aanbevelingen hebben betrekking op het uiteindelijke beheer van het terrein.
16
4.1 Inrichting Het aanplanten van opgaande vegetatie Bij het aanplanten van opgaande vegetatie kan alleen of vooral gebruik worden gemaakt van inheemse planten, struiken en bomen. Hierbij kan worden gekozen voor soorten die veel meerwaarde hebben voor specifieke plant- of diersoorten. Sleedoorn, meidoorn en bijvoorbeeld boswilg zorgen met hun voorjaarsbloei al vroeg in het voorjaar (als weinig planten bloeien) voor een goed nectaraanbod voor insecten. De bessen van sleedoorn en meidoorn worden graag gegeten door verschillende soorten vogels. In de regel hebben inheemse planten, struiken en bomen de meeste meerwaarde en is het realiseren van variatie belangrijk. Elke soort heeft binnen een ecosyteem één of meerdere rollen. Hoe meer soorten worden aangeplant, hoe meer rollen er kunnen worden vervuld. Het inzaaien van vegetatie Bij het inzaaien van vegetatie is het van groot belang om mengsels te kiezen die goed tot uiting komen onder de geboden omstandigheden. Het is belangrijk hierbij rekening te houden met de grondsoort, hoe voedselrijk deze is en hoe nat deze is. Hierbij kan tevens gekozen worden voor mengsels die specifiek veel plantensoorten bevatten die nectar bieden aan insecten. De voorkeur kan uitgaan naar een mengsel met soorten die van nature in de omgeving voorkomen. Ook hier weer is variatie belangrijk.