CConstaterende datOoststellingwerf
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 3 - GoFlo inclusief bijlagen (nieuw)

Raadsvergadering 25 februari 2025, gemeente OoststellingwerfBij agendapunt: Omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit Compagnonswijk Appelscha30.990 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 4

Specifieke insectensoorten hebben vaak een voorkeur voor specifieke plantensoorten. Een breder bestand aan plantensoorten gaat gepaard met een breder bestand aan al dan niet bloem bezoekende insectensoorten. Het kan met het oog op bovenstaande de overweging waard zijn om bijvoorbeeld wadi’s en waterbuffers met andere mengsels in te zaaien dan minder natte delen van het plangebied. Een leverancier van kruidenmengsels kan hierin adviseren. Hierbij is waarschijnlijk veel afhankelijk van hoe het plangebied zich na het grondwerk ontwikkelt. Is de waterbuffer bijvoorbeeld jaarrond dusdanig nat (maar niet te diep) dat zich hier een rietkraag ontwikkelt, dan kan dit zeker als wenselijk worden gezien en worden afgezien van het gebruik van een kruidenmengsel. Waterlichamen met natuurvriendelijke oevers In het kader van het planvoornemen zullen er sloten worden gerealiseerd. Het verdient de aanbeveling om deze sloten te voorzien van zo flauw mogelijk aflopende oevers. Flauw aflopende oevers gaan gepaard met een bredere oeverzone waarin water van verschillende dieptes aanwezig is. In een dergelijke bredere oeverzone zullen meer soorten waterplanten groeien en zal zodoende een moerassige zone ontstaan. Amfibieën en vissen planten zich hier graag voort omdat water hier sneller opwarmt.

Ook vormt een dergelijke zone micro-habitats voor allerlei in het water levende insecten, zoals libellenlarven en waterkevers. In figuur 4.1. is zichtbaar dat onderdeel van het planvoornemen is dat aan de oostkant van het plangebied een laagte wordt gerealiseerd. Hier zal regenwater tijdelijk worden opgevangen totdat het de door de bodem is opgenomen. Het is de overweging waard om dit zo aan te leggen dat er een (kleine) oppervlakte ontstaat waar jaarrond sprake is van oppervlaktewater, zodat ook hier moerassige omstandigheden (met verlandingsvegetatie) ontstaan. Natuurinclusief bouwen Het is een optie om voorzieningen voor dieren te integreren in de te realiseren bebouwing. Hierbij kan worden gedacht aan verblijfplaatsen voor vleermuizen en nestkasten voor vogels. Bij het realiseren van dergelijke voorzieningen is het erg belangrijk om te kijken naar wat er mogelijk is (hoe komt de bebouwing eruit te zien en wat kan daarin redelijkerwijs worden geïntegreerd?) en wat nuttig is (welke soorten komen in de omgeving voor en zullen dus waarschijnlijk van voorzieningen gebruik maken?).

17

Kijkend naar het ontwerp van de te realiseren woningen, liggen kansen vooral in de gevelbetimmering. De eerder genoemde nestgelegenheid en verblijfplaatsen kunnen hierin worden verwerkt, waarbij uiteraard veel afhankelijk is van de exacte constructie en de wensen van de ontwikkelaar. In de regel heeft het de voorkeur om verblijfplaatsen voor vleermuizen aan de zonkant te realiseren, daar soorten uit deze soortgroep over het algemeen graag warme verblijfplaatsen hebben. Nestgelegenheid van vogels daarentegen kan het best aan de schaduwkant worden gerealiseerd.

4.2 Beheer Graslandbeheer Het is binnen graslandbeheer belangrijk om te beseffen dat een voedselarme bodem gepaard gaat met meer plantensoorten dan een voedselrijkere bodem. Gevarieerd grasland ontstaat over het algemeen door jarenlange begrazing of een langdurig maaibeleid. Door elke keer dat er gemaaid wordt de vegetatie (en daarmee ook de voedingsstoffen die uit de bodem zijn opgenomen) af te voeren wordt de bodem schraler. Het verdient zeker de aanbeveling om dit proces te stimuleren. Totdat de bodem dusdanig schraal is dat er van nature veel plantensoorten instaan, is het inzaaien van een plantenmengsel een goede manier om variatie in de vegetatiesamenstelling aan te brengen. Echter is maaien ook in dit geval wenselijk. Hier komt bij dat planten uit zaadmengsels zich afhankelijk van allerlei aspecten lang niet altijd even goed voortplanten, waardoor het wenselijk kan zijn om ééns in de zoveel jaar bij te zaaien. Het schonen van waterlichamen Hierboven is reeds uitgelegd waarom het vanuit het oogpunt van biodiversiteit meerwaarde kan hebben om moerassige omstandigheden te creëren. Dit gaat echter gepaard met een verlandingsproces. Het is daarom, afhankelijk van de diepte van het water, van belang om dergelijke delen soms te schonen. Dit kan gefaseerd gebeuren zodat in het plangebied altijd verschillende stadia van ver-landing aanwezig zijn.

Voor meer info over inrichting en beheer in relatie tot biodiversiteit kan contact op worden genomen met www.biodiversiteit.nl.

18

5 LITERATUUR EN BRONNEN Bronnen internet AERIUS calculator https://calculator.aerius.nl/ NDFF https://ndff-ecogrid.nl/uitvoerportaal/ Ravon http://www.ravon.nl/Soorten/Soortinformatie Sovon https://www.sovon.nl/nl Verspreidingsatlas planten FLORON http://www.verspreidingsatlas.nl/planten Waarneming.nl https://waarneming.nl Zoogdiervereniging www.zoogdiervereniging.nl

19

BIJLAGE I WET- EN REGELGEVING De wettelijke bescherming van natuurwaarden valt in grote lijnen uiteen in drie delen: soortbescherming, gebiedsbescherming en houtopstanden.

Ow Soortbescherming De Omgevingswet draagt onder andere zorg voor de bescherming van in het wild voorkomende dier- en plantensoorten. De wet bevat een aantal verbodsbepalingen die ervoor moeten zorgen dat de gunstige staat van instandhouding van alle in het wild levende dier- en plantensoorten zal blijven gewaarborgd. De Omgevingswet verdeelt beschermde soorten in twee groepen, de Europees beschermde soorten en de nationaal beschermde soorten. De eerste groep bestaat uit strikt beschermde soorten uit de Vogel- en Habitatrichtlijn (art. 11.37 en 11.46 in het Besluit activiteiten leefomgeving, hierna Bal). De Vogel- en Habitatrichtlijn zijn richtlijnen van de Europese Unie waarin wordt aangegeven welke diersoorten en welke typen natuurgebieden door de lidstaten dienen te worden beschermd. In de tweede categorie staan de overige (nationaal) beschermde soorten (art. 11.54 Bal). Binnen de Omgevingswet vullen Europese en nationale wetgeving elkaar aan. De Habitatrichtlijnsoorten (art. 11.46 Bal) genieten een iets zwaardere bescherming dan de nationaal beschermde soorten (art. 11.54 Bal). Zo geldt voor de nationale soorten geen verbod op het verstoren, iets wat wel het geval is bij de Habitatrichtlijnsoorten. Ook zijn de belangen waaronder ontheffing aangevraagd mag worden, voor de nationaal beschermde soorten uitgebreider dan voor de habitatrichtlijnsoorten.

Vogels en verstoring Voor alle (op Europees grondgebied) inheemse vogelsoorten, zoals benoemd in artikel 1 van de Vogelrichtlijn geldt dat het verboden is om in het wild levende vogels te doden of te vangen, opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels te vernielen, opzettelijk te beschadigen, te rapen of nesten van vogels opzettelijk weg te nemen. Ook is het verboden om vogels opzettelijk te storen. Dit is echter niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort of wanneer de activiteit uitvoering geeft aan een instandhoudingsmaatregel of passende maatregel. Dit kan dus ook tijdens het broedseizoen het geval zijn, als kan worden aangetoond of beargumenteerd dat de verstoring geen negatieve effecten heeft op (de kansen van) het broedsucces of wanneer een activiteit van belang is voor de instandhouding van een soort. Of dit van toepassing is hangt af van meerdere factoren, zoals de biologie van een soort, de fase van de broedtijd waarin het broedpaar zich op dat moment bevindt (zoals balts, nestbouw, eieren of jongen), de mate van verstoring en de effecten van het niet uitvoeren van een activiteit. Een ter zake kundige ecoloog kan in voorkomende gevallen bepalen wat wel of niet geldt als wezenlijke verstoring of noodzakelijke activiteit.

In aanvulling op bovenstaande wordt er door de provincies een lijst met vogelsoorten gehanteerd, waarvan de nesten jaarrond bescherming genieten. Binnen deze categorie wordt onderscheid gemaakt in soorten met jaarrond beschermde nesten (categorie 1 tot en met 4) en vogels met mogelijk jaarrond beschermde nesten (categorie 5). Habitatrichtlijn Voor alle soorten die zijn opgenomen onder bijlage IV van de habitatrichtlijn (onderdeel a), bijlage II van het verdrag van Bern en bijlage I van het verdrag van Bonn (excl. vogels benoemd onder artikel 1 van de vogelrichtlijn) geldt dat het verboden is om deze in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te doden, te vangen, te verstoren, hun eieren te vernielen of te rapen en voortplantingsplaatsen of rustplaatsen te beschadigen of te vernielen.

-1-

Daarnaast geldt voor de soorten die worden genoemd in bijlage IV van de habitatrichtlijn (onderdeel b) en bijlage I van het verdrag van Bern dat het opzettelijk plukken, verzamelen, afsnijden, ontwortelen of vernielen verboden is. Dit verbod is niet van toepassing wanneer de activiteit uitvoering geeft aan een instandhoudingsmaatregel of passende maatregel. Of dit van toepassing is hangt ook in dit geval af van meerdere factoren, zoals de periode van het jaar waarin jongen worden geworpen, de bloeiperiode, de mate van verstoring en de effecten van het niet uitvoeren van een activiteit. Een ter zake kundige ecoloog kan in voorkomende gevallen bepalen wat wel of niet geldt als noodzakelijke activiteit. Overige in Nederland beschermde soorten In bijlage IX, onderdeel a van het Bal worden nationaal beschermde soorten genoemd. Het is verboden deze opzettelijk te doden of in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers die zijn opgenomen in deze bijlage te vangen. Het is tevens verboden vaste voortplantingsplaatsen, rustplaatsen of eieren van deze soorten opzettelijk te beschadigen en te vernielen. Hiernaast is het verboden om soorten die zijn opgenomen onder onderdeel b van bijlage IX te plukken, verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen binnen hun natuurlijke verspreidingsgebied.

Dit verbod geldt niet voor de soorten bosmuis, huisspitsmuis en veldmuis, voor zover deze dieren zich in of op gebouwen of daarbij behorende erven of roerende zaken bevinden. Ook geldt dit verbod niet als de activiteit uitvoering geeft aan een instandhoudingsmaatregel of passende maatregel. Vrijgestelde soorten Provincie Fryslân Hoewel de Omgevingswet een nationale wet is, kunnen de provincies (als de bevoegde gezagen) soorten aanwijzen die vrijgesteld kunnen worden van de beschermde status, als het gaat om ruimtelijke ontwikkelingen. Tabel 2.1 geeft een overzicht van de via de Omgevingsverordening 2022 door de Provincie Fryslân vrijgestelde soorten (zoogdieren en amfibieën). De verordening van de Provinciale Staten van Fryslân is te vinden op https://zoek.officielebekendmakingen.nl/prb-2023-13499.pdf Tabel 1. Vrijgestelde Verordening Omgevingswet Provincie Fryslân.

Zoogdieren Aardmuis Bosmuis Dwergmuis Dwergspitsmuis Egel Gewone bosspitsmuis Haas Huisspitsmuis Konijn Ree Rosse woelmuis Steenmarter Tweekleurige bosspitsmuis Veldmuis Vos Woelrat

Amfibieën Bastaard(middelste groene)kikker Bruine kikker Gewone pad Kleine watersalamander Meerkikker

Voorwaarden vrijstellingen Zoals gezegd zijn de vrijstellingen onder het bevoegd gezag van de Provincie Fryslân en zijn hiermee geen onderdeel van de Omgevingswet zelf. De provincie heeft de soorten zoals die genoemd zijn in bovenstaande tabel niet zonder meer vrijgesteld, hier zijn voorwaarden aan verbonden. Ten eerste gelden de vrijstellingen niet in

-2-

alle situaties. Deze zijn alleen van toepassing als de geplande werkzaamheden onder één van de volgende noemers vallen: a. In het kader van ruimtelijke inrichting, ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied; b. In het kader van bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, luchthavens, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer; c. In het kader van bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw; d. In het kader van bestendig beheer en onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied. Ten tweede is het van belang dat de vrijstelling alleen van toepassing zijn als geen goedgekeurde gedragscode van toepassing is (artikel 11.59 Bal) en geen andere bevredigende oplossing voorhanden is (Artikel 8,74l, lid 1 Besluit kwaliteit leefomgeving, hierna Bkl). Ten derde geldt de aangewezen vergunningsvrije activiteit voor de in bijlage 5.1 van de Omgevingsverordening bij betreffende soort genoemde vergunning-vrije activiteiten, middelen en methoden en indien wordt voldaan aan de aldaar gestelde aanvullende voorschriften. Ten vierde blijft de zorgplicht, zoals bepaald in artikel 11.27 (Bal) onverminderd van kracht met het toepassen van de hierboven benoemde aangewezen vergunning-vrije activiteit.

Indien bovengenoemde voor ruimtelijke ingrepen vrijgestelde soorten voorkomen binnen een plangebied of buiten een plangebied, maar binnen de invloedsfeer van een planvoornemen, is een vergunning voor deze soort dus niet nodig. Zorgplicht art 11.27 Bal Onder de Ow zijn twee vormen van zorgplicht benoemd; een algemene zorgplicht en een specifieke zorgplicht. De algemene zorgplicht houdt in dat overheden, bedrijven en burgers allen verantwoordelijk zijn voor de leefomgeving. Wanneer sprake is van specifieke rijksregels, bijvoorbeeld in het geval van ruimtelijke ingrepen wordt deze algemene zorgplicht vervangen door een specifieke zorgplicht (art. 11.27 Bal). In deze specifieke zorgplicht wordt benoemd dat een handeling onder deze specifieke zorgplicht valt als de persoon die de handeling uitvoert weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat deze handeling nadelige gevolgen kan hebben voor de fysieke leefomgeving. Ook het nalaten van een handeling kan onder deze specifieke zorgplicht vallen. De specifieke zorgplicht voor het uitvoeren van ruimtelijke ingrepen kan worden opgedeeld in drie stappen voor de persoon die de handeling uitvoert. Deze persoon is verplicht; a. Alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen. b.

Voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken. c. Als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd. Wanneer ruimtelijke ingrepen betrekking hebben op een rijksmonument of werelderfgoed zijn opties b en c niet aan de orde.

-3-

Ow Gebiedsbescherming Gebiedsbescherming houdt in dat gebieden met belangrijke natuurwaarden wettelijk zijn beschermd. Het gaat hierbij om het NatuurNetwerk Nederland (NNN, voorheen de Ecologische Hoofdstructuur of EHS), Natura 2000-gebieden en bijzondere natuurgebieden en landschappen. NatuurNetwerk Nederland Strikt genomen valt slechts een deel van het NNN onder de Omgevingswet aangezien dit deels bepaald wordt door de provincies en niet door het Rijk. In artikel 7.8 Bkl zijn instructieregels opgenomen voor de bescherming, instandhouding, verbetering en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN. Deze wezenlijke kenmerken en waarden worden provinciaal vastgesteld conform artikel 7.7 van het Bkl. Ook het beschermingsregime voor het NNN is uitgewerkt in de Omgevingswet. In artikel 7.8 Bkl wordt beschreven dat de regels, die worden opgesteld door de provincies, verzekeren dat in ieder geval de kwaliteit en oppervlakte van het NNN niet achteruitgaan, dat de samenhang tussen de gebieden van het NNN wordt behouden en dat, als binnen het NatuurNetwerk activiteiten worden toegelaten die nadelige gevolgen kunnen hebben voor de wezenlijke kenmerken of waarden van het NNN, deze gevolgen tijdig worden gecompenseerd, zodanig dat de kwaliteit, oppervlakte en samenhang van het NNN behouden blijft.

Natura 2000-gebieden Indien werkzaamheden worden uitgevoerd die invloed hebben op een Natura2000-gebied moet onderscheid worden gemaakt tussen een Natura2000-activiteit en een andere type activiteit. Een Natura2000-activiteit wordt in artikel 1.1 van de Omgevingswet gedefinieerd als een “activiteit, inhoudende het realiseren van een project dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura2000-gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura2000-gebied.” Tenzij sprake is van een vergunningsvrij geval dient voor deze activiteiten een voortoets te worden uitgevoerd. Hoewel voor andere typen activiteiten of voor vergunningsvrije activiteit geen vergunningsplicht geldt, blijft de specifieke zorgplicht voor deze activiteiten van toepassing. Onder de Omgevingswet wordt het Programma stikstofreductie en natuurverbetering, welke tevens onderdeel was van de voormalige Wet natuurbescherming voortgezet. Beleidsregels met betrekking tot intern en extern salderen blijven voorlopig onveranderd. Zo vindt vergunningverlening voor Natura2000-activiteiten met stikstofdepositie plaats aan de hand van stikstofdepositieruimte in AERIUS register.

Bijzondere natuurgebieden en landschappen Zowel de staat als provincies kunnen op basis van artikel 2.44 van de Omgevingswet bijzondere natuurgebieden en in het geval van provincies bijzondere landschappen aanwijzen. In het geval van bijzondere nationale natuurgebieden kunnen deze worden aangewezen vooruitlopend op de aanwijzing of begrenzing als Natura2000-gebied. In het geval van bijzondere provinciale natuurgebieden en landschappen hanteert de betreffende provincie hierin eigen juridische bescherming. Zo is in sommige provincies een zogenaamde ‘nee, tenzij’-principe van kracht, waardoor sprake is van juridisch beschermingsregime naast het NNN en Natura2000.

-4-

Ow Houtopstanden In Afdeling 11.3 Bal zijn de regels voor de bescherming van houtopstanden en bomenrijen opgenomen. Het vellen van (een deel van) houtopstanden is beschermd door een algemene meldplicht (art. 11.126 Bal) en een herplantplicht (art 11.129 Bal). Deze bescherming geldt alleen voor houtopstanden vanaf 10 are en bomenrijen met meer dan 20 bomen, buiten een zogenaamde ‘bebouwingscontour houtkap’. Deze moet worden aangewezen in een omgevingsplan en is hierin terug te vinden. Indien dit niet het geval is, kan een voorloper, zoals de bebouwde kom Wet natuurbescherming of Boswet worden geraadpleegd. Als uitbreiding hierop is tevens een specifieke zorgplicht van kracht voor het vellen van houtopstanden, het herplanten van grond of nadat een houtopstand op een andere manier teniet is gedaan (art 11.116 Bal). Deze specifieke zorgplicht stelt dat degene die vellings- en herbeplantingsactiviteiten en handel in hout uitvoert of in het bezit is van hout verplicht is om nadelige gevolgen op natuurbescherming, instandhouding areaal houtopstanden in Nederland en de bescherming van landschappelijke waarden achterwege te laten, tenzij dit niet redelijkerwijs kan worden gevergd. Indien hier sprake van is, dienen negatieve effecten zoveel mogelijk te worden beperkt en/of ongedaan te worden gemaakt. Op deze wetgeving zijn enkele uitzonderingen, naast de reeds genoemde uitzonderingen.

Zo zijn houtopstanden op erven of in tuinen, windschermen om boomgaarden, kerstbomen niet ouder dan 20 jaar, kweekgoed, uit populieren of wilgen bestaande wegbeplanting, beplanting langs waterwegen of eenrijige beplantingen langs landbouwgronden, dunningen en beplantingen van populieren, wilgen, essen of elzen voor de productie van biomassa, die tenminste eens in de 10 jaar worden geoogst, bestaan uit minstens 10.0o0 stoven/ha/beplantingseenheid en die zijn aangelegd na 1 januari 2013 uitgezonderd.

-5-

Berekening stikstofdepositie Compagnonswijk Appelscha

DEFINITIEF

Berekening stikstofdepositie Compagnonswijk Appelscha

DEFINITIEF

Inhoud Rapport en bijlage

22 januari 2025 Projectnummer P003420

Inhoudsopgave 1

Inleiding

3

2

Wettelijk kader

4

3

Ligging projectgebied

6

4

Invoergegevens AERIUS

7

4.1

Aanleg- en gebruiksfase 2025

7

4.1.1

Emissie mobiele werktuigen op de locatie (bron 1)

7

4.1.2

Werkverkeer

8

4.1.3

Verkeersgeneratie woningen

10

4.1.4

Totale emissie aanleg- en gebruiksfase 2025

10

5

Model

11

6

Rekenresultaten en conclusie

12

Bijlage 1

22 januari 2025

1

Inleiding In het kader van de procedure buitenplanse omgevingsplan activiteit (BOPA) De Compagnonswijk Appelscha is de depositie van stikstof ten gevolge van de bouw en het gebruik van de nieuwe woningen aan het Zuideinde in de gemeente Ooststellingwerf berekend. Het project maakt de bouw van 8 vrijstaande woningen en 4 wooneenheden in één bouwvolume mogelijk op een locatie in het matig stedelijk woonmilieu. De omvang van het projectgebied is op de onderstaande afbeelding weergegeven. De depositie van stikstof in stikstofgevoelige Natura 2000gebieden ten gevolge van de emissie van NOx en NH3 van deze ontwikkeling, alsmede van het verkeer van en naar de locatie is berekend met het programmapakket AERIUS (22 januari 2025). Dit rapport vormt een toelichting op de bijgevoegde berekening.

Afbeelding 1 – Omvang projectgebied (bron: pdokviewerpdok.nl, d.d. 1-10-2024)

Leeswijzer In het volgende hoofdstuk wordt ingegaan op het wettelijk kader van de Omgevingswet bij vergunningaanvragen of de wijziging van het omgevingsplan. Vervolgens komt in hoofdstuk 3 de ligging van het projectgebied ten opzichte van de meest nabijgelegen Nature 2000-gebieden aan bod. Hoofdstuk 4 is gewijd aan de invoergegevens van het programmapakket AERIUS en hoofdstuk 5 geeft het model weer. In het laatste hoofdstuk worden de rekenresultaten en conclusies besproken.

22 januari 2025

3

2

Wettelijk kader De Omgevingswet regelt de bescherming van Natura 2000-gebieden, bossen en specifieke dier- en plantsoorten. De bescherming van de Natura 2000-gebieden is verankerd in het onderdeel gebiedsbescherming. Plannen en projecten met negatieve effecten op deze gebieden zijn vergunningplichtig. Relevant daarbij is dat het onderdeel gebiedsbescherming een externe werking kent. Van externe werking is sprake als activiteiten buiten een Natura 2000-gebied van invloed zijn op de natuurwaarden in een Natura 2000-gebied. In Nederland zijn 162 Natura 2000-gebieden gelegen. In 130 van deze gebieden komen stikstofgevoelige habitats of leefgebieden van soorten voor. Dit betekent dat een verdere toename van stikstofdepositie tot een negatief effect kan leiden. Derhalve dient bij een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling onderzocht te worden of er stikstofdepositie in stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden plaatsvindt. Dit geldt voor een activiteit waar een omgevingsvergunning voor noodzakelijk is, maar ook voor een wijziging van het omgevingsplan dat nieuwe ontwikkelingen mogelijk maakt. Ondanks dat bij een wijziging van het omgevingsplan onder de Omgevingswet het niet langer noodzakelijk is om de uitvoerbaarheid van het plan aan te tonen, moet wel onderzocht worden of een ontwikkeling op de betrokken locatie in beginsel mogelijk is.

Hiernaast geldt op grond van artikel 1.6 Omgevingswet in samenhang met artikel 11.6 Besluit activiteiten leefomgeving een zorgplicht voor omgevingsvergunningen en het wijzigen van het omgevingsplan. Een te hoge stikstofdepositie kan tot een negatief effect leiden, waardoor de kans bestaat dat de BOPA niet verleend kan worden indien dit negatief effect niet kan worden voorkomen door bijvoorbeeld de toepassing van mitigerende maatregelen.

Kwetsbaarheid van stikstof gevoelige natuurgebieden Niet alle Natura 2000-gebieden met voor stikstof gevoelige habitats of leefgebieden voor soorten zijn even kwetsbaar voor een toename van de stikstofdepositie. Wanneer het gebieden betreft waar zich habitats of leefgebieden van soorten bevinden waarvan de kritische depositiewaarde lager is dan de achtergrondwaarde voor stikstof, dan is sprake van een overgevoelig gebied. In die gebieden moet de toename van zelfs een minimale stikstofdepositie al als significant negatief worden beschouwd. In die gebieden kan een toename van de stikstofdepositie met meer dan 0,00 mol N/ha/jaar dan ook niet worden toegestaan. In gebieden waar de kritische depositiewaarde hoger is dan de achtergrondwaarde, is weliswaar sprake van een negatief effect bij een toename van de stikstofdepositie, maar deze wordt pas significant negatief wanneer de toename zo groot is dat de kritische depositiewaarde wordt overschreden. In dergelijke gebieden is dus meer ruimte voor een toename van de stikstofdepositie. Saldering Om een ruimtelijke ontwikkeling waarbij sprake is van meer stikstofdepositie op een stikstofgevoelig Natura 2000-gebied mogelijk te maken, kan gebruik worden gemaakt van intern of extern salderen. Door middel van salderen zorgt de initiatiefnemer ervoor dat de netto stikstofemissie niet toeneemt.

22 januari 2025

4

Dit kan door middel van het staken van stikstof emitterende activiteiten binnen het projectgebied of plangebied zelf (intern salderen) of het staken van stikstof emitterende activiteiten op een locatie buiten het project- of plangebied van de ruimtelijke ontwikkeling (extern salderen). Bij de toepassing van intern of extern salderen gelden belangrijke voorwaarden, namelijk: -

om intern te mogen salderen, moet er sprake zijn van één project of één plan waarbij sprake is van één locatie waarbinnen de te salderen activiteiten zich bevinden;

-

zowel intern als extern salderen worden aangemerkt als een mitigerende of verzachtende maatregel in de zin van artikel 6, lid 3 van de Habitatrichtlijn en mogen dus alleen plaatsvinden in het kader van een passende beoordeling.

Stikstofregistratiesysteem Naast saldering bestaat er de mogelijkheid voor woningbouwprojecten, waarbij sprake is van een stikstofdepositie op een stikstofgevoelig Natura 2000-gebied, om deze projecten mogelijk te maken via het stikstofregistratiesysteem. In dit stikstofregistratiesysteem wordt alle stikstofruimte van stikstofreducerende maatregelen opgeslagen. De door deze maatregelen beschikbaar gekomen ruimte kan voor maximaal 70% worden besteed aan economische ontwikkelingen.

22 januari 2025

5

3

Ligging projectgebied Zoals in de inleiding is aangegeven, is het projectgebied gelegen aan het Zuideinde te Appelscha. Op de onderstaande afbeelding is de ligging van het projectgebied ten opzichte van de meest nabijgelegen Natura 2000-gebieden weergegeven.

Afbeelding 2 – Ligging projectgebied ten opzichte van de meest nabijgelegen Natura 2000-gebieden

De meest nabijgelegen Natura 2000-gebieden zijn: -

Drents-Friese Wold & Leggelderveld, gelegen op een afstand van circa 1,2 km;

-

Fochteloërveen, gelegen op een afstand van circa 3,6 km.

22 januari 2025

6

4

Invoergegevens AERIUS Met behulp van AERIUS kan de depositie als gevolg van de emissies van NO x en NH3 op Natura 2000gebied worden berekend. Om de berekening te kunnen maken, moeten stikstofbronnen worden ingevoerd die bij het project of plan zullen worden gebruikt. In AERIUS zijn voor diverse bronnen standaard emissiekengetallen opgenomen op basis waarvan de emissies van NOx en NH3 kunnen worden bepaald. Het gaat dan om bronnen die worden gebruikt tijdens de sloop-, aanleg- en/of bouwfase en bronnen die later tijdens het gebruik van het project of plan worden ingezet. Het gaat om bijvoorbeeld (mobiele) werktuigen, maar ook om het verkeer op, van en naar het terrein. Hoe bronnen moeten worden bepaald, is uitgewerkt in het handboek “Werken met AERIUS Calculator”. Conform dit handboek dient bijvoorbeeld de verkeersgeneratie te worden beschouwd. Niet alleen het handboek speelt daarbij een rol. Ook gerechtelijke uitspraken zijn van belang. Zo blijkt uit jurisprudentie dat de gevolgen voor het milieu van het af- en aanrijdend verkeer niet meer aan de ruimtelijke ontwikkeling worden toegerekend wanneer dit verkeer kan worden geacht te zijn opgenomen in het heersende verkeersbeeld. Dit is het geval wanneer het aan- en afrijdende verkeer zich door zijn snelheid en rij- en stopgedrag nog niet, dan wel niet meer onderscheidt van het overige verkeer dat zich op de betrokken weg bevindt.

De berekening heeft dienovereenkomstig plaatsgevonden. Door de opdrachtgever is aangegeven dat de gebouwen gasloos worden uitgevoerd. Dit betekent dat geen rekening behoeft te worden gehouden met een emissie van NOx ten behoeve van de verwarming. Ten behoeve van de werkzaamheden en het gebruik zijn de volgende invoergegevens in AERIUS gebruikt (afbeelding 3).

4.1

Aanleg- en gebruiksfase 2025

In de aanlegfase wordt de grond gereed gemaakt voor bebouwing, waterbuffers, wegen en worden de woningen gerealiseerd. Tevens wordt de beplanting in het kader van de landschappelijke inpassing aangebracht. Gelet op de ontwikkeling betreft dit een reëel en aannemelijk uitgangspunt. Om een worstcase beeld te krijgen is tevens in hetzelfde rekenjaar de gebruiksfase opgenomen. De volgende invoergegevens zijn in de berekening gebruikt. 4.1.1 Emissie mobiele werktuigen op de locatie (bron 1) In de navolgende tabel zijn de invoergegevens van de mobiele werktuigen op de bouwlocatie weergegeven. Voor de invoergegevens van mobiele werktuigen op de locatie is gebruik gemaakt van aannames afkomstig uit een door BügelHajema Adviseurs bijgehouden bronbestand. Dit bronbestand bevat gemiddelde cijfers over de inzet van mobiele werktuigen op de locatie en zijn verkregen door jarenlange ervaring met stikstofberekeningen. Met betrekking tot het verbruik van het aantal liters brandstof en het percentage AdBlue is aangesloten bij het onderzoek van TNO (AUB (AdBlue verbruik, Uren, en Brandstofverbruik): een robuuste schatting van NOx en NH3 uitstoot van mobiele werktuigen, TNO 2021 R12305). Op basis van dit onderzoek is voor stage IV mobiele werktuigen uitgegaan van 6% AdBlue ten opzichte van het aantal liters verbruikte brandstof.

22 januari 2025

7

Tabel 1. Emissie mobiele werktuigen bouwlocatie Functie

Bouw woningen

Verharding

Aantal

12 12 12 12 12 2.700 2.700 2.700

m2 m2 m2 Sloot 500 m2 Laagte 4.100 m2 Totale emissie in kg NOx /jaar

Werktuig

kW

Stage

Eenheid

graafmachine kraan heistelling betonstorter verreiker graafmachine wals trilplaat graafmachine graafmachine

200 200 200 200 60 100 100 10 100 100

Elek. Elek. IV Elek. Elek. Elek. Elek. Elek. Elek. Elek.

8 u/ 8 u/ 4 u/ 4 u/ 4 u/ 2 u/ 1 u/ 1 u/ 2 u/ 2 u/

won. won. won. won. won. 50 m2 50 m2 50 m2 50 m2 50 m2

Draaiuren

Verbruik liters /uur

Totaal Verbruik liters

Emissie NOx

96 uur 96 uur 48 uur 48 uur 48 uur 108 uur 54 uur 54 uur 20 uur 164 uur

19,81 -

951 -

5,4 5,4

kg kg kg kg kg kg kg kg kg kg kg

De totale emissie van mobiele werktuigen bedraagt 5,4 kg NOx/jr en 0,2 kg NH3/jr. 4.1.2 Werkverkeer Werkverkeer rijdend verkeer (bron 2) Wat betreft het werkverkeer is rekening gehouden met de volgende ritten per jaar. Voor de berekening is uitgegaan van gemiddelden, gebaseerd op het bronbestand. Tabel 2. Ritproductie werkverkeer Functie

Aantal

Woningen

Verharding

Sloot

Laagte

Beplanting

Verkeer

Eenheid

Aantal

12 12

Licht verkeer

100/won.

1.200

Middelzwaar verkeer

20/won.

240

12

Zwaar verkeer

4/won.

48

2.700 m2 2.700 m2

Licht verkeer Middelzwaar verkeer

40/100 m2 0/100 m2

1.080 0

2.700 m2

Zwaar verkeer

40/100 m2

1.080

500 m 500 m2

Licht verkeer

40/100 m2

200

Middelzwaar verkeer

40/100 m2

200

500 m2

Zwaar verkeer

0/100 m2

0

4.100 m2 4.100 m2

Licht verkeer

40/100 m2

1.640

Middelzwaar verkeer

40/100 m2

1.640

4.100 m2

Zwaar verkeer

0/100 m2

0

1.500 m2 1.500 m2

Licht verkeer

40/100 m2

600

Middelzwaar verkeer

40/100 m2

600

1.500 m2

Zwaar verkeer

0/100 m2

2

Totaal

0

Licht verkeer

4.720

Middelzwaar verkeer

2.680

Zwaar verkeer

1.128

Bij de indeling van verkeer in licht, middelzwaar en zwaar (vracht)verkeer is uitgegaan van de voertuigcategorieën van InfoMil (tabel 3).

22 januari 2025

8

Tabel 3. Bepaling voertuigcategorieën (InfoMil) Categorie Alledaagse omschrijving Lichte motorvoertuigen

- alle personenauto’s - de meeste bestelauto’s - vrachtwagens met 4 wielen

Middelzware motorvoertuigen

- alle autobussen - vrachtwagens met 2 assen en 4 achterwielen

Zware motorvoertuigen

- vrachtwagens met 3 of meer assen - vrachtwagens met aanhanger - trekkers met oplegger

De totale emissie van de werkverkeer lijnbron bedraagt 2,9 kg NOx/jr en 0,1 kg NH3/jr. Werkverkeer koude start (bron 4) Voor de koude start is er bij het werkverkeer vanuit gegaan dat alleen de lichte motorvoertuigen geheel afkoelen (langer dan 2 uur). Doordat de motor langer dan 2 uur heeft stilgestaan is er sprake van extra emissie door deze koude start. Conform het handboek is deze emissie als vlakbron ingetekend waarbij wordt uitgegaan van een open terrein. Voor de koude start wordt worstcase uitgegaan van de helft van het aantal verkeersbewegingen omdat een verkeersbeweging naar het terrein rijdt, daar afkoelt en weer het terrein verlaat. In de berekening is uitgegaan van 2.360 koude starts van lichte motorvoertuigen per jaar. Er wordt ervan uitgegaan dat de vrachtvoertuigen enkel kort komen laden en lossen, en daarmee geen koude start maken. De totale emissie van het werkverkeer koude start bedraagt minder dan één kg NO x/jr. Stationair draaien vrachtwagens (bron 6) Conform de ‘Instructie Gegevensinvoer voor AERIUS Calculator 2024’ is voor dit project worstcase rekening gehouden met het stationair draaien van zware vrachtwagens. Hierbij is ervan uitgegaan dat een zware vrachtwagen gemiddeld 7 minuten stationair draait op de bouwlocatie. Dit is voor het laden en lossen van producten en goederen.

Voor het berekenen van de emissie is gebruik gemaakt van cijfers van TNO, bijlage 1 Stationaire emissies wegverkeer. Op de locatie zijn tijdens de aanlegfase 564 zware vrachtwagens aanwezig. Voor zware vrachtwagens wordt in 2025 uitgegaan van 92,4864 g NOx en 0,8976 g NH3 per uur. Dit komt voor zware vrachtwagens neer op 65,8 * 92,4864 g/uur = 6,09 kg NOx en 65,8 * 0,8976 g/uur = 0,06 kg NH3. Het stationair draaien is gemodelleerd als vlakbron aangezien de vrachtwagens naar alle waarschijnlijkheid verdeeld over het gehele terrein zullen laden en lossen. De totale emissie van het stationair draaien van vrachtwagens bedraagt 6,09 kg NOx/jr en 0,06 kg NH3/jr.

22 januari 2025

9

4.1.3 Verkeersgeneratie woningen Verkeersgeneratie rijdend verkeer (bron 3) In het model is het verkeer van en naar het gebouw opgenomen, waarbij gebruik is gemaakt van CROWpublicatie 3812018. Daarbij is gebruikgemaakt van de kencijfers voor vrijstaande koopwoningen buitengebied (8,6 ritten per woning) en koopappartementen in het dure segment buitengebied (7,8 ritten per woning). Dit houdt in dat rekening moet worden gehouden met naar boven afgerond 100 ritten lichte motorvoertuigen per etmaal. De totale emissie van de verkeersgeneratie lijnbron van de woningen in de gebruiksfase bedraagt in dat geval 3,5 kg NOx/jr en 0,4 kg NH3/jr. Verkeersgeneratie koude start (bron 5) Voor de koude start is er bij de verkeersgeneratie vanuit gegaan dat alleen de lichte motorvoertuigen geheel afkoelen (langer dan 2 uur). Doordat de motor langer dan 2 uur heeft stilgestaan is er sprake van extra emissie door deze koude start. Conform het handboek is deze emissie als vlakbron ingetekend waarbij wordt uitgegaan van een open terrein. Voor de koude start wordt worstcase uitgegaan van de helft van het aantal verkeersbewegingen omdat een verkeersbeweging naar het terrein rijdt, daar afkoelt en weer het terrein verlaat. In de berekening is worstcase rekening gehouden met 50 koude starts van lichte motorvoertuigen per etmaal.

De totale emissie van de verkeersgeneratie koude start bedraagt 5 kg NOx/jr en 0,8 kg NH3/jr. 4.1.4 Totale emissie aanleg- en gebruiksfase 2025 De totale emissie van het project in de aanleg- en gebruiksfase bedraagt 23,5 kg NOx/jr en 1,7 kg NH3/jr.

22 januari 2025

10

5

Model De emissie en depositie van het project zijn bepaald met behulp van het AERIUS pakket (22 januari 2025). In de berekening is uitgegaan van het rekenjaar 2025. Indien het project later zal worden uitgevoerd, kan deze berekening als worstcase worden beschouwd. In latere rekenjaren zal de emissiefactor van onder andere verkeersbewegingen namelijk afnemen. Navolgend is van het model een afbeelding opgenomen.

Afbeelding 3 - AERIUS-model aanleg- en gebruiksfase 2025

Rekenbasis Deze berekening is tot stand gekomen op basis van: AERIUS versie

2024.0.1_20241009_75e59949f9

Database versie

2024_75e59949f9_calculator_nl_stable

22 januari 2025

11

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Ooststellingwerf&id=09e6d7a0-9c9b-4a1c-8ee7-d3e084d06521