CConstaterende datOoststellingwerf
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 3 - GoFlo inclusief bijlagen (nieuw)

Raadsvergadering 25 februari 2025, gemeente OoststellingwerfBij agendapunt: Omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit Compagnonswijk Appelscha30.990 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Dit maakt het project niet verplaatsbaar naar een andere plek binnen of buiten het stedelijk gebied. Daarmee zijn er geen reële alternatieven voor de woningbouw binnen het projectgebied. Meervoudig ruimtegebruik: In artikel 2.3 van de Omgevingsverordening provincie Fryslân zijn regels opgenomen over zuinig en meervoudig ruimtegebruik. Daarbij gaat het om de behoefte (lid 1a) en om reële alternatieven (artikel lid 1b en lid 2). In aanvulling daarop vraagt lid 1c om duidelijkheid te verschaffen over de wijze waarop de mogelijkheden voor meervoudig ruimtegebruik zijn afgewogen en benut. Op dit punt wordt verwezen naar hoofdstuk 2. Daaruit blijkt dat binnen De Compagnonswijk de opgave voor wonen, duurzaamheid, landschap, klimaatadaptatie en biodiversiteit integraal wordt benaderd. Zo worden er functiecombinaties gecreeerd tussen waterberging en biodiversiteit (door de natuurvriendelijke inrichting van de ‘laagte’ aan de oostkant), tussen wonen en duurzaamheid (door circulair te bouwen en de 12 Het woningmarktonderzoek dat aan de Woon(zorg)visie ten grondslag ligt wordt op dit moment geactualiseerd. De actualisa-

tie is nog niet openbaar gemaakt, maar duidelijk is al wel dat de behoefte voor Appelscha naar boven wordt bijgesteld. 13 Zie: https://www.ooststellingwerf.nl/plannen.

GoFlo De Compagnonswijk Appelscha

25

Virtual Power Plant) en tussen landschap en wonen (door woningen die ‘opgaan’ in het landschap). 4.3 Duurzaamheid Beoordelingskader In bijlage 1 van de Omgevingswet (Ow) is het begrip duurzame ontwikkeling gedefinieerd. Het gaat om "een ontwikkeling die voorziet in de behoeften van de huidige generatie zonder de mogelijkheden voor toekomstige generaties om in hun eigen behoeften te voorzien in gevaar te brengen." Artikel 1.3 en 2.1 Ow borgen het belang van duurzaamheid. In artikel 1.3 zijn de maatschappelijke doelen van de wet verwoord, waaronder “duurzame ontwikkeling”. Dit artikel geeft ook richting aan de voor burgers en bedrijven opgenomen zorgplicht in artikel 1.6 Ow. Artikel 2.1 geeft aan dat een bestuursorgaan zijn taken en bevoegdheden op grond van de wet uitoefent met het oog op de doelen van de wet, tenzij daarover specifieke regels zijn gesteld. Duurzaamheid is daarmee een vast onderdeel van het afwegingskader van het bestuur. Toetsing De Compagnonswijk is een duurzaam project op verschillende niveaus. Op het niveau van het projectgebied wordt een toekomstbestendig landschap gecreëerd, naar het model van het ‘verdwenen’ woudontginningslandschap. De waterhuishouding is op ditzelfde niveau klimaatadaptief. Naast de verplichting om het toegenomen oppervlak in verharding te compenseren, wordt de gehele oostzijde van het projectgebied als ‘waterbuffer’ ingericht.

Hier kan extra water worden opgevangen, ook als er in de toekomst meer hemelwater valt dan waarmee nu in de weermodellen rekening wordt gehouden. Tenslotte zal ook de biodiversiteit binnen het gehele projectgebied gaan toenemen. Zowel bij de inrichting als bij het beheer van het landschap (denk aan streekeigen beplanting en extensief maaien) en de waterhuishoudkundige voorzieningen (bijvoorbeeld toepassing flauwe taluds) wordt hiermee rekening gehouden. Daar waar onder invloed van het agrarische gebruik veel ecologische waarden zijn verdwenen, leidt De Compagnonswijk tot herstel van waarden en tot nieuwe ecologische kansen. Op het niveau van de bebouwing is duurzaamheid leidend. Voor de woonvolumes worden circulaire, duurzame en onderhoudsarme materialen toegepast. Zo mogelijk worden de woonvolumes (semi) off-grid gebouwd. In ieder geval bestaat de mogelijkheid om stroom te ontvangen via het geclusterde woonvolume, die daarmee als een Virtual Power Plant functioneert. De stroom wordt opgewekt via zonnepanelen op de daken en op een centrale carport. De woningen worden verwarmd middels warmtepompen (via lucht, water en/of bodem). Een en ander wordt onderzocht en technisch uitgewerkt in het kader van de omgevingsvergunning ‘bouwen’.

De centrale carport biedt ruimte aan een batterij waarin (tijdelijk) stroom kan worden opgeslagen tijdens piekmomenten, als er meer wordt opgewekt met de zonnepanelen dan gebruikt wordt. Ook op dagen met beperkte terugleveringsmogelijkheden op het elektriciteitsnet (bijvoorbeeld bij congestie of negatieve stroomprijzen), kan de batterij worden ingezet. In het kader van de omgevingsvergunning ‘bouwen’ worden de capaciteit en het type van de batterij bepaald. 4.4 Gezondheid Beoordelingskader Een van de maatschappelijke doelen van de Omgevingswet (Ow) is een gezonde fysieke leefomgeving (artikel 1:3 Ow). In artikel 2.1 lid 4 Ow is bepaald dat het bevoegd gezag bij de

GoFlo De Compagnonswijk Appelscha

26

evenwichtige toedeling van functies in ieder geval rekening houdt met het belang van het beschermen van de gezondheid. Voorzorg kan daarbij een rol spelen. Naast de gezondheidsbescherming kan het belang van gezondheidsbevordering worden meegewogen. Het Rijk stelt ondergrenzen voor de bescherming van de gezondheid, bijvoorbeeld via instructieregels of omgevingswaarden voor geluid, luchtkwaliteit, geur en waterkwaliteit. De gemeente vertaalt dit in het omgevingsplan en houdt er rekening mee bij het verlenen van omgevingsvergunningen. Toetsing Vooral het aspect ‘geluid’ is van belang voor het planvoornemen. Er is sprake van omliggende bedrijvigheid en het projectgebied grenst aan de weg Zuideinde/Willemstad. In paragraaf 4.8 en 4.9 wordt uitgebreid op het geluidsaspect ingegaan. Het is aannemelijk dat ter plaatse van de woningen voldaan kan worden aan gezondheidskundige richtwaarden voor geluid. Er wordt van een ruime afstand tot de woningen uitgegaan (zie paragraaf 4.8). Daarbij komt dat het zwaartepunt van de bedrijfsactiviteiten niet direct aan het projectgebied grenst en daar deels door bebouwing van afgeschermd wordt. Op grond hiervan wordt een gezond woon- en leefklimaat verwacht. Dat geldt ook voor de geluidsbelasting vanwege het Zuideinde. GGD Fryslân hanteert de richtwaarden van 50 dB Lden en 40 dB Lnight bij wegverkeerslawaai.

Uit akoestisch onderzoek blijkt dat de geluidsbelasting van het Zuideinde op de gevel van de dichtstbijzijnde woningen maximaal 50 dB Lden en 41 Lnight bedraagt (zie bijlage 10). Alleen de Lnight wordt dus overschreden (met 1 dB). Het is niet noodzakelijk om hiervoor maatregelen aan de gevel te nemen. Naast ‘geluid’ kan het gebruik van bestrijdingsmiddelen rondom het projectgebied effect hebben op de gezondheid van toekomstige bewoners. Aan de oostkant van het Zuideinde liggen drie percelen die in gebruik zijn als grasland. Deze percelen zijn in het Omgevingsplan gemeente Ooststellingwerf bestemd als ‘Agrarisch’. Akkerbouw en het toepassen van bestrijdingsmiddelen is hier mogelijk.14 Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State is het uitgangspunt dat voor woningen een afstand van 50 m wordt aangehouden tot percelen waarop bestrijdingsmiddelen (kunnen) worden toegepast.15 Deze afstand wordt voor de woningen binnen De Compagnonswijk gehaald (zie afbeelding 4.2). Voor biologische kwekerij Symbiose aan de noordzijde van het projectgebied wordt uitgegaan van een afstand van 30 m tussen de bijbehorende bedrijfsbestemming en de dichtstbijzijnde woningen.

Hoewel de kweker in het kader van de participatie verklaard heeft geen (traditionele) bestrijdingsmiddelen toe te (willen) passen, wordt hier vanwege de mogelijkheden in het Omgevingsplan gemeente Ooststellingwerf wel rekening mee gehouden. De afstand van 30 m is aanvaardbaar omdat er in de eerste plaats in het gebied tussen de kweker en De Compagnonswijk sprake is van driftbeperkende maatregelen. Zo zijn er op de erfgrens van de kwekerij struiken en/of schuttingen aanwezig. Daarnaast ligt een dubbele bomenrij met gedeeltelijke ondergroei. Vervolgens wordt er in het projectgebied heesterbeplanting (minimaal 2 m breed en 2-3 m hoog) én een boomsingel met ondergroei aangelegd. Voor deze nieuwe beplanting geldt een aanleg- en instandhoudingsverplichting op grond van een voorwaardelijke bepaling in de Bopa. De nieuwe woningen liggen dus achter 4-5 stroken (samen 30 m breed) met

14 Dat geldt in theorie ook voor het perceel achter Vaart NZ 15. Dit perceel is in gebruik als tuin en zou bijvoorbeeld als schapen-

of paardenweide dienst kunnen doen. Akkerbouw is echter redelijkerwijs uitgesloten vanwege de specifieke vorm (driehoek), de afstandseis van 50 m die al geldt tot de bestaande woningen en het kleine oppervlakte (dat overblijft na aftrek van die 50 m). 15 Zie: ECLI:NL:RVS:2013:BY8000.

GoFlo De Compagnonswijk Appelscha

27

driftbeperkende maatregelen.16 In de tweede plaats is de overheersende windrichting zuidwestelijk, dus van het projectgebied af. Als er in de toekomst wel bestrijdingsmiddelen gebruikt worden, dan is het niet aannemelijk dat deze de woningen binnen het projectgebied bereiken.

Afbeelding 4.2 Spuitzones rond agrarische percelen

4.5 Verkeer & Parkeren Beoordelingskader Bij een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit moet sprake zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (artikel 2.1 Omgevingswet). Bij een voorgenomen ontwikkeling moet daarom onder meer beoordeeld worden wat de effecten zijn op de verkeersafwikkeling en verkeersveiligheid binnen en rond het projectgebied. Het kader voor die beoordeling wordt gevormd door het Regionaal mobiliteitsplan, het Gemeentelijk verkeers- en vervoersprogramma, het Strategisch Plan Verkeersveiligheid en de parkeernormen in het Omgevingsplan gemeente Ooststellingwerf. Een deel van het verkeersbeleid is verwerkt in de Omgevingsvisie Ooststellingwerf in het kader van de ambitie ‘Bereikbaar Ooststellingwerf’. Toetsing Op basis van de CROW-publicatie nr. 744 'Parkeerkencijfers 2024 - Basis voor parkeernormering' (augustus 2024) bedraagt de verkeersgeneratie van een vrijstaande koopwoning binnen het buitengebied (matig stedelijk): 7,8-8,6 motorvoertuigbewegingen per etmaal. Voor koopappartementen (> 100 m2 bvo) in het dure segment binnen het buitengebied (matig stedelijk)

16 Aangesloten wordt bij uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State over spuitzones van 20-30 m

vanwege tussenliggende permanente groenvoorzieningen (zie ECLI:NL:RVS:2023:269 en NL:RVS:2022:3160).

GoFlo De Compagnonswijk Appelscha

28

gaat het om 7-7,8 motorvoertuigbewegingen per etmaal.17 Dat brengt de totale verkeersgeneratie voor De Compagnonswijk op 90,4-100 motorvoertuigbewegingen per etmaal. Dit aantal kan goed door het Zuideinde worden opgevangen, waarvoor een relatief beperkte verkeersintensiteit geldt.18 De doorstroming komt dus niet in gevaar door de extra motorvoertuigbewegingen. De aansluiting van De Compagnonswijk wordt vormgegeven als ‘uitritconstructie’. Het gaat om een ‘karrespoor’ of een variant daarop, die middels grasstenen wordt aangesloten op Het Zuideinde. De vormgeving van de ontsluiting benadrukt de ondergeschiktheid aan het Zuideinde, waaraan voorrang verleend moet worden. Er is sprake van voldoende oprijzicht. Dit is toegelicht in de ‘Memo verkeer woningbouwplan noordoostelijke rand Appelscha’ (bijlage 6). Aangenomen mag worden dat De Compagnonswijk geen negatief effect heeft op de verkeersveiligheid. Qua parkeren gaat CROW-publicatie 744 uit van 1,7-2,5 parkeerplaatsen per vrijstaande koopwoning en 1,4-2,2 parkeerplaatsen per koopappartement in het dure segment.19 Dit leidt tot een totale parkeerbehoefte van 19,2-28,8 parkeerplaatsen. Bij elke vrijstaande woning is ruimte voor 2 auto’s onder de kap. De eigenaren en bezoekers van de appartementen maken gebruik van het parkeerterrein aan de noordoostkant van het projectgebied, dat een capaciteit van 20 parkeerplaatsen heeft.

In totaal zijn er 36 parkeerplaatsen, waarmee de parkeerbehoefte van De Compagnonswijk ruimschoots binnen het projectgebied kan worden opgevangen. 4.6 Natuur Beoordelingskader In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn diverse regels ter bescherming van de natuur opgenomen. Het gaat hierbij vooral om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van plant- en diersoorten en regels voor de bescherming van houtopstanden. Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit met name voort uit de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en Habitatrichtlijn (92/43/EEG). In het navolgende wordt het beoordelingskader voor gebieds- en soortenbescherming verder uitgewerkt. Gebiedsbescherming De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit wijst de Natura 2000-gebieden aan. Op grond van artikel 2.43 Omgevingswet (Ow) legt hij ook de instandhoudingsdoelstellingen vast. Dit gebeurt in een aanwijzingsbesluit. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze in kaart te worden gebracht en beoordeeld.

Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op de effecten voor soorten en habitats. Een ruimtelijke ontwikkeling die significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vergund als uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid

17 Deze categorie sluit het best aan bij de geclusterde wooneenheden. Overigens is de verkeersgeneratie van tussen- en hoek-

woningen gelijk aan die van dure koopappartementen. 18 In het onderzoek naar wegverkeerslawaai (zie bijlage 10) is worst case uitgegaan van 1.200 motorvoertuigbewegingen per

etmaal. 19 Voor het parkeren is eveneens uitgegaan van ‘buitengebied’ en ‘matig stedelijk’.

GoFlo De Compagnonswijk Appelscha

29

niet is verkregen, kan het plan alleen worden vastgesteld/vergund op basis van drie voorwaarden: 1. Alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden; 2. Het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en 3. De noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. Het toetsingskader voor zogeheten ‘Natura 2000-activiteiten’ is opgenomen in afdeling 8.6.1 Bkl. Soortenbescherming Onder de Ow zijn veel dier- en plantsoorten beschermd. De bescherming richt zich op soorten van Europees belang, die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen, en op soorten van nationaal belang. Soortenbescherming vindt plaats binnen en buiten het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Dit kan vorm krijgen in wet- en regelgeving, maar ook in fysieke maatregelen die bescherming, vestiging of uitbreiding van een soortenpopulatie stimuleren. Op grond van artikel 2.18 lid 1 sub f Ow zijn in principe de provincies hiervoor verantwoordelijk. Echter, ook decentrale overheden kunnen hiervoor actief beleid voeren, bijvoorbeeld door het vaststellen van een programma voor soortenbescherming.

Door een strikte formulering van ‘flora- en fauna-activiteiten’ moet bij vrijwel alle ingrepen in de fysieke leefomgeving nagegaan worden welke soorten er aanwezig zijn. In hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) is aangegeven wanneer een omgevingsvergunning voor soortenbescherming nodig is.

Afbeelding 4.3 Oever van de Boksloot (bron: FaunaX)

Toetsing FaunaX heeft ecologisch onderzoek binnen het projectgebied uitgevoerd. De uitkomsten van dit onderzoek zijn samengevat in het rapport ‘Quickscan + flora en fauna Omgevingswet Woningbouwproject De Compagnonswijk te Appelscha’ (zie bijlage 7). Ten aanzien van

GoFlo De Compagnonswijk Appelscha

30

‘gebiedsbescherming’ wordt geconstateerd dat negatieve effecten op voorhand kunnen worden uitgesloten. Er dient nog wel een afweging met betrekking tot ‘stikstof’ gemaakt te worden, aldus FaunaX (zie hieronder). Voor het onderdeel ‘soortenbescherming’ concludeert FaunaX het volgende: Algemene broedvogels: Binnen en vlak buiten het plangebied kunnen vogelsoorten tot broeden komen waarvan de nesten geen jaarronde bescherming genieten. We adviseren om de voorgenomen werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren. Voor het broedseizoen wordt over het algemeen de periode van 15 maart-15 juli aangehouden. Afhankelijk van de soort en klimatologische omstandigheden kunnen soorten echter eerder of later in het jaar tot broeden komen. Wat voor deze soorten van belang is, is of er sprake is van een broedgeval. Zo ja, dan is deze altijd beschermd. Wezel & bunzing: Langs de randen van het plangebied kunnen verblijfplaatsen van wezel en/of bunzing aanwezig zijn. Dit geldt vooral voor de oever van de Boksloot [afbeelding 4.3.]. We adviseren om deze randen conform het planvoornemen te ontzien als het om grondwerk gaat. Als dit niet mogelijk is, dan adviseren we op basis van nader onderzoek vast te laten stellen of de wezel en de bunzing inderdaad in het plangebied verblijven. Hiervoor kan een zogenaamde ‘struikrover’ worden ingezet.

Alternatief kan zijn om het nader onderzoek over te slaan, ervan uit te gaan dat betreffende soorten in het plangebied voorkomen en deze op voorhand op te nemen in een vergunning aan de Omgevingswet. Ringslang: Langs de randen van het plangebied kunnen tevens verblijfplaatsen van de ringslang aanwezig zijn. Dit geldt ook in dit geval vooral voor de oever van de Boksloot [afbeelding 4.3.]. We adviseren om deze randen conform het planvoornemen te ontzien als het om grondwerk gaat. Als dit niet mogelijk is, dan adviseren we op basis van nader onderzoek vast te laten stellen of de ringslang inderdaad in het plangebied voorkomt. De trefkans lijkt echter relatief klein te zijn. Alternatief kan zijn om het nader onderzoek over te slaan, ervan uit te gaan dat betreffende soort in het plangebied voorkomt en deze op voorhand op te nemen in een vergunning aan de Omgevingswet. Poelkikker en boomkikker: Langs de randen van het plangebied kunnen tevens verblijfplaatsen van poelkikker en boomkikker aanwezig zijn. Dit geldt ook in dit geval vooral voor de oever van de Boksloot [afbeelding 4.3.]. We adviseren om deze randen conform het planvoornemen te ontzien als het om grondwerk gaat. Als dit niet mogelijk is, dan heeft het uitvoeren van nader onderzoek ons inziens niet veel meerwaarde.

Van de boomkikker staat reeds vast dat deze vlakbij het plangebied is waargenomen, waardoor het gebruik van het plangebied als landhabitat niet kan worden uitgesloten. Dit gebruik als landhabitat is moeilijk vast te stellen. Alternatief is om het nader onderzoek over te slaan, ervan uit te gaan dat betreffende soorten in het plangebied voorkomen en deze op voorhand opnemen in een vergunning aan de Omgevingswet. Specifieke zorgplicht: Er kunnen soorten voorkomen in het plangebied waarvoor een vrijstelling geldt voor ruimtelijke ingrepen. Voor deze en andere soorten geldt een specifieke zorgplicht (art. 11.27 Bal). Deze specifieke zorgplicht schrijft voor dat men bijvoorbeeld verplicht is om alles wat redelijkerwijze mogelijk is, te doen of juist te laten om schade aan wilde planten en dieren zo veel mogelijk te voorkomen. Dit kan bijvoorbeeld tot uiting worden gebracht door altijd zo te werken, dat dieren kunnen ontsnappen en/of deze te verplaatsen naar een geschikt

GoFlo De Compagnonswijk Appelscha

31

biotoop in de directe omgeving. De specifieke zorgplicht geldt voor de fysieke leefomgeving, inclusief elke soort en elk individu in Nederland. Vervolgstappen Het planvoornemen kan zonder bezwaren doorgang vinden binnen de kaders van de vigerende natuurwetgeving, mits aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

Er worden geen werkzaamheden verricht binnen de randen van de Boksloot. Voor deze primaire watergang van Wetterskip Fryslân geldt een beschermingszone van 5 m.20 Deze zone wordt gerespecteerd, wat wil zeggen dat deze vrij blijft van bouwwerken en/of werkzaamheden (zie paragraaf 4.16). Daarmee kunnen negatieve effecten op wezel, bunzing, ringslang, boomkikker en poelkikker op voorhand uitgesloten worden. De werkzaamheden in de overige gebieden vinden buiten het broedseizoen plaats dan wel op basis van een ‘broedvogelcheck’. Dit wordt geborgd in de Bopa middels een voorwaardelijke bepaling. Bij de uitvoering van werkzaamheden wordt door de initiatiefnemer de zorgplicht nageleefd. Daarmee zijn er geen effecten op beschermde soorten te verwachten. Het planvoornemen is wat dit betreft uitvoerbaar. Stikstof Er is stikstofonderzoek uitgevoerd. De rapportage van dit onderzoek is opgenomen als bijlage 8. In lijn met de duurzaamheidsambities van De Compagnonswijk wordt ingezet op een zoveel mogelijk geëlektrificeerde bouwfase. Alleen voor bouwverkeer en de heistelling worden fossiele brandstoffen ingezet. De rest gebeurt met elektrische voortuigen. Uit de Aerieusberekening blijkt dat de aanleg- en gebruiksfase niet leiden tot een toename van stikstofdepositie binnen beschermde Natura 2000-gebieden boven de 0,00 mol per hectare per jaar.

Dit betekent dat er voor De Compagnonswijk geen omgevingsvergunning Natura 2000-activiteit nodig is. Toename biodiversiteit FaunaX heeft in het ecologisch rapport ‘aanbevelingen ten behoeve van de natuur’ opgenomen. Het gaat om aanbevelingen voor de nieuwe boomsingels en ondergroei, voor het bloemen kruidenrijk grasland tussen de woningen, voor de inrichting van de waterlichamen, voor natuur inclusief bouwen en voor het beheer. Deze aanbevelingen zijn deels al verwerkt in het landschapsplan. De overige aanbevelingen komen bij de feitelijke terreininrichting, in het kader van het beheer (zie paragraaf 2.2) en/of in de ‘bouwfase’ aan bod. Daar waar mogelijk 20 Het waterschap hekkelt de Boksloot twee keer per jaar vanwege de functie van primaire watergang. Daarbij wordt de begroei-

ing in de slootrand ook steevast verwijderd. Het waterschap neemt hierbij de gedragscode van de Unie van Waterschappen in acht.

GoFlo De Compagnonswijk Appelscha

32

worden de aanbevelingen één-op-één opgevolgd zodat de biodiversiteit substantieel toeneemt. 4.7 Luchtkwaliteit Beoordelingskader In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn instructieregels opgenomen voor luchtkwaliteit. Deze regels zijn gesteld ter bescherming van de gezondheid. In paragraaf 5.1.4.1 Bkl zijn omgevingswaarden voor onder andere stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10) opgenomen. Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: • er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; • het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; • het project draagt niet in betekenende mate (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging. Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project NIBM bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft: 1. Motiveren dat het project binnen de getalsmatige grenzen van een aangewezen categorie blijft. Onder deze 'standaardgevallen NIBM' vallen kantoren, woonwijken en het telen van gewassen. Dit moet wel onder een bepaalde omvang blijven conform artikel 5.54 Bkl.

Valt een project binnen de genoemde categorie, maar niet binnen de gestelde grenzen, dan is het mogelijk om alsnog via detailberekeningen aannemelijk te maken dat de 3%-grens niet wordt overschreden. 2. Op een andere manier aannemelijk maken dat een project de 3%-grens niet overschrijdt. Soms kan een kwalitatieve berekening voldoende zijn. Soms kan de zogeheten NIBM-tool gebruikt worden, eventueel aangevuld met detailberekeningen. In artikel 5.51 lid 2 Bkl zijn aandachtsgebieden aangewezen. Dit zijn locaties met hoge concentraties stikstofdioxide (NO2) en/of fijnstof (PM10). De gemeente Ooststellingwerf is niet aangewezen als een concentratiegebied. Tenslotte kan nog gewezen worden op paragraaf 8.5.1.2 Bkl. Hierin zijn de beoordelingsregels voor een omgevingsvergunning ‘milieubelastende activiteit’ opgenomen. Met name de artikelen 8.17, 8.21 en 8.24 bevatten regels voor de luchtkwaliteit. Toetsing In artikel 5.54 Bkl is als standaardgeval NIBM aangegeven: “gebouwen met een woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan, met: één ontsluitingsweg: ten hoogste 1.500 woningen; of twee ontsluitingswegen: ten hoogste 3.000 woningen.” De Compagnonswijk betreft 12 woningen aan één ontsluitingsweg. Dit betekent dat aangenomen mag worden dat de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m3.

Met andere woorden: het project draagt niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging. Onderzoek is daarmee niet nodig. 4.8 Activiteiten en milieuzonering Beoordelingskader Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet is het ‘inrichtingen’-begrip komen te vervallen. In de plaats daarvan wordt het kernbegrip ‘milieubelastende activiteit’ gebruikt. Een milieubelastende activiteit is in Bijlage 1 bij de Omgevingswet gedefinieerd als ‘een activiteit die nadelige gevolgen voor het milieu kan veroorzaken’. Op rijksniveau zijn milieubelastende activiteiten aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Het vereiste dat

GoFlo De Compagnonswijk Appelscha

33

een activiteit een bedrijfsmatige omvang moet hebben, is losgelaten. De nieuwe woonfunctie binnen het projectgebied is op grond van het Bal geen milieubelastende activiteit. Het planvoornemen vraagt in dit opzicht dus niet om een beoordeling in het kader van de milieuzonering. Echter, ook de omgekeerde werking is van belang bij milieuzonering. Rondom het projectgebied worden milieubelastende activiteiten uitgevoerd door biologische kwekerij Symbiose (Willemstad 15), autobedrijf Hessels (Vaart NZ 9), tankstation TanQyou (Vaart NZ 9) en detailhandelsbedrijf A.J. Mulder Dier & Tuin (Vaart NZ 13). Beoordeeld moet worden hoe deze activiteiten zich verhouden tot het woon- en leefklimaat binnen De Compagnonswijk. Omgekeerd is voor de bedrijven van belang dat de woningbouw geen onevenredige belemmering vormt voor de bedrijfsvoering. In beide gevallen is het criterium dat er sprake moet zijn van een ETFAL. Toetsing DGMR heeft aan de hand van de VNG-brochure Activiteiten en milieuzonering (oktober 2024) beoordeeld of er sprake is van een ETFAL. Deze beoordeling is opgenomen in de memo ‘Beoordeling milieubelastende activiteiten omgeving plan Compagnonswijk’ (zie bijlage 9). Geconstateerd wordt dat het projectgebied deel uitmaakt van gebiedstype ‘gemengd gebied met wonen’, omdat milieubelastende activiteiten en woningen in de huidige situatie op korte afstand van elkaar liggen.

DGMR geeft een ETFAL-beoordeling op drie niveaus. In de eerste plaats is gekeken naar de zones uit de VNG-brochure. Voor A.J. Mulder Dier & Tuin geldt dat ‘functiemenging’ (0 - 10 m) mogelijk is. De zones van autobedrijf Hessels en tankstation TanQyou (beide 50 m) reiken niet tot aan het projectgebied. Voor deze drie milieubelastende activiteiten kan daarom op voorhand worden geconcludeerd dat sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Het projectgebied ligt wel binnen de zone van biologische kwekerij Symbiose (50 m). Dit vraagt om een nadere afweging. Dat is gebeurd door, in de tweede plaats, de milieubelastende activiteiten te beoordelen aan de hand van 10 criteria, waaronder schaalgrootte, installaties, bezoekers, etc. Daarin zijn ook A.J. Mulder Dier & Tuin, autobedrijf Hessels en tankstation TanQyou weer meegenomen. DGMR concludeert dat “aangenomen kan worden dat de milieubelastende activiteiten van alle bedrijven geen relevante invloed hebben op de woningen”. In de derde plaats is voor alle bedrijven specifiek gekeken naar waar en hoe de milieubelastende activiteiten plaatsvinden en wat dit betekent voor De Compagnonswijk. Hiervan is uitgebreid verslag gedaan in de memo (zie bijlage 9).

De eindconclusie van DGMR luidt: “Op basis van de beoordeling van de afstanden tussen de activiteiten en woningen en aanvullende criteria verwachten wij dat bij de woningen sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat, vanwege de activiteiten die in de omgeving aanwezig en toegestaan zijn. Wij verwachten dat nieuwe woningen de toegestane activiteiten van de bedrijven niet belemmeren” (blz. 9). 4.9 Geluid Beoordelingskader Het onderdeel 'geluid' is geregeld in paragraaf 22.3.4 van het Omgevingsplan gemeente Ooststellingwerf. Daarin staan regels over geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. In artikel 22.57 van het omgevingsplan is bepaald waar waarden voor geluid gelden (bijvoorbeeld de gevel van een geluidgevoelig gebouw). Het omgevingsplan maakt voor wat betreft geluid onderscheid in de volgende activiteiten:

GoFlo De Compagnonswijk Appelscha

34

•

Activiteiten anders dan door windturbines en windparken en civiele buitenschietbanen, militaire buitenschietbanen en militaire springterreinen (par. 22.3.4.2); • Geluid door windturbines en windparken (par. 22.3.4.3); • Geluid door civiele buitenschietbanen, militaire buitenschietbanen en militaire springterreinen (par. 22.3.4.4). De instructieregels uit afdeling 3.5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn van toepassing op de beheersing van geluid door een weg, spoorweg of industrieterrein (artikel 3.18 lid 1 Bkl). De wetgever maakt onderscheid tussen geluidsbronnen met een geluidproductieplafond als omgevingswaarde (gpp) en bronnen met een basisgeluidemissie (bge). Geluid afkomstig van wegen, spoorwegen en industrieterreinen heeft invloed op de omgeving. Het bevoegd gezag beoordeelt geluid van deze bronnen bij geluidgevoelige gebouwen (artikel 3.20 Bkl). Het rijk stelt in het Bkl voor een aantal gebouwen specifieke regels. Het gaat om instructieregels voor aangewezen geluidgevoelige gebouwen (artikel 3.20 Bkl) en stiltegebieden (artikel 7.11 Bkl). In de aanwijzing van geluidgevoelige gebouwen is de functie bepalend (artikel 3.20 Bkl). Voor andere gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van bescherming tegen geluid. Dat doet de gemeente op grond van een 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties'.

Toetsing De gemeente Ooststellingwerf heeft (nog) geen geluidbeleid vastgesteld. Dat betekent dat er voor het planvoornemen getoetst moet worden aan de regels uit het omgevingsplan en het Bkl. Activiteiten De woonactiviteit binnen De Compagnonswijk geldt, zoals gezegd, niet als een milieubelastende activiteit. Omgekeerd moet wel rekening worden gehouden met geluidhinder uit de omgeving. De nieuwe woningen zijn namelijk op grond van artikel 3.21 Bkl aan te merken als geluidgevoelige gebouwen. In paragraaf 22.3.4 van het Omgevingsplan gemeente Ooststellingwerf zijn geluidswaarden voor geluidgevoelige gebouwen opgenomen. Deze zijn overgenomen in tabel 4.1 hieronder. Gelet op de afweging in paragraaf 4.8 mag verwacht worden dat deze geluidswaarden niet overschreden worden. Er is immers geconcludeerd dat op basis van de feitelijke afstanden tussen de bedrijven en de woningen en de beoordeling van aanvullende criteria en locatiespecifieke omstandigheden, sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT als gevolg van activiteiten Maximaal geluidniveau LAmax als gevolg van activiteiten

07:00-19:00 uur 50 dB(A)

19:00-23:00 uur 45 dB(A)

23:00-07:00 uur 40 dB(A)

70 dB(A)

65 dB(A)

60 dB(A)

Tabel 4.1 Waarde voor geluid op een geluidgevoelig gebouw (bron: Omgevingsplan gemeente Ooststellingwerf)

Wegverkeerslawaai Door WMA is onderzoek gedaan naar wegverkeerslawaai. De rapportage van dit onderzoek is opgenomen als bijlage 10. De geluidsbelasting vanwege het Zuideinde en andere wegen komt niet boven de standaardwaarde van 53 dB uit. Afbeelding 4.4 laat de berekende geluidzones zien. De maximale geluidsbelasting op de gevel bedraagt 50 dB. Er zijn daarmee (wettelijk gezien) geen aanvullende maatregelen nodig om een aanvaardbaar binnenklimaat te waarborgen.

GoFlo De Compagnonswijk Appelscha

35

Afbeelding 4.4 Zones wegverkeerslawaai (bron: WMA)

4.10 Geur Beoordelingskader Bij een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (Bopa) moet rekening worden gehouden met geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen. Dit volgt uit artikel 5.92 lid 1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). De geur van een activiteit op een geurgevoelig gebouw moet aanvaardbaar zijn (artikel 5.92 lid 2 Bkl). Dit betekent dat beoordeeld moet worden of waarden, afstanden en gebruiksregels leiden tot een aanvaardbaar hinderniveau. De gemeente heeft beleidsvrijheid om te bepalen welke mate van geurhinder aanvaardbaar is. In het Omgevingsplan gemeente Ooststellingwerf zijn geurregels opgenomen over: • Het houden van landbouwhuisdieren en paarden en pony's voor het berijden in een dierenverblijf (par. 22.3.6.2); • Het houden van fokteven van nertsen (par. 22.3.6.3); • Andere agrarische activiteiten, zoals o.a. het opslaan van vaste mest, champost of dikke fractie en het composteren of opslaan van groenafval (par. 22.3.6.4); • Het exploiteren van zuiveringstechnische werken (par. 22.3.6.5). In paragraaf 8.5.1 Bkl staan algemene en specifieke beoordelingsregels voor geur. Deze hebben alleen betrekking op aanvragen voor een omgevingsvergunning milieubelastende activiteit.

Regels over de geurbelasting van veehouderijen op geurgevoelige objecten in gemeentelijke verordeningen, zijn per 1 januari 2024 onderdeel geworden van het (tijdelijk deel van het) omgevingsplan (artikel 4.6, lid 1, Invoeringswet Omgevingswet). Voor de gemeente Ooststellingwerf betreft dit de ‘Verordening geurhinder en veehouderij Ooststellingwerf’ (13 november 2008). Toetsing De woonactiviteit binnen De Compagnonswijk geldt, zoals gezegd, niet als een milieubelastende activiteit. Omgekeerd moet wel rekening worden gehouden met geurhinder uit de

GoFlo De Compagnonswijk Appelscha

36

omgeving. De nieuwe woningen zijn namelijk op grond van artikel 5.92 lid 2 Bkl aan te merken als geurgevoelige gebouwen. In de directe omgeving van het projectgebied zijn geen agrarische bedrijfsactiviteiten of zuiveringstechnische werken aanwezig. Er hoeft op dit punt dus niet getoetst te worden aan de geurregels uit het Omgevingsplan gemeente Ooststellingwerf. Uit de beoordeling van ‘activiteiten en milieuzonering’ door DGMR (zie paragraaf 4.8) blijkt dat het aspect ‘geur’ niet of nauwelijks een rol speelt voor de bedrijven rond het projectgebied. In alle gevallen is ‘geluid’ maatgevend voor de vereiste afstand tussen bedrijven en woningen. Voor het aspect ‘geur’ geldt op grond van de VNG-brochure Activiteiten en milieuzonering dat functiemening voor alle bedrijven mogelijk is.21 Het gaat dan om afstanden van 0-10 m. Aangezien de dichtstbijzijnde woningen op (veel) ruimere afstand gebouwd worden, mag aangenomen worden dat er voor wat betreft ‘geur’ sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. 4.11 Omgevingsveiligheid Beoordelingskader Omgevingsveiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Er zijn regels voor omgevingsveiligheid opgenomen in paragraaf 5.1.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl).

De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 Bkl gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico van een activiteit die op een locatie is toegelaten. In het navolgende wordt het beoordelingskader voor het plaatsgebonden risico en groepsrisico verder uitgewerkt. Plaatsgebonden risico De grenswaarden en standaardwaarden voor het plaatsgebonden risico met betrekking tot (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a Bkl. In omgevingsplannen en bij Bopa’s moeten de grenswaarden voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties (artikel 5.7 lid 1 Bkl) in acht worden genomen. Dat geldt ook voor de standaardwaarden voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties (artikel 5.11 Bkl). Voor het plaatsgebonden risico gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden. Dit is opgenomen in bijlage VII Bkl. Groepsrisico Bij het groepsrisico is sprake van 'aandachtsgebieden'. Risicovolle activiteiten hebben van rechtswege aandachtsgebieden (artikel 5.12 Bkl).

Dit zijn gebieden rond activiteiten met gevaarlijke stoffen die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen. Het gaat om ongevallen vanwege brand, explosie en een gifwolk. Afhankelijk van het type activiteit met gevaarlijke stoffen, gelden voor het aandachtsgebied vaste afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl). Binnen een aandachtsgebied kan sprake zijn van een voorschriftengebied. Een gemeente kan in het omgevingsplan afzien van aanwijzing van een brandof explosievoorschriftengebied of een kleiner brand- of explosievoorschriftengebied aanwijzen (artikel 5.14 Bkl). Als het initiatief ligt in een voorschriftengebied, dan gelden voor nieuwbouw aanvullende bouweisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl, artikel 4.90 t/m 4.96). 21 Tankstation TanQyou is hiervan uitgezonderd. Deze valt onder zone 1. Voor TanQyou geldt echter dat de direct aangrenzende

woning van derden (op circa 10 m) maatgevend is voor wat er door deze inrichting aan ‘geur’ geproduceerd mag worden.

GoFlo De Compagnonswijk Appelscha

37

Voor zeer kwetsbare gebouwen, zoals scholen, kinderdagopvang en verzorgingshuizen, geldt altijd een voorschriftengebied. Hierop zijn dus aanvullende bouweisen van toepassing (artikel 5.14 Bkl). Los van een eventueel voorschriftengebied kan de gemeente aanvullende eisen stellen, bijvoorbeeld aan vluchtroutes en de bereikbaarheid van een gebied voor hulpdiensten. Dergelijke eisen worden opgenomen in het omgevingsplan dan wel in de omgevingsvergunning. Overige bepalingen Naast bovengenoemde regels, is voor een aantal specifieke situaties nog het volgende van belang: • Beperkingen in het belemmeringengebied (voormalige belemmeringenstrook in de huidige regelgeving) van buisleidingen: par. 5.1.2.3 Bkl; • Veiligheid rond opslaan, herverpakken en bewerken van vuurwerk en pyrotechnische artikelen voor theatergebruik: par 5.1.2.4 Bkl; • Veiligheid rond het bewerken en opslaan van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik en op militaire objecten: par. 5.1.2.5 Bkl; • Veiligheid rond luchthavens: par. 5.1.2.6 Bkl.

Afbeelding 4.5 Omgevingsveiligheid (bron: atlasleefomgeving.nl)

Toetsing De woningen van De Compagnonswijk zijn te beschouwen als kwetsbare gebouwen in de zin van Bijlage VI Bkl. Rondom het projectgebied zijn geen risicovolle activiteiten aanwezig. Afbeelding 4.5 laat dit zien. Een onderzoek naar omgevingsveiligheid is daarmee niet noodzakelijk. 4.12 Trilling Beoordelingskader Het aspect 'trillingen' is geregeld in paragraaf 22.3.5 van het Omgevingsplan gemeente Ooststellingwerf. Daarin worden regels gesteld aan trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz door een activiteit in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw, die op een locatie is toegestaan op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning. Er gelden maximale waarden voor continue trillingen en voor herhaald voorkomende trillingen. Deze

GoFlo De Compagnonswijk Appelscha

38

maximale waarden zijn opgenomen in de tabellen van artikel 22.88 en 5.87a van het omgevingsplan. Toetsing Op grond van artikel 5.80 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) kunnen de woningen binnen het projectgebied worden aangemerkt als trillinggevoelige gebouwen. Dit betekent dat de aanvaardbaarheid moet worden beoordeeld (artikel 5.83 lid 2 Bkl). Er zijn geen indicaties dat binnen het projectgebied trillinghinder ontstaat door omliggende bedrijven. Op dit punt wordt verwezen naar de locatiespecifieke omstandigheden zoals benoemd in paragraaf 4.8. Er wordt voldoende afstand tot alle bedrijven in acht genomen. Trillinghinder vanwege het Zuideinde is evenmin aan de orde. Het betreft hier een weg met een relatief beperkte verkeersintensiteit. De dichtstbijzijnde woningen liggen bovendien op meer dan 45 m uit de as van de weg. Verwacht mag worden dat de maximale waarden voor continue trillingen en voor herhaald voorkomende trillingen niet overschreden worden. Onderzoek is daarmee niet noodzakelijk. 4.13 Welstand Beoordelingskader Welstand gaat over de inpasbaarheid van een bouwwerk in de omgeving. Het gaat dan om uiterlijke kenmerken zoals vorm, kleur of materiaalgebruik. De redelijke eisen van welstand zijn uitgewerkt in de gemeentelijke Welstandsnota.

In het Omgevingsplan gemeente Ooststellingwerf zijn regels opgenomen met betrekking tot repressief welstandstoezicht (artikel 22.7), oftewel de excessenregeling en de beoordeling van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van bouwwerken (artikel 22.29). Artikel 22.29 lid 1 onder b van het omgevingsplan bepaalt dat een omgevingsvergunning alleen wordt verleend als het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk niet in strijd is met redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota. Tijdelijke bouwwerken, niet zijnde seizoensgebonden werken zijn uitgesloten van deze welstandstoets. De excessenregeling ziet erop toe dat de gemeente een eigenaar kan verplichten om aanpassingen aan het bouwwerk te verrichten waarmee de ernstige strijd met redelijke eisen van welstand wordt opgeheven. Onder de Omgevingswet gebeurt dit middels een maatwerkvoorschrift (artikel 22.4). Toetsing Er is een beeldkwaliteitsplan voor De Compagnonswijk opgesteld. Deze is opgenomen als bijlage 3. Gelijk met het bindend advies (zie paragraaf 1.4) wordt de gemeenteraad gevraagd het beeldkwaliteitsplan vast te stellen. Deze vormt dan, in afwijking van de Welstandsnota (vastgesteld d.d. 23 juni 2009), het toetsingskader voor beeldkwaliteit binnen het projectgebied.

De beoordeling door de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit vindt overigens pas plaats bij de opvolgende fase, als er een omgevingsvergunning ‘bouwen’ wordt aangevraagd (zie paragraaf 1.4). 4.14 Archeologie en cultuurhistorie Beoordelingskader In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn beginselen geformuleerd ter bescherming van archeologische en cultuurhistorische waarden (artikel 5.130 Bkl). Deze beginselen richten zich op de omgang met monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd,

GoFlo De Compagnonswijk Appelscha

39

archeologische monumenten, (voorbeschermde) rijksmonumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen. Daarnaast zijn in afdeling 8.8 Bkl regels gesteld voor de beoordeling van rijksmonumentenactiviteit en het verplaatsen van gebouwde monumenten. Op grond van de Omgevingsverordening provincie Fryslân moet er getoetst worden aan de Friese Archeologische Monumentenkaart Extra (FAMKE). Het gemeentelijk beleid voor archeologie is opgenomen in de Nota Archeologie (december 2014), de Archeologische Monumentenkaart en de Archeologische verwachtingskaart en beleidsadvieskaart. Voor cultuurhistorie en landschap zijn met name de Omgevingsvisie Ooststellingwerf, de Welstandsnota en het procesboek 'Ontwikkeling (agrarische) erven Ooststellingwerf' van belang. De archeologische (verwachtings)waarden en de cultuurhistorische waarden zijn vertaald naar archeologische resp. cultuurhistorische dubbelbestemmingen in het Omgevingsplan gemeente Ooststellingwerf.

Afbeelding 4.6 Uitsnede Archeologische verwachtingskaart en beleidsadvieskaart (bron: gemeente Ooststellingwerf)

Toetsing Op de FAMKE is voor het projectgebied aangegeven dat voor de periode 'ijzertijd-middeleeuwen' geen onderzoek noodzakelijk is. Voor 'steentijd-bronstijd' is het advies voor vrijwel het gehele projectgebied: archeologisch onderzoek bij bodemingrepen van meer dan 2.500 m2. Voor de noordoostelijke punt geldt een onderzoeksdrempel van 500 m2. Op grond van de gemeentelijke Archeologische verwachtingskaart en beleidsadvieskaart geldt een lage archeologische verwachting. Zie hiervoor afbeelding 4.6. Stichting Monumentenzorg heeft op 5 april 2024 geadviseerd om het projectgebied vrij te geven van archeologisch onderzoek. Het terrein is vanwege natte omstandigheden namelijk niet geschikt geweest voor menselijke bewoning. Bovendien heeft er in het verleden geen bebouwing gestaan. De gemeente neemt dit selectieadvies van Stichting Monumentenzorg over. Indien er tijdens de werkzaamheden toch archeologische resten worden aangetroffen, dan moet dit op grond van artikel 5.10 van de Erfgoedwet onmiddellijk worden gemeld aan de Minister (in de praktijk is dit aan de gemeente Ooststellingwerf als bevoegd gezag). Eventuele vondsten moeten zes maanden, te rekenen vanaf de datum van de melding, ter beschikking worden gesteld voor wetenschappelijk onderzoek.

GoFlo De Compagnonswijk Appelscha

40

Op de Cultuurhistorische kaart Fryslân (CHK2) zijn voor het projectgebied geen specifieke waarden aangegeven. Wel geeft de CHK2 aan dat het projectgebied deel uitmaakt van een landschap met een ‘opstrekkende verkaveling’ en dat er sprake is van een ‘veenkoloniale ontginningsvlakte’. Deze landschapskenmerken liggen aan de basis van het landschapsplan voor De Compagnonswijk (zie hoofdstuk 2). Het cultuurhistorisch belang is daarmee voldoende geborgd. 4.15 Bodem Beoordelingskader Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn voor het aspect bodem instructieregels in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) opgenomen. Deze regels zijn te vinden in paragraaf 5.1.4.5. Er worden drie basisvormen van bodemgebruik onderscheiden: landbouw/natuur, wonen en industrie. De kaders die de Omgevingswet voor deze vormen van gebruik stelt, zijn gebaseerd op de risicogrenswaarden die voor de betreffende situaties zijn afgeleid.

De algemene doelstelling van het bodembeleid is het waarborgen van de gebruikswaarde van de bodem en het faciliteren van het duurzaam gebruik van de functionele eigenschappen van de bodem, door: • het beschermen van de bodem tegen nieuwe verontreinigen en aantastingen; • een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, rekening houdend met de kwaliteiten van de bodem; • het duurzaam en doelmatig beheren van de resterende historische verontreinigingen en aantastingen. Artikel 5.89i Bkl bepaalt dat waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie, opgenomen worden in het (nieuwe deel van het) omgevingsplan. Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillen. Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde (zie artikel 5.89i Bkl) is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als de voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen (artikel 5.89K Bkl). Bij wijzigingen van activiteiten geldt dat de bodem geschikt moet zijn voor het beoogde gebruik. Dit kan betekenen dat een onderzoek moet worden uitgevoerd naar de bodem- en grondwaterkwaliteit. Toetsing De woningen van De Compagnonswijk zijn op grond van het Bkl bodemgevoelige gebouwen op een bodemgevoelige locatie.

Ortageo heeft een verkennend onderzoek verricht naar de milieu hygiënische kwaliteit van de bodem en het grondwater. Het bijbehorende rapport is opgenomen als bijlage 11. Op basis van het onderzoek worden de volgende conclusies getrokken: • “In de bovengrond zijn: o visueel geen bodemvreemde bijmengingen aangetroffen. o in één mengmonster licht verhoogde gehalten aan lood en PAK aangetoond (kwaliteitsklasse ‘wonen’) o in het tweede mengmonster geen verhoogde gehalten aangetoond (kwaliteitsklasse ‘landbouw/natuur’) o PFAS in lichte mate is aangetoond, maar dusdanig laag dat dit geen beperkingen geeft. • In de ondergrond zijn: o visueel geen bodemvreemde bijmengingen aangetroffen.

GoFlo De Compagnonswijk Appelscha

41

o

•

• •

•

• •

•

•

•

•

geen verontreinigende stoffen aangetoond boven de kwaliteitseis ‘landbouw/natuur’. Gezien de (voormalige) verdachte activiteit (benzinestation/ autoreparatiebedrijf) zuidelijk van de onderzoekslocatie is er een peilbuis aan de betreffende zijde van de onderzoekslocatie geplaatst. Ter plaatse van aangegeven slootdemping vanuit bodemloket (bron 4D) zijn vijf boringen gezet om vast te stellen waarmee deze sloot is gedempt. Ter plaatse van de mogelijke slootdempingen op het grasland vanuit topotijdreis (bron 4B) zijn 18 boringen gezet om vast te stellen of er sprake is van dempingen. Het betreffen vijf raaien van elk drie boringen haaks op de demping, en drie boringen ter plaatste van de doorgangen om te kijken of hier mogelijk ook verhardingsmateriaal is toegepast. Ter plaatse van de vermoedelijke dempingen en dammen geen bodemvreemd demping-/ dan wel verhardingsmaterialen zijn aangetroffen. Op basis van bodemopbouw is bevestigd dat het om ondiepe greppels gaat die dienen en hebben gediend voor de afvoer van overtollig oppervlakkig hemelwater. De samenstelling van de grond wijkt niet af van de overige grond op locatie. In de onderzochte waterbodem van de greppel zijn geen verhoogde gehalten aangetoond, de waterbodem is toepasbaar en verspreidbaar binnen het projectgebied.

In het grondwater zijn voor nikkel, koper, barium, zink en naftaleen (zeer) licht verhoogde concentraties aangetoond, maar de signaleringsparameter wordt niet overschreden. Waarschijnlijk zijn de zware metalen van nature in het grondwater verhoogd aanwezig. Voor de verhoging van naftaleen (gelijk aan detectielimiet) is geen verklaring als mogelijke oorzaak te geven. In het grondwater in de zuidwesthoek van het perceel is geen minerale olie gemeten wat mogelijkerwijs verband zou kunnen houden met de aanwezigheid van een autoreparatiebedrijf annex benzinestation op ruimere afstand in deze richting. De toelaatbare bodemkwaliteit wordt niet overschreden. Het uitvoeren van een nader bodemonderzoek wordt niet noodzakelijk geacht. De aangetoonde milieuhygiënische bodemkwaliteit levert geen belemmeringen op voor de geplande ontwikkeling. De nut en noodzaak van een herbemonstering van het grondwater dient in overleg met het bevoegd gezag te worden afgestemd. Vermoedelijk zijn de zware metalen van nature in het grondwater aanwezig op basis waarvan een herbemonstering en -analyse achterwege kan blijven. Ter plaatse van de onderzoekslocatie zijn geen overschrijdingen van de interventiewaarde aangetoond. De signaleringsparameter beoordeling grondwatersanering wordt niet overschreden.

De bovengrond valt (deels) in de kwaliteitsklasse ‘wonen’ en de ondergrond in de kwaliteitsklasse ‘landbouw/natuur’. De aangetoonde milieuhygiënische bodemkwaliteit levert geen belemmeringen op voor de geplande werkzaamheden.”

Ontgrondingen: In tabel 4.2 is de grondbalans binnen het projectgebied aangegeven. Voor de aanleg van de centrale sloot, het verdiepen van de ‘laagte’ en de werkzaamheden aan de funderingen wordt in totaal circa 3.229 m3 aan grond ontgraven. Om de woonpercelen en de infrastructuur op de gewenste hoogte van 8,9 m +NAP te brengen (zie paragraaf 4.16), wordt de ontgraven grond plaatselijk toegepast.22 Daarnaast zal nog circa 1.271 m3 aan grond aangevoerd worden. De ontgrondingsactiviteit valt onder artikel 16.7h van het Besluit activiteiten 22 Uit het bodemonderzoek blijkt dat vrijkomende grond binnen het projectgebied kan worden toegepast.

GoFlo De Compagnonswijk Appelscha

42

leefomgeving (Bal). Daarin is bepaald dat er geen omgevingsvergunning nodig is bij Bopa’s, indien: 1. de locatie van ontgronding is opgenomen in die Bopa; 2. grondlagen dieper dan 3 m onder het oorspronkelijke maaiveld ongemoeid blijven; en 3. niet meer dan 10.000 m3 grond wordt ontgraven. In artikel 4.1 lid 1c van de Omgevingsverordening Fryslân 2022 is artikel 16.7h lid 2 ingeperkt door uit te gaan van grondlagen dieper dan 2 m onder het oorspronkelijke maaiveld. Aangezien er niet dieper dan 1,2 m gegraven wordt, is er geen vergunning nodig. Er dient wel een melding bij de FUMO te worden gedaan, omdat er meer dan 3.000 m3 vergraven wordt (artikel 4.1a lid 3).

Verplaatsing Graven centrale sloot en verdiepen midden deel Verdiepen ‘laagte’ Verbreden westelijke sloot Aanleg fundering woningen Aanleg fundering geclusterde wooneenheid Totaal Ophoging Woonpercelen en infrastructuur Aanvoer

Oppervlakte

Gemiddelde diepte

Kuubs

1.100 1.500 500 1.875 512

0,35 0,70 1,20 0,50 0,50

385 1.050 600 938 256 3.229

9.000

0,5

4.500 1.271

Tabel 4.2 Grondbalans

Samengevat: uit het bodemonderzoek van Ortageo volgt dat de bodem en het grondwater van het projectgebied geschikt zijn voor de woningbouw en dat er geen aanleiding is voor nader onderzoek. Voor de ontgrondingsactiviteit zal een melding bij de FUMO gedaan moeten worden. 4.16 Water Beoordelingskader Op grond van artikel 5.37 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) moet bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening worden gehouden met de gevolgen van plannen voor het beheer van watersystemen. Daarbij worden de opvattingen betrokken van het bestuursorgaan dat voor dit beheer verantwoordelijk is. Dit gebeurt door onder meer rekening te houden (instructie)regels van de provincie en het waterschap. Verder bevatten de artikelen 5.38 t/m 5.49 Bkl regels over: • het voorkomen van belemmeringen voor primaire waterkeringen; • het bouwen binnen kustfundamenten buiten stedelijk gebied; en • het ontplooien van activiteiten in en nabij grote rivieren en het IJsselmeergebied. Het is aan het bevoegd gezag om te bepalen hoe andere bestuursorganen in het kader van de besluitvorming worden betrokken bij de weging van het waterbelang. Verder zijn de regels van art. 5.165 Bkl en paragraaf 22.3.8 uit het Omgevingsplan gemeente Ooststellingwerf van belang met betrekking tot het lozen van (industrieel) afvalwater in het openbaar vuilwaterriool.

Tenslotte dient er getoetst te worden aan de ‘Waterschapsverordening Wetterskip Fryslân 2023’. Toetsing In de Waterschapsverordening Wetterskip Fryslân 2023 is aangegeven dat het projectgebied buiten de bebouwde kom ligt en dat het peil van de sloten aan de randen, hoger dan het boezempeil is. Deze sloten zijn aangeduid als ‘oppervlaktewaterlichaam’ en ‘waterstaatswerk’. De

GoFlo De Compagnonswijk Appelscha

43

buiten het projectgebied gelegen Boksloot is tevens aangeduid als ‘hoofdwater’. Rondom deze hoofdwatergang geldt de gebiedsaanwijzing ‘beschermingszone van een hoofdwater’ (zie afbeelding 4.7).23 Verder is aangegeven dat het projectgebied deel uitmaakt van een niet-kwetsbaar en niet-vrij afstromend gebied. Voor de activiteiten binnen het projectgebied is in de eerste plaats de beschermingszone van de hoofdwatergang van belang. Deze heeft een breedte van 5 m (vanaf de insteek). Voor de beschermingszone geldt op grond van artikel 4.12 dat het aanbrengen van beplanting en bepaalde grondbewerkingen vergunningplichtig zijn. Binnen deze zone vinden geen werkzaamheden plaats. Dit is ook expliciet opgenomen in het landschapsplan (zie bijlage 2). In de tweede plaats is de te graven centrale sloot en de te verbreden sloot aan de westzijde van belang. Aangezien deze werkzaamheden buiten de beschermingszone van de hoofdwatergang plaatsvinden, geldt hiervoor een meldplicht op grond van artikel 4.54.

Afbeelding 4.9 Beschermingszone van de Boksloot (Waterschapsverordening Wetterskip Fryslân 2023)

Ortageo heeft een digitaal wateradvies aangevraagd, ‘vooroverleg’ gehad met Wetterskip Fryslân en een waterhuishoudingsplan opgesteld (zie bijlage 12). Hierna volgt een korte samenvatting van het waterhuishoudingsplan. Voor de details kan het rapport geraadpleegd worden. • Waterberging: In totaal wordt binnen het projectgebied circa 4.113 m2 verhard. Om hier 10% van te compenseren, dient circa 412 m2 waterberging aangelegd te worden. In het centrale deel van De Compagnonswijk wordt een nieuwe sloot van circa 446 m2 gecreëerd. Hiermee wordt de toegenomen verharding voldoende gecompenseerd. Daarnaast is circa 4.100 m2 ingetekend als ‘laagte’ voor waterberging. Dit is niet noodzakelijk voor hemelwaterberging en kan ingezet worden voor ecologische doeleinden, zoals het aanleggen van een plasdrasgebied. Ook de groene daken met gras of sedum dragen bij aan de waterberging. • Afwatering: Verwacht wordt dat de huidige afwatering kan worden gehandhaafd. De nieuwe sloot wordt aangelegd als centrale sloot, vergelijkbaar met de sloot aan de westzijde van het projectgebied. Hierbij wordt een bodem van circa +7,9 m NAP gerealiseerd. Buiten de centrale sloot kunnen de al aanwezige ondiepe greppels bijdragen aan 23 Tevens geldt de gebiedsaanwijzing ‘gronden grenzend aan hoofdwater’, maar deze heeft uitsluitend betrekking op regels voor

het houden van dieren en blijft hier verder buiten beschouwing.

GoFlo De Compagnonswijk Appelscha

44

•

•

• •

voldoende ontwatering. Om water in het gebied vast te houden, kan de afwatering het beste richting de laagte plaatsvinden. Dit kan uitgevoerd worden door de centrale sloot naar het oosten te laten aflopen. Echter, om het water in de laagte vast te houden, zal het maaiveld moeten worden verlaagd tot beneden het niveau van de sloot. Er wordt geen verbinding met de tertiaire sloot langs het Zuideinde aangelegd. Dit helpt namelijk niet met het vasthouden van water en evenmin met de waterveiligheid. Bij hevige stortbuien zal het waterpeil in de centrale sloot en de laagte stijgen en uiteindelijk via de westelijke sloot afgevoerd worden naar de Boksloot. Deze westelijke sloot krijgt, over de volledige lengte, een breedte van 3 m. Tussen de centrale sloot en de westelijke sloot wordt een overstort aangelegd. Tussen de westelijke sloot en de Boksloot is al een overstort aanwezig. Drooglegging: Vanwege het aangetroffen leem vanaf 0,5 m beneden maaiveld, kan hemelwater slecht infiltreren binnen het projectgebied. Water wordt afgevoerd via de aanwezige en aan te leggen sloten en greppels. Om wateroverlast te voorkomen zal het bouwpeil van omliggende woningen worden aangehouden (circa +8,9 m NAP). Op basis van het winterstreefpeil wordt hiermee 1,5 meter drooglegging gerealiseerd, dit is ruim voldoende voor woningen met of zonder kruipruimte.

Ook voor de wegen en paden is voldoende drooglegging aanwezig, als de wegen op 30 cm onder bouwpeil worden aangelegd (+8,6 m NAP). Ontwatering: Gezien de slechte doorlatendheid van de bodem kan het projectgebied drassig worden. De grondwaterstand is echter voldoende laag, zodat ter plaatse van bebouwing (met ophoging tot +8,9 m NAP) de aanbevolen ontwatering van 1 m beneden maaiveld wordt gehaald. Ter plaatse van de wegen wordt, met ophoging tot +8,6 m NAP, de aanbevolen ontwatering niet gehaald. Ook hiervoor wordt daarom uitgegaan van +8,9 NAP. Onderhoud: Een vereniging van eigenaren draagt zorg voor onderhoud van de waterlichamen. Klimaatadaptatie: Door de aanleg van ruime waterberging, namelijk in de centrale sloot en de laagte, én een overlaat richting de sloot aan de westzijde, wordt rekening gehouden met piekbuien. Door de laagte boven het peil van de tertiaire sloot te houden, wordt voorkomen dat de laagte een drainerende werking heeft voor de omgeving van het projectgebied. Een en ander is opgenomen in het landschapsplan, die juridisch geborgd is in de Bopa.

Aanvullend geldt dat voor de woonvolumes uitsluitend circulaire, duurzame en onderhoudsarme materialen toegepast. Uitspoeling van uitloogbare materialen (zoals zink of lood) naar het grond- of oppervlaktewater is niet aan de orde. Het plan leidt aldus tot een goede waterkwaliteit. Het hemel- en afwater zal uiteraard gescheiden worden afgevoerd (zie boven). Het afvalwater wordt aangesloten op de persriolering langs het Zuideinde. Om voldoende druk op het systeem te houden, zal nabij de wijkontsluiting - ten westen van het middenspanningsstation van Liander - een rioolpomp worden aangelegd. Dit is weergegeven in het landschapsplan (zie bijlage 2). De beschermingszone langs de Boksloot (zie boven) functioneert als onderhoudsstrook volgens de eisen van het waterschap. Deze strook is namelijk 5 m breed vanaf de insteek, wordt vrijgehouden van obstakels (bouwwerken, beplanting, etc), is vrij toegankelijkheid voor onderhoudsmaterieel en wordt niet gebruikt door functies die het onderhoud belemmeren (grasland).

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Ooststellingwerf&id=09e6d7a0-9c9b-4a1c-8ee7-d3e084d06521