CConstaterende datOoststellingwerf
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2. Ruimtelijke Onderbouwing Abbendijk 2 Nijberkoop

Raadsvergadering 16 december 2025, gemeente OoststellingwerfBij agendapunt: Ontwerp-omgevingsvergunning/Ontwerp-verklaring van geen bedenkingen Abbendijk 2 Nijeberkoop30.279 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Toetsing

Het bedrijf aan de Abbendijk 2 in Nijeberkoop ligt in het woudontginningen landschap. De volgende afbeelding geeft de cultuurhistorische waarden in de omgeving weer.

Figuur 4-2 Uitsnede Cultuurhistorische waardenkaart (bron: provincie Fryslân)

Binnen het besluitgebied zijn met uitzondering van de verkaveling geen cultuurhistorische waarden aanwezig. De verkaveling in het gebied kenmerkt zich door een opstrekkende verkaveling en grootschalige regelmaat. Met het initiatief worden geen wijzigingen aangebracht in de verkaveling binnen het besluitgebied. Met het initiatief worden geen cultuurhistorische waarden aangetast. Het initiatief is wat betreft het aspect cultuurhistorie uitvoerbaar.

26 

VERKEER EN PARKEREN 4.5.1

Inleiding

Het beperken van de nadelige milieugevolgen van het verkeer van personen of goederen naar een inrichting is een te beschermen milieubelang. In deze paragraaf beschouwen wij wat het effect is van de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling op dit aspect. De te behandelen ruimtelijk relevante onderdelen zijn de ontsluiting, verkeer aantrekkende werking en de parkeerbehoefte. 4.5.2

Toetsing

Ontsluiting Het besluitgebied is met twee uitwegen ontsloten op de Abbendijk. Deze sluit in zuidelijke richting aan op de provinciale weg N351. Ook in noordelijke richting is een provinciale weg bereikbaar. Via de Twijtel en de Prikkedeam is de N380 bereikbaar. De N351 is echter veel dichterbij. Het ligt meer voor de hand dat verkeer deze route kiest. Via de N351 kan in zuidwestelijke richting na ca. 15 km de A32 bereikt worden. Daarbij worden de kernen Oldeberkoop, Nijeholtpade en Oldeholtpade gepasseerd. In noordoostelijke richting is Oosterwolde bereikbaar via de N351. Het besluitgebied is goed ontsloten. Verkeersaantrekkende werking Het bedrijf heeft een vergunning voor het houden 130.900 vleeskuikens. In de beoogde situatie wordt hetzelfde aantal dieren gehouden. Daarnaast wordt in de nieuwe situatie een langzaam groeiend ras gehouden. Gevolg hiervan is dat per jaar een ronde minder dieren wordt gehouden. Er zijn daardoor minder vrachtwagens nodig voor het afvoeren van de kuikens en mest. Voor de aanvoer van voer zal het aantal verkeersbewegingen (vrijwel) gelijk blijven. Consequentie is dat het aantal verkeersbewegingen per jaar af zal nemen ten opzichte van de huidige situatie. Parkeren Het parkeren van alle voertuigen geschiedt op eigen terrein.

Hiervoor is meer dan voldoende verharding aanwezig om te voorzien in parkeervoorzieningen voor parkeren van bezoekers zoals bedrijfsvertegenwoordigers of de dierenarts. 4.5.3

Conclusie

Het planvoornemen is wat betreft het aspect verkeer en parkeren uitvoerbaar. ECOLOGIE 4.6.1

Inleiding

Ter bescherming van ecologische waarden moet bij ruimtelijke ingrepen een afweging worden gemaakt in het kader van de Wet natuurbescherming (Wnb). De Wet natuurbescherming is op 1 januari 2017 in werking getreden en betreft zowel soortenbescherming als bescherming van (Europese) natuurgebieden (Natura 2000).

 27

4.6.2

Toetsing

In het kader van de m.e.r.- en ruimtelijke procedures moet beoordeeld worden wat de gevolgen zijn voor de flora en fauna in het besluitgebied. Het besluit gebied is op dit moment agrarisch in gebruik. De stal die gesloopt wordt is niet toegankelijk voor vogels of vleermuizen, mede ivm het overbrengen van ziektes. Door de huidige inrichting en het huidige beheer van het besluitgebied is het niet aannemelijk dat zich beschermde soorten in het besluitgebied hebben gevestigd. Gebiedsbescherming - Natuur netwerk Nederland Binnen de provincie Friesland zijn veel natuurgebieden. Die vormen samen een netwerk: het Natuur Netwerk Nederland. Dat netwerk bestaat uit bestaande natuurgebieden, maar er worden ook nieuwe natuurgebieden ontwikkeld. Het Natuur Netwerk Nederland is beschermd, je mag er bijvoorbeeld niet zomaar bouwen. Een deel van het Natuur Netwerk heeft zelfs Europese bescherming: de Natura 2000-gebieden. Maar ook buiten de Natura 2000-gebieden zijn stukken natuur die het beschermen waard zijn. Zoals uit onderstaande figuur blijkt ligt het plangebied niet binnen het NNN. Effecten op het NNN zijn uitgesloten.

Figuur 4-2 Ligging besluitgebied t.o.v. natuur ( Bron: www.ruimtelijkeplannen.nl)

Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is het ‘Drents-Friese Wold & Leggelderveld. Dit Natura 2000gebied ligt op circa 3,7 km vanaf het besluitgebied. Rond het besluitgebied is natuur buiten de RHS aangewezen. Het besluitgebied ligt niet in één van deze gebieden. Het initiatief heeft geen invloed op de oppervlakte aan aangewezen natuur in de omgeving. Er wordt niet op gronden gebouwd die zijn aangemerkt als natuur.

28 

Gebiedsbescherming - Wet ammoniak en veehouderij Zoals uit figuur 4-3 blijkt, zijn er in de omgeving van het besluitgebied kwetsbare gebieden in het kader van de Wet Ammoniak en Veehouderij gelegen, die bescherming nodig hebben. Voor de kwetsbare gebieden geldt een beschermingszone van 250 meter. Het besluitgebied ligt buiten een dergelijke beschermingszone en op 1,1 kilometer van het dichtstbijzijnde voor ammoniak gevoelige gebied. Dit betekent dat er geen sprake is van een nadelige invloed door het bedrijf op de ecologische situatie van een kwetsbaar gebied. In de MER-beoordelingsnotitie is een analyse gemaakt van de ammoniakemissie. Daaruit blijkt dat de ammoniakemissie als gevolg van de bedrijfsaanpassing afneemt met 235kg per jaar. De belasting op omliggende gevoelige gebieden zal afnemen ten opzichte van de huidige situatie. Hiermee is de uitvoerbaarheid ten aanzien van de Wet ammoniak en veehouderij verzekerd.

Figuur 4-3 Zeer kwetsbare gebieden Wav (bron:www.fryslan.frl)

Gebiedsbescherming - Natuurparken, kustgebieden en bosgebieden Nationale Parken (natuurparken) zijn de meest waardevolle natuurgebieden van Nederland. In Nederland is een nationaal park een natuurgebied van ten minste duizend hectare, met een karakteristiek landschap en bijzondere planten en dieren. Het beheer van een nationaal park is gericht op natuurbehoud en -ontwikkeling, natuurgerichte recreatie, educatie en voorlichting, en op onderzoek. Naast natuurparken vormen ook kustgebieden en bosgebieden een belangrijk onderdeel van de Nederlandse natuur. De genoemde gebieden worden alleen beschermd wanneer zij tevens zijn aangewezen op grond van natuurbeschermende regelgeving. Eventuele natuurparken, kustgebieden en/of bosgebieden in de omgeving van het bedrijf die tevens zijn aangewezen onder andere natuurbeschermende regelgeving worden in desbetreffende paragraaf genoemd. Het besluitgebied is niet gelegen binnen een Nationaal park en heeft hier dan ook geen invloed op.

 29

Gebiedsbescherming – Natura 2000 In het kader van Europese Habitatrichtlijn en de Vogelrichtlijn heeft Nederland in de Wet natuurbescherming natuurgebieden aangewezen, de zogenaamde Natura-2000 gebieden. Deze gebieden zijn aangewezen ter instandhouding van waardevolle flora en fauna. Waarbij Vogelrichtlijngebieden zich richten op soortenbescherming van met name vogels. Habitatgebieden richten zich op de bescherming van de habitats die kwetsbare soorten herbergen. Veel van de Habitatgebieden zijn overbelast op het gebied van stikstofdepositie. Een toename van stikstofdepositie op omliggende gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Habitatrichtlijn is niet toegestaan. Dit zal worden getoetst in het kader van de aanvraag van een vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming. Voor de uitvoerbaarheidstoets en in het kader van een goede ruimtelijke ordening zal in deze paragraaf ook beschouwd worden of het planvoornemen leidt tot een aantasting van de omliggende Natura-2000 gebieden. Rondom het plangebied liggen op grote tot zeer grote afstand drie Natura-2000 gebieden, zie onderstaande figuur. Op 3,7 kilometer afstand ligt het Habitatrichtlijn- en Vogelrichtlijngebied ‘DrentsFriese Wold & Leggelderveld’. Dit gebied is aangewezen ter bescherming van enkele habitattypen, de kamsalamander, de drijvende weegbree en vogelsoorten.

Het gebied is gevoelig voor stikstofdepositie.

Figuur 4-4 ligging bedrijf ten opzichte van Natura 2000 gebied ‘Drents-Friese Wold en Leggelderveld’ (Bron: www.natura2000.nl)

Voor het bedrijf is op 9 november 2012 een vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming verleend. Daarbij is een ammoniakemissie toegestaan van 2.983,9 kg. Met dit plan is sprake van

30 

Soortenbescherming De Wet natuurbescherming onderscheidt beschermingsregimes voor soorten op grond van internationale verdragen, aangevuld met soorten die vanuit een nationaal oogpunt beschermd worden. Hierdoor zijn er in de Wet natuurbescherming drie verschillende verbodsartikelen per categorie soorten:  soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1);  soorten van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (artikel 3.5);  andere soorten (artikel 3.10). Voor alle activiteiten met een mogelijk effect op beschermde dier- en plantensoorten is toetsing aan deze wet noodzakelijk. Beschermde soorten kunnen overal voorkomen. Bij de totstandkoming van een nieuw ruimtelijk plan, moet worden voorkomen dat conflicten met de soortenbescherming ontstaan. De locatie van de beoogde uitbreiding van stal A en de nieuwbouw van stal C en E zijn op dit moment agrarisch in gebruik. De gronden zijn nu deels bebouwd, deels ingericht als groene landschappelijke inpassing en deels in gebruik als grasland. Dit gebruik en het beheer van de grond maken het onwaarschijnlijk dat beschermde diersoorten hier een vaste rust- of verblijfplaats hebben. In de bestaande bebouwing zijn voorzieningen getroffen om te voorkomen dat vogels of vleermuizen zich hier vestigen in verband met de verspreiding van ziekten. Mogelijk dat het gebied wel gebruikt wordt als foeragegebied.

Gelet op de omvang van de uitbreiding zal het effect op het gehele foeragegebied beperkt zijn. Op basis van het huidige gebruik en beheer is het onwaarschijnlijk dat beschermde plantensoorten zich in het gebied hebben gevestigd. In verband met het verwijderen van de huidige landschappelijke inpassing moet wel rekening worden gehouden met het broedseizoen. Het aspect soortenbescherming vormt geen belemmering voor het initiatief.

4.6.3

Conclusie

Het plangebied maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied of een ander gebied beschermd middels de Wet natuurbescherming. Het plangebied ligt ook niet binnen 500 meter vanaf een Natura-2000 gebied. Er is geen sprake van externe werking van de bouw- of gebruiksfase behalve op het aspect stikstofdepositie. De stikstofdepositie is vergeleken met de beoogde twee fases van het planvoornemen. Hieruit is gebleken dat in beide fases de stikstofdepositie afneemt op omliggende Natura-2000 gebieden. De voorgenomen werkzaamheden hebben geen negatieve effecten op het functioneren van Natuurnetwerk Nederland, ook is het plangebied niet gelegen in nabijheid van gebieden aangewezen in de Wet ammoniak en veehouderij. Daarnaast zijn geen beschermde soorten in het besluitgebied te verwachten. Bij de bouwwerkzaamheden dient wel rekening gehouden te worden met het broedseizoen. Het planvoornemen is wat betreft het aspect ecologie uitvoerbaar.

 31

WATERPARAGRAAF Het waterbeleid van Rijk en provincie is gericht op een veilig en goed bewoonbaar land met gezonde, duurzame watersystemen. Om de problemen van wateroverlast en verdroging het hoofd te bieden is een ingrijpende herinrichting van het watersysteem nodig. De Commissie Waterbeheer voor de 21e eeuw pleit voor de toepassing van een drietrapsstrategie voor het waterbeheer: eerst vasthouden van het regenwater in het gebied waar het valt; vervolgens het bergen van wateroverschotten in speciaal daarvoor aangelegde voorzieningen of aangewezen gebieden; pas dan het water afvoeren via waterlopen en gemalen De plannen worden voorgelegd aan het Wetterskip Fryslân voor de uitvoering van een watertoets. Sinds 1 november 2003 is voor alle ruimtelijke plannen de watertoets verplicht. De watertoets moet ervoor zorgen dat bij ruimtelijke plannen rekening wordt gehouden met ruimte voor water en watervoorzieningen. Dit verkleint de kans op problemen zoals overstroming door onvoldoende veilige dijken, wateroverlast door onvoldoende bergingsmogelijkheden voor hemelwater of een slechte waterkwaliteit. Het resultaat is een ruimtelijk plan dat waterbestendig is. Maar het gaat niet alleen om het voorkomen van problemen. Ruimte voor water kan ook de ruimtelijke kwaliteit en de leefomgeving van mens en dier verbeteren.

Het plangebied is gelegen binnen het beheersgebied van het Wetterskip Fryslân. Bij ruimtelijke ontwikkelingen, waaronder ver- en nieuwbouwplannen, hanteert het wetterskip een aantal uitgangspunten ten aanzien van het duurzaam omgaan met water, die van belang zijn als vertrekpunt van het overleg tussen initiatiefnemer en waterbeheerder. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen dient de initiatiefnemer invulling te geven aan de hiernavolgende punten. 4.7.1

Waterrelevant beleid

DELTEPROGRAMMA RIJK De overheid wil Nederland nu en in de toekomst beschermen tegen hoogwater en zorgen voor voldoende zoetwater. Ook wil de overheid ons land zo inrichten dat het klimaatbestendig en waterrobuust wordt. Het doel van het deltaprogramma is dat de waterveiligheid, de zoetwatervoorziening en de ruimtelijke inrichting in 2050 klimaatbestendig en waterrobuust zijn, zodat ons land de grotere extremen van het klimaat veerkrachtig kan blijven opvangen. Het kabinet heeft besloten alle maatregelen en projecten van het Deltaprogramma te bundelen in deltaplannen: het Deltaplan Waterveiligheid, het Deltaplan Zoetwater en (sinds Deltaprogramma 2018) het Deltaplan Ruimtelijke adaptatie. De maatregelen kunnen aanpassingen van het fysieke systeem betreffen, zoals dijkversterkingen of pompen, maar ook ruimtelijke reserveringen voor toekomstige maatregelen of instrumenten om gewenst gedrag te stimuleren. Ook regionale maatregelen kunnen een plaats krijgen in de deltaplannen. Deltaplan ruimtelijke adaptatie Het Deltaplan Ruimtelijke adaptatie omvat de maatregelen om Nederland klimaatbestendig en waterrobuust in te richten. In het plan staat hoe gemeenten, waterschappen, provincies en het Rijk het proces van ruimtelijke adaptatie willen versnellen en intensiveren. Daarvoor zijn 7 ambities in dit deltaplan opgenomen.

Het deltaplan geeft aan welke doelen de partijen nastreven, hoe ze daaraan

32 

gaan werken en hoe ze de resultaten in beeld brengen. Bij het Deltaplan hoort een actieplan met concrete acties en maatregelen.

WATERBEHEERPROGRAMMA 2022-2027 Het beleid van het Wetterskip Fryslân staat beschreven in het “Waterbeheerprogramma 2022-2027”. In dit plan wordt aangegeven met welke ambities het waterschap de ontwikkelingen en opgaven op het gebied van veiligheid, voldoende water en schoon en ecologisch gezond water in hoofdlijnen wil oppakken.

WATERSCHAPSVERORDENING WETTERSKIP FRYSLÂN 2023 Voor waterhuishoudkundige ingrepen in het plangebied is de “Waterschapsverordening Wetterskip Fryslân 2023” van toepassing. De waterschapsverordening bevat gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer. Op grond van de waterschapsverordening is het onder andere verboden om handelingen te verrichten waardoor het onderhoud, aanvoer, afvoer en/of berging van water kan worden belemmerd, zonder een ontheffing van het waterschap. Onderstaande figuur geeft een beeld van de ligging van het besluitgebied op de Legger. Hieruit blijkt dat nabij het besluitgebied (met rood weergegeven) secundaire watergangen aanwezig zijn in de vorm van schouwsloten. Deze liggen ten noorden, oosten en westen van het besluitgebied. Als gevolg van het initiatief worden geen werkzaamheden in of nabij deze wateren uitgevoerd. De bestemming van het besluitgebied wijzigt met dit initiatief niet. Dat betekent dat dit initiatief niet tot gevolg heeft dat de functie water ter plaatse wordt uitgesloten. Het bouwvlak dat aan de locatie is toegekend wijzigt ook niet. Deze komt niet dichter bij de secundaire watergangen te liggen waardoor bebouwing nabij de watergangen mogelijk zou worden. Het initiatief is niet van invloed op het functioneren en beheer van deze secundaire watergangen.

Met dit initiatief neemt het verharde oppervlak binnen het besluitgebied toe. Een deel van de bestaande bebouwing wordt gesloopt. Als gevolg van dit initiatief zal het verharde oppervlak met circa 2.390m2 toenemen. Op grond van de waterschapsverordening is het onder andere verboden om, zonder watervergunning van het bestuur, neerslag versneld tot afvoer te laten komen indien daarbij meer dan `1.500 m2 onverharde grond wordt bebouwd of verhard in landelijk gebied. Een watervergunning is voor dit initiatief vereist. Uit de beoordeling van de ingediende digitale watertoets blijkt in hoeverre en in welke vorm compenserende maatregelen genomen moeten worden (4.7.6).

 33

Figuur 4-5 Uitsnede Legger (Bron: Wetterskip Fryslân)

4.7.2

Gescheiden houden van vuil water en schoon hemelwater

Het streefbeeld is het afvoeren van het vuile water via de riolering en het binnen het besluitgebied verwerken van het schone hemelwater. Op de locatie is sprake van een drukriolering waar geen regenwater op geloosd mag worden, enkel het afvalwater van de bedrijfswoning wordt hierop geloosd. In de gewenste situatie zal de beoogde nieuwe kantine en hygiënesluis worden aangesloten op het drukriool. Het spoelwater van het schoonspuiten van de stallen wordt opgevangen in het binnen de inrichting aanwezige spoelwaterbassin. In de voorgenomen activiteit wordt geen afvalwater geloosd. Al het opgevangen afvalwater wordt tegelijk met de mest afgevoerd en verwerkt. Het hemelwater wordt in de bestaande situatie geloosd op het oppervlaktewater. Het hemelwater dat op het extra verharde oppervlak valt wordt geloosd op de infiltratiesloot die parallel aan de nieuwe stal wordt gegraven aan de zuidoostzijde. Bij hevige regenval (meer dan 50mm) kan het hemelwater vanuit de infiltratiesloot via een verhoogde afvoer afstromen naar de schouwsloot aan de westzijde van het besluitgebied.

34 

4.7.3

Water veiligheid

Waterveiligheid betreft het voorkomen, zo mogelijk uitsluiten, van levensbedreigende overstromingsrisico's voor mens en dier en het voorkomen van schade aan have en goed. Risico's die met name zullen optreden bij het doorbreken van een zeekering (primaire kering) of boezemkade (secundaire kering). Binnen dit thema zijn, indien van toepassing, alle belangen beschreven die vanwege de waterveiligheid extra bescherming genieten of anderzijds van belang zijn voor de waterveiligheid. Onderhavig bedrijf is niet gelegen in een overstromingsgevoelig gebied. 4.7.4

Water kwantiteit

Het waterschap heeft als taak te zorgen voor voldoende water in droge perioden en voor voldoende afvoer in perioden van overvloed. Een vergrote kans op wateroverlast of watertekort dient dus voorkomen te worden. Binnen dit thema zijn, indien van toepassing, de voor dit plan gerelateerde belangen beschreven die in meer of mindere mate de waterkwantiteit beïnvloeden. Wateroverlast vanuit het oppervlaktewater moet in ieder geval zoveel mogelijk voorkomen worden. Overtollig grond- en hemelwater, dat tot afvoer komt, volgt de trits ‘vasthouden, bergen, afvoeren’. Nabij het besluitgebied zijn secundaire watergangen aanwezig. Het initiatief heeft hier echter geen invloed op. De nieuwe bebouwing komt op voldoende afstand van deze watergangen. De werking van deze watergangen wordt niet belemmerd. Het hemelwater wordt in de bestaande situatie geloosd op het oppervlaktewater. Het hemelwater wat valt op het nieuwe extra verharde oppervlak (in de vorm van de uitbreiding en nieuwbouw van een stal) wordt geloosd op de secundaire watergang aan de westzijde van het besluitgebied. Deze sloot kan (indien nodig) verbreed of verdiept worden.

4.7.5

Water kwaliteit

Via de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) is het waterschap verantwoordelijk voor de chemische en ecologische waterkwaliteit. Voor een aantal waterlichamen, de zogenaamde KRWWaterlichamen, zijn doelen vastgesteld voor de waterkwaliteit en zijn maatregelen opgesteld om deze te bereiken. Ruimtelijke ingrepen en activiteiten die de waterkwaliteit in de KRW-waterlichamen (kunnen) verslechteren of ingezette verbetering kunnen laten stagneren, zijn niet toegestaan. Binnen en/of langs het plangebied ligt geen aangewezen KRW-waterlichaam. Er zal geen gebruik worden gemaakt van uitlogende materialen. Het initiatief heeft geen effect op de waterkwaliteit. 4.7.6

Watertoets

Er is vooroverleg gevoerd met het wetterskip over het planvoornemen. Hiervoor is op 15 mei 2023 een digitale watertoets gedaan. De uitkomst van de digitale watertoets is dat de normale procedure van toepassing is. Het wetterskip heeft een advies uitgebracht over de toename van het verharde oppervlak. Door de ontwikkeling neemt de hoeveelheid verhard oppervlak toe met als gevolg een versnelde afvoer van hemelwater. Het is nodig om deze versnelde afvoer te compenseren om de waterberging in het gebied in stand te houden.

 35

Het is niet toegestaan zonder watervergunning neerslag versneld tot afvoer te laten komen indien daarbij meer dan 200 m2 onverharde grond in stedelijk gebied en 1500 m2 in landelijk gebied wordt bebouwd of verhard. Er geldt een vrijstelling van de vergunningsplicht wanneer wordt voldaan aan de compensatieregels genoemd in het wateradvies. Het compenseren kan door het graven van extra oppervlaktewater. Bij het graven van extra oppervlaktewater wordt de volgende compensatienorm gehanteerd:  Boezem 5%, dit heeft alleen betrekking op de Friese boezem;  Polder 10%,  Vrij afstromend, alternatieve maatregelen. Ook kunnen alternatieve maatregelen in het plan worden toegepast. Afhankelijk van de maatregel kunnen andere normen gelden dan hier vermeld. Deze normen zijn vastgelegd in de ‘Leidraad watertoets’. Als er niet wordt gecompenseerd door extra oppervlaktewater te graven waarbij bovenstaande percentages worden gehanteerd of indien er geen overeenstemming plaatsvindt in de watertoetsprocedure over alternatieve maatregelen dan dient een watervergunning bij het waterschap te worden gevraagd. Ter compensatie van de toename van het verharde oppervlak wordt langs de nieuwe stal CE een infiltratiesloot gegraven. Er wordt gecompenseerd door het hemelwater vast te houden in het gebied en te laten infiltreren in de ondergrond.

Dit is één van de benoemde mogelijkheden voor compensatie in de Leidraad Watertoets (art. 4.3.6.2). Bij hevige regenval (meer dan 50mm) kan het hemelwater vanuit de infiltratiesloot via een verhoogde afvoer afstromen naar de schouwsloot ten westen van het besluitgebied. Hiermee wordt wateroverlast binnen of nabij het besluitgebied voorkomen bij hevige regenval.

Figuur 4-6 Locatie infiltratiesloot (Bron: Guido Paumen Tuin & Landschapsarchitect)

Doordat compenserende maatregelen worden genomen vormt de toename van verhard oppervlak geen belemmering voor het initiatief en hoeft geen watervergunning aangevraagd te worden.

36 

LUCHTKWALITEIT 4.8.1

Inleiding

In de Wet Luchtkwaliteit 2007 worden eisen gesteld aan de kwaliteit van de lucht ter plaatse waar mensen verblijven. Eén van de eisen is een maximumwaarde voor de hoeveelheid fijnstof, uitgedrukt in PM10 en PM2,5, dat zich in de lucht bevindt. De overige stoffen die in de Wet Luchtkwaliteit genoemd worden, namelijk stikstofdioxiden (NO2 en NOx), koolmonoxide (CO), benzeen (C6H6), zwaveldioxide (SO2) en lood (Pb), spelen in de landbouw een dermate kleine rol dat deze verwaarloosbaar zijn. De norm voor de maximale fijnstof Pm10 belasting in de omgeving van een veehouderij bedraagt 40 μg/m3. Daarnaast is er een maximaal aantal overschrijdingsdagen van 35 keer per jaar van een concentratie van 50 μg/m3. De Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) stelt dat blootstelling aan PM2,5 schadelijker is dan blootstelling aan PM10. De kleinere deeltjes van PM2,5 dringen dieper in de longen door (WHO, 2006; Brunekreef en Forsberg, 2005). In de Europese richtlijn voor luchtkwaliteit zijn daarom sinds 2008 grens- en richtwaarden voor PM2,5 opgenomen. Voor de jaargemiddelde PM2,5-concentratie geldt een grenswaarde van 25 µg/m3.

4.8.2

Bijdrage dieren aan luchtkwaliteit

De fijnstof emissies in PM10 en PM2,5 zijn afhankelijk van het aantal gehouden dieren en het toegepaste huisvestingssysteem. In de mer-beoordelingsnotitie is uitgebreid ingegaan op de fijnstof emissies vanuit de stallen in de nieuwe situatie. Uit de berekeningen blijkt dat de emissie van fijnstof in de nieuwe situatie lager is dan in de huidige situatie. De grenswaarde voor PM10 van 40 μg/m3 (jaargemiddelde) zal voldoen. De hoogste PM10 concentratie van 16,88 μg/m 3 bevindt zich ter hoogte van Abbendijk 3 daarvan wordt 3,22 μg/m3 veroorzaakt door het bedrijf, de overige 13,66 μg/m3 is afkomstig van andere bronnen in de omgeving, zoals verkeer, wonen en industrie. Het aantal overschrijdingsdagen van 6,5 is lager dan de maximale 35 dagen die zijn toegestaan. Er wordt tevens ter hoogte van negen woningen al voldaan aan de WHO-advieswaarde voor PM10 van 15 μg/m3 . De berekende PM2,5 belasting bedraagt maximaal 6,360 μg/m3, waardoor ook ruimschoots aan de norm voor PM2,5 wordt voldaan. Dat betekent dat onderhavig plan met de daling van de fijnstofemissie aan de regelgeving omtrent luchtkwaliteit voldoet 4.8.3

Bijdrage verkeer aan luchtkwaliteit

De vervoersbewegingen binnen de inrichting bestaan voornamelijk uit vrachtwagens (voor het laden/lossen van dieren en mengvoer). Als gevolg van het initiatief worden niet meer dieren gehouden op de locatie. De dieren die gehouden worden blijven langer op het bedrijf omdat langzaam groeiende rassen gehouden worden. Als gevolg daarvan zal het aantal vervoersbewegingen, voor de aan- en afvoer van dieren afnemen. Bij een worst-case benadering gaan we ervan uit dat de fijnstofemissie van de trekker en loader gelijk gesteld worden aan die van een vrachtwagen, namelijk 0,396 gram/km bij een snelheid van 10 km/uur (zie Emissiefactoren verkeer niet-snelwegen op www.rijksoverheid.nl). Dit betekent dat voor 1 kg fijnstof per jaar ruim 2.525 km/jaar binnen de inrichting afgelegd moet worden. Dit wordt niet realistisch geacht. Eén kilogram fijnstof door interne vervoersbewegingen is ongeveer 0,002% van de emissie van de dieren. Dit is ruim minder dan 1% en draagt daarmee Niet in Betekende Mate bij

 37

aan de luchtkwaliteit in de omgeving. Wel is deze emissie van verkeer meegenomen in berekeningen van de fijnstofconcentratie in de omgeving.

4.8.4

Conclusie onderzoeken luchtkwaliteit

Uit de verspreidingsberekeningen blijkt dat er door de toepassing van fijnstof reducerende maatregelen op alle onderzochte woningen sprake zal zijn van een afname van de fijnstof concentratie in de lucht. Ook wordt ten aanzien van de verspreiding van fijnstof en zeer fijnstof ruim binnen de wettelijke normen gebleven. Het woon- en leefklimaat ten aanzien van de luchtkwaliteit wordt door de beoogde bedrijfsontwikkeling beter. GEUR Het dichtbij zijnde voor geur gevoelige object ligt aan de Abbendijk 3, op een afstand van circa 50 meter van nieuwbouw C. De minimaal vereiste afstand tussen de gevel van deze woning en de pluimveestal is 25 meter, waardoor aan de gestelde afstandseis in de Wet geurhinder en veehouderij wordt voldaan. Voor pluimvee is een geuremissiefactor per dier vastgesteld, waarmee de geurbelasting naar de omgeving dient te worden berekend. De berekende geurbelasting dient te worden getoetst aan de geurnormen. De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het beoordelingskader voor geurhinder van veehouderijen. Deze wet geeft normen voor de geurbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object (bijvoorbeeld een woning). Voor de geurbelasting op geurgevoelige objecten gelden wettelijke geurnormen als maximum.

Voor een niet concentratiegebied, waarin Abbendijk 2 is gelegen geldt een maximale geurbelasting van 2,0 odour units per kubieke meter lucht (OU/m³) binnen de bebouwde kom en een norm van 8,0 OU/m³ buiten de bebouwde kom. Voor gemeenten is het, door middel van het vaststellen van een geurverordening, mogelijk om af te wijken van wettelijke normen uit de Wgv. De gemeente Ooststellingwerf heeft een eigen geurverordening vastgesteld. In de verordening is een afwijkende geurnorm opgenomen voor geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom (8,0 OU/m 3) en buiten de bebouwde kom (20,0 OU/m3) De geuremissie van het bedrijf aan de Abbendijk 2, neemt af ten opzichte van de vergunde situatie. Met het rekenprogramma V-Stacks Vergunningen kan de verspreiding van geur vanuit een veehouderijbedrijf worden berekend. Het rekenresultaat is de geurbelasting op in de omgeving gelegen geurgevoelige objecten. Vervolgens toetst het programma of de berekende geurbelasting voldoet aan de norm die van toepassing is. Om de geurbelasting te berekenen worden gegevens ingevoerd over het bedrijf (bronnen) en de omliggende geurgevoelige objecten (receptoren). Het programma houdt rekening met de meteorologische gegevens van een heel jaar en met de ruwheid van de omgeving. In de mer-beoordelingsnotitie is één en ander nader uitgewerkt.

De volgende tabel geeft de uitkomsten weer van de geurbelasting op geurgevoelige objecten in de omgeving.

38 

Door de herverdeling van dieren binnen de inrichting en de wijziging van emissiepunten zal voor de omgeving een verbetering optreden voor wat betreft het aspect geur. De overbelaste situatie aan de Abbendijk 3 verbeterd met onderhavig plan sterk en zal ruimschoots gaan voldoen aan de gestelde geurnorm. De geurbelasting aan de Ceresstraat 9 blijft met 0,3 OU/m 3 gelijk aan de vergunde situatie. Voor alle andere geurgevoelige objecten in de omgeving zal de geursituatie verbeteren ten opzichte van de huidige situatie. Geconcludeerd kan worden dat wordt voldaan aan de gestelde eisen.

GELUID In de Wet geluidhinder (Wgh) is vastgesteld dat, indien in het besluitgebied geluidgevoelige functies (zoals woningen) zijn voorzien binnen de invloedssfeer van (rail- en weg)verkeerslawaai, akoestisch onderzoek uitgevoerd dient te worden. Het onderhavige plan betreft echter het uitbreiden van een bestaande stal met overdekte uitloop en het realiseren van een nieuwe stal. Dergelijke bouwwerken worden niet aangemerkt als geluidgevoelig object in de zin van de Wet geluidhinder. Bovendien wijzigt met het plan de bestemming van de al bestaande bedrijfswoning niet en worden geen nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen / functies mogelijk gemaakt. Derhalve vormt het aspect geluidhinder geen belemmering voor de realisering van het onderhavige plan. De geluidbelasting van de inrichting naar de omgeving zal nauwelijks veranderen. Het aantal verkeersbewegingen zal nauwelijks wijzigen aangezien er geen veranderingen in het vee bestand plaatsvinden. Het effect van onderhavig plan op de geluidbelasting in de omgeving zal klein zijn en derhalve is geen akoestisch onderzoek opgesteld. Het aspect geluid vormt geen belemmering voor het initiatief.

5 SEPTEMBER 2025

 39

EXTERNE VEILIGHEID 4.11.1

Inleiding

Met de invoering van de Omgevingswet is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) ingetrokken, omdat de inhoud van dit besluit is opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving. Het Besluit externe veiligheid inrichtingen is gebaseerd op artikel 5.1 van de Wet milieubeheer, welke onder de Omgevingswet ook is vervallen. In het Besluit externe veiligheid inrichtingen waren milieukwaliteitseisen op het gebied van externe veiligheid opgenomen die moeten worden opgenomen in een bestemmingsplan en moeten worden meegenomen bij de beoordeling van een aanvraag om een omgevingsvergunning. In het stelsel van de Omgevingswet komen deze milieukwaliteitseisen terug als instructieregels over externe veiligheid. Deze instructieregels zijn opgenomen in hoofdstuk 5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Paragraaf 5.1.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) bevat de regels voor externe veiligheid. Bij een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling moet aangetoond worden op welke wijze bij de activiteit de veiligheid gewaarborgd wordt. Gedoeld wordt op het waarborgen van de veiligheid ter voorkoming van branden, rampen of crises. Voor het plaatsgebonden risico van een activiteit geldt een grenswaarde van ten hoogste 1 op de 1.000.000 per jaar voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties (artikel 5.7 Bkl).

Hier wordt, conform artikel 5.8 eerste lid Bkl, aan voldaan door het in acht nemen van de afstanden voor de activiteiten, aangegeven in de daarbij aangegeven onderdelen van bijlage VII van het Bkl. Met dit initiatief worden geen nieuwe kwetsbare of zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties toegevoegd aan het projectgebied. 4.11.2

Toetsing

Zoals blijkt uit de volgende figuur zijn er vanuit de omgeving een aantal risico’s, waar eventueel rekening mee gehouden dient te worden.

Figuur 4-5 Uitsnede Atlas leefomgeving (bron:www.atlasleefomgeving.nl)

40 

Op een afstand van circa 950 meter ten zuidwesten van het besluitgebied staat een propaantank. Dit is het dichtstbij zijnde potentiële risico. Op circa 4,3 km afstand ten noorden van het besluitgebied is een bovengrondse hoogspanningskabel aanwezig. En op circa 4,9 km ten noorden van het besluitgebied is een buisleiding aanwezig. Het besluitgebied ligt buiten het invloedsgebied van deze potentiële risico bronnen in het kader van externe veiligheid. Verder is in de Atlas Leefomgeving een windturbine aangeven binnen het besluitgebied. Hiervoor is op 15 november 2023 een omgevingsvergunning verleend. De windturbines zijn niet gerealiseerd en worden ook niet gerealiseerd. De nieuwe stal C komt op de beoogde locatie van de windturbines. Deze kunnen niet meer op de vergunde plek gerealiseerd worden en vormen geen risico in het kader van externe veiligheid.

Figuur 4-6 Uitsnede Atlas leefomgeving (bron:www.atlasleefomgeving.nl)

Met dit initiatief wordt niet beoogd om een nieuwe gevoelige functie aan het besluitgebied toe te voegen. Het besluitgebied ligt buiten het invloedsgebied van eventuele risicobronnen. Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor het initiatief. DIER- EN VOLKSGEZONDHEID Naar de risico’s van veehouderijen voor de gezondheid van mensen die in de omgeving van veehouderijen verblijven is recent veel onderzoek gedaan. In een uitgebreid onderzoek Veehouderij en Gezondheid Omwonenden (VGO) in plattelandsgemeenten met veel veehouderijen wordt een verhoogd aantal luchtwegklachten en gevallen van longontsteking gerapporteerd, vooral op locaties waar meerdere veehouderijen in de directe omgeving aanwezig zijn. Naar de oorzaak hiervan wordt nader onderzoek gedaan. Er wordt geen relatie gevonden met bepaalde diercategorieën, met uitzondering van geitenhouderijen. In de VGO-onderzoeken wordt aangegeven dat er sinds 2014 geen verhoogde kans op longontsteking gevonden wordt bij omwonenden van pluimveebedrijven. Naast eventuele negatieve effecten zijn er positieve effecten gevonden: wonen in de buurt van een veehouderij blijkt een beschermend effect te hebben op het ontwikkelen van atopie, vooral op heel korte afstand van een veehouderij. Dicht bij veehouderijen wonen minder mensen met COPD, een

 41

chronische ziekte aan de longen. Daar staat tegenover dat de mensen in de omgeving die wel COPD hebben, daar vaker en/of ernstigere complicaties van kunnen hebben. Het bedrijf aan de Abbendijk 2 ligt niet in een veedicht gebied. Het aantal intensieve veehouderijen in de omgeving is beperkt. De afstand van het bedrijf tot omwonenden is niet groot. In de VGOonderzoeken wordt bij deze dichtheid geen verhoogd risico gevonden. Door de grote afstand tot andere (intensieve) veehouderijen is er ook geen risico op onderlinge beïnvloeding wat betreft ziektedruk. De risico’s voor de gezondheid van omwonenden worden op grond van de resultaten uit de VGO-onderzoeken als zeer gering beoordeeld. De “GGD-richtlijn medische milieukunde: Veehouderij en gezondheid” beschrijft de huidige kennis over dit onderwerp. De richtlijn is door de GGD’en ontwikkeld, zodat ze op basis van dezelfde kennis over veehouderij en gezondheid kunnen adviseren. Deze informatie kan een gemeente gebruiken om de gezondheid van omwonenden mee te wegen bij beleidskeuzes voor de ontwikkeling van veehouderijen. De coördinatie van de richtlijn ligt bij het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM). De GGD heeft twee uitgangspunten bij haar adviezen.

De eerste is voorzorg: wees terughoudend met het plaatsen van gevoelige bestemmingen en veehouderijen binnen 250 meter van elkaar (bij geitenhouderijen binnen 2 kilometer). Gevoelige bestemmingen zijn bijvoorbeeld woningen, scholen, en ziekenhuizen. Het tweede uitgangspunt is het streven om de uitstoot van geur, stof, endotoxinen (kleine stukjes bacteriën) en ammoniak van veehouderijen te verminderen. Binnen een straal van 250 meter van het besluitgebied zijn gevoelige objecten aanwezig. In paragraaf 4.8 is in het kader van een goede ruimtelijke ordening reeds onderbouwd dat er ter plaatse van omliggende gevoelige objecten sprake is van een goed woon- en leefklimaat in relatie tot fijnstof (PM10 en PM2,5). Het initiatief omvat de uitbreiding van een bestaande stal en het oprichten van een nieuwe stal. Het aantal dieren op het bedrijf blijft gelijk. Met de uitbreiding krijgen de dieren meer ruimte tot hun beschikking. Dit betekent dat de emissies van fijnstof, ammoniak en geur niet toenemen. De dieren hebben geen buitenuitloop, zodat contact met in het wild levende dieren wordt voorkomen. Binnen het bedrijf worden de nodige voorzorgsmaatregelen getroffen om de insleep van dierziekten te voorkomen. Toegang tot de dierenverblijven is uitsluitend toegestaan met bedrijfskleding. Op het bedrijf is een kleedruimte met douches voor mensen die in de stallen moeten werken.

Toegang tot de stallen is alleen toegestaan, nadat de hygiënesluis is doorlopen. Het gebruik van antibiotica in de veehouderij is de laatste jaren belangrijk verminderd. In de vleeskuikenhouderij is het gebruik in de periode 2009-2019 met 73% gedaald. Antibioticaresistentie heeft geen directe invloed op omwonenden, maar wel mogelijk invloed op consumenten. Doordat er op het bedrijf door het houden van dieren volgens Beter Leven geen antibiotica zal worden gebruikt is een verdergaand positief effect te verwachten in antibioticaresistentie bij mensen. Het aspect dier- en volksgezondheid is betrokken in de ruimtelijke afweging van dit planvoornemen. Door de gelijkblijvende dieraantallen, managementmaatregelen en het feit dat er slechts weinig (intensieve) veehouderijen in de omgeving zijn gelegen, is de inschatting dat er geen effecten op de

42 

volksgezondheid zijn te verwachten. Deze inschatting is gemaakt op basis van meest recente wetenschappelijke inzichten omtrent de effecten van veehouderij op de omliggende omgeving. DUURZAAMHEID Duurzaamheid is een zeer breed begrip. Een duurzame ontwikkeling is een ontwikkeling die voorziet in de behoeften van de huidige generatie, zonder de behoeften van toekomstige generaties, zowel hier als in andere delen van de wereld, in gevaar te brengen. In deze paragraaf wordt ingegaan op drie aspecten waaruit blijkt dat met de uitbreiding van het agrarisch bedrijf verbeteringen worden ingezet ten aanzien van duurzaamheid: op het terrein van dierenwelzijn. In de bestaande situatie worden gemiddeld 20,6 vleeskuikens per vierkante meter gehouden. Door vergroting van het stalvloeroppervlak wordt de leefruimte van de dieren groter. Met een gelijkblijvend aantal vleeskuikens (130.900) worden 12 kuikens per vierkante meter gehouden. Naast het vergroten van de leefoppervlakte worden de volgende maatregelen getroffen voor verbetering van het dierwelzijn: • Langzaam groeiende pluimveerassen; • Regelmatig graan strooien ter bevordering van scharrelgedrag; • Verrijkingsmateriaal in de stal (strooisel, strobalen); • Daglicht in de stal en daarmee een natuurlijk dag- en nachtritme.

Hiermee draagt dit ruimtelijke plan bij aan een vergroting van het dierenwelzijn ten opzichte van de vergunde en feitelijk aanwezige situatie. Hiermee wordt een toekomstbestendige duurzame bedrijfsvoering gerealiseerd.

 43

UITVOERBAARHEID ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID De betreffende grond voor de nieuwbouw is in eigendom van de aanvrager. Omdat de uitbreiding een particuliere ontwikkeling betreft, zijn hier voor de gemeente geen financiële consequenties aan verbonden. De ontwikkelingskosten worden geheel door de initiatiefnemer gedragen. De kosten welke door de gemeente worden gemaakt voor het voeren van de procedure zijn verrekend in de leges. Eventuele planschadekosten zijn eveneens voor rekening van de initiatiefnemer. MAATSCHAPPELIJKE UITVOERBAARHEID De omgevingsvergunning wordt middels de uitgebreide procedure in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) doorlopen. In dit geval is het college van de gemeente Ooststellingwerf bevoegd gezag. De gemeenteraad van de gemeente Ooststellingwerf moet een instemming verlenen aan de omgevingsvergunning middels een verklaring van geen bedenkingen (Vvgb). Op 28 december 2022 is een omgevingsdialoog georganiseerd door de initiatiefnemers. De omgevingsdialoog is bewust laagdrempelig opgezet met de mogelijkheid tot inloop, kennis nemen van de plannen aan de hand van een presentatie en het stellen van vragen of maken van opmerkingen. Voor de dialoog zijn de directe omwonenden uitgenodigd die direct zicht hebben op de nieuw te bouwen stal (C). Daarnaast waren twee adviseurs van Agra-Matic aanwezig.

Op 14 februari 2023 heeft een tweede bijeenkomst plaatsgevonden met omwonenden die eerder verhinderd waren. De initiatiefnemer heeft het plan toegelicht. Omwonenden hebben kennisgenomen van het plan en vragen kunnen stellen. Voor omwonenden is het aspect geluid belangrijk. Aangegeven is dat bekeken wordt hoe de geluidsoverlast tot een minimum beperkt kan worden. Omwonenden gaven aan er waardering voor te hebben dat zij in dit stadium reeds betrokken zijn bij het plan. Tijdens de dialoog op 14 februari 2023 is meer weerstand geuit tegen het plan. Van beide dialogen is een verslag gemaakt. Deze zijn geanonimiseerd als bijlage toegevoegd. Op 24 juli 2023 is door een aantal omwonenden een brief gestuurd aan de wethouder die destijds portefeuillehouder was van dit onderwerp. In deze brief zijn zorgen geuit over dit plan en het voornemen om twee windmolens te plaatsen. De windmolens zijn geen onderdeel van deze aanvraag. De bezwaren tegen het plan komen met name voort uit het idee dat er meer dieren gehouden zullen gaan worden wat kan leiden tot de uitstoot van meer geur en fijnstof. Ook vreest men voor meer geluidsoverlast door de ventilatoren die geplaatst worden. Daarnaast zal de bouw van de nieuwe stal het uitzicht van omwonenden ingrijpend veranderen. Met dit initiatief wordt niet beoogd meer dieren te gaan houden. Dat betekent dat die zorg onterecht is.

Daarnaast zal door het gekozen stalsysteem en een herschikking van emissiepunten de uitstoot van fijnstof en geur afnemen ten opzichte van de huidige situatie. Met het landschappelijk inpassingsplan is zoveel mogelijk rekening gehouden met de omgeving waardoor het uitzicht op het bedrijf niet significant slechter wordt. In de nadere uitwerking van het plan is zo veel mogelijk rekening gehouden met de belangen van omwonenden. Het landschappelijk inpassingsplan bevat aanvullende maatregelen die bovenop de

44 

landschappelijke inpassing van het initiatief genomen kunnen worden. Dit is aanvullend op een goede landschappelijke inpassing. Aan een aantal wensen vanuit de omgeving is reeds tegemoetgekomen:  De goot- en nokhoogte zijn verlaagd;  Het houden van rundvee is uit het plan gehaald;  Er komt een betonnen wand om de ventilatoren heen om zoveel mogelijk geluid te dempen;  De landschappelijk inpassing wordt gerealiseerd. Hiermee is tegemoet gekomen aan de omwonenden. De omwonenden zijn hierover met de e-mail van 27 december 2023 geïnformeerd. Het is aannemelijk dat het initiatief maatschappelijk uitvoerbaar is. Omwonenden zijn uitgenodigd om langs te komen wanneer zij vragen of zorgen hebben over het initiatief. De initiatiefnemer gaat dan opnieuw graag het gesprek met hen aan. Mochten er omwonenden van oordeel zijn dat zij desondanks toch onevenredig in hun belangen geschaad worden, dan is er voor hen de mogelijkheid om een zienswijze in te dienen naar aanleiding van de inzage van de ontwerp beschikking en verklaring van geen bedenkingen. Als zij van oordeel zijn dat met de uiteindelijke omgevingsvergunning onvoldoende rekening is gehouden met hun belangen dan kunnen zij, als zij een zienswijze hebben ingediend, beroep aantekenen tegen de beslissing op de aanvraag bij de Rechtbank Noord-Nederland.

Na een eventuele uitspraak van de rechtbank staat er een mogelijkheid open om hoger beroep aan te tekenen bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.

 45

CONCLUSIE In deze ruimtelijke onderbouwing is beoordeeld of de uitbreiding van een stal en de nieuwbouw van een stal niet in strijd is met het beginsel van een goede ruimtelijke ordening. Onze conclusie is dat de aanvraag niet in strijd is met het provinciale beleid en past binnen de omgevingsvisie voor dit gebied van de gemeente Ooststellingwerf en provincie Friesland. De omgeving is betrokken middels een omgevingsdialoog. Het planvoornemen voorziet in een duurzamere bedrijfsvoering, met meer aandacht voor dierenwelzijn en milieusituatie. Het planvoornemen maakt een verbetering van het woon- en leefklimaat mogelijk op het gebied van geur, fijnstof, geluidshinder en ammoniak. Het bevoegd gezag wil deze gewenste bedrijfsontwikkeling stimuleren en hierdoor bijdragen aan de verbetering van het woon- en leefklimaat van de omwonenden. De initiatiefnemer wenst duurzamer te gaan produceren, door de vleeskuikens op het bedrijf meer leefruimte te geven; een maatschappelijk gewenste ontwikkeling. Daartoe wil het bedrijf – in het kader van dierenwelzijn – de bestaande stal (A) uitbreiden en voorzien van een overdekte uitloop. Ook wil de initiatiefnemer een nieuwe stal (C/E) bouwen die is voorzien van een overdekte uitloop. Met dit plan is rekening gehouden met het aanwezige bebouwingspatroon en de landschappelijke kenmerken. Hierdoor blijft de ruimtelijke impact beperkt.

Onderdeel van de verduurzaming is ook dat er overdekte uitlopen aan het bestaande deel van stal (A) wordt gebouwd en ook aan de stallen B en D komen overdekte uitlopen. Deze overdekte uitlopen mogen zonder omgevingsvergunning gebouwd worden en zijn daarom geen onderdeel van dit initiatief. De beoogde ontwikkeling is niet geheel mogelijk binnen het huidige bouwvlak. In artikel 2.12, lid 1, sub a, onder 3 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) is bepaald dat voor het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan een omgevingsvergunning kan worden verleend, indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Dit is aangetoond in onderhavige ruimtelijke onderbouwing. Naast de stedenbouwkundige en landschappelijke toets en het ruimtelijk-planologische beleid zijn alle ruimtelijke en milieuhygiënische deelaspecten onderzocht. In deze ruimtelijke onderbouwing is nadrukkelijk gemotiveerd dat de gewenste uitbreiding zich verhoudt, zowel in negatieve als positieve zin, tot de aanwezige functies en waarden binnen het besluitgebied en in de directe omgeving ervan. Dit leidt tot de conclusie dat het initiatief ruimtelijk aanvaardbaar is.

46 

BIJLAGENBUNDEL

 47

BIJLAGE 1 MILIEUTEKENING GEWENSTE SITUATIE

48 

RENVOOI ALGEMEEN Staldoorsneden zijn genomen op de plaats en in de richting van de stalletter

GEVELOPENINGEN

6250+ steunventilator

7000+ ep

7309+ windbreekgaas windzeil, vanaf boven iets open

C

A

2500+

isolatie

4000 ep oplierbare wand, 1 meter hoog

doorloop openingen

34.600 VLEESKUIKENS

B

3500+

3500+

3500+ ep

D

isolatie isolatie

overdekte uitloop

verwarmingsbuizen

doorloop openingen

34.700 VLEESKUIKENS RAV E 5.11

RAV E 5.11 + RAV E 7.18

4770+

isolatie

overdekte uitloop

2000

2750+

3500+ ep

2000

E

3150+

isolatie

4000 ep

3500+ ep

4990+

4000 ep

verwarmingsbuizen

metselwerk buitenwand

2500+

verwarmingsbuizen

doorloop openingen

31.100 VLEESKUIKENS RAV E 5.11

MATERIALEN metselwerk spouwmuur

2500+ windbreekgaas windzeil, vanaf boven iets open

1200

isolatie

raamopening

1000

6212+

windbreekgaas windzeil, vanaf boven iets open

5000 ep

1200

4974+

windbreekgaas windzeil, vanaf boven iets open

windbreekgaas windzeil, vanaf boven iets open 3600

6250+

7000+ ep

3600

7708+

deuropening

900

verwarmingsbuizen

stal

overdekte uitloop

30.500 VLEESKUIKENS RAV E 5.11

metselwerk binnenwand prefab gevelelement (200 mm) prefab gevelelement (140 mm) stalen profielplaat gewapend beton prefab beton

doorloop openingen

sandwichpaneel

principe detail uitloop stal C 1:100

kunststof

LEIDINGEN 34.700 VLEESKUIKENS RAV E 5.11 spoelwaterafvoer met schrobputje

VLOERARCERINGEN onderkelderd

VENTILATOREN

1300

100400

ventilator verticale luchtstroom

28

30,35 kW

ventilator horizontale luchtstroom

24

23,92 kW

1

5 kW

4200

ELEKTROMOTOREN verwarmingsbuizen 1

1

waterlijn

hogedrukreiniger waarin aangegeven het vermogen

HD

4400

80 kW

hygiënesluis voerlijn

waterpomp waarin aangegeven het vermogen

3

6 kW

aandrijving voerlijn

22

22 kW

vijzel

14

10,5 kW

handgereedschap waarin aangegeven het vermogen

1

5 kW

noodaggregaat (nsa) waarin aangegeven vermogen

2

95 kW

loader waarin aangegeven het vermogen

1

60 kW

c.v. ketel waarin aangegeven het vermogen

3

720 kW

heteluchtkanon/gasheater

8

560 kW

AG 30 kW ø940 0,75

voerlijn

VERBRANDINGSMOTOREN

voerlijn

D

ø940 0,75

AG

20400

ø940 0,75

ø1300 1,12 ø1300 1,12

afdak

waterlijn

ø1300 1,12 ø1300 1,12

stuwbak uitstroomopening 14.3 m²

11000

20400

ø1300 1,12

ø1300 1,12

waterlijn

waterlijn

voerlijn

VERWARMING

ø940 0,75

voerlijn

3

waterlijn

1 verwarmingsbuizen

32 warmtewisselaar

32

30m³

TANKS - VATEN - OPSLAG - SILO'S rk

reinigings- ontsmettingsmiddelenkast

1

50 L

kk

kadaverkoeling

1

0,5 kW

veevoedersilo waarin aangegeven tonnage

11

282 ton

graansilo aangegeven inhoud in m³

3

78 m³

handbrandblusser

9

90 kg

1

aandrijving inlaat ventielen

16

8 kW

2

pomp nevelinstallatie

4

6 kW

3

voerweger

6

1,5 kW

4

steunventilator

6

57,5 kW

gebouw bestaand

5

warmtewisselaar

4

30 kW

gebouw nieuw

6

vriescel

1

1 kW

32

5 3

7000

7000

1 2

86880

ø800 0,95

hygiënesluis

2

voerlijn

P12

waterlijn

250

ø1300 1,12

ø1300 1,12

waterlijn

overdekte uitloop stal D

BRANDVEILIGHEID

608 m²

SITUATIE 1

verwarmingsbuizen 1

80 kW

waterlijn

kadastrale gemeente:

Oldeberkoop

sectie:

D

307

schaal:

1 : 2000

nr:

DIVERSEN

voerlijn

ø940 0,75

waterlijn

bedrijfswoning voerlijn

ø940 0,75

TOTALEN

22000

omliggende bebouwing

B

ø940 0,75

ø1300 1,12

ha

voerlijn

ø1300 1,12

ø1300 1,12

1,398

waterlijn

te slopen gebouwen

152,27 kW

grens van de inrichting

Elektromotorisch vermogen

erfverharding

Verbrandingsmotorisch vermogen

voerlijn

210 kW

waterlijn

ø940 0,75

ø1300 1,12

ø1300 1,12

ø1300 1,12

stuwbak uitstroomopening 14.3 m²

11000

22000

perceel bouwvlak vastgesteld 2016-03-22

ø1300 1,12

ø1300 1,12

waterlijn

voerlijn waterlijn

1300

hygiënesluis

80 kW

1 verwarmingsbuizen

3

1 2

32

30m³

32

8500

5 7500

overdekte uitloop stal B 16485

w.c.

9100

7500

7500

gang / voerruimte

14

ijk

14

nd

14

spoelwater opvangput 60 m³

be

5000

4

Ab

22215

overdekte uitloop stal A

6

keuken/kantine

66260

AG 65 kW

17255

rk

warmtewisselaar

7500

ø800 0,95

270

2 waterlijn

P12

voerlijn

douche

woonhuis P12

3

40 kW

1

waterlijn

40 kW

1

computerruimte 2

ø920 1,10

ø920 1,10

ø920 1,10

ø920 1,10

ø920 1,10

ø920 1,10

ø920 1,10

ø920 1,10

ø920 1,10

ø920 1,10

ø920 1,10

9 waterlijn

waterlijn

A

voerlijn

B

16800

stofkap

6

15120

2

voerlijn

D

19400

kk

ø920 1,10

5

voerlijn

E

waterlijn

A

waterlijn

C

voerlijn

waterlijn

1

40 kW

1

109960 5

1,10 ø920

warmtewisselaar

5

18m³

32

ø800 0,95

warmtewisselaar

1,10 ø920

16 3

5000

19185

5815

1

5000

5000

32

9 S

1

3

3000 5000

5000

4000

1000

overdekte uitloop

100kW

9 S

waterlijn

ø920 1,10

bedieningsruimte

voerlijn 200

ø920 1,10 ø920 1,10

opslag

2

waterlijn ø920 1,10

ø920 1,10

voerlijn

ø920 1,10

ø920 1,10

4

4

4

waterlijn

60 kW voerlijn

toilet

werktuigenberging / loods

3

19000

4

hygienesluis S 9

4

E

ø920 1,10 ø920 1,10

loader dwa naar riool

C

ø920 1,10

19600

TEKENING NIET GESCHIKT VOOR UITVOERING

4000 PROJECT waterlijn

Aanvraag omgevingsvergunning milieu voor het bedrijf aan de Abbendijk 2 8422 DL te Nijeberkoop

voerlijn

waterlijn 100kW

S 9

S 9

1

S 9

1

4000

109985

5000

19185

5815

GETEKEND :

MK

FORMAAT:

Plattegrond, doorsneden en situatieschets

opvangput 50 m³ spoelwater

JB

SCHAAL:

ONDERWERP

5

ADVISEUR :

CONTROLE :

berging / bedieningsruimte

HD 5 kW

9970

25000

ø920 1,10

2

1 : 200 841 x 1100

DATUM :

21 november 2022 RiH

OPDRACHTGEVER

WIJZ. A :

31 maart 2023 RiH

Initiatiefnemer

WIJZ. B :

Abbendijk 2

WIJZ. C :

8422 DL Nijeberkoop

WIJZ. D :

PROJECTNR.

003394-13 TEKENINGNR.

Mv-23

WIJZ. E :

Postbus 396 6710 BJ Ede

Tel. 0318 - 675 400

E. info@agra-matic.nl 20230331_003394-13_FP_de_Walden_Mv-23.vwx

© 2023 alle rechten voorbehouden

BIJLAGE 2 DIERTABEL

 49

Diertabel Datum :

19-4-2023

Naam aanvrager

FP de Wâlden

Adres

Abbendijk 2

Postcode en plaats

8422 DL Nijeberkoop

Tel.

: 0318-675400

E-mail

: info@agra-matic.nl

Adres bedrijf

Abbendijk 2

Adviseur

: KB

Postcode en plaats

8422 DL Nijeberkoop

Specialist

: LV

VERGUND

Wnb

Fijn stofemissie PM10

Toetsing Beh fijn stof PM10

Versie

Aantal

Ammoniakemissie Kg NH3

kg NH3

Kolomindeling

Kg NH3

Kg NH3

Geuremissie-

Geuremissie

reductie%

Fijnstof PM2,5

Fijnstof PM2,5

Fijnstof PM2,5

Fijnstof PM10

Fijnstof PM10

Fijnstof PM10

Fijnstof PM10

nummer

dieren

p.pl.p.j.

totaal

keuze A/B/C

Besl Hv

Besl Hv

factor/dier

totaal in OU/s

tbv pluimvee**

in gr/dier/jr

totaal in gr/jr

totaal in gr/s

in gr/dier/jr

totaal in gr/jr

in gr/dier/jr

totaal in gr/jr

9-11-2012 RAV

Fijnstof

Fijn stofemissie PM2,5 *

Stal

code

Vleeskuikens

A

E 5.11

stal met luchtmengsysteem icm warmtewisselaar

BWL 2010.13.

38000

0,021

798,00

A

0,045

1710,00

0,33

12540,00

0%

1,6

60.800

0,00193

22

836.000

22

836.000

Vleeskuikens

B

E 5.11

stal met luchtmengsysteem icm warmtewisselaar

BWL 2010.13.

44900

0,021

942,90

A

0,045

2020,50

0,33

14817,00

0%

1,6

71.840

0,00228

22

987.800

22

987.800

Vleeskuikens

C

E 5.100

overige huisvestingssystemen

traditioneel

5000

0,068

340,00

A

0,045

225,00

0,33

1650,00

0%

1,6

8.000

0,00025

22

110.000

22

110.000

Vleeskuikens

D

E 5.11

stal met luchtmengsysteem icm warmtewisselaar

BWL 2010.13.

43000

0,021

903,00

A

0,045

1935,00

0,33

14190,00

0%

1,6

68.800

0,00218

22

946.000

22

946.000

-

-

0

0,00

0

0,00

0

0,00

0%

0,0

0

0,00000

0

0

0

43197,00

0%

209440

0,00664

-

BWL/GL-nummer

Geuremissie

Diercategorie

-

Huisvestingssysteem

Toetsing Beh ammoniak

TOTAAL

2983,90

5890,50

* Op basis van het Wur Rapport 496: Emissiefactoren methaan, lachgas en PM2,5 voor stalsystemen, inclusief toelichting

voldoet aan Beh NH3

Wabo

Ammoniakemissie

Fijn stofemissie PM10

Toetsing Beh fijn stof PM10

Aantal

Kg NH3

kg NH3

Kolomindeling

Kg NH3

Kg NH3

Geuremissie-

Geuremissie

Fijnstof reductie%

Fijn stofemissie PM2,5 * Fijnstof PM2,5

Fijnstof PM2,5

Fijnstof PM2,5

Fijnstof PM10

Fijnstof PM10

Fijnstof PM10

Fijnstof PM10

nummer

dieren

p.pl.p.j.

totaal

keuze A/B/C

Besl Hv

Besl Hv

factor/dier

totaal in OU/s

tbv pluimvee**

in gr/dier/jr

totaal in gr/jr

totaal in gr/s

in gr/dier/jr

totaal in gr/jr

in gr/dier/jr

totaal in gr/jr

Stal

code

Vleeskuikens

A

E 5.11

stal met luchtmengsysteem icm warmtewisselaar

BWL 2010.13.

V3

38000

0,021

798,00

A

0,045

1710,00

0,33

12540,00

0%

1,6

60.800

0,00193

22

836.000

22

836.000

Vleeskuikens

B

E 5.11

stal met luchtmengsysteem icm warmtewisselaar

BWL 2010.13.

V3

44900

0,021

942,90

A

0,045

2020,50

0,33

14817,00

0%

1,6

71.840

0,00228

22

987.800

22

987.800

Vleeskuikens

C

E 5.100

overige huisvestingssystemen

traditioneel

5000

0,068

340,00

A

0,045

225,00

0,33

1650,00

0%

1,6

8.000

0,00025

22

110.000

22

110.000

Vleeskuikens

D

E 5.11

stal met luchtmengsysteem icm warmtewisselaar

BWL 2010.13.

43000

0,021

903,00

A

0,045

1935,00

0,33

14190,00

0%

1,6

68.800

0,00218

22

946.000

22

946.000

-

-

0

0,00

0

0,00

0

0,00

0%

0,0

0

0,00000

0

0

0

43197,00

0%

209440

0,00664

-

BWL/GL-nummer

Geuremissie

#VERW!

Diercategorie

-

Huisvestingssysteem

Toetsing Beh ammoniak

#VERW!

Versie nr

29-10-2013 RAV

2.879.800 voldoet aan Beh PM10

** Bij meerdere nageschakelde technieken is het reductiepercentage berekend middels Veecombistof. Het berekende reductiepercentage is weergegeven bij de eerste nageschakelde techniek van de betreffende stal VERGUND

0

2.879.800

V3

TOTAAL

2983,90

5890,50

* Op basis van het Wur Rapport 496: Emissiefactoren methaan, lachgas en PM2,5 voor stalsystemen, inclusief toelichting

voldoet aan Beh NH3

** Bij meerdere nageschakelde technieken is het reductiepercentage berekend middels Veecombistof. Het berekende reductiepercentage is weergegeven bij de eerste nageschakelde techniek van de betreffende stal BEOOGD

Wabo

Ammoniakemissie

Huisvestingssysteem

BWL/GL-nummer

Toetsing Beh ammoniak

Geuremissie

Fijnstof

Fijn stofemissie PM2,5 *

2.879.800

#VERW!

voldoet aan Beh PM10

#VERW!

#VERW!

Fijn stofemissie PM10

Toetsing Beh fijn stof PM10

Versie nr

Aantal

Kg NH3

kg NH3

Kolomindeling

Kg NH3

Kg NH3

Geuremissie-

Geuremissie

reductie%

Fijnstof PM2,5

Fijnstof PM2,5

Fijnstof PM2,5

Fijnstof PM10

Fijnstof PM10

Fijnstof PM10

Fijnstof PM10

nummer

dieren

p.pl.p.j.

totaal

keuze A/B/C

Besl Hv

Besl Hv

factor/dier

totaal in OU/s

tbv pluimvee**

in gr/dier/jr

totaal in gr/jr

totaal in gr/s

in gr/dier/jr

totaal in gr/jr

in gr/dier/jr

totaal in gr/jr

2022 RAV

0

2.879.800

Diercategorie

Stal

code

Vleeskuikens

A

E 5.11

stal met luchtmengsysteem icm warmtewisselaar

BWL 2010.13.

V7

34700

0,021

728,70

A

0,045

1561,50

0,33

11451,00

0%

1,6

55.520

0,00176

22

763.400

22

763.400

Vleeskuikens

B

E 5.11

stal met luchtmengsysteem icm warmtewisselaar

BWL 2010.13.

V7

31100

0,021

653,10

A

0,045

1399,50

0,33

10263,00

0%

1,6

49.760

0,00158

22

684.200

22

684.200

Vleeskuikens

C

E 5.11

stal met luchtmengsysteem icm warmtewisselaar

BWL 2010.13.

V7

34600

0,021

726,60

C

0,024

830,40

0,33

11418,00

0%

1,6

55.360

0,00176

22

761.200

16

553.600

Nageschakelde techniek

C

E 7.18

warmtewisselaar; 1 - 95% fijnstofemissiereductie

BWL 2021.01

34600

0

0,00

C

0

0,00

0

0,00

31%

0,0

-17.162

-0,00054

0

-235.972

0

0

Vleeskuikens

D

E 5.11

stal met luchtmengsysteem icm warmtewisselaar

BWL 2010.13.

30500

0,021

640,50

A

0,045

1372,50

0,33

10065,00

0%

1,6

48.800

0,00155

22

671.000

22

671.000

V7

-

-

-

-

0

0,00

-

0

0,00

0

0,00

0%

0,0

0

0,00000

0

0

0

0

-

-

-

-

0

0,00

-

0

0,00

0

0,00

0%

0,0

0

0,00000

0

0

0

0

-

-

-

-

0

0,00

0

0,00

0

0,00

0%

0,0

0

0,00000

0

0

0

43197,00

0%

192278

0,00610

TOTAAL

2748,90

* Op basis van het Wur Rapport 496: Emissiefactoren methaan, lachgas en PM2,5 voor stalsystemen, inclusief toelichting

5163,90

2.643.828

voldoet aan Beh NH3

** Bij meerdere nageschakelde technieken is het reductiepercentage berekend middels Veecombistof. Het berekende reductiepercentage is weergegeven bij de eerste nageschakelde techniek van de betreffende stal

voldoet aan Beh PM10 #VERW!

0 2.672.200

#VERW!

BIJLAGE 3 MER-BEOORDELINGSNOTITIE

50 

MERbeoordelingsnotitie

Abbendijk 2 Nijeberkoop

MER-beoordelingsnotitie Abbendijk 2 Nijeberkoop

Locatie

Abbendijk 2 8422 DL Nijeberkoop

Agra-Matic B.V. Postbus 396 6710 BJ Ede

Datum: 19 april 2023 Status: Wijziging

MER-beoordelingsnotitie Abbendijk 2

INHOUD Inleiding ..................................................................................................................................... 1

Kenmerken van de activiteit ...................................................................................................... 2 Aanleiding ....................................................................................................................... 2 Situering .......................................................................................................................... 2 Bedrijfsvoering ................................................................................................................ 3 Beschrijving veranderingen ............................................................................................ 4 Cumulatie ........................................................................................................................ 4 Beschrijving milieutechnische kenmerken ...................................................................... 4 2.6.1

Gebruik natuurlijke hulpbronnen .................................................................................... 4

2.6.2

Productie afvalstoffen .................................................................................................... 5

2.6.3

Verontreiniging en hinder............................................................................................... 5

2.6.4

Ongevallenrisico’s .......................................................................................................... 5

Omgeving .................................................................................................................................. 6 Bestaand grondgebruik ................................................................................................... 6 Aanwezige natuurwaarden ............................................................................................. 6 3.2.1

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Ooststellingwerf&id=22479cb7-d7dd-4981-86f4-8491be0aaf8e