Bijlage 2. Ruimtelijke Onderbouwing Abbendijk 2 Nijberkoop
Tekst van het document
Ruimtelijke onderbouwing
Abbendijk 2 Nijeberkoop
Ruimtelijke onderbouwing Abbendijk 2, Nijeberkoop
aanvrager
FP de Wâlden Abbendijk 2 8422 DL Nijeberkoop
Agra-Matic B.V.
Postbus 396 6710 BJ Ede
Datum: 8 oktober 2025 Status: DEFINITIEF 2.0
Ruimtelijke onderbouwing Abbendijk 2 Nijeberkoop
INHOUD Inleiding ..................................................................................................................................... 1 Aanleiding ....................................................................................................................... 1 Besluitgebied .................................................................................................................. 1 Leeswijzer ....................................................................................................................... 4
Plan beschrijving ....................................................................................................................... 5 Huidige situatie ............................................................................................................... 5 Gewenste situatie ........................................................................................................... 6
Beleidskader ............................................................................................................................. 9 Nationaal beleid .............................................................................................................. 9 Provinciaal beleid ............................................................................................................ 9 Gemeentelijk planologisch beleid ................................................................................. 12
Omgevingsaspecten ...............................................................................................................21 Milieueffect Rapportage (M.e.r) .................................................................................... 21 Archeologie ................................................................................................................... 22 Bodem........................................................................................................................... 25 Cultuurhistorie ............................................................................................................... 26 Verkeer en parkeren ..................................................................................................... 27 Ecologie ........................................................................................................................ 27 Waterparagraaf ............................................................................................................. 32 Luchtkwaliteit ................................................................................................................ 37 Geur ..............................................................................................................................
38 Geluid............................................................................................................................ 39 Externe veiligheid ......................................................................................................... 40 Dier- en volksGezondheid ............................................................................................ 41 Duurzaamheid .............................................................................................................. 43
Uitvoerbaarheid .......................................................................................................................44 Economische uitvoerbaarheid ...................................................................................... 44 Maatschappelijke uitvoerbaarheid ................................................................................ 44
Conclusie ................................................................................................................................46
Bijlagenbundel ...................................................................................................................................47
Bijlage 1 milieutekening Gewenste situatie .......................................................................................48
Bijlage 2 diertabel ..............................................................................................................................49
Bijlage 3 mer-beoordelingsnotitie ......................................................................................................50
Bijlage 4 Advies Hûs en Hiem ...........................................................................................................51
Bijlage 5 landschappelijk inpassingsplan ..........................................................................................52
Bijlage 6 watertoets ...........................................................................................................................53
Bijlage 7 Memo toets bbl aanbouw stal A .........................................................................................54
Bijlage 8 Verslagen omgevingsdialoog .............................................................................................55
INLEIDING AANLEIDING FP de Wâlden (hierna: ook aangeduid als ‘initiatiefnemer’) exploiteert aan de Abbendijk 2 in Nijeberkoop een pluimveebedrijf waar vleeskuikens worden gehouden. Als gevolg van ontwikkelingen in de maatschappij en markt heeft de initiatiefnemer besloten te gaan werken volgens het ‘Beter Leven 1 ster’-concept van de Dierenbescherming. De grote retailers in Nederland gaan vanaf 1 januari 2023 alleen nog pluimveevlees als versproduct verkopen dat volgens het ‘Beter Leven 1 ster’-concept is geproduceerd. Om te kunnen voldoen aan de eisen die gesteld worden om in aanmerking te komen voor het ‘Beter Leven 1-ster Keurmerk’ is de initiatiefnemer voornemens om aan de bestaande stallen (A, B en D) overdekte uitlopen realiseren. Daarnaast wordt stal A verlengd. Dit is toegestaan binnen de bouwregels van het vigerende bestemmingsplan. Stal C zal worden gesloopt en worden vervangen door nieuwbouw. Met dit plan krijgen de dieren meer leefruimte tot hun beschikking. Daarnaast krijgen ze de beschikking over daglicht en buitenlucht. Deze stal komt deels buiten het bouwvlak en is daardoor in strijd met de bouwregels uit het vigerende bestemmingsplan. Deze onderbouwing ziet op het initiatief voor de sloop en nieuwbouw van stal C/E. Op 6 oktober 2022 heeft een gesprek plaatsgevonden met de gemeente over het initiatief.
Tijdens dit overleg is geconstateerd dat de voorgestelde plannen de meest logische oplossing zijn voor de voorgenomen bedrijfsontwikkeling. Daarbij is door de gemeente de kanttekening gemaakt dat de gemeente nog niet instemt met de hoofdopzet. Daartoe moet het plan eerst nader uitgewerkt en onderbouwd worden. Onderhavig document dient ter onderbouwing van het plan. Daarnaast adviseert de gemeente om een omgevingsdialoog te voeren. De uitkomsten hiervan zijn verwerkt in deze onderbouwing. Deze planontwikkeling kan niet gerealiseerd worden binnen het bestaand bebouwd gebied (bouwvlak). Deze ruimtelijke procedure, in de vorm van een buitenplanse omgevingsvergunning op basis van artikel 2.12 lid 1 onder a sub 3 Wabo, voorziet in het afwijken van het bestemmingsplan. In deze ruimtelijke onderbouwing worden alle ruimtelijke aspecten beschouwd op basis waarvan het bevoegde gezag, in dit geval het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Ooststellingwerf, een besluit kan nemen. Tevens is deze ruimtelijke onderbouwing bedoeld voor omwonenden en andere belanghebbenden om kennis te nemen van de ruimtelijke aspecten van het plan. Voor de milieu aspecten zal aangesloten worden bij de informatie in de los opgestelde merbeoordelingsnotitie.
BESLUITGEBIED Het besluitgebied is gelegen aan de Abbendijk 2 in Nijeberkoop ten zuidwesten van de kern Makkinga in het buitengebied van de gemeente Ooststellingwerf in de provincie Friesland. In de volgende figuur is de locatie van het plangebied aangegeven.
1
Figuur 1-1 Topografische kaart. Rode pijl is het besluitgebied (Bron: Ruimtelijkeplannen)
Het besluitgebied staat kadastraal bekend onder gemeente Oldeberkoop, Sectie D nummer 367. Het plangebied is gelegen in het buitengebied op circa 5 kilometer van de provinciegrens met de provincie Drenthe. De luchtfoto in figuur 1-2 toont de ligging van het plangebied. Het grondgebruik is hoofdzakelijk grasland. Het besluitgebied is in gebruik als agrarisch erf en als agrarische gronden. Het besluitgebied wordt aan de voorzijde ontsloten via de Abbendijk.
Figuur 1-2 Luchtfoto omgeving. Besluitgebied aangeven met blauwe lijn (Bron: www.ruimtelijkeplannen.nl)
2
De volgende afbeeldingen geven het zicht op het besluitgebied vanuit verschillende richtingen weer. In figuur 1-3 is zicht op het besluitgebied kijkende in noordwestelijke richting en vervolgens is in figuur 1-4 zicht op het besluitgebied kijkende in zuidwestelijke richting en figuur 1-5 kijkende in zuidelijke richting. Figuur 1-6 geeft het zicht op het besluitgebied weer vanaf de Grindweg kijkend in zuidoostelijke richting. Uit deze figuren blijkt dat het besluitgebied in de huidige situatie goed landschappelijk is ingepast. Stallen zijn haaks op de weg gepositioneerd.
Figuur 1-3 Aanzicht huidige situatie bedrijf kijkend in noordwestelijke richting (bron: www.googlestreetview.nl)
Figuur 1-4 Aanzicht huidige situatie bedrijf kijkend in zuidwestelijke richting (bron: www.googlestreetview.nl)
Figuur 1-5 Aanzicht huidige situatie bedrijf kijkend in zuidelijke richting (bron: www.googlestreetview.nl)
3
Figuur 1-6 Aanzicht huidige www.googlestreetview.nl)
situatie
bedrijf
kijkend
in
zuidoostelijke
richting
vanaf
de
Grindweg
(bron:
LEESWIJZER De ruimtelijke onderbouwing bevat naast dit hoofdstuk, 5 andere hoofdstukken. Hoofdstuk 2 geeft een beschrijving van de huidige en de gewenste situatie. In hoofdstuk 3 komt het relevante beleid aan bod. Hoofdstuk 4 geeft een beschrijving van de relevante omgevingsaspecten en worden de uitgevoerde onderzoeken behandeld, dit hoofdstuk vormt de kern van de ruimtelijke onderbouwing. In hoofdstuk 5 komen de maatschappelijke en economische uitvoerbaarheid aan de orde, waaronder inspraak en de omgevingsdialoog. Hoofdstuk 6 bevat de conclusie ten aanzien van de vraag of er in het plan sprake is van een goede ruimtelijke ordening.
4
PLAN BESCHRIJVING HUIDIGE SITUATIE
In de bestaande situatie zijn op de locatie vier pluimveestallen aanwezig. Daarnaast zijn er een loods/opslag en een bedrijfswoning aanwezig. Aan één van de stallen (stal A) is een ruimte aangebouwd waarin zich een kantine, computerruimte en voerruimte bevindt. Verder zijn er voersilo’s aanwezig bij de stallen en is het terrein deels verhard ten behoeve van de toegang tot het bedrijf en manoeuvreerruimte. Binnen de inrichting worden vleeskuikens gehouden. Figuur 2-1 geeft de bestaande situatie weer.
Figuur 2-1 Uitsnede luchtfoto besluitgebied Abbendijk 2 in Nijeberkoop (Bron: www.ruimtelijkeplannen.nl)
De woning bestaat uit één bouwlaag die afgedekt is met een zadeldak. De ruimte direct naast en voor de woning is in gebruik als tuin. De stallen zijn langgerekte gebouwen, bestaande uit één bouwlaag met een kap. Aan de voorzijde van de bebouwing is verharding aanwezig. Het perceel wordt ontsloten door twee inritten aan de noordoostzijde van het erf. De werkzaamheden op het bedrijf bestaan uit het voederen en verzorgen van de dieren, het reinigen van de stallen en het bijhouden van de administratie. De verzorging wordt gedaan door de ondernemer zelf. Tijdens piekmomenten huurt de initiatiefnemer personeel in.
5
GEWENSTE SITUATIE De initiatiefnemer wil voor de Nederlandse markt blijven produceren. Daarom wil de initiatiefnemer het bedrijf verduurzamen en investeren in dierenwelzijn en daarmee volgens het ‘beter leven één ster’ keurmerk van de dierenbescherming te gaan produceren. Daartoe worden de stallen A, B en D voorzien van een overdekte uitloop en stal A wordt verlengd. Daarnaast is de initiatiefnemer voornemens om stal C en de loods/opslag te slopen en daarvoor in de plaats een nieuwe stal te bouwen. Deze stal zal grotendeels in gebruik worden genomen voor het houden van vleeskuikens volgens het ‘beter leven één ster’ keurmerk van de dierenbescherming. Het voorste deel van deze stal zal deels worden ingericht als opslag, hygiënesluis en technische ruimte. Ook komt hier ruimte om een shovel te stallen. De initiatiefnemer wil dus extra investeren in dierenwelzijn en verduurzaming van de bedrijfsvoering, zonder toename van het aantal vleeskuikens (maximaal 130.900 stuks). Het voornemen is om stal C en de loods/opslag te vervangen door een nieuwe stal C/E. Figuur 2-2 geeft de beoogde nieuwe situatie weer. De milieutekening van de nieuwe beoogde situatie is als bijlage bijgevoegd. Deze ruimtelijke onderbouwing ziet op de verlening van stal A en de bouw van stal C en E.
Figuur 2-2 Gewenste indeling plangebied, met de nieuw te bouwen stallen
6
Duurzaamheid en dierenwelzijn Zoals in de mer-beoordelingsnotie is beschreven heeft de bouw van de overdekte uitlopen en de nieuwe stal een aantal grote voordelen op het gebied van duurzaamheid en dierenwelzijn: ► Alle vleeskuikens op het bedrijf krijgen meer leefoppervlakte. In de bestaande situatie worden gemiddeld 20,6 vleeskuikens per vierkante meter gehouden. In de gewenste situatie worden gemiddeld 12 kuikens per vierkante meter gehouden. Met de bouw van de drie overdekte uitlopen en de nieuwe stal wordt het stalvloeroppervlak vergroot van 6.709m2 naar 10.860m2. Het leefoppervlak van de kuikens wordt hiermee met 62% vergroot doordat ook in de bestaande stallen de dierbezetting per m2 omlaag gaat. ► De initiatiefnemer gaat langzaam groeiende rassen houden waarmee de dieren een langere groeiperiode hebben. Omdat het aantal dierplaatsen op het bedrijf gelijk blijft en de dieren langer op het bedrijf blijven, worden er op jaarbasis minder dieren gehouden. ► De gewijzigde bedrijfsvoering leidt tot een verlaging van de bedrijfsemissie van ammoniak, fijnstof en geur. Stedenbouwkundige opzet en landschappelijke inpassing De uitbreiding van de bestaande stallen en het oprichten van een nieuwe stal is noodzakelijk om te kunnen voldoen aan het ‘beter leven één ster’ bij een gelijk aantal te houden dieren. De overdekte uitlopen worden aan de bestaande stallen gebouwd.
De uitbreiding van stal A vindt plaats in het verlengde van de bestaande stal. Daarmee wordt voortgeborduurd op de bestaande stedenbouwkundige structuur. De nieuw op te richten stal komt deels op de plek van bestaande bebouwing. Ook met deze stal wordt aangesloten op de bestaande stedenbouwkundige structuur. Deze stal wordt in dezelfde richting gebouwd naast de bestaande stallen. De bestaande landschappelijke inpassing zal (deels) voor deze stal moeten wijken. Er wordt voorzien in een nieuwe landschappelijke inpassing. Daartoe is een landschappelijk inpassingsplan gemaakt. Deze is als bijlage bijgevoegd. Het landschappelijk inpassingsplan maakt een analyse van de historische- en landschappelijke context van het plangebied. Dit vormt de basis voor het ontwerp van de landschappelijke inpassing. De bestaande beplanting wordt grotendeels behouden. Ten behoeve van de landschappelijke inpassing wordt nieuw groen aangeplant op het voorerf en op het zij-erf aan de zuidoostzijde van het plangebied. Op het voorerf worden hagen, hoogstamfruitbomen en een aantal solitaire bomen aangeplant. Op het zij-erf wordt een singel van bomen aangeplant met daaronder struikgewas. Ook komt hier de infiltratiesloot. In het landschappelijk inpassingsplan is het ontwerp en de aan te planten soorten nader gespecificeerd. Het initiatief wordt zowel stedenbouwkundig als landschappelijk goed ingepast.
Het inpassingsplan is door een deskundig adviseur opgesteld. Daarnaast is het plan in samenspraak met Hûs en Hiem ontworpen.
7
Figuur 2-3 Landschappelijke inpassing (Bron: Guido Paumen Tuin & Landschapsarchitect)
8
BELEIDSKADER Het plan moet in overeenstemming zijn en getoetst worden aan het rijks-, provinciaal en gemeentelijk beleid. Deze toetsing vindt plaats in dit hoofdstuk. NATIONAAL BELEID Het rijksbeleid dat van toepassing is op de oprichting van de stallen is door provincie en gemeente verder uitgewerkt in provinciaal en gemeentelijk beleid. Het rijksbeleid is daarom niet verder uitgewerkt. PROVINCIAAL BELEID 3.2.1
Omgevingsvisie Fryslân – De romte diele
Provinciale Staten van de provincie Friesland hebben op 23 september 2020 de “Omgevingsvisie Fryslân – De romte diele” vastgesteld. De Omgevingsvisie bevat de integrale lange termijnvisie van de provincie op de fysieke leefomgeving. De provincie ziet de diversiteit aan agrarische bedrijven als kracht. Verschillende bedrijven kunnen kennis en ervaring uitwisselen. Bedrijven maken eigen keuzes ten aanzien van hun bedrijfsvoering. Dit kan schaalvergroting zijn, maar ook schaalverkleining, biologisch, extensivering, verbreding en verdieping. De omgevingskwaliteiten in een gebied bepalen mede de agrarische ontwikkelingsmogelijkheden. Dit kan per locatie verschillend zijn. De provincie stimuleert de landbouwsector om de omslag te maken naar een duurzame, natuurinclusieve en grondgebonden kringlooplandbouw. Een duurzame landbouw is één van de pijlers van een vitaal en aantrekkelijk platteland. Het ontwikkelen van nieuwe, houdbare verdienmodellen voor de landbouw is essentieel. In 2025 moet de Friese landbouw duurzaam en circulair zijn, zowel ecologisch als economisch. Een vitale een duurzame landbouw is belangrijk vanwege de bijdrage die deze sector levert aan de sociaal-economische vitaliteit van het platteland. Extra inspanningen voor biodiversiteit, (leef)milieu of duurzaamheid worden gestimuleerd. Met dit initiatief wordt de bedrijfsvoering van het bedrijf geëxtensiveerd.
Hiermee verduurzaamd het bedrijf. Door te gaan produceren volgens het ‘Beter leven één ster’ keurmerk van de dierenbescherming kan het bedrijf voor de Nederlandse markt blijven produceren. Dit komt de economische duurzaamheid van het bedrijf ten goede. Hiermee wordt een houdbaar verdienmodel gerealiseerd voor de lange termijn. Met deze ontwikkeling wordt het bedrijf zowel ecologisch als economisch duurzamer. Het initiatief past dan ook binnen de uitgangspunten van de “Omgevingsvisie Fryslân – De romte diele”. 3.2.2
Grutsk op ‘e Romte
Op 1 april 2014 is Grutsk op 'e Romte vastgesteld door Provinciale Staten van Friesland als structuurvisie. Het is een thematische structuurvisie (over landschappelijke en cultuurhistorische structuren van provinciaal belang) en een kader dat gebruikt wordt bij ruimtelijke afwegingen van de
9
provincie. Het doel van de provincie met deze visie is het in stand houden en verder ontwikkelen van de belangrijke landschappelijke kwaliteiten en waarden in de provincie. Het plangebied maakt deel uit van het deelgebied ‘Zuidelijk Wouden’ van de structuurvisie. De visie beschrijft voor dit gebied de belangrijkste landschappelijke en cultuurhistorische structuren. Het besluitgebied ligt tussen de beekdalen van de Tjonger en de Lende. Provinciale belangen die hier relevant zijn: ► De langgerechte, lintvormige structuren van vaarten en wegen met en zonder bebouwing met haaks hierop de planmatig aangelegde verkaveling in de hoogveenontginningen (4); ► de robuuste groenstructuur van singels, houtwallen, grotere en kleinere boscomplexen, boombeplanting langs wegen en de hoge dichtheid aan groene tuinen en erfafscheidingen (7). Ten aanzien van deze provinciale belangen adviseert de provincie onder meer om het contract tussen het open landbouwgebied en de gesloten bospercelen te behouden en om de planmatige structuur van het landschap de te behouden (4). Daarnaast adviseert de provincie om houtwallen, singels, boscomplexen, boombeplanting langs wegen en groene erven, groene tuinen en groene erfafscheidingen te behouden en te versterken (7). Met dit initiatief worden geen wijzigingen aangebracht in de bestaande landschappelijke structuur.
De kenmerkende landschappelijke en cultuurhistorische structuren blijven behouden. Rondom het besluitgebied zijn singels aanwezig en ook langs de weg is boombeplanting aanwezig. De bestaande landschappelijke inpassing zal (deels) verwijderd moeten worden. Maar deze wordt vervangen door een nieuwe (groene) landschappelijke inpassing. Met dit initiatief wordt geen afbreuk gedaan aan de provinciale belangen ten aanzien van landschap en cultuurhistorie. De uitgangspunten die zijn beschreven in Grutsk op 'e Romte’ vormen geen belemmering voor het initiatief.
3.2.3
Omgevingsverordening Fryslân 2022
Op 1 januari 2024 is de Omgevingsverordening Fryslân (OvF) in werking getreden. De laatste wijziging is op 28 maart 2025 in werking getreden. Op grond van artikel 2.6 Omgevingswet stellen provinciale staten één omgevingsverordening vast waarin regels over de fysieke leefomgeving worden opgenomen. De OvF is gebaseerd op de beleidsdoelen en provinciale belangen die zijn geformuleerd in de Omgevingsvisie en de daarin beschreven nieuwe wijze van werken. Daarnaast vormen instructieregels van het Rijk een basis. Met de regels in de OvF wil de provincie vooraf duidelijkheid scheppen over de provinciale belangen waarmee de gemeente bij het opstellen van een omgevingsplan of het beoordelen van een aanvraag om omgevingsvergunning rekening moet houden. Buiten bestaand stedelijk gebied Het besluitgebied ligt in een gebied dat is aangewezen als ‘Buiten bestaand stedelijk gebied’. Een initiatief voor een ontwikkeling in dit gebied bevat een motivering waaruit blijkt dat rekening is gehouden met landschappelijke- en cultuurhistorische kernkwaliteiten zoals omschreven in Grutsk op ‘e Romte (art. 2.1 lid 2). Met het initiatief moeten de kernkwaliteiten worden behouden of versterkt. Onder 3.2.2 is omschreven hoe hier met dit initiatief rekening mee wordt gehouden.
10
Daarnaast moet het initiatief een onderbouwing bevatten waaruit blijkt hoe het plan de omgevingskwaliteiten benut als ontwerpbasis (art. 2.1 lid 3). Met het plan is voortgeborduurd op de bestaande bebouwingsstructuur binnen het besluitgebied. Daarnaast vormen de bestaande omgevingskwaliteiten de basis voor et landschappelijk inpassingsplan. Een initiatief moet worden voorzien van een onderbouwing waaruit blijkt dat aan het principe van zuinig- en meervoudig ruimtegebruik wordt voldaan (art. 2.3 lid 1). Hieruit moet blijken dat de functie voorziet in een behoefte. Ook moet worden onderbouwd dat het redelijkerwijs niet mogelijk is om gebruik te maken van het bestaande bouwperceel. De noodzaak van dit initiatief waarmee geïnvesteerd wordt in het dierenwelzijn binnen het bedrijf is met deze onderbouwing aangetoond. De uitbreiding van het staloppervlak vindt deel binnen en deels buiten het bestaande bebouwde gebied plaats. De uitbreiding van het bebouwde oppervlak biedt de mogelijkheid voor het plaatsen van zonnepanelen en daarmee voor meervoudig ruimtegebruik. Dit maakt echter geen onderdeel uit van het initiatief, maar het behoort tot de mogelijkheden.
Een initiatief dat voorziet in de uitbreiding van bestaande functies buiten het bestaand stedelijk gebied, bevat voor die functies een onderbouwing van de wijze waarop nieuwe ontwikkelingsmogelijkheden in het plan bijdragen aan één of meerdere opgaven voor de leefomgeving, zoals energietransitie, klimaatadaptatie, circulaire economie, werkgelegenheid of het versterken van de biodiversiteit, door het maken van slimme combinaties en het benutten van koppelkansen (art. 2.4). Met dit initiatief wordt middel het graven van de infiltratiesloot bijgedragen aan de klimaatadaptatie. Hierdoor kan meer hemelwater worden opgevangen binnen het besluitgebied. Ook wordt bijgedragen aan een circulaire economie door te investeren in dierenwelzijn binnen het bedrijf. Door het bedrijf hiermee toekomstbestendig te maken wordt ook bijgedragen aan het behoud van werkgelegenheid. Met het landschappelijk inpassingsplan wordt bijgedragen aan de biodiversiteit binnen het besluitgebied. Landbouw Op grond van artikel 2.20 lid 1 onder c kan een bestaand niet-grondgebonden agrarisch bedrijf uitbreiden. Het initiatief betreft de uitbreiding van het stalvloeroppervlak van een niet grondgebonden agrarisch bedrijf. Het aantal dieren blijft gelijk. Het bouwperceel van een niet-grondgebonden agrarisch bedrijf mag maximaal 2ha omvatten (art. 2.20 lid 2 onder b). In de bestaande situatie omvat het bouwperceel ca.
1,5ha. In de beoogde situatie wordt dat dat ca. 1,7ha. Dat is ruim onder de maximale omvang van 2,0ha. Ontgronding Ten behoeve van de afvoer van hemelwater wordt een infiltratiesloot gegraven. Deze moet een capaciteit hebben van 120m3. Op grond van artikel 4.1 lid 1 sub c van de Omgevingsverordening Fryslân 2022 is geen ontgrondingsvergunning vereist voor deze activiteit. Conclusie Het initiatief voldoet aan de regels die de OvF stelt aan het ruimtelijke plan ten behoeve van de ontwikkeling en verduurzaming van het bedrijf aan de Abbendijk 2 in Nijeberkoop. De OvF vormt geen belemmering voor het initiatief.
11
GEMEENTELIJK PLANOLOGISCH BELEID 3.3.1
Omgevingsvisie Ooststellingwerf
In de Omgevingsvisie heeft de gemeente Ooststellingwerf haar visie beschreven op de leefomgeving. De Omgevingsvisie laat zien wat het toekomstbeeld is. Daarbij kijkt men circa 15 jaar vooruit. Er wordt onderscheid gemaakt tussen verschillende gebieden binnen de gemeente. Voor ieder gebied is een gebiedskompas uitgewerkt met voor ieder gebied een eigen koers voor de komen 5 tot 10 jaar. De gemeente Ooststellingwerf is een groene gemeente in het noorden van Nederland. Verduurzaming wordt heel belangrijk gevonden. Er is oog voor een duurzame en groene toekomst. De gemeente wil samen met haar inwoners werken aan een mooie, schone, veilige en gezonde leefomgeving. Om dit te bereiken gaat de gemeente uit van vier milieubeginselen: ► Het voorzorgsbeginsel; ► Het beginsel van preventief handelen; ► Het beginsel van bestrijding bij de bron; ► Het beginsel de vervuiler betaald. In de Omgevingsvisie worden verschillende onderdelen van milieukwaliteit genoemd. Dit zijn: geluid, geur, licht, trillingen, luchtkwaliteit, omgevingsveiligheid, bodem en ondergrond en water. In hoofdstuk 4 wordt aan de relevante onderdelen van milieukwaliteit aandacht besteed en onderbouwd dat deze aspecten geen belemmering vormen voor het initiatief. De gemeente Ooststellingwerf is heel divers.
Daarom is voor de Omgevingsvisie gekozen om de gemeente in vier deelgebieden te verdelen, namelijk: Het Friese Ooststellingwerf, Het Drentse Ooststellingwerf, Het westelijke Ooststellingwerf en Het hart van Ooststellingwerf. Het besluitgebied ligt in deelgebied ‘Het westelijke Ooststellingwerf’.
Figuur 3-3 Deelgebied ‘Het westelijke Ooststellingwerf’ (Bron: Omgevingsvisie Ooststellingwerf)
Belangrijke waarden die in dit deelgebied voorkomen zijn: ► De structuur van zandruggen met houtsingels en beekdalen daartussen; ► Variatie in beslotenheid van de linten en open gebieden daartussen; ► Grote afwisseling tussen natuur- en cultuurgronden; ► Oldeberkoop met haar historische- en beschermd dorpsgezicht;
12
► Rijk verenigingsleven en sterke sociale samenhang; ► Veel cultuurhistorische waarden, zoals: • Verschillende zuivelfabrieken; • Relatief veel rijksmonumenten; • States en buitenplaatsen; • Klokkestoelen; • Molens en Tjaskers De dorpen in dit deelgebied zijn allemaal lintdorpen die op de lange zandruggen van Oldeberkoop en Nijeberkoop tot aan Makkinga en Langedijke liggen. Aan weerszijden van de zandruggen liggen de beekdalen van de Tjonger en de Linde. De belangrijkste, doorgaande wegen volgen ook de zandruggen. Haaks erop liggen de kavels, van elkaar gescheiden door houtsingels en bosstroken. Doorzichten vanuit het dorp naar het landelijk gebied zorgen voor een sterke relatie tussen het dorp en de omgeving. In Elsloo is de nabijheid van het Drents-Friese Wold merkbaar en zichtbaar. Er is grote afwisseling tussen bebouwde kavels, bosgebiedjes en open kavels en weides. Het westelijke Ooststellingwerf staat vooral op cultureel vlak op de kaart. Het is ook een gebied met veel cultuurhistorische waarden in een gevarieerd landschap. Natuur en landbouw, bosgebieden en dorpen wisselen elkaar af op de zandruggen. De weidse beekdalen vormen een contrast met de beslotenheid van de zandruggen. In de beekdalen worden functies als waterberging en –afvoer, natuur en landbouw gecombineerd. De dorpen zijn de levendige centra in het gebied.
Oldeberkoop is het grootste dorp met de meeste voorzieningen. Makkinga en Elsloo onderscheiden zich als lommerrijke woondorpen waar verschillende functies nog te vinden zijn. In Langedijke en Nijeberkoop staat het landelijk wonen voorop. Het toekomstbeeld voor de vier deelgebieden is beschreven aan de hand van vijf ambities, namelijk: ► Uniek Ooststellingwerf ► Vitaal Ooststellingwerf ► Bruisend Ooststellingwerf ► Bereikbaar Ooststellingwerf ► Toekomstbestendig Ooststellingwerf Uniek Ooststellingwerf De gemeente Ooststellingwerf zet in op het bescherming van (cultuur)historische, natuurlijke en landschappelijke kwaliteiten met in het bijzonder het beschermd dorpsgezicht van Oldeberkoop. Voor nieuwe functies wordt waar mogelijk naar ruimte gezocht binnen bestaande structuren. Ook wordt ingezet op een nog gevarieerder landschap waar landbouw en natuur samen doorgroeien. Verder wordt gestreefd naar het optimaal ontsluiten van het gebied voor recreanten en toeristen. Tot slot zet de gemeente in op het versterken van de (recreatieve) koppelingen met de regio Zuidoost Friesland en richting de Weeribben en Wieden. De ambities ten aanzien van het beschermen van de (cultuur)historische, natuurlijke en landschappelijke kwaliteiten en het gevarieerde landschap met ruimte voor groei van zowel de landbouw als natuur zijn voor dit initiatief relevant.
Het beschermen van de (cultuur)historische, natuurlijke en landschappelijke kwaliteiten wil de gemeente Ooststellingwerf realiseren door bij nieuwe (gebouwde) ontwikkelingen verder te bouwen
13
aan de structuur van linten. Deze ontwikkelingen moeten een positieve bijdrage leveren aan het landschaps- of straatbeeld. Het mag niet zo zijn dat door nieuwbouw dorpslinten aan elkaar groeien. De kenmerkende verweving van dorpslint en landschap moet behouden blijven. Het deelgebied kenmerkt zich door veel landschappelijke afwisseling. Deze afwisseling wil de gemeente versterken. Dit moet bereikt worden door natuur en landbouw samen op te ontwikkelen. De afwisseling van kleine stukken natuur, bosstroken, houtsingels, weilanden en bouwlanden wordt vergroot. Ontwikkelingen moeten worden ingepast in de landschappelijke opzet van het gebied. Het versterken van het landschap zal ook een positief effect kunnen hebben ten aanzien van de belevingswaarde voor recreanten. Met het initiatief wordt bijgedragen aan de ambitie ‘Uniek Oostellingwerf’ door het bedrijf op duurzame wijze te ontwikkelen met aandacht voor natuur en de bestaande landschappelijke kwaliteiten. Met het landschappelijk inpassingsplan is hier invulling aan gegeven. Vitaal Ooststellingwerf Met deze ambitie zet de gemeente Ooststellingwerf in op het geven van ruimte voor nieuwe woningen binnen de dorpen of door functieverandering in de oude dorpslinten. Daarnaast worden lokale initiatieven voor woningbouw voor jongeren en ouderen gestimuleerd. En buitensport faciliteiten worden breder ingezet.
Deze ambitie heeft geen rechtstreekse betrekking op het initiatief. Het initiatief draagt wel bij aan een vitaal landelijk gebied. Door te investeren in dierenwelzijn realiseert de initiatiefnemer een toekomstbestendige bedrijfsvoering. Dat betekent dat er voor de lange termijn perspectief is voor het bedrijf. De bedrijfsactiviteiten kunnen worden voortgezet wat de vitaliteit van het landelijk gebied ten goede komt. Maar dit is geen speerpunt ten aanzien van de ambitie om te streven aan een vitaal Ooststellingwerf. Bruisend Ooststellingwerf Met deze ambitie zet de gemeente Ooststellingwerf in op een goede balans tussen agrarische activiteiten en natuur in het landelijk gebied met ruimte voor experimenten. Daarnaast wordt ingezet op het behoud van Oldeberkoop als lokaal koopcentrum. Er wordt gestreefd naar meer verblijfsrecreatie passend bij de aard van het gebied. Er wordt ruimte geboden aan de groei van bedrijven binnen de maat en schaal van hun omgeving. De ambitie met betrekking tot de balans tussen agrarische activiteiten en natuur heeft betrekking op het initiatief. De overige aspecten van deze ambitie zijn voor het initiatief niet relevant. In het landelijk gebied wisselen natuur en landbouw elkaar af, steeds op korte afstand van elkaar. De gemeente Ooststellingwerf zet in op een goede toekomstbestendige balans tussen agrarische activiteiten en natuur.
Beide zijn essentieel voor de landschappelijke kwaliteiten van het gebied en de recreatieve aantrekkelijkheid daarvan. Er wordt in het gebied ruimte gezien om te experimenteren met gecombineerde vormen van landbouw en natuur. Er wordt gezocht naar kansen om natuur en landbouw te verbinden, bijvoorbeeld door nieuwe vormen van landbouw of natuurontwikkeling. Met het initiatief wordt niet beoogd een nieuwe vorm van landbouw of natuurontwikkeling te realiseren. Maar het initiatief heeft geen negatief effect op de natuur. De emissies van milieubelastende stoffen neemt af in de beoogde situatie. Met het landschappelijk inpassingsplan wordt het initiatief ingepast in de landschappelijke structuur en wordt een bijdrage geleverd aan de
14
natuurlijke kwaliteiten in het gebied. Met het initiatief vindt de ontwikkeling van een agrarische activiteit plaats naast natuurontwikkeling. Deze ambitie van de gemeente Ooststellingwerf vormt geen belemmering voor het initiatief. Bereikbaar Ooststellingwerf Met deze ambitie zet de gemeente Ooststellingwerf in op veilige fietsverbindingen naar de sportcomplexen en (middelbare) scholen in Oosterwolde. Daarnaast wordt een goede ontsluiting met openbaar vervoer nagestreefd. Deze ambitie is niet direct relevant voor het initiatief. Het initiatief heeft geen negatieve invloed op het realiseren van deze ambitie. Omdat het aantal dieren gelijk blijft en er per jaar een ronde minder dieren wordt gehouden zal het aantal verkeersbewegingen van zwaar verkeer naar verwachting afnemen. Dit heeft een positief effect op de verkeersveiligheid. Maar op het totale verkeer in het gebied zal de invloed nihil zijn. Deze ambitie vormt geen belemmering voor het initiatief. Toekomstbestendig Ooststellingwerf Met deze ambitie zet de gemeente Ooststellingwerf in op meer biodiversiteit en ruimte voor nieuwe teelten door gecombineerde vormen van natuur en landbouw. De gemeente wil dit bereiken door samen aan een duurzame toekomst te werken voor de gemeente.
Het gebied leent zich goed om biodiversiteit te vergoten door nieuwe gecombineerde vormen van natuurinclusieve landbouw of landbouwinclusieve natuur. Met het initiatief wordt geen natuurinclusieve landbouw of landbouwinclusieve natuur beoogd. Wel wordt beoogd de bedrijfsvoering toekomstbestendig te maken door te investeren in dierenwelzijn. Hiermee wordt invulling gegeven aan een brede maatschappelijke ontwikkeling van de vraag naar duurzaam geproduceerd voedsel. Daarnaast wordt voorzien in een landschappelijke inpassing wat de natuur ten goede komt. Het initiatief betreft geen gecombineerde vorm van landbouw en natuur maar deze twee maken naast elkaar een ontwikkeling door met dit plan. De ambitie van de gemeente Ooststellingwerf ten aanzien van een toekomstbestendig Ooststellingwerf vormt geen belemmering voor het initiatief. Conclusie Met het initiatief wordt voor een deel invulling gegeven aan de ambities van de gemeente Ooststellingwerf zoals die in de Omgevingsvisie zijn weergegeven. De ambities uit de Omgevingsvisie vormen geen belemmering voor het initiatief.
15
3.3.2
Woon(zorg)visie 2022-2026
De gemeente Ooststellingwerf wil een fijne plek zijn voor iedereen om te zijn en om te blijven. Dat brengt verschillende opgaven met zich mee. De gemeente Ooststellingwerf wil deze opgaven aanpakken. Hiertoe heeft zij een woon(zorg)visie uitgewerkt. In deze visie worden ambities benoemt rond het wonen in de kernen van Ooststellingwerf, evenals op het onderwerp wonen en zorg. Deze visie is een uitwerking en verdieping van de Omgevingsvisie. De visie op wonen (en zorg) is uitgewerkt aan de hand van vier thema’s: ► Thema 1: Inzetten op een passend groeiscenario; ► Thema 2: Mismatch tussen vraag en aanbod; ► Thema 3: Organiseren van wonen en zorg; ► Thema 4: Werken aan leefbaarheid en duurzaamheid De Woon(zorg)visie ziet met name op de ontwikkeling van het woningaanbod binnen de gemeente Ooststellingwerf. Het initiatief heeft wel een raakvlak met thema 4. Het initiatief draagt bij aan de leefbaarheid in de omgeving van het plangebied. Met het nieuwe stalsysteem wordt de uitstoot van fijnstof verlaagd. Daarnaast zal door een herverdeling van dieren en de wijziging van emissiepunten de minder geur worden waargenomen bij woningen in de omgeving van het bedrijf. Doordat het bedrijf toekomstbestendig wordt met deze ontwikkeling, wordt ook werkgelegenheid behouden. Dit komt de leefbaarheid in de omgeving van het bedrijf ten goede.
Daarnaast is er sprake van een verduurzaming van de de bedrijfsvoering. Dit heeft geen betrekking op de verduurzaming van de woningvoorraad binnen de gemeente, maar raakt wel aan het thema duurzamheid.
3.3.3
Welstandsnota 2009
Het welstandsbeleid van de gemeente Ooststellingwerf is vastgelegd in de welstandsnota 2009 en diverse beeldkwaliteitsplannen voor specifieke locaties of gebieden. Op het besluitgebied zijn de regels voor het ‘buitengebied verspreide bebouwing’ uit de Welstandsnota van toepassing. De algemene beleidsambitie is dat er extra aandacht moet zijn voor ruimtelijke kwaliteit. Bij de beoordeling op het aspect welstand wordt de nadruk gelegd op het handhaven en respecteren van bestaande kwaliteiten. Onderstaand fragment uit de welstandsnota geeft de gebiedskenmerken en criteria weer.
16
Figuur 3-4 Gebiedskenmerken en criteria “Buitengebied, verspreide bebouwing” (Bron: Welstandsnota 2009 Ooststellingwerf)
Gebouwen zijn overwegend haaks op de weg gesitueerd. De hoofdvorm van gebouwen is bijna altijd één laag met een kap. De hoofdopzet van gebouwen is veelal symmetrisch. De massa-opbouw is overwegend enkelvoudig en de omvang van gebouwen bij boerderijen is veelal groot tot zeer groot. De compositie van de gevels is overwegend traditioneel. Agrarische gebouwen wijken daarin soms af door de toepassing van damwandprofielplaten. De meeste panden zijn opgetrokken in metselwerk en met een pannen, golfplaten of soms riet gedekt. Ook komen houten wanden voor en wanden van damwandprofielplaten. Het metselwerk is overwegen rood en de dakbedekking veelal rood of antraciet. Bij nieuwbouw wordt aandacht gevraagd erfbeplanting en de nieuwbouw moet passen bij de aard, schaal en het karakter van het gebied. Met dit initiatief wordt beoogd een nieuwe stal te bouwen. Deze wordt net als de bestaande bebouwing haaks op de weg geplaatst. Daarmee wordt voortgeborduurd op de bestaande stedenbouwkundige situatie. De beoogde stal bestaat uit één bouwlaag met een zadeldak. De massaopbouw is enkelvoudig en qua omvang sluit het plan aan bij de omvang van de bestaande bebouwing. Er is nog geen definitief ontwerp gemaakt voor de stal. Maar de gevels zullen bestaan uit metselwerk al dan niet in combinatie met damwand / sandwichpanelen en windbreekgaas. De dakbedekking zal bestaan uit (sandwich) golfplaten.
Hiermee wordt qua ontwerp aangesloten op de bestaande bebouwing en op wat gebruikelijk is in het buitengebied voor agrarische bedrijfsgebouwen. Ook de kleuren worden afgestemd op de bestande bebouwing. Er is een landschappelijk inpassingsplan opgesteld waarmee de vereiste aandacht aan erfbeplanting is gegeven. Het betreft een agrarisch bedrijfsgebouw. Het plan past qua aard in het gebied en op de locatie waar meer agrarische bedrijfsgebouwen aanwezig zijn. Qua schaal sluit het plan goed aan bij de bestaande bebouwing en het karakter van het plangebied en de omgeving daarvan. Met het
17
initiatief wordt voldaan aan de criteria zoals die beschreven zijn in de Welstandsnota 2009. De Welstandsnota 2009 vormt geen belemmering voor het initiatief. Advies Hûs en Hiem Het initiatief is voorgelegd aan de Adviescommissie Omgevingskwaliteit Ooststellingwerf, Hûs en Hiem. Op 28 februari 2024 hebben zij een advies uitgebracht over het plan. Het advies luidt: ‘Voldoet mits’. Door de plaatsing van de nieuwe stal, oogt deze onvoldoende ondergeschikt. Daarnaast oogt de verlening van de bestaande stal en met name de luchtwasser, door de lichte kleur van de betonnen buitenwanden nog te nadrukkelijk in het bebouwings- en omgevingsbeeld. Naar aanleiding van het advies van Hûs en Hiem is het plan aangepast. De nieuwe stal is wordt korter waardoor deze meer achter de voorgevel van de bedrijfswoning komt en ondergeschikter oogt. Verder wordt de stuwbak van de luchtwasser voorzien van donkergroene damwand. Hierdoor is de uitbreiding van de bestaande stal minder nadrukkelijk aanwezig in het bebouwings- en omgevingsbeeld. Met deze aanpassingen is tegemoetgekomen aan de “mits” uit het advies van Hûs en Hiem. Met de e-mail van 23 juli 2024 is door de gemeente bevestigd dat door Hûs en Hiem een positief advies is gegeven over dit initiatief. Daaraan is de voorwaarde verbonden dat het achterste platte deel wordt uitgevoerd in donkere beplating.
Dit kan als voorwaarde aan de omgevingsvergunning verbonden worden. Hieruit kan geconcludeerd worden dat het initiatief voldoet aan redelijke eisen van welstand en dat er sprake zal zijn van een goede omgevingskwaliteit. Het advies van Hûs en Hiem en de mail van 23 juli 2024 zijn als bijlage bijgevoegd.
3.3.4
Vigerend bestemmingsplan Buitengebied (geconsolideerde versie 2020)
De gemeenteraad van de gemeente Ooststellingwerf heeft op 26 maart 2019 het bestemmingsplan “Buitengebied 2016, Veegplan 2018” gewijzigd vastgesteld. Dit bestemmingsplan is verwerkt in het bestemmingsplan “Buitengebied 2016” tot een geconsolideerde versie. Aan het besluitgebied is de enkelbestemming ‘Agrarisch’ toegekend. Daarnaast ligt het besluitgebied in een gebied waar de dubbelbestemmingen ‘Waarde-Archeologie 5’ en ‘Waarde-Cultuurhistorie 1’ aan zijn toegekend. Ten behoeve van het agrarisch bedrijf is aan de locatie een bouwvlak toegekend. Dit bouwvlak heeft een oppervlakte van circa 1,4 hectare en is voorzien van de functieaanduiding ‘intensieve veehouderij’. Onderstaande figuur geeft de verbeelding van het vigerende bestemmingsplan ter plaatse van het besluitgebied weer.
18
Figuur 3-5 Verbeelding ‘Bestemmingsplan Buitengebied (geconsolideerde versie 2020)
Op basis van het vigerende bestemmingsplan moeten bouwwerken binnen een aaneengesloten vlak van 1,5 ha worden gebouwd gerekend vanuit het bouwvlak. Een overschrijding van het bouwvlak is niet toegestaan aan de naar de weg gekeerde zijde van het bouwvlak. De breedte van het aaneengesloten oppervlak gemeten langs de weg bedraagt maximaal 100 meter en de diepte maximaal 200 meter. Het bestemmingsplan kent een afwijkingsbevoegdheid waarmee afgeweken kan worden van de maximale aaneengesloten oppervlakte van 1,5 ha. Dit kan mits: 1. wordt gebouwd binnen een aaneengesloten oppervlak van 2 ha; 2. de overschrijding direct aansluit aan het aaneengesloten oppervlak van 1,5 ha en niet plaatsvindt aan de naar de weg gekeerde zijde van het bouwvlak; 3. de overschrijding niet plaatsvindt aan de naar de weg gekeerde zijde van het bouwvlak; 4. de overschrijding niet wordt toegepast ter plaatse van de aanduidingen ‘specifieke vorm van agrarisch - nevenberoepsbedrijf’, ‘intensieve veehouderij’ en ‘overige zone - handhaven openheid’; 5. de breedte van het aaneengesloten oppervlak langs de weg gemeten ten hoogste 150 m bedraagt, terwijl de diepte daarvan ten hoogste 250 m bedraagt; 6.
een inrichtingsplan is overlegd waaruit blijkt dat de processtappen zijn gevolgd zoals opgenomen in het procesboek ‘Ontwikkeling agrarische erven’, dat als bijlage 7 aan de regels van het bestemmingsplan “Buitengebied (geconsolideerde versie 2020)” is
19
toegevoegd, en waarbij landschapsbeleidsplan;
tevens
rekening
is
gehouden
met
het
regionale
Beoordeeld moet worden of aan de voorwaarden wordt voldaan om van deze afwijkingsmogelijkheid gebruik te kunnen maken. 1. Met de uitbreiding van de bebouwing ontstaat een aaneengesloten bebouwd oppervlak van ca. 1,45ha. Daarmee blijft de uitbreiding onder de 2ha en voldoet het initiatief aan deze voorwaarde. 2. De nieuwe stal A komt deels binnen en deels buiten het bouwvlak. De uitbreiding van het bebouwde oppervlak. De nieuwe stal wordt naast de bestaande stal A gebouwd. De uitbreiding van het aaneengesloten bebouwde oppervlak vindt direct aansluitend aan het bestaande bebouwde oppervlak plaats. Aan deze voorwaarde wordt voldaan. 3. De uitbreiding van het aaneengesloten bebouwde oppervlak vindt plaats aan de zuidoostzijde van het huidige bouwvlak. Dit is niet aan de wegzijde. Het initiatief voldoet aan deze voorwaarde. 4. Het bouwvlak is voorzien van de functieaanduiding ‘intensieve veehouderij’. Dat zo betekenen dat de afwijkingsbevoegdheid niet kan worden toegepast. Het aantal te houden dieren neemt met de voorgenomen wijziging niet toe. De intensieve veehouderij extensiveert door het zelfde aantal dieren op een groter oppervlak te gaan houden. In die zin is er geen sprake van een uitbreiding van het intensief houden van vleeskuikens. Maar strikt genomen wordt aan deze voorwaarde niet voldaan. 5.
De breedte van het aaneengesloten bebouwde oppervlak wordt met dit initiatief 113,8 meter. Dit is minder dan 150 meter. Aan deze voorwaarde wordt voldaan. 6. Ten behoeve van het initaitief is een landschappelijk inpassingsplan opgesteld. Het procesboek ‘Ontwikkeling van agrarische erven’ is hiervoor de basis geweest. Het initiatief wordt landschappelijk goed ingepast. Aan deze voorwaarde wordt voldaan.
Conclusie Aan bijna alle voorwaarden om gebruik te kunnen maken van de afwijkingsbevoegdheid uit het bestemmingsplan wordt voldaan. Maar omdat het initiatief een intensieve veehouderij betreft, wordt niet voldaan aan de voorwaarden om gebruik te kunnen maken van de afwijkingsbevoegdheid. Een herziening van het bestemmingsplan of een omgevingsvergunning op grond van artikel 2.12 lid 1 sub a onder 3 is noodzakelijk om het initaitief toe te staan. Er is gekozen voor een aanvraag om omgevingsvergunning. Daartoe moet aangetoond worden dat met het initiatief sprake is van een goede ruimtelijke ordening. In hoofdstuk 4 wordt hier op ingegaan.
20
OMGEVINGSASPECTEN In dit hoofdstuk worden de belangrijkste omgevingsaspecten op het gebied van ruimtelijke ordening en milieu beschouwd. Ten aanzien van de milieugevolgen van het voornemen en mogelijke alternatieven hiervoor, is in de procedure een bepalende plek voor het Milieueffectrapport. Waar mogelijk zal daar ook naar worden verwezen in de andere paragrafen. Daarom wordt gestart met de toelichting van het Milieueffectrapport en bijbehorende procedure. MILIEUEFFECT RAPPORTAGE (M.E.R) 4.1.1
Inleiding
In de Wet milieubeheer en het Besluit milieueffectrapportage is beschreven welke activiteiten m.e.r.plichtig zijn, waarvoor dus de procedure van de milieueffectrapportage moet worden gevolgd. De m.e.r.-plicht geldt voor activiteiten die belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu. Deze activiteiten zijn beschreven in een bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage. Voor sommige activiteiten geldt een m.e.r.-plicht (onderdeel C van de bijlage), voor veel andere activiteiten geldt een m.e.r.-beoordelingsplicht (onderdeel D). Het bevoegd gezag moet bij een m.e.r.-beoordeling eerst beoordelen of gezien de aard en omvang van de activiteit en de plaats waar deze wordt uitgevoerd, een MER moet worden opgesteld. 4.1.2
Toetsing
Ten behoeve van de beoogde activiteit kan worden volstaan met een vormvrije m.e.r.beoordelingsnotitie. Het initiatief omvat het oprichten van een dierenverblijf voor minder dan 40.000 stuks pluimvee, namelijk voor 34.600 stuks. Op grond van het Besluit milieueffectrapportage van 1994 is een m.e.r-beoordelingsprocedure verplicht. Er kan worden volstaan met een vormvrije m.e.r beoordelingsnotitie. Op basis van deze rapportage besluit het bevoegd gezag of een volledige m.e.r.procedure noodzakelijk is. Op 29 april 2019 is voor het bedrijf een aanmeldnotitie m.e.r. beoordeling bij gemeente Ooststellingwerf ingediend. Deze betrof het oprichten van een nieuwe stal (gebouw C/E) voor het houden van 35.400 dieren én het uitbreiden van het aantal dieren op het bedrijf. Op 1 december 2020 heeft gemeente Ooststellingwerf besloten dat voor dat plan geen milieueffectrapport hoeft te worden gemaakt. Inmiddels is de marktsituatie veranderd en vraagt de maatschappij naar verduurzaming i.p.v. groei, en kan de bedrijfsopzet hieraan worden aangepast. In de m.e.r-beoordelingsnotiatie zijn alle relevante milieuaspecten van het initaitief uitgewerkt. Het initiatief omvat het wijzigen van de pluimveehouderij. Daartoe wordt een nieuwe stal C/E gebouwd en een stal A verlengd. Door de dieren meer leefruimte te bieden kan het bedrijf produceren volgens het Beter Leven concept van de Dierenbescherming.
De emissie van fijnstof en ammoniak op het bedrijf wordt verder verlaagd. Ook zal de geursituatie in de omgeving gunstiger worden en voldoen aan geldende geurnormen door het verplaatsen van emissiepunten. Door de bedrijfsvoering kunnen de milieueffecten welke beschreven zijn in de vormvrije m.e.r.- beoordelingsnotitie optreden. Deze effecten zijn nauwkeurig te beschrijven omdat er vastgestelde normen zijn waarvan uit gegaan dient
21
te worden. Bij het toetsen aan deze normen is gebruik gemaakt van verschillende rekenprogramma’s. De m.e.r-beoordelingsnotitie is als bijlage bijgevoegd.
4.1.3
Conclusie
Uit de m.e.r-beoordelingsnotitie valt te concluderen dat de voorgenomen activiteit geen belangrijke nadelige gevolgen heeft voor het milieu. Uit de m.e.r-beoordelingsnotitie blijkt niet dat er sprake is van belemmeringen voor het initiatief.
ARCHEOLOGIE 4.2.1
Inleiding
Begin 1992 ondertekende Nederland het Verdrag van Valletta (Malta). Daarna heeft de rijksoverheid beleid ontwikkeld voor een zorgvuldige omgang met het archeologisch erfgoed. Het uitgangspunt is het behoud van archeologische waarden 'in situ' (ter plekke; in de bodem). In 2007 heeft het verdrag zijn neerslag gekregen in de Nederlandse wetgeving. Op 1 september van dat jaar trad de Wet op de Archeologische Monumentenzorg (Wamz) in werking. In samenhang daarmee werden ook de Monumentenwet 1988 en drie andere wetten aangepast. De Monumentenwet 1988 is per 1 juli 2016 vervallen. Een deel van de wet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de Omgevingswet, wanneer deze op 1 januari 2024 in werking treedt. Vooruitlopend op de datum van ingang van de Omgevingswet zijn deze artikelen te vinden in het overgangsrecht in de Erfgoedwet, waar ze ongewijzigd van toepassing blijven zolang de Omgevingswet nog niet van kracht is. De gemeenteraad van de gemeente Ooststellingwerf heeft de Nota Archeologie gemeente Ooststellingwerf vastgesteld. De nota is verwerkt in het bestemmingsplan “Buitengebied 2016” en herzieningen daarvan.
In het bestemmingsplan heeft een deel van het plangebied buiten het bouwvlak de dubbelbestemming ‘waarde – archeologie 4’ gekregen en een deel de dubbelbestemming ‘ waarde – archeologie 5’. 4.2.2
Toetsing
In de Nota Archeologie Gemeente Ooststellingwerf is een archeologische waarden- en beleidsadvieskaart opgenomen. Deze kaart is onder andere gebaseerd op de Archeologische Monumenten Kaart van de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed en op de FAMKE van de provincie Fryslân. Onderstaande figuur geeft een uitsnede hiervan weer ter plaatse van het plangebied. Op onderstaande figuur 4-1 is te zien dat er roze, gele en groene zones liggen in het plangebied. Aan de gronden in de roze zones is een hoge archeologische verwachtingswaarde toegekend. Aan de gronden in de gele zones is een middelhoge archeologische verwachtingswaarde toegekend. Binnen de groene zones verwacht men geen archeologische waarden omdat deze gronden reeds bebouwd zijn en de grond is geroerd. Alle drie de zones zijn relevant voor het initiatief.
22
Figuur 4-1 Uitsnede Archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart (bron: gemeente Ooststellingwerf)
Aan de gronden binnen het huidige bouwvlak is aan een klein deel een dubbelbestemming toegekend waarmee beoogd wordt archeologische waarden te beschermen. Een groot deel van deze gronden is reeds bebouwd. Een deel van de gronden binnen het bouwvlak en gronden buiten het bouwvlak die bebouwd worden hebben de dubbelbestemmingen ‘waarde – archeologie 4’ en ‘waarde – archeologie 5’. Ter plaatse van de gronden met een middelhoge archeologische verwachtingswaarde (geel) is het op grond van de dubbelbestemming ‘waarde – archeologie 5’ niet toegestaan om bouwwerken te bouwen waarbij de bodem dieper dan 40cm onder het maaiveld wordt geroerd. Dit verbod geldt niet voor het vervangen van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte niet meer dan 2.500m 2 wordt uitgebreid. Ook is dit verbod niet van toepassing op de bouw van bouwwerken ten behoeve van andere op deze gronden geldende bestemmingen met een oppervlakte die maximaal 2.500m2 is. Het initiatief betreft de sloop van bestaande bebouwing waarvoor in de plaats de nieuwe stal C gebouwd wordt. Binnen de dubbelbestemming ‘waarde – archeologie 5’ betreft de uitbreiding ca. 680m2. Op basis van deze uitbreiding is op grond van de dubbelbestemming ‘waarde – archeologie 5’ geen archeologisch onderzoek vereist. De maximale oppervlakte van 2.500m 2 wordt niet overschreden.
Ter plaatse van de gronden met een hoge archeologische verwachtuingswaarde (roze) is het op grond van de dubbelbestemming ‘waarde – archeologie 4’ niet toegestaan om bouwwerken te
23
bouwen waarbij de bodem dieper dan 40cm onder het maaiveld geroerd wordt. Dit verbod geldt niet voor het vervangen van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte niet meer dan 500m 2 wordt uitgebreid. Ook is dit verbod niet van toepassing op de bouw van bouwwerken ten behoeve van andere op deze gronden geldende bestemmingen met een oppervlakte die maximaal 500m 2 is. Het initiatief betreft de sloop van bestaande bebouwing waarvoor in de plaats de nieuwe stal C gebouwd wordt. Binnen de dubbelbestemming ‘waarde – archeologie 4’ komt ca. 1.210m2 van stal C te staan. Daarnaast wordt binnen deze bestemming tevens stal A uitgebreid met ca. 400m2. Daaruit volgt dat het bebouwde opervlak binnen de dubbelbestemming ‘waarde – archeologie 4’ met 1.610m2 toeneemt. Daarmee wordt de grens van 500m2 overschreden. Met een omgevingsvergunning kan afgeweken worden van het verbod om meer dan 500m2 te bouwen. Daartoe moet een rapport worden overlegd waarin, naar het oordeel van het bevoegd gezag, de archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag kunnen worden verstoord in voldoende mate zijn vastgesteld. En in voldoende mate moet zijn aangegeven op welke wijze de archeologische waarden worden bewaard en/of gedocumenteerd.
Ook kan de aanvrager op een vergelijkbare wijze overtuigend aantonen, voor zover het agrarische bouwvlakken betreft, dat ter plaatse geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn. Als aangetoond kan worden dat binnen het bouwvlak geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn, is voor dit deel van het initaitief geen archeologisch onderzoek meer nodig. Ter plaatse van de dubbelbestemming ‘waarde – archeologie 4’ betreft de uitbreiding buiten het bouwvlak ca. 385m2. Dat is minder dan 500m2. In dat geval kan een archeologisch onderzoek achterwege blijven. In de loop der jaren is de grond binnen het bouwvlak geroerd als gevolg van bouwwerkzaamheden en andere roeringen van de bodem. Omdat de bodem binnen het bouwvlak geroerd is enkel de uitbreiding buiten het bouwvlak bepalend of een archeologisch onderzoek noodzakelijk is. Aangezien buiten het bouwvlak de uitbreiding minder dan 500m2 betreft kan een archeologisch onderzoek achterwege blijven. 4.2.3
Conclusie
Het gebied waar de nieuwe stal en de uitbreiding van de bestaande stal zijn voorzien stekt zich uit over gronden met verschillende archeologische verwachtingswaarden. De omvang van de uitbreiding en de bouw van de nieuwe stal blijft binnen de norm waarboven een archeologisch onderzoek vereist is. Er is dan ook geen archeologisch onderzoek uitgevoerd. Dit aspect staat niet in de weg voor het realiseren van het voornemen. Uiteraard geldt wel de zogenaamde wettelijke meldingsplicht.
24
BODEM De milieuhygiënische bodemkwaliteit mag geen belemmering zijn voor de economische uitvoerbaarheid van het planvoornemen. Verder behoort de aanwezige bodemkwaliteit te passen bij het huidig of toekomstig gebruik van de bodem. De bodemkwaliteit mag immers geen onaanvaardbare risico's opleveren voor de gebruikers van de bodem. Bovendien mag door menselijk handelen de bodemkwaliteit niet verslechteren (zorgplicht). Voor de toepassing van grond, baggerspecie en bouwstoffen gelden de regels van het Besluit bodemkwaliteit. De gemeente heeft beleid opgesteld voor hergebruik van grond. Deze staan beschreven in de nota Bodembeheer 2021. Bij graafwerkzaamheden, bouwactiviteiten, uitbreiding of verandering van bedrijfsactiviteiten dient de initiatiefnemer na te gaan of de bodemkwaliteit voldoende in beeld is gebracht of dat er een actueel bodemonderzoek ingediend moet worden, de zogenaamde bodemtoets. In de Nederlandse Richtlijn Bodembescherming bedrijfsmatige activiteiten (NRB) is een lijst opgenomen met activiteiten die als bodembedreigend worden beschouwd. Zo worden bijvoorbeeld de opslag van dieselolie in een bovengrondse tank, de opslag van oliën in emballage, de opslag van ruwvoer en bijproducten (CCM) en de opslag van dierlijke meststoffen in een put/bassin op grond van de NRB als bodembedreigende activiteiten aangemerkt.
In de omgevingsvergunning van het bedrijf worden gedragsregels en voorzieningen met het oog op de bescherming van de bodem voorgeschreven. Op grond van artikel 8 van de Woningwet bevat de bouwverordening voorschriften omtrent het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem. Deze voorschriften hebben uitsluitend betrekking op bouwwerken waarin voortdurend of nagenoeg voortdurend mensen aanwezig zullen zijn. Voor de gewenste nieuwbouw is dit niet het geval. Het uitvoeren van een bodemonderzoek is voor het uitbreiden van een stal en het oprichting van een stal niet relevant. Het plan voorziet in de uitbreiding van huisvesting van een pluimveehouderij. De grond waarop de nieuwbouw van de uitloop plaatsvindt heeft reeds een agrarische bestemming en is in het verleden landbouwkundig gebruikt. Verwacht mag worden dat deze grond niet verontreinigd is. Uit het bodemloket van de provincie Fryslân blijkt ook niet dat er sprake is van verontreinigde bodem binnen het besluitgebied. Geconcludeerd wordt dat het aspect ‘bodem’ geen belemmering is voor de gewenste nieuwbouw. De bodem ter plaatse van het bedrijf is opgebouwd uit zand. Ten behoeve van de nieuwbouw vinden graafwerkzaamheden plaats. De grond die hierbij vrijkomt, wordt elders op het perceel gebruikt om hoogteverschillen te vereffenen. Voorafgaand aan de bouwwerkzaamheden zullen sonderingen plaatsvinden.
Voor de omgevingsvergunning wordt het plan nader constructief onderbouwd.
25
CULTUURHISTORIE 4.4.1
Inleiding
Ieder ruimtelijk plan moet een analyse van de overige cultuurhistorische waarden van het plangebied bevatten. Voor zover in een plangebied sprake is van erfgoed, dient op grond van voorgaande dan ook aangegeven te worden op welke wijze met deze cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten archeologie rekening wordt gehouden. 4.4.2