Bijlage 2. Ruimtelijke Onderbouwing Abbendijk 2 Nijberkoop
Tekst van het document
Algemene beschrijving omgeving .................................................................................. 6
3.2.2
Nationale landschappen ................................................................................................ 6
3.2.3
Natuurparken, kustgebieden en bosgebieden ............................................................... 6
3.2.4
Nationaal Natuur Netwerk.............................................................................................. 6
3.2.5
Zeer kwetsbare gebieden .............................................................................................. 7
3.2.6
Natura 2000-gebieden ................................................................................................... 7
Milieueffecten ............................................................................................................................ 8 Ammoniakemissie ........................................................................................................... 8 Geuremissie .................................................................................................................... 8 Fijnstof emissie ............................................................................................................. 10 4.3.1
Toetsing cumulatie fijnstof ........................................................................................... 11 Water ............................................................................................................................ 11
4.4.1
Hemelwater .................................................................................................................. 11
4.4.2
Waterverbruik .............................................................................................................. 11 Energie.......................................................................................................................... 11
19 APRIL 2023
MER-beoordelingsnotitie Abbendijk 2
Geluid............................................................................................................................ 12 Besluit emissiearme huisvesting .................................................................................. 12 Verkeer en parkeren ..................................................................................................... 13 Externe belemmeringen ................................................................................................ 13 (Volks-)gezondheid ....................................................................................................... 14 Omkeerbaarheid ........................................................................................................... 15
Slotsom ...................................................................................................................................16
Bijlage 1 ............................................................................................................................................... I
Bijlage 2 .............................................................................................................................................. II
Bijlage 3 ............................................................................................................................................. III
Bijlage 4 ............................................................................................................................................ IV
Bijlage 5 ............................................................................................................................................. V
Bijlage 6 ............................................................................................................................................ VI
Bijlage 7 ........................................................................................................................................... VII
19 APRIL 2023
MER-beoordelingsnotitie Abbendijk 2
INLEIDING FP de Wâlden (=initiatiefnemer) heeft een pluimveebedrijf aan de Abbendijk 2 te Nijeberkoop. Voor het bedrijf is op d.d. 29 oktober 2013 een Omgevingsvergunning verleend voor het houden van 130.900 vleeskuikens. Initiatiefnemer is voornemens om te gaan produceren volgens het Beter Leven 1 ster concept van de Dierenbescherming. Ten behoeve van deze omschakeling worden de bestaande stallen (A, B en D) voorzien van een overdekte uitloop. Stal C zal worden gesloopt en vervangen voor nieuwbouw. Het aantal gehouden vleeskuikens blijft gelijk aan de vergunde situatie. Met onderhavig plan krijgen de dieren meer leefruimte tot hun beschikking. De inrichting wordt in figuur 1 schematisch inzichtelijk gemaakt. De milieutekening is bijgevoegd in bijlage 1.
Figuur 1 Situatietekening van de inrichting
Het plan aan de Abbendijk 2 betreft het oprichten van een dierenverblijf voor minder dan 40.000 stuks pluimvee, namelijk voor 34.600 stuks. Ingevolge het Besluit milieueffectrapportage van 1994 is een m.e.r.-beoordelingsprocedure verplicht is. Er kan worden volstaan met een vormvrije m.e.r beoordelingsnotitie. Op basis van deze rapportage besluit het bevoegd gezag of een volledige m.e.r.procedure noodzakelijk is. Op 29 april 2019 is voor het bedrijf een aanmeldnotitie m.e.r. beoordeling bij gemeente Ooststellingwerf ingediend. Deze betrof het oprichten van een nieuwe stal (gebouw C) voor het houden van 35.400 dieren én het uitbreiden van het aantal dieren op het bedrijf. Op 1 december 2020 heeft gemeente Ooststellingwerf besloten dat voor dat plan geen milieueffectrapport hoeft te worden gemaakt. Inmiddels is de marktsituatie veranderd en vraagt de maatschappij naar verduurzaming i.p.v. groei, en kan de bedrijfsopzet hieraan worden aangepast. De indeling van de notitie is als volgt. Hoofdstuk 2 geeft een overzicht van de kenmerken van de activiteit. In hoofdstuk 3 wordt een beschrijving van de omgeving van het bedrijf gegeven. Hoofdstuk 4 geeft een opsomming van de milieueffecten van de voorgenomen activiteit. De slotsom is opgenomen in hoofdstuk 5. Na hoofdstuk 5 zijn de bijlagen opgenomen. In onderhavige notitie wordt naar de bijlagen verwezen.
19 APRIL 2023
1
MER-beoordelingsnotitie Abbendijk 2
KENMERKEN VAN DE ACTIVITEIT AANLEIDING De grondslag van de voorgenomen activiteit is scharrelvleeskuikens te houden volgens het Beter Leven concept van de Dierenbescherming. De dieren hebben de beschikking over stalruimte en een overdekte uitloopruimte. Initiatiefnemer streeft een toekomstgericht en levensvatbaar bedrijf na en heeft de verwachting dit met onderhavig plan te kunnen realiseren. De doelstelling is om een bedrijf te exploiteren waar zowel op maatschappelijk verantwoorde wijze als op bedrijfseconomisch rendabele wijze dieren gehouden worden en te voorzien in een veilige productie van humane voeding. De bestaande stallen zijn voorzien van een luchtmengsysteem in combinatie met een warmtewisselaar. Met onderhavig plan wordt de nieuw te bouwen stal voorzien van een luchtmengsysteem in combinatie met een 31% fijnstofemissie reducerende warmtewisselaar. SITUERING Het bedrijf is gelegen aan de Abbendijk 2 op een afstand van circa 1,7 kilometer ten zuidwesten van de bebouwde kom van Makkinga. Ten zuidwesten van het bedrijf bevindt zich op een afstand van circa 4,5 kilometer de bebouwde kom van Oldeberkoop. Aan de Abbendijk en omgeving zijn overwegend burgerwoningen gelegen, maar ook liggen er een aantal agrarische bedrijven in de omgeving van het bedrijf. Ten noorden ligt op een afstand van 480 meter een motorcrossbaan.
De dichtstbijzijnde burgerwoning ligt op een afstand van 57 meter vanaf de grens van de inrichting. De kadastrale ligging van de inrichting is gemeente Oldeberkoop, sectie D, nummer 307. In figuur 2 is de topografische ligging van de locatie inzichtelijk gemaakt.
Figuur 2 Luchtfoto topografische ligging van de inrichting ( O = bedrijfslocatie) Bron: Google Earth
19 APRIL 2023
2
MER-beoordelingsnotitie Abbendijk 2
BEDRIJFSVOERING Op het bedrijf worden scharrelvleeskuikens gehouden, deze komen op het bedrijf als eendagskuikens. Gemiddeld duurt een productieronde op het bedrijf 8 weken, dit is inclusief 1 week leegstand in verband met het reinigen van de stallen. Na een periode van ongeveer 7 weken worden de vleeskuikens afgevoerd naar de slachterij. Vervolgens wordt de strooiselmest uit de dierverblijven verwijderd, worden de pluimveestallen gereinigd en ontsmet en wordt de stalvloer weer voorzien van een nieuwe schone strooisellaag. Deze werkzaamheden nemen ongeveer een week in beslag. Hierna worden er nieuwe eendagskuikens opgezet. In totaal worden ongeveer 6 productierondes per jaar gehouden. De dagelijkse werkzaamheden betreffen onder andere het verstrekken van voer en water, het aansturen van de verwarmingssystemen, het controleren van de gezondheid van de dieren en het controleren van het stalklimaat. Naast de dagelijkse werkzaamheden vinden er binnen de inrichting ook nog nadere regelmatig terugkerende activiteiten plaats, namelijk de aanvoer van veevoeders, aan- en afvoer van vleeskuikens en afvoer van strooiselmest. Het bedrijf produceert volgens het Beter Leven concept van de Dierenbescherming, zie figuur 3. Hierbij hebben de dieren voldoende ruimte om alle gedragingen te kunnen uitvoeren en in alle behoeften te voorzien.
Figuur 3 Illustratie Beter Leven concept
19 APRIL 2023
3
MER-beoordelingsnotitie Abbendijk 2
BESCHRIJVING VERANDERINGEN Initiatiefnemer is voornemens om wijzigingen door te voeren binnen de inrichting. De voorgenomen veranderingen op het bedrijf aan de Abbendijk 2: ► In stal A neemt het aantal gehouden vleeskuikens af van 38.000 naar 34.700 stuks. Tevens zal de stal verlengd worden en voorzien van een overdekte buitenuitloop om meer leefruimte te bieden aan de dieren. Deze overdekte uitloop is reeds vergund. ► In stal B neemt het aantal gehouden vleeskuikens af van 44.900 naar 31.100 stuks en wordt de stal voorzien van een overdekte buitenuitloop. Deze overdekte uitloop is reeds vergund. ► Bestaande stal C voorzien van traditioneel stalsysteem voor de huisvesting van 5.000 vleeskuikens wordt gesloopt. ► Nieuwbouw stal C voorzien van een inpandige overdekte uitloop en 31% fijnstofreductie middels een warmtewisselaar voor het huisvesten van 34.600 vleeskuikens. ► In stal D neemt het aantal gehouden vleeskuikens af van 43.000 naar 30.500 stuks en wordt de stal voorzien van een overdekte uitloop. Deze overdekte uitloop is reeds vergund. Het aantal te houden dieren blijft met onderhavig plan gelijk aan de vergunde situatie. Met de gekozen stalsystemen wordt aan de huidige Wet- en regelgeving voldaan.
CUMULATIE Cumulatie met andere projecten kan optreden als twee of meer activiteiten op dusdanige afstand van elkaar worden gerealiseerd dat de milieueffecten van deze activiteiten elkaar verzwakken of versterken. Dit is bijvoorbeeld het geval als er in de directe omgeving meer veehouders een aanvraag voor een milieuvergunning hebben ingediend welke gevolgen heeft voor de milieueffecten in de omgeving. Voor zover bekend zijn er geen andere ontwikkelingsplannen in de directe omgeving.
BESCHRIJVING MILIEUTECHNISCHE KENMERKEN 2.6.1
Gebruik natuurlijke hulpbronnen
Ten behoeve voor de bedrijfsvoering zullen o.a. de volgende hulpbronnen worden gebruikt: ► ► ► ► ►
Voeders Gas Elektriciteit Water Strooisel
De voeders worden opgeslagen in de voedersilo’s. De nutsvoorzieningen en voedersilo’s zijn reeds aanwezig en beschikken over een voldoende capaciteit voor de beoogde situatie. De hoeveelheden hulpbronnen die verbruikt worden, worden zoveel mogelijk beperkt. Enerzijds vanwege de effecten voor het milieu, anderzijds ter beperking van de productiekosten.
19 APRIL 2023
4
MER-beoordelingsnotitie Abbendijk 2
2.6.2
Productie afvalstoffen
In tabel 1 is de productie van afvalstoffen op jaarbasis voor de nieuwe bedrijfssituatie weergegeven. Tabel 1 Overzicht afvalstoffen
Afvalstof Huishoudelijk afval Kadavers Mest (strooiselmest) Lampen
Nieuwe bedrijfssituatie 250 kg 3.00 kg 1.300 ton 10 stuks
De opslag en afvoer van deze afvalstoffen geschiedt volgens de hiervoor geldende wet- en regelgeving. De geproduceerde strooiselmest kan in het groeiseizoen worden gebruikt als meststof voor akkerbouw- en weidegronden in de omgeving. Daarnaast zijn er mogelijkheden om de geproduceerde mest af te voeren naar derden die het gebruiken als energiebron voor biogasinstallatie of biomassaketel. 2.6.3
Verontreiniging en hinder
Mogelijke verontreinigingen bij dit initiatief zijn: bodemverontreiniging door opslag van dieselolie, (afgewerkte) olie, mest en/of kadavers en luchtverontreiniging als gevolg van emissies. Om deze verontreinigingen te voorkomen, worden diverse maatregelen genomen. Zo wordt de geproduceerde strooiselmest in daarvoor bestemde containers na iedere productieronde van het bedrijf afgevoerd. De kadavers worden opgeslagen in kadavertonnen in de kadaverkoeling, waardoor bodemverontreiniging wordt voorkomen. Voor wat betreft de emissies van het bedrijf wordt voldaan aan de geldende wet- en regelgeving. Dit wordt nader toegelicht in hoofdstuk 4: milieueffecten. 2.6.4
Ongevallenrisico’s
De meeste activiteiten bij deze veehouderij vinden binnen de gebouwen plaats. Deze activiteiten hebben bij een normale bedrijfsvoering geen extra risico op ongevallen als gevolg. Op het bedrijf worden brandveiligheidsmaatregelen genomen, brandvertragende materialen toegepast en draagbare brandblussers geplaatst. Om het risico op ongevallen op het bedrijf te verkleinen, wordt gewerkt met opgeleid personeel in het geval dat externe medewerkers worden ingezet. Bij het gebruik van werktuigen en machines worden de voorschriften van de fabrikant nageleefd. Een risico voor een pluimveehouderij betreft het uitvallen van stroom. Door het wegvallen van de netspanning zullen onder ander de ventilatoren stilvallen. Het gevolg hiervan is dat er onvoldoende luchtverversing in de stallen is, waardoor de dieren kunnen stikken. Om dit risico weg te nemen is er op het bedrijf een noodstroomaggregaat aanwezig zodat er te allen tijde spanning beschikbaar is.
19 APRIL 2023
5
MER-beoordelingsnotitie Abbendijk 2
OMGEVING BESTAAND GRONDGEBRUIK In de huidige situatie is de locatie aan de Abbendijk 2 reeds in gebruik als pluimveehouderij. Het bedrijf is opgericht en in werking. De nieuwbouw van stal C zal deels buiten het huidige bouwvlak plaatsvinden, daar is tot heden grasland in gebruik. Hiervoor zal een Omgevingsvergunning handelen in strijd met ruimtelijke regels worden aangevraagd.
AANWEZIGE NATUURWAARDEN 3.2.1
Algemene beschrijving omgeving
Het bedrijf is gelegen in het buitengebied van de gemeente Ooststellingwerf. De gemeente grenst aan de provincie Drenthe. Ooststellingwerf behoort van oudsher tot de Stellingwerven. Deze gebieden zijn al ruim 700 jaar bewoond. De gemeente kent 25.687 inwoners (31 januari 2022). 3.2.2
Nationale landschappen
Nederland kent twintig Nationale Landschappen. Deze gebieden hebben een unieke combinatie van cultuurhistorische en natuurlijke elementen. Daarmee vertellen ze het verhaal van het Nederlandse landschap. De Nationale Landschappen worden gekenmerkt door een bijzondere samenhang tussen landschapselementen als natuur, reliëf, grondgebruik en bebouwing. Door het aanwijzen van Nationale Landschappen wil de overheid het typische Nederlandse landschap behouden. Nationale Landschappen worden beschermd op grond van hun archeologisch of cultuurhistorisch waardevolle eigenschappen. Het bedrijf is niet gelegen in een Nationaal landschap. 3.2.3
Natuurparken, kustgebieden en bosgebieden
Nationale Parken (natuurparken) zijn de meest waardevolle natuurgebieden van Nederland. In Nederland is een nationaal park een natuurgebied van ten minste duizend hectare, met een karakteristiek landschap en bijzondere planten en dieren. Het beheer van een nationaal park is gericht op natuurbehoud en -ontwikkeling, natuurgerichte recreatie, educatie en voorlichting en op onderzoek. Naast natuurparken vormen ook kustgebieden en bosgebieden een belangrijk onderdeel van de Nederlandse natuur. De genoemde gebieden worden alleen beschermd wanneer zij tevens zijn aangewezen op grond van natuurbeschermende regelgeving. Eventuele natuurparken, kustgebieden en/of bosgebieden in de omgeving van het bedrijf die tevens zijn aangewezen onder andere natuurbeschermende regelgeving worden in desbetreffende paragraaf genoemd. Onderhavige locatie is niet in een dergelijk gebied gelegen.
3.2.4
Nationaal Natuur Netwerk
Het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) heeft in 1990 de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) geïntroduceerd. In juni 2013 kondigde staatssecretaris Dijksma aan dat de overheid de naam Natuurnetwerk Nederland gaat gebruiken in plaats van Ecologische Hoofdstructuur. De NNN bestaat uit een netwerk van natuurgebieden. Het doel van de NNN is de instandhouding, verbinding en ontwikkeling van deze natuurgebieden, om daarmee een groot aantal soorten en ecosystemen te laten voortbestaan.
19 APRIL 2023
6
MER-beoordelingsnotitie Abbendijk 2
NNN-gebieden worden beschermd wanneer zij zijn aangewezen op grond van natuurbeschermende regelgeving of wanneer in het gebied een activiteit wordt opgericht of uitgebreid. Het bedrijf aan de Abbendijk 2 is gelegen op een afstand van circa 850 meter van een Nationaal Natuur Netwerk, zie figuur 4.
Figuur 4: Ligging locatie (= O) ten opzichte van NNN gebieden (Bron: atlas van de regio)
3.2.5
Zeer kwetsbare gebieden
Zeer kwetsbare gebieden zijn gebieden welke in het kader van de Wet ammoniak en veehouderij (Wav) zijn aangewezen als voor verzuring gevoelig. Zeer kwetsbare gebieden zijn voor een activiteit van belang wanneer zij binnen 250 meter van de locatie zijn gelegen. Het dichtst bij gelegen Wav gebied bevindt zich op circa 1.080 meter. Het bedrijf bevindt zich dus buiten de 250 meter bufferzone rond een Wav-gebied. 3.2.6
Natura 2000-gebieden
Nederland kreeg in 1967 voor het eerst een Natuurbeschermingswet. Deze wet maakte het mogelijk om natuurgebieden en soorten te beschermen. Op den duur voldeed de wet niet meer aan de eisen die internationale verdragen en Europese verordeningen stellen aan natuurbescherming. Daarom is in 1998 een nieuwe Natuurbeschermingswet gemaakt die gericht is op gebiedsbescherming. Inmiddels is per 1 januari 2017 de Wet natuurbescherming van kracht. Deze wet vervangt de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. In deze nieuwe Wet moet daarom niet alleen het effect vanuit de inrichting op de beschermde Natura 2000-gebieden worden getoetst, maar ook de beschermde natuur/soorten in en om de inrichting. Het bevoegd gezag hiervoor is de provincie waarin het bedrijf is gelegen. Het dichtstbijzijnde beschermde natuurgebied is het ‘Drents Friese Wold & Leggelderveld‘ op een afstand van circa 3,7 kilometer.
19 APRIL 2023
7
MER-beoordelingsnotitie Abbendijk 2
MILIEUEFFECTEN In onderstaande paragrafen worden potentiële milieueffecten in beeld gebracht. Het aantal dieren in de beoogde situatie betreft 130.900 vleeskuikens. Dit heeft effect op de milieubelasting in de omgeving en de natuur. Met onderhavige notitie wordt het effect in de omgeving inzichtelijk gemaakt. In bijlage 2 is de diertabel opgenomen, waarin staat vermeld hoeveel dieren per stal en in welk huisvestingssysteem wordt aangevraagd. In bijlage 3 zijn de invoergegevens voor de verspreidingsmodellen bijgevoegd.
AMMONIAKEMISSIE Een overzicht van de ammoniakemissie in de vergunde en de gewenste situatie is weergegeven in bijlage 2. Ten gevolge van de bedrijfsaanpassing neemt de jaarlijkse ammoniakemissie aan de Abbendijk 2 af van 2.983,9 kg naar 2.748,9 kg. Dit is een afname van 235 kg. Binnen 60 meter1 van de inrichting zijn geen boomkwekerijen of fruitteeltbedrijven gelegen. Er kan daarmee worden geconcludeerd dat er geen sprake is van risico op gewasschade in de directe omgeving van het bedrijf nu ook de nieuwe stal C wordt uitgevoerd met een verdergaand emissiearm systeem zoals de bestaande stallen ook al zijn uitgevoerd.
GEUREMISSIE Het meest dichtbijgelegen voor geur gevoelige object ligt aan de Abbendijk 3, op een afstand van circa 50 meter van nieuwbouw C. De minimaal vereiste afstand tussen de gevel van deze woning en de pluimveestal is 25 meter, waardoor aan de gestelde afstandseis in de Wet geurhinder en veehouderij wordt voldaan. Voor pluimvee is een geuremissiefactor per dier vastgesteld, waarmee de geurbelasting naar de omgeving dient te worden berekend. De berekende geurbelasting dient te worden getoetst aan de geurnormen. De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt vanaf 1 januari 2007 het beoordelingskader voor geurhinder van veehouderijen. Deze wet geeft normen voor de geurbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object (bijvoorbeeld een woning). Voor de geurbelasting op geurgevoelige objecten gelden wettelijke geurnormen als maximum. Voor een nietconcentratiegebied, waarin Abbendijk 2 is gelegen geldt een maximale geurbelasting van 2,0 odour units per kubieke meter lucht (OU/m³) binnen de bebouwde kom en een norm van 8,0 OU/m³ buiten de bebouwde kom.
1 Invloed van ammoniak op boomkwekerijgewassen en fruitbomen, Plant Research International B.V., Wageningen, januari
2001, C.J. van Dijk, J. Franzaring & A.J. van Alfen 19 APRIL 2023
8
MER-beoordelingsnotitie Abbendijk 2
Voor gemeenten is het, door middel van het vaststellen van een geurverordening, mogelijk om af te wijken van wettelijke normen uit de Wgv. De gemeente Ooststellingwerf heeft een eigen geurverordening opgesteld. In de verordening is een afwijkende geurnorm opgenomen voor geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom (8,0 OU/m3) en buiten de bebouwde kom (20,0 OU/m3). De geuremissie van het bedrijf aan de Abbendijk 2 blijft gelijk ten opzichte van de vergunde situatie. Met het rekenprogramma V-Stacks Vergunningen kan de verspreiding van geur vanuit een veehouderijbedrijf worden berekend. Het rekenresultaat is de geurbelasting op in de omgeving gelegen geurgevoelige objecten. Vervolgens toetst het programma of de berekende geurbelasting voldoet aan de norm die van toepassing is. Om de geurbelasting te berekenen worden gegevens ingevoerd over het bedrijf (bronnen) en de omliggende geurgevoelige objecten (receptoren). Het programma houdt rekening met de meteorologische gegevens van een heel jaar en met de ruwheid van de omgeving. In bijlage 3 zijn de invoergegevens opgenomen. In tabel 2 zijn de resultaten van de geurverspreidingsberekening weergegeven. In bijlage 5 is de berekening opgenomen. Tabel 2 Resultaten geurbelasting
Geurgevoelig object Abbendijk 3 Twijtel 6 Twijtel 5 Twijtel 6a Twijtel 7 Grindweg 3a Grindweg 9 Ceresstraat 9 Grindweg 5 Grindweg 7 Grindweg 11 Bovenweg 2 Bovenweg 3 Bovenweg 4 Bovenweg 5 Bovenweg 6 Bovenweg 8
Geurnorm 20,0 20,0 20,0 20,0 20,0 20,0 20,0 8,0 20,0 20,0 20,0 20,0 20,0 20,0 20,0 20,0 20,0
Geurbelasting vergunde situatie 22,3 9,4 5,4 4,7 6,7 6,8 13,1 0,3 5,3 4,8 5,9 4,0 2,3 3,0 3,9 3,1 2,4
Geurbelasting nieuwe situatie 18,7 6,8 4,5 4,3 5,4 5,4 9,2 0,3 4,2 3,9 4,7 3,3 2,0 2,6 3,3 2,7 2,1
Door de herverdeling van dieren binnen de inrichting en de wijziging van emissiepunten zal voor de omgeving een verbetering optreden voor wat betreft het aspect geur. De overbelaste situatie aan de Abbendijk 3 verbeterd met onderhavig plan sterk en zal ruimschoots gaan voldoen aan de gestelde geurnorm. De geurbelasting aan de Ceresstraat 9 blijft met 0,3 OU/m3 gelijk aan de vergunde situatie. Voor alle andere geurgevoelige objecten in de omgeving zal de geursituatie tevens verbeteren ten opzichte van de huidige situatie. Geconcludeerd kan worden dat wordt voldaan aan de gestelde eisen.
19 APRIL 2023
9
MER-beoordelingsnotitie Abbendijk 2
FIJNSTOF EMISSIE In de Wet Luchtkwaliteit worden eisen gesteld aan de kwaliteit van de lucht. Eén van de eisen is een maximumwaarde voor de hoeveelheid stof die zich in de lucht bevindt. Bij wijzigingen aan veehouderijbedrijven dient de luchtkwaliteit te worden beoordeeld. Hierbij wordt de concentratie van fijnstof (PM10) beoordeeld. Sinds 1 januari 2015 dient tevens de concentratie voor PM 2,5 te worden beoordeeld. Volgens de wettelijke normen mag de concentratie PM10 veroorzaakt door de inrichting op omliggende woningen van derden maximaal 40 μg/m3 bedragen en mag er maximaal 35 dagen sprake zijn van een overschrijding van de grenswaarde van 50 μg/m3 voor 24-uurgemiddelden per jaar. De grenswaarde voor PM2,5 bedraagt 25 μg/m3. Met onderhavig plan daalt de fijnstofemissie (PM10) aan de Abbendijk 2 van 2.880 kilogram/jaar (vergund) naar 2.645 kilogram/jaar. In de beoogde situatie wordt de nieuw te bouwen pluimveestal voorzien van een warmtewisselaar voor 31% fijnstofreductie. Middels het rekenprogramma ISL3a is de fijnstofverspreiding van grotere deeltjes (PM 10) en kleinere deeltjes (PM2,5) van het plan in kaart gebracht. In tabel 3 zijn de resultaten weergegeven. De resultaten zijn bijgevoegd in bijlage 6. Tabel 3 Resultaten fijnstof verspreidingsmodel ISL3a
Gevoelig object Abbendijk 3 Twijtel 5 Twijtel 6 Twijtel 6a Twijtel 7 Grindweg 5 Grindweg 7 Grindweg 9 Grindweg 11 Bovenweg 2 Bovenweg 3 Bovenweg 4 Bovenweg 5 Bovenweg 6 Bovenweg 3a Bovenweg 8
Concentratie achtergrond PM10 (µg/m3) 13,66 13,66 13,66 13,66 13,66 12,83 12,83 13,66 12,83 13,66 12,73 13,66 12,73 13,66 13,66 13,66
Concentratie bron PM10 (µg/m3) 3,22 0,88 1,29 0,73 0,80 0,52 0,47 1,15 0,55 0,43 0,25 0,33 0,43 0,26 0,68 0,26
Concentratie totaal PM10 (µg/m3) 16,88 14,53 14,95 14,38 14,45 13,35 13,29 14,81 13,38 14,09 12,98 13,98 14,09 13,92 14,34 13,92
Overschrijding (dagen)
Concentratie PM2.5 (µg/m3)
6,5 6,1 6,2 6,3 6,1 6,1 6,1 6,6 6,2 6,0 6,0 6,0 6,0 6,0 6,2 6,0
6,360 6,260 6,280 6,250 6,260 6,180 6,180 6,280 6,180 6,240 6,140 6,240 6,240 6,240 6,250 6,240
Uit het onderzoek blijkt dat onderhavig plan aan de grenswaarde voor PM 10 van 40 μg/m3 (jaargemiddelde) zal voldoen. De hoogste PM10 concentratie van 16,88 μg/m3 bevindt zich ter hoogte van Abbendijk 3 daarvan wordt 3,22 μg/m3 veroorzaakt door het bedrijf, de overige 13,66 μg/m3 is afkomstig van andere bronnen in de omgeving, zoals verkeer, wonen en industrie. Het aantal overschrijdingsdagen van 6,5 is lager dan de maximale 35 dagen die zijn toegestaan. Er wordt tevens ter hoogte van negen woningen al voldaan aan de WHO-advieswaarde voor PM10 van 15 μg/m3.
19 APRIL 2023
10
MER-beoordelingsnotitie Abbendijk 2
De berekende PM2,5 belasting bedraagt maximaal 6,360 μg/m3, waardoor ook ruimschoots aan de norm voor PM2,5 wordt voldaan. Dat betekent dat onderhavig plan met de daling van de fijnstofemissie aan de regelgeving omtrent luchtkwaliteit voldoet. 4.3.1
Toetsing cumulatie fijnstof
Sinds 1 januari 2019 is het verplicht om bij toetsing van een oprichting of wijziging van een veehouderij ook de omliggende veehouderijen in een straal van 500 meter in te voeren in het rekenprogramma ISL3a. Geadviseerd wordt om tot 1 km afstand veehouderijen met een grote emissie op te nemen in de berekening. In de berekening moeten veehouderijen worden meegenomen met een totale emissie van fijnstof van meer dan: ► 500 kg/jaar als de achtergrondconcentratie hoger is dan 27 μg/m3, of ► 800 kg/jaar ongeacht de achtergrondconcentratie De berekening is alleen verplicht bij veehouderijen die een aanvraag indienen met een totale emissie van fijnstof van meer dan 500 kg/jaar als de achtergrondconcentratie hoger is dan 27 μg/m3, of 800 kg ongeacht de achtergrondconcentratie. Met onderhavig plan is vanuit de inrichting sprake van een totale fijnstofemissie van 2.645 kg/jaar. Het is dan ook noodzakelijk een extra cumulatie fijnstof berekening uit te voeren indien in de directe omgeving veehouderijen gelegen zijn met een totale emissie van fijnstof van meer dan 800 kg/jaar. In een straal van 1 km afstand bevinden zich echter geen veehouderijen met een fijnstofemissie van meer dan 800 kg/jaar. Een berekening cumulatie fijnstof is dan ook niet noodzakelijk.
WATER 4.4.1
Hemelwater
Vermeden wordt dat hemelwater in contact komt met materialen die milieubelastende stoffen uitlogen. Deze materialen kunnen hierdoor niet de bodem en het water vervuilen. Uitspoeling van vervuilende stoffen via de bodem naar het oppervlaktewater wordt zo voorkomen. 4.4.2
Waterverbruik
Het waterverbruik wordt in de nieuwe situatie naar verwachting circa 6.000 m3 per jaar. Voor het bedrijf wordt enkel leidingwater gebruikt. Voor de woning wordt ook leidingwater gebruikt, maar deze hoeveelheid is niet in het aangegeven verbruik opgenomen. Het waterverbruik wordt in hoofdzaak bepaald door de drinkwaterbehoefte van de dieren. Door het toepassen van lagedruksystemen wordt verspilling zoveel mogelijk voorkomen. Voor het reinigen van de stallen wordt circa 250 m3 verbruikt. Door toepassing van een hogedrukspuit en inweekmiddelen kunnen de stallen eenvoudiger, sneller en met minder water worden gereinigd. Ook worden de stallen wel schoon gemaakt zonder water te gebruiken. ENERGIE Het beperken van het energieverbruik op het bedrijf is van belang voor de klimaat- en kosteneffecten. Bij de realisatie van gebouw D is daar al rekening mee gehouden en ook bij de bouw van stal C zal een vergaande beperking van het energiegebruik worden nagestreefd. Dit vertaalt zich door investeringen in extra isolatie, het gebruik van energiearme verlichting en het toepassen van warmtewisselaars; dit met toepassing van de nieuwste technieken. 19 APRIL 2023
11
MER-beoordelingsnotitie Abbendijk 2
Energieverbruikers op het bedrijf zijn de ventilatoren, de verlichting, de verwarming en overige installaties (voer, drinkwater etc.). Het verwachte energieverbruik zal door toepassing van een warmtewisselaar met circa 50% worden teruggebracht ten opzichte van traditionele bouw. Het energieverbruik wordt zoveel mogelijk beperkt door het toepassen van een hoge thermische isolatie en een energiezuinig ventilatiesysteem met klimaatcomputer. Tevens worden ledlampen gebruikt, zodat het energieverbruik zo laag mogelijk blijft. Ook worden warmtewisselaars toegepast, waarmee de inkomende buitenlucht wordt opgewarmd met uitgaande warme stallucht. GELUID Op het bedrijf zijn geluidsbronnen aanwezig en vinden er activiteiten plaats waarbij geluid geproduceerd wordt. De geluidbelasting veroorzaakt door het bedrijf wordt zoveel mogelijk beperkt. Zo wordt waar mogelijk inpandig gewerkt, wordt er met volle vrachten gewerkt om het aantal verkeersbewegingen te beperken. Naast de activiteiten die elkaar in een ronde opvolgen, zijn er tevens andere geluidbronnen/-activiteiten binnen de inrichting aanwezig. Voorbeelden van deze activiteiten/handelingen zijn de voervijzels en het noodstroomaggregaat. Deze apparaten worden goed onderhouden en, waar nodig, tijdig vervangen. Al deze geluidbronnen staan inpandig opgesteld.
Deze geluidbronnen zullen daarom buiten de gebouwen bijna niet waarneembaar zijn. Verder zal de geluidbelasting van de inrichting naar de omgeving nauwelijks veranderen. Het aantal verkeersbewegingen zal nauwelijks veranderen gezien er geen veranderingen in het vee bestand plaatsvinden. Het effect van onderhavig plan op de geluidbelasting in de omgeving zal klein zijn en derhalve is geen akoestisch onderzoek opgesteld. BESLUIT EMISSIEARME HUISVESTING Op 25 juni 2015 is het Besluit emissiearme huisvesting (Beh) gepubliceerd, dat het Besluit huisvesting vervangt. Per 1 augustus 2015 is betreffend Besluit in werking getreden. In het nieuwe Besluit worden strenge eisen gesteld aan de ammoniakreductie voor diercategorieën in nieuwe en bestaande stalruimten. Daarnaast zijn er verdergaande eisen aan de fijnstofemissie voor nieuwe pluimveestallen. Onderhavig plan dient de nieuwe stal C en de uitbreiding van stal A te voldoen aan de vereisten met betrekking tot ammoniak en fijnstofemissie. Aan de vereisten voor het aspect ammoniak wordt voldaan. Namelijk moet worden voldaan aan de maximale emissie van 0,045 kg per NH3 dierplaats per jaar voor de bestaande stallen. De nieuwbouw moet voldoen aan de emissie-eis van 0,024 kg per NH3 dierplaats per jaar.
In onderhavig plan zijn de pluimveestallen A, B, C en D voorzien van een luchtmengsysteem in combinatie met een warmtewisselaar, waarmee een emissie van 0,021 kg NH3 per dierplaats per jaar wordt geëmitteerd. In het Beh worden er voor nieuwe pluimveestallen ook eisen gesteld aan de fijnstof emissie. In onderhavig plan is er sprake van een nieuwe pluimveestal C. Deze moet voldoen aan de emissieeis van 16 gram PM10 per dierplaats per jaar. De pluimveestal C wordt voorzien van een warmtewisselaar met een reductie van 31% met dit systeem wordt de emissie van die nieuwe stal 15 gram PM10 per dierplaats per jaar en voldoet het aan de vereisten voor het aspect fijnstof. Voor de uitbreiding van pluimveestal A wordt hier niet aan voldaan. Voor de uitbreiding aan pluimveestal A wordt het bevoegd gezag verzocht gebruik te maken van Artikel 7 lid 4 van het Beh omdat er een daling is van het aantal te houden dieren in deze stal: Indien naar het oordeel van het bevoegd gezag in redelijkheid niet aan de maximale emissiewaarde kan worden voldaan, kan dat gezag bepalen dat bij het uitbreiden van een dierenverblijf het eerste 19 APRIL 2023
12
MER-beoordelingsnotitie Abbendijk 2
lid niet van toepassing is. Dit kan uitsluitend indien bij die uitbreiding hetzelfde huisvestingssysteem wordt toegepast en de uitbreiding niet meer dan 50% van het bebouwde oppervlak bedraagt. VERKEER EN PARKEREN Binnen de inrichting zijn voldoende parkeerplaatsen aanwezig die zijn afgestemd op de parkeerbehoefte. Voor de ontsluiting van het bedrijf wordt gebruik gemaakt van een tweetal inritten vanaf de Abbendijk. EXTERNE BELEMMERINGEN In Nederland vallen bedrijven met grote hoeveelheden gevaarlijke stoffen onder het Besluit risico's zware ongevallen (BRZO). Het BRZO voegt wet- en regelgeving op het gebied van arbeidsveiligheid, externe veiligheid en rampbestrijding samen. Het doel van het BRZO is het voorkomen en beheersen van zware ongevallen met gevaarlijke stoffen. Met het voorgenomen initiatief worden er geen kwetsbare objecten binnen risicocontouren gerealiseerd. Een uitsnede van de risicokaart van de bedrijfslocatie en omliggende inrichtingen is in figuur 5 inzichtelijk gemaakt. In de omgeving van het bedrijf zijn vier inrichtingen gelegen met gevaarlijke stoffen en/of activiteiten. De vier locaties vallen onder de categorie “overig”. De afstand tot de dichtst bij gelegen inrichting bedraagt ruim 950 meter.
De risicokaart laat geen risico’s zien die een belemmering vormen voor de realisatie van het initiatief en ook vormt het initiatief zelf geen (veiligheids-)belemmering voor de omgeving.
Figuur 5 Uitsnede risicokaart directe omgeving van het bedrijf (=O) (Bron: risicokaart.nl)
19 APRIL 2023
13
MER-beoordelingsnotitie Abbendijk 2
(VOLKS-)GEZONDHEID De afgelopen jaren zijn de rapporten “Veehouderij en gezondheid omwonenden” (vanaf nu VGO) gepubliceerd door het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu. De onderzoeken daarvoor zijn uitgevoerd in een concentratiegebied van veehouderij Oost-Brabant en Noord-Limburg en is niet representatief aan de omgeving van de bedrijfslocatie. In deze rapporten werden geen duidelijke consistente verbanden gevonden met bedrijven met bepaalde diersoorten (runderen, pluimvee, varkens). Dit wijst op een gemeenschappelijke factor die bij alle veehouderijen aanwezig is. Daarbij is gebleken dat er geen onderscheid gevonden is of het een groter of een kleiner bedrijf betreft. Verder blijkt steeds uit de VGO-onderzoeken dat bij omwonenden van veehouderijbedrijven minder COPD en (chronische) ziekte aan longen voorkomt. Stallen stoten via hun ventilatielucht stofdeeltjes uit (fijnstof). Deze stofdeeltjes kunnen endotoxinen bevatten. Endotoxine is een deel van de celwand van bepaalde, zogenaamde Gram-negatieve bacteriën, en worden beschouwd als een algemene marker voor bacteriële blootstelling (Douwes et al., 2003). De endotoxineniveaus zijn gemiddeld circa 50% hoger voor meetlocaties op korte afstand van veehouderijbedrijven (< 250 m) dan op grote afstand van veehouderijbedrijven (> 1.000 m).
Concentraties op woonadresniveau zijn circa een factor 10 lager dan de endotoxineconcentraties die op 100 meter van stallen van veehouderijbedrijven gemeten zijn. De jaargemiddelde endotoxineconcentraties zijn relatief laag, maar zijn hoger wanneer de dichtstbijzijnde veehouderij meer nabij is of met meer veehouderijen in een straal van 1.000 meter rond de meetlocaties. Met onderhavig plan wordt de fijnstofuitstoot vanuit de inrichting verlaagd, de uitstoot van endotoxine zal hiermee ook lager worden. Dit is een gunstige ontwikkeling voor de volksgezondheid. Een groter aantal veehouderijen in een gebied kan bijdragen voor de verhoging van de blootstelling. Ook de afstand tot het dichtstbijzijnde bedrijf, ongeacht het type bedrijf, was niet duidelijk geassocieerd met de longfunctie van omwonenden. Omdat de splines aangeven dat bij hogere bedrijfsdichtheden (> 15-17 bedrijven in een straal van 1.000 meter) associaties worden gevonden, leveren klassieke lineaire regressieanalyse of een inter-kwartiel analyse geen significante verbanden op. Er zijn 12 veehouderijen2 gelegen binnen een straal van 1 kilometer om het bedrijf heen. Dit betekent volgens het VGO-rapport dat er geen nadelige effecten verwacht worden voor omwonenden. Door het RIVM wordt verder gerapporteerd dat er sinds 2014 rond pluimveebedrijven geen nadelige effecten worden gevonden op gezondheid van omwonenden.
Verder blijkt uit onderzoeken dat de algehele gezondheidsweerstand van omwonenden van veehouderijen hoger is. Het bedrijf neemt de volgende maatregelen ten behoeve van de (volks-)gezondheid: ► ► ► ► ►
2
Bezoekers hebben beperkt toegang tot het bedrijf. Voor bezoekers is er bedrijfskleding aanwezig. In een bedrijfsregister worden bezoekers geregistreerd. Dierenverblijven en erf worden frequent gereinigd. Er is een ongediertebestrijdingsplan om ziekte-insleep te voorkomen.
Gebaseerd op ruimtelijke plannen
19 APRIL 2023
14
MER-beoordelingsnotitie Abbendijk 2
OMKEERBAARHEID De meeste milieueffecten die kunnen optreden als gevolg van het realiseren van het initiatief kunnen worden tenietgedaan door het niet (meer) in gebruik hebben van de gebouwen, zoals ze bedoeld zijn. Indien de inrichting buiten werking wordt gesteld zullen de emissies van onder andere ammoniak, geur en fijnstof wegvallen, het gebruik van grondstoffen zal stoppen en er zullen geen afvalstoffen en mest meer worden geproduceerd. Ook de effecten in de omgeving met betrekking tot volksgezondheid zullen verdwijnen wanneer er geen dieren meer worden gehouden. Het bedrijf heeft in de afgelopen jaren al een bepaald effect op de natuur en omgeving gehad, waardoor de eventuele schade die door het bedrijf is aangericht niet meer tenietgedaan kan worden. Ook het effect van de oprichting van stallen op de bodem(lagen) is al veroorzaakt en kan niet meer in originele staat worden teruggebracht. Voor onderhavig plan kan niet worden gesproken van omkeerbaarheid, daar de op dit moment al veroorzaakte veranderingen aan bodem, natuur en volksgezondheid niet meer ongedaan gemaakt kunnen worden. Wel is het zo dat de verlaging van de ammoniak en fijnstofemissie in de beoogde situatie gunstig zal zijn in de omgeving.
19 APRIL 2023
15
MER-beoordelingsnotitie Abbendijk 2
SLOTSOM Initiatiefnemer wil de pluimveehouderij aan de Abbendijk 2 wijzigen. Het aantal gehouden stuks vleeskuikens blijft gelijk aan de vergunde situatie. Er is sprake van nieuwbouw van stal C en een verlenging van stal A. Door de dieren meer leefruimte te bieden kan het bedrijf produceren volgens het Beter Leven concept van de Dierenbescherming. De emissie van fijnstof en ammoniak op het bedrijf wordt verder verlaagd. Ook zal de geursituatie in de omgeving gunstiger worden en voldoen aan geldende geurnormen. Door de bedrijfsvoering kunnen de milieueffecten welke beschreven zijn in deze vormvrije m.e.r.beoordelingsnotitie optreden. Deze effecten zijn nauwkeurig te beschrijven omdat er vastgestelde normen zijn waarvan uit gegaan dient te worden. Bij het toetsen aan deze normen is gebruik gemaakt van verschillende rekenprogramma’s. Uit voorgaande hoofdstukken valt te concluderen dat de voorgenomen activiteit geen belangrijke nadelige gevolgen heeft voor het milieu.
19 APRIL 2023
16
MER-beoordelingsnotitie Abbendijk 2
BIJLAGE 1 Milieutekening
19 APRIL 2023
I
RENVOOI ALGEMEEN Staldoorsneden zijn genomen op de plaats en in de richting van de stalletter
GEVELOPENINGEN
6250+ steunventilator
7000+ ep
7309+ windbreekgaas windzeil, vanaf boven iets open
C
A
2500+
isolatie
4000 ep oplierbare wand, 1 meter hoog
doorloop openingen
34.600 VLEESKUIKENS
B
3500+
3500+
3500+ ep
D
isolatie isolatie
overdekte uitloop
verwarmingsbuizen
doorloop openingen
34.700 VLEESKUIKENS RAV E 5.11
RAV E 5.11 + RAV E 7.18
4770+
isolatie
overdekte uitloop
2000
2750+
3500+ ep
2000
E
3150+
isolatie
4000 ep
3500+ ep
4990+
4000 ep
verwarmingsbuizen
metselwerk buitenwand
2500+
verwarmingsbuizen
doorloop openingen
31.100 VLEESKUIKENS RAV E 5.11
MATERIALEN metselwerk spouwmuur
2500+ windbreekgaas windzeil, vanaf boven iets open
1200
isolatie
raamopening
1000
6212+
windbreekgaas windzeil, vanaf boven iets open
5000 ep
1200
4974+
windbreekgaas windzeil, vanaf boven iets open
windbreekgaas windzeil, vanaf boven iets open 3600
6250+
7000+ ep
3600
7708+
deuropening
900
verwarmingsbuizen
stal
overdekte uitloop
30.500 VLEESKUIKENS RAV E 5.11
metselwerk binnenwand prefab gevelelement (200 mm) prefab gevelelement (140 mm) stalen profielplaat gewapend beton prefab beton
doorloop openingen
sandwichpaneel
principe detail uitloop stal C 1:100
kunststof
LEIDINGEN 34.700 VLEESKUIKENS RAV E 5.11 spoelwaterafvoer met schrobputje
VLOERARCERINGEN onderkelderd
VENTILATOREN
1300
100400
ventilator verticale luchtstroom
28
30,35 kW
ventilator horizontale luchtstroom
24
23,92 kW
1
5 kW
4200
ELEKTROMOTOREN verwarmingsbuizen 1
1
waterlijn
hogedrukreiniger waarin aangegeven het vermogen
HD
4400
80 kW
hygiënesluis voerlijn
waterpomp waarin aangegeven het vermogen
3
6 kW
aandrijving voerlijn
22
22 kW
vijzel
14
10,5 kW
handgereedschap waarin aangegeven het vermogen
1
5 kW
noodaggregaat (nsa) waarin aangegeven vermogen
2
95 kW
loader waarin aangegeven het vermogen
1
60 kW
c.v. ketel waarin aangegeven het vermogen
3
720 kW
heteluchtkanon/gasheater
8
560 kW
AG 30 kW ø940 0,75
voerlijn
VERBRANDINGSMOTOREN
voerlijn
D
ø940 0,75
AG
20400
ø940 0,75
ø1300 1,12 ø1300 1,12
afdak
waterlijn
ø1300 1,12 ø1300 1,12
stuwbak uitstroomopening 14.3 m²
11000
20400
ø1300 1,12
ø1300 1,12
waterlijn
waterlijn
voerlijn
VERWARMING
ø940 0,75
voerlijn
3
waterlijn
1 verwarmingsbuizen
32 warmtewisselaar
32
30m³
TANKS - VATEN - OPSLAG - SILO'S rk
reinigings- ontsmettingsmiddelenkast
1
50 L
kk
kadaverkoeling
1
0,5 kW
veevoedersilo waarin aangegeven tonnage
11
282 ton
graansilo aangegeven inhoud in m³
3
78 m³
handbrandblusser
9
90 kg
1
aandrijving inlaat ventielen
16
8 kW
2
pomp nevelinstallatie
4
6 kW
3
voerweger
6
1,5 kW
4
steunventilator
6
57,5 kW
gebouw bestaand
5
warmtewisselaar
4
30 kW
gebouw nieuw
6
vriescel
1
1 kW
32
5 3
7000
7000
1 2
86880
ø800 0,95
hygiënesluis
2
voerlijn
P12
waterlijn
250
ø1300 1,12
ø1300 1,12
waterlijn
overdekte uitloop stal D
BRANDVEILIGHEID
608 m²
SITUATIE 1
verwarmingsbuizen 1
80 kW
waterlijn
kadastrale gemeente:
Oldeberkoop
sectie:
D
307
schaal:
1 : 2000
nr:
DIVERSEN
voerlijn
ø940 0,75
waterlijn
bedrijfswoning voerlijn
ø940 0,75
TOTALEN
22000
omliggende bebouwing
B
ø940 0,75
ø1300 1,12
ha
voerlijn
ø1300 1,12
ø1300 1,12
1,398
waterlijn
te slopen gebouwen
152,27 kW
grens van de inrichting
Elektromotorisch vermogen
erfverharding
Verbrandingsmotorisch vermogen
voerlijn
210 kW
waterlijn
ø940 0,75
ø1300 1,12
ø1300 1,12
ø1300 1,12
stuwbak uitstroomopening 14.3 m²
11000
22000
perceel bouwvlak vastgesteld 2016-03-22
ø1300 1,12
ø1300 1,12
waterlijn
voerlijn waterlijn
1300
hygiënesluis
80 kW
1 verwarmingsbuizen
3
1 2
32
30m³
32
8500
5 7500
overdekte uitloop stal B 16485
w.c.
9100
7500
7500
gang / voerruimte
14
ijk
14
nd
14
spoelwater opvangput 60 m³
be
5000
4
Ab
22215
overdekte uitloop stal A
6
keuken/kantine
66260
AG 65 kW
17255
rk
warmtewisselaar
7500
ø800 0,95
270
2 waterlijn
P12
voerlijn
douche
woonhuis P12
3
40 kW
1
waterlijn
40 kW
1
computerruimte 2
ø920 1,10
ø920 1,10
ø920 1,10
ø920 1,10
ø920 1,10
ø920 1,10
ø920 1,10
ø920 1,10
ø920 1,10
ø920 1,10
ø920 1,10
9 waterlijn
waterlijn
A
voerlijn
B
16800
stofkap
6
15120
2
voerlijn
D
19400
kk
ø920 1,10
5
voerlijn
E
waterlijn
A
waterlijn
C
voerlijn
waterlijn
1
40 kW
1
109960 5
1,10 ø920
warmtewisselaar
5
18m³
32
ø800 0,95
warmtewisselaar
1,10 ø920
16 3
5000
19185
5815
1
5000
5000
32
9 S
1
3
3000 5000
5000
4000
1000
overdekte uitloop
100kW
9 S
waterlijn
ø920 1,10
bedieningsruimte
voerlijn 200
ø920 1,10 ø920 1,10
opslag
2
waterlijn ø920 1,10
ø920 1,10
voerlijn
ø920 1,10
ø920 1,10
4
4
4
waterlijn
60 kW voerlijn
toilet
werktuigenberging / loods
3
19000
4
hygienesluis S 9
4
E
ø920 1,10 ø920 1,10
loader dwa naar riool
C
ø920 1,10
19600
TEKENING NIET GESCHIKT VOOR UITVOERING
4000 PROJECT waterlijn
Aanvraag omgevingsvergunning milieu voor het bedrijf aan de Abbendijk 2 8422 DL te Nijeberkoop
voerlijn
waterlijn 100kW
S 9
S 9
1
S 9
1
4000
109985
5000
19185
5815
GETEKEND :
MK
FORMAAT:
Plattegrond, doorsneden en situatieschets
opvangput 50 m³ spoelwater
JB
SCHAAL:
ONDERWERP
5
ADVISEUR :
CONTROLE :
berging / bedieningsruimte
HD 5 kW
9970
25000
ø920 1,10
2
1 : 200 841 x 1100
DATUM :
21 november 2022 RiH
OPDRACHTGEVER
WIJZ. A :
31 maart 2023 RiH
Initiatiefnemer
WIJZ. B :
Abbendijk 2
WIJZ. C :
8422 DL Nijeberkoop
WIJZ. D :
PROJECTNR.
003394-13 TEKENINGNR.
Mv-23
WIJZ. E :
Postbus 396 6710 BJ Ede
Tel. 0318 - 675 400
E. info@agra-matic.nl 20230331_003394-13_FP_de_Walden_Mv-23.vwx
© 2023 alle rechten voorbehouden
MER-beoordelingsnotitie Abbendijk 2
BIJLAGE 2 Diertabel en bijbehorende leaflets
19 APRIL 2023
II
Diertabel Datum :
19-4-2023
Naam aanvrager
FP de Wâlden
Adres
Abbendijk 2
Postcode en plaats
8422 DL Nijeberkoop
Tel.
: 0318-675400
: info@agra-matic.nl
Adres bedrijf
Abbendijk 2
Adviseur
: KB
Postcode en plaats
8422 DL Nijeberkoop
Specialist
: LV
VERGUND
Wnb
Fijn stofemissie PM10
Toetsing Beh fijn stof PM10
Versie
Aantal
Ammoniakemissie Kg NH3
kg NH3
Kolomindeling
Kg NH3
Kg NH3
Geuremissie-
Geuremissie
reductie%
Fijnstof PM2,5
Fijnstof PM2,5
Fijnstof PM2,5
Fijnstof PM10
Fijnstof PM10
Fijnstof PM10
Fijnstof PM10
nummer
dieren
p.pl.p.j.
totaal
keuze A/B/C
Besl Hv
Besl Hv
factor/dier
totaal in OU/s
tbv pluimvee**
in gr/dier/jr
totaal in gr/jr
totaal in gr/s
in gr/dier/jr
totaal in gr/jr
in gr/dier/jr
totaal in gr/jr
9-11-2012 RAV
Fijnstof
Fijn stofemissie PM2,5 *
Stal
code
Vleeskuikens
A
E 5.11
stal met luchtmengsysteem icm warmtewisselaar
BWL 2010.13.
38000
0,021
798,00
A
0,045
1710,00
0,33
12540,00
0%
1,6
60.800
0,00193
22
836.000
22
836.000
Vleeskuikens
B
E 5.11
stal met luchtmengsysteem icm warmtewisselaar
BWL 2010.13.
44900
0,021
942,90
A
0,045
2020,50
0,33
14817,00
0%
1,6
71.840
0,00228
22
987.800
22
987.800
Vleeskuikens
C
E 5.100
overige huisvestingssystemen
traditioneel
5000
0,068
340,00
A
0,045
225,00
0,33
1650,00
0%
1,6
8.000
0,00025
22
110.000
22
110.000
Vleeskuikens
D
E 5.11
stal met luchtmengsysteem icm warmtewisselaar
BWL 2010.13.
43000
0,021
903,00
A
0,045
1935,00
0,33
14190,00
0%
1,6
68.800
0,00218
22
946.000
22
946.000
-
-
0
0,00
0
0,00
0
0,00
0%
0,0
0
0,00000
0
0
0
43197,00
0%
209440
0,00664
-
BWL/GL-nummer
Geuremissie
Diercategorie
-
Huisvestingssysteem
Toetsing Beh ammoniak
TOTAAL
2983,90
5890,50
* Op basis van het Wur Rapport 496: Emissiefactoren methaan, lachgas en PM2,5 voor stalsystemen, inclusief toelichting
voldoet aan Beh NH3
Wabo
Ammoniakemissie
Fijn stofemissie PM10
Toetsing Beh fijn stof PM10
Aantal
Kg NH3
kg NH3
Kolomindeling
Kg NH3
Kg NH3
Geuremissie-
Geuremissie
Fijnstof reductie%
Fijn stofemissie PM2,5 * Fijnstof PM2,5
Fijnstof PM2,5
Fijnstof PM2,5
Fijnstof PM10
Fijnstof PM10
Fijnstof PM10
Fijnstof PM10
nummer
dieren
p.pl.p.j.
totaal
keuze A/B/C
Besl Hv
Besl Hv
factor/dier
totaal in OU/s
tbv pluimvee**
in gr/dier/jr
totaal in gr/jr
totaal in gr/s
in gr/dier/jr
totaal in gr/jr
in gr/dier/jr
totaal in gr/jr
Stal
code
Vleeskuikens
A
E 5.11
stal met luchtmengsysteem icm warmtewisselaar
BWL 2010.13.
V3
38000
0,021
798,00
A
0,045
1710,00
0,33
12540,00
0%
1,6
60.800
0,00193
22
836.000
22
836.000
Vleeskuikens
B
E 5.11
stal met luchtmengsysteem icm warmtewisselaar
BWL 2010.13.
V3
44900
0,021
942,90
A
0,045
2020,50
0,33
14817,00
0%
1,6
71.840
0,00228
22
987.800
22
987.800
Vleeskuikens
C
E 5.100
overige huisvestingssystemen
traditioneel
5000
0,068
340,00
A
0,045
225,00
0,33
1650,00
0%
1,6
8.000
0,00025
22
110.000
22
110.000
Vleeskuikens
D
E 5.11
stal met luchtmengsysteem icm warmtewisselaar
BWL 2010.13.
43000
0,021
903,00
A
0,045
1935,00
0,33
14190,00
0%
1,6
68.800
0,00218
22
946.000
22
946.000
-
-
0
0,00
0
0,00
0
0,00
0%
0,0
0
0,00000
0
0
0
43197,00
0%
209440
0,00664
-
BWL/GL-nummer
Geuremissie
#VERW!
Diercategorie
-
Huisvestingssysteem
Toetsing Beh ammoniak
#VERW!
Versie nr
29-10-2013 RAV
2.879.800 voldoet aan Beh PM10
** Bij meerdere nageschakelde technieken is het reductiepercentage berekend middels Veecombistof. Het berekende reductiepercentage is weergegeven bij de eerste nageschakelde techniek van de betreffende stal VERGUND
0
2.879.800
V3
TOTAAL
2983,90
5890,50
* Op basis van het Wur Rapport 496: Emissiefactoren methaan, lachgas en PM2,5 voor stalsystemen, inclusief toelichting
voldoet aan Beh NH3
** Bij meerdere nageschakelde technieken is het reductiepercentage berekend middels Veecombistof. Het berekende reductiepercentage is weergegeven bij de eerste nageschakelde techniek van de betreffende stal BEOOGD
Wabo
Ammoniakemissie
Huisvestingssysteem
BWL/GL-nummer
Toetsing Beh ammoniak
Geuremissie
Fijnstof
Fijn stofemissie PM2,5 *
2.879.800
#VERW!
voldoet aan Beh PM10
#VERW!
#VERW!
Fijn stofemissie PM10
Toetsing Beh fijn stof PM10
Versie nr
Aantal
Kg NH3
kg NH3
Kolomindeling
Kg NH3
Kg NH3
Geuremissie-
Geuremissie
reductie%
Fijnstof PM2,5
Fijnstof PM2,5
Fijnstof PM2,5
Fijnstof PM10
Fijnstof PM10
Fijnstof PM10
Fijnstof PM10
nummer
dieren
p.pl.p.j.
totaal
keuze A/B/C
Besl Hv
Besl Hv
factor/dier
totaal in OU/s
tbv pluimvee**
in gr/dier/jr
totaal in gr/jr
totaal in gr/s
in gr/dier/jr
totaal in gr/jr
in gr/dier/jr
totaal in gr/jr
2022 RAV
0
2.879.800
Diercategorie
Stal
code
Vleeskuikens
A
E 5.11
stal met luchtmengsysteem icm warmtewisselaar
BWL 2010.13.
V7
34700
0,021
728,70
A
0,045
1561,50
0,33
11451,00
0%
1,6
55.520
0,00176
22
763.400
22
763.400
Vleeskuikens
B
E 5.11
stal met luchtmengsysteem icm warmtewisselaar
BWL 2010.13.
V7
31100
0,021
653,10
A
0,045
1399,50
0,33
10263,00
0%
1,6
49.760
0,00158
22
684.200
22
684.200
Vleeskuikens
C
E 5.11
stal met luchtmengsysteem icm warmtewisselaar
BWL 2010.13.
V7
34600
0,021
726,60
C
0,024
830,40
0,33
11418,00
0%
1,6
55.360
0,00176
22
761.200
16
553.600
Nageschakelde techniek
C
E 7.18
warmtewisselaar; 1 - 95% fijnstofemissiereductie
BWL 2021.01
34600
0
0,00
C
0
0,00
0
0,00
31%
0,0
-17.162
-0,00054
0
-235.972
0
0
Vleeskuikens
D
E 5.11
stal met luchtmengsysteem icm warmtewisselaar
BWL 2010.13.
30500
0,021
640,50
A
0,045
1372,50
0,33
10065,00
0%
1,6
48.800
0,00155
22
671.000
22
671.000
V7
-
-
-
-
0
0,00
-
0
0,00
0
0,00
0%
0,0
0
0,00000
0
0
0
0
-
-
-
-
0
0,00
-
0
0,00
0
0,00
0%
0,0
0
0,00000
0
0
0
0
-
-
-
-
0
0,00
0
0,00
0
0,00
0%
0,0
0
0,00000
0
0
0
43197,00
0%
192278
0,00610
TOTAAL
2748,90
* Op basis van het Wur Rapport 496: Emissiefactoren methaan, lachgas en PM2,5 voor stalsystemen, inclusief toelichting
5163,90
2.643.828
voldoet aan Beh NH3
** Bij meerdere nageschakelde technieken is het reductiepercentage berekend middels Veecombistof. Het berekende reductiepercentage is weergegeven bij de eerste nageschakelde techniek van de betreffende stal
voldoet aan Beh PM10 #VERW!
0 2.672.200
#VERW!
Rav-nummer
BWL 2010.13.V7
Naam systeem
Stal met luchtmengsysteem voor droging strooisellaag in combinatie met een warmtewisselaar
Diercategorie
Vleeskuikens (E 5.11), (groot-) ouderdieren van vleeskuikens in opfok (E 3.8), ouderdieren van vleeskalkoenen in opfok tot 6 weken (F 1.7) en 6 tot 30 weken (F 2.7) en vleeskalkoenen (F 4.9)
Systeembeschrijving van
Januari 2020
Vervangt
BWL 2010.13.V6 van november 2017
Werkingsprincipe
Ammoniakemissiebeperking is gebaseerd op het drogen en verwarmen van de mest-/strooisellaag door middel van een onderhoudsvriendelijke warmtewisselaar in combinatie met: - continu draaiende circulatieventilatoren, of; - een in hoogte verstelbaar verdelersysteem met buizen op dierniveau. Met warme ventilatielucht vanuit de stal wordt in één of meer warmtewisselaar(s) verse lucht opgewarmd. De opgewarmde verse ventilatielucht wordt bij het gebruik van circulatieventilatoren boven in de nok van stal gebracht. Vervolgens wordt deze lucht door circulatieventilatoren vermengd met warme lucht bovenin de stal en naar één of beide staluiteinden gestuwd. Via de topgevelwand(en) wordt de lucht terug over de strooisellaag geleid. Bij het gebruik van verdeelbuizen wordt de opgewarmde verse ventilatielucht via een in hoogte verstelbaar verdelersysteem gelijkmatig over de strooisellaag geleid. Door het mengen van de stallucht wordt een gelijkmatige temperatuur in de gehele stal bereikt. De mest/strooisellaag wordt gedroogd en de kooldioxide (CO2), andere gassen (o.a. ammoniak) en waterdamp worden bij de dieren afgevoerd.
DE TECHNISCHE UITVOERING VAN HET SYSTEEM; BOUWKUNDIG
1
Onderdeel
Uitvoeringseis
Stalvloeruitvoering
De totale stalvloerconstructie inclusief eventueel onderliggende zandlaag moet een warmteweerstand (Rc-waarde) hebben van minimaal 0,5.
DE TECHNISCHE UITVOERING VAN HET SYSTEEM; TECHNISCHE VOORZIENINGEN Onderdeel
Uitvoeringseis
2
Huisvestingsvorm
Volledig strooiselvloer
3
Drinkwater
Drinkwatervoorziening voorzien van antimorssysteem
4a
Verwarmings- en luchtcirculatiesysteem
Er moet sprake zijn van minimaal één warmtewisselaar die verse lucht opwarmt, voor één of twee stallen. Deze lucht wordt met circulatieventilatoren vermengd met in de nok van de stal aanwezige warme lucht of via een in hoogte verstelbaar verdelersysteem gelijkmatig over het strooisel geleid. Er dient aanvullende verwarming aanwezig te zijn om de gewenste staltemperatuur te bereiken. Dit kan zowel in de stal als bij de warmtewisselaar.
4b
Warmtewisselaar
Warmtewisselaar(s) kunnen zowel buiten naast de stal zijn opgesteld, als binnen in de stal zijn geplaatst. De warmtewisselaar warmt vers binnenkomende ventilatielucht op alvorens deze in de stal komt. Het thermische rendement van de wisselaar is minimaal 70% bij warmtevraag op basis van: ( T inblaas –T buiten ) x 100% (T = temperatuur) T afzuig – T buiten
4c 4d
De minimaal geïnstalleerde capaciteit van de warmtewisselaar(s) bedraagt 0,35 m3 per dierplaats per uur (of minimaal 8 m 3 per m2 staloppervlak)1. Bij toepassing circulatieventilatoren
De lucht dient in de nok van de stal te worden gebracht. Bij opstelling van de warmtewisselaar buiten de stal kan dit door middel van een buis tot in de nok of door middel van een inblaassysteem met lamellen in de zijgevel en een luchtopvang in de nok van de stal. Bij de toepassing van meerdere warmtewisselaars verdeeld over de lengte van de stal, wordt bij de warmtewisselaar de verse lucht in dezelfde richting uitgeblazen als de lucht stromingsrichting van de circulatieventilatoren.
4e
De circulatieventilatoren worden bovenin de nok van de stal geplaatst op een onderlinge afstand van maximaal 20 meter en op maximaal 1,5 meter onder de nok van de stal. Deze circulatieventilatoren houden continu de luchtbeweging in de stal op gang.
4f
De minimale ventilatorcapaciteit van de circulatieventilatoren is minimaal 20 m 3 per m2 staloppervlak.
4g
Bij toepassing buizen
Bij gebruik van verdeelbuizen dient de lucht over de gehele lengte van de stal op dierniveau te worden verdeeld.
4h
De lucht dient via minimaal twee rijen in de lengte richting opgehangen horizontaal in hoogte verstelbare buizen verdeeld te worden. In de breedte van de stal is sprake van een evenredige verdeling van de buizen
4i
Het aantal buizen is volgens opgave leverancier. De buizen zijn aan weerszijden voorzien van gaatjes. Afstand, diameter en hoek volgens opgave van leverancier.
5
Registratieapparatuur
De volgende registratieapparatuur dient aanwezig te zijn: - apparatuur voor het registreren van het aanstaan van de warmtewisselaar (urenteller); - apparatuur voor het registreren van de gerealiseerde temperatuurcurve, binnen-, inblaas- en buitentemperatuur; - apparatuur voor het registreren van het gerealiseerde ventilatiedebiet in warmtewisselaar en ventilatorcapaciteit circulatieventilatoren
6
Capaciteit
Installatie in bestaande stallen: Te installeren capaciteit van de warmtewisselaar en aanvullende verwarming is minimaal 125 Watt per m 2 bij 35ºC omgevingstemperatuur. Capaciteit volgens opgave leverancier Nieuwbouw2: Te installeren capaciteit van de warmtewisselaar en aanvullende verwarming is minimaal 100 Watt per m 2 bij 35ºC omgevingstemperatuur. Capaciteit volgens opgave leverancier.
HET GEBRUIK VAN HET SYSTEEM a
Onderdeel
Gebruikseis
Leefoppervlak
Bij (groot-)ouderdieren van vleeskuikens in opfok tot 19 weken: Minimaal 900 cm2 en maximaal 1100 cm 2 per dier bij opzet (8,3 à 11,1 dieren per m2) Bij ouderdieren van vleeskalkoenen in opfok tot 6 weken:
1 Bij vleeskuikens kan een productiewijze worden toegepast waarbij kuikens in de stal uit het ei komen en daarna
opgefokt gedurende een beperkte periode in deze stal. Na de opfokperiode worden de dieren overgeplaatst naar een vervolghuisvesting. Deze productiewijze is, met bijbehorende leeftijden voor overplaatsen, vastgelegd in categorie E 5.9. Afhankelijk van de leeftijd van overplaatsen is de ventilatiebehoefte in de uitbroed/opfokstal mogelijk lager dan de hier gevraagde minimale capaciteit. In dat geval kan de geïnstalleerde capaciteit van de uitbroed/opfokstal worden aangehouden. 2 Als datum voor ‘nieuwbouw’ wordt 1 januari 2000 aangehouden. Stallen gebouwd voor die datum moeten voldoen aan de eis van bestaande stallen.
Minimaal 625 cm2 per dier bij opzet (16 dieren per m 2) Bij ouderdieren van vleeskalkoenen in opfok tot 6-30 weken: Minimaal 1330 cm2 per dier bij opzet (7,5 dieren per m 2) Bij vleeskalkoenen: Mannelijke dieren: Minimaal 3330 cm 2/dier op 10 weken leeftijd (3,0 dieren per m2) Vrouwelijke dieren: Minimaal 2040 cm 2/dier op 10 weken leeftijd (4,9 dieren per m2) b1
Luchtstroming bij toepassing circulatieventilatoren
De lucht in het bovenste deel van de stal3 wordt via circulatieventilatoren via de eindgevel(s) naar beneden geleid en vervolgens goed verdeeld over het strooiseloppervlak geblazen
b2
Luchtstroming bij toepassing buizen
De opgewarmde verse ventilatielucht wordt via de buizen aan een in hoogte verstelbaar verdelersysteem gelijkmatig over het strooiseloppervlak geblazen. De hoogte van de buizen wordt versteld met de leeftijdscurve van de dieren variërend van minimaal 50 cm tot maximaal 150 cm. Tijdens het schoonmaken van de stal zijn de buizen tot aan het dak op te takelen.
c
Instelling temperatuurcurve
Minimaal de eerste 12 dagen van een ronde kan de warmtewisselaar in de volledige minimum ventilatiebehoefte van een stal voorzien. In deze periode zijn de reguliere ventilatieopeningen gesloten en wordt alle ventilatielucht via de wisselaar af- en aangevoerd. De verwarming wordt ingeschakeld naarmate er behoefte is aan extra warmte in de stal, hiervoor wordt de temperatuurcurve gevolgd.
d
Instelling ventilator in warmtewisselaar wanneer er verwarmd wordt
De hoeveelheid afgevoerde lucht wordt gemeten met een meetwaaier. De verwarming wordt ingeschakeld wanneer de ruimtetemperatuur 0,5 C onder de temperatuurcurve komt. De ventilator in de warmtewisselaar draait bij plaatsing van de dieren op minimum niveau en gaat 100% draaien wanneer de ventilatiebehoefte van de dieren hierom vraagt. De afzuigventilator volgt hierbij de inblaas ventilatie curve.
e
Instelling ventilator in wisselaar wanneer er niet verwarmd wordt
Wanneer er geen extra warmtebehoefte is en er dus niet bij verwarmd wordt via de warmtewisselaar, mag de capaciteit worden terug geregeld tot maximaal 50% van de ventilatorcapaciteit. De wisselaar mag worden uitgeschakeld als het temperatuurverschil tussen de streefwaarde van de stal en buitentemperatuur kleiner is dan 12 oC of als de dieren ouder zijn dan 4 weken.
f1
Instelling bij toepassing circulatieventilatoren
De circulatieventilatoren draaien bij plaatsing van de dieren op minimaal 20% van de capaciteit bij regulier gehouden dieren. Bij een lagere bezetting vanaf opzet vanwege welzijnseisen, kan de capaciteit naar rato van deze bezetting worden aangepast4. De capaciteit wordt evenredig met het toenemen van de stalventilatie opgevoerd naar 100%.
f2
Instelling bij toepassing buizen
De beluchting via de warmtewisselaar wordt gestart vanaf dag 1 en volgt de minimale ventilatie behoefte van de dieren van 10% naar 100% van de capaciteit. Na het bereiken van de maximum ventilatiecapaciteit van de warmtewisselaar dient de inblaascapaciteit gedurende de rest van de periode gelijk te blijven.
g
Registratie
Ten behoeve van een controle op de werking van het systeem moeten de volgende gegevens automatisch worden geregistreerd: - het aan staan van de warmtewisselaar en de ventilator(en) hiervan; - het aan staan van de circulatieventilatoren en het verloop over een ronde. Dit om vast te stellen dat er continu voldoende drooglucht over het strooiselbed wordt geblazen;