CConstaterende datOoststellingwerf
Koppel je AI →
Document · PDF

Agendabundel

Raadsvergadering 25 november 2025, gemeente Ooststellingwerf34.254 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

3.5 Gemeentelijke regelgeving 3.5.1 Omgevingsvisie De Omgevingsvisie van gemeente Ooststellingwerf, vastgesteld op 23 november 2021, is de visie van de gemeente op haar leefomgeving. De Omgevingsvisie vervangt de gemeentelijke structuurvisie. De visie geeft ook aan welke ambities de gemeente heeft en met welke opgaven ze aan de slag gaat. Ooststellingwerf moet een fijne plek zijn voor iedereen, jong en oud. Een plek om te zijn en te blijven. De gemeente

28

Concept

(van 24-6-2025 11:42)

Concept

heeft goede verbindingen met voorzieningen die ze zelf niet heeft en bouwt haar kwaliteiten als sterke plattelandsgemeente uit. Een gemeente waar wonen en ondernemen, natuur, landbouw en recreatie samen opgaan. De gemeente heeft een aantal ambities en opgaven, op te splitsen in de thema's: a. Uniek Ooststellingwerf: Het landschap en de (cultuur)historie vormen de basis van de gemeente. De gemeente wil deze kwaliteiten behouden, benutten en versterken bij nieuwe ontwikkelingen; b. Vitaal Ooststellingwerf: De gemeente wil dat iedereen een leven lang kan wonen in een gezond, veilig en schoon Ooststellingwerf. De gemeente laat hiertoe onder andere een woningmarktonderzoek uitvoeren en stelt een Woon(zorg)visie op. Hierin maakt ze concreet waar, hoeveel en aan welke woningen ze ruimte moeten bieden; c. Bruisend Ooststellingwerf: De gemeente biedt ruimte aan ondernemers om zich te ontwikkelen binnen de maat, schaal en kwaliteiten van Ooststellingwerf. d. Bereikbaar Ooststellingwerf: Ooststellingwerf is een plattelandsgemeente in het hart van het Noorden, goed digitaal ontsloten en met goede verbindingen (in de auto, met het openbaar vervoer en op de fiets) naar de grote steden en tussen onze dorpen onderling. e.

Toekomstbestendig Ooststellingwerf: De gemeente zet zich in voor een gemeente waar het gebruik van duurzame energie steeds meer gewoon wordt, waar de economie steeds meer circulair wordt en waar ze is voorbereid op de klimaatverandering. In de Omgevingsvisie is de gemeente verdeeld in vier gebieden: het Friese Ooststellingwerf; het westelijke Ooststellingwerf; het Drentse Ooststellingwerf; het hart van Ooststellingwerf. Haule is onderdeel van het Friese Ooststellingwerf. Haule is een lintdorp. Het dorp ligt op zandruggen ten noorden van het beekdal van de Tjonger. De houtsingels en bosgebieden geven het gebied een besloten karakter. Het gebied is al lange tijd bewoond, maar in de Middeleeuwen ontstaat het huidige dorp. Haule blijft een landelijk dorp. Hier bepalen vooral landbouw en boerderijen het beeld. De gemeente zet voor Fries Ooststellingwerf onder andere in op het geven van ruimte voor nieuwe woningen binnen de dorpen door inbreiding. Ook zet zij in op het toevoegen van nieuwe woningen, ook als uitbreiding van Haulerwijk en Donkerbroek. Daarnaast wil de gemeente lokale initiatieven voor woningbouw voor jongeren en ouderen stimuleren. In het gebied moet voldoende ruimte zijn om te wonen voor jong en oud. In de grote dorpen wordt gezocht naar mogelijkheden om nieuwe woningen toe te voegen. De insteek is te bouwen naar behoefte. Haule is vooral een woondorp.

Goed wonen in een groene omgeving staat hier voorop. In het dorp zorgt de gemeente ervoor dat er passende woningen zijn voor jong en oud. De gemeente ondersteunt lokale initiatieven voor woningbouw voor jongeren en ouderen van harte. Het liefst zelfs in combinatie zodat zorgen voor en ‘omtinke foar elkoar’ meer natuurlijk wordt. Daarbij zoekt de gemeente eerst de ruimte in het omvormen van bestaande panden en erven of het beperkt toevoegen van nieuwe woningen in de bestaande linten. Daarna kijkt de gemeente naar uitbreiding op kleine schaal bij het dorp. Een leven lang wonen in Ooststellingwerf vraagt aandacht voor de kwantiteit en de kwaliteit van het woningaanbod. De gemeente vindt het belangrijk dat er mogelijkheden zijn om in alle dorpen als starter een woning te vinden. En later als oudere te verhuizen naar een levensloopbestendige woning. Zodat jong en oud zo lang mogelijk in hun eigen dorp kunnen (blijven) wonen. De gemeente staat open voor nieuwe woonvormen, zoals tiny houses, kangoeroewoningen of een knarrenhof, als daar vraag naar is. Ook biedt ze ruimte aan mantelzorgwoningen.

Toetsing In casu betreft het een lokaal woningbouwinitiatief, waarbij twee vrijstaande (koop)woningen in het lint aan de Dorpsstraat worden gebouwd. Voor het project aan de Dorpsstraat sluiten de nieuwe woningen aan bij bestaande bebouwing en verdichten het lint. Het initiatief is in lijn met de Omgevingsvisie en passend in de Woon(zorg)visie; zie de volgende subparagraaf.

3.5.2 Woon(zorg)visie 2022-2026 In de Woon(zorg)visie 2022-2026, vastgesteld op 14 december 2021, benoemt de gemeente Ooststellingwerf de ambities rond het wonen in de kernen, evenals op het onderwerp wonen en zorg. Deze visie kan worden gezien als een uitwerking en verdieping van de Omgevingsvisie. In de Woon(zorg)visie werkt de gemeente het woon- en woonzorgbeleid tot 2026 uit met een doorkijk naar 2030. De gemeente legt in de visie de noodzakelijke verbindingen met relevante thema’s rond wonen in de brede zin: • Aansluiting en aanvullen op de regionale woningbouwplannen: Vanuit de Regio ligt er een aanbod om 45.000 woningen te bouwen als onderdeel van het “Deltaplan van het Noorden”. Deze extra

29

Concept

(van 24-6-2025 11:42)

•

Concept

•

groei moet nog een vertaling krijgen naar de verschillende gemeenten. Door scenario’s in beeld te brengen kan de gemeente zich in deze discussie goed positioneren. Verbinding met economie, mobiliteit, duurzaamheid, leefbaarheid, sociaal domein: De woon(zorg)visie legt waar nodig relaties met andere beleidsvelden en agendeert de gewenste uitwerking op die velden. Dorpsgericht werken: Wonen is voor inwoners een belangrijk onderwerp. Inwoners beleven het wonen niet op gemeentelijk niveau, maar binnen hun wijk of dorp. Een prettig woon- en leefklimaat in de wijken en dorpen is essentieel. De Woon(zorg)visie geeft richting op clusters binnen de deelgebieden zoals benoemd in de Omgevingsvisie. Daarnaast geeft de visie waar nodig richting op kernniveau.

De Woon(zorg)visie beschrijft de visie van de gemeente Ooststellingwerf op de gewenste ontwikkeling van de woningmarkt in de kernen. De gemeente wil een belangrijke sturende en regisserende rol spelen op de woningmarkt, zeker omdat zij op dit moment voor een aantal grote opgaven staan. Als gemeente betekent dit dat ze op verschillende manieren invloed uitoefent: vaak regisserend en stimulerend, soms meer faciliterend. De Woon(zorg)visie geeft voor de komende jaren hiervoor de kaders aan. De noodzaak en urgentie om deze rol op te pakken, komt terug onder een viertal thema’s met prioriteit: a. Inzetten op een passend groeiscenario: De druk op de woningmarkt is momenteel zeer hoog. Dat zorgt voor krapte en drijft prijzen op. Ook laat het woningmarktonderzoek zien dat tot 2030 de snelle groei van het aantal huishoudens waarschijnlijk door zal zetten. Daarom gaat de gemeente als eerste werken aan een versnelling van de woningbouwopgave. b. Mismatch tussen vraag en aanbod: De prijzen van woningen zijn de afgelopen jaren flink gestegen. Hierdoor zijn woningen voor mensen met een laag of middeninkomen soms te duur. Woningzoekenden uit Ooststellingwerf hebben hier extra last van, door de gemiddeld lage sociaal-economische status van inwoners van Ooststellingwerf. De gemeente wil voorkomen dat zij niet in de gemeente kunnen wonen.

Met name (koop)starters komen in de knel, maar ook jonge gezinnen die uit hun starterswoning zijn gegroeid. Voor ouderen is er beperkt aanbod aan levensloopgeschikte woningen waar zij naartoe kunnen doorstromen. De gemeente stimuleert een betere afstemming van het woningaanbod op de vraag; ook door realisatie van betaalbaar woningaanbod. c. Organiseren van wonen en zorg: De gemeente wil dat mensen met een zorg- of ondersteuningsvraag wonen in een ‘gewone woning’ in een ‘gewone woonwijk’. d. Werken aan leefbaarheid en duurzaamheid: Ooststellingwerf is een landelijke gemeente waar landschappelijke kwaliteiten, gemeenschapszin en duurzaamheid belangrijk zijn. Wij stimuleren prettig wonen in Ooststellingwerf door mee te werken aan een leefbare omgeving en verduurzaamde woningen. Wat betreft thema 'mismatch tussen vraag en aanbod' wil de gemeente voldoende betaalbare woningen in alle segmenten realiseren. Naast een vraag naar betaalbare koop, blijft er de komende jaren behoefte aan sociale huurwoningen. Daarnaast wil de gemeente middeldure huurwoningen toevoegen. Door daarnaast in te zetten op nieuwbouw die doorstroming op gang brengt, wil de gemeente de woningvoorraad zo goed mogelijk benutten. Voor starters wil de gemeente versneld inzetten op flexibele concepten en eigen initiatief uit de dorpen, evenals kansen blijven creëren voor specifieke aandachtsgroepen.

De gemeente stimuleert en faciliteert in de toevoeging van 520 woningen tot 2030.

Samenvatting kwantitatieve woningbehoefte • Huishoudensontwikkeling wordt vooral gedreven door vergrijzing en migratie. • Vanuit de Provinciale prognose ziet de gemeente een verwachte krimp van de bevolking en huishoudens in Ooststellingwerf. Deze zet vooral na 2030 in. Tot 2030 verwacht de provincie een woningbehoefte van ongeveer 190 woningen. • Op basis van de gemeentelijke analyse wordt gedacht dat arbeidsmigranten, statushouders en uitstroom uit de MO/BW mogelijk zijn onderbelicht in de Provinciale prognose. • Op basis van de analyse ziet de gemeente tot 2030 een groei in de woningbehoefte van 320 – 520 woningen. • Afgezet tegen deelname aan het Deltaplan van het Noorden (+1.750 woningen) is de geschatte behoefte beperkt. • De verwachte groei zal positieve effecten hebben op de slaagkansen voor woningzoekenden. Wel zet het mogelijk druk op de leefbaarheid in de dorpen.

Samenvatting kwalitatieve woningbehoefte • De grootste opgaven liggen in Oosterwolde en Appelscha en in mindere mate Haulerwijk.

30

Concept

(van 24-6-2025 11:42)

•

• •

Concept

• •

In Oosterwolde en Appelscha liggen de grootste uitbreidingskansen. Het gaat hier vooral om het toevoegen van huur appartementen/levensloopbestendige grondgebonden woningen (sociaal en particulier) en koopwoningen in het betaalbare segment (grondgebonden en appartementen). De verhoogde vraag naar sociale huur is deels afkomstig van spoedzoekers: statushouders, arbeidsmigranten en langer zelfstandig en weer thuis wonen zorgdoelgroepen. In Haulerwijk focust de behoefte op grondgebonden woningen in het goedkope (<€200.000) en betaalbare (<NHG grens) segment. In de overige dorpen zijn er voornamelijk uitbreidingsmogelijkheden in het grondgebonden betaalbare segment. In het dure koopsegment is er theoretisch voldoende aanbod. Dit ontstaat als ouderen doorstromen naar een toegankelijke woning. De vrijkomende woningen worden opgevuld door vestigers van elders. Zolang er sprake is van schaarste leidt dit niet tot leegstand.

Toetsing Er worden twee grondgebonden, vrijstaande (koop)woningen gebouwd die volgens Dorpsbelangen in een behoefte voorzien. Het betreft daarmee een initiatief dat 'van onderop' komt. Het betreft grondgebonden woningen in het betaalbare segment, waaraan volgens de woon(zorg)visie behoefte bestaat. Dit blijkt eveneens uit de bovenbeschreven samenvattingen uit de woon(zorg)visie en uit de omgevingsvisie, waarin is aangegeven dat Haule een woondorp is. Dit plan voorziet daarmee in de kwantitatieve en kwalitatieve behoefte aan woningen.

4 Fysieke leefomgeving 4.1 Relevante aspecten fysieke leefomgeving Het omgevingsplan dient te voldoen aan de instructieregels van het Besluit kwaliteit leefomgeving. In onderstaande tabel zijn de thema's van de instructieregels opgenomen. Tabel 4.1 Thema

Verwijzing paragraaf H4

Veiligheid

4.8

Waterbelangen

4.11

Luchtkwaliteit

4.6

Geluid door activiteiten

4.12

Geluid van wegen, spoorwegen en industrieterreinen

4.7

Bodemkwaliteit

4.10

Ladder voor duurzame verstedelijking

4.14

Cultureel erfgoed en werelderfgoed

4.9

Relevante aspecten Bkl

4.2 M.e.r.-beoordeling Toetsingskader Een toets aan de regels over een milieueffectrapportage moet worden uitgevoerd als onderdeel van de motivering. Op grond van bijlage V van het Omgevingsbesluit vindt een m.e.r.-beoordeling plaats bij een stedelijk ontwikkelingsproject.

Onderzoek Of een besluit over een project m.e.r.-plichtig of m.e.r.-beoordelingsplichtig is, kan worden afgeleid uit bijlage V bij het Omgevingsbesluit, in samenhang met de artikelen 11.6 en 11.8 van het Omgevingsbesluit.

31

Concept

(van 24-6-2025 11:42)

Concept

Onderhavige ontwikkeling valt onder onderdeel J11: Stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra en de aanleg van parkeerterreinen. Of voor het besluit een mer-plicht of een merbeoordelingsplicht geldt, volgt uit de tweede en derde kolom. In dit geval geldt op basis van de derde kolom een mer-beoordelingsplicht. Onder verwijzing naar de gerechtelijke uitspraken van 15 maart 2017, ECLI:NL:RVS:2017:694, van 31 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:348 en van 17 april 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1253, heeft de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State in haar uitspraak van 12 juni 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:1879) overwogen dat het antwoord op de vraag of sprake is van een (wijziging van een) stedelijk ontwikkelingsproject afhangt van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aspecten als de aard en de omvang van de voorziene wijziging van de stedelijke ontwikkeling een rol spelen. Het plan in die casus voorzag in de bouw van drie woningen op een perceel grasland in een kleine kern. De Raad van State heeft in voornoemde uitspraak geoordeeld dat het plan, gelet op de aard en omvang, niet kan worden aangemerkt als een stedelijk ontwikkelingsproject. Hierbij is van belang dat het ruimtebeslag van de voorziene bebouwing beperkt is en dat de voorziene ontwikkeling gepaard gaat met een beperkte bebouwing op het perceel.

Het planvoornemen behelst de bouw van 2 woningen. Uit de onderzoeksresultaten zoals nader beschreven in dit hoofdstuk 4, aanzienlijke milieueffecten zijn uitgesloten: er is geen plan-mer nodig en dus ook geen plan-MER.

Conclusie Er kan worden gesteld dat de regels over een milieueffectrapportage geen belemmering vormen voor de uitvoering van dit plan.

4.3 Duurzaamheid Toetsingskader In bijlage 1 van de Omgevingswet (Ow) is het begrip duurzame ontwikkeling gedefinieerd. Het gaat om "een ontwikkeling die voorziet in de behoeften van de huidige generatie zonder de mogelijkheden voor toekomstige generaties om in hun eigen behoeften te voorzien in gevaar te brengen." Artikel 1.3 en 2.1 Ow borgen het belang van duurzaamheid. In artikel 1.3 zijn de maatschappelijke doelen van de wet verwoord: "Deze wet is, met het oog op duurzame ontwikkeling, de bewoonbaarheid van het land en de bescherming en verbetering van het leefmilieu, gericht op het in onderlinge samenhang: a. bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit, en b. doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften."

Artikel 2.1 geeft aan dat een bestuursorgaan zijn taken en bevoegdheden op grond van de wet uitoefent met het oog op de doelen van de wet, tenzij daarover specifieke regels zijn gesteld. Artikel 1.3 geeft ook richting aan de voor burgers en bedrijven opgenomen zorgplicht in artikel 1.6 Ow, namelijk dat men "voldoende zorg draagt voor een goede leefomgeving". Met deze bepalingen wordt een duurzame ontwikkeling voor het gehele domein van de fysieke leefomgeving geborgd. Het vergt een samenhangende benadering vanaf het begin van de planvorming van alle relevante belangen, waaronder: ruimte, water, natuur, gezondheid en wonen.

Onderzoek Het voornemen voorziet in de behoefte van de huidige generatie door te voldoen aan de woningbehoefte. De woningbehoefte is verwacht om in de toekomst net zo zeer van belang te zijn als nu, dit mede in het licht van de gemeentelijke woon(zorg)visie waarin dit nader beschreven is. Daarmee is het voornemen ook ter vervulling van de behoeften in de toekomst.

32

Concept

(van 24-6-2025 11:42)

Onderliggende motivering is als toelichting op het evenwichtig toedelen van functies aan locaties. Daarmee wordt een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit in stand gehouden.

Concept

Conclusie Het voornemen is in lijn met de doelen van een duurzame ontwikkeling, zoals bedoeld in de Omgevingswet. Hiermee is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wat betreft duurzaamheid.

4.4 Verkeer en parkeren Toetsingskader Primair is verkeersveiligheid geregeld in de weg- en verkeerswetgeving (o.a. Wegenverkeerswet). Deze regelgeving maakt geen deel uit van de Omgevingswet. Ook de bekende richtlijnen vanuit het CROW blijven bestaan. De omgevingsvisie van de gemeente moet een visie op verkeer en vervoer op gemeentelijk niveau bevatten. De gemeente heeft naast een Omgevingsvisie de parkeernormen in de bij de regels gevoegde 'Tabellennota parkeernormen 2023'. Deze tabel hanteert de parkeernormen uit de publicatie 'Toekomstbestendig parkeren. Van parkeerkencijfers naar parkeernormen' (publicatie 381, december 2018) van het CROW, waar het plan aan getoetst wordt.

Onderzoek Parkeerbehoefte Voor de te hanteren parkeernormen is in de Nota Parkeernormen aangesloten bij de landelijke parkeerkencijfers van het CROW, zoals opgenomen in publicatie 381 ‘Toekomstbestendig parkeren, van parkeerkencijfers naar parkeernormen’ (december 2018). Voor de gemeente Ooststellingwerf is, binnen de bandbreedte die het CROW hanteert, het gemiddelde parkeerkencijfer toegepast als norm. De gemeente is geclassificeerd als niet-stedelijk. Binnen de gemeente is het aanbod en kwaliteit van alternatieve vervoerswijzenbeperkt. Daarom is er geen sterke onderscheiding tussen de verschillende stedelijke zones uit de CROW. Op basis van de parkeerkencijfers van het CROW wordt voor de te hanteren parkeernormen daarom onderscheid gemaakt tussen twee gebieden. Namelijk “Centrum” voor de verschillende kernen binnen de gemeente Ooststellingwerf en “Buitengebied” voor het overige grondgebied. Voor het voornemen, gelegen in de kern Haule, dienen de parkeernormen voor het centrum in acht te worden genomen. Voor vrijstaande woningen (koop) geldt een parkeercijfer van 1,8. Voor de twee woningen tezamen komt dit neer op 3,6 parkeerplaatsen, afgerond 4 in totaal. In de plangebied wordt voorzien in parkeerruimte op eigen terrein. Er is voldoende ruimte om deze parkeerplaatsen op eigen erf aan te leggen.

Verkeersgeneratie Voor de berekening van de verkeersgeneratie is eveneens gebruik gemaakt van CROW publicatie 381 Toekomstbestendig parkeren, van parkeerkencijfers naar parkeernormen, december 2018. Dit gebied is geclassificeerd als niet-stedelijk gebied en de locaties liggen beide in de rest bebouwde kom. Gemiddeld kan voor de woningen worden uitgegaan van een verkeersgeneratie van 7,8 ritten per etmaal. Uitgaande van de realisatie van 2 woningen dient rekening te worden gehouden met een toename van 16 ritten per etmaal. De locatie wordt ontsloten via de Dorpsstraat. Dit is de hoofdontsluitingsweg van het dorp Haule. Gezien de (doorgaande) functie van de Dorpsstraat en de in verhouding beperkte toename van het aantal ritten is deze toename aanvaardbaar.

Conclusie Op basis van het onderzoek betreffende het parkeren en de verkeersgeneratie ontstaat geen knelpunt. Hiermee is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wat verkeer en parkeren.

33

Concept

(van 24-6-2025 11:42)

4.5 Natuur

Concept

Toetsingskader De Wet natuurbescherming (Wnb) is opgegaan in de Omgevingswet: de Aanvullingswet natuur het Aanvullingsbesluit natuur en de Aanvullingsregeling natuur. Er is sprake van een beleidsneutrale overgang. Het huidige normenkader, de instrumenten en de bevoegdheidsverdeling voor het natuurbeschermingsrecht blijft ongewijzigd. Stikstofdepositie op stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden is geregeld in artikel 22.20 van de Omgevingswet.

Onderzoek Soortenbescherming Om de uitvoerbaarheid van dit plan te toetsen voor het aspect ecologie is een ecologische beoordeling uitgevoerd (een zogenaamde quickscan). Het doel hiervan is om na te gaan of aanvullend onderzoek noodzakelijk is. Het onderzoek is als bijlage Ecologische quickscan opgenomen. Uit het onderzoek volgt dat in het plangebied geen geschikte broedgelegenheid aanwezig voor vogels is. Alleen rond de ijsbaan en in de aangrenzende tuinen en struiken langs de oprit is geschikt broedgelegenheid aanwezig voor een aantal algemene broedvogels zoals merel, tjiftjaf, vink, roodborst, houtduif en zwartkop. Tijdens de quickscan zijn geen broedende vogels meer aangetroffen in de groenstrook. In het plangebied is geen geschikt leefgebied aanwezig voor Habitatrichtlijnsoorten. In de directe omgeving (woonwijk) kunnen wel verblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig zijn, maar deze worden niet beïnvloed door het voornemen. Het plangebied wordt hooguit gebruikt als (kortstondig) foerageergebied voor een aantal nationaal beschermde soorten zoogdieren (haas en egel). Voor deze soorten is het plangebied geen essentieel onderdeel van hun leefgebied. Daarnaast kan de zeer algemeen voorkomende veldmuis voorkomen in de beide percelen. Voor alle soorten geldt de zorgplicht.

De zorgplicht houdt in dat schade aan wilde planten en dieren zoveel, als redelijkerwijs mogelijk is, wordt voorkomen.

Oplegnotitie Omgevingswet De ecologische rapporten die zijn besproken, zijn getoetst aan de Wet natuurbescherming. In de bijlage Ecologisch onderzoek - oplegnotitie Omgevingswet is getoetst of de rapporten ook voldoen aan de Omgevinswet. De conclusies van de onder de Wet natuurbescherming opgestelde quickscan veranderen niet ten opzichte van de Omgevingswet, zo luidt de oplegnotitie. De onder de Omgevingswet gewijzigde provinciale vrijgestelde nationaal beschermde soorten leiden niet tot een gewijzigde conclusie. Een toetsing aan de onder de Omgevingswet vallende specifieke zorgplicht leidt niet tot vervolgstappen en staat het beoogde project niet in de weg.

Gebiedsbescherming Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is het Fochteloërveen op ongeveer 4,2 km afstand gevolgd door het Bakkeveen op ongeveer 5,2 km afstand van het plangebied. Gezien de afstand tot de dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden zijn direct negatieve effecten door de werkzaamheden als gevolg van licht, geluid, verstoring door mensen en materieel, etc. niet aan de orde. Een nadere toetsing is voor deze storingsfactoren niet nodig. De berekening met de AERIUS Calculator maakt duidelijk of een project een toename van de stikstofdepositie in Natura 2000-gebieden veroorzaakt.

34

Concept

(van 24-6-2025 11:42)

Concept

Stikstofdepositie In het kader van de wijziging van het omgevingsplan is de depositie van stikstof ten gevolge van de bouw en het gebruik van in totaal twee woningen aan de Dorpsstraat in Haule berekend. De depositie van stikstof in stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden ten gevolge van de emissie van NOx en NH3 van deze ontwikkeling, alsmede van het verkeer van en naar de locaties is berekend met het programmapakket AERIUS. De berekening met AERIUS genereert een rekenresultaat en een pdf-bestand waarin wordt geconstateerd dat er geen stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden zijn met een overschrijding van een planbijdrage van meer dan 0,00 mol N/ha/jaar. Het volledige onderzoek is als bijlage AERIUS-berekening toegevoegd. De rekenbijlage is als AERIUS-berekening - rapport rekenbijlage aanleg- en gebruiksfase bijgevoegd. Er treedt door de stikstofdepositie geen negatief effect op in het kader van de Omgevingswet beschermde Natura 2000-gebieden. Het aspect stikstof staat nadere besluitvorming niet in de weg.

Conclusie Met inachtneming van de onderzoeksresultaten is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wat betreft natuur.

4.6 Luchtkwaliteit Toetsingskader In een aandachtsgebied moet de overheid de omgevingswaarden in acht nemen. Dit geldt voor de besluiten die zorgen voor een verhoging van de concentraties binnen een aandachtsgebied. Als de gemeente activiteiten toelaat, die leiden tot gebruik van wegen, vaarwegen of spoorwegen (verkeersaantrekkende werking) of waarvoor luchtregels staan in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) moet worden voldaan aan de omgevingswaarden. Dit volgt uit artikel 5.51 van het Bkl. Hierbij gaat het om activiteiten binnen het aandachtsgebied (zie onderstaande afbeelding). Maar het kan ook gaan om activiteiten in de buurt van een aandachtsgebied, als deze activiteiten zorgen voor een verhoging van de concentraties binnen het nabijgelegen aandachtsgebied. Dit betekent dat een gemeente een initiatief moet toetsen aan de omgevingswaarden in een nabijgelegen aandachtsgebied. Het gaat dan om een locatie van een initiatief dat zelf buiten het aandachtsgebied ligt. Dit kan nodig zijn bij activiteiten die relatief veel luchtvervuiling veroorzaken en over een grotere afstand effect hebben. Denk aan extra verkeer of bedrijfsemissies. De specifieke beoordelingsregels voor luchtkwaliteit staan in artikel 8.17 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Figuur 4.2

Aandachtgebieden voor NO2 en PM10 (rood) en alleen PM10 (blauw)

Onderzoek

35

Concept

(van 24-6-2025 11:42)

Activiteiten binnen het aandachtsgebied

Concept

Het plangebied maakt geen deel uit van een aandachtsgebied voor NO2 en PM10, zoals weergegeven in figuur 4.2.

Nibm-tool In het plangebied worden 2 vrijstaande koopwoningen mogelijk gemaakt. CROW heeft voor verschillende variabelen kencijfers. Er is gebruikgemaakt van CROW-publicatie 381 - Toekomstbestendig parkeren, van parkeerkencijfers naar parkeernormen, december 2018. Dit gebied is geclassificeerd als niet stedelijk en ligt in de rest bebouwde kom. Voor de verkeersgeneratie van de woningen is gemiddeld 7,8 verkeersbewegingen per woning per etmaal opgenomen. Voor de twee woningen komt dit neer op een gemiddelde van 18 verkeersbewegingen per etmaal. Voor kleinere ruimtelijke en verkeersplannen die effect kunnen hebben op de luchtkwaliteit heeft het ministerie van Infrastructuur en Milieu in samenwerking met Kenniscentrum InfoMil de nibm-tool 2022 ontwikkeld. Daarmee kan op een eenvoudige en snelle manier worden bepaald of een plan niet in betekenende mate bijdraagt aan luchtverontreiniging. Met behulp van deze rekentool is de toename van de stoffen NO2 en PM10 bepaald.

Figuur 4.3

Nibm-tool bron: InfoMil

Uit de berekeningen met de nibm-tool blijkt dat het plan de grens van 3% (een toename van 1,2 µg/m3 NO2 of PM10) niet overschrijdt. Hiernaast is het plangebied ook niet in of nabij een aandachtsgebied gelegen. Het project kan derhalve worden beschouwd als een nibm-project. Nader onderzoek naar de luchtkwaliteit vanwege de toename van het verkeer en de afstand tot een aandachtsgebied is niet noodzakelijk.

Achtergrondniveaus Hoewel is geconstateerd dat het project een zogenaamd nibm-project betreft, dient ook te worden bezien of de luchtkwaliteit in het plangebied niet zodanig is dat de normen voor een goed woonklimaat worden overschreden. Daartoe is gebruik gemaakt van de Grootschalige Concentratiekaarten Nederland 2021, welke in maart 2021 zijn gepubliceerd. Het RIVM produceert deze kaarten jaarlijks. De kaarten geven een beeld van de luchtkwaliteit in Nederland en betreffen zowel recente als toekomstige jaren. Per kilometervak worden de concentraties voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen weergegeven waarvoor Europese regelgeving bestaat. De kaarten op deze website hebben een juridisch-formele status.

36

Concept

(van 24-6-2025 11:42)

De meest relevante luchtkwaliteitseisen voor ruimtelijke plannen betreffen stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM2.5 en PM10). De grenswaarden voor stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM2.5 en PM10) uit de wet zijn opgenomen in de navolgende tabel. Tabel 4.4

Concept

Luchtconcentratie

Norm

NO2

jaargemiddelde concentratie

40 µg/m3

PM2.5

jaargemiddelde concentratie

25 µg/m3

PM10

jaargemiddelde concentratie

40 µg/m3

Grenswaarden luchtkwaliteitseisen

Uit de Grootschalige Concentratiekaarten blijkt dat de achtergrondniveaus ter plaatse ruim onder de wettelijke normen blijven.

Conclusie Het project kan worden beschouwd als een nibm-project. Daarnaast is de luchtkwaliteit in en rond het besluitgebied zodanig dat de normen voor een goed woonklimaat worden gewaarborgd. Nader onderzoek naar de luchtkwaliteit kan derhalve achterwege blijven. Hiermee is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wat betreft de luchtkwaliteit.

4.7 Geluid Toetsingskader Veel functies in de fysieke leefomgeving hebben te maken met geluid. Ze maken geluid of ze worden eraan blootgesteld. De regels over geluid gaan over het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en andere gebouwen en plekken. Ook zijn direct werkende regels in de bruidsschat opgenomen. Dit zijn de regels voor het bepalen en beoordelen van geluid door een toegelaten activiteit. In de bruidsschat is het onderdeel geluid geregeld in paragraaf 22.3.4. Daarin staan regels over geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. In de Bruidsschat zijn waarden bepaald (zie artikel 22.57 Bruidsschat waar waarden gelden). Daarbij is onderscheid gemaakt in geluid door de volgende activiteiten: • Activiteiten anders dan door windturbines en windparken en civiele buitenschietbanen, militaire buitenschietbanen en militaire springterreinen (paragraaf 22.3.4.2 BS). • Geluid door windturbines en windparken (paragraaf 22.3.4.3 BS). • Geluid door civiele buitenschietbanen, militaire buitenschietbanen en militaire springterreinen (paragraaf 22.3.4.4 BS).

Instructieregels De instructieregels uit afdeling 3.5 (Bkl) zijn van toepassing op de beheersing van geluid door een weg, spoorweg of industrieterrein (artikel 3.18, lid 1 Bkl). De wetgever maakt onderscheid tussen geluidbronnen met een geluidproductieplafond als omgevingswaarde (gpp) en bronnen met een basisgeluidemissie (bge). Geluid afkomstig van wegen, spoorwegen en industrieterreinen heeft invloed op de omgeving. Het bevoegd gezag beoordeelt geluid van deze bronnen bij geluidgevoelige gebouwen (artikel 3.20 Bkl). Het rijk stelt voor een aantal gebouwen specifieke regels. Deze instructieregels van het Bkl voor geluid zijn gericht op aangewezen geluidgevoelige gebouwen (artikel 3.20 Bkl) en stiltegebieden (artikel 7.11 Bkl). In de aanwijzing van geluidgevoelige gebouwen is de functie (zoals wonen, onderwijs of zorg) bepalend (artikel 3.20 Bkl). Voor andere gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van bescher-

37

Concept

(van 24-6-2025 11:42)

ming tegen geluid. Dat doet de gemeente vanuit haar taak ‘evenwichtige toedeling van functies aan locaties’.

Concept

Geluidaandachtsgebied Net als onder de Wet geluidhinder wordt rondom een industrieterrein, weg of spoorweg een begrenzing aangebracht. Buiten die grens wordt per definitie voldaan aan geluidsnormen, en hoeft het effect van de bron op een geluidgevoelig gebouw niet meer te worden getoetst. Binnen die grens is een toets nodig op aanvaardbaarheid. Deze zone heet onder de Omgevingswet een geluidaandachtsgebied. Het geluidaandachtsgebied is een gebied (locatie) langs een weg of spoorweg of rond een industrieterrein waar het geluid hoger kan zijn dan bepaalde standaardwaarden (artikel 3.20 jo. tabel 3.34 Bkl) Lden bedoeld in onderstaande tabel. Figuur 4.5

Standaardwaarden geluid

De ligging van het gebied wordt modelmatig bepaald. De ligging van het geluidaandachtsgebied wordt dus bepaald door de geluidsbelasting vanwege de desbetreffende bron. Hoe die geluidbelasting moet worden bepaald, is voorgeschreven in het Bkl en in de Omgevingsregeling (artikel 5.78a Bkl). De instructieregels voor het omgevingsplan hebben betrekking op het geluidaandachtsgebied van (artikel 5.78 Bkl): a. wegen, spoorwegen en industrieterreinen met geluidproductieplafonds; b. lokale spoorwegen zonder geluidproductieplafonds; en c. verharde gemeentewegen en waterschapswegen zonder geluidproductieplafonds, niet zijnde een erf in de zin van het Regelement verkeersregels en verkeerstekens 1990, met een verkeersintensiteit van meer dan 1.000 motorvoertuigen per etmaal als kalenderjaar-gemiddelde. De wegen in en nabij het plangebied zijn gemeentewegen waarbij een standaardwaarde van <53Lden geldt.

Onderzoek Met het planvoornemen wordt nieuwe geluidgevoelige bebouwing mogelijk gemaakt. Toetsing aan de instructieregels uit het Bkl is daarom noodzakelijk. Er worden 2 nieuwe geluidgevoelige gebouwen gerealiseerd. De locatie ligt in het geluidaandachtgebied van de Dorpsstraat, die ter hoogte van het plangebied een maximum snelheid van 50 km/uur kent. Een akoestisch onderzoek is daarom noodzakelijk. Dit onderzoek is uitgevoerd en als bijlage bij deze motivering gevoegd als Akoestisch onderzoek. Uit het onderzoek blijkt dat de te realiseren woningen niet voldoen aan de eisen die de instructieregels van het Bkl stellen aan geluidsgevoelige bebouwing. De overschrijding van de standaardwaarde van 53 dB bedraagt maximaal 8 dB vanwege het verkeer op de Dorpsstraat. Onder de Omgevingswet is het aan de gemeente zelf om af te wegen of een overschrijding van de standaardwaarde acceptabel is. Het gemeentebestuur heeft wel een motiveringsplicht als zij besluit een geluidbelasting boven de standaardwaarde toe te laten. De Dorpsstraat is voorzien van dicht asfaltbeton. Toepassen van een wegdek met een hogere geluidsreducerende werking, bijvoorbeeld dunne deklagen B, resulteert in een verminderde geluidsbelasting met ongeveer 3 dB en is daarmee geen doeltreffende maatregel. Het toepassen van maatregelen die gericht

38

Concept

(van 24-6-2025 11:42)

zijn op het terugbrengen van de te verwachten geluidsbelasting aan de bron door het verleggen van verkeersstromen, behoort niet tot de mogelijkheden.

Concept

Vergroting van de afstand tussen bron en waarneempunt is niet mogelijk. De woningen zouden dusdanig ver naar achteren moeten worden geplaatst. Dit is vanwege de beschikbare ruimte niet mogelijk en zou vanuit stedenbouwkundig oogpunt tot ongewenste situaties leiden. Verder is ook het oprichten van schermen en/of wallen langs de Dorpsstraat om stedenbouwkundige redenen onwenselijk. Gemotiveerd is waarom maatregelen aan de bron of in het overdrachtsgebied niet mogelijk zijn. Mogelijk zijn bij de uitvoering van de plannen aanvullende geluidsisolerende maatregelen aan de betreffende gevels van de geluidsgevoelige bebouwing nodig, om te voldoen aan de maximale binnenwaarde van 33 dB. Dit onderzoek dient bij de indiening van het bouwplan mede aangeleverd te worden.

Conclusie Er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wat betreft geluid.

4.8 Omgevingsveiligheid Toetsingskader Omgevingsveiligheid beschrijft de risico’s die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Voor omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in paragraaf 5.1.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 van het Bkl gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico van een activiteit die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit.

Plaatsgebonden risico Grenswaarden en standaardwaarden voor het Plaatsgebonden Risico (PR) ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a van het Bkl. Grenswaarden voor kwetsbare of zeer kwetsbare gebouwen en locaties worden bij het ruimtelijk besluit in acht genomen. Voor het plaatsgebonden risico gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl).

Groepsrisico Bij het groepsrisico is sprake van ‘aandachtsgebieden’. Risicovolle activiteiten hebben van rechtswege aandachtsgebieden (art. 5.12 Bkl). Het opnemen van aandachtsgebieden in een omgevingsplan is niet verplicht. Aandachtsgebieden zijn gebieden rond activiteiten met gevaarlijke stoffen die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen (RIVM a, z.d.). Aandachtsgebieden zijn er voor brand, explosie en gifwolk. Afhankelijk van het type activiteit met gevaarlijke stoffen, zijn er voor het aandachtsgebied in de regelgeving vaste afstanden vastgesteld of zijn deze afstanden rekenkundig te bepalen (bijlage VII Bkl). Aandachtsgebieden worden zichtbaar gemaakt in het Register externe veiligheidsrisico’s (REV). De aandachtgebieden zijn onder te verdelen in: • Brandaandachtsgebieden (BAG)

•

Een BAG is de locatie begrensd door de afstand, waar als gevolg van een ongewoon voorval dat leidt tot een plasbrand of een fakkelbrand, de warmtestraling ten hoogste 10 kW/m2 bedraagt. Explosieaandachtsgebied (EAG) Een EAG is de locatie begrensd door de afstand, waar als gevolg van een ongewoon voorval dat leidt tot:

39

Concept

(van 24-6-2025 11:42)

•

Concept

•

40

een kokende vloeistof-gasexpansie-explosie (een BLEVE), de warmtestraling ten hoogste 35 kW/m2 is, en • een explosie, anders dan onder a, waarvan de overdruk ten hoogste 10 kPa is. Gifwolkaandachtsgebied (GAG) Een GAG is de locatie begrensd door de afstand, waar als gevolg van een ongewoon voorval dat leidt tot een gifwolk, personen in een gebouw overlijden door blootstelling aan ten hoogste de bij ministeriële regeling bepaalde vastgestelde concentratie van een gevaarlijke stof. Als het GAG groter is dan 1,5 km wordt het GAG tot deze afstand begrensd in het kader van ruimtelijke ontwikkeling. De volledige GAG is verder wel relevant voor bijvoorbeeld crisiscommunicatie en kan dus niet beschouwd worden als niet relevant.

Binnen een aandachtsgebied kan sprake zijn van een voorschriftengebied. Als het initiatief ligt in een voorschriftengebied, dan gelden voor nieuwbouw aanvullende bouweisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (artikelen 4.90 tot en met 4.96 Bbl). Voor zeer kwetsbare gebouwen, zoals scholen, kinderdagopvang, en verzorgingstehuizen, geldt altijd een voorschriftengebied, en gelden dus aanvullende bouweisen bij nieuwbouw (artikel 5.14 Bkl). Een berekening van het groepsrisico is onder de Omgevingswet optioneel. Een gemeente mag hier wel om vragen (via een voorschrift) om de toelaatbaarheid van de situatie te beoordelen.

Naast bovengenoemde regels over veelvoorkomende situaties zijn voor een aantal specifieke situaties de volgende aspecten van belang: • Beperkingen in het belemmeringengebied van buisleidingen: paragraaf 5.1.2.3 Bkl. • Veiligheid rond opslaan, herverpakken en bewerken van vuurwerk en pyrotechnische artikelen voor theatergebruik: paragraaf 5.1.2.4 Bkl. • Veiligheid rond het bewerken en opslaan van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik en op militaire objecten (paragraaf 5.1.2.5 Bkl). • Veiligheid rond luchthavens (paragraaf 5.1.2.6 Bkl).

Onderzoek Het onderhavig project maakt meer kwetsbare objecten in de vorm van woningen mogelijk dan in de huidige situatie binnen het gebied gelegen zijn. In dit kader is de Signaleringskaart EV geraadpleegd om te onderzoeken of in de nabijheid van het projectgebied activiteiten zijn gelegen die een risico voor de omgevingsveiligheid kunnen veroorzaken. Op de onderstaande afbeelding zijn de verschillende risicobronnen weergegeven.

Concept

(van 24-6-2025 11:42)

Concept

Figuur 4.6

Uitsnede risicokaart bron: Atlasleefomgeving.nl/kaarten

Transportroute In of in de nabijheid van de locatie zijn geen transportroutes waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd gelegen. Derhalve kan worden geconcludeerd dat in het kader van transport van gevaarlijke stoffen geen omgevingsrisico ontstaat.

Buisleiding Aan de westzijde van het plangebied is een buisleiding gelegen op circa 165 m van de Dorpstraat. Gezien de afstand is het plangebied niet gelegen binnen het indicatieve brandaandachtsgebied (75 meter). Met inachtneming van de afstand is er geen sprake van een onevenredige vergroting van de risico's en daarmee veiligheid.

Overige risicobronnen Geen van de relevante risicoafstanden komen in de buurt van het plangebied, derhalve worden deze risicobronnen niet nader beschouwd.

Conclusie In de nabijheid van de locatie zijn geen risicobronnen op korte afstand gelegen. Hiermee is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wat betreft de omgevingsveiligheid.

41

Concept

(van 24-6-2025 11:42)

4.9 Archeologie, cultuurhistorie en landschap

Concept

Toetsingskader De essentie van het Europees beleid is dat voorafgaand aan de uitvoering van plannen en projecten onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van waarden en daar in de ontwikkeling van plannen en projecten zoveel mogelijk rekening mee te houden. De kern van deze wetgeving is behoud van archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem en de bescherming van het cultureel erfgoed en landschap. Zo zijn er in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) ten aanzien van de bescherming een aantal beginselen geformuleerd (artikel 5.130 Bkl). Deze beginselen richten zich op de omgang met monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd, archeologische monumenten, (voorbeschermde) rijksmonumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen. Daarnaast zijn in afdeling 8.8 van het Bkl regels gesteld voor de beoordeling van rijksmonumentenactiviteit en het verplaatsen van gebouwde monumenten. Onderzoek cultuurhistorie en landschap Gebiedshistorie Ten aanzien van cultuurhistorie hanteert de gemeente Ooststellingwerf de 'Archeologische Monumentenkaart gemeente Ooststellingwerf'. Ook wordt de 'Cultuurhistorische kaart Fryslân' van de provincie Friesland gehanteerd.

Uitsnede archeologische monumentenkaart FAMKE provincie Fryslân

Op de kaart van de provincie Friesland is aangegeven dat het plangebied onderdeel is van de Zuidelijke Wouden. Kernkwaliteiten van dit gebied zijn: • Afwisseling van open, halfopen tot besloten landschap. hoofdstructuur bepaald door overwegend open brede beekdalen in de midden- en benedenlopen met parallel daaraan de zandruggen met bebouwing en met van beplanting voorziene hoofdwegen.

42

•

Verkavelingsrichting haaks op de hoofdwegen, veelal van beplanting voorzien.

•

Afwisseling van rationele regelmatige structuren en plaatselijk onregelmatige structuren.

•

Plaatselijke reliëfverschillen.

•

Specifieke vormen van kleinschalige es-structuren.

Concept

(van 24-6-2025 11:42)

Concept

• Structurerende elementen als bossen/ natuurterreinen, beken, vaarten, wijken, landgoederen, (hout)wallen, houtsingels, bosstroken, pingoruïnes, lint- en vaartdorpen, wegen en paden met laanbeplanting. Tijdens de voorlaatste ijstijd, het Saaliën, lag Noord-Nederland grotendeels onder een dik pak ijs. Gletsjertongen vanuit deze ijskap schuurden in van noordoost naar zuidwest brede, ondiepe dalen uit, waardoor latere rivieren als De Lende, De Tjsonger, De Boarn (Het Alddjip) stroomden. Dit Zuidelijk Wouden- en bekengebied maakt tevens onderdeel uit van de westelijke helling van het Drents Plateau. Op dit plateau, dat bestaat uit een basis van keileem, is tijdens de laatste ijstijd dekzand afgezet. Plaatselijk vormden zich lage, glooiende ruggen in dit landschap, die als waterscheidingen fungeerden. Tevens ontstonden in deze ijzige periode de zogenaamde pingo's, de latere pingoruïnes. Doordat de natuurlijke afwatering van het Drents Plateau stagneerde ten gevolge van de zeespiegelstijging na de ijstijden en verstopping van de waterlopen door dekzandverstuivingen, heeft op grote schaal veenvorming plaatsgevonden vanuit de meer lage, natte plekken van het plateau en in de beekdalen. Het veen kroop als het ware het hoger gelegen dekzandgebied op. Over vrijwel het gehele gebied strekte zich toen een dik pakket (hoog)veen uit.

De eerste bewoners vestigden zich op het hoogveen nabij de riviertjes. Dorpen met de toevoeging wold of woud in hun naam (Oosterwolde, Noordwolde, Duurswoude, Wijnjewoude en Siegerswoude) geven aan dat er moerasbossen lagen die de hoge venen omzoomden. Nederzettingen lagen parallel aan de riviertjes en bestonden uit individuele hoeven. Deze stonden op strookvormige kavels die vanaf de rivier landinwaarts liepen. Het gebied van de Zuidelijke Wouden kenmerkt zich door veel afwisseling in open en besloten landschappen. De beslotenheid komt veelal op de hogere delen tot uitdrukking door een beschut en boomrijk landschap met bospercelen en omzoomde weilanden met houtwallen als perceelscheiding. De openheid vinden we in de lagere delen van het landschap, in de open polders die de overgang vormen naar het laagveengebied. Sloten rondom de kavels vormen hier de perceelscheiding en vormen het landschapsbeeld met open weiden. De schaal van het landschap is midden tot kleinschalig te noemen; grootschalige openheid ontbreekt in het gebied. Het landschap van de Zuidelijke Wouden kent een verdeling op hoofdlijnen in essenlandschappen, beekdallandschappen en hoogveenontginningslandschappen. De afwisseling in het landschap is een goede basis voor natuurontwikkeling. Voorbeelden hiervan zijn het Aekingerzand, ook wel de kale duinen genoemd, bij Appelscha op de rand van het essenlandschap.

De Lendevallei bij Wolvega in het kleinschalige landschap rond de beken. De Duurswouderheide en het Fochteloërveen (een van de laatste levende hoogveengebieden van Nederland) in de landschappen van de hoogveenontginning. Eveneens is het plangebied onderdeel van de kaart Woudontginning Haule. Het landschap wordt gekenmerkt door een opstrekkende verkaveling vanuit de beek op de zandruggen van de uitlopers van het Drents plateau. Het plangebied onderdeel van de kaart 'opstrekkende verkaveling, grootschalige regelmaat'. Een verkaveling wordt opstrekkend genoemd als de lengterichting dominant is in de percelering en bovendien sprake is van een grote lengte-breedte verhouding. Dit type is aanwezig in de Wouden en het ‘Lage Midden’ met het merengebied. In (de omgeving van) de locatie zijn geen archeologische monumenten, (voorbeschermde) rijksmonumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen aanwezig. Plan in relatie tot ontwikkelgeschiedenis dorpsbebouwing Haule Het uitgewerkte concept van twee vrijstaande woningen voegt zich in de naoorlogse trend om in de open ruimten tussen de boerderijen woonhuizen te bouwen. Vanuit een agrarisch lint is het dorpslint van Haule ontstaan. Aan de noord-, west- en oostzijde van de projectlocatie zijn zo ook diverse woningen toegevoegd.

Een korte analyse van de bebouwing van Haule laat grofweg vier typologieën van bebouwing zien: 1. Boerderij (zalmroze): nok in verkavelingsrichting 2. Individuele woningen in het lint (lichtgeel): nok haaks of – soms ook – parallel aan weg 3. Projectmatig ontwikkelde woonbuurtjes (lichtblauw): in de tweede lijn, achter het lint 4. Projectmatig ontwikkelde tweekappers (donkerblauw): in het lint, kap parallel aan weg

43

Concept

(van 24-6-2025 11:42)

Concept

Daarnaast zijn er nog gebouwen met een specifieke andere functie, zoals de school/dorpshuis, de kerk en het café. Deze zijn niet ingekleurd.

Kaart met de diverse elementen die de bebouwingsstructuur van Haule vormen

Sommige boerderijplaatsen zijn inmiddels verdwenen. Zo ook één ten zuidwesten van de boerderij op Dorpsstraat 14, welke ontsloten werd door de laan die westelijk van de huidige boerderij ligt. Deze verdwenen boerderij staat al vermeld op de kaart van 1832, toen de boerderij op Dorpsstraat 14 er nog niet was. De laan vormt een deel van één van de oudste paden in het gebied. Ten westen van de laan was vroeger bos aanwezig, waardoor de huidige doorkijk op het landschap niet altijd zo heeft bestaan.

kaart omstreeks 1850 (www.topotijdreis.nl), met in geel de verdwenen boerderijplaats. Het oude pad is ook goed zichtbaar vanaf de noordoosthoek van dit vlak, lopend in noordelijke richting. Tussen de boerderij en de weg lag een bosje.

fragment van de kaart op www.hisgis.nl, met daarop bebouwing die in 1832 was geregistreerd. De inmiddels verdwenen boerderij was er toen al. De ondergrond op deze kaart is van een latere datum, waarop de nu nog bestaande boerderij Dorpsstraat 14 zichtbaar is. Op deze kaart zie je ook duidelijk het bos (donkergroen) en een boomgaard (lichtgroen). Deze boomgaard is nu nog in het landschap herkenbaar achter de boerderij als door bomen omzoomde plek.

44

Concept

(van 24-6-2025 11:42)

Concept

Kaart omstreeks 1909 Beide boerderijen zijn op deze kaart goed zichtbaar. www.topotijdreis.nl

In 2022 is een dorpsinitiatief ontwikkeld voor woningbouw. In dit plan werden 13 woningen voorzien op de velden aan weerszijden van de laan die langs de boerderij op Dorpsstraat 14 leidt. De gemeente wilde dit plan niet in overweging nemen, omdat het plan te groot voor de locatie is. Het plan zou teveel inbreuk geven op de kwaliteiten van de locatie. Al het doorzicht op boerderij en landschap zou ermee verloren gaan. Ook werden rijwoningen aan de weg gepresenteerd, wat een trendbreuk zou betekenen met de bovenstaande omschreven ontwikkelgeschiedenis van het dorp. Een ander tegenargument was nog dat het boerenerf van Dorpsstraat 14 op deze wijze aan de dorpsbebouwing zou worden ‘vastgeknoopt’. Met name de open plek ten oosten van het boerenerf zorgt voor contrast tussen dorpskern en buitengebied. In die zin is die open plek meer van waarde dan de plek westelijk van de boerderij. Een suggestie die de gemeente aan de initiatiefnemers deed, was om woningbouw meer te concentreren op het boerenerf Dorpsstraat 14 of de verdwenen boerderijplaats schuin daarachter. Mogelijk dat er dan wel meerdere woningen mogelijk zouden zijn, met een betere inpassing in het landschap. Het dorp wilde echter niet ontwikkelen op het bestaande boerenerf en evenmin een nieuw boerenwoonerf stichten. Een dergelijk concept kreeg daarom geen vervolg.

Uiteindelijk zet het dorp nu in om de woningbouw meer over het dorp te verdelen: - Eigenaar perceel tussen Dorpsstraat 12 en 14 wil gedeelte aan de weg verkopen als kavels (nu voorliggende plan) - Eigenaar boerderij Dorpsstraat 14 wil zelf een nieuwe schuurwoning achter de bestaande boerderij (hiervoor is een bestemmingsplan vastgesteld) -

Het dorp onderzoekt zelf alternatieve locaties voor de overig nog gewenste woningen.

N.a.v. een planontwikkeling op het weiland tussen Dorpsstraat 58 en 64, beantwoorde de gemeente in maart 2024 een vraag van de provincie over hoe om te gaan met de open gaten in de lintbebouwing. De gemeente wil de meeste woningen die het dorp nodig heeft realiseren in aansluiting op de bestaande naoorlogse woonbuurt Mandestraat. In het lint zelf is vooralsnog dan nog ruimte voor één of twee woningen tussen Dorpsstraat 56 en 64 en voor twee woningen westelijk van de oprit naar de boerderij Dorpsstraat 14. Dat laatste betreft het nu voorliggende plan. De geplande bebouwing wordt losjes en open gesitueerd, met de nokrichting haaks op de hoofdweg. Bij de invulling van twee vrijstaande woningen wordt het zicht op de oude boerderij en de oude laan die daar aan de westzijde langs loopt, zoveel mogelijk gerespecteerd. Om deze reden is ingestoken op een bebouwingsvrije zone, waar bijgebouwen of schuttingen niet zijn toegestaan. De zone mag wel onderdeel zijn van de tuin van de woning. Enig opgaand groen kan onderdeel van een tuin zijn en daarmee wel iets van het zicht op de boerderij wegnemen. De voorgevels van de twee woningen mogen enigszins verspringen ten opzichte van elkaar. Het verspringen draagt bij aan meer eigenheid van de individuele woning. In de structuur van Haule verspringen veel woningen ten opzichte van elkaar.

Omdat er in het lint ook woningen staan die wel met enkele andere

45

Concept

(van 24-6-2025 11:42)

woningen in één voorgevellijn staan, is ook het bouwen in dezelfde lijn een optie. Beide varianten zijn te beschouwen als passend voor de plek. Dit wordt in de regels daarom mogelijk gemaakt.

Concept

Onderzoek archeologie Voor het plan is archeologisch onderzoek uitgevoerd. De rapportage is opgenomen als bijlage Archeologisch onderzoek. Dit onderzoek bevat meer locaties dan alleen voorliggend perceel aan de Dorpsstraat. Voor dit wijzigingsbesluit wordt enkel gebruik gemaakt van het deel dat ziet op onderhavige planlocatie. Op basis van de archeologische beleidskaart van de gemeente Ooststellingwerf geldt 'Waarde - Archeologie 4'. Hierbij geldt een onderzoeksplicht bij verstoringen groter dan 500 m2 en dieper dan 40 centimeter onder het maaiveld. Op basis van het bureauonderzoek heeft het plangebied een hoge verwachting op de aanwezigheid van resten uit het laat-paleolithicum tot en met de bronstijd en een lage verwachting op de aanwezigheid van resten uit de ijzertijd tot en met de late middeleeuwen. Het plangebied ligt in een vlakte met grondmorenewelvingen, dat plaatselijk wordt onderbroken door grotere dekzandstructuren en pingoruïnes/uitblazingskommen. Op de hogere plekken van het landschap, zoals dekzandruggen en morenewelvingen, was bewoning mogelijk vanaf het laat-paleolithicum. In de omgeving van het plangebied zijn tijdens oppervlaktekarteringen diverse vuurstenen artefacten aangetroffen. Vanaf de ijzertijd is het plangebied overgroeid geraakt door veen, waardoor het gebied door moerassige omstandigheden ongeschikt is geworden voor bewoning.

Eventuele resten uit het paleolithicum en mesolithicum uit bewerkt en/of verbrand vuursteen, houtskoolspreidingen en grondsporen zoals haardkuilen. Met betrekking tot het neolithicum en bronstijd kunnen daarnaast ook aardewerkscherven, metalen objecten en grondsporen met betrekking tot het boerenerf worden aangetroffen. Vanaf de late middeleeuwen en gedurende de nieuwe tijd wordt het gebied vanuit de Dorpsstraat in ontginning gebracht. Gezien de nabije ligging van het plangebied aan deze ontginningsas kunnen hier ook archeologische resten uit deze periode verwacht worden. Uit de late middeleeuwen en nieuwe tijd kunnen op basis van de ontginningsgeschiedenis van het gebied resten van oude boerderijplaatsen worden verwacht. Deze bestaan uit onder andere scherven aardewerk, puinresten en grondsporen zoals (paal)kuilen en funderingsresten. Eventuele archeologische waarden kunnen zijn aangetast door landbouwwerkzaamheden (bijvoorbeeld ploegen). Gezien de archeologische vondsten en onderzoeken uit de omgeving is er een verwachting voor archeologische waarden uit de periode paleolithicum tot bronstijd en de periode late middeleeuwen tot nieuwe tijd. Het plangebied grenst aan de historische dorpsstructuur van Haule. Aan de westzijde van het plangebied aan de Dorpstraat heeft mogelijk een (bij)gebouw gestaan in de negentiende eeuw.

Tijdens het veldonderzoek (karterende fase) zijn boringen verricht. Bij het plangebied werd een eenduidig bodemprofiel aangetroffen, bestaande uit een verstoorde zandlaag tot maximaal 55 centimeter onder het maaiveld en daaronder het (verspoelde) dekzand. Hoewel wel plaatselijk podzolbrokken zijn waargenomen is de bodem in dit plangebied tot in het schone dekzand verstoord door verspoeling. Archeologische indicatoren zijn niet aangetroffen. Aangezien geen archeologische indicatoren zijn aangetroffen in het plangebied, de podzolbodem is verstoord/geërodeerd en de depressievulling is gedempt, wordt geadviseerd het plangebied vrij te geven voor de geplande bodemingrepen. De gemeente onderschrijft het onderzoek en heeft het plangebied vrijgegeven. Als bij toekomstig graafwerk onverhoopt toch archeologische vondsten worden gedaan of archeologische grondsporen worden aangetroffen, dan dient daarvan direct melding te worden gemaakt bij de minister conform de Erfgoedwet 2016, artikel 5.10 & 5.11. Advies is dit te doen bij de Gemeente Ooststellingwerf. Conclusie De bovenstaande kernkwaliteiten en waarderende beschrijving zijn in ogenschouw genomen bij de ontwikkeling.

Dit is met name zichtbaar in het zoveel mogelijk behouden van de stedenbouwkundige- en bebouwingsstructuren, zie hiervoor paragraaf 2.2 (beschrijving toekomstige situatie) en het onderdeel ‘onderzoek cultuurhistorie en landschap’ in deze paragraaf. Zoals aangegeven zijn er geen monumenten , beschermde dorpsgezichten of cultuurlandschap aanwezig. Er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wat betreft cultureel erfgoed, landschappelijke, stedenbouwkundige en archeologische waarden.

46

Concept

(van 24-6-2025 11:42)

4.10 Bodem

Concept

Toetsingskader Waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie worden opgenomen in het definitieve omgevingsplan (artikel 5.89i Bkl). Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillen. Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde (zie artikel 5.89i Bkl) is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen (art. 5.89K Bkl, artikel IIIa onder 2 Aanvullingsbesluit Bodem). Daarnaast zijn er specifieke regels over bodem opgenomen in het Aanvullingsbesluit Bodem en de activiteiten zijn opgenomen in het Besluit activiteiten leefomgeving: • Regels over nazorg van de bodem na saneren op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving, het omgevingsplan, een omgevingsvergunning of een maatwerkvoorschrift (artikel IIIa, paragraaf 2.3.6a.2). • Regels over graven in de bodem (paragraaf 3.2.21 en 3.2.22 Bal). • Regels over activiteiten op een locatie met historische bodemverontreiniging zonder onaanvaardbaar risico (paragraaf 2.3.6a.4). • Maatwerkregels over het saneren van de bodem (paragraaf 2.3.6a.5).

Bij wijzigingen van activiteiten geldt dat de bodem geschikt moet zijn voor het beoogde gebruik. Dit kan betekenen dat een onderzoek moet worden verricht naar de bodem- en grondwaterkwaliteit. In dit kader is een verkennend bodemonderzoek ter plaatse van de geplande woningen uitgevoerd. Het onderzoek is opgenomen in bijlage X.

Onderzoek Er is een verkennend bodemonderzoek ter plaatse van de geplande woningen uitgevoerd. Het onderzoek is opgenomen als bijlage Bodemonderzoek. Navolgend worden de uitkomsten van het onderzoek besproken. Gezien de resultaten van het onderzoek wordt geconcludeerd dat de voor de onderzoekslocatie opgestelde hypothese “niet verdachte locaties”, formeel gezien niet juist is. Er zijn immers op de locatie enkele licht verhoogde gehalten in het grondwater aangetroffen, waardoor de hypotheses worden verworpen. In de onderzochte bovengrond worden geen overschrijdingen voor PFOA, PFOS en overige PFAS ten opzichte van de achtergrondwaarden (klasse landbouw en natuur) uit het handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie (13 december 2021) vastgesteld. De geconstateerde verhoogde gehalten in het grondwater liggen onder de indexwaarde van 0,5 en/of interventiewaarde en vormen géén aanleiding tot het instellen van een nader bodemonderzoek. Op basis van de onderzoeksresultaten bestaan er, vanuit milieuhygiënisch oogpunt gezien, geen belemmeringen ten aanzien van het gebruik van het terrein en de afgifte van een omgevingsvergunning ten behoeve van de geplande bouwactiviteiten op het terrein.

Asbest Op basis van de historie van het perceel, de uitgevoerde maaiveldinspectie en de zintuiglijke waarnemingen tijdens de boorwerkzaamheden - waarbij geen asbestverdachte materialen zijn aangetroffen - is het aannemelijk dat er geen sprake is van een verontreiniging van de bodem met asbest. Indien hierover echter meer zekerheid is gewenst, wordt geadviseerd een verkennend bodemonderzoek conform NEN 5707 of NEN 5897 uit te laten voeren. Hergebruik van grond Voor de volledigheid kan nog worden vermeld dat de grond naar verwachting zonder beperkingen kan worden hergebruikt. Hierbij dient te worden opgemerkt dat dit een indicatieve toetsing aan de Regeling en het Besluit Bodemkwaliteit betreft; het uitgevoerde onderzoek betreft immers geen partijkeuring conform BRL SIKB 1000, protocol 1001.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Ooststellingwerf&id=ce5aee6b-19ca-433a-872f-b71643a8489c