Agendabundel
Tekst van het document
Bovendien moet er liefst sprake zijn van een zo compact mogelijk erfensemble." Het advies resulteert op grond van bovenstaande vervolgens in een aantal aanbevelingen voor de erfinrichting. Landschappelijke inpassing en beeldkwaliteit Ten behoeve van de nieuwe woningen ten zuidwesten van Bovenweg nr. 25 is een landschappelijk inpassingsplan en een beeldkwaliteitsplan opgesteld. Dit plan is opgenomen als bijlage 2 bij de regels. Deze
38/390
notitie gaat in op de situering van de woningen, de landschappelijke inpassing en beeldkwaliteit ervan. Het oorspronkelijke ensemble van boerderij en villa wordt versterkt. De vroeg twintigste eeuwse bebouwing van het landgoed dient als eenheid herkenbaar te blijven. Door de nieuwe woningen schuin achter de villa te situeren blijft het oorspronkelijke ensemble van boerderij en villa herkenbaar en ontstaat een klein bebouwingscluster dat visueel gekoppeld is aan de andere bebouwing van landgoed Boschhoeve. De twee nieuwe woningen worden ontwikkeld als een zogenaamde 'schuurwoning'. Voor dit type woning zijn de beeldkwaliteitkaders verder uitgewerkt. 4.6.3 Conclusie De aspecten 'Landschap en cultuurhistorie' vormen geen belemmering voor het planvoornemen. Met het oog op de bescherming van de cultuurhistorische waarden is de dubbelbestemming 'Waarde- Cultuurhistorie' opgenomen. In de regels is een voorwaardelijke verplichting opgenomen ten aanzien van de slopen oppervlakte aan voormalige agrarische bedrijfsbebouwing op nr. 23 en 25. De sloop is hiermee als nadrukkelijke voorwaarde voor de bouw van de twee nieuwe woningen geborgd in dit bestemmingsplan. Ten behoeve van de erfinrichting van nr. 23 en nr. 25 is eveneens een voorwaardelijke verplichting opgenomen in de regels van dit bestemmingsplan. Hiermee wordt de uitvoering van de erfinrichting geborgd.
4.7
Bodem
4.7.1 Algemeen Op grond van het Bro moet in verband met de uitvoerbaarheid van een plan rekening worden gehouden met de bodemgesteldheid in het plangebied. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig moet worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). De (milieuhygiënische) bodemkwaliteit moet geschikt zijn voor de gewenste bestemming. Er gelden daarbij andere eisen voor de bestemming wonen dan voor bijvoorbeeld de bestemming bedrijven (zie gevoelige functies). Uitgangspunt is dat de bodemkwaliteit geen onaanvaardbaar risico oplevert voor de gebruikers van de bodem. Bovendien mag de bodemkwaliteit niet verslechteren door grondverzet (bijvoorbeeld graafwerkzaamheden). Dit is het zogenaamde stand still-beginsel. 4.7.2 Onderzoek In het kader van het bestemmingsplan is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd ter plaatse van de beoogde locatie voor de twee nieuwe woningen. Het verkennend bodemonderzoek (d.d. 9 januari 2025) is opgenomen als bijlage 5. Aanleiding van het verkennend onderzoek is de voorgenomen herontwikkeling van de locatie. Het ligt in de bedoeling om een landbouwschuur te slopen en vervolgens twee schuurwoningen op het terrein te realiseren.
Het doel van het onderzoek is het vaststellen van de milieuhygiënische bodemkwaliteit. Op basis van de onderzoeksresultaten kan bepaald worden of de milieuhygiënische bodemkwaliteit voldoende geschikt is voor de sloop- en nieuwbouwplannen. Op basis van de gemeten gehalten in de grond en het grondwater kan de gestelde onderzoekshypothese, een verdachte locatie, aangenomen worden. De gehalten zijn echter dusdanig dat aanvullend onderzoek niet noodzakelijk is. Vanuit milieuhygiënisch oogpunt zijn er geen belemmeringen voor de voorgenomen sloop- en nieuwbouwplannen.
39/390
4.8
Water
4.8.1 Algemeen Deze 'waterparagraaf' gaat in op de watertoets. Hierin wordt beoordeeld wat de effecten van het bestemmingsplan op de waterhuishouding zijn en of er waterschapsbelangen spelen. De belangrijkste thema's zijn waterveiligheid, de afvoer van schoon hemelwater en afvalwater en de waterkwaliteit. De watertoets is een procesvereiste in het kader van de ruimtelijke procedure. Het plangebied ligt in het beheersgebied van Wetterskip Fryslân. Het plan is via de digitale watertoets op 14-06 2022 kenbaar gemaakt bij het waterschap. De korte watertoetsprocedure is van toepassing. De aanvraag Watertoets is als bijlage 6 opgenomen bij de toelichting van het bestemmingsplan. In de Leidraad Watertoets staan de uitgangspunten waarmee bij het ontwikkelen van ruimtelijke plannen rekening moet worden gehouden. De beschrijving van de wateraspecten sluit zoveel mogelijk aan bij de indeling van het Waterbeheerplan en de Leidraad Watertoets in de thema's Veilig, Voldoende en Schoon. Veilig Naast de verdedigingswerken moet worden ingezet op aanpassingen in de ruimtelijke ordening en calamiteitenbeheersing. Er is in dit verband sprake van meerlaagse veiligheid, dit staat voor Veiligheid in drie lagen. In het kader van ruimtelijke ordening is vooral laag 2 van belang. Het gaat er dan om dat de ruimte op een duurzame manier wordt ingericht.
Bijvoorbeeld door geen gevoelige functies te realiseren op plekken die kunnen overstromen. In dit plan worden geen gevoelige functies zoals bedoeld door het waterschap voorgesteld. Voldoende Klimaatadaptatie In het kader van klimaatadaptatie adviseert het waterschap om bij de inrichting van het plangebied te anticiperen op hevige regenbuien, periodes van droogte en hitte en mogelijk overstroming door bijvoorbeeld het percentage verhard oppervlak te verminderen en het plangebied groener in te richten. Binnen het plangebied wordt zuinig omgegaan met verhardingen. Het gebied kent in hoofdzaak een groene en natuurlijke inrichting. De nieuwe pachter maakt geen gebruik meer van het oude mestbassin en heeft deze landschappelijk ingericht als vijver (waterberging). Compensatie in geval van toename verharding Het waterschap hanteert als uitgangspunt dat de toename verhard oppervlak voor een deel wordt gecompenseerd in de vorm van nieuw oppervlaktewater of waterberging. Het dempen van water en/of watergangen moet volledig gecompenseerd worden. Deze compensatie is bedoeld om wateroverlast door het versneld afvoeren van hemelwater vanaf de verhardingen te voorkomen. Compensatie is nodig bij een toename aan verharding van meer dan 1.500 m2 in het landelijk gebied. Met het voornemen is geen sprake van een toename van verharding.
Nieuwe verharding vindt plaats door de nieuwbouw van twee woning ten zuidwesten van Bovenweg nr.25 en de nieuwe open stal op het erf van nr. 23. Daartegenover wordt er in het kader van 'ruimte-voor -ruimte' meer dan 3.000 m2 aan beeldverstorende
40/390
bebouwing gesloopt. Het verwijderen van een groot deel van het beton op het erf en vervangen door begroeiing en semi-verharding zorgt, naast meer natuurwaarde en biodiversiteit, er ook voor dat het water goed in de bodem weg kan lopen. Compenserende maatregelen zijn niet aan de orde. De nieuwe open stal krijgt een oppervlakte van circa 530 m2. Voor de nieuwe woning met bijbehorende bijgebouwen kan uit worden gegaan van een oppervlakte van maximaal 300 m2 per woning. Peilbeheer Er dient rekening gehouden te worden met voldoende drooglegging. Dit is de afstand tussen het waterpeil en de aanleghoogte van de bebouwing. Wetterskip Fryslân heeft het plan beoordeeld en geeft de volgende aandachtspunten mee: Bij de realisering van bebouwing en het aanleggen van verharding is het nodig om rekening te houden met voldoende drooglegging om bijvoorbeeld opdrijven van verharding te voorkomen. Geadviseerd wordt voor bebouwing met kruipruimte een drooglegging van 1,10 m en voor bebouwing zonder kruipruimte een drooglegging van 0,70 m gerekend vanaf de te realiseren bovenkant vloer. Ook voor verharding wordt een drooglegging van 0,70 m geadviseerd. Grondwateronttrekking Voor het (tijdelijk) onttrekken van grondwater is een vergunning of melding nodig. Ook op het lozen van onttrokken grondwater is de meldingsplicht van toepassing.
De voorgestane ontwikkelingen voorzien niet in grondwateronttrekkingen. Schoon Afvalwater en regenwatersysteem Het uitgangspunt is om regenwater en rioolwater gescheiden af te voeren. In dit geval wordt de nieuwe bebouwing aangesloten op de bestaande voorziening. Er wordt vanuit gegaan dat het systeem voldoende capaciteit heeft. Afstromend hemelwater vanaf de verhardingen kunnen infiltreren. Waterkwaliteit De bouwwijze en onderhoudstechniek moeten emissievrij zijn om verontreiniging van het water te voorkomen. In dit geval zal gebruik worden gemaakt van milieuvriendelijke (bouw)materialen. 4.8.2 Waterplan 'Boeren in het Bos' Middels een samenwerking tussen 'Boeren in het Bos', Wetterskip Fryslân en provincie Fryslân is in 2020/2021 een waterplan realiseert. 'Boeren in het Bos' hebben het initiatief genomen om maatregelen in de waterhuishouding te nemen om meer gebiedseigen water vast te houden (conserveren) en de mogelijkheden voor (tijdelijke) waterberging te vergroten. De maatregelen zijn in overleg met de Provinsje Fryslân en Wetterskip Fryslân uitgewerkt in een waterhuishoudkundig maatregelenpakket.
De maatregelen dragen bij aan de bestrijding van de verdroging, bevorderen de klimaatbestendigheid van het watersysteem, leiden tot een afname van piekafvoeren en vergroting van de waterberging en passen binnen de beleidskaders van het Watergebiedsplan, het Provinciaal Waterhuishoudingsplan, Waterbeheerplan en Toekomstbestendig Waterbeheer. Onderdeel van het waterplan was het aanleggen van een bergingsvijver aansluitend aan het erf. In 2020 is een samenwerkingsovereenkomst tussen partijen aangegaan en in 2021 zijn de maatregelen (waaronder de bergingsvijver) afgerond.
41/390
4.9
Geluid
Op grond van de Wet geluidhinder geldt rond wegen met een maximumsnelheid hoger dan 30 km/uur, spoorwegen en inrichtingen die ''in belangrijke mate geluidhinder veroorzaken'', een geluidzone. Bij ontwikkeling van nieuwe geluidsgevoelige objecten binnen deze geluidzones of bij bepaalde veranderingen aan de weg zelf (zoals het verhogen van de maximumsnelheid of het uitbreiden van het aantal rijstroken) moet akoestisch onderzoek worden uitgevoerd om aan te tonen dat de ontwikkeling voldoet aan de voorkeursgrenswaarden die in de wet zijn vastgelegd. De 48 dB contour betreft de voorkeursgrenswaarde en de 53 dB contour betreft de maximaal vast te stellen hogere waarde voor nieuw te bouwen woningen in buitenstedelijk gebied of gelegen binnen de bebouwde kom en binnen de zone van een weg. Onderzoek De nieuw te bestemmen woonkavels liggen binnen de wettelijke (Wet geluidhinder) geluidzone van de Bovenweg of N351. Om die reden is een akoestisch onderzoek uitgevoerd om de geluidcontouren van deze weg te bepalen. Het bepalen van de geluidscontouren is uitgevoerd op basis van de Standaard Rekenmethode II (SRM II) conform het Reken- en Meetvoorschrift 2012.Het akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai is opgenomen als bijlage 7 bij de toelichting van dit bestemmingsplan. Uit het onderzoek blijkt dat de voorkeursgrenswaarde van Lden = 48 dB voor de Bovenweg/N351 wordt overschreden.
Voor de parallelweg wordt aan wel aan de voorkeursgrenswaade voldaan (is akoestisch minder relevant). Voor de Bovenweg/N351 geldt wel dat de maximale ontheffingswaarde van Lden = 53 dB (buitenstedelijk) niet wordt overschreden. De realisatie van het plan is daarmee mogelijk binnen de randvoorwaarden van de Wet geluidhinder en er is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat, de geluidbelasting bedraagt niet meer dan Lden = 50 dB. Wel dient een hogere waarde te worden vastgesteld voor slechts één woning. Van de twee nieuwe woningen betreft dit de meest noordelijk gelegen woning. Hogere grenswaarden kunnen alleen worden verleend, nadat is onderbouwd dat maatregelen om de geluidbelasting op de gevel van geluidgevoelige bestemmingen terug te dringen onvoldoende doeltreffend zijn, dan wel overwegende bezwaren ontmoeten van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of financiële aard. Omdat het slechts één woning betreft, zijn bronmaatregelen financieel niet haalbaar (geluidreducerend asfalt). Geluidschermen zijn stedenbouwkundig niet gewenst. Aanvullende eisen vanuit het Bouwbesluit ten aanzien van de gevelgeluidwering zijn niet aan de orde. De cumulatieve geluidbelasting zonder aftrek bedraagt Lden = 52 dB. Wanneer de geluidwering daarop wordt gedimensioneerd, dient de karakteristieke geluidwering te voldoen aan GA;k = 52-33 = 19 dB(A).
Dit is minder dan de minimum-eis conform Bouwbesluit van GA;k = 20 dB(A).
42/390
Figuur: geluidscontouren Bovenweg
4.10 Luchtkwaliteit In de Wet milieubeheer zijn de grenswaarden op het gebied van de luchtkwaliteit vastgelegd. Daarbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk met name de grenswaarden voor stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10) van belang. Projecten die slechts in zeer beperkte mate bijdragen aan de luchtverontreiniging, zijn daarbij vrijgesteld van toetsing aan de grenswaarden. Dit geldt onder ander voor een woningbouwproject met minder dan 1.500 woningen. Dergelijke projecten mogen zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uitgevoerd worden en dragen 'niet in betekende mate' bij aan de luchtverontreiniging. Bovendien is de lucht in Ooststellingwerf schoon en worden geen grenswaarden overschreden. De ontwikkeling in het plangebied draagt niet in betekenende mate bij aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Conclusie Het aspect 'luchtkwaliteit' staat de uitvoering van dit bestemmingsplan niet in de weg.
43/390
4.11 Externe veiligheid Externe veiligheid gaat over het beheersen van de risico's die ontstaan voor de omgeving bij het gebruik, de opslag en het vervoer van gevaarlijke stoffen, zoals vuurwerk, LPG en munitie. Sinds een aantal jaren is er wetgeving over “externe veiligheid” om de burger niet onnodig aan te hoge risico's bloot te stellen. De normen voor externe veiligheid zijn vastgelegd in onder andere het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), Besluit externe veiligheid transportroutes (BEVT) en het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Het externe veiligheidsbeleid heeft vorm gekregen in de risicobenadering. Er wordt getoetst aan twee verschillende normen: het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Ten aanzien van het plaatsgebonden risico geldt een kans van 10-6 als grenswaarde. Dit betekent dat binnen de zogenaamde PR 10-6-contour geen nieuwe kwetsbare objecten mogen worden toegestaan. Voor ontwikkeling van nieuwe beperkt kwetsbare objecten, geldt deze norm als streefwaarde. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep mensen van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het onderscheid tussen kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen. In het kader van het aspect externe veiligheid is de Risicokaart geraadpleegd.
Uit de Risicokaart blijkt dat het plangebied niet binnen de invloedszone van risicovolle inrichtingen vallen. Er vindt in de nabijheid van het plangebied geen vervoer van gevaarlijke stoffen plaats. Er zijn geen buisleidingen in de omgeving van het plangebied aanwezig die zijn aangewezen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Advies Brandweer Fryslân In het kader van het vooroverleg is het bestemmingsplan voorgelegd aan Brandweer Fryslân. Het advies van de Brandweer ten aanzien van de aspecten 'bestrijdbaarheid, bereikbaarheid en zelfredzaamheid ' is als onderdeel van bijlage 8 opgenomen in dit het bestemmingsplan. Brandweer Fryslân heeft geen bezwaar tegen het concept bestemmingsplan. Wel voorziet zij in het plangebied een knel/- aandachtspunt met betrekking tot de bereikbaarheid. In overeenstemming met de punten die genoemd zijn in de bijlage adviseert Brandweer Fryslân daarom om de eigen weg naar het plangebied te laten voldoen aan de eisen genoemd in paragraaf 3.3 van het advies zodat de objecten tot op de genoemde afstand voor de brandweer te bereiken zijn. Conclusie Het aspect ' externe veiligheid' vormt voor dit bestemmingsplan geen beperkingen en er is geen aanvullend onderzoek nodig.
44/390
4.12 Kabels en leidingen Bij de uitvoering van ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening worden gehouden met de aanwezigheid van elektriciteit- en communicatiekabels en nutsleidingen in de grond. Hier gelden beperkingen voor ingrepen in de bodem. Daarnaast zijn zones, bijvoorbeeld rondom hoogspanningsverbindingen, straalpaden en radarsystemen van belang. Deze vragen vaak om het beperken van gevoelige functies of van de hoogte van bouwwerken. Voor ruimtelijke plannen zijn alleen de hoofdleidingen van belang. De kleinere, lokale leidingen worden bij de uitvoering zo nodig door middel van een Klic-melding in kaart gebracht. In of nabij het plangebied liggen geen kabels of leidingen die moeten worden voorzien van een planologische regeling.
45/390
Hoofdstuk 5 5.1
Juridische planbeschrijving
Algemeen
In dit hoofdstuk volgt een toelichting op de juridische regeling. Het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan bestaat uit de verbeelding en de regels. De verbeelding en de regels moeten in samenhang met elkaar worden gezien. De verbeelding en de regels zijn opgesteld volgens de landelijke Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012). Dit zijn de standaardregels zoals voorgeschreven op grond van de Wet ruimtelijke ordening en overeenkomstig de wettelijke regels ten aanzien van het digitaal raadpleegbaar zijn van ruimtelijke plannen.
5.2
Toelichting op de bestemmingen
5.2.1 Agrarisch - Landgoed De gronden in gebruik bij 'Boeren in het Bos' zijn onder een specifieke bestemming gebracht, namelijk ' Agrarisch - Landgoed'. Met deze bestemming wordt recht gedaan aan de duurzame en natuurinclusieve bedrijfsvoering en de gewenste verbreding. De bestemmingsomschrijving ziet in eerste instantie toe op het uitoefenen van een grondgebonden agrarisch bedrijf, waaronder een voedselbos en een boomgaard. Het uitoefenen van een grondgebonden agrarisch bedrijf vindt plaats in combinatie met een boerderijwinkel, informatieve en educatieve activiteiten en voedselverwerking van agrarische producten. De woonfunctie (het wonen ten behoeve van de bedrijfsvoering op de Boschhoeve) is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning'. De woonfunctie mag gecombineerd worden met en aan huis verbonden beroep, aan huis verbonden bedrijfsactiviteiten en een bed & brochje. Het aantal kamers dat mag worden gebruikt voor bed & brochje is maximaal 4. Omdat een boomgaard en een voedselbos ' opgaande beplanting' betreft, zijn de locaties hiervan op de verbeelding aangeduid. Gebouwen en overkappingen moeten binnen het op de verbeelding weergegeven bouwvlak worden gebouwd. Het bouwen van kassen is niet toegestaan. De bouw van tunnelkassen is uitsluitend toegestaan binnen het bouwvlak. 5.2.2 Wonen De voormalige agrarische bedrijfswoning op Bovenweg nr.
25 heeft de bestemming ' Wonen' gekregen. Ook zijn twee nieuwe bestemmingsvlakken 'Wonen' met bijbehorende bouwmogelijkheden gerealiseerd ten zuidwesten van Bovenweg nr. 25. Dit is het kader van de twee nieuw te bouwen woningen in de geest van de 'ruimte-voor-ruimte regeling'. De gronden zijn bestemd voor wonen, al dan niet in combinatie met een aan huis verbonden beroep of bedrijf, een bed & brochje en een theetuin. Verkeers- en verblijfsvoorzieningen, parkeren, tuinen, erven zijn eveneens in de bestemmingsomschrijving opgenomen. Per bestemmingsvlak mag ten hoogste één woning worden gerealiseerd. De woning dient vrijstaand binnen het bouwvlak gebouwd te worden. De oppervlakte van het woongebouw bedraagt maximaal 175 m2. De maximale
46/390
oppervlakte van de bijbehorende bouwwerken is afhankelijk van de grootte van het perceel en bedraagt maximaal: 125 m2 bij een erf met een oppervlakte kleiner dan 800 m2 150 m2 bij een erf met een oppervlakte kleiner dan 1.500 m2; 200 m2 bij een erf met een oppervlakte van ten minste 1.500 m2. In de regels is een voorwaardelijke verplichting opgenomen ten aanzien van de slopen oppervlakte aan voormalige agrarische bedrijfsbebouwing op Bovenweg nr. 23 en 25. De sloop is hiermee als nadrukkelijke voorwaarde voor de bouw van de nieuwe woningen geborgd in dit bestemmingsplan. Zie hiervoor artikel 4.4.4. Tevens is een voorwaardelijke verplichting opgenomen met het oog op de landschappelijke inpassing van de nieuwe woningen. Zie hiervoor artikel 4.4.3. Zichtbaarheid woningen: handhaven openheid en creëren zichtlijnen Om de zichtbaarheid van de nieuwe en bestaande woningen op nr. 25 te waarborgen zijn de volgende regeling in het plan opgenomen: Op een deel van de percelen met de woonbestemming is de aanduiding 'Overige zone-handhaven openheid' gelegd. Ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - handhaven openheid' zijn de gronden mede bestemd voor het behoud, het herstel en de versterking van de openheid van het landschap. Het doel hiervan is om de openheid van de percelen te waarborgen. (Vergunningsvrije) bebouwing is op dit deel van het perceel niet toegestaan.
Dit geldt ook voor opgaande beplanting in de vorm van boom- en fruitteelt, houtteelt en bosbouw. De hoofdstamboomgaard op het perceel van de bestaande woning op nr. 25 is op de verbeelding aangeduid. De gronden tussen het perceel nr. 25 en de Bovenweg zijn onder de bestemming ' Agrarisch-Landgoed' gebracht. Op deze wijze wordt beoogd dat de oude villa zichtbaar blijf vanaf weg, maar ook vanaf de boerderij op nr. 23) en dat de nieuwe schuurwoningen in één beeld zichtbaar zijn (komende vanaf het klinkerpad vanaf de Bovenweg naar de nieuwe woningen). 5.2.3 Waarde- Archeologie Binnen het plangebied is sprake van een archeologische (verwachtings)waarde, zie ook paragraaf 4.5. Ten behoeve van de bescherming van deze waarden zijn in dit bestemmingsplan de dubbelbestemmingen archeologie 3, 4 en 5 opgenomen. De voor 'Waarde- Archeologie' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor het behoud van archeologische waarden. Voor ' Waarde - Archeologie 3' geldt dat op deze gronden geen bouwwerken mogen worden gebouwd, waarbij de bodem dieper dan 30 cm beneden het maaiveld wordt geroerd, met uitzondering van bouwwerken ter vervanging van bestaande bouwwerken, waarbij de bestaande oppervlakte met niet meer dan 100 m2 wordt uitgebreid.
Ook bouwwerken met een oppervlakte kleiner dan 100 m2 ten behoeve van andere, voor deze gronden geldende bestemmingen zijn toegestaan. Voor 'Waarde - Archeologie 4' geldt dat op deze gronden geen bouwwerken worden gebouwd, waarbij de bodem dieper dan 40 cm beneden het maaiveld wordt geroerd, met uitzondering van bouwwerken ter
47/390
vervanging van bestaande bouwwerken, waarbij de bestaande oppervlakte met niet meer dan 500 m2 wordt uitgebreid. Bouwwerken met een oppervlakte kleiner dan 500 m2 ten behoeve van andere, voor deze gronden geldende bestemmingen zijn eveneens toegestaan. Voor ' Waarde - Archeologie 5' geldt dat op deze gronden geen bouwwerken worden gebouwd, waarbij de bodem dieper dan 40 cm beneden het maaiveld wordt geroerd, met uitzondering van bouwwerken ter vervanging van bestaande bouwwerken, waarbij de bestaande oppervlakte met niet meer dan 500 m2 wordt uitgebreid. Bouwwerken met een oppervlakte kleiner dan 2.500 m2 ten behoeve van andere, voor deze gronden geldende bestemmingen zijn eveneens toegestaan. 5.2.4 Waarde - Cultuurhistorie De voor Waarde - Cultuurhistorie 1 aangewezen gronden zijn mede bestemd voor het behoud, herstel en de versterking van de landschappelijke en cultuurhistorische waarden. Hieronder worden begrepen de volgende landschappen waar de landschappelijke en cultuurhistorische kenmerken in onderlinge samenhang nog duidelijk aanwezig zijn: het essenlandschap; de heideontginningen; woudontginningen.
48/390
Hoofdstuk 6 6.1
Uitvoerbaarheid
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Overleg Het voorontwerpbestemmingsplan is in het kader van het vooroverleg ex artikel 3.1.1 Besluit ruimtelijke ordening (Bro) voorgelegd aan de betrokken overleginstanties. Er zijn reacties binnengekomen van provincie Fryslân, Wetterskip Fryslân en de Brandweer. De vooroverlegreacties zijn opgenomen als bijlage bij de toelichting. Voor zo ver de reacties aanleiding gaven het bestemmingsplan aan te passen, zijn deze aanpassingen verwerkt in het ontwerpbestemmingsplan. De belangrijkste wijziging ten opzichte van het voorontwerp is dat de eerder voorgestelde locatie voor een nieuwe woning in de geest van de 'ruimte-voor-ruimte regeling' (te weten een locatie ten noorden van de Bovenweg, schuin tegenover Bovenweg nr. 25) is komen te vervallen. In plaats daarvan wordt het in planologische zin mogelijk gemaakt om twee woningen te realiseren op het betreffende perceel Bovenweg nr. 25, op de plek van een te slopen stal/schuur. Zienswijze Het ontwerpbestemmingsplan is gedurende zes weken ter inzage gelegd. Tijdens deze periode is een ieder in de gelegenheid gesteld om een zienswijze in te dienen (artikel 3.8 Wet ruimtelijke ordening). Er is één zienswijze ingedien, namelijk door de provincie Fryslân. Deze is als bijlage 9 opgenomen. Vaststelling Vervolgens wordt het bestemmingsplan vastgesteld. Na de vaststelling wordt het bestemmingsplan nogmaals zes weken ter inzage gelegd.
Tijdens deze periode bestaat de mogelijkheid tot het indienen van beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
6.2
Economische uitvoerbaarheid
Het aantonen van de economische uitvoerbaarheid ten behoeve van de inzet van gemeentelijke middelen door middel van een cijfermatige opzet, is voor onderhavig voornemen niet relevant. Voor de ontwikkeling zijn door de eigenaren van het landgoed voldoende middelen gereserveerd. Bovendien wordt door de bouw en verkoop van de nieuwe woning gelden verkregen om de voorgenomen ontwikkelingen te kunnen financieren. Gesteld kan worden dat het plan hiermee economisch uitvoerbaar is. Grondexploitatie Door middel van de grondexploitatieregeling in de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) beschikken gemeenten over mogelijkheden voor het verhalen van kosten op derden. Hierbij valt te denken aan kosten voor het bouw- en woonrijp maken en kosten voor het bestemmingsplan. Daarnaast hebben gemeenten sturingsmogelijkheden, omdat in het geval van grondexploitatie door derden diverse eisen en regels gesteld kunnen worden. In de Wro is opgenomen dat voor bouwplannen zoals bedoeld in artikel 6.2.1 Bro, in verband met het kostenverhaal van de gemeente, in beginsel een exploitatieplan vastgesteld moet
49/390
worden. De voorgestane ontwikkelingen brengen geen kosten voor de gemeente met zich mee. Vaststelling van een exploitatie-plan is derhalve niet aan de orde. Wel wordt er een planschadeovereenkomst tussen initiatiefnemer en gemeente overeengekomen, dit om in geval van eventuele planschade het planschadebedrag door te kunnen belasten aan de initiatiefnemer.
50/390
Bijlagen toelichting
51/390
52/390
Bijlage 1
53/390
Quickscan Wnb
2022 Quickscan Wet natuurbescherming Ontwikkeling Landgoed Boschhoeve en graslandperceel (804) te Nijeberkoop
COLOFON BUREAU FAUNAX Tijnjedyk 89 8936 AC Leeuwarden +316 83 77 25 48 info@faunax.nl www.faunax.nl Lid van Netwerk Groene Bureaus
Quickscan Wet natuurbescherming Ontwikkeling Landgoed Boschhoeve en graslandperceel (804) te Nijeberkoop Leeuwarden, maart 2022
In opdracht van: Rho Adviseurs Uitvoering: Bureau FaunaX Veldwerk en rapportage: Mevr. A. Wieringa Autorisatie: Dhr. J. Groen Foto’s voorpagina: Impressie van het plangebied
© Bureau FaunaX. Gebruik en overname van gegevens alleen toegestaan met volledige bronvermelding: Bureau FaunaX (2022). Ecologische quickscan Wet natuurbescherming. Rho Adviseurs/ Ontwikkeling Landgoed Boschhoeve en graslandperceel (804) te Nijeberkoop. Rapport 22031 .Bureau FaunaX, Leeuwarden.
Disclaimer: In deze rapportage worden de resultaten van een onafhankelijk onderzoek behandeld. Bureau FaunaX heeft een adviserende rol en spreekt zich niet uit over de wenselijkheid van het plan waarop dit onderzoek betrekking heeft. Dit onderzoek is zo zorgvuldig en nauwkeurig mogelijk uitgevoerd. Het voorkomen van beschermde soorten is echter onvoorspelbaar. Aan dit rapport kunnen geen rechten worden ontleend. Op dit onderzoek zijn onze algemene voorwaarden van toepassing, zoals gedeponeerd bij de Kamer van Koophandel te Leeuwarden.
INHOUDSOPGAVE 1.
2.
INLEIDING ..................................................................................................................... 1 1.1
Aanleiding ..................................................................................................................... 1
1.2
Doel ...............................................................................................................................2
1.3
Onderzoeksopzet ..........................................................................................................2
1.4
Karakteristiek plangebied en planvoornemen ............................................................. 3
RESULTATEN QUICKSCAN ........................................................................................... 5 2.1
Flora ...............................................................................................................................5
2.2
Vogels ............................................................................................................................5
2.3
2.2.1
Jaarrond beschermde vogelnesten ................................................................5
2.2.2
Overige (broed)vogelsoorten ........................................................................ 6
Zoogdieren ....................................................................................................................7 2.3.1
Vleermuizen ...................................................................................................7
2.3.2
Overige zoogdiersoorten .............................................................................. 8
2.4
Reptielen en amfibieën ................................................................................................ 9
2.5
Vissen .......................................................................................................................... 10
2.6
Ongewervelden ........................................................................................................... 10
2.7
Gebiedsbescherming .................................................................................................... 11 2.7.1
2.8 3.
Houtopstanden ........................................................................................................... 12
SAMENVATTING EN CONCLUSIES ..............................................................................13 3.1
Overzicht beschermde soorten .................................................................................. 13
3.2
Effectbespreking en aanbevelingen............................................................................ 13
3.3 4.
Stikstofgevoeligheid ...................................................................................... 11
3.2.1
Algemeen voorkomende broedvogels ......................................................... 13
3.2.2
Jaarrond beschermde nesten (huismus) ..................................................... 13
3.2.3
Jaarrond beschermde nesten (gierzwaluw) ................................................. 14
3.2.4
Jaarrond beschermde nesten (kerkuil) ........................................................ 14
3.2.5
Vleermuizen (verblijfplaatsen) .................................................................... 14
3.2.6
Vrijgestelde- en niet beschermde soorten: de zorgplicht ........................... 14
Overzicht vervolgstappen ........................................................................................... 15
BRONNEN EN LITERATUUR ....................................................................................... 16
BIJLAGE I FOTO’S BEBOUWING...................................................................................... - 1 BIJLAGE II WET- EN REGELGEVING ................................................................................- 5 Wnb Soortbescherming ..................................................................................................... - 5 Vogels en verstoring ................................................................................................ - 5 Vrijgestelde soorten provincie Fryslân .................................................................... - 5 -
Voorwaarden vrijstellingen ..................................................................................... - 6 Zorgplicht art 1.11 Wnb............................................................................................. - 7 Wnb Gebiedsbescherming ................................................................................................ - 7 Natura 2000-gebieden ............................................................................................. - 7 Wnb Houtopstanden ......................................................................................................... - 7 NatuurNetwerk Nederland/ Ecologische HoofdStructuur .............................................. - 8 -
1. INLEIDING 1.1
Aanleiding
Men is voornemens op landgoed Boschhoeve te Nijeberkoop enkele gebouwen te slopen dan wel intern te verbouwen. Daarnaast zal een agrarisch perceel ten noordwesten van het landgoed worden ontwikkeld ten behoeve van woningen. Met het planvoornemen zullen bomen en waterlichamen ongemoeid blijven.
Figuur 1.1. Plangebied te Nijeberkoop.
Omdat de bovenstaande maatregelen een ruimtelijke ingreep betreffen, dient een toetsing te worden uitgevoerd in het kader van de Wet natuurbescherming (Wnb). Deze wet zal naar verwachting medio 2022 worden opgenomen in de Omgevingswet. Deze toetsing vindt eerst plaats in de vorm van een quickscan gebaseerd op het onderdeel soortbescherming. In het kader daarvan is door Bureau FaunaX een analyse gemaakt van de (mogelijk) binnen de invloedssfeer aanwezige beschermde natuurwaarden. Hierbij ligt de focus op flora en alle diergroepen waarvan redelijkerwijze kan worden verwacht dat beschermde soorten voor kunnen komen in het plangebied. Tevens is een inschatting gemaakt van de eventuele effecten van de voorgenomen plannen op in de omgeving liggende beschermde natuurgebieden (Natura 2000 en NNN/EHS) (onderdeel gebiedsbescherming).
1
1.2
Doel
Deze ecologische beoordeling geeft, voor zover mogelijk, antwoord op de volgende vragen: 1. 2. 3. 4. 5.
Komen binnen het plangebied (biotopen van) beschermde soorten in het kader van de Wet natuurbescherming voor? Komen binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden beschermde natuurgebieden voor? Wat zijn de mogelijke effecten van de realisatie van de initiatieven en het in gebruik hebben ervan op deze beschermde natuurwaarden? Voor welke soorten en hun leefgebied wordt de wet mogelijk overtreden en in hoeverre kunnen overtredingen vermeden, dan wel verzacht worden? Wat zijn de te ondernemen vervolgstappen met betrekking tot het voorkómen van schade aan beschermde soorten binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden?
Voor het beantwoorden van deze vragen zijn, naast de verzamelde gegevens tijdens het veldonderzoek, ook andere bronnen geraadpleegd. Zie hiervoor de bronnenlijst in hoofdstuk 4.
1.3
Onderzoeksopzet
Soorten In opdracht van Rho Adviseurs heeft Bureau FaunaX het planvoornemen door middel van een ecologische quickscan getoetst aan de natuurwetgeving. Deze quickscan heeft bestaan uit een veldbezoek en een bureaustudie gebaseerd op ecologisch inzicht (expert judgement). Een ecologische quickscan of beoordeling is meestal de eerste stap van ecologisch onderzoek en is bedoeld om een inschatting te maken van de mogelijke effecten op eventueel aanwezige beschermde flora en fauna en/of natuurgebieden binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden. Het veldonderzoek voor deze quickscan is uitgevoerd op dinsdag 15 februari 2022 en vond plaats onder koude weersomstandigheden (6°C, windkracht 4, half bewolkt). Dit onderzoek bestond uit een visuele inspectie van het plangebied, waarbij is gelet op de aanwezigheid van (of sporen van) beschermde soorten en op de eventuele aanwezigheid van geschikt leefgebied van deze soorten. Gebieden - Natura 2000 Behalve dat onderzocht wordt welke soorten binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden kunnen voorkomen, wordt ook gecontroleerd of er sprake kan zijn van negatieve effecten op instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden. Dit gebeurt middels een grove analyse op basis van de geplande werkzaamheden en de relevante afstand tot de meest nabij gelegen Natura 2000-gebieden.
Houtopstanden Onder de Wet natuurbescherming worden ook houtopstanden beschermd. Er wordt gecontroleerd in welke mate er sprake is van kap en of hier een meld- en/of herplantingsplicht aan de orde kan zijn. Overige gebiedsbescherming Naast de Wet natuurbescherming zijn er nog meer regelgevingen die ingaan op het beschermen van de natuur in Nederland. Dit zijn veelal provinciale stukken, al dan niet als uitvoeringsorgaan vanuit rijksbeleid. Het gaat hierbij om regelgeving omtrent de Natuur Netwerk Nederland (voorheen Ecologische Hoofdstructuur), ganzengedooggebieden en weidevogelgebieden. Deze toetsing stipt kort aan of er sprake kan zijn van een conflict tussen de provinciale regelgevingen en het geplande initiatief. 2
1.4
Karakteristiek plangebied en planvoornemen
Het plangebied betreft twee deelgebieden centraal binnen Nijeberkoop, maar gezien de geringe mate aan kleinschalige bebouwing heeft het dorp geen bebouwde kom (figuur 1.1). Het deelgebied van Landgoed Boschhoeve betreft een villa en een woonboerderij (Bovenweg 23 en 25) met een achttal gebouwen: schuren, stallen en opslagloodsen (figuur 1.2/bijlage I). Het landgoed betreft aan de zuidkant een bosperceel en een stuk grond met een agrarische functie. Ten zuidoosten van de bebouwing is het oude mestbassin omgevormd tot vijver. De rest van het landgoed wordt gekenmerkt door grasland, waterlichamen en hoge bomen.
Figuur 1.2. Impressie deelgebied Landgoed Boschhoeve te Nijeberkoop, nummers corresponderen met de nummers van figuur 1.5.
Het tweede deelgebied betreft een intensief beheerd agrarisch grasland perceel ten westen van Bovenweg 56 (ODB03-E-804), zie figuur 1.3. Het perceel wordt ten zuiden, westen en noorden begrenst door watergangen, met aan de westzijde een houtwal en aan de noordzijde een bosperceel. In de zuidoosthoek van het perceel is een ecotunnel aangelegd. De omgeving van het graslandperceel wordt gekenmerkt door agrarisch gebied en kleinschalige bebouwing. Het planvoornemen voor het deelgebied van Landgoed Boschhoeve betreft het slopen van een vijftal schuren en stallen (figuur 1.2/1.4 nr. 1-3,6-8), en het intern verbouwen van een tweetal schuren (figuur 1.2/1.4, nr. 4,5 en 9). Voor zover ons bekend is zal beplanting binnen het landgoed en het bosperceel behouden blijven en zullen waterlichamen ongemoeid blijven. Voor het perceel ten westen van Bovenweg 56 (ODB03-E-804) betreft het planvoornemen de realisatie van woningen. Met het planvoornemen zullen aanwezige bomen en watergangen ongemoeid blijven.
3
Figuur 1.3. Impressie deelgebied graslandperceel 804 te Nijeberkoop.
Figuur 1.4. Planvoornemen landgoed Boschhoeve te Nijeberkoop.
4
2. RESULTATEN QUICKSCAN 2.1
Flora
Het plangebied wordt gekenmerkt door grasland met soorten zoals onder andere Engels raaigras, rus, speerdistel, veldkers en ridderzuring (figuur 2.1) en een bosperceel met bomen en struiken. Het plangebied is vanwege voedselrijke habitateigenschappen ongeschikt voor beschermde flora en deze zijn ook niet aangetroffen.
Figuur 2.1. Impressie van de flora in het plangebied.
•
Op basis van de waargenomen soorten en de (habitat)eigenschappen van het plangebied is het voorkomen van beschermde plantensoorten uit te sluiten.
2.2 2.2.1
Vogels Jaarrond beschermde vogelnesten
Nesten van vogelsoorten die jaarrond beschermd zijn bevinden zich over het algemeen in volgroeide bomen en/of bossen, zoals ooievaarsnesten of horsten van roofvogels. Vaak worden oude kraaien- of eksternesten gebruikt door roofvogels en uilen. De bomen binnen en grenzend aan het plangebied zijn gecontroleerd op de aanwezigheid van jaarrond beschermde nesten en deze zijn niet aangetroffen. Negatieve effecten van de werkzaamheden op jaarrond beschermde boomnesten kunnen dan ook op voorhand worden uitgesloten. Naast boomnesten met jaarronde bescherming zijn er ook gebouw broedende vogelsoorten waarvan de nesten jaarronde bescherming genieten, zoals huismus, gierzwaluw en kerkuil. Op voorhand zijn enkele van de gebouwen (nr. 1-3, 6 en 7) van het landgoed ongeschikt bevonden voor gierzwaluw om te verblijven, door de afwezigheid van geschikte nokpannen of andere vormen van nestgelegenheid. De overige gebouwen hebben wel geschikte nokpannen voor gierzwaluw om onder te kunnen nesten. Uitgaande van het planvoornemen kunnen alleen sloopwerkzaamheden negatieve effecten op gierzwaluwnesten tot gevolg hebben, dus alleen bij de te slopen schuur (nr. 8).
5
De gierzwaluw is van nature een klifbroeder die in Nederland vooral in hogere bebouwing broedt, vooral op locaties waar bebouwing dicht op elkaar staat, waardoor de soort een voorkeur heeft voor stedelijke gebieden waar binnen het plangebied geen sprake van is. De soort broedt in mindere mate echter ook op het platteland. Het kan daarom niet op voorhand worden uitgesloten dat zich binnen het plangebied nestplaatsen van gierzwaluw bevinden die met het planvoornemen verloren gaan. De bebouwing binnen het deelgebied van het landgoed is geschikt bevonden als broedgelegenheid voor huismus. Huismussen kunnen bij ruimtes bij balken en/of onder dakpannen tot broeden komen. Tijdens het veldbezoek zijn ook huismussen waargenomen in de werktuigenberging (nr. 3/ bijlage figuur I.3). In de overige gebouwen zijn geen indicaties van huismusnestplaatsen aangetroffen, zoals aanwezige huismussen, nestplaatsen of sporen. Echter biedt alle bebouwing aan de gelede boerderij (figuur 1.2/1.4, nr. 4-5, 8 en 9) broedmogelijkheden voor de soort, die op het eerste opzicht niet direct zichtbaar zijn. Naast de aanwezigheid van nestgelegenheid, zijn er in de omgeving voldoende opgaand groen en stofbaden aanwezig om het plangebied als functioneel leefgebied van de soort te kunnen beoordelen. Aangezien het beoogde planvoornemen onder andere de sloop van de werktuigenberging (nr.
3) betreft, kunnen negatieve effecten op nestplaatsen van huismus binnen het plangebied dan ook niet op voorhand uitgesloten worden. De kerkuil is een soort die vaak bij boerderijen broedt dan wel een vaste rust- en verblijfplaats heeft. De stallen binnen het plangebied (nr. 8 en 9) beschikken over uilenborden (gaten die de schuren toegankelijk maken voor de soort). Tijdens het veldbezoek is op de zolder van de aangebouwde stal (nr. 8) een kerkuilenkast aangetroffen en de zolder wordt actief gebruikt als vaste rust-, verblijf- en nestplaats door een paartje kerkuilen. De lokale kerkuilenwerkgroep komt jaarlijks langs om de jongen te ringen (Mariska Slot, persoonlijke communicatie). Naast de aangebouwde stal (nr. 8) zijn er alleen bij de werktuigenberging (nr. 3/ bijlage figuur I.3) een paar oude braakballen aangetroffen, waardoor dit ook als onderdeel van het netwerk aan vaste rust- en verblijfplaatsen van het paartje kan worden gezien. Aangezien het beoogde planvoornemen onder andere de sloop van de werktuigenberging en schuur (nr. 3 en 8) betreft, zal het vastgestelde paartje kerkuilen negatieve effecten van de werkzaamheden ondervinden. • • •
Negatieve effecten van de werkzaamheden op jaarrond beschermde (boom)nesten van roofvogels binnen het plangebied en/of invloedssfeer van de werkzaamheden kunnen op voorhand worden uitgesloten. Negatieve effecten van de werkzaamheden op jaarrond beschermde nesten van huismus en gierzwaluw binnen het plangebied kunnen niet op voorhand worden uitgesloten. Aanwezigheid van een jaarrond beschermde nestplaats van kerkuil binnen het plangebied is vastgesteld.
2.2.2 Overige (broed)vogelsoorten Naast de aanwezigheid van jaarrond beschermde nesten is het plangebied ook beoordeeld op waarden voor broedvogels waarvan de nesten niet jaarrond beschermd zijn. De nesten van deze soorten zijn uitsluitend beschermd tijdens het broedseizoen. De bomen, bosschages, oeverzones en bebouwing maken het gehele plangebied geschikt broedhabitat voor diverse soorten broedvogels, zoals meerkoet, spreeuw en roodborst. Daarnaast zijn er (oude) nesten van boerenzwaluw en huiszwaluw bij de te slopen en te verbouwen gebouwen aangetroffen. Nesten van deze soorten zijn jaarrond beschermd als daar zwaarwegende ecologische redenen voor gelden. Aangezien er in de omgeving voldoende alternatieven voor nestgelegenheid aanwezig zijn, gaan de zwaarwegende redenen in deze situatie niet op. 6
De nesten genieten dan ook alleen tijdens het broedseizoen bescherming. Negatieve effecten van de werkzaamheden op broedvogels waarvan de nesten alleen tijdens het broedseizoen bescherming genieten, kunnen daarom niet op voorhand worden uitgesloten. •
Het kan niet op voorhand worden uitgesloten dat zich binnen het plangebied/ de invloedssfeer van de werkzaamheden nestplaatsen bevinden van vogelsoorten waarvan de nesten alleen tijdens het broedseizoen beschermd zijn.
2.3 2.3.1
Zoogdieren Vleermuizen
Het plangebied is tijdens het veldbezoek beoordeeld op waarden voor vleermuizen. Hierbij is de nadruk gelegd op de aanwezigheid van mogelijke verblijfplaatsen. Ook is gekeken of door of langs het plangebied essentiële vliegroutes van vleermuizen kunnen lopen, of dat er sprake kan zijn van een essentieel foerageergebied. Vleermuizen verblijven voornamelijk in boomholten en gebouwen. Geschikte boomholten zijn niet aangetroffen en/of vallen buiten de beoogde werkzaamheden. Geschikte gebouwen zijn wel binnen het plangebied aangetroffen. De varkensstal, bergingen, loods en open stal (nr. 1-3, 6 en 7) zijn door de open structuur, de afwezigheid van spouwmuren en daklagen, en/of door (licht doorlatende) golfplaten daken minder geschikt voor vleermuizen om te verblijven, door het gebrek aan warmtebuffering en de mate van lichtinval. In het geval van deze gebouwen achten we de kans op de aanwezigheid van verblijfplaatsen zo klein, dat we het niet realistisch achten om hier rekening mee te houden. De stallen en hooischuur naast de gelede woonboerderij zijn wel geschikt voor vleermuizen om te verblijven (nr. 4/5, 8 en 9), bijvoorbeeld door aanwezige ruimtes onder de dakpannen (figuur 2.2).
Gezien het planvoornemen de sloop dan wel interne verbouwing van gebouwen betreft waar vleermuizen kunnen verblijven, kunnen negatieve effecten van de werkzaamheden op vleermuisverblijfplaatsen van in de omgeving voorkomende soorten baardvleermuis, gewone en ruige dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, laatvlieger en meervleermuis (bron: NDFF) niet op voorhand worden uitgesloten.
Figuur 2.2. Impressie mogelijkheden voor vleermuizen om binnen het plangebied te verblijven.
Naast verblijfplaatsen van vleermuizen kunnen ook vliegroutes en/of foerageergebieden van vleermuizen een beschermde status hebben als deze van essentieel belang zijn voor het in stand houden van een verblijfplaats. Als vliegroute worden, afhankelijk van de soort, waterlichamen, bosranden, bomenlanen of gebouwen gebruikt.
7
Als foerageergebied worden gebieden met groot aanbod aan voedsel gebruikt, zoals waterlichamen, bospercelen en bosschages. De begroeiing in het plangebied en omliggende houtwal en bospercelen kunnen dan ook onderdeel van een foerageergebied en vliegroute vormen voor diverse soorten vleermuizen. Omdat in de omgeving veel vergelijkbare elementen voorkomen, kan op voorhand worden uitgesloten dat het plangebied een essentieel foerageergebied en/of vliegroute voor vleermuizen betreft. Tevens zullen uitgaande van het planvoornemen de houtwal en bospercelen behouden blijven, waardoor negatieve effecten van de werkzaamheden op foerageergebieden en vliegroutes van vleermuizen op voorhand kunnen worden uitgesloten. • •
Negatieve effecten van de werkzaamheden op verblijfplaatsen van vleermuizen binnen de bebouwing kunnen niet op voorhand worden uitgesloten. De aanwezigheid van essentiële vliegroutes en/of foerageergebied voor vleermuizen binnen het plangebied kan op voorhand worden uitgesloten.
2.3.2 Overige zoogdiersoorten Het plangebied is eveneens gecontroleerd op waarden voor overige zoogdiersoorten, naast vleermuizen. De beschermde zoogdiersoorten die in de ruime omgeving van het plangebied voorkomen zijn boommarter, damhert, das, eekhoorn, grote bosmuis en otter (bron: NDFF). Binnen het bosperceel ten noorden van perceel 804 zijn tijdens het veldwerk indicaties van verblijfplaatsen en wroetsporen aangetroffen, waarschijnlijk van das (figuur 2.3-4).
Figuur 2.3. Impressie holen, sporen en ecotunnel bij het bosperceel bij het graslandperceel.
8
Figuur 2.4. Verspreidingsgegevens das 2017 – 2022 in de omgeving van het plangebied, rood kader (bron: NDFF).
In of nabij het plangebied zijn geen grote wateren aanwezig, waardoor het voorkomen van leefgebied van otter binnen het plangebied op basis van habitatgeschiktheid op voorhand kan worden uitgesloten. Voor de overige soorten geldt dat in de bospercelen ten noorden van perceel 804 en zuidelijk binnen het plangebied verblijfplaatsen aanwezig kunnen zijn. Van deze soorten (boommarter, damhert, das, eekhoorn en grote bosmuis) mag worden aangenomen dat eventuele verblijflijfplaatsen zich specifiek in deze beboste delen bevinden. Negatieve effecten op verblijfplaatsen van deze soorten kunnen op voorhand worden uitgesloten, aangezien de werkzaamheden zicht beperken tot intensief beheerd weiland en bebouwing. Hierbij gaat hoogstens foerageergebied van das en damhert verloren, dan wel in kwaliteit achteruit. Naar ons inzien zijn er echter genoeg alternatieven aanwezig in de omgeving. Het is wel aannemelijk dat lichter beschermde (vrijgestelde) zoogdieren voor kunnen komen binnen het plangebied, zoals mol en haas (bron: NDFF). Hoewel deze soorten voor ruimtelijke ingrepen zijn vrijgesteld binnen de provincie Fryslân, dient men zich wel te houden aan de voor deze soorten geldende zorgplicht (zie Bijlage I). • •
Negatieve effecten op verblijfplaatsen van overige beschermde zoogdiersoorten kunnen op basis van verspreidingsgegevens en/of habitatgeschiktheid op voorhand worden uitgesloten. Voor voorkomende vrijgestelde soorten zoals mol en haas geldt de zorgplicht.
2.4 Reptielen en amfibieën Het plangebied is tevens gecontroleerd op waarden voor beschermde reptielen en amfibieën. Uit de ruime omgeving van het plangebied zijn waarnemingen van adder, gladde slang, hazelworm, levendbarende hagedis en ringslang bekend (bron: NDFF). De waarnemingen van alle soorten concentreren zich voornamelijk in de nabijgelegen natuurgebieden Dellebuursterheide en Schaepedobbe. Van soortgelijk habitat is er binnen het plangebied geen sprake. Het voorkomen van adder, gladde slang, hazelworm en levendbarende hagedis kan op basis hiervan op voorhand worden uitgesloten.
9
De enige soort die een aanzienlijk bredere habitatvoorkeur heeft is de ringslang. In dit geval concentreren waarnemingen zich specifiek op de Dellebuursterheide. De soort wordt in de omgeving van de Bovenweg maar zeer zelden en zeer plaatselijk waargenomen omdat hier weinig geschikt foerageergebied aanwezig is en mogelijkheden tot overwintering en ei-afzet zich vooral beperken tot (randen van) beboste delen en kleine heiderestanten. Uit het plangebied en de directe omgeving hiervan zijn dan ook geen waarnemingen van de soort bekend. Omdat de werkzaamheden zich hiernaast beperken tot bebouwing en een intensief beheerd weiland, kunnen ook negatieve effecten op verblijfplaatsen van deze soort op voorhand worden uitgesloten. De waarnemingen van uit de omgeving voorkomende beschermde amfibieënsoorten heikikker en poelkikker concentreren eveneens in de bovengenoemde natuurgebieden (bron: NDFF). Er zijn echter ook plaatselijke waarnemingen bekend uit vennen uit de omgeving van de Bovenweg. Zo is de heikikker waargenomen ten zuidoosten van het plangebied, vlak hier buiten. We achten de kans echter uitermate klein dat de heikikker zich voortplant in sloten die grenzen aan de delen van het plangebied waar gewerkt zal worden. Deze sloten ogen namelijk te voedselrijk. Daarnaast heeft het planvoornemen alleen betrekking op bebouwing en op een intensief beheerd weiland.
Deze delen van het plangebied hebben niet de kenmerken van geschikt landhabitat voor deze soorten. Negatieve effecten van de werkzaamheden op het leefgebied van heikikker, poelkikker en andere beschermde amfibieën kunnen dan ook op voorhand worden uitgesloten. Binnen het plangebied kunnen overigens wel andere lichter beschermde amfibieënsoorten voorkomen welke zijn vrijgesteld in het geval van ruimtelijke ingrepen. Dit zijn soorten zoals bruine kikker of gewone pad. Voor vrijgestelde soorten geldt de zorgplicht (zie Bijlage I). • •
Negatieve effecten op verblijfplaatsen van beschermde reptielen en amfibieën kunnen op basis van verspreidingsgegevens en/of habitatgeschiktheid op voorhand worden uitgesloten. In het plangebied komen naar alle waarschijnlijkheid licht beschermde soorten voor, zoals bruine kikker. Voor deze soorten geldt wel de zorgplicht (zie Bijlage I).
2.5
Vissen
Het plangebied is beoordeeld op waarden voor beschermde vissen. De enige soort die redelijkerwijs binnen het plangebied voor kan komen is de grote modderkruiper (bron: NDFF). De beoogde werkzaamheden laten de watergangen ongemoeid, waardoor negatieve effecten op het leefgebied van beschermde zoetwatervissen op voorhand kunnen worden uitgesloten. •
Negatieve effecten van de werkzaamheden op beschermde zoetwatervissen kunnen op voorhand worden uitgesloten.
2.6 Ongewervelden Het plangebied bevat geen waardplanten of watervegetatie die essentieel zijn bij de voortplanting van beschermde insecten of andere ongewervelden. Op basis hiervan kunnen negatieve effecten van de werkzaamheden op beschermde ongewervelden binnen het plangebied worden uitgesloten. •
10
Op basis van habitateigenschappen en verspreidingsgegevens kan worden uitgesloten dat de werkzaamheden negatieve effecten zullen hebben op beschermde ongewervelden.
2.7
Gebiedsbescherming
Tijdens de bureaustudie zijn geen vormen van gebiedsbescherming naar voren gekomen die betrekking hebben op het planvoornemen. Het plangebied grenst aan beheergebied en natuur buiten de EHS (Ecologische Hoofd Structuur, nu NatuurNetwerk Nederland NNN), en het bosperceel ten zuiden van het landgoed is aangewezen als EHS overige natuur en de sloot bij de bebouwing is aangewezen als beheergebied en natuur buiten de EHS (figuur 2.5). Echter met het beoogde planvoornemen zullen er geen werkzaamheden plaatsvinden in deze gebieden. Daarnaast valt het plangebied niet onder Natura 2000 en is het niet aangewezen als ganzenfoerageergebied (bron: Natuur overzichtskaart provincie Fryslân). Een toetsing van een conflict tussen gebiedsbescherming en het initiatief is derhalve niet van toepassing.
Figuur 2.5. Gebiedsbescherming in en nabij het plangebied, rood kader (bron: Natuur Overzichtskaart provincie Fryslân).
•
Het plangebied valt niet onder Natura 2000, weidevogelgebieden of ganzenfoerageergebieden aangesteld door de provincie Fryslân. Daarnaast blijven de gebieden die wel onder NNN/EHS vallen buiten de beoogde werkzaamheden. Een toetsing naar een mogelijk conflict tussen gebiedsbescherming en het initiatief is niet van toepassing.
2.7.1
Stikstofgevoeligheid
In de omgeving van het plangebied is het Natura 2000-gebied Drents-Friese Wold & Leggelderveld (4,0 km) te vinden, zie figuur 2.6. Voor dit gebied zijn stikstofgevoelige habitattypen aangewezen, zoals stuifzandheiden met struikhei. Door de voorwaarden waaraan nieuwbouw moeten voldoen, zal de stikstofemissie tijdens de gebruiksfase van de nieuwe situatie echter evenveel of niet veel hoger zijn dan in de huidige situatie. Daarnaast zal gezien de kleine schaal van het planvoornemen en de relatief grote afstand tot het Natura 2000gebied de minimale stikstofemissie niet direct bijdragen aan het verder overschrijden van de kritische depositiewaarden (KDW’s) binnen de stikstofgevoelige habitattypen (bron: AERIUS calculator). Een AERIUS-berekening uitvoeren is naar ons inzicht dan ook niet van toepassing. De provincie Fryslân is echter bevoegd gezag in dezen en bepaalt of het uitvoeren van een AERIUS-berekening benodigd is voor de voortgang van dit project.
11
Figuur 2.6. Natura 2000-gebieden (paars) in de omgeving van het plangebied (rood) (bron: Natuur overzichtskaart Fryslân).
•
Een Aerius-berekening in het kader van Natura 2000 is naar onze mening niet nodig.
2.8 Houtopstanden Als er een houtareaal wordt gekapt van meer dan 10 are (1000 m2) of een bomenrij van minimaal 20 bomen buiten de bebouwde kom kan er sprake zijn van een meld- en/of herplantingsplicht. Binnen het beoogde planvoornemen worden er voor zover ons bekend is geen bomen gekapt. Er is daarom geen sprake van een meld- en/of herplantingsplicht. •
12
Er is geen sprake van een meld- en/of herplantingsplicht.
3. SAMENVATTING EN CONCLUSIES 3.1
Overzicht beschermde soorten
In onderstaand overzicht worden de aangetroffen en potentieel aanwezige beschermde soorten en hun beschermingsstatus binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden samengevat. In de Wet natuurbescherming zijn vooral vaste verblijfsplaatsen (voortplantingslocaties zoals nesten, holen, kraamkolonies etc.) van belang, maar ook de functionele leefomgeving die vaste verblijfplaatsen in stand houdt. In dit overzicht zijn dan ook alleen de soorten opgenomen, waarvoor het plangebied onderdeel vormt van hun leefgebied en/of levenscyclus, en waarop eventueel in de toekomst geplande werkzaamheden van negatieve invloed kunnen zijn. Tabel 3.1. Overzicht van aangetroffen en potentieel voorkomende beschermde flora en fauna in het plangebied.
Soortgroep Vogels
Soort Algemene broedvogels
Art. Art. Art. Aanwezigheid 3.1 3.5 3.10 Vrijgesteld
Advies
Mogelijk
X
Werken buiten broedtijd
Vogels (jaarrond beschermde nesten) Vogels (jaarrond beschermde nesten) Vogels (jaarrond beschermde nesten)
Huismus
Waarschijnlijk
X
Nader onderzoek
Gierzwaluw
Mogelijk
X
Nader onderzoek
Kerkuil
Zeker
X
Ontheffingsaanvraag Wnb
Vleermuizen (verblijfplaatsen)
Diverse soorten
Mogelijk
Zoogdieren Amfibieën
Algemeen voorkomende soorten
Mogelijk
3.2
X
Nader onderzoek
X
X
Zorgplicht
Effectbespreking en aanbevelingen
Het project kan naar ons inzien doorgang vinden binnen het kader van de Wet natuurbescherming, mits men zich houdt aan de hieronder volgende aanbevelingen.
3.2.1
Algemeen voorkomende broedvogels
Het plangebied biedt mogelijkheden voor vogels om te broeden; in de bomen, bosschages, bebouwing en oevers binnen of grenzend aan het plangebied. Het gaat hier om soorten waarvan nesten alleen beschermd zijn tijdens het broedseizoen. Wij adviseren daarom om de werkzaamheden buiten de broedtijd uit te voeren. De broedtijd loopt grofweg van 15 maart tot 15 juli. Al dan niet afhankelijk van klimatologische omstandigheden kunnen sommige soorten eerder of later in het jaar tot broeden komen. Wat van belang is, is dat een broedgeval altijd beschermd is. Indien de werkzaamheden niet buiten het broedseizoen uitgevoerd kunnen worden, wordt geadviseerd de werkzaamheden onder begeleiding van een ecoloog uit te voeren.
3.2.2 Jaarrond beschermde nesten (huismus) De bebouwing binnen het plangebied biedt broedmogelijkheden voor huismus en de omgeving biedt daarnaast voldoende foerageerplekken om het plangebied als geschikt functioneel leefgebied voor de huismus te beoordelen. Alleen bij de werktuigenberging zijn indicaties van huismus nestplaatsen aangetroffen, maar alle bebouwing aan de gelede boerderij (figuur 1.2/1.4, nr. 4-5, 8 en 9) biedt broedmogelijkheden voor de soort, onder de dakpannen. Huismusverblijfplaatsen zijn jaarrond beschermd en gaan door de sloopwerkzaamheden mogelijk verloren.
13
Wij adviseren nader onderzoek uit te laten voeren om de aanwezigheid van jaarrond beschermde nesten van huismussen binnen het plangebied vast te stellen, dan wel uit te sluiten. Dit dient uitgevoerd te worden door middel van twee ochtendbezoeken (conform datumgrenzen SOVON, 1 april – 15 mei). Wanneer er jaarrond beschermde nesten van huismussen binnen het plangebied worden vastgesteld, dient er een ontheffing te worden aangevraagd voor deze soort. Deze wordt in de regel afgegeven onder de voorwaarde dat er mitigerende en compenserende maatregelen worden uitgevoerd.