CConstaterende datOosterhout
Koppel je AI →
Document · PDF

Ruimtelijke_onderbouwing_zonnepark Energiepark_A59_Oranjepolder.pdf

Raad - informatiebijeenkomst 5 januari 2021, gemeente OosterhoutBij agendapunt: Verklaring van geen bedenkingen zonnepark: toelichting op het raadsvoorstel36.292 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 5

Mees Ruimte & Milieu | 18196

Pagina | 42

Om uiterlijk in 2030 voldoende duurzame opwekcapaciteit binnen de gemeente beschikbaar te hebben zijn locaties met grootschalige opwekking van duurzame energie, zoals het Energiepark A59, noodzakelijk. Een goede mix van windmolens en grootschalige zonnepark(en) dragen bij aan een voldoende en constante duurzame energie levering; zonne-energie wordt vooral in de lente en zomer opgewekt, windenergie heeft juist een piek in de herfst en winter. Die twee samen leveren over het jaar heen een redelijk constante productie. Zelfs als het Energiepark A59 is gerealiseerd, alle beoogde bedrijfsdaken vol zijn gelegd en de locatie voor het zonnepark bij de Bavelse Berg is benut, is er geen sprake van overcapaciteit. De totale energiebehoefte in de gemeente is veel groter dan alleen het elektriciteitsverbruik van de huidige 24.000 huishoudens. Denk aan onder meer de energiebehoefte van industrie, winkels, openbare gebouwen, landbouw en verkeer & vervoer. Het energiepark voorziet maar in ongeveer een kwart van de totale energiebehoefte in de gemeente. Het voorgestelde energiepark wordt geëxploiteerd voor een periode van 25 jaar. In die periode verwachten we dat er door innovaties verbeterde en/of nieuwe duurzame technieken voor het opwekken en het besparen van energie zijn ontwikkeld. Daardoor kunnen we in 2050 als gemeente energieneutraal zijn.

Op dit moment zijn zon en wind de technisch meest haalbare en bruikbare energiebronnen om een significante bijdrage te kunnen leveren aan de duurzaamheidsambities van de gemeente. Om de tussendoelen te realiseren (in 2030 een CO2-reductie van 49% en het opwekken van 192 GWh elektriciteit) hebben we dus nu geen andere mogelijkheid dan gebruik te maken van deze hernieuwbare bronnen. Inpassing in omgeving, zorgvuldig ruimtegebruik en omgevingskwaliteit De keuze voor de locatie van het Energiepark A59 Oranjepolder is ontstaan uit een zorgvuldige afweging, zowel ten aanzien van de windmolens als ten aanzien van de grondgebonden opstelling voor zonne-energie. Het proces hiertoe is reeds in 2011 gestart voor zover het wind betreft en is later (sinds 2018) uitgebreid met het onderzoek naar mogelijke locaties voor grootschalige zonneparken. Voor zonne-energie geldt dat in het verleden door diverse initiatiefnemers mogelijke locaties zijn aangedragen voor de realisatie van zonneparken in de gemeente Oosterhout. Dit proces en de afweging die daarin is gemaakt, is uitgebreid omschreven in paragraaf 2.3 van deze ruimtelijke onderbouwing. De inpassing van het zonnepark vindt plaats door deze in te klemmen tussen de Rijksweg A59, de Statendamweg, het Kromgat en de rioolwaterzuiveringsinstallatie Dongemond (RWZI Dongemond).

Voor deze plek is gekozen, omdat het zonnepark ingesloten en verdiept ligt tussen infrastructuur, het bedrijventerrein Weststad, het Wilhelminakanaal, de Rijksweg A59 en de RZWI Dongemond. Hiermee kan er een goede overgang ontstaan tussen infrastructuur en stedelijk gebied en het oostelijk gelegen natuurlijk landschap. In de Oranjepolder kan het zonnepark ook bijdragen aan het verhogen van de biodiversiteit in het gebied. Dit blijkt uit een onderzoek door Naturalis Biodiversity Center4 ter plaatse van het Shell zonnepark in Moerdijk. De wetenschappers concluderen dat een zonnepark zowel voor planten als dieren een geschikt habitat is. Ook wordt geconcludeerd dat goed ingerichte zonneparken naast een bron van duurzame energie ook een veilige haven voor biodiversiteit zijn. De combinatie met wind leidt daarbij nog tot een extra meerwaarde voor dubbel ruimtegebruik, doordat binnen dezelfde gronden een groter vermogen kan worden opgewekt. Zo wordt voorkomen dat extra beslaglegging op gronden elders in het buitengebied wordt gedaan. Daarnaast versterken de componenten elkaar, zodat optimaal gebruik kan worden gemaakt van de gronden. Op dagen waarop de zon minder hard schijnt, vullen de windmolens het op te wekken vermogen aan en vice versa.

4

https://www.naturalis.nl/persberichten/zonnepark-veilige-haven-voor-biodiversiteit

Mees Ruimte & Milieu | 18196

Pagina | 43

Regionale afstemming en afstemming netwerkbeheerder Regionale afstemming vindt plaats via de (concept)Regionale Energiestrategie (RES)2030. Daaruit blijkt dat er voor Oosterhout nog een opgave ligt voor het realiseren van zonneparken. In totaal gaat het om 35 GWh dat nog gerealiseerd moet worden om aan de ambities te kunnen voldoen. Deze 35 GWh staat los van de mogelijkheden ten aanzien van zon op dak en windenergie, en ziet daarom uitsluitend op het op te wekken vermogen middels zonneparken. Volgens de ‘electriciteitskaart’ van april 2020, zijn in Oosterhout nog geen bestaande zonneparken of concrete plannen die in de pijplijn zitten. Wel is het zonnepark binnen Energiepark A59 Oranjepolder vermeld als nieuwe ontwikkeling op de lijst ‘Nieuwe zonprojecten op veld’. Het beoogde zonnepark is daarmee regionaal afgestemd. figuur 16. Nieuwe projecten concept-RES2030

De buurgemeenten Geertruidenberg en Drimmelen zijn in het kader van de totstandkoming van de Regionale Energiestrategie (RES) geïnformeerd over de plannen en hebben deze met de totstandkoming van de concept RES ook geaccepteerd. Middels de inspraakprocedure en de voor dit project gevoerde omgevingsdialoog, zijn beide buurgemeenten eveneens betrokken bij de planontwikkeling. Verwezen wordt naar paragraaf 6.2 en bijlagen 5 (Inspraakverslag) en 6 (verslag Omgevingsdialoog). In samenwerking met Enexis is er gekeken naar een aansluiting van het zonnepark op het net via het onderstation Geertruidenberg in Geertruidenberg. Daarbij is oog voor de netwerkcapaciteit, rekening houdend met overige initiatieven in de omgeving. Voor het plan heeft Enexis kenbaar gemaakt de benodigde capaciteit op het net te kunnen reserveren. Een reserveringsovereenkomst is beschikbaar. Motie ‘Voorrang zon op daken’ provincie Noord-Brabant Naar aanleiding van een recente motie van Provinciale Staten5, te worden aangetoond dat na aansluiting van het zonnepark op het net nog voldoende ruimte bestaat om ook ruimte te blijven bieden aan zon op dak. De motie is aangenomen op basis van de voorwaarden van de provincie ten aanzien van de afstemming met de netbeheerder en met het oog op de beleidskeuze bij voorkeur eerst zon op daken toe te staan, voordat zonneparken in het landelijk gebied worden gerealiseerd.

De provincie vraagt de verschillende gemeenten: - Duidelijk te maken welk dakoppervlak in de betreffende regio daadwerkelijk voor zonnepanelen geschikt is; - Alle (mogelijke) initiatieven voor zon op dak binnen de betreffende gemeente te inventariseren zodat de initiatieven voorrang krijgen boven zonneparken; - De beschikbare netcapaciteit inzichtelijk te maken zodat potentiële initiatieven voor zon op dak voorrang krijgen boven zonneparken. Eerder in deze ruimtelijke onderbouwing (zie p. 40-42) is aangetoond hoeveel zon op dak in potentie mogelijk is binnen Oosterhout en hoeveel ha zonnepark vervolgens nog nodig is om in de totale energiebehoefte te kunnen voorzien. Hierdoor kan de ontwikkeling van zonneparken parallel lopen aan het

5

Motie ‘Voorrang zon op dak’, d.d. 13 november 2020

Mees Ruimte & Milieu | 18196

Pagina | 44

plaatsen van zonnepanelen op dak. Immers, anders zouden eerst alle daken vol gelegd moeten worden voordat ook zonneparken kunnen worden gerealiseerd. In dat geval zullen de centrale en decentrale overheden de ambities en de afspraken nooit op tijd waar kunnen maken. Er moet daarom voldoende ruimte zijn op het net om naast zon op land ook zon op dak mogelijk te maken. Concreet houdt het in dat aangetoond moet worden dat de aansluiting op het net van Enexis er niet toe leidt dat na realisatie van het zonnepark nog onvoldoende netcapaciteit beschikbaar is om zonnepanelen op daken aan te kunnen sluiten. Dit wordt momenteel nader afgestemd met Enexis. Hierop wordt op korte termijn een terugkoppeling verwacht. Belemmeringen worden echter niet voorzien. Maatschappelijke meerwaarde en meervoudig ruimtegebruik De bij het plan betrokken landschapsarchitect is tevens ecoloog en kan door de kennis vanuit beide expertises te combineren een ontwerp tot stand brengen dat zowel esthetisch waardevol is als andere meerwaarden kan toevoegen. Voor voorliggend initiatief wordt gekozen voor een ontwerp dat een meervoudige maatschappelijke meerwaarde kent, onder meer op het gebied van ruimtelijke kwaliteit en biodiversiteit. In de Oranjepolder kan het zonnepark bijdragen aan het verhogen van de biodiversiteit in het gebied.

Bij het Shell zonnepark in Moerdijk is door Naturalis BiodiversityCenter onderzoek gedaan naar de biodiversiteit binnen een zonnepark. De wetenschappers concluderen dat een zonnepark, zowel voor planten als voor dieren, een geschikt habitat is en dat goed ingerichte zonneparken naast een bron van duurzame energie ook een veilige haven voor biodiversiteit zijn. De inzichten van Naturalis BiodiversityCenter zijn bij de verdere uitwerking van het ontwerp en het opstellen van het basis aanleg- en beheerplan van het park gebruikt. Dit aanleg- en beheerplan wordt nader uitgewerkt in samenwerking met de Werkgroep Biodiversiteit. Het basisplan is opgenomen in de bijlagen bij deze ruimtelijke onderbouwing. Daarbij geldt dat ongeveer 38% van de grond onbedekt zal blijven, waarbij ruimschoots wordt voldaan aan de voorwaarde conform de Gedragscode Zon op Land (https://hollandsolar.nl/gedragscodezonopland). Gekeken wordt hoe opstelling en de afstand tussen de panelen maximaal kunnen bijdragen aan de biodiversiteit en bodemkwaliteit. Elementen als zon/schaduw, vochtigheid en beschutting spelen hierbij een rol. Daarnaast levert ook proces- en financiële participatie een evidente maatschappelijke meerwaarde.

In dat kader is door de initiatiefnemers van het zonnepark en het windpark in eerste instantie een omgevingsdialoog gevoerd, waarmee de reacties uit de omgeving zijn opgehaald en waar mogelijk zijn verwerkt in het ontwerp van het zonnepark of anderszins zijn meegenomen in de planontwikkeling. Van het omgevingsdialoog is een verslag opgemaakt. In paragraaf 5.2 van voorliggende ruimtelijke onderbouwing wordt de maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan besproken. Hierin wordt nader ingegaan op het omgevingsdialoog, maar ook op de andere vormen van participatie, zoals het betrekken van de lokale omgeving bij de totstandkoming van het zonnepark en de te onderzoeken mogelijkheden ten aanzien van financiële participatie. Dat geldt bijvoorbeeld voor de nadere uitwerking middels de Werkgroep Biodiversiteit en het waar mogelijk betrekken van lokale ondernemers bij de oprichting van het zonnepark. Tijdelijkheid Het zonnepark wordt tot slot voor de duur van maximaal 25 jaar opgericht. Na ontmanteling van het park worden de gronden weer in oorspronkelijk staat terug gebracht. De planologische toestemming geschiedt via de omgevingsvergunning ‘planologisch strijdig gebruik’, als bedoeld in art. 2.12, onderdeel a, onder 3 van de Wabo. De termijn van 25 jaar wordt als voorwaarde aan de omgevingsvergunning verbonden. 4.3.4.4

Reservering waterberging (vervallen)

De aanduiding ‘Reservering waterberging’ geldt aanvullend op het overig bepaalde. Ter plaatse van deze aanduiding geldt dat het waterbergend vermogen van het gebied dient te worden behouden. Een ruimtelijk plan dient inzicht te geven in op welke wijze de geschiktheid van het gebied voor waterberging behouden blijft. Het gebied aangewezen als reserveringsgebied voor waterberging is opgenomen in figuur 17. Uit een eerder (informeel) overleg met het Waterschap Brabantse Delta is gebleken dat in 2018 een nieuwe toetsing van het watersysteem heeft plaatsgevonden, waardoor de reservering waterberging inmiddels achterhaald

Mees Ruimte & Milieu | 18196

Pagina | 45

is. Dit is echter nog niet aangepast op het provinciaal kaartmateriaal waardoor onverminderd rekening dient te worden gehouden met deze bepaling. figuur 17. Aanduiding ‘reservering waterberging’

Volgens de bepalingen conform de aanduiding ‘reservering waterberging’ geldt dat een ontwikkeling niet mag leiden tot een verminderd waterbergend vermogen van het gebied. Zonneparken staan hieraan niet in de weg, omdat ze goed tegen natte voeten kunnen. Objecten zoals trafostations, worden ter hoogte van de Hillenweg geplaatst en liggen daarmee buiten de aanduiding. Daarnaast worden ze geplaatst in waterdichte containers, waardoor ook indien een groter gebied zou worden aangewend voor waterberging geen beperking in het waterbergend vermogen van het gebied. De aanduiding vormt daarom geen belemmering voor de ontwikkeling. 4.3.4.5

Ecologische hoofdstructuur en verbindingszone

De projectlocatie grenst voor een beperkt deel aan een ecologische verbeeldingszone, deze zone en het Natuurnetwerk Brabant (NNB) ligt verder in de nabijheid van de locatie. De betreffende zones zijn afgebeeld op figuur 18.

Mees Ruimte & Milieu | 18196

Pagina | 46

figuur 18. Aanduiding Natuurnetwerk Brabant en ecologische verbindingszone

Artikel 3.16 van de Interim Omgevingsverordening regelt de externe werking van het NNB. Daarvoor geldt het volgende. De locatie maakt geen onderdeel uit van het NNB. Wel ligt het daarbij in de buurt. Er dient derhalve te worden beoordeeld of negatieve effecten van de ontwikkeling uitgaan op deze gebieden. Uit de voor dit project uitgevoerde quickscan Wet natuurbescherming (Van der Goes & Groot, d.d. 26 augustus 2019) kan worden geconcludeerd dat gelet op de aard van de ontwikkeling en de uit te voeren werkzaamheden, negatieve effecten op deze gebieden op voorhand kunnen worden uitgesloten. Compensatie is daarom niet noodzakelijk. 4.3.4.6

Conclusie

De ontwikkeling is in lijn met de relevante bepalingen uit de Interim Omgevingsverordening. Voor het overige is de ontwikkeling daarmee niet in strijd.

4.4

Regionaal beleid

4.4.1

ONS2050 en RES2030 West-Brabant

ONS2050 De regio West-Brabant beschikt over de Regionale Energiestrategie ONS2050 uit 2017. In deze energiestrategie is de transitieopgave voor de regio in kaart gebracht. De opgave is groot, voor het verwezenlijken ervan wordt in lijn met de zogeheten Trias Energetica ingezet op energiebesparing enerzijds, en het duurzaam opwekken van de restbehoefte anderzijds. Als de restbehoefte niet volledig duurzaam kan worden opgewekt, kan indien noodzakelijk voor het overige deel worden teruggevallen op de fossiele brandstoffen etc. Bij maximale gebruikmaking van de besparingsopties kan tot 28 Petajoule (PJ) worden bespaard op de te verwachten energievraag in 2050. 95 PJ moet dan nog duurzaam opgewekt worden. De beste kansen hiertoe liggen in duurzame opwekking van wind- en zonne-energie. Met de regio is nagedacht over de invulling en vertaling van de berekende opgave in het ruimtelijke domein. De opgave voor West-Brabant is uitgesplitst naar de energievraag die voortkomt uit vier behoeften die

Mees Ruimte & Milieu | 18196

Pagina | 47

leidend zijn: Kracht & Licht, Mobiliteit & Transport, Lage Temperatuur Warmte en Hoge Temperatuur Warmte. Voor Kracht & Licht is de omvang van de energievraag in 2050 berekend op 18 PJ. Om tot de maximale opwekkingsperspectief te komen zullen zonnepanelen moeten worden geplaatst (in alle denkbare vormen, zoals op daken, restruimtes of in zonneakkers) en windmolenprojecten worden gerealiseerd. Ter illustratie: 18 PJ betekent 630 windmolens van 3 MW of 4500 hectare aan zonnevelden. 1 PJ staat gelijk aan de energievraag van ongeveer 42.000 huishoudens. RES2030 De besturen van zestien West-Brabantse gemeenten en het Waterschap Brabantse Delta werken intensiever samen om stappen te zetten op het gebied van duurzaamheid. Gezamenlijk werken zij aan de Regionale Energiestrategie (RES)2030, waarvan het concept in juni 2020 is vastgesteld. Het doel van de RES is de energietransitie in de regio te versnellen, met maatschappelijk draagvlak. De gemeente Oosterhout heeft afspraken met het regionale samenwerkingsverband van West-Brabantse gemeenten om met wind en zon 192 Gigawatt duurzame energie op te wekken voor 2030. De RES2030 bevindt zich op dit moment in de conceptfase en is daarmee nog niet leidend. Omdat de hiervoor besproken energiestrategie ONS2050 bestuurlijk geen formele status heeft en meer maatschappelijk draagvlak gewenst is, is de RES2030 opgesteld.

Daarbij is ook inzet op regie, eigenaarschap en capaciteit een belangrijk uitgangspunt. De RES2030 sluit inhoudelijk aan op de transitieopgave uit de omvanganalyse in ONS2050. Relatie tot ontwikkeling De opgave voor de regio is groot. Na maximale invulling van besparingsopties is de verwachting dat in 2050 nog 95 PJ duurzaam moet worden opgewekt. Voor het pad Kracht & Licht geldt een energievraag van 18 PJ die volledig duurzaam opgewekt moet kunnen worden uit duurzame energie in de vorm van zonne- en windenergie. Grootschalige maatregelen zijn dan ook noodzakelijk De beoogde ontwikkeling behelst de realisatie van een zonnepark dat uiteindelijk onderdeel zal zijn van een energielandschap waar ook ruimte wordt vrijgehouden voor de mogelijke oprichting van windmolens. Het geïnstalleerd vermogen van het zonneveld bedraagt ca. 49,5 MWp, gelijk aan het energieverbruik van ongeveer 17.000 huishoudens. Dit betreft ongeveer twee derde van de huishoudens van de gemeente Oosterhout. Het zonnepark levert daarmee een significante bijdrage aan het invullen van de regionale opgave en geeft een concrete invulling van de regionale afspraak dat Oosterhout 192 Gigawatt duurzame energie op zal wekken voor 2030.

Conclusie De beoogde ontwikkeling is in lijn met de energiestrategie ONS2050 en de RES2030.

4.5

Gemeentelijk beleid

4.5.1

Structuurvisie Oosterhout

In de Structuurvisie Oosterhout (de Structuurvisie) zijn de hoofdlijnen van de voorgenomen ruimtelijke ontwikkelingen binnen de gemeente weergegeven. Daarnaast wordt ingegaan op de hoofdzaken van het te voeren ruimtelijk beleid. De Structuurvisie is op 22 oktober 2013 vastgesteld door de gemeenteraad. Deze Structuurvisie geldt voor het gehele grondgebied van binnen de gemeentegrenzen. In de Structuurvisie wordt per (sectoraal) thema waar de gemeente staat en wat bij ruimtelijke ontwikkelingen (on)mogelijk en belangrijk wordt geacht. Aangezien de projectlocatie onderdeel uit maakt van het landelijk gebied, is de gemeentelijke visie ten aanzien van landschap, water, ecologie en natuur van belang. Ter plaatse van het projectgebied waren ten tijde van het opstellen van de Structuurvisie geen

Mees Ruimte & Milieu | 18196

Pagina | 48

ingrepen voorzien, waardoor de ontwikkeling van het zonnepark feitelijk gezien als strijdig te bestempelen is. Daarbij is echter van belang dat dit beleid in 2013 is opgesteld, terwijl de afgelopen zeven jaren het belang van de energietransitie steeds duidelijker is geworden. De diverse en uiteenlopende mogelijkheden op het gebied van duurzame energieopwekking zijn, mede door de vooruitstrevende technologieën op dit gebied, op grote schaal toegenomen. Om de doelstellingen ten aanzien van duurzaamheid en energietransitie vanuit alle bestuurslagen te kunnen behalen, is het inmiddels onvermijdelijk dat wordt voorzien in nieuwe vormen van duurzame energieopwekking. Daar voorziet de beoogde ontwikkeling in. Deze energietransitie en de wijze waarop de gemeente dit teweeg wil brengen, heeft een plek gekregen in het later vastgestelde beleid. Dit wordt in de navolgende paragrafen besproken. 4.5.2

Toekomstvisie Oosterhout 2030

De Toekomstvisie Oosterhout 2030 (de Toekomstvisie) is vastgesteld in oktober 2018 en schetst het beeld van Oosterhout in 2030. Diverse thema’s komen aan bod, waarbij voor elk van de thema’s concrete doelstellingen worden benoemd die gezamenlijk moeten leiden tot een kwalitatief goed en leefbaar Oosterhout op het gebied van wonen, werken, recreëren en meer. Voor 2030 heeft de gemeente het volgende beeld in gedachte: De gemeente is dan goed op weg naar Parijs. Daarbij wordt gedoeld op de doelstellingen uit het Klimaatakkoord van Parijs en is het de bedoeling dat tegen die tijd al forse stappen zijn gezet op het behalen daarvan. 30% van het energieverbruik wordt tegen die tijd duurzaam opgewekt. Daartoe worden naast windturbines ook zonneweides expliciet benoemd als onderdeel van het programma, waarmee de gemeente het zo ver heeft weten te brengen. Naast zon op daken en op bedrijventerrein zijn ook een aantal hectares zonneweides aangelegd. Relatie tot ontwikkeling De aanleg van het zonnepark binnen het Energiepark Oranjepolder draagt een wezenlijke bijdrage aan het behalen van de gemeentelijke doelstellingen. In de Toekomstvisie geeft de gemeente aan dat ze diverse hectares zonneweides wil realiseren, daar kan met voorliggend ontwerp op korte termijn al invulling aan worden gegeven. De ontwikkeling is daarmee in lijn met de Toekomstvisie voor 2030 van de gemeente Oosterhout.

4.5.3

Bestuursakkoord 2018-2022 ‘Samen op weg naar 2030’

In het Bestuursakkoord 2018-2022, met als ondertitel ‘Samen op weg naar 2030’ is afgesproken dat de gemeente Oosterhout een stevige ambitie neer wil zetten op het gebied van duurzaamheid. De gemeente wil de eerste forse stappen op weg naar het behalen van de doelstelling in de Toekomstvisie Oosterhout 2030 gaan zetten. Dat is een gezamenlijke opgave voor inwoners, ondernemers, organisaties en de lokale overheid. In het bestuursakkoord zijn daartoe een aantal accenten opgenomen, waaronder het toepassen van maatwerk bij zonneweides. Maar ook andere accenten hebben een (directe of indirecte) relatie met de aanleg van een zonnepark. Relatie tot ontwikkeling Concrete doelstellingen ten aanzien van zonneparken, voor zover het de invulling en omvang ervan betreft, zijn in het bestuursakkoord niet opgenomen. Duidelijk is wel dat de aanleg van het zonnepark een bijdrage levert aan het doel 30% van het energieverbruik duurzaam op te wekken. De beoogde ontwikkeling levert dan ook een bijdrage aan het behalen van de genoemde doelstellingen. 4.5.4

Nota Ambities voor de energietransitie Oosterhout 2030 en Routekaart 2019-2022

De gemeente Oosterhout is op weg naar een energieneutrale gemeente in 2050. Dit is reeds ingezet in de Duurzaamheidsagenda 2016-2018 waarin op diverse thema’s een aantal doelen zijn geformuleerd. Om verder invulling te geven aan de doelstellingen heeft de gemeente op 22 oktober 2019 de Nota ‘Ambities voor de energietransitie Oosterhout 2030 ‘Vol energie samenwerken aan de toekomst van Oosterhout’ (de Nota) en een bijbehorende Routekaart 2019-2022’ vastgesteld. Dit vormt het meest actuele beleid ten aanzien van duurzaamheid en energietransitie binnen de gemeente.

Mees Ruimte & Milieu | 18196

Pagina | 49

In de Nota is aangegeven welke ambities de gemeente Oosterhout heeft op het gebied van met name de energietransitie. In de periode tot 2030 zet de gemeente daarvoor diverse stappen richting energieneutraliteit in 2050. Welke stappen daarvoor in de huidige collegeperiode worden gezet staat beschreven in de ‘Routekaart 2019-2022'. Verduurzaming dient plaats te vinden middels energiebesparing enerzijds en daarnaast het opwekken van de resterende energievraag. Het doel is in 2022 jaarlijks 206 TJ extra duurzame energie op te wekken, bovenop de 255 TJ duurzame energieopwekking die al gerealiseerd is. In 2030 dient dit uitgebreid te zijn met nog eens 619 TJ, gelijk aan 15% van de verwachte energievraag in 2050. Het totaal opgewekte duurzame energie in 2030 komt daarmee op 1.080 TJ. Energiepark A59 Oranjepolder Om de CO2-doelstellingen te behalen, zoals geformuleerd in de Nota, zijn verschillende projecten beschreven in de Routekaart 2019-2022, die op korte termijn gerealiseerd kunnen worden. Het Energiepark Oranjepolder is daar één van. Door meervoudig grondgebruik en samenwerking binnen een beperkt plangebied kan er ruimte worden gemaakt voor meerdere initiatieven en wordt het ruimtegebruik en de impact op de omgeving zoveel mogelijk geminimaliseerd. In samenwerking met de grondeigenaren, Shell en Eneco zijn er langs de A59 twee windturbines en ca. 49 MWp aan zonnepark gepland.

Omgerekend gaat het daarmee op 162 TJ als gevolg van de windturbines, en 158,4 TJ door de zonnepanelen. Het realiseren van het zonnepark en de windturbines biedt op deze locatie een unieke mogelijkheid om de ambitie tot 2022 te realiseren. Door een wind- en zonnepark op dezelfde locatie te combineren ontstaat het Energiepark A59 Oranjepolder, met een gezamenlijk vermogen van 316,8 TJ. Om de ontwikkeling van zon en wind succesvol te laten verlopen is gedegen wederzijdse afstemming vereist tussen Shell en Eneco. Shell is op de hoogte van de voorlopige locatie en geplande omvang van de turbines van Eneco en is voornemens om als zodanig ruimte te reserveren in het ontwerp van het zonnepark voor de windontwikkeling. Te denken valt aan het permanent en/of tijdelijk reserveren van de kraanopstelplaats, de benodigde ruimte voor bochten van uitzonderlijk vervoer en de plaatsing van hekken (zie paragraaf 2.2.3 met betrekking tot ruimte voor wind in het projectplan). Op die manier wordt de mogelijkheid gecreëerd voor de constructie en exploitatie van zowel de windturbines als het zonnepark. Of de windturbines worden gerealiseerd, is afhankelijk van diverse factoren, waaronder de maatschappelijke uitvoerbaarheid ervan. Op basis van de voorwaarden voor een SDE++-subsidie, geldt een maximale aanbestedingstermijn voor de realisatie van het zonnepark.

Binnen die termijn zal duidelijk zijn of de windturbines doorgang kunnen vinden. Het technisch ontwerp van het zonnepark kan op dat moment rekening houden met het al dan niet plaatsen van windturbines. In het landschappelijk inpassingsplan is hier reeds aandacht aan besteed. Daaruit wordt duidelijk dat indien nodig de benodigde ruimte voor de windturbines kan worden gereserveerd. Omvang zon De ontwikkeling van de zonneweide op de locatie maakt onderdeel uit van de Routekaart 2019 – 2022 en levert een substantiële bijdrage aan het verwezenlijken van de gemeentelijke duurzaamheidsambities. In een collegebesluit in het kader van het opwekken van wind- en zonne-energie is vastgelegd binnen welke gebieden dit plaats kan vinden en wat in dat kader de definitie van de betreffende plangebieden is. Dit geldt ook voor het plangebied waarbinnen Energiepark A59 Oranjepolder wordt gerealiseerd. De omvang van het onderdeel zon van 37 ha binnen het Energiepark A59 Oranjepolder past binnen dit aangegeven plangebied en de definitie daarvan. Door de beschikbare ruimte binnen het plangebied te benutten, ontstaat de kans een grote stap richting een energieneutrale gemeente te zetten. Er wordt in combinatie met wind niet alleen in één keer voorzien in de behoefte tot 2022, maar er wordt ook al een belangrijke stap gezet richting het behalen van de doelen in 2030.

De meerwaarde van een zonneveld van 37 ha is met het oog op de gemeentelijke ambities dan

Mees Ruimte & Milieu | 18196

Pagina | 50

ook evident. Daarnaast is het optimaal benutten van een gebied dat al gereserveerd is voor het energiepark een logische keuze. Conclusie De realisatie van een zonneveld als onderdeel van Energiepark A59 Oranjepolder is reeds opgenomen in de Routekaart 2019-2022. Het zo volledig mogelijk benutten van de beschikbare ruimte binnen het plangebied biedt kansen om een grotere stap richting het verwezenlijken van de gemeentelijke doelstellingen te zetten. Realisatie van een zonneweide van 37 ha als onderdeel van Energiepark A59 Oranjepolder is daarmee in lijn met de duurzaamheidsambities van de gemeente Oosterhout, zowel die op de korte als op de lange termijn.

Mees Ruimte & Milieu | 18196

Pagina | 51

5

Omgevingsaspecten

5.1

Archeologie

5.1.1 Algemeen Erfgoedwet De Erfgoedwet bevat de geldende wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. De wet regelt tevens de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem. De uitvoering van de Erfgoedwet en de integratie van archeologie en ruimtelijke ordening is primair een gemeentelijke opgave. De gemeente is verplicht om in nieuwe bestemmingsplannen rekening te houden met de mogelijke aanwezigheid van archeologische waarden. Dit volgt uit een wijziging van het Besluit ruimtelijke ordening en maakt onderdeel uit van de modernisering van de monumentenzorg. De Erfgoedwet is een voorloper op de Omgevingswet. Erfgoedkaart Oosterhout Op 25 januari 2012 heeft de gemeenteraad de Erfgoedkaart Oosterhout vastgesteld. Deze kaart geeft de archeologische verwachtingen en archeologische en cultuurhistorische waarden in Oosterhout weer waardoor deze als volwaardig belang in ruimtelijke planvorming mee kunnen worden gewogen. Tevens worden op deze kaart de voorschriften vastgesteld voor de omgang met archeologische bodemschatten in de ruimtelijke inrichting en in bouwprojecten. Daarbij is tevens de Beleidsnota Cultuurhistorie, Monumenten en Archeologie van belang.

5.1.2 Relatie tot ontwikkeling Op basis van de verbeelding behorende het vigerende bestemmingsplan kan worden geconcludeerd dat de locatie niet is gelegen binnen (mogelijk) archeologisch waardevol gebied dan wel dat het niet ligt binnen een archeologische verwachtingszone. Voor de volledigheid is echter ook de Erfgoedkaart van gemeente Oosterhout geraadpleegd. Daaruit blijkt dat de westkant van de projectlocatie in een gebied ligt met een middelhoge verwachting. Figuur 20 toont een uitsnede van de Erfgoedkaart. De projectlocatie is aangeduid in het rood. figuur 19. Uitsnede Erfgoedkaart Oosterhout

Op deze gronden geldt dat archeologisch onderzoek uitgevoerd dient te worden, tenzij sprake is van (bouw)werkzaamheden met een oppervlakte van ten hoogste 100 m2 en een verstoringsdiepte van niet meer dan 50 centimeter beneden maaiveld. Voor de beoogde ontwikkeling is derhalve bureau Laagland

Mees Ruimte & Milieu | 18196

Pagina | 52

Archeologie gevraagd een verkennend archeologisch onderzoek uit te voeren, bestaande uit een bureauonderzoek en verkennend booronderzoek. De rapportages zijn opgenomen in de bijlagen bij voorliggende onderbouwing. In de eerste plaats heeft voor het gehele projectgebied een bureauonderzoek plaatsgevonden. Op basis van dit bureauonderzoek is geadviseerd enkel een strook langs de westzijde van het projectgebied, direct gelegen langs het kanaal, te onderzoeken middels een verkennend booronderzoek. Het betreft een strook van in totaal ca. 4,2 ha. Gelet op bovengenoemd advies is een verkennend booronderzoek uitgevoerd. Op basis daarvan wordt geconcludeerd dat kans klein is dat het plangebied archeologische sporen bevat, afgezien van eventuele sporen van bewoning of activiteiten uit de Late Middeleeuwen binnen een strook aan het oude havenkanaal van Oosterhout. Het voormalige landoppervlak uit die periode ligt op tenminste 130 cm diepte. Archeologische resten die mogelijk binnen de verstoringsdiepte liggen dateren waarschijnlijk van na 1700. Het archeologisch belang hiervan is laag. Voor de fundering van de panelen binnen zonneparken geldt in zijn algemeenheid dat de grondroering zodanig beperkt is, dat deze niet als significant te kwalificeren is en daardoor niet leidt tot een noodzaak nader onderzoek uit te voeren.

Daarvoor geldt in dit specifieke park bovendien dat de (beperkte) verstoring ten opzichte van de oppervlakte van het onderzoeksgebied en het plangebied als geheel, eveneens niet voor significante verstoringen van eventuele archeologische niveaus leiden. Om deze reden is nader onderzoek in de vorm van proefsleuven of anderszins niet nodig. 5.1.3

Conclusie

Archeologie in het gebied is in kaart gebracht. Van significante verstoringen is geen sprake, nader onderzoek is niet noodzakelijk. Het aspect vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

5.2

Cultuurhistorie

5.2.1

Algemeen

Nota Belvedère (1999) Vanuit een ontwikkelingsgerichte visie op de omgang met cultuurhistorie worden in de Nota Belvedère beleidsmaatregelen voorgesteld die tot een kwaliteitsimpuls bij de toekomstige inrichting van Nederland zouden moeten leiden. Doelstelling van de nota is om de alom aanwezige cultuurhistorische waarden sterker richtinggevend te laten zijn bij de inrichting van Nederland. Dit met als doel het aanzien van Nederland aan kwaliteit te laten winnen en tegelijkertijd de onderlinge samenhang van cultuurhistorische waarden op het terrein van de archeologie, gebouwde monumenten en historische cultuurlandschap te versterken. Cultuurhistorie in Noord-Brabant De provincie beschikt over de Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW) uit 2010. De kaart is in 2016 op enkele kleine onderdelen herzien. Aan de hand van de CHW kan worden beoordeeld of, en zo ja welke, cultuurhistorische waarden in een gebied gelden. Erfgoedkaart Oosterhout Op 25 januari 2012 heeft de gemeenteraad de Erfgoedkaart Oosterhout vastgesteld. Deze kaart geeft de archeologische verwachtingen en archeologische en cultuurhistorische waarden in Oosterhout weer waardoor deze als volwaardig belang in ruimtelijke planvorming mee kunnen worden gewogen. Tevens worden op deze kaart de voorschriften vastgesteld voor de omgang met archeologische bodemschatten in de ruimtelijke inrichting en in bouwprojecten.

Daarbij is tevens de Beleidsnota Cultuurhistorie, Monumenten en Archeologie van belang.

Mees Ruimte & Milieu | 18196

Pagina | 53

5.2.2

Relatie tot ontwikkeling

Cultuurhistorische Waardenkaart Figuur 21 toont een uitsnede van de CHW van de provincie Noord-Brabant. De projectlocatie maakt onderdeel uit van de regio ‘Baronie’, welke een cultuurhistorisch belang kent. figuur 20. Uitsnede Cultuurhistorische Waardenkaart Noord-Brabant erfgoed/erfgoed/cultuurhistorische-waarden-in-brabant)

(bron:

brabant.nl/onderwerpen/kunst-cultuur-en-

Het gebied wordt gekenmerkt door een oud, plaatselijk goed bewaard gebleven cultuurlandschap met tal van oudere en jongere landgoederen. Opmerkelijk zijn de oude bosgebieden Mastbosch, Liesbosch en Ulvenhoutsche Bosch, die tot de oudste van Nederland behoren. Ten noorden van Breda ligt een gaaf militair landschap (onderdeel van de Zuiderwaterlinie), bestaande uit schansen, twee linies en inundatiegebieden. In de regio liggen diverse cultuurhistorische landschappen van provinciaal belang. De projectlocatie maakt daar geen onderdeel van uit. Erfgoedkaart Oosterhout Figuur 22 toont een uitsnede van de Erfgoedkaart Oosterhout (kaartlaag Waardenkaart historische geografie). De projectlocatie is aangeduid middels het groene kader en kent een hoge archeologische waarde. Daarnaast is de oostelijk gelegen waterloop Kromgat aangeduid als hoge infrastructurele waarde. Voor het Kromgat geldt dat deze behouden blijft en de waarden daarmee in stand blijven. De ontwikkeling zorgt ook niet voor een wijziging in verkaveling of uitstraling van het gebied waardoor deze waarde minder zichtbaar zou worden in het landschap. Door de gekozen inrichting en situering van de panelen, worden deze waarden juist verwerkt. De Oranjepolder kent een hoge cultuurhistorische waarde. In dit noordelijke gedeelte van de gemeente is het onregelmatige kleinschalige karakter kenmerkend. Deze gronden hebben na de St.

Elisabethsvloed lange tijd onder water gestaan en zijn in kleine poldertjes op het water teruggewonnen. Dit heeft geresulteerd in onregelmatige verkavelingen en poldertjes, die (deels) nog in het landschap zichtbaar zijn. De oranjepolder en de verkaveling binnen het projectgebied blijven onverminderd zichtbaar in het landschap. Met de situering van de panelen in oost-westopstelling worden de bestaande percelen en watergangen gerespecteerd en wordt de richting van het landschap gehandhaafd en benadrukt. Het doel van het landschappelijk inpassingsplan is hier de waaierstructuur die oorspronkelijk in het krekenlandschap

Mees Ruimte & Milieu | 18196

Pagina | 54

aanwezig was en die zich in de tijd met enige moeite is blijven manifesteren, te versterken. Daarnaast wordt de lijn van de Amertak en het Wilhelminakanaal versterkt door aan de Statendamweg een haag te introduceren, die zoveel mogelijk wordt afgestemd op de reeds aanwezige groenzones in dat gebied en die het directe zicht op het zonnepark verzacht. figuur 21. Uitsnede Erfgoedkaart Oosterhout, kaartlaag Waardenkaart historische geografie (bron: Erfgoedkaart Oosterhout)

Landschap in bestemmingsplan Naast de door de provincie aangegeven bijzondere te beschermen landschaps- en natuurwaarden in (in dit geval) de Groenblauwe Mantel bezit het buitengebied van Oosterhout ook lokale landschapswaarden, die een extra bescherming vereisen middels een aanduiding en een hieraan gekoppelde omgevingsvergunning voor werken en werkzaamheden). Het betreft landschappelijke en aardkundige waardevolle gebieden, die middels specifieke aanduidingen op de verbeelding worden beschermd. Het gaat om de aanduidingen ‘omgevingsvergunning openheid’ en ‘omgevingsvergunning waardevol reliëf’. Ter plaatse van de projectlocatie zijn deze aanduidingen niet opgenomen. Wel is de locatie bestemd als ‘Agrarisch met waarden – Landschap’. Met het oog op de bescherming van deze landschapswaarden is een omgevingsvergunningstelsel opgenomen voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden. Uit hoofdstuk 1 is reeds gebleken dat met name het aanplanten van houtgewas met een hoogte van meer dan 1 meter, tot een vergunningplicht leidt. Deze groenvoorzieningen worden met het oog op landschappelijke kwaliteit en de landschappelijke inpassing van het plan echter zorgvuldig uitgekozen. Van een negatief effect op de landschappelijke waarden is derhalve geen sprake.

Overige aspecten cultuurhistorie Ter plaatse van de projectlocatie en in de directe omgeving zijn geen waardevolle monumenten aanwezig die door het project worden geschaad. Ook is geen sprake van een rijks- of gemeentelijk beschermd dorpsgezicht. 5.2.3 Conclusie De projectlocatie maakt onderdeel uit van de cultuurhistorisch waardevolle regio ‘Baronie’. Belangrijke elementen van deze regio zijn ter plaatse echter niet aanwezig. Wel geldt op basis van de Erfgoedkaart Oosterhout een hoge cultuurhistorische waarde binnen de Oranjepolder. In het ontwerp van het zonnepark is hier rekening mee gehouden. De panelen worden binnen de oorspronkelijke kavelstructuur geplaatst, waardoor de structuur in eerste plaats behouden blijft en bovendien beter zichtbaar wordt. De

Mees Ruimte & Milieu | 18196

Pagina | 55

cultuurhistorische waarde van het Kromgat blijft eveneens behouden. De inrichting van het plangebied leidt niet tot wijzigingen in deze waterloop. Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

5.3

Water

5.3.1

Algemeen

Waterwet In 2009 is de Waterwet in werking getreden. Hierin zijn acht wetten gebundeld tot één wet. De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater, en verbetert ook de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. De doelstellingen van de Waterwet vallen uiteen in de volgende drie uitgangspunten  voorkomen en beperken van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste;  beschermen en verbeteren van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen;  vervulling van maatschappelijke functies door watersystemen. Watertoets Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening is het doorlopen van de watertoets verplicht voor alle ruimtelijke plannen en besluiten. Het doel van de watertoets is, om in overleg tussen de initiatiefnemer en de waterbeheerder aandacht te besteden aan de waterhuishoudkundige aspecten, zodat de waterhuishoudkundige doelstellingen worden gewaarborgd. De uitgangspunten voor het watersysteem dienen op een juiste wijze in het plan te worden verwerkt. Daarbij spelen over het algemeen aspecten zoals waterkwantiteit, waterkwaliteit, beschermde gebieden (zoals waterkeringen) en riolering en andere watergerelateerde buisleidingen een rol. Beleid en regelgeving Waterschap Brabantse Delta Waterbeheerplan en Waterbeheerprogramma Het waterschap zorgt voor veilige dijken, voldoende water en schoon water.

Diverse overheden hebben hiervoor regels opgesteld. Zowel Europees (onder andere Kaderrichtlijn Water) als nationaal (onder andere Nationaal Bestuursakkoord Water). Waterschap Brabantse Delta zorgt dat ze zich aan de Europese en Nationale regels houdt door deze in het eigen beleid te verwerken. Hiertoe stelt het Waterschap Brabantse Delta elke zes jaar het Waterbeheerplan vast, waarin de koers voor een toekomstbestendig waterbeheer voor West-Brabant wordt geschetst. Het Waterbeheerplan omschrijft:  hoe het waterschap het watersysteem en waterkeringen op orde wil brengen;  voor welke thema’s het waterschap aan de lat staat en de strategie hiervoor  welke maatregelen uitgevoerd zullen worden, wie daarin de partners zijn en hoe we dit gemonitord en bijgestuurd wordt. Daarnaast wordt ook een Waterbeheerprogramma vastgesteld. Het meest recente en nog van toepassing zijnde beleid is opgenomen in het Waterbeheerplan 2016-2021 en het Waterbeheerprogramma 2022-2027. Keur en Legger De Keur is een waterschapsverordening met de regels die een waterschap hanteert bij de bescherming van waterkeringen, watergangen en bijbehorende kunstwerken. Aan de hand van de Keur kan worden vastgesteld of bepaalde activiteiten al dan niet vergunningplichtig zijn, wie de onderhoudsplichtige van een waterstaatswerk is en welke nadere regels er gelden.

Onderdeel van het waterschapsbeleid, vormt ook de Legger. De Legger is een vastgestelde kaart waarop onder andere de situering van watergangen en waterkeringen is vastgelegd. Ook andere relevante informatie is verwerkt in de Legger. De Keur en de Legger tezamen vormen het belangrijkste kader voor toetsing in het geval een ruimtelijke ontwikkeling zich

Mees Ruimte & Milieu | 18196

Pagina | 56

voordoet. De vigerende Keur betreft de Keur Waterschap Brabantse Delta 2015 (laatste wijziging in werking sinds 1 januari 2019). In aanvulling op de Keur en de Legger, kent het waterschap tot slot ook de Algemene Regels. Deze regels geven nadere invulling aan de verbodsbepalingen op de Keur. Hierdoor is niet altijd een watervergunning nodig, maar kan ik bepaalde situaties worden volstaan met een melding. De Algemene Regels traden in werking op 1 april 2020. 5.3.2

Relatie tot ontwikkeling

Het projectgebied is gelegen in het beheergebied van het Waterschap Brabantse Delta. In het kader van de te voeren planologische procedure is overleg gevoerd tussen initiatiefnemer en het Waterschap. De uitkomsten van dit overleg zijn verwerkt in deze waterparagraaf en waar nodig zijn de uitkomsten tevens verwerkt in het landschappelijk inpassingsplan. Onderstaand wordt op de diverse wateraspecten ingegaan. Waterkwantiteit Oppervlakteverharding Watercompensatie is nodig wanneer de toename van het verhard oppervlak in het buitengebied meer dan 2.000 m2 bedraagt. In dit geval geldt dat met de panelen geen netto verharding wordt toegevoegd ten opzichte van de huidige situatie. Zonnepanelen worden in een schuine hoek geplaatst, waardoor hemelwater via de panelen de grond in kan stromen en de grond zich als onverharde grond blijft gedragen. Beheerpaden worden bovendien half verhard en daarmee waterdoorlatend uitgevoerd. De enige planonderdelen die daadwerkelijk voor een netto toename aan verharding zorgen, betreffen de noodzakelijke transformatorhuisjes. Naar inschatting op basis van de omvang van het park zijn daar ca. 17 van nodig. De verharding als gevolg daarvan is beperkt en blijft ruim onder de grens van 2.000 m2. Uitgaande van plaatsing van transformatoren in 20 ft containers van maximaal 15 m2, bedraagt de oppervlakteverharding ca. 340 m2.

De centrale ontsluiting van het gebied vindt plaats via de bestaande infrastructuur langs de Hillenweg. De transformatoren worden langs de daarnaast gelegen watergangen gesitueerd, zodat zo min mogelijk nieuwe paden hoeven worden aangelegd. Voor beheer en onderhoud van de transformatoren is het nodig dat zij bereikbaar zijn. Hiertoe wordt gebruik gemaakt van de bestaande duikers ter plaatse van de watergangen, waarover een halfverhard pad wordt gecreëerd om de transformatoren te kunnen bereiken. Door deze beheer- en onderhoudspaden halfverhard worden uitgevoerd, leiden ze niet tot een zodanige toename van de oppervlakteverharding dat ze tezamen met de containers tot een overschrijding van de vrijgestelde 2.000 m2 leiden. Grondwaterpeil Van andere ingrepen is vooralsnog geen sprake. Gedurende de ontwerpfase van het zonnepark werd een peilopzet in het gebied overwogen, met mogelijk bijkomende voordelen voor natuur en waterberging. In verband met de diverse belangen die in dit gebied spelen, waaronder de waterkeringen (zie hierna), is het verhogen van het grondwaterpeil echter niet eenvoudig te realiseren. Daarnaast gelden de eerder geconstateerde knelpunten ten aanzien van waterberging in dit gebied niet meer (verwezen wordt naar paragraaf 3.2.4), waardoor hier in principe geen specifieke maatregelen nodig zijn in het kader van een waterberingsopgave.

Tegelijkertijd kan een peilopzet wel degelijk tot een meerwaarde in het initiatief en het projectgebied leiden. Om dit mogelijk te maken is meer onderzoek nodig en zullen de nodige vergunningen dienen te worden aangevraagd. De mogelijkheden hiertoe kunnen in een later stadium worden onderzocht indien dit wenselijk of noodzakelijk blijkt. Op dit moment vormt een eventuele peilopzet geen integraal onderdeel van de planontwikkeling. Waterkwaliteit Toepassing van uitloogbare materialen zoals lood, koper of zink wordt vermeden, zodat geen negatief effect op de (grond)waterkwaliteit ontstaat.

Mees Ruimte & Milieu | 18196

Pagina | 57

Waterkeringen en oppervlaktewateren Voor dit onderdeel is de ‘Legger watersystemen’ van het waterschap Brabantse Delta geraadpleegd. Figuur 22 bevat een uitsnede van de leggerkaart, waarop waterkeringen, leggerwateren en overige relevante zaken zijn weergegeven. figuur 22. Uitsnede Legger Watersystemen Waterschap Brabantse Delta (brabantsedelta.webgispublisher.nl/Viewer.aspx?map=Leggers_Brabantsedelta

Waterkeringen Het projectgebied grenst direct aan waterkeringen en overlapt deels met de beschermingszones daarvan. Binnen deze beschermingszones worden geen panelen opgericht. Ditzelfde geldt voor de waterkering ter hoogte van het water de Kromgat ten oosten van het zonnepark. Door niet binnen de beschermingszones van de waterkeringen te bouwen, treden als gevolg van het zonnepark zelf geen effecten op die de werking van de waterkering negatief zouden kunnen beïnvloeden. Onderstaande figuur verduidelijkt dit, waarop de beschermingszones van de waterkeringen met de stippellijn zijn aangegeven. De panelen en overige objecten vallen hier buiten. figuur 23. Beschermingszones ten opzichte van invulling plangebied (bron: Smartland Landscape Architects)

Mees Ruimte & Milieu | 18196

Pagina | 58

Wel is het binnen delen van de beschermingszones nodig te voorzien in passende maatregelen ten behoeve van een goede landschappelijke inpassing. Daarbij wordt tevens een combinatie gezocht met mogelijkheden voor natuurontwikkeling en versterking van de biodiversiteit ter plaatse. In overleg met het waterschap wordt nader vastgesteld op welke wijze daarbij rekening kan worden gehouden met de belangen van de waterkeringen. Daarbij zal gezamenlijk worden gezocht naar toepassingen die passen binnen dit gebied, rekening houdend met de waterstaatskundige belangen enerzijds en de specifieke kenmerken van de locatie anderzijds. Daarbij mag het belang van een goede landschappelijke inpassing niet uit het oog worden gelaten. Het waterschap zal daarbij adviseren over de doelsoorten van de Ecologische Verbindingszone en de geschikte/gewenste plantensoorten. Waar mogelijk worden deze adviezen meegenomen in het ontwerp. In aanvulling daarop heeft het waterschap kenbaar gemaakt graag te willen participeren in de Werkgroep Biodiversiteit die is opgesteld ten behoeve van de ontwikkeling. Initiatiefnemer draagt er zorg voor dat het waterschap in de communicatie omtrent deze werkgroep wordt betrokken. Op het moment dat overeenstemming is bereikt over de invulling van de beschermingszones, wordt indien nodig een watervergunning aangevraagd.

Deze vergunning is nog niet nodig voor deze planologische procedure. Oppervlaktewateren en duikers Binnen de projectlocatie zijn twee A-watergangen en diverse B-watergangen gelegen. Daarnaast wordt een deel van de zuidzijde van het projectgebied begrensd door een A-watergang. Beschermingszones liggen enkel langs de A-watergangen, deze zones bedragen 5 meter aan weerszijden van het water. Aan de zijde van het projectgebied wordt langs de zuidelijke A-watergang voorzien in een groenzone ten behoeve van de landschappelijke inpassing. Panelen of andere objecten worden hier niet voorzien. Voor de A-wateren langs de Hillenweg, geldt dat onderhoud daaraan hoofdzakelijk plaatsvindt vanaf de Hillenweg. Ook aan de zijden van de panelenvelden, wordt echter rekening gehouden met de beschermingszones. Van panelen of andere belemmerende objecten binnen deze zones is geen sprake. Voor de bereikbaarheid van de transformatoren wordt gebruik gemaakt van toegangen via de bestaande duikers. Het waterschap heeft als harde voorwaarde gesteld dat duikers die niet worden gebruikt voor het zonnepark worden verwijderd. Aan deze voorwaarde zal worden voldaan. Op het moment dat sprake is van duikers die voor het toekomstige gebruik van het plangebied niet noodzakelijk zijn, zullen deze worden verwijderd. Of en welke dit zullen zijn, is mede afhankelijk van de aannemer en de onderhoudspartij.

Voor het verwijderen van duikers is op grond artikel 3.1 van de Keur een watervergunning benodigd. Een vrijstelling op grond van de Algemene regels is hier niet van toepassing, omdat het een A-watergang betreft en dit water niet enkel ten behoeve van het eigen gebruik is. Te zijner tijd zal voor deze activiteit een watervergunning worden aangevraagd. Deze vergunning is nog niet nodig in het kader van deze planologische procedure. RWZI Dongemond en waterleiding Aan de zuidzijde van het projectgebied ligt de rioolwaterzuiveringsinstallatie Dongemond van het Waterschap Brabantse Delta. De waterzuiveringsinstallatie en het zonnepark ondervinden in principe geen hinder ten opzichte van elkaar. In overleg met het waterschap zal worden onderzocht in hoeverre er risico’s kunnen ontstaan als gevolg van bijvoorbeeld gasvorming afkomstig van de zuiveringsprocessen. Deze risico’s worden vooralsnog echter niet verwacht. Door het uiterste zuidoostelijke puntje van het projectgebied, loopt een rioolleiding die richting de RWZI voert. Het betreft een ø700 asbestcement persleiding ten behoeve van de af-/aanvoer van afvalwater, waar een vrije zone langs weerzijden van 5 meter gewenst is. Met deze zone is rekening gehouden in het ontwerp.

Mees Ruimte & Milieu | 18196

Pagina | 59

figuur 24. Aanduiding rioolpersleiding door projectgebied (bron: ruimtelijkeplannen.nl)

Voor de panelen die in het puntje liggen is het wel van belang dat ze betrokken kunnen worden bij de rest van het panelenveld. Hiertoe is een kabelverbinding nodig die de waterleiding bij voorkeur bovenlangs kruist. Werken of objecten boven de waterleiding zijn in beginsel niet toegestaan, tenzij wordt voldaan aan de ‘Voorwaarden betreffende de Uitvoering en instandhouding van Werken’ (V.U.W. 2004) van het Waterschap Brabantse Delta. Conform onderdeel 2.7 van deze voorwaarden dient een kruising met een afvalwatertransportleiding te geschieden met een niveauverschil van minimaal 50 cm ten opzichte van de afvalwatertransportleiding. Hiertoe is een watervergunning nodig. Voor de graafwerkzaamheden geldt dat een graafmelding moet worden gedaan. Graafwerkzaamheden op een afstand van meer dan 50 cm tot de leiding mogen mechanisch plaatsvinden. Indien de werkzaamheden op kortere afstand dan 50 cm plaatsvinden, dienen ze handmatig te worden uitgevoerd. Met voornoemde voorwaarden en vergunningplicht wordt rekening gehouden. Belemmeringen worden niet voorzien. 5.3.3

Conclusie

Binnen en rondom het plangebied spelen diverse waterbelangen. Overleg met het Waterschap Brabantse Delta heeft enkele keren plaatsgevonden. De input vanuit deze overlegmomenten is verwerkt in de waterparagraaf. Op een aantal onderdelen vindt nog nader overleg plaats. Voor enkele onderdelen, zoals het verwijderen van duikers en werken binnen beschermingszone A van een primaire waterkering, is een watervergunning nodig. Door rekening te houden met de belangen en waar nodig maatregelen te treffen of ontwerpkeuzes te maken, is echter geen sprake van significant negatieve effecten op de waterhuishoudkundige situatie ter plaatse. Het wateraspect vormt daarom geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

5.4

Bedrijven en milieuzonering

5.4.1

Algemeen

Milieuzonering is een instrument dat helpt bij het afwegen en verantwoorden van keuzes aangaande nieuwe woningbouw- en bedrijvenlocaties en beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie. Het gaat hierbij om de milieuaspecten: geluid, geur, stof en gevaar, waarbij de belasting afneemt naarmate de afstand tot de bron toeneemt. Om ervoor te zorgen dat nieuwe woningen op een verantwoorde afstand van bedrijven gesitueerd worden en dat nieuwe bedrijven een passende locatie in de nabijheid van woningen krijgen, is de handreiking ‘Bedrijven en milieuzonering’ opgesteld. Door toepassing te geven aan deze handreiking wordt zoveel mogelijk voorkomen dat woningen hinder en gevaar ondervinden van bedrijven en dat die bedrijven in hun milieugebruiksruimte worden beperkt.

Mees Ruimte & Milieu | 18196

Pagina | 60

In de handreiking zijn richtafstanden opgenomen voor een scala aan milieubelastende activiteiten, opslagen en installaties. De richtafstand geldt vanaf de grens van de inrichting tot de bestemmingsgrens van omliggende woningen en betreft nadrukkelijk een leidraad en geen norm. Indien goed gemotiveerd en onderbouwd door middel van relevant milieutechnisch onderzoek, kan ervoor worden gekozen van de richtafstand af te wijken. tabel 1 Richtafstanden bedrijven en milieuzonering

De richtafstanden zijn afgestemd op het omgevingstype rustige woonwijk en rustig buitengebied. Zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat kan de richtafstand met één stap worden verlaagd indien sprake is van een omgevingstype gemengd gebied. 5.4.2

Relatie tot ontwikkeling

In de handreiking is een zonnepanelenpark niet opgenomen. Bij de zonnepanelen worden meerdere omvormers en transformatoren geplaatst. De activiteit zou daardoor vergeleken kunnen worden met elektriciteitsdistributiebedrijven van, in dit geval, 10 - 100 MVA. De activiteit valt dan in milieucategorie 3.1 met een bijbehorende richtafstand van 50 meter in verband met het aspect geluid. Dit betekent dat 50 meter afstand als richtafstand dient te worden gehouden van woningen. De zonnepanelen zelf veroorzaken geen geluid. Binnen een straal van 50 meter ten opzichte van de grens van het zonnepark is geen sprake van bestaande of geprojecteerde (agrarische) woningen. De kortste afstand tot woningen bedraagt ca. 490 meter. Het betreft de zuidelijk gelegen bedrijfswoningen aan de Statendamweg. Omliggende bedrijven in het gebied ondervinden eveneens geen hinder als gevolg van een zonnepanelenpark, het park vormt daarmee geen belemmering in de bedrijfsvoering van deze bedrijven. 5.4.3

Conclusie

Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

5.5

(Externe) Veiligheid

5.5.1

Algemeen

Externe veiligheid gaat over de risico's voor mens en milieu bij gebruik, opslag en vervoer van gevaarlijke stoffen. Ook de risico's die luchthavens geven vallen onder externe veiligheid. De aan deze activiteiten verbonden risico’s moeten tot een aanvaardbaar niveau beperkt blijven. Het wettelijk kader voor risicobedrijven is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en voor het vervoer van gevaarlijke stoffen in de Wet vervoer gevaarlijke stoffen. Normen voor ondergrondse buisleidingen zijn vastgelegd in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Bij de beoordeling van de externe veiligheidssituatie zijn twee begrippen van belang:

Mees Ruimte & Milieu | 18196

Pagina | 61

Plaatsgebonden risico (PR): Inwoners van een bepaald gebied kunnen te maken krijgen met plaatsgebonden risico (PR). Dit is de kans per jaar dat één persoon overlijdt door een ongeluk met een gevaarlijke stof. In theorie zou die persoon zich onafgebroken en onbeschermd op één bepaalde plaats moeten bevinden. Deze kans mag niet groter zijn dan 1 op de miljoen. Het PR wordt ‘vertaald’ als een risicocontour rondom een risicovolle activiteit, waarbinnen geen kwetsbare objecten (bijvoorbeeld woningen) mogen liggen. Groepsrisico (GR): Het groepsrisico legt een relatie tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers en is een maatstaf voor de verwachte omvang van een ramp. Rondom een risicobron wordt een invloedsgebied gedefinieerd, waarbinnen grenzen worden gesteld aan het maximaal aanvaardbaar aantal personen, de zogenaamde oriëntatiewaarde (OW). Dit is een richtwaarde, waarvan het bevoegd gezag, mits afdoende gemotiveerd door middel van een gedegen verantwoording, kan afwijken. Dit betreft de zogeheten verantwoordingsplicht. De verantwoordingsplicht geldt voor elke toename van het GR.

Het Ipo (Interprovinciaal overleg) heeft een risicokaart ontwikkeld waarop verschillende risicobronnen inclusief bijbehorende relevante gegevens zijn weergegeven. De risicokaart vormt een hulpmiddel bij het beoordelen van het aspect externe veiligheid bij ruimtelijke ontwikkelingen. Daarnaast kan ook het risicoregister worden geraadpleegd. 5.5.2

Relatie tot ontwikkeling

In deze situatie geldt dat een zonnepanelenpark geen kwetsbaar of beperkt kwetsbaar object betreft in het kader van externe veiligheid. De voorgenomen activiteit zelf is bovendien ook geen risicovolle activiteit. Wel spelen er een aantal onderwerpen in (de omgeving van) het projectgebied die hieronder worden beschouwd. Hoogspanningsverbinding Nabij het projectgebied ligt een ondergrondse hoogspanningsverbinding. Op grond van het voorbereidingsbesluit ‘Zuid-West 380 kV Oost (Rilland – Tilburg), geldt het voornemen deze ondergrondse hoogspanningsverbinding uit te breiden tot een capaciteit van 380 kV. Tijdens de toets aan het geldende planologische regime zijn de eventuele gevolgen van deze verbinding voor de ontwikkeling in kaart gebracht. Hieruit is gebleken dat de gronden voor een zeer beperkt deel overlappen met het tracé van de hoogspanningsverbinding. Ter plaatse worden geen objecten of bouwwerken geplaatst die de werking van de hoogspanningsverbinding kunnen belemmeren, er wordt enkel voorzien in een groenstrook in het kader van de landschappelijke inpassing. Behalve enkele beperkingen ten aanzien van het bouwen van bouwwerken en het uitvoeren van werkzaamheden op de gronden waar het tracé overlapt met de plangrens, gelden er geen bijzondere beperkingen of bepalingen op basis waarvan een zonnepark ter binnen het projectgebied niet mogelijk is.

Hogedruk aardgasleiding Op circa 500 meter ten zuidoosten van het projectgebied, ligt een hogedruk aardgastransportleiding. Voor zover een zonneveld invloed heeft op (bijvoorbeeld de kathodische bescherming van) gasleidingen, kan worden gesteld dat de betreffende leiding op zodanig grote afstand tot het zonneveld ligt, dat geen veiligheidsrisico’s kunnen ontstaan. Overleg Brandweer Midden- en West-Brabant In het kader van de planontwikkeling is op 28 september 2020 overleg gevoerd met de Brandweer Middenen West-Brabant. Naast de algehele veiligheid op deze locatie zijn recente ontwikkelingen rondom brand bij zonnepanelen in het landelijk gebied hier aanleiding toe geweest. De situatie waaraan wordt gerefereerd betreft een brand in een bollenschuur binnen de gemeente Hollands Kroon, waarna glasscherven in het landelijk gebied terecht zijn gekomen. Om een vergelijkbare situatie binnen voorliggend planinitiatief zo veel mogelijk te voorkomen, is onderzocht in hoeverre hier op voorhand rekening mee kan worden gehouden en welke maatregelen getroffen kunnen worden op het moment dat zich een calamiteit voordoet.

Mees Ruimte & Milieu | 18196

Pagina | 62

Risico’s brandveiligheid en cumulatieve werking Vooropgesteld wordt dat, ook volgens de brandweer, geen cumulatieve werking wordt verwacht als gevolg van de combinatie van zon en wind binnen voorliggend planinitiatief. Eventuele risico’s versterken elkaar in dit geval niet, waardoor er geen nadeligere situatie ontstaat indien beide ontwikkelingen tot uitvoering komen. Door de brandweer is aangegeven dat de risicoveroorzakende elementen met name gelegen zijn in de trafostations/omvormers en daarnaast in het slecht onderhouden van groenzones, bijvoorbeeld indien daardoor droogte ontstaat. Actieve monitoring en goed beheer en onderhoud is noodzakelijk om dit te voorkomen. Maatregelen bij calamiteit Met de brandweer is afgestemd op welke wijze het zonnepark kan worden afgeschakeld indien zich een brand voordoet. Daarnaast zijn diverse opties besproken voor de toegankelijkheid van het terrein voor de brandweer. Tevens dient in het ontwerp rekening te worden gehouden met de bereikbaarheid voor de brandweer(wagens) en voldoende bluswater. Voor de bereikbaarheid is onder andere een toereikende keerlus noodzakelijk voor de tankautospuit, rekening houdend met de draaicirkel daarvan (3,5 meter binnenbocht en 5,5 meter buitenbocht). Daarvoor worden in het ontwerp diverse mogelijkheden gezien.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Oosterhout&id=764359d9-39a9-4991-8dbd-098a1c992795