Ruimtelijke_onderbouwing_zonnepark Energiepark_A59_Oranjepolder.pdf
Tekst van het document
Verkeer en Water: Ook voor de gronden met de bestemming ‘Verkeer’ en ‘Water’ geldt dat de oprichting van een zonnepark niet mogelijk is, daar deze bestemmingen wegen en watergangen en al het daarbij behorende regelen. De bestaande wegen en watergangen blijven echter gehandhaafd en vrij van panelen en andere objecten, waardoor hier geen strijdigheden ontstaan.
Natuur: Voor de bestemming ‘Natuur’ geldt het volgende. Deze gronden zijn hoofdzakelijk bestemd voor de instandhouding, het herstel en/of de ontwikkeling van natuurlijke, landschappelijke, cultuurhistorische en abiotische waarden. Dit betreft een zeer beperkt deel van de projectlocatie, namelijk het noordelijke gedeelte van de Hillenweg en een smalle strook langs het oosten van de locatie. Ook binnen deze zone worden geen panelen gerealiseerd. Wel wordt aan de noordzijde van de Hillenweg een hekwerk geplaatst, waardoor een strijdigheid ontstaat. Langs de oostzijde worden een aantal ingrepen voorzien ter versterking van de natuurwaarden aldaar, alsmede in het kader van een goede landschappelijke inpassing van het zonnepark. Deze ingrepen leiden niet tot een vergunningplicht voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden. De vergunning is daarmee alleen nodig in verband met het hekwerk ter hoogte van de Hillenweg.
Leiding – Riool: Door de zuidoostelijke punt van de locatie loopt een rioolleiding wat van en naar RWZI Dongemond leidt. Hiertoe is de dubbelbestemming ‘Leiding – Riool’ opgenomen, waarmee naast de andere daar voorkomende bestemmingen tevens de rioolleiding planologisch is geregeld. Ter plaatse van deze strook mag in principe niet worden gebouwd en gelden beperkingen ten aanzien van werken en werkzaamheden. Het zonnepark houdt rekening met deze leiding. De zone blijft dan ook vrij van panelen en andere objecten. Ook van de aanleg van diepwortelende of hoogopgaande beplanting is geen sprake. Wel dient de punt van het plangebied middels een kabel te worden betrokken bij de rest van het zonnepark, zodat de kabel op enig punt boven de rioolleiding langs loopt. Hiertoe wordt te zijner tijd overleg gevoerd met de leidingbeheerder. Uit een informeel vooroverleg is reeds gebleken dat deze verbinding in principe mogelijk is, mits rekening wordt gehouden met de V.U.W. 2004.3 Deze is in het bezit van initiatiefnemer en wordt in acht genomen. Voor een nadere behandeling wordt verwezen naar paragraaf 5.3 van deze ruimtelijke onderbouwing. Waterstaat – Waterkering: Een beperkt deel van de projectlocatie kent tevens de dubbelbestemming ‘Waterstaat – Waterkering’.
Deze gronden zijn behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen (in dit geval de bestemming ‘Natuur’) mede bestemd voor de (aanleg van de) daar gelegen hoofdwaterkering, de daarbij behorende voorzieningen alsmede de instandhouding en bescherming van die kering. Zonnepanelen mogen binnen deze bestemming niet worden opgericht. Voor werken en werkzaamheden geldt het bepaalde binnen de andere daar voorkomende bestemmingen. Binnen deze bestemming worden geen zonnepanelen of andere objecten geplaatst. De gronden worden uitsluitend benut voor een goede landschappelijke inpassing van het plan alsmede voor de versterking van de biodiversiteit / ecologische waarde binnen het projectgebied. Uit de toetsing aan de bestemming ‘Natuur’ is reeds gebleken dat deze ingrepen, voor zover deze samenvallen met de beschermingszone van de waterkering, niet leiden tot een vergunningplicht voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden. Dit betekent dat deze vergunning ook niet noodzakelijk is op grond van de bestemming ‘Waterstaat – Waterkering’.
3
Voorwaarden betreffende de Uitvoering en instandhouding van Werken door, resp. van derden, in de nabijheid van zuiveringstechnische eigendommen (persleidingen, rioolgemalen en zuiveringen e.d.) van het waterschap Brabantse Delta
Mees Ruimte & Milieu | 18196
Pagina | 25
Gebiedsaanduidingen Naast de enkel- en dubbelbestemmingen zoals hierboven besproken, gelden nog een aantal gebiedsaanduidingen. Ten aanzien van de vrijwaringszone in verband met de Rijksweg A59 geldt dat binnen deze zone (het groene kader langs de weg) geen gebouwen mogen worden gebouwd, met het oog op mogelijk toekomstige wegverbredingen. Bouwwerken, zoals constructies voor zonnepanelen of trafostations, zijn echter niet uitgesloten, omdat het geen gebouwen betreffen. De vrijwaringszone in verband met de A59 vormt daarom geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. De geluidzone in verband met industrie vormt eveneens geen belemmering, omdat een zonnepark niet kan worden getypeerd als geluidgevoelig object. Verder geldt dat rekening moet worden gehouden met de vrijwaringszone in verband met de dijk. Panelen worden niet binnen deze zone geplaatst. Dit onderdeel komt verder aan bod in paragraaf 4.3 (waterparagraaf) van voorliggende ruimtelijke onderbouwing. Conclusie bestemmingsplantoets per planonderdeel De realisatie van een grondgebonden zonnepark bestaat uit de volgende planonderdelen/objecten: Zonnepanelen 20 ft containers Hekwerk Maatregelen landschappelijke inpassing en biodiversiteit Op grond van het vigerende bestemmingsplan is de aanleg van een grondgebonden zonnepark niet mogelijk.
Het doorlopen van een planologische procedure is noodzakelijk om de beoogde toekomstige situatie vergund te krijgen. Bij het aanvragen van de omgevingsvergunning ‘planologisch strijdig gebruik’ worden ook de overige vergunningplichte onderdelen aangevraagd. Voor dit park gaat dat in ieder geval om het plaatsen van de zonnepanelen en het plaatsen van het hekwerk. Daarnaast is sprake van het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden, bestaande uit de aanplant van houtgewas hoger dan 1 meter. Op grond van artikel 2.3, tweede lid, Besluit omgevingsrecht (Bor) in samenhang met Bijlage II, artikel 2, aanhef en onder 18 van het Bor, kunnen nutsvoorzieningen voor onder andere de duurzame opwekking van elektriciteit vergunningvrij worden gerealiseerd indien de nutsvoorziening maximaal 15 m2 bedraagt en niet hoger is dan 3 meter. Gelet hierop kunnen de 20 ft containers voor de trafostations in dit ontwerp vergunningvrij worden gerealiseerd. Voor dit planonderdeel is het daarom niet nodig een omgevingsvergunning (voor het bouwen of een planologische afwijking) aan te vragen. Voorbereidingsbesluit Zuid-West 380 kV Oost (Rilland – Tilburg) Het Rijk is voornemens een (ondergrondse) 380 kilovolt hoogspanningsverbinding aan te leggen tussen Rilland en Tilburg. Hiertoe wordt een Rijksinpassingsplan opgesteld.
Om te voorkomen dat zich in de tussentijd ontwikkelingen voordoen waardoor de gronden minder geschikt worden voor de aanleg van deze verbinding, heeft het Rijk een voorbereidingsbesluit genomen, dat sinds 12 oktober 2019 van kracht is. Op grond van dit besluit geldt binnen het besluitgebied een verbod om zonder omgevingsvergunning bepaalde werken en werkzaamheden te verrichten en het bestaande gebruik van gronden en bouwwerk te wijzigen in een aantal gevoelige en gevaarlijke functies. Figuur 13 toont het besluitgebied behorende bij het voorbereidingsbesluit.
Mees Ruimte & Milieu | 18196
Pagina | 26
figuur 13. Aanduiding besluitgebied Voorbereidingsbesluit Zuid-West 380 kV Oost (Rilland – Tilburg)
Op grond van het voorbereidingsbesluit is een omgevingsvergunning vereist voor: a. het aanbrengen of rooien van beplanting en bomen; b. het aanleggen van wegen of paden en het aanleggen van andere oppervlakteverhardingen; c. het indrijven van voorwerpen in de bodem; d. het uitvoeren van grondbewerkingen, waartoe worden gerekend afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen, ophogen en het aanleggen van drainage. e. Het aanleggen, vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren. Verboden gebruik betreft de uitvoering van activiteiten met en/of opslag van gevaarlijke stoffen onder andere in het kader van de Wet milieubeheer. Eveneens verboden is de realisatie van gevoelige bestemmingen, zoals woningen en scholen. Een beperkt deel van het zonnepark overlapt met de gronden binnen het besluitgebied. Het betreft een smalle strook langs de oostzijde van het projectgebied, dat samenvalt met de bestemming ‘Natuur’ en dubbelbestemming ‘Waterstaat – Waterkering’ uit het vigerende bestemmingsplan “Buitengebied”. Binnen deze gronden worden geen panelen en andere objecten opgericht. Daarnaast is geen sprake van de realisatie van de in het besluit genoemde functies. Ook van de (zonder omgevingsvergunning) verboden werken en werkzaamheden is geen sprake.
Ter plaatse wordt enkel voorzien in een bloemrijk grasveld zonder dat sprake is van het aanbrengen van beplanting en/of bomen. Van strijdigheid met het voorbereidingsbesluit is daarom geen sprake.
Mees Ruimte & Milieu | 18196
Pagina | 27
3
Locatieomschrijving
3.1
Functionele structuur
Het projectgebied betreft in de huidige situatie agrarisch gebied. Binnen of aangrenzend aan het plangebied zijn geen woonfuncties geprojecteerd. Op grotere afstand van de projectlocatie zijn deze wel te vinden. Overige functies die binnen en in de directe nabijheid van de locatie zijn gesitueerd zijn: Bedrijven Natuur Infrastructuur. De verschillende functies worden hieronder nader besproken. Wonen en vergelijkbare functies In de omgeving van de projectlocatie kunnen de volgende woonbestemmingen of daarmee te vergelijken bestemmingen worden gesignaleerd: - Kloosterhoeve in Raamdonksveer: gelegen op ca. 870 meter ten noordoosten van de projectgrens. Betreft weliswaar een maatschappelijke bestemming, maar ten behoeve van zowel langdurig als kortdurig verblijf van mensen met Huntingtons en heeft daarmee een woon-zorgfunctie. - Woningen in kern Raamdonksveer (gem. Geertruidenberg): meest nabijgelegen woning op ca. 1.150 meter richting het oosten. - Woonwijk Dommelbergen: ca. 1.080 meter vanaf de zuidgrens van het projectgebied. - Bedrijfswoningen Statendamweg: op ca. 490 meter vanaf de zuidgrens van het projectgebied. - Stelvenseweg: een woonbestemming en enkele agrarische bedrijfswoningen. De woonbestemming ligt een afstand van ca. 1.190 ten noordwesten. Natuur Op basis van het bestemmingsplan liggen binnen en rondom de locatie diverse natuurbestemmingen.
Uit de beoordeling van provinciaal beleid en natuur (paragraaf 4.3.4 en 5.11) blijkt dat het gebied tevens grenst aan het Natuurnetwerk Brabant en een ecologische verbindingszone. Van een ligging in Natura 2000gebieden is geen sprake. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied betreft de Biesbosch, gelegen op een afstand van ca. 3,5 kilometer ten opzichte van de projectlocatie. Op ca. 2 kilometer afstand tot het projectgebied ligt tot slot een stiltegebied. Het betreft stiltegebied ‘Willemspolder’. Bedrijven Ten noorden en noordwesten van het projectgebied zijn, binnen Geertruidenberg, diverse (agrarische) bedrijven en kassen gesitueerd. Ten noorden van het projectgebied is aan de Statendamweg tevens een composteerinrichting geprojecteerd. Aan de overzijde van het water langs de Statendamweg is een bedrijventerrein gelegen. Het betreft bedrijventerrein Weststad III, waarbinnen geluidszoneplichtige inrichtingen tot maximaal milieucategorie 5 zijn toegestaan. Op dit terrein zijn tevens zes windturbines aanwezig. Daarnaast grenst de locatie met de zuidgrens aan RWZI Dongemond. Een ondergrondse rioolleiding voor afvalwater loopt naar de RWZI en doorkruist het oostelijke puntje van het projectgebied.
Mees Ruimte & Milieu | 18196
Pagina | 28
figuur 14. Situering riolering RWZI
Infrastructuur Diverse vormen van infrastructuur liggen binnen en rondom de projectlocatie. Weginfrastructuur: Aan de noordzijde van het projectgebied is de A59 gesitueerd. Daarnaast wordt de locatie doorsneden door de centraal gelegen Hillenweg en wordt de westzijde van het plangebied begrensd door de Statendamweg. Vanaf de op- en afritten van de A59 is daarnaast een nieuwe ontsluitingsweg gelegen richting de Statendamweg. Water: Langs de westzijde van het projectgebied is het Wilhelminakanaal gelegen. Dit kanaal wordt gebruikt voor binnenscheepvaart. Hier is tevens een waterkering gelegen, waarvoor de dubbelbestemming ‘Waterstaat – Waterkering’ is opgenomen. Ten noordoosten ligt het water De Donge. Langs de oostzijde loopt het Kromgat. Ook hier is sprake van een waterkering met bijbehorende dubbelbestemming. Hoogspanningsverbinding: op dit moment loopt direct ten oosten van de locatie een 150 kV hoogspanningsverbinding. Zoals uit paragraaf 2.9 is gebleken, heeft het Rijk het doel hier een 380 kV hoogspanningsverbinding te realiseren. Buisleidingen: Langs de Statendamweg liggen diverse buisleidingen. Het gaat om een rioolleiding langs de westzijde van het plangebied, die van en naar de RWZI leidt. Eenzelfde leiding ligt aan de andere zijde van de RWZI, waar deze het meest zuidoostelijke puntje van het projectgebied doorkruist.
Aan de Statendamweg ligt, meer richting het zuiden, tevens een leidingstrook. De kortste afstand tot de dubbelbestemming ‘Leiding – Leidingstrook’ bedraagt ca. 700 meter. Het gaat hier onder andere om transport van brandstof via buisleidingen en een ondergrondse persleiding voor afvalwater. Ter hoogte van deze leidingstrook is tevens het tracé van de ‘Structuurvisie buisleidingen 2012 – 2035’ gelegen. Het betreft een Rijksstructuurvisie in het kader van het Barro/Rarro. De leidingen binnen de leidingzone, liggen iets noordelijker ten opzichte van het tracé op basis van voornoemde structuurvisie.
Mees Ruimte & Milieu | 18196
Pagina | 29
3.2
Landschappelijke structuur
In het vigerende bestemmingsplan “Buitengebied” is informatie opgenomen over de landschappelijke structuur van de Oranjepolder. Daarvoor geldt dat het landschap in Oosterhout zich kenmerkt door open agrarische gebieden en agrarische coulisselandschappen. Door de ligging op de overgang van klei naar zand, komen in het buitengebied van Oosterhout vier landschapsstructuren voor. Dit zijn de zeekleizone, de randzone, de veenzone en de zandzone. De Oranjepolder valt binnen de zeekleizone. De kenmerkende onderdelen van de zeekleizone zijn de polders met kreken, killen en sloten en (in oorsprong) ook de afwezigheid van bebouwing. Van de oorspronkelijke structuur is weinig nog herkenbaar, omdat de kreken, killen, sloten en verkaveling totaal zijn veranderd door ruilverkavelingswerken, de polders doorsneden zijn met (grote) infrastructurele werken (de kanalen, haven, twee autosnelwegen) en omdat grote delen van de polders zijn bebouwd (Dommelbergen, Weststad). Samenhang tussen landschapsvormende elementen is er dan ook nog nauwelijks. Het Kromgat is een beeldbepalend element, waaruit de ontstaansgeschiedenis van het landschap zich laat aflezen. Voor het Wilhelminakanaal geldt dit niet; deze is uit een oogpunt van functionaliteit ontstaan (gegraven). Door de beplanting erlangs heeft het Wilhelminakanaal zich wel gevoegd in het landschap en is door zijn functie zeer structuurbepalend.
Aan het verkavelingspatroon van de Oranjepolder is te zien dat het hier om een laag gelegen (van oorsprong zeer nat) gebied gaat, met als kenmerk veel sloten en smalle kavels. In de overige polders is het verkavelingspatroon zodanig veranderd, dat de samenhang met het natuurlijke systeem verloren is gegaan. De polders tussen de rijksweg A27 en het Wilhelminakanaal, waaronder de Oranjepolder, missen de verre uitzichten wegens dominante structuren op de achtergrond of dichterbij in het blikveld, o.a. de bebouwingsrand van Dommelbergen, de waterzuiveringsinstallatie en het Wilhelminakanaal.
3.3
Motivering locatiekeuze Energiepark A59
Een Energiepark met het voorgestelde ontwerp kan op deze plek in de Oranjepolder goed landschappelijk worden ingepast. Het zonnepark kan worden ingeklemd tussen de Rijksweg A59, de Statendamweg, het Kromgat en de rioolwaterzuiveringsinstallatie Dongemond (RWZI Dongemond). Voor deze plek is gekozen omdat het zonnepark ingesloten en verdiept ligt tussen infrastructuur, het bedrijventerrein Weststad III, het Wilhelminakanaal, de A59 en de RZWI Dongemond. Hiermee kan er een goede overgang ontstaan tussen infrastructuur en stedelijk gebied en het oostelijk gelegen natuurlijk landschap. Aan het benoemen van de Oranjepolder als locatie voor het Energiepark A59 als geheel gaat een lange geschiedenis vooraf. Het Rijk en het InterProvinciaal Overleg (IPO) namens de provincies hebben begin 2013 afspraken gemaakt over het opstellen van 6.000 MW ‘Wind op land 2020’ en de verdeling van deze windopgave over de provincies. De Provincie Noord-Brabant heeft hierin een aandeel van 470,5 MW. In het Nationaal Energieakkoord (september 2013) is deze afspraak overgenomen door alle partijen. Per 1 januari
Mees Ruimte & Milieu | 18196
Pagina | 30
2015 hebben alle provincies de ruimte voor windenergie op land in ruimtelijke plannen vastgelegd. De provincies richten zich daarna op de gebiedsinpassing en vergunningverlening. De opgave voor windenergie voor Oosterhout is onderdeel van de afspraken ‘Wind op land’ die in 2013 tussen provincies en het Rijk gemaakt zijn. Voor het plaatsen van een windpark zijn regels en voorwaarden gesteld. Door het Rijk zijn bijvoorbeeld richtlijnen afgegeven voor zoekgebieden voor de productie van energie uit zon en wind. Deze gebieden moeten zoveel mogelijk worden gecombineerd met bestaande infrastructuur. Windmolens zijn daarnaast gebonden aan wettelijke normen voor geluidshinder, radarverstoringen en slagschaduw, en aan overige wet- en regelgeving bijvoorbeeld op het gebied van veiligheid en natuur(bescherming). Als laatste moet het realiseren van de windmolens technisch mogelijk zijn en zijn beschikbare locaties afhankelijk van medewerking door grondeigenaren. Uiteindelijk zijn als mogelijke locatie voor de afspraken met de provincie twee locaties in beeld geweest; de Oranjepolder (Energiepark A59) en Industrieterrein Vijf Eiken. Deze laatste locatie is in die periode afgevallen vanwege de mogelijke radarverstoringen op het vliegverkeer die de windmolens daar zouden kunnen veroorzaken.
De locatie Oranjepolder is geschikt bevonden omdat op deze locatie kan worden voldaan aan richtlijnen en wet- en regelgeving en een goede ruimtelijke ordening. De windturbines in het Energiepark komen tevens te staan in het verlengde en nabijheid van de al aanwezige windturbines op Weststad en grootschalige bedrijventerreinen en bij bestaande infrastructuur als de A59. Bij het vaststellen van de ‘Routekaart Energietransitie 2019-2022’ is uitgebreid gesproken over grootschalige energieopwekking met zonneweiden. De gemeenteraad heeft aangegeven in het kader van zorgvuldig ruimtegebruik zo min mogelijk (landbouw)gronden te willen benutten voor grootschalige zonneparken. Om die reden zijn, op voorstel van het College, slechts twee locaties benoemd als geschikt voor grootschalige zonneparken. In 2018 zijn 16 locaties, door marktpartijen aangedragen, voor de grootschalige productie van duurzame energie met zonnepanelen in de gemeente Oosterhout beoordeeld. Daarvan lagen er 11 rondom Oosteind (zes langs A27, drie ten noorden en drie ten zuiden van Oosteind), drie ten westen van Dorst, en één ten noorden van Oosterhout (Oranjepolder, Energiepark A59). Al deze locaties zijn intern afgewogen op mogelijke effecten op de omgeving (onder meer gevolgen voor natuur, water, ruimtelijke ordening en historische betekenis).
Ook zijn in deze beoordeling de richtlijnen van het Rijk betrokken dat deze locaties zoveel mogelijk moeten worden gecombineerd met bestaande infrastructuur. Bij de Bavelse Berg is dat de A27, voor Oranjepolder zijn dat Weststad, de A59 en het Wilhelminakanaal. Zowel het gebied van het Energiepark A59, als dat van de Bavelse Berg, worden extensief gebruikt (agrarisch gebruik) en liggen op ruime afstand van woningen. Besloten is daarom door het gemeentebestuur de twee locaties Oranjepolder en Bavelse Berg in de Routekaart energietransitie te benoemen als geschikte locaties voor grootschalige opwekking van zonne-energie.
Mees Ruimte & Milieu | 18196
Pagina | 31
4
Beleidskaders
4.1
Mondiaal en Europees beleid
4.1.1
Klimaatconferentie Parijs 2015
In december 2015 zijn (onder auspiciën van de Verenigde Naties) op de eenentwintigste klimaatconferentie in Parijs (COP21) 195 landen akkoord gegaan met een nieuw klimaatverdrag dat de uitstoot van broeikasgassen moet terugdringen. De Europese Unie heeft dit verdrag ook mede ondertekend. Hieronder de belangrijkste punten uit het akkoord: de gemiddelde temperatuur op de aarde mag niet meer dan 2 graden Celsius stijgen. Landen streven er naar de temperatuurstijging zelfs te limiteren tot maximaal 1,5 graden Celsius; de partijen zullen zo snel mogelijk hun best doen om de uitstoot van broeikasgassen en schadelijke stoffen te verminderen in combinatie met de beschikbare techniek van dat moment. Daarbij wordt rekening gehouden met verschillen tussen landen; er is extra inzet nodig om negatieve gevolgen van klimaatverandering aan te pakken en de hoeveelheid broeikasgassen terug te brengen zonder dat dit de voedselproductie in gevaar brengt; alle partijen moeten financieel bijdragen aan het verlagen van de hoeveelheid broeikasgassen en onderzoek doen naar klimaatbestendige ontwikkelingen; het verdrag is bindend en de landen verplichten zich het na te leven. 4.1.2
Europese doelstelling
Het Europese doel voor 2020 is om 20% van het totale energieverbruik duurzaam te realiseren, voor Nederland is dit vertaald in een doel van 14% in 2020. Dit is vastgelegd in de EU-richtlijn 2009/28/EG (2009). In juni 2011 presenteerde de EU de "Energieroutekaart 2050" als doorkijk naar 2050 en de in tussentijd te nemen stappen om te komen tot een verdere verduurzaming van de energiemarkt en een verdere CO2-reductie (80-95%). De EU-landen hebben in 2014 overeenstemming bereikt met betrekking tot een nieuwe duurzame energie doelstelling. In 2030 moet tenminste 32% van het energieverbruik van de Europese Unie duurzaam zijn opgewekt. Op 14 juni 2018 is er politieke overeenstemming bereikt waarin een bindende doelstelling ten aanzien van duurzame energieopwekking is vastgelegd.
4.2
Rijksbeleid
4.2.1 Nationale Omgevingsvisie Per 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie vastgesteld. Hierin zijn de kaders van het nieuwe rijksbeleid opgenomen. In het kader van de nahangprocedure kunnen in de Nationale omgevingsvisie nog opmerkingen en wensen van de Tweede Kamer worden verwerkt. Deze Omgevingsvisie vervangt de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2012). De NOVI is een instrument van de nieuwe Omgevingswet en loopt vooruit op de inwerkingtreding van die wet. Vanwege het uitstel van de inwerkingtreding van de Omgevingswet komt de NOVI als structuurvisie uit onder de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Zodra de Omgevingswet in werking is getreden, zal deze structuurvisie gelden als de Nationale Omgevingsvisie, zoals in de nieuwe wet bedoeld. In de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) wordt door het Rijk een langetermijnvisie gegeven op de toekomstige ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De NOVI bestaat uit een visie, toelichting en uitvoeringsagenda. De combinatie van deze drie documenten zorgt voor een toetsing die leidt tot nationale strategische keuzes en gebiedsgericht maatwerk.
Mees Ruimte & Milieu | 18196
Pagina | 32
figuur 15. Afwegen met de NOVI. (Bron: Nationale Omgevingsvisie)
De NOVI beschrijft een toekomstperspectief met de ambities: wat willen we bereiken? Vervolgens worden de 21 nationale belangen in de fysieke leefomgeving en de daaruit voortkomende opgaven beschreven. Die opgaven zijn in feite het verschil tussen de ambitie en de huidige situatie en verwachte ontwikkelingen. De vier prioriteiten De Uitvoeringsagenda beschrijft de vier prioriteiten. De opgaven uit de toelichting kunnen veelal niet apart van elkaar worden aangepakt. Als een samenhangende, integrale aanpak nodig is, over de sectoren heen, vraagt dit een andere inzet. De samenhang tussen opgaven manifesteert zich rond vier prioriteiten. 1. 2. 3. 4.
Ruimte voor klimaatadaptie en energietransitie Duurzaam economisch groeipotentieel Sterke en gezonde steden en regio’s Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied
Drie afwegingsprincipes Het doel van de Omgevingswet is het bereiken van een balans tussen: ‘(a) het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit en (b) doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften’. Beschermen en ontwikkelen sluiten elkaar niet per definitie uit en kunnen elkaar zelfs versterken. Echter, gaan beschermen en ontwikkelen niet altijd en overal zonder meer samen en zijn soms echt onverenigbaar. Een optimale balans tussen deze twee vergt steeds een zorgvuldige afweging en prioritering van ongelijksoortige belangen. Om dit afwegingsproces en de omgeving inclusieve benadering richting te geven, is in de NOVI een drietal afwegingsprincipes geformuleerd: 1. Combineren boven enkelvoudig 2. Kenmerken & identiteit 3. Afwentelen voorkomen Relatie tot ontwikkeling De ontwikkeling voorziet in de realisatie van duurzame energievoorziening voor de gemeente Almelo. Duurzame energie vormt een van de 21 nationale belangen zoals verwoord in het NOVI: “Realiseren van een betrouwbare, betaalbare en veilige energievoorziening, die in 2050 CO2-arm is, en de daarvoor benodigde hoofdinfrastructuur”.
De rol van het Rijk uit zich onder meer in het vastleggen van doelstellingen voor de reductie van broeikasgassen en het stellen van voorwaarden en aanwijzen van gebieden voor energie-activiteiten, na afweging met andere belangen. De uiteindelijke uitvoering van projecten die gezamenlijk beantwoorden aan de landelijke doelstellingen op het gebied van energietransitie en CO2-reductie, is aan gemeenten, RES-
Mees Ruimte & Milieu | 18196
Pagina | 33
regio’s en provincies. Alleen wanneer een ontwikkeling zodanig van omvang is dat deze op grond van de Elektriciteitswet 1998 wordt aangemerkt als grootschalige ontwikkeling van nationaal belang, dient het Rijk aan te haken en is een Rijksinpassingsplan noodzakelijk. Hiervan is bijvoorbeeld sprake indien met een zonnepark een opgesteld vermogen van 50 MW of meer wordt gerealiseerd. Conclusie Het beoogde initiatief draagt bij aan de verwezenlijking van het nationale belang ten aanzien van de energietransitie. Gelet op het vermogen van onderhavige productie-installatie wordt de grens van 50 MW niet overschreden. Vanuit het decentralisatieprincipe wordt door de decentrale overheden verdere invulling aan het beleid gegeven. Dit beleid wordt in de navolgende paragrafen behandeld. 4.2.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening en Regeling algemene regels ruimtelijke ordening Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) geeft de juridische kaders die nodig zijn om het vigerend ruimtelijk rijksbeleid te borgen en legt daarmee nationale ruimtelijke belangen vast. De ruimtelijke onderwerpen van nationaal belang zijn daardoor beperkt. Het bevat regels die de beleidsruimte van andere overheden ten aanzien van de inhoud van ruimtelijke plannen inperken, daar waar nationale belangen dat noodzakelijk maken.
In hoofdstuk 2 van het Barro is, om de nationale belangen te beschermen per onderwerp (één onderwerp per titel) aangegeven welke beperkingen er per welk (ruimtelijk) gebied gelden. Verschillende onderwerpen uit het Barro zijn nader uitgewerkt in de Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro). De verschillende nationale belangen en een toets van de ontwikkeling aan die belangen, is opgenomen in onderstaande tabel. tabel 1.
Toets aan Barro/Rarro
Titel 2.1
Nationaal belang Rijksvaarwegen
2.2 2.3
Project Mainportontwikkeling Rotterdam Kustfundament
2.4
Grote rivieren
2.5
Waddenzee en waddengebied
2.6
Defensie
Mees Ruimte & Milieu | 18196
Relatie tot ontwikkeling Het westelijk gelegen Wilhelminakanaal betreft een Rijksvaarweg. Ten noorden van het projectgebied, op ruim 3,5 km afstand ligt de Amer, uitmondend in de Bergsche Maas. Via de Amertak, bereikt men in zuidelijke richting het Wilhelminakanaal, dat langs Oosterhout richting Dongen vaart. Langs al deze vaarwegen zijn vrijwaringszones opgenomen. Voor de vrijwaringszones langs het Wilhelminakanaal zijn de CEMT-klassen van belang. De breedte van de vrijwaringszone is afhankelijk van die classificatie. Voor het deel dat langs Oosterhout ligt, geldt klasse IV. Dit betekent dat een vrijwaringszone van 25 meter aan weerszijden van de vaarweg van toepassing is. Het projectgebied ligt op ruim 75 meter vanaf de vaarweg. Het Barro legt daarmee geen restricties op aan de ontwikkeling van het zonnepark langs deze vaarweg. Het projectgebied maakt geen deel uit van het project Mainportontwikkeling in Rotterdam. Het projectgebied is niet gelegen binnen gebieden aangewezen als kustfundament. Het kustfundament betreft uitsluitend de gehele westkust van Nederland. De projectlocatie is niet gelegen in of nabij een van de grote rivieren. De Volkerak ligt op een afstand van ca. 28 kilometer ten westen van het projectgebied. Ten noorden ligt de Bergsche Maas. De Bergsche Maas is aangewezen als reserveringsgebied voor de lange termijn voor de Maas.
De projectlocatie ligt op ruim 3,5 kilometer ten opzichte van het projectgebied. Titel 2.4 is daarom niet van toepassing. Het projectgebied maakt geen deel uit van het waddengebied en ligt niet in of nabij de Waddenzee. Deze titel is niet van toepassing op het project. In titel 2.6 van het Barro is bepaald dat bij ministeriële regeling verschillende militaire terreinen, gebieden, objecten en zones worden aangewezen, waar bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening mee gehouden moet worden. In de Regeling algemene regels
Pagina | 34
2.7
Hoofdwegen en landelijke spoorwegen
2.8
Elektriciteitsvoorziening
2.9
Buisleidingen van nationaal belang
2.10
Natuurnetwerk Nederland
2.11
Primaire waterkeringen buiten het kustfundament
2.12
IJsselmeergebied
2.13
Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde
ruimtelijke ordening (Rarro) is daar uitvoering aan gegeven. Voor Oosterhout geldt dat op de Vrachelse Heide een oefenterrein van Defensie is gesitueerd. Daarnaast ligt een deel van Oosterhout binnen de geluidszones van de militaire vliegbasis Gilze-Rijen en ligt de gehele gemeente binnen een radarverstoringsgebied. Geen van deze onderwerpen vormen echter een belemmering of leveren extra beperkingen op aan de ontwikkeling van het zonnepark op Energiepark A59. De projectlocatie wordt deels begrensd door de A59. Aan de overzijde van het Wilhelminakanaal ligt daarnaast een spoorweg. De A59 is een weg van nationaal belang (Rijksweg). In het Rarro zijn gebieden reserveringsgebieden aangewezen ten behoeve van de mogelijke uitbreiding van hoofdwegen en spoorwegen, of de aanleg van nieuwe. Het projectgebied is niet gelegen ter plaatse een dergelijk reserveringsgebied. In het Barro worden vestigingsplaatsen aangewezen ten behoeve van de realisatie van grootschalige elektriciteitsopwekking. Grootschalige elektriciteitsopwekking vindt plaats wanneer sprake is van een vermogen van ten minste 500 MW. De projectlocatie is niet gelegen ter plaatse van een van de vestigingsplaatsen, waardoor het zonnepark de toekomstige ontwikkeling van een grootschalige elektriciteitsvoorziening niet belemmert.
Daarnaast betreft het project niet de realisatie van een elektriciteitsvoorziening met een (al dan niet gezamenlijk) vermogen van 500 MW, zodat niet wordt geraakt aan het nationale belang. Het projectgebied wordt doorkruist door een rioolpersleiding van het Waterschap Brabantse Delta. In de omgeving van het projectgebied liggen ook enkele buisleidingen. Deze leidingen zijn niet aangewezen als buisleiding van nationaal belang. Wel ligt globaal ten zuiden van het projectgebied, op een afstand van ca. 700 meter, een tracé in het kader van de nationale ‘Structuurvisie buisleidingen 2012 – 2035’. Hier is sprake van buisleidingen van nationaal belang. Gelet op de aard van de ontwikkeling en de ruime afstand tot dit tracé, is geen sprake van een negatief effect op de buisleiding(en). Op grond van het Barro dienen provincies gebieden aan te wijzen die het Natuurnetwerk Nederland vormen. De provincie NoordBrabant hanteert hiertoe de term Natuurnetwerk Brabant NNB). Het NNB wordt besproken in zowel de provinciale beleidsparagraaf (4.3.4) als in paragraaf 5.11 met betrekking tot natuur. Van negatieve effecten is geen sprake. De projectlocatie overlapt voor een deel met de beschermingszones van in de nabijheid gelegen waterkeringen. Het gaat hier echter niet om primaire waterkeringen buiten het kustfundament. Dit onderwerp is daarmee niet van toepassing op dit project.
De ontwikkeling vindt niet plaats in of in de nabijheid van het IJsselmeergebied, of binnen de gronden die zijn aangewezen als uitbreiding van het IJsselmeergebied. Dit onderdeel is niet van toepassing. Van erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde, zoals de Stelling van Amsterdam of de Nieuwe Hollandse Waterlinie is geen sprake. Dit onderdeel is niet van toepassing op het project.
Relatie tot ontwikkeling Het Barro legt geen restricties op voor de locatie waar de ontwikkeling wordt voorzien. 4.2.3 Besluit ruimtelijke ordening (Bro) Het Bro stelt vanuit de Rijksverantwoordelijkheid voor een goed systeem van ruimtelijke ordening juridische kaders aan de processen van ruimtelijke belangenafweging en besluitvorming bij de verschillende
Mees Ruimte & Milieu | 18196
Pagina | 35
overheden. Onderwerpen zoals Ladder voor duurzame verstedelijking en de proceseisen voor goed ontwerp, aandacht voor de waterhuishouding (watertoets), het milieu en het cultureel erfgoed zijn allen geborgd in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). De relevante onderwerpen voor onderhavig project worden behandeld in hoofdstuk 5, waarin de ruimtelijke en milieutechnische aspecten worden behandeld in het overkoepelende hoofdstuk Omgevingsaspecten. Voor de Ladder voor duurzame verstedelijking geldt het volgende. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (Raad van State) blijkt dat voor de aanleg van een zonnepark het doorlopen van de Ladder voor duurzame verstedelijking niet nodig is. Dit omdat de ontwikkeling van een zonnepark niet als stedelijke ontwikkeling wordt getypeerd. Daarbij neemt de Raad van State in aanmerking dat een zonnepark zich bij uitstek niet goed leent voor realisatie binnen bestaand stedelijk gebied. Wanneer de Ladder van toepassing zou zijn op dergelijke ontwikkelingen, zou dit betekenen dat het bevoegd gezag telkens opnieuw dient te motiveren waarom de ontwikkeling niet binnenstedelijk plaats kan vinden. Dat is in het geval van een initiatief zoals voorliggende ontwikkeling, niet logisch. De Ladder voor duurzame verstedelijking hoeft daarom niet doorlopen te worden.
Verwezen wordt naar de uitspraak van 23 januari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:178. De nut en noodzaak van het project zal evenwel blijken uit de navolgende beleidsparagrafen. 4.2.4
Energieakkoord voor duurzame groei
In 2013 hebben in totaal 47 veertig organisaties, waaronder de overheid, werkgevers, vakbeweging, natuuren milieuorganisaties, andere maatschappelijke organisaties en financiële instellingen zich verbonden aan het Energieakkoord voor duurzame groei. Daarin is vastgelegd dat in 2020 14% van alle energie duurzaam moet zijn opgewekt met een verdere stijging van dit aandeel naar 16% in 2023. In het akkoord zijn tien pijlers opgenomen die moeten leiden tot een duurzame energieopwekking. Het opschalen van hernieuwbare energieopwekking vormt als tweede pijler onderdeel van het programma. Het versnellen van de productie is nodig omdat Nederland met een aandeel van 4% achterloopt op de rest van Europa. Een intensieve inzet op verschillende bronnen van hernieuwbare opwekking is daarom noodzakelijk. De lokale opwekking van energie, zoals zonne-energie, vormt daarbij één van de mogelijkheden, die eventueel gecombineerd kan worden ingezet met andere vormen van energieopwekking. Relatie tot ontwikkeling Het beoogde zonnepark maakt onderdeel uit van het Energiepark Oranjepolder, waarin de toepassing van zonne- en windenergie gecombineerd worden ingezet. Met de productie van ca. 49,5 MWp op jaarbasis (onderdeel zon), kunnen ongeveer 17.000 huishoudens worden voorzien van duurzame stroom. Dit vormt ongeveer twee derde van alle inwoners van Oosterhout.
Het zonnepark draagt daarom bij aan de doelstellingen de energieproductie op te schalen. 4.2.5
Energierapport 2016 Ministerie van Economische Zaken en Klimaat
Vanuit het Klimaatakkoord van Parijs is op mondiaal niveau afgesproken dat vanaf 2050 sprake moet zijn van klimaatneutraliteit. Dat betekent dat er een balans moet zijn tussen de uitstoot en vastlegging van broeikassen. Gelet daarop is het nodig de nodige inspanningen te leveren de Europese afspraken voor 2020, 2030 en 2050 na te leveren, evenals de afspraken uit het hiervoor besproken Energieakkoord. Het Energierapport geeft daarom een integrale visie op de toekomstige energievoorziening van Nederland en geeft aan dat Nederland de broeikasgassen drastisch terug dient te dringen. De Nederlandse energiehuishouding moet duurzamer en minder afhankelijk worden van eindige fossiele brandstoffen. Het kabinet wil onder meer de uitstoot van broeikasgassen in 2050 met 80-95% terugdringen op Europees niveau. Op dit moment is Nederland voor onze energievoorziening nog voor bijna 95% afhankelijk van fossiele brandstoffen. De energietransitie heeft alleen kans van slagen als vroegtijdig en zorgvuldig het gesprek wordt aangegaan met burgers, bedrijven en maatschappelijke organisaties over de ruimtelijke inpassing van productie, opslag en transport van energie. Zoveel als mogelijk moet gezamenlijk de afweging plaatsvinden tussen de bijdrage
Mees Ruimte & Milieu | 18196
Pagina | 36
van een initiatief aan de energievoorziening en de overlast of risico's die dit voor omwonenden met zich meebrengt. Dit wordt de ‘energiedialoog’ genoemd. Relatie tot ontwikkeling Binnen Energiepark A59 wordt een zonnepark opgericht dat met een oppervlakte van ca. 37 ha een opgesteld vermogen realiseert van ca. 49,5 MWp. De daarmee op te wekken duurzame energie levert een CO2-reductie van ongeveer 28.000 ton op jaarbasis op. Daarmee wordt een bijdrage geleverd aan het terugdringen van de CO2-uitstoot. Het genoemde energiedialoog vindt in dit geval plaats middels een omgevingsdialoog. Deze vorm van participatie heeft parallel aan het proces van planontwikkeling plaatsgevonden. Verwezen wordt naar hoofdstuk 5, waar onder andere de maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan wordt gemotiveerd. Ook de resultaten uit het omgevingsdialoog komen hierin aan bod. 4.2.6
Nationaal Klimaatakkoord
Om de doelen te halen die in het Klimaatakkoord van Parijs zijn afgesproken heeft Nederland gewerkt aan een nationaal Klimaatakkoord. In het Klimaatakkoord maken bedrijven, maatschappelijke organisaties en overheden concrete afspraken over de maatregelen waarmee de CO2-uitstoot in Nederland gehalveerd kan worden. Verschillende sectoren (sectortafels gebouwde omgeving, industrie, landbouw en landgebruik, mobiliteit en elektriciteit) denken mee over concrete plannen. Het centrale doel van het Klimaatakkoord is het terugdringen van de uitstoot van broeikasgassen in Nederland met ten minste 49% in 2030 ten opzichte van 1990, de verschillende sectoren (zoals gebouwde omgeving, mobiliteit, industrie, elektriciteit, landbouw en landgebruik) hebben hier hun eigen taak en rol in om dit gezamenlijk te bereiken. De productie van hernieuwbare energie moet vervijfvoudigen. Concreet wordt hierbij gestreefd naar het opschalen van de elektriciteitsproductie uit hernieuwbare bronnen tot 84 TWh (terawattuur). De productie wind op zee moet worden uitgebreid, maar ook de productie zon en wind op land. In de hoofdlijnen staat als doel beschreven dat in 2030 via windenergie en zonne-energie op land 35 TWh wordt gerealiseerd. Tevens wordt benadrukt dat de beschikbare ruimte zo efficiënt mogelijk benut moet worden door meervoudig ruimtegebruik.
Relatie tot ontwikkeling Met de realisatie van het zonnepark wordt de productie van zon op land verder uitgebreid. Met een vermogen van 49,5 MWp komt de productie weer een stapje dichterbij de noodzakelijke 35 TWh voor zonne-energie. Het park kent daarnaast een efficiënte benutting van de ruimte, doordat zonne- en windenergie gecombineerd worden ingezet. Het zonnepark houdt in de uitvoering en ontwikkeling rekening met de plaatsing van de windturbines van Eneco. Meervoudig ruimtegebruik is daarnaast ook terug te zien in de toe te passen maatregelen ter versterking van de biodiversiteit ter plaatse. De ontwikkeling is daarmee in lijn met het Nationaal Energieakkoord.
4.3
Provinciaal beleid
4.3.1
Energieagenda Noord-Brabant 2019 - 2030
De Energieagenda Noord-Brabant 2019-2030 (Energieagenda 2030) omschrijft de te varen koers ten aanzien van energietransitie vormt met enkele leidende principes de leidraad voor het handelen van de provincie. Dit met het doel om in 2050 in Brabant 100% duurzame energie en een reductie van 90% van de CO2-uitstoot ten opzichte van 1990 te bereiken. Hiervoor is, ook op weg naar 2030, een wezenlijke verandering noodzakelijk. Om flexibel te kunnen inspelen op veranderende omstandigheden en behoeften van partners, zet de provincie in op hoofdlijnen, en niet op een blauwdruk van projecten en maatregelen. Om de Brabantse energietransitie te realiseren, volgt de provincie de strategische lijnen die in de Energieagenda 2019-2030 zijn uitgezet:
Mees Ruimte & Milieu | 18196
Pagina | 37
1. mobiliseren van de samenleving 2. selectief en slim stimuleren van koplopers, en 3. slim integraal combineren. Deze strategische lijnen helpen om binnen 5 transitiepaden focus aan te brengen in de activiteiten die worden uitgevoerd. De transitiepaden zijn: 1. Elektriciteit 2. Industrie 3. Gebouwde omgeving 4. Landbouw 5. Mobiliteit Per transitiepad is aangegeven wat de huidige stand van zaken (2016) is en wat bereikt wordt in 2030 indien het Innovatieve Toekomstbeeld uit het Haalbaarheidsonderszoek 2018 (bijlage Energieagenda 2030) wordt gerealiseerd. Onder het transitiepad Elektriciteit wordt de transitie naar een CO2-vrij elektriciteitssysteem met duurzame opwekkingsmethoden van elektriciteit gerekend, met daaronder ook begrepen de transport en opslag daarvan. In het energiesysteem moeten verschillende bronnen, functies en locaties zo slim mogelijk gecombineerd worden. Dit vraagt om een elektriciteitsinfrastructuur die daarbij aansluit. Voor zonne-energie geldt dat de kansen in Brabant relatief positief zijn door de vele grote daken in de agrarische en logistieke sector en het omarmen van nieuwe technieken op het gebied van dunne film zonnetechnologie. Voor de beoogde opwek van elektriciteit levert een aanbod van 88 PJoule uit zon en wind tezamen.
Relatie tot ontwikkeling De realisatie van het zonnepark is in lijn met de Energieagenda 2030 en meer specifiek met het de doelen en te varen koers ten aanzien van het transitiepad Elektriciteit, waarbij toegewerkt wordt naar een CO2-vrij elektriciteitssysteem. De opbrengst vanuit het zonnepark leidt tot een CO2-reductie van ca. 28.000 ton op jaarbasis. Het vermogen bedraagt ca. 49,5 MWp. De ontwikkeling levert dan ook een bijdrage aan het behalen van de gestelde doelstellingen. 4.3.2
Omgevingsvisie Brabant
De provincie wil alvast gaan werken volgens de uitgangspunten van de nieuwe Omgevingswet. Daarom is in december 2018 de Omgevingsvisie ‘De kwaliteit van Brabant, Visie op de Brabantse leefomgeving’ vastgesteld. Deze Brabantse Omgevingsvisie is een samenhangende visie op de fysieke leefomgeving en bevat de belangrijkste ambities voor de fysieke leefomgeving voor de komende jaren. Dat gaat om ambities op het gebied van de energietransitie, een klimaatproof Brabant, Brabant als slimme netwerkstad en een concurrerende, duurzame economie. Sectorale beleidsdoelen maken (nog) geen onderdeel uit van de Omgevingsvisie. De Omgevingsvisie is opgenomen dat de provincie in 2050 100% energie neutraal is. De opgave ‘werken aan de Brabantse energietransitie’ staat daarmee centraal in de Omgevingsvisie. In 2050 zijn aardolie en aardgas vervlogen energiebronnen en gebruikt Brabant enkel duurzame energie. Het doel voor 2030 is ten minste 50% reductie van broeikasgassen ten opzichte van de uitstoot in 1990 en ten minste 50% duurzame energie. Voor verduurzaming van energie wil de provincie via een enorme groeispurt grootschalig gebruik maken van energie via win, zon, water en duurzame warmte. Daarbij wordt ernaar gestreefd dat deze energie grotendeels afkomstig is uit Noord-Brabant. Relatie tot ontwikkeling Het zonnepark kent als gevolg van de omvang en paneelopstelling een vermogen van 49,5 MWp.
Zoals aangegeven is dit onlosmakelijk verbonden met een significante CO2-reductie van zo’n 28.000 ton op jaarbasis. De met dit park op te wekken energie kan bovendien vergelijken worden met het verbruik van ca. 17.000 huishoudens, waarmee circa twee derde van de inwoners van Oosterhout gebruik kunnen maken van lokaal opgewekte stroom. De ontwikkeling is daarmee in lijn met de Omgevingsvisie Brabant.
Mees Ruimte & Milieu | 18196
Pagina | 38
4.3.3
Structuurvisie ruimtelijke ordening 2010 (partiële herzieningen 2014)
Op 19 maart 2014 trad de Structuurvisie ruimtelijke ordening 2014 in werking. Dit is een actualisatie van de visie die in 2010 werd vastgesteld. In de structuurvisie staat welke ruimtelijke doelen de provincie graag wil bereiken en op welke wijze. Hierin worden onder meer onderwerpen als duurzaamheid benoemd. De voor dit project meest relevante onderwerpen zijn: - ruimtelijke structuren; - duurzame energie. Ruimtelijke structuren De provincie bestaat uit een viertal ruimtelijke structuren. Voor elke structuur gelden specifieke doelstellingen, gericht op het behoud en versterking van de (kwaliteit van de) structuren. De projectlocatie maakt onderdeel uit van de ‘Groenblauwe mantel’ (verwezen wordt naar de toets aan de Interim Omgevingsverordening, paragraaf 3.2.4). Hiervoor gelden de doelen: 1. een positieve ontwikkeling van de biodiversiteit; 2. een robuuste en veerkrachtige structuur; 3. de natuurlijke basis en landschappelijke contrasten versterken; 4. de gebruikswaarde van natuur en water verbeteren. Duurzame energie De fossiele brandstoffen raken de komende decennia op. Daarom wordt het steeds belangrijker om alternatieven voor fossiele energiewinning te implementeren. Duurzame alternatieven zijn onder andere windenergie, warmtekrachtkoppeling, zonne-energie, biomassavergisting en geothermie.
Duurzame energie vormen van duurzame energie bieden op een veelheid van terreinen kansen, maar vragen om een goede ruimtelijke visie. De ontwikkeling en opwekking van duurzame energie van onder meer zonne-energie wordt door de provincie ondersteund. Concrete doelstellingen ten aanzien van het op te wekken vermogen aan zonne-energie zijn in de Structuurvisie niet opgenomen. Voor zonne-energie gelden wel een aantal voorwaarden, welke zijn opgenomen in de Interim Omgevingsverordening zoals besproken in de navolgende paragraaf. Relatie tot ontwikkeling Bij de ontwikkeling van het zonnepark zijn in het landschappelijk inpassingsplan gerichte keuzes gemaakt die leiden tot een versterking van de biodiversiteit ter plaatse. Daarmee wordt een bijdrage geleverd aan het eerste doel binnen de Groenblauwe mantel. Voor het overige is de ontwikkeling daarmee niet in strijd. Daarnaast wordt in lijn met de provinciale doelstellingen ten aanzien van duurzaamheid een transitie naar een duurzame en energieneutrale samenleving ingezet. Met de ontwikkeling kan immers een groot deel van de inwoners van Oosterhout worden voorzien van groene stroom. 4.3.4
Interim omgevingsverordening provincie Noord-Brabant
De Interim Omgevingsverordening is tot stand gekomen door de verschillende regelingen op provinciaal niveau over de fysieke leefomgeving samen te voegen. Dit betekent dat de regels betrekking hebben op milieu, natuur, ruimtelijke ordening, water, bodem en wegen. De Interim omgevingsverordening is daarbij een eerste stap op weg naar een omgevingsverordening, die op grond van de toekomstige Omgevingswet wordt vastgesteld en die verplicht is voor provincies. De interim omgevingsverordening is vastgesteld op 25 oktober 2019. De ontwikkeling is getoetst aan de algemene en ter plaatse geldende bepalingen. In de eerste plaats gelden een aantal algemene bepalingen ten aanzien van kwaliteit in het landschap als geheel. De projectlocatie zelf ligt daarnaast binnen het ‘Landelijk gebied’ en de ‘Groenblauwe mantel’. Tevens ligt de locatie gedeeltelijk in een gebied met de aanduiding ‘Reservering waterberging’ en grenst de locatie aan het ‘Natuurnetwerk Brabant’ en ‘Ecologische verbindingszone’. De afzonderlijke onderwerpen en bijbehorende kaarten worden hieronder achtereenvolgens besproken.
Mees Ruimte & Milieu | 18196
Pagina | 39
4.3.4.1
Algemene bepalingen ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit
Voor de locatie geldt dat de algemene regels voor de bevordering van de ruimtelijke kwaliteit van toepassing zijn. Wanneer een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk wordt gemaakt dient een toelichting op dat plan inzichtelijk te maken dat sprake is van behoud en verbetering van de ruimtelijke kwaliteit, waaronder in ieder geval een goede landschappelijke inpasbaarheid. Daarnaast moet sprake zijn van zorgvuldig ruimtegebruik. Dat houdt in dat ontwikkelingen buiten bestaand stedelijk gebied enkel binnen een bestaand bouwperceel kunnen worden gerealiseerd (verbod op nieuwvestiging), tenzij uitdrukkelijk anders bepaald. Wanneer een ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied wordt mogelijk gemaakt, dient de ontwikkeling bovendien gepaard te gaan met een fysieke verbetering van de aanwezige of potentiële kwaliteiten van bodem, water, natuur, landschap, cultuurhistorie of van extensieve recreatieve mogelijkheden van het gebied of de omgeving. Omdat uiteindelijk een Energiepark als geheel wordt beoogd, dient vanuit het oogpunt van ruimtelijke kwaliteit zon en wind in samenhang te worden beschouwd. Feit is dat windmolens landschappelijk gezien moeilijk te ‘verstoppen’ zijn en daardoor landschappelijk moeilijk in te passen.
De keuze ten aanzien van de situering van de windturbines is van meerdere factoren afhankelijk, het zonnepark kan bij plaatsing van windturbines daaromheen worden ontworpen. In hoofdstuk 2 en 3 van deze ruimtelijke onderbouwing is ingegaan op het projectplan en de locatieomschrijving, waarin onder andere de locatiekeuze aan bod is gekomen. Onderdeel van de planomschrijving is daarnaast de behandeling van het landschappelijk inpassingsplan, waarin rekening is gehouden met een scenario met en een scenario zonder wind. In paragraaf 2.4 is ingegaan op de beoogde kwaliteitsverbetering van het landschap. In overleg tussen de initiatiefnemers van zon en wind en de gemeente, vindt hiervan in de komende periode een nadere uitwerking plaats. Diverse ingrepen die in het gebied worden voorzien leiden als onderdeel van de landschappelijke inpassing tevens in een kwaliteitsverbetering van het landschap. In de plannen is rekening gehouden met de bestaande kwaliteiten en structuren van het landschap en zijn deze waar mogelijk in het ontwerp geïntegreerd en op die manier versterkt. De bestaande percelen en watergangen worden gerespecteerd en in stand gehouden, waardoor deze inrichting van het landschap gehandhaafd blijft en extra benadrukt wordt. Aan zowel de Statendamweg als langs het Kromgat komt een groene zone.
Het oostelijke recreatieve fietspad langs het Kromgat wordt zorgvuldig ingepast, zodat eventueel verlies aan langere zichtlijnen worden gecompenseerd door kleinschalige natuurbeleving. Daarnaast is door de gekozen opzet en het gebruik van materialen in het landschap sprake van een verbetering van de biodiversiteit ter plaatse en resulteert het plan in versterking van de ecologische structuur. De groenzone langs het fietspad wordt zeer gevarieerd ingericht met bloemrijk hooiland, meidoornhagen en gemengd struweel. Hierdoor zal veel kleinschalige natuur te beleven zijn zoals bloemen, bijen, vlinders en vogels. De maatregelen ten behoeve van de landschappelijke inpassing dienen daarmee tevens als investering in de kwaliteitsverbetering van het landschap. Conform de ‘Gedragscode Zon op Land’ van Holland Solar, wordt daarbij een percentage van de gronden vrijgehouden van panelen en andere (technische) componenten van het zonnepark. Daarbij geldt dat de gedragscode 25% vrije ruimte voorschrijft, terwijl in dit plan ongeveer 38% van het plangebied wordt vrijgehouden. Daarmee wordt ruimschoots voldaan aan de gedragscode en worden extra investeringen gedaan ten opzichte van de basisinspanning. De gronden worden ingezet voor de in hoofdstuk 2 beschreven landschappelijke inpassing en de daarmee samenhangende verbetering van het landschap en de biodiversiteit. 4.3.4.2
Structuur Groenblauwe mantel
De projectlocatie maakt deel uit van het landelijk gebied en de structuur ‘Groenblauwe mantel’. Een en ander is te zien op figuur 15. De projectlocatie is aangeduid in het rood.
Mees Ruimte & Milieu | 18196
Pagina | 40
figuur 15.
Uitsnede kaartmateriaal Interim Omgevingsverordening
In de Interim Omgevingsverordening zijn specifieke regels opgenomen voor de landschappelijke kwaliteiten van de Groenblauwe mantel. Daarnaast is een bepaling opgenomen waarin de voorwaarden te vinden zijn voor de realisatie van zonneparken in landelijk gebied. Het betreft de artikelen 3.32 en 3.41. Vanuit de kwaliteiten van de Groenblauwe mantel dient een beschrijving van de ecologische waarden en kenmerken van de landschappelijke waarden te worden gegeven. De landschappelijke kenmerken van de locatie zijn reeds omschreven in paragraaf 3.2. Uit de behandeling van het projectplan, specifiek in paragraaf 2.4 tot en met 2.6, blijkt hoe de belangrijke waarden in het gebied worden gerespecteerd en versterkt. Ecologie tot slot, wordt beschreven in paragraaf 5.11. Verwezen wordt naar de betreffende paragrafen. Volledigheidshalve wordt hier vermeld dat de waarden, zowel landschappelijke als ecologische, behouden blijven en met het gekozen ontwerp van het park worden versterkt. De ontwikkeling is daarmee in lijn met de regels uit de Interim Omgevingsverordening. 4.3.4.3
Zonneparken in landelijk gebied
De omgevingsverordening voorziet tot slot ook in een bepaling ten aanzien van zonneparken in het landelijk gebied. Artikel 3.41 geeft de voorwaarden waaraan dient te worden voldaan om provinciale medewerking te verkrijgen. Op de voorwaarden wordt hierna ingegaan. Onderbouwing behoefte en noodzaak De behoefte aan de ontwikkeling blijkt uit het relevante beleid vanuit de verschillende bestuurslagen op het gebied van duurzaamheid en de noodzakelijke energietransitie. Het belangrijkste doel van het Klimaatakkoord van het Rijk is de CO2-uitstoot in 2030 met 49% te verminderen vergeleken met 1990. Uiteindelijk moet de uitstoot in Nederland in 2050 omlaag met 90% of meer. In het Klimaatakkoord zijn landelijk afspraken gemaakt over de wijze waarop deze doelstellingen bereikt moeten worden. Een van de belangrijkste pijlers van dit Klimaatakkoord betreft de transitie van fossiele naar duurzame energie. Voor de sectoren gebouwde omgeving, elektriciteit, mobiliteit, industrie en landbouw zijn afspraken gemaakt hoe deze gaan bijdragen aan de CO2-reductie. Eén van de afspraken in het Klimaatakkoord voor de sector Elektriciteit is dat 30 energieregio’s in Nederland onderzoeken waar en hoe duurzame elektriciteit op land (wind en zon) opgewekt kan worden.
De Regionale Energiestrategie (RES) beschrijft regionale keuzes voor de grootschalige opwekking van duurzame energie en de warmtetransitie in de gebouwde omgeving. In de RES beschrijft elke regio zijn eigen keuzes. Voor de regio West-Brabant zijn deze keuzes vastgelegd in de concept RES welke op 20 mei 2020 door de gemeenteraad is aangenomen. In de concept RES West-
Mees Ruimte & Milieu | 18196
Pagina | 41
Brabant is regionale afstemming bereikt over de invulling van de bijdrage die deze regio moet leveren aan de realisatie van de landelijke hoofddoelstelling. Iedere regio dient een bod te doen aan het Rijk. Dit dient in totaal op te tellen tot de landelijke doelstelling voor het opwekken van 35 TeraWattuur (TWh) duurzame energie in 2030. Het regionale bod voor West-Brabant is bepaald op 2,0 TWh aan gangbare technieken (zon/wind) en 0,2 TWh aan innovatieve technieken. Deze regionale opgave is onderverdeeld naar een opgave per gemeente. Voor de gemeente Oosterhout komt deze opgave neer op 0,192 TWh ofwel 192 Gigawattuur (GW) tot 2030. De gemeentelijke ambities vallen grofweg uiteen in ambities met betrekking tot het besparen van energie en ambities op het gebied van het opwekken van energie. Het totale elektriciteitsverbruik in Oosterhout is 368 GWh/jaar. Daarvan moet in 2030 al 49% hernieuwbaar worden opgewekt, wat overeenkomt met 192 GWh. Voor energiebesparing heeft de gemeente zich ten doel gesteld in 2050 ruim 30% besparing te realiseren ten opzichte van het huidig gebruik in Oosterhout (peildatum 2017). In het document ‘Ambities voor de energietransitie Oosterhout 2030’ en de bijbehorende ‘Routekaart energietransitie 2019-2022’ zijn deze ambities verder uitgewerkt.
In de ‘Routekaart energietransitie 2019-2022’ zijn de concrete projecten opgenomen waarmee de gemeente deze ambities gaat realiseren tot en met 2022. Over het Energiepark is in de ‘Routekaart Energietransitie 2019-2022’ het volgende opgenomen: ‘In samenwerking met de grondeigenaren, Shell en Eneco gaan we langs de A59 3 tot 4 windturbines plaatsen (Oranjepolder).’ En: ‘Hoewel het uitgangspunt is dat eerst zonnepanelen op daken van bedrijven en woningen worden geplaatst, biedt het plaatsen van ca 29 hectare aan zonnepanelen op deze locatie een unieke mogelijkheid om de ambitie tot 2022 in één keer te realiseren. Door dit op dezelfde locatie te combineren (met een zonneweide) ontstaat er een Energiepark.’ Het Energiepark A59 zal in totaal een jaarlijkse opbrengst van circa 88 GWh krijgen. Daarmee kunnen, ter vergelijking, ruim 30.000 huishoudens per jaar van duurzame elektriciteit worden voorzien. Het totale oppervlak van het zonnepark beslaat circa 37 hectare. Van dit totale oppervlak zal een deel worden gebruikt voor aanleg van infrastructuur en landschappelijke inpassing. Naast de beoogde realisatie van het Energiepark A59 en het beoogde zonnepark aan de Bavelse Berg, stimuleren Oosterhout met het project ‘Zon op Bedrijfsdaken’ ondernemers om zonnepanelen te gaan plaatsen. Zon op Bedrijfsdaken (54 GWh) levert uiteindelijk ook een bijdrage van ca.
30% aan de duurzame energieproductie van Oosterhout. Een inventarisatie van de rijksoverheid geeft aan dat per gemeente ca. 25% van de industriedaken geschikt zijn voor Zon op Bedrijfsdaken. In Oosterhout zijn ruim 650 daken groter dan 1.000 m2 aanwezig met een gezamenlijk oppervlak van ca. 200 hectare. (2 miljoen m2). Met het nuttig oppervlak van 40 hectare kan 54 GW energie worden opgewekt. Dat is de beoogde ca. 30% van de opgave voor 2030. Daarvoor zijn ruim 125.000 zonnepanelen nodig. Het Energiepark A59 (deels) laten vervallen en vervangen door zon op bedrijfsdaken is technisch niet haalbaar voor 2030. Immers, dit zou betekenen dat bovenop de ambitie van 40 ha nog circa 65 ha daken gevonden moet worden waar 200.000 extra zonnepanelen op bedrijfsdaken moeten worden geplaatst. Bedrijven kunnen wettelijk niet worden verplicht zonnepanelen op hun daken te plaatsen. De huidige windmolens op Weststad zijn voor 95% van de tijd technisch beschikbaar. De windmolens draaien bij een windsnelheid tussen de 3,5 m/s en 25 m/s. Slechts 5% van de tijd is het park technisch niet beschikbaar, in onderhoud of wordt preventief stilgezet bij storm- en ijsrisico. Het park voldoet daarmee volledig aan de standaarden voor deze locatie, het windklimaat en de type turbines.
Vervanging of opwaardering (repoweren) van deze turbines is pas na 2023 aan de orde in verband met de geldende SDE-termijn van 15 jaar. De repowering van de windmolens leidt tot een verwachte extra opwekcapaciteit van 24 GWh. In Oosterhout is daarnaast ca. 10-15% van de circa 26.000 woningen voorzien van zonnepanelen, ca. 3.000 woningen. Uitgaande van gemiddeld 10 panelen per woning zijn er nu ca. 30.000 zonnepanelen geplaatst. Als het Energiepark A59 komt te vervallen en de zonnepanelen op de woningen moeten komen, dan zijn 200.000 extra zonnepanelen nodig. Dat betekent dat in 2030 globaal genomen 20.000 woningen extra met zonnepanelen moeten worden uitgerust. Dan zou 90% van alle woningen PV panelen hebben, dit is niet haalbaar voor 2030.