CConstaterende datOosterhout
Koppel je AI →
Document · PDF

Raadsvoorstel Bijlage 1 Zienswijzennotitie_004 (1000976)

Raadsvergadering 4 april 2023, gemeente OosterhoutBij agendapunt: Raadsvoorstel ZN1000976 Verklaring van geen bedenkingen Windpark A5920.348 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Het college vond dat zorgvuldigheid voor snelheid van de procedure ging. Besloten werd af te wachten hoe de Rijksoverheid om zou gaan met deze uitspraak. Ook vanuit het Rijk werd in 2021 na de uitspraak van de RvS over het Nevele-arrest deze inhoudelijke lijn omarmd. Echter, in het coalitieakkoord van het nieuwe kabinet Rutte IV is aangegeven dat werk gemaakt zou worden van afstandsnormen voor de bouw van windmolens op land. Dat maakte dat het college de pauzeknop ingedrukt hield. Op 16 mei 2022 heeft de staatssecretaris van I&W een brief aan de Tweede Kamer gestuurd met als titel ‘structuurvisie wind op land’. Hiermee informeert zij, mede namens de Minister voor Klimaat en Energie en de Minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening over de wijzigings-AMvB die inmiddels is vastgesteld en op 13 mei 2022 is gepubliceerd. In de wijzigings-AMvB wordt de reikwijdte van de windturbinebepalingen van het Activiteitenbesluit milieubeheer beperkt tot één of twee afzonderlijke windturbines. Ook de overeenkomstige regels in de Omgevingswet (in het Besluit activiteiten leefomgeving en het Besluit kwaliteit leefomgeving) worden beperkt tot één of twee afzonderlijke windturbines. Deze bepalingen gelden niet meer voor windturbineparken (drie of meer windturbines). De regelgeving is daarmee aangepast aan de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van 30 juni 2021.

Een overbruggingsregeling gaat vanaf 1 juli 2022 gelden voor nieuwe windparken (3 of meer windmolens). Hiermee biedt het Rijk duidelijkheid over de toe te passen normen voor het project windpark A59. Immers dat project omvat maar 2 windmolens en daarvoor blijven de bestaande normen in het Activiteitenbesluit dus van kracht. Ten behoeve van de toetsing van dit project moet de gemeente Oosterhout daarom uitgaan van de bestaande normen.

3

Staatsblad 2022, 181: Op 13 mei 2022, is het besluit van 3 mei 2022 tot wijziging van het Activiteitenbesluit milieubeheer en enkele besluiten op grond van de Omgevingswet in verband met jurisprudentie over windturbineparken (tijdelijke overbruggingsregeling windturbineparken) bekend gemaakt. Deze overbruggingsregeling bevat tijdelijke milieuregels voor bestaande windparken (vergund voor 30 juni 2021) naar aanleiding van de uitspraak windpark Delfzijl Zuid Uitbreiding. 4 Met toevoeging van de tijdelijke overbruggingsregeling windturbineparken (nieuwe paragraaf 3.2.3a) aan Activiteitenbesluit en -regeling is in de bestaande paragraaf 3.2.3, artikel 3.13 (artikel 3.11 in regeling) gewijzigd naar: “Deze paragraaf is van toepassing op het in werking hebben van een windturbine die geen deel uitmaakt van een windturbinepark”. Windturbinepark wordt in het Activiteitenbesluit gedefinieerd als “inrichting, bestaande uit ten minste drie windturbines”.

20

3.2.5 Geluid Een zorg die regelmatig uit de zienswijzen naar voren komt, is die over het mogelijke geluid van de windmolens. Reclamanten vrezen voor meer geluidsoverlast en mogelijk gezondheidsschade door laag frequent geluid. Daarbij wordt ook regelmatig gerefereerd aan de zorglocatie Kloosterhoeve die op ca. 1.060 meter afstand ligt van één van de windmolens. Op deze locatie worden patiënten met de ziekte van Huntington verzorgd. Gewezen wordt op het risico dat het (laagfrequent) geluid van de windturbines tot (extra) gezondheidsschade bij deze patiënten leidt. 3.2.5.1 Geluid algemeen Voor geluid wordt uitgegaan van de eerder beschreven (ruimtelijk aanvaardbare) norm van Lden 47 dB en Lnight van 41 dB op de buitengevel van gevoelige objecten. Dit is de hoeveelheid geluid die gemiddeld over een jaar buiten op de gevel van 'geluidsgevoelige objecten' mag ontstaan. Geluidsgevoelige objecten zijn bijvoorbeeld woningen, scholen, ziekenhuizen, verpleeghuizen, verzorgingshuizen, psychiatrische inrichtingen en kinderdagverblijven. De afkorting Lden staat hierbij voor Level day-evening-night, het gemiddelde over een dag. In de geluidsnorm voor windmolens wordt geen rekening gehouden met achtergrondgeluid op een specifieke locatie. De windmolens moeten ‘op zichzelf’ altijd aan de norm van L den 47 dB voldoen.

Het geluid van windmolens op het niveau van de geluidnorm van 47 dB Lden is te vergelijken met het geluidniveau van een normaal gesprek. De Lden is een theoretisch getal. Dat komt omdat dit getal door zogenaamde “straf” factoren hoger ligt dan de werkelijke gemiddelde geluidbelasting. De werkelijke geluidbelasting op de gevel door de windturbines ligt 2-4 dB(A) lager dan de norm in Lden. Omgevingsgeluid wordt ’s avonds en ’s nachts als meer hinderlijk ervaren dan overdag vanwege een stillere omgeving en kan daardoor ook leiden tot slaapverstoring. Het geluid dat een windmolen in de avond en nacht maakt, telt in de Lden norm dan ook zwaarder mee. Bij het geluid in de avondperiode wordt altijd 5 decibel opgeteld en bij het geluid in de nacht 10 decibel. Voor de nachtperiode geldt daarom voor een windturbine een strengere geluidnorm (de Lnight) van 41 dB om omwonenden in de nacht extra te beschermen. Zowel aan de norm Lden 47 dB als Lnight 41 dB moet altijd worden voldaan. Geluidnorm ook ruimtelijk aanvaardbaar Een norm voor windturbinegeluid van Lden 47 dB en Lnight 41 dB is op basis van een afweging tussen het te verwachten percentage hinder en het belang van opwekking duurzame elektriciteit met windturbines ruimtelijke aanvaardbaar.

Het percentage ernstig gehinderden (8-9% binnenshuis) bij een norm van 47 dB Lden en 41 dB Lnight is beperkt ten opzichte van percentage ernstig gehinderden bij andere geluidsbronnen.5 Er is bij de waarde van 47 dB Lden geen sprake van rechtstreekse gezondheidseffecten. Er is ook geen aanleiding een maatwerkvoorschrift te stellen voor de combinatie met de bestaande windturbines, omdat windpark Energiepark A59 niet leidt tot extra geluidbelasting boven de norm op omliggende woningen, niet zijnde woningen op een geluidgezoneerd industrieterrein. Er is geen wetenschappelijke noodzaak om aan te sluiten bij de geadviseerde waarde van de WHO van 45 dB Lden. De waarde op de woning met de hoogste geluidbelasting als gevolg van de windturbines - niet zijnde een woning op geluidgezoneerd industrieterrein - is al lager dan de waarde geadviseerd door de WHO. Het hanteren van een strengere norm voor geluid van bijvoorbeeld 45 dB Lden leidt daarmee ook niet tot minder geluidbelasting op toetspunten. Immers de geluidbelasting als gevolg van de windturbines ligt hoe dan ook al lager dan 47 dB Lden. Ook omdat gerekend wordt met een worst-case windturbine. Bij de uiteindelijke keuze van de initiatiefnemers voor een stillere windturbine wordt de geluidbelasting alleen maar minder.

TNO-rapport, “Hinder door geluid van windturbines: Dosis—effectrelaties op basis van Nederlandse en Zweedse gegevens”, 2008-D-R1051/B 5

21

3.2.5.2 Wat betekent de normen in praktijk? Om te voorkomen dat een ruimtelijke activiteit tot te grote hinder leidt wordt een norm bepaald op basis van een afweging tussen (ontwikkelings)ruimte voor een activiteit en beperking van hinder bij omwonenden. De geluidbelasting van windturbines wordt op de gevel van een woning/gebouw berekend. Hierbij wordt geen rekening gehouden met de reductie van geluid door bijvoorbeeld de buitenmuur en gevelisolatie. Doordat een gevel daarnaast nog isolerend werkt ligt het geluidsniveau binnen het object nog een stuk lager. Berekeningen voor geluid van windturbines worden uitgevoerd volgens het Reken- en meetvoorschrift windturbines. Deze best beschikbare (wettelijke) rekenmethode voor de bepaling van de geluidbelasting gaat in alle gevallen uit van een ‘meewindsituatie’ en is daarmee een 'worst case' berekening. In de praktijk valt het geluidniveau over het algemeen dus lager uit. Als het hard waait wordt in praktijk het geluid van de windmolens overstemd door dat van de wind zelf. En er is lang niet altijd sprake van een 'meewindsituatie’, de windrichting varieert immers. Wanneer er wordt voldaan aan de grenswaarde of norm voor geluid op de gevel van een geluidgevoelig object is dan ook sprake van een aanvaardbaar woon- een leefklimaat ‘binnenshuis’.

Dat wil dus niet zeggen dat de windturbines nooit te horen zijn of dat er in het geheel geen gehinderden te verwachten zijn. Afhankelijk van windrichting- en snelheid kunnen er momenten zijn dat er wel sprake is van het hoorbaar zijn van de windmolens. Dit kan op dat moment ook als hinderlijk worden ervaren. Er is echter geen sprake van een structurele (constante) aantasting van het woonen leefklimaat. De enkele keer dat de windmolens hoorbaar zijn en dit door sommige mensen als hinderlijk wordt ervaren is daarmee aanvaardbaar. Hinder door geluidsbronnen De normen van 47 en 41 dB voor Lden en Lnight zijn gebaseerd op wetenschappelijk onderzoek door TNO6 en is gebaseerd op een aanvaardbaar geacht aandeel ‘ernstig gehinderden’ door windturbinegeluid binnenshuis van 8-9%.7 Voor windturbines is de norm ook tegelijkertijd het maximaal toelaatbaar niveau. Dit percentage van 8-9% ernstig gehinderden is gelijk aan het percentage ernstig gehinderden bij de maximaal toelaatbare geluidbelasting voor industrielawaai. Voor overige geluidbronnen, zoals wegverkeer, geldt een hoger percentage geaccepteerde ernstig gehinderden bij de maximaal toelaatbare waarde. Tabel: Verwacht percentage ernstig gehinderden (binnenshuis) voor verschillende geluidsbronnen 8

De gehanteerde grenswaarde (tegelijkertijd maximale geluidbelasting) voor geluid van de windmolens ligt lager dan de grenswaarden van andere belangrijke geluidsbronnen die ook aanwezig zijn in de directe omgeving van de locatie. Zo is de voorkeursgrenswaarde voor (snel)wegen 48 dB(A) op geluidsgevoelige objecten. Voor nieuw aan te leggen wegen is bijvoorbeeld 65 dB het absolute maximum voor de geluidsbelasting op de gevel van een woning.

6

Zie voor de uitgebreidere toelichting de Ruimtelijke Onderbouwing bij de vergunningaanvraag. De TNO rapportage bevat een percentage van 8,09% bij 47 dB Lden maar dat wordt in andere (latere) stukken vaak afgerond als 9%. 8 Brief van de minister van VROM, 31 209, nr 135, 28-9-2010 7

22

Voor een geluidgezoneerde industrieterrein geldt dat er een geluidszone is vastgelegd rondom dit industrieterrein. Op de rand van deze zone mag het geluid van alle bedrijven op het industrieterrein bij elkaar opgeteld niet meer bedragen dan 50 dB(A). Voor (bedrijfs)woningen die op deze geluidsgezoneerde industrieterreinen liggen is bepaald dat deze niet zijn beschermd tegen het industriegeluid van omliggende bedrijven. Voor woningen binnen deze zone is dus een hogere waarde dan 50 dB(A) vastgesteld. In de omgeving van windpark Energiepark A59 zijn de geluidgezoneerde industrieterreinen Weststad en Gasthuiswaard aanwezig. 3.2.5.3 Geluid Windpark A59 In de ruimtelijke onderbouwing bij de vergunningaanvraag wordt uitgebreid ingegaan op de onderbouwing van de geluidnorm, geluidsbelasting door de beoogde windmolens op de omgeving en de cumulatieve geluidbelasting met andere geluidbronnen, en wat dat betekent voor de omgeving (zie paragraaf 5.2.2 van de ruimtelijke onderbouwing). In het uitgevoerde akoestisch onderzoek is de geluidbelasting berekend van de twee windturbines op de gevel van 14 representatieve toetspunten in de directe omgeving. De representatieve toetspunten zijn 10 geluidgevoelige objecten: namelijk 9 woningen, waaronder de dichtstbijzijnde woningen in Dommelbergen en Raamsdonkveer en Zorgcentrum Kloosterhoeve.

Er is sprake van 4 bedrijfswoningen op geluidgezoneerde industrieterreinen9. Dit zijn op grond van de Wet geluidhinder geen geluidgevoelige objecten en deze hoeven niet aan de norm getoetst te worden. Maar voor de volledigheid is ook op deze toetspunten de geluidbelasting wel inzichtelijk gemaakt. Uit de geluidberekeningen blijkt dat er op alle geluidgevoelige objecten ruimschoots wordt voldaan aan de geluidsnormen voor de etmaalperiode (Lden 47 dB) en de nachtperiode (Lnight 41 dB). De bedrijfswoningen op geluidgezoneerd industrieterrein hoeven niet aan de geluidsnorm te worden getoetst, zoals al eerder aangegeven. De hoogste (worst case) geluidbelasting op een geluidgevoelig object (op de gevel van een woning) door de nieuwe windmolens is 44 dB Lden, dit is ruim onder de geluidsnorm van 47 dB Lden. De Kloosterhoeve krijgt een maximale geluidbelasting door de windmolens van 41 dB Lden. De dichtst bij de windmolens gelegen woning in Dommelbergen heeft een hoogste geluidbelasting van 40 dB Lden. De dichtst bij gelegen woning in Raamsdonkveer heeft een geluidsbelasting van maximaal 39 dB Lden. Al deze woningen hebben dus een maximale geluidbelasting op de gevel die ruimschoots onder de norm van 47 dB Lden ligt.

9

In de ontwerp Ruimtelijke onderbouwing stond per abuis de woning Centraleweg 13 als woning óp geluidgezoneerde bedrijventerrein weergegeven, dit is niet het geval.

23

Geluidscontouren windturbines Bij het berekenen van de geluidbelasting op toetspunten/ gevoelige objecten is ook een visualisatie gemaakt van de ligging van de (worst case) geluidscontour van 47 dB Lden. De 47 dB Lden geluidscontour rond de windturbines komt halverwege de afstand van de windturbines tot de dichtstbijzijnde woonwijken en liggen ook, zoals uit de rekenresultaten blijkt, op voldoende afstand van de verschillende toetspunten (zie figuur hieronder). De windmolens zijn dus niet structureel (constant) hoorbaar in de woonwijken of bij andere geluidsgevoelige objecten.

24

Andere geluidsbronnen in de omgeving Van de 14 toetspunten liggen er vier op een geluidgezoneerd industrieterrein en één in de geluidszone van (rond) een geluidgezoneerd industrieterrein. Dit betekent dat in het verleden door de gemeente(raad) van Oosterhout, dan wel door de gemeente(raad) van Geertruidenberg is bepaald dat een hogere geluidsbelasting voor deze woningen dan de voorkeursgrenswaarde door industriegeluid aanvaardbaar is. In Oosterhout gaat het om bedrijfswoningen op het industrieterrein Weststad. Voor deze woningen op het geluidgezoneerd industrieterrein is bepaald dat deze niet worden beschermd in het kader van de Wet geluidhinder. In Geertruidenberg is bepaald dat op de omliggende woningen van industrieterrein Gasthuiswaard de maximaal toegestane geluidsbelasting door industriegeluid 55 dB is. Uit de doorrekening die is uitgevoerd voor het windpark voor cumulatieve geluidbelasting met alle geluidbronnen blijkt ook dat op al deze woningen er nu al (dus zonder de beoogde windmolens) sprake is van een hoge geluidbelasting van 55 dB of hoger door industriegeluid van omliggende bedrijven. Uit de uitgevoerde cumulatieve geluidberekeningen blijkt ook dat het geluid door wegverkeer van de snelweg en andere wegen in de omgeving voor veel van de toetspunten hoog is. Dit wordt met name veroorzaakt door de snelweg A59.

Woningen en andere geluidgevoelige objecten op korte afstand van de snelweg hebben een hoge geluidsbelasting tot maximaal 63 dB(A) door de snelweg. Uit de cumulatieve geluidberekening blijkt ook dat alle 14 representatieve toetspunten, dus ook de woningen in de bebouwde kom en de Kloosterhoeve, een geluidsbelasting voor wegverkeer hebben die ligt boven de voorkeursgrenswaarde van 48 dB(A). De geluidsbelasting van de bestaande windmolens op Weststad zijn ook doorgerekend. Hieruit blijkt één woning een hogere belasting heeft van 52 dB Lden door de bestaande windmolens. Het gaat hierbij om een bedrijfswoning op het geluidgezoneerde industrieterrein Weststad zelf, die niet voor geluid hoeft te worden getoetst en nog wordt gesaneerd. Voor de overige representatieve toetspunten is de geluidbelasting van de bestaande windmolens onder de grenswaarde van 47 dB Lden.

25

Voor de omgeving van het Windpark A59 kan geconcludeerd worden dat de geluidbelasting door andere geluidsbronnen, dan windturbines, hoog is, dan wel door de andere geluidbronnen wordt bepaald. Afhankelijk van de locatie overheerst wegverkeersgeluid, danwel industriegeluid. De nieuwe windmolens van het Windpark A59 blijven ruim onder de norm voor windturbinegeluid. In de toekomstige situatie is de bijdrage van geluid door de windturbines door de lage geluidsproductie/bijdrage op de gevels van gevoelige objecten - en door de hoge geluidbelasting van andere geluidsbronnen in de omgeving – zeer beperkt. 3.2.5.4 Cumulatief geluid Cumulatie met andere geluidbronnen wordt beschouwd als er sprake is van blootstelling aan meer dan één geluidbron volgens de rekenregels uit het Reken- en meetvoorschrift windturbines. Voor de 14 representatieve toetspunten is daarom in de ruimtelijke onderbouwing ook inzichtelijk gemaakt wat de realisatie van Windpark A59 betekent voor de cumulatieve geluidbelasting met andere geluidbronnen in de omgeving. In het geval van dit project zijn dat wegverkeergeluid, scheepvaartgeluid, industriegeluid en het geluid van het bestaande windpark Weststad. De industriële spoorlijn op Weststad heeft zodanig weinig vervoersbewegingen (circa 250 treinen per jaar) dat deze verwaarloosbaar is in de geluidbijdrage en dus niet is meegenomen.

Ook worden de windmolens gebouwd in een gebied dat is gelegen in de zogenoemde ‘laagvliegroute VO’. Het effect hiervan is echter verwaarloosbaar, omdat dit om een zeer beperkt aantal vliegbewegingen gaat. Dit is een ambtshalve wijziging en die zal worden doorgevoerd in de ruimtelijke onderbouwing. Voor het bepalen van de cumulatieve geluidbelasting bestaat dus wel een rekenmethodiek maar geen norm waaraan getoetst kan worden. De berekening van de cumulatieve geluidbelasting wordt gebruikt ter indicatie van het heersende en gewijzigde woon- en leefklimaat. In de voorgeschreven rekenmethodiek wordt windturbinegeluid extra zwaar meegewogen vanwege de aard van de hinderlijkheid (volcontinu). Een gangbare en geaccepteerd methodiek om cumulatieve geluidbelasting te beoordelen is met gebruik van de 'Methode Miedema'. In deze methode wordt de akoestische kwaliteit van de omgeving bepaald voor en ná toevoeging van een nieuwe geluidbron. Hiermee kan de leefomgeving objectief worden beoordeeld In de huidige en toekomstige situatie met het windpark wordt de akoestische kwaliteit van de omgeving ter plaatse van de geselecteerde toetspunten veelal bepaald door wegverkeer en industriegeluid. De akoestische kwaliteit van de omgeving varieert, ook op dit moment zonder de extra windmolens, van redelijk (≤ 55 dB Lden) tot zeer slecht (> 70 dB Lden).

Er vindt in de ‘worst-case’-berekening op twee punten een cumulatieve verslechtering op de schaal van Miedema plaats. Ter plaatse van Keizersdam 61 is dit van redelijk naar matig en op het adres Statendamweg 123 van tamelijk slecht naar slecht. In beide gevallen is dit echter het gevolg van een cumulatieve verslechtering van slechts (afgerond) 1 dB Lden. Dit betekent dat er een toename in geluid is van 1 dB Lden op die twee toetspunten door cumulatie van de twee windmolens met de overige bronnen, uitgaande van een worst-case windturbines voor geluid. Daarbij moet in ogenschouw genomen worden dat windturbinegeluid in de cumulatieve geluidbelasting zwaarder meetelt vanwege grotere hinderlijkheid dan bijvoorbeeld wegverkeersgeluid en industriegeluid. Het werkelijke aandeel van geluid van de nieuwe windturbines in de cumulatieve geluidsbelasting ligt dus lager. Daarnaast is een toename van geluidbelasting van 1-2 dB(A) door het menselijk oor niet tot nauwelijks waarneembaar. Uit het geluidonderzoek blijkt verder dat bij zes referentiewoningen de geluidbelasting met maximaal 1 dB Lden toeneemt als gevolg van het toevoegen van twee windturbines. Bij die woningen varieert de gecumuleerde geluidbelasting maximaal van 55-66 dB. In alle gevallen zijn de andere geluidbronnen, dan de windturbines, daarin bepalend.

Gelet op het beperkte aantal woningen waar er sprake is van een cumulatieve verslechtering, plus dat het gaat om

26

een zeer beperkte (voor het menselijk gehoor niet waarneembare) toename in cumulatief geluid van 1 dB, wordt dat aanvaardbaar geacht. 3.2.5.5 Geluid en de Kloosterhoeve De Kloosterhoeve betreft een zorglocatie voor patiënten met de ziekte van Huntington. De Kloosterhoeve bevindt zich op ca 1.060 meter van de dichtstbijzijnde beoogde windmolen uit het windpark A59. Uit de zienswijzen komt naar voren dat indieners zorgen hebben over het geluid van de windmolens voor de gezondheid van deze patiënten. De ziekte van Huntington is een ongeneeslijke, erfelijke aandoening, waarbij bepaalde delen van de hersenen worden aangetast door uitval van hersencellen. De ziekte is progressief, wat betekent dat de klachten steeds ernstiger worden. Meest kenmerkend voor de ziekte van Huntington zijn ongewilde bewegingen (chorea) door een stoornis in de aansturing van de spieren. Dit kan ook leiden tot verstarring of verstijving. Andere lichamelijke klachten kunnen ontstaan op het gebied van spreken, slikken en de balans.

Daarnaast leidt de ziekte met name tot verstandelijke achteruitgang en psychische veranderingen, zoals: • stemmingsveranderingen als depressie en angst • dementie • apathie (initiatiefloos) • dwangmatigheid • verhoogde prikkelbaarheid, met boosheid, schelden en soms agressie als gevolg • vermindering van het concentratie- en aandachtsvermogen • verslechtering van het kortetermijngeheugen • moeite met het aanleren van nieuwe zaken

Zoals in paragraaf 3.2.5.3 onderbouwd is het geluidsniveau van het Windpark A59 op de gevel van de Kloosterhoeve 41 dB. Daarmee blijft dit ruimschoots onder de normen die aanvaardbaar worden geacht (47dB). Uit de berekeningen blijkt dat het geluidsniveau in de nachtperiode op 35 dB uitkomt. Ook dit is ruimschoots onder de norm van 41 dB. Dit betreft het geluid op de gevel van de Kloosterhoeve. Dat betekent dat het geluid binnenshuis nog een stuk lager ligt. De Kloosterhoeve ligt dicht bij andere zware geluidsbronnen, zoals de snelweg A59 en de nieuw aan te leggen verbindingsweg tussen Oosterhout en Raamsdonksveer. Deze geluidsbronnen dragen meer bij aan de geluidbelasting op de Kloosterhoeve dan de windmolens. Uit de berekening blijkt bijvoorbeeld dat het geluid van de snelweg bij de Kloosterhoeve 55 dB bedraagt. Het geluid van de windmolens zal dan ook het grootste deel van de tijd wegvallen tegen het geluid van het verkeer. De Kloosterhoeve is iets meer dan 10 jaar geleden op deze locatie is gevestigd. Daarvoor was deze functie op deze locatie niet toegestaan. Op dat moment was ook de snelweg A59 en de daarbij horende geluidsbelasting op deze locatie aanwezig.

Er is destijds een ruimtelijke afweging gemaakt waarbij door de initiatiefnemer en het bevoegd gezag is geoordeeld dat vestiging van deze functie ondanks deze geluidsbelasting op deze locatie ruimtelijke aanvaardbaar was (en deze geluidsbelasting dus niet schadelijk is voor de gezondheid van de betreffende patiënten). Het is ons ook niet gebleken dat het geluid van de snelweg afgelopen jaren tot gezondheidsklachten bij de patiënten heeft geleid. Aangezien de geluidsbelasting van de windturbines veel lager ligt dan het geluid vanaf de snelweg en het grootste deel van de tijd wegvalt achter het geluid van de snelweg, kunnen we concluderen dat ook met de plaatsing van de windturbines voor wat betreft geluid nog altijd sprake is van een ruimtelijk aanvaardbare situatie en dat gezondheidsklachten als 27

gevolg van het geluid dat de windturbines produceren niet te verwachten zijn. In paragraaf 3.2.6 wordt nog specifiek ingegaan op het laagfrequent geluid van de windmolens in relatie tot de gezondheid van de patiënten van de Kloosterhoeve. 3.2.5.5 Toezicht op naleving milieuvoorschriften vergunning De Omgevingsdienst Midden- en West-Brabant is de bevoegde instantie die onafhankelijk toezicht houdt op de naleving van de vergunningvoorschriften. Voor handhaving zijn de rekenregels uit het Reken- en meetvoorschrift windturbines (Activiteitenregeling milieubeheer Bijlage 4,) beschikbaar als basis. Met berekeningen en/of metingen, zoals ook beschreven in het Reken- en meetvoorschrift windturbines wordt nagegaan of de windmolens voldoen aan hetgeen vergund is, en of eventuele aanvullende (handhavende) maatregelen genomen moeten worden. 3.2.5.6 Conclusie geluid algemeen Voor geluid is getoetst aan de normen uit Activiteitenbesluit en -regeling. Deze normen zijn ook ruimtelijke aanvaardbaar. Er is geen sprake van gevoelige objecten (woningen, etc.) binnen de 47 dB Lden of 41 dB Lnight contour. De geluidbelasting van de windmolens op geluidgevoelige objecten ligt gemiddeld veel lager dan 47 dB Lden door de relatief grote afstand tussen de windmolens en de gevoelige objecten. Dit geldt ook voor de specifieke zorglocatie de Kloosterhoeve.

Daarnaast zijn er geluidsbronnen in de omgeving die dermate veel zwaarder zijn dat deze het geluid van de windmolens het overgrote deel van de tijd overstijgen. Wat betreft de cumulatie van geluid tussen de verschillende bronnen en de windturbines wordt geconcludeerd dat de toename van geluid door het windpark A59 dermate laag is (1-2 dB), dat dit verschil niet door het menselijk oor waarneembaar is. Incidenteel zullen windmolens in de omgeving mogelijk hoorbaar zijn, afhankelijk van windrichting en -snelheid. De incidenteel mogelijk te ervaren (tijdelijke) hinder hierdoor wordt als aanvaardbaar beoordeeld door het college. 3.2.6 Geluid en gezondheid De gemeente Oosterhout heeft navraag gedaan bij de GGD West-Brabant over (ervaren) geluidsoverlast door windmolens in relatie tot gezondheid. Het antwoord is weergegeven in onderstaand kader. De GGD bevestigt hiermee hetgeen is opgenomen in de ruimtelijke onderbouwing bij de omgevingsvergunningaanvraag over de relatie tussen gezondheid en geluid. Namelijk dat er geen wetenschappelijk bewijs is dat er gezondheidsproblemen optreden als gevolg van het geluid van de windmolens indien voldaan wordt aan de geluidnormen 47 dB Lden en 41 dB Lnight.

De minister van EZK verwijst in zijn brief van 6 juli 202210 naar het systematisch overzicht dat het RIVM heeft gegeven van de stand van de wetenschappelijke kennis op het gebied van windturbines en gezondheid. Het RIVM stelt hierin: Uit het overzicht van de wetenschappelijke onderzoeken blijkt dat er een duidelijke relatie bestaat tussen het geluidniveau van windturbines en hinder. Er is geen eenduidig bewijs gevonden voor een relatie met slaapverstoring: met andere woorden de ene studie vindt wel een effect en de andere niet. Voor andere gezondheidseffecten zoals hart- en vaatziekten, stofwisselingsstoornissen, mentale gezondheid en cognitieve effecten is niet voldoende bewijs gevonden. Dit kan betekenen dat er geen relatie is, er nog onvoldoende onderzoek gedaan is, het onderzoek van lage kwaliteit is, of dat er tegenstrijdige resultaten zijn. Zie https://www.rivm.nl/windenergie/windmolens-gezondheid voor uitgebreidere informatie en de factsheet Windturbines en Gezondheid. De minister van EZK heeft het RIVM opdracht gegeven om nader onderzoek te doen naar o.a. het geluid van windmolens en slaapverstoring en andere gezondheidseffecten die soms in verband worden gebracht met windturbinegeluid, maar die niet wetenschappelijk zijn aangetoond. Een belemmering hierbij, zo stelt de minister in zijn brief van 6 juli 2022, is dat er 10

Tweede Kamer, kamerstuk 33612, nr 1085

28

– juist vanwege het beleid voor de bescherming van omwonenden – mogelijk te weinig mensen in de buurt van windturbines wonen om harde uitspraken te kunnen doen. 3.2.6.1 Second opinion laagfrequent geluid en gezondheid TNO De onderbouwing bij de vergunningaanvraag m.b.t. laagfrequent geluid is getoetst door de gemeente en als voldoende beoordeeld. Op verzoek van de gemeenteraad is door TNO een second opinion uitgevoerd naar het onderdeel laagfrequent geluid (geluid tussen de 20 en 100 Hz) uit de ruimtelijke onderbouwing bij de vergunningaanvraag. Het eindrapport is als bijlage 1 bij de beantwoording van de zienswijzen toegevoegd. Ook TNO concludeert dat er (momenteel) geen bewijs is dat de grenswaarden van 47 dB Lden of 41 dB Lnight voor windturbinegeluid onvoldoende bescherming bieden tegen laagfrequent geluid. TNO heeft de argumentatie uit de ruimtelijke onderbouwing van Eneco onderzocht. TNO stelt dat de gebruikte literatuur (o.a. RIVM en GGD) inderdaad kan worden beschouwd als een onderbouwing van de stelling dat de genoemde normen voldoende bescherming bieden. Daarnaast heeft TNO een toets uitgevoerd op laagfrequent geluid op de 14 toetspunten uit de ruimtelijke onderbouwing volgens twee in Nederland gangbare, maar niet wettelijk vastgelegde methodes: de methode van de NSG (Nederlandse Stichting Geluidshinder) en de methode van Vercammen.

De NSG geeft een frequentie-afhankelijk geluidniveau (de NSG-curve) waarboven het laagfrequente geluid hoorbaar is. De tweede methode werkt met de Vercammen-curve, die het niveau aangeeft waarbij een bepaalde kans op hinder (volgens Vercammen 3 tot 10%) door laagfrequent geluid optreedt. Voor de vergelijking tussen de resultaten van de berekeningen en de bovengenoemde curves beschouwt TNO zowel de huidige als de toekomstige situatie. Op vijf van de veertien toetspunten is er in de bestaande situatie al een overschrijding van de NSG-curve en op één van deze vijf toetspunten is er een overschrijding van de Vercammen-curve. Dit toetspunt ligt echter op het bedrijventerrein Weststad, welke geluidgezoneerd is. In de toekomstige situatie, met de twee extra windmolens, is er (vanzelfsprekend) op dezelfde vijf punten een overschrijding van de NSG-curve en komen er drie punten met een overschrijding bij. Dit betreft twee woningen en zorglocatie de Kloosterhoeve. De toekomstige situatie leidt niet tot overschrijdingen van de Vercammen-curve op andere punten dan het punt waar in de bestaande situatie al een overschrijding is.

Hieruit concludeert TNO dat de nieuwe windturbines kunnen zorgen voor laagfrequent geluid dat binnenshuis hoorbaar kan zijn, maar dat de kans op hinder door laagfrequent geluid volgens de methode met toetsing aan de Vercammen-curve klein is in 13 van de 14 toetspunten, waaronder ook de Kloosterhoeve. Het ene toetspunt waar mogelijk hinder ondervonden kan worden van het laagfrequent geluid heeft daar in de huidige situatie ook al last van. Dit betreft een bedrijfswoning op (geluidgezoneerd) industrieterrein Weststad. Gezondheidsschade als gevolg van laagfrequent geluid geproduceerd door de nieuwe windturbines voor inwoners van Dommelbergen of Raamsdonksveer is daarmee niet te verwachten door de realisatie van het Windpark A59. 3.2.6.3 Conclusie (laagfrequent) geluid en gezondheid De gemeente Oosterhout heeft geconcludeerd bij de beoordeling van de omgevingsvergunningaanvraag dat het geluid dat wordt geproduceerd door de beoogde windmolens geen risico voor de volksgezondheid oplevert. De norm voor windturbinegeluid van 47 dB Lden en 41 dB Lnight biedt ook voldoende bescherming tegen (laagfrequent) geluid van windturbines, zelfs wanneer zoals in de ruimtelijke onderbouwing bij de vergunningaanvraag wordt uitgegaan van een worst-case voorbeeldwindturbine voor

29

geluidberekeningen. TNO bevestigt in de door haar uitgevoerde second opinion deze conclusie. Tevens concludeert TNO, op basis van een tweetal wetenschappelijke methodes om hinder door laagfrequent in beeld te brengen, dat de nieuwe windturbines kunnen zorgen voor laagfrequent geluid dat binnenshuis hoorbaar kan zijn. Maar dat de kans op hinder door laagfrequent geluid volgens de methode met toetsing aan de Vercammen-curve klein is in 13 van de 14 toetspunten, waaronder ook de Kloosterhoeve. Het college concludeert ook dat er geen redenen zijn om aan te nemen dat de beoogde twee extra windturbines in de Oranjepolder een dusdanige extra geluidsbelasting opleveren ten opzichte van de bestaande geluidsbronnen (wegen en industrieterreinen) dat deze windmolens tot onaanvaardbare hinder of gezondheidsproblemen zullen leiden. Er is dan ook geen reden om de vergunning op deze grond te weigeren of het project aan te laten passen. 3.2.7 Visuele hinder Uit de zienswijzen blijken zorgen over vooral de hoogte van de windmolens. Het plaatsen van de twee extra windturbines leidt er volgens de reclamanten onder meer toe dat het aanzien van de Oranjepolder blijvend en ingrijpend wordt veranderd en de horizon wordt ‘vervuild’. Daarnaast zullen de windmolens ook van (signalerings-)verlichting voorzien worden wat volgens reclamanten voor extra overlast zorgt.

Ten aanzien van windparken op land hanteert de Raad van State als uitgangspunt dat gevolgen van enige betekenis aanwezig kunnen worden geacht binnen een afstand van tien keer de tiphoogte van de dichtstbijzijnde windturbine, gemeten vanaf de voet van de windturbine. Daarbij wordt acht geslagen op de factoren afstand tot, zicht op, planologische uitstraling van en milieugevolgen (o.a. geur, geluid, licht, trilling, emissie, risico). De Raad van State gaat er van uit dat de gevolgen voor het woon- en leefklimaat op een afstand van meer dan tien keer de tiphoogte in beginsel te beperkt zijn om nog te kunnen spreken van gevolgen van enige betekenis. In beginsel kunnen er dus gevolgen van enige betekenis aanwezig zijn voor omwonenden, maar dat wil echter niet zeggen dat er ook is sprake van onaanvaardbare hinder. In de ruimtelijke onderbouwing bij de omgevingsvergunningaanvraag is door Eneco onderbouwd dat sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat in het kader van een goede ruimtelijke ordening. Deze is getoetst door de gemeente en correct bevonden. 3.2.7.1 Hoogte van de windmolens De twee beoogde windmolens hebben een maximale tiphoogte 235 meter en een opwekcapaciteit van circa 5 megawatt (MW). Uitgaande van dit opgestelde vermogen levert deze windmolen (afhankelijk van het type turbine) naar verwachting een jaarlijkse productie van 15 GWh per molen.

Met het windklimaat in de gemeente Oosterhout zijn op dit moment windmolens nodig met een minimale hoogte van circa 200 meter om tot een rendabele exploitatie te kunnen komen. De reden hiervoor is dat de subsidies op duurzame energie (SDE++-regeling) langzaam en jaarlijks wordt afgebouwd zodat projecten steeds meer zonder subsidie gerealiseerd kunnen worden. Dit leidt er, in combinatie met de technologische ontwikkelingen in de windenergiesector, toe dat hogere windmolens met grotere rotoren en een toename van het generatorvermogen noodzakelijk zijn. Lagere windmolens zijn financieel niet meer rendabel met de huidige SDE-subsidies. Daar komt bij dat de veronderstelling dat grotere windturbines zonder meer exponentieel meer hinder voor de omgeving geven niet correct is. De exacte hoogte van de turbine is vanuit het menselijk standpunt niet in te schatten. Het is daarom niet zozeer de hoogte van de molen die tot visuele hinder leidt, maar het feit dat deze molen er komt. Ook de hoeveelheid geproduceerd geluid neemt bij een hogere windmolen niet per definitie toe ten opzichte van andere (lagere) windturbines. Grotere windturbines zijn wel veel efficiënter doordat ze een veel hogere elektriciteitsproductie kennen.

30

De initiatiefnemer Eneco is in haar aanvraag voor de omgevingsvergunning uitgegaan van een bandbreedte qua afmetingen met een maximale tiphoogte van 235 meter en een maximale rotor van 170 meter om tot rendabele exploitatie te kunnen komen. De initiatiefnemer kan er dus voor kiezen om uiteindelijk voor een lagere molen te gaan, dat is uiteindelijk afhankelijk van de onderhandelingen met windturbineleveranciers, de uiteindelijke turbinekeuze en daarmee de businesscase van het windpark. Er zijn op dit moment maar weinig ‘lagere’ turbines nog op de markt te verkrijgen. Een windturbine met een tiphoogte van 150 meter was enkele jaren geleden nog gangbaar, met de toen beschikbare SDE-subsidies. Door dalende SDE-subsidies zijn deze windmolens niet meer rendabel te exploiteren en fabrikanten produceren ze daarmee ook steeds minder. De energieopbrengst van de ‘kleinere’ turbines (maximaal 150 meter hoog) is ook aanzienlijk lager dan die van grote windturbines (220 meter plus). Voor een vergelijkbare opbrengst met kleinere turbines moeten hierdoor meer windturbines gebouwd worden die een groter gebied beslaan en daarmee ook dichter bij woningen kunnen komen en meer hinder kunnen veroorzaken. In de ruimtelijke onderbouwing bij de omgevingsvergunningaanvraag van Eneco wordt geconcludeerd dat de voorgestelde maximale afmetingen zijn in te passen vanuit alle milieuaspecten.

Uit toetsing door de gemeente is gebleken dat dit correct is. 3.2.7.2 (Beleving van) visuele hinder Windturbines voegen door hun grote maat en schaal in vergelijking met andere objecten een nieuwe laag toe aan het landschap. Door hun grote afmetingen ontstijgen moderne windturbines de schaal van andere landschapselementen. Dat is iets wat niet te ontkennen valt. De twee windmolens hebben een maximale tiphoogte van 235 meter. De windturbines zijn voor de waarnemer vanaf veel plekken in de ruime omgeving (afhankelijk van de positie waar men staat en mits er geen afscherming aanwezig is) duidelijk zichtbaar. Op sommige plaatsen zullen de windmolens ook vanuit de tuin of vanuit de woning zichtbaar zijn. De windmolens zullen zeker zichtbaar zijn aan de skyline van Oosterhout en vanaf de randen van woonwijken rondom de Oranjepolder. Bij gebruik van de Oranjepolder voor fietsen of wandelen zijn de windmolens altijd zichtbaar. Dit geldt ook voor de reeds bestaande 6 windmolens. Deze toekomstige windmolens zijn onderdeel van het landschap en geven een zeker mate van herkenning en oriëntatie aan het gebied. Dat geldt ook voor andere nietnatuurlijke elementen in het landschap, zoals de bestaande windmolens, de snelweg, industrieterrein Weststad, de Rioolwaterzuivering en op meer afstand de koeltorens van de Amercentrale, de voormalige watertoren en hoge elektriciteitsmasten.

Of er sprake is van visuele hinder of zichtvervuiling door hoge/opvallende niet-natuurlijke elementen is in belangrijke mate subjectief van aard en mede afhankelijk van de locatie waar men zich bevindt ten opzichte van de windmolens. Zeker bij gezichtspunten op grotere afstand kunnen verticale elementen dicht bij het gezichtspunt (zoals bebouwing, (stammen van) bomen en bosschages) het zicht op de windturbines (deels) wegnemen. In tijden van het jaar waarin er geen bladeren aan de bomen zitten, zijn de windturbines meer zichtbaar. Er bestaat geen landelijke norm of richtlijn of andere vorm van regelgeving voor wat betreft een aan te houden afstand voor de plaatsing van windmolens ten opzichte van de bebouwde kom in verband met visuele hinder of zichtbaarheid. Dat iemand windmolens 'lelijk’ vindt is dus geen reden om de omgevingsvergunning te weigeren. In Nederland bestaat geen recht op (blijvend) vrij uitzicht. In een dichtbevolkt land als Nederland is het ook onmogelijk dit te garanderen. Er moet sprake zijn van een goede ruimtelijke ordening (of een aanvaardbaar woon- en leefklimaat). Per situatie zal een overheid (in dit geval de gemeente Oosterhout) moeten bepalen of er sprake is van een redelijke en aanvaardbare situatie. Onze woon- en leefomgeving is nu eenmaal altijd aan verandering onderhevig. De energietransitie zal daar komende decennia in grote mate aan bijdragen.

Iedereen krijgt daarmee te maken. In dit geval zijn de windmolens gepland op zeer ruime afstand van de meeste woningen (tenminste ca. 1400 meter). Ook worden ze geplaatst bij bestaande

31

structuren (snelweg, rioolwaterzuivering, industrieterrein en bestaande windturbines). We beoordelen de toekomstige situatie dan ook als aanvaardbaar. Ook wat betreft eventuele visuele hinder door het draaien van de wieken van de windmolens oordeelt het college dat deze aanvaardbaar is. Hoe groter de turbine, hoe rustiger de wieken draaien. 3.2.7.3 Hinder door slagschaduw Ten aanzien van visuele hinder en overlast wordt door reclamanten ook gewezen op het aspect slagschaduw. Als de zon op de mast en de rotor van een windturbine schijnt, veroorzaakt dit een (bewegende) schaduw. We noemen dit slagschaduw. Als slagschaduw op het raam van een woning valt, kan de wisseling tussen schaduw en zon hinderlijk zijn, doordat deze wordt ervaren als flikkering. Dit geldt vooral in het voor- en najaar, als de zon lager staat. Het Activiteitenbesluit en -regeling gaat uit van een norm voor slagschaduw. Deze komt neer op circa 6 uur per jaar als geaccepteerde benadering van de norm uit de Activiteitenregeling. Voor het Windpark Energiepark A59 kiest Eneco ervoor om voor slagschaduw te mitigeren naar maximaal 30 minuten slagschaduw per jaar. Maximaal 30 minuten slagschaduw per jaar is verwaarloosbaar ten opzichte van het totale aantal zonuren per jaar.

Het door Eneco voor windpark Energiepark A59 hanteren van de norm voor slagschaduw van windturbines van maximaal 0,5 uur slagschaduw per jaar sluit de mogelijke (hinder)effecten daarvan voor woningen en andere gevoelige objecten vrijwel uit, en is daardoor ook ruimtelijk zonder meer aanvaardbaar. De windturbines van het windpark worden uitgerust met een stilstandvoorziening om te voldoen aan de norm van maximaal een half uur slagschaduw per jaar. In de turbinebesturing worden hiervoor dagen en tijden geprogrammeerd waarbinnen de rotor wordt gestopt omdat er dan slagschaduw valt op woningen die bijdragen aan een overschrijding van de norm. De automatische stilstandvoorziening en projectspecifieke norm voor slagschaduw van een half uur per jaar wordt vastgelegd met een voorschrift in omgevingsvergunning. Voor alle woningen, zo ook voor de Kloosterhoeve, geldt dat zij aan niet meer dan een half uur slagschaduw per jaar worden blootgesteld door het Windpark A59. Daarmee draagt Windpark A59 ook een verwaarloosbare slagschaduwbelasting bij aan cumulatieve slagschaduwduur met de bestaande windturbines op Weststad. Er is daarmee ook geen aanleiding om aanvullend een cumulatieve norm te stellen.

3.2.7.4 Visuele hinder door (obstakel)verlichting Voor een windturbine hoger dan 150 meter (tiphoogte) geldt de plicht dat de turbine voorzien dient te worden van obstakelverlichting voor de luchtvaartveiligheid. Overdag wordt wit licht gevoerd en 's nachts rode verlichting. Wat betreft de visuele hinder als gevolg van de (obstakel)verlichting op de windmolen is deze beperkt. Deze markeringslichten veroorzaken gezien de afstanden tot woningen geen lichthinder in de gangbare zin, waarbij woonruimtes in woningen door inschijnen worden opgelicht. In dit verband kan eerder worden gesproken van landschappelijke invloed, door het zichtbaar zijn van de windturbinelocatie in de nachtelijke uren. Er zijn inmiddels diverse technische oplossingen beschikbaar voor obstakelverlichting van windmolens, gericht op beperken van hinder voor de omgeving. Er is al een (voorlopig) voorstel voor het aanbrengen van markering en obstakellichten op de windturbines van windpark Energiepark A59 ingediend voor instemming bij ILenT. Dit plan gaat uit van de momenteel best beschikbare (en juridisch toe te passen) technieken gericht op het voorkomen van hinder. ILenT heeft op 30 mei 2022 instemming verleend over toe te passen verlichtingsplan. Er is derhalve al een goedgekeurd verlichtingsplan voor windpark Energiepark A59.

Bij definitieve windturbinekeuze wordt door initiatiefnemer beoordeeld of het verlichtingsplan een update vraagt op basis van de dán best beschikbare technieken om hinder te voorkomen. 32

De minister van EZK heeft in zijn brief van 6 juli 2022 aangegeven dat naderingsdetectie verplicht wordt bij nieuw te bouwen windturbines vanaf 2024. Hij stelt hierover: ”Naderingsdetectie zorgt er voor dat de verlichting alleen gaat branden als een luchtvaartuig de windmolen nadert. Dit kan met behulp van een radar bij het windpark of met behulp van een ontvanger bij het windpark en een transponder in het vliegtuig. Deze laatste techniek is mogelijk geworden sinds vorig najaar alle vliegtuigen een transponder aan boord moeten hebben. Het gebruik van naderingsdetectiesystemen bij nieuwe windparken zal naar verwachting op 1 januari 2024 verankerd zijn in de Omgevingswet.” Aangezien de windturbines na 1 januari 2024 worden gebouwd, is de ontwikkelaar dan mogelijk verplicht deze naderingsdetectie toe te passen. 3.2.7.5 Concluderend Geconcludeerd wordt dat geen sprake is van onaanvaardbare visuele hinder door slagschaduw of verlichting. Conform afspraak met de initiatiefnemer zal de slagschaduw gereduceerd worden tot maximaal een half uur per jaar. Ten aanzien van de verlichting zal op het moment van bouwen de naderingsdetectie mogelijk wettelijk verplicht zijn. Bij definitieve windturbinekeuze wordt door initiatiefnemer beoordeeld of het verlichtingsplan een update vraagt op basis van de dán best beschikbare technieken om hinder te voorkomen.

Naderingsdetectie wordt toegepast indien dat dán beschikbaar is en de toepassing ervan ook juridisch is verankerd in de Nederlandse wetgeving. Er zal een voorschrift aan de omgevingsvergunning worden verbonden om de best beschikbare technieken toe te passen voor de obstakelverlichting. Weliswaar zijn de windmolens zichtbaar op afstand en in sommige gevallen vanuit huis. Dat leidt echter niet tot dusdanige hinder dat er sprake is van een onaanvaardbaar woon- of leefklimaat. De afstand van de bebouwing tot de windmolens is daarvoor hoe dan ook te groot. 3.2.8 Ruimtelijke kwaliteit Door de reclamanten is erop gewezen dat in de plannen voor het windpark onvoldoende aandacht voor de landschappelijke inpassing is. Volgens de insprekers draagt het plan niet bij aan behoud en bevordering van de ruimtelijke kwaliteit van het gebied en is daarnaast geen toepassing gegeven aan het principe van zorgvuldig ruimtegebruik. 3.2.8.1 Landschappelijke inpassing en zorgvuldig ruimtegebruik De landschappelijke beleving in het gebied gaat met de komst van het windpark A59 ontegenzeggelijk veranderen. Ook zijn hierover afspraken gemaakt met de provincie in het ‘afsprakenkader van West-Brabant voor de kwaliteitsverbetering van het Landschap’. Met dit kader wordt de initiatiefnemer verplicht eenmalig een investering te doen in de kwaliteitsverbetering van het landschap op of rondom het plangebied.

Door de afmetingen van de windmolens zijn deze niet landschappelijk te ’verstoppen’. Het plaatsen van enkele bomen of bosschages rondom de windmolens heeft vanuit het oogpunt van ruimtelijke kwaliteit dan ook geen meerwaarde. Om die reden hebben Eneco en gemeente in overleg ervoor gekozen dat de verplichte bijdrage van Eneco aan de kwaliteitsverbetering van het landschap wordt toegevoegd aan het Groenfonds van de gemeente. Conform het beleidskader van de provincie draagt Eneco 10.000 euro bij per opgesteld MW vermogen. De totale bijdrage is circa €100.000 euro (uitgaande van €10.000 per opgesteld MW vermogen, 2 windmolens van 5 MW). Dit is vastgelegd in de anterieure overeenkomst.

33

De besteding van deze middelen hangt mede af van de realisatie van het zonnepark als onderdeel van het gehele Energiepark A59. Een goede landschappelijke inpassing van het zonnepark en de bijdrage van de kwaliteitsverbetering van het landschap daarvan zijn, in tegenstelling tot de windmolens, wel in te vullen voor de verbetering van de ruimtelijke kwaliteit van de Oranjepolder. Het landschappelijke inpassingsplan van het zonnepark zorgt, wanneer dit wordt gerealiseerd, dan ook mede voor de landschappelijke inpassing van de windmolens en de eventuele besteding van de verplichte bijdrage vanuit het windpark aan het Groenfonds. Zo kan ervoor gekozen worden deze bijdrage van Eneco aan het Groenfonds te gebruiken om extra kwaliteit toe te voegen aan de landschappelijke inrichting van het gehele Energiepark A59. Indien het zonnepark niet wordt gerealiseerd zal de huidige gebruik conform bestemming agrarisch blijven. De bijdrage aan de kwaliteitsverbetering van het landschap zal dan worden besteed aan groen- of natuurprojecten in de omgeving van het windpark, zodat een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit van het gebied wordt gerealiseerd. 3.2.8.2 Gebruikswaarde Gesteld kan worden dat sprake is van zorgvuldig ruimtegebruik.

Dit bevindt zich in het feit dat er sprake is van beperkte ruimtebeslag (twee windmolens met opstelplaatsen en een onderhoudsweg) en dat het oorspronkelijk grondgebruik (hier agrarisch) nog steeds onder de windturbines kan voortduren. De opwek van duurzame energie is minstens net zo noodzakelijk als het telen van gewassen. Daarmee is de gemeente van mening dat de grond niet als verloren moet worden beschouwd voor een periode van 25 jaar. De gebruikswaarde van de polder wordt door het windpark niet aangetast. Ook is geen sprake van een afname van de recreatieve waarde. De Oranjepolder blijft beschikbaar voor recreatie wanneer de windmolens worden gerealiseerd. Immers, de windmolens zullen slechts gebruik maken van een klein deel van het gebied, welke nu in gebruik is als landbouwgrond. Door te investeren in de kwaliteitsverbetering van het landschap met de verplichte bijdrage hieraan van Eneco, kan de recreatieve waarde van de polder mogelijk zelfs worden verhoogd. 3.2.8.3 Toekomstwaarde De gemeente maakt met Eneco in de anterieure overeenkomst afspraken over het verwijderen van de windturbines na 25 jaar en over het herstel van de oorspronkelijke situatie. Hierover wordt ook een voorwaarde in de omgevingsvergunning opgenomen. Daarmee wordt geborgd dat deze grond na 25 jaar weer voor agrarisch gebruik benut kan worden.

3.2.8.4 Cumulatie van projecten Reclamanten stellen dat de leefomgeving steeds meer onder druk staat en dat, behalve het windpark, sprake is van een opeenstapeling van plannen en projecten, zoals aanpak Statendamweg, knooppunt Hooipolder, de 380Kv-lijn, etc. Dat sprake is van een omgeving waarin verschillende projecten spelen valt niet te ontkennen. Zoals al eerder opgemerkt is onze leefomgeving altijd aan verandering onderhevig. Projecten als aanpassing Statendamweg en knooppunt Hooipolder vinden plaats om de ontwikkeling en groei van o.a. Oosterhout en Geertruidenberg te kunnen laten plaatsvinden. De projecten zullen in de uitvoering wellicht tijdelijk tot overlast kunnen leiden. Maar uiteindelijk zorgen deze projecten ook voor bijvoorbeeld betere doorstroming en bereikbaarheid. Dat is ook in het belang van onze inwoners. Alle aankomende projecten en de gevolgen daarvan worden afzonderlijk en in combinatie met elkaar getoetst aan de geldende Nederlandse wet- en regelgeving (natuur, milieu etc.). Afzonderlijk en in combinatie mogen de diverse projecten niet leiden tot een onaanvaardbaar woon- en leefklimaat. Zo is bij het plan voor de twee windmolens ook een zorgvuldige afweging gemaakt op het aspect landschap.

34

3.2.8.5 Concluderend Geconcludeerd wordt dat windturbines door hun grote maat en schaal in vergelijking met andere objecten een nieuwe laag toevoegen aan het landschap. Door hun grote afmetingen ontstijgen moderne windturbines de schaal van andere landschapselementen, dat is iets wat niet te ontkennen valt. De windturbines tasten ter plaatse aanwezige landschappelijke structuren in het plangebied niet direct aan. De realisatie van twee grote windturbines in Windpark A59 zijn landschappelijk aanvaardbaar en inpasbaar, gezien de clustering met bestaande windturbines, de bundeling met het grootschalig bedrijventerrein en nabij grootschalige infrastructuur van de A59 en aanrijroutes. 3.2.9 Natuur (flora en fauna) Ten aanzien van de impact van het windpark op de bestaande flora en fauna zijn diverse zorgen geuit en vragen gesteld. Bijvoorbeeld over de dodelijkheid van de wieken van de windturbines voor vliegende dieren (vogels, vleermuizen, insecten, (zee)arenden uit de Biesbosch), maar ook de invloed op overige soorten in het gebied. Voor het project is onderzoek uitgevoerd naar de effecten van windmolens op vogels, vleermuizen en andere flora en fauna in het plangebied, als ook het effect op beschermde gebieden zoals Natura 2000 en Natuurnetwerk Brabant (NNB).

Onderzoek in de vorm van de Natuurtoets maakt onderdeel uit van de verplichtingen uit de Wet natuurbescherming (Wnb) maar dient ook ter onderbouwing van de goede ruimtelijke ordening. 3.2.9.1 Gebiedsbescherming Uit de Natuurtoets blijkt dat er geen sprake is van significante effecten op Natura 2000gebieden door realisatie van het windpark. Het windpark resulteert ook niet in een stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitats. Dit betekent dat de stikstofemissie door toedoen van de bouw van Windpark Energiepark A59 niet leidt tot significant negatieve effecten op de stikstofgevoelige habitats van de omliggende Natura 2000-gebieden. Er hoeft derhalve ook geen vergunning gebiedsbescherming in het kader van de Wnb te worden aangevraagd en er is sprake van een goede ruimtelijke ordening. Aanvullende Aeriusberekening In haar tussenuitspraak van 20 januari 2021 over het tracébesluit ViA15 (ECLI:NL:RVS:2021:105) heeft de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State geoordeeld dat voor de stikstofberekening een 'afkap' van verkeersbewegingen op 5 kilometer niet mag worden toegepast. Om aan te tonen dat het afkappen van deposities van verkeersbewegingen voor het windpark Energiepark A59 geen invloed heeft op de conclusies van het project over stikstofdepositie is een nieuwe berekening uitgevoerd. Deposities worden hiermee niet afgekapt op 5 kilometer afstand tot de bronnen.

De nieuwe berekening (juni 2021) is als bijlage 9 toegevoegd bij bij de ruimtelijke onderbouwing. Op basis van de nieuwe berekening van juni 2021 komt de depositie voor geen enkel Natura2000 gebied boven de 0,00 mol/ha/jaar uit. Dit betekent nog steeds dat de stikstofemissie door toedoen van de bouw van Windpark Energiepark A59 niet leidt tot significant negatieve effecten op de stikstofgevoelige habitats van de omliggende Natura 2000-gebieden. Inmiddels is ook de zogenaamde ‘tijdelijke bouwvrijstelling’ vervallen. Desondanks hebben we de bouwfase van het project al eerder doorgerekend. In verband met het vervallen van de tijdelijke bouwvrijstelling komt er in januari 2023 een nieuw rekenmodel van AERIUS beschikbaar en dan wordt een herberekening uitgevoerd. Aangenomen mag worden dat de resultaten niet significant gaan afwijken van de reeds beschikbare resultaten. Dit mede gezien de grote afstand van het project tot Natura 2000-gebieden en dat het gaat om een beperkte tijdelijke stikstofdepositie in de bouwfase. Aangenomen mag worden dat er sprake zal blijven van een goede ruimtelijke ordening. Overigens is een directe werking vanuit de Wet natuurbescherming die verplicht voor de start van bouwwerkzaamheden een vergunning te hebben indien er sprake is van een (te hoge) stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden.

35

Natuurnetwerk Brabant (NNB) en overige (provinciaal) beschermde gebieden De twee windturbines van Energiepark A59 worden niet geplaatst binnen de grenzen van het NNB. Ook is geen sprake van overdraai boven het NNB, omdat de windturbines voldoende ver van het NNB afliggen. Voor het NNB geldt ook externe werking. Onderzocht is in de Natuurtoets of de bouw en het gebruik van het windpark effecten heeft op de wezenlijke waarden en kenmerken van het NNB in de directe omgeving De windturbines liggen op meer dan 150 meter van het dichtstbijzijnde NNB af. Verstoring van broedvogels in nabijgelegen NNB door de bouw en het gebruik van het windpark is daarom uitgesloten. Er liggen geen weidevogelgebieden, akkervogelgebieden of ganzen opvanggebieden in de omgeving van het plangebied. Wel maakt het plangebied onderdeel uit van de ‘groenblauwe mantel’11. Volgens provinciaal beleid is het echter toegestaan om binnen de groenblauwe mantel een windpark te realiseren. 3.2.9.2 Soortenbescherming Voor wat betreft de soortenbescherming gaat het er in eerste instantie om te beschouwen of er niet meer dan incidentele slachtoffers zijn te verwachten onder met name vogels en vleermuizen, maar ook andere soorten. In dat geval bestaat er ook geen vergunningplicht.

Als er sprake is van meer dan incidentele slachtoffers dan moet beschouwd worden of de gunstige staat van instandhouding (GSI) in gevaar is op basis van de 1% mortaliteitsnorm 12 . Deze norm is soortspecifiek aangezien de populatiegrootte en de mortaliteit (de twee variabelen die de 1%-mortaliteitsnorm bepalen) voor alle soorten anders is. Op basis van de Natuurtoets is geconcludeerd dat er voor geen enkele soort sprake van een aantasting van de gunstige staat van instandhouding (GSI). Voor enkele vogel- en vleermuissoorten is er in het kader van de soortenbescherming op 11 december 2020 een ontheffing Wnb aangevraagd bij de provincie Noord-Brabant. De provincie heeft de benodigde ontheffing op 10 augustus 2021 verleend, de ontheffing is inmiddels onherroepelijk. Vogels Het plangebied van Windpark Energiepark A59 kan potentieel broedgebied bieden voor soorten zoals kievit of roodborsttapuit. Dit betekent dat bij werkzaamheden in het broedseizoen niet met zekerheid uitgesloten kan worden dat nesten van bijvoorbeeld grondbroedende vogels vernietigd of beschadigd zullen worden. Hiermee kunnen verbodsbepalingen genoemd in artikel 3.1 lid 2 van de Wet natuurbescherming (Wnb) overtreden worden. Tijdens de werkzaamheden en de voorbereiding daarvan dient vernietiging van nesten van vogels voorkomen te worden.

Overtreding van verbodsbepalingen kan voorkomen worden door buiten het broedseizoen te werken (globaal periode maart t/m half augustus). Wanneer toch in het broedseizoen gewerkt moet worden is dit mogelijk indien door een ter zake kundig ecoloog is vastgesteld dat met deze werkzaamheden geen in gebruik zijnde nesten van vogels worden vernietigd of beschadigd. In de ruime omgeving van het plangebied komen enkele jaarrond beschermde nesten van onder andere buizerd en sperwer voor. De geplande windturbines staan op ruime afstand van deze nesten waardoor effect is uit te sluiten. Nesten van soorten met jaarrond beschermde nesten komen in de omgeving van het plangebied alleen in bomen voor. De aanvraag omgevingsvergunning voorziet in de kap van enkele bomen ten behoeve van de ontsluiting van het windpark op de Statendamweg. Deze kapaanvraag is later nog toegevoegd aan de omgevingsvergunning en wordt daarom niet benoemd in de ruimtelijke onderbouwing.

11 De provincie streeft naar samenhangende aanpak van natuur, landschap en water die de omgevingskwaliteit en

recreatiemogelijkheden versterkt en waardoor de gevolgen van klimaatveranderingen voor de natuur en het watersysteem beter kunnen worden opgevangen. Om de robuustheid van het systeem te bevorderen, zijn er gebieden opgenomen als verbinding tussen het Natuur Netwerk Brabant en het landelijk gebied - de groenblauwe mantel. 12 De 1%-mortaliteitsnorm is het aantal vogels dat 1% van de jaarlijkse sterfte van de te toetsen populatie representeert.

36

Voordat de bomen daadwerkelijk gekapt worden zullen deze nog geschouwd worden door een ecoloog, om eventueel aanwezige (beschermde) soorten vast te stellen. Deze inspectie dient vanuit ecologisch perspectief zo kort mogelijk voorafgaand aan de werkzaamheden te worden uitgevoerd. Zodoende kan het best bepaald worden welke soorten aanwezig zijn en welke concrete maatregelen er eventueel nodig zijn om verstoring te voorkomen. Door de fysieke aanwezigheid van (draaiende) windmolens kunnen er vogelslachtoffers vallen in de gebruiksfase van het windpark. Voor aanvaringsslachtoffers met windturbines geldt dat onderzocht is of er op jaarbasis meer dan incidentele sterfte wordt voorzien. In dat geval is een ontheffing op basis van de Wet natuurbescherming noodzakelijk. Als de te verwachten sterfte de gunstige staat van instandhouding (GSI) van de betrokken populaties (specifieke vogelsoorten) niet in gevaar brengt kan ontheffing verleend worden. Als er wel een negatief effect is op de gunstige staat van instandhouding is nader onderzoek nodig naar maatregelen om dat effect te verminderen. Voor wat betreft het effect op vogels en de vogelpopulaties tijdens de exploitatiefase van het windpark blijkt uit de Natuurtoets dat op jaarbasis er maximaal 30 aanvaringsslachtoffers vallen onder vogels (alle soorten tezamen).

Voor de broedvogels in en nabij het plangebied worden jaarlijks alleen incidentele slachtoffers voorzien. Met uitzondering van kokmeeuw, geldt dit ook voor alle niet-broedvogelsoorten in en nabij het plangebied. Een dergelijk lage additionele sterfte heeft per definitie geen effect op de GSI van betrokken soorten. Om dit sterftecijfer in perspectief te plaatsen wordt ook verwezen naar het aantal vogels dat volgens de Vogelbescherming jaarlijks wordt gedood door (verwilderde) huiskatten. Dit betreft naar schatting 18 miljoen vogels in Nederland. (https://www.vogelbescherming.nl/actueel/bericht/katten-versus-vogels) Vleermuizen Wat betreft de beschermde groep vleermuizen is alleen incidenteel gebruik als jachtgebied vastgesteld, geen vaste kolonie of verblijfplaatsen. In het toekomstige Windpark Energiepark A59 kan sprake zijn van overtreding van verbodsbepalingen genoemd in artikel 3.5 lid 1 Wnb vanwege mogelijke aanvaringsslachtoffers onder de soorten gewone dwergvleermuis en ruige dwergvleermuis, waarvoor mogelijk een ontheffing nodig is. Een effect van het windpark op de GSI van de lokale populatie van de gewone dwergvleermuis en ruige vleermuis wordt op basis van de Natuurtoets uitgesloten. Effecten op de regionale en landelijke populatie zijn daarmee ook uitgesloten.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Oosterhout&id=9f68955d-36d2-4eba-a239-51ba0c5d5e3a