Oosterhout-Zuid 2017, herziening 6 (herontwikkeling Galvanitas)_ontwerp_2_Toelichting.pdf
Tekst van het document
Deze zijn overgenomen uit de Parkeernormen Oosterhout 2019. In tabel 5.3 zijn de parkeerkencijfers per type woning weergegeven. De parkeerbehoefte voor het bezoek van de woningen is 0,3 parkeerplaats per woning. De norm per woning is aangepast op de doelgroep, namelijk een en tweepersoonshuishoudens.
36/67
Tabel 5.2 Parkeernomen leisure
Tabel 5.3 Parkeernorm bewoners GalvanitasFabriek (inclusief 0,3 parkeerplaats voor bezoekers)
Aanwezigheidspercentages Niet op alle momenten van de week is de parkeervraag van bewoners, werknemers en bezoekers even hoog. Om die reden wordt gebruik gemaakt van de meest recente aanwezigheidspercentages, die zijn gebaseerd op landelijke CROW richtlijnen uit 2018 (uit CROW publicatie 381 ‘Toekomstbestendig parkeren’). Deze zijn weergegeven in tabel 5.4. De aanwezigheidspercentages houden rekening met een afzonderlijk druktebeeld over de week voor bewoners en bezoekers, zoals het in de praktijk ook werkt. Het gebruik maken van de aanwezigheidspercentages leidt tot een efficiënt gebruik van de ruimte. Tabel 5.4 Aanwezigheidspercentages (bron: CROW publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren')
37/67
Deelmobiliteit Schonck, Schul & Compagnie en BPD zijn voornemens deelauto’s te plaatsen. Uit ervaringscijfers van Goudappel Coffeng blijkt dat deelauto-aanbieders uitgaan van 1 deelauto per 30 woningen. Dit komt neer op 7 deelauto’s voor deze locatie (200/30 = 6,7 = 7 deelauto’s). Als gevolg van de deelauto’s kan het eigen autobezit van bewoners worden gereduceerd. CROW publicatie 381 (‘Toekomstbestendig parkeren’) gaat uit van een reductie per deelauto tussen 4 en 8 normale auto’s. Voor deze locatie wordt gerekend met de formule: 1 deelauto vervangt 4 normale auto’s (voor bewoners). Het parkeerbeleid van de gemeente Oosterhout biedt de mogelijkheid om af te wijken van de standaard parkeernomen, bij het toepassen van deelauto’s. Van deze mogelijkheid wordt gebruik gemaakt in dit plan. Als de verwachting ten aanzien van het gebruik van deelauto's niet uit zou komen, dan is er de mogelijkheid om op eigen terrein extra parkeerplaatsen ter compensatie aan te leggen (op een locatie ten noorden van bouwblok C). Parkeerbehoefteberekening Uit de parkeerbehoefteberekening blijkt dat er 368 parkeerplaatsen nodig zijn, zie tabel 5.5. Op eigen terrein zijn 370 parkeerplaatsen voorzien (zie de plattegrond in figuur 5.1). Schonck, Schul & Compagnie gaat het gesprek aan met de kantoren aan het Europark voor medegebruik van (een deel van) hun parkeerplaatsen.
Juist buiten kantooruren is er de parkeerbehoefte van het Galvanitasterrein maatgevend. Daarom wordt de mogelijkheid onderzocht tot efficiënt dubbelgebruik met de parkeerplaatsen van deze kantoren. In de parkeerbalans voor de GalvanitasFabriek is hier nog geen rekening mee gehouden, omdat deze parkeerplaatsen pas meegerekend mogen worden als het gezamenlijk gebruik is vastgelegd in een langlopend contract.
Figuur 5.1 Parkeeraanbod eigen terrein
Tabel 5.5 Parkeerbehoefte beoogde ontwikkeling
38/67
Verkeersveiligheid De Eikdijk is 7 meter breed en de maximumsnelheid is 50 km/h. De fiets en het gemotoriseerde verkeer maken gebruik van dezelfde rijbaan. In het profiel van de Eikdijk is geen ruimte om een voetpad aan te leggen. De GalvanitasFabriek is voor voetgangers goed te bereiken door de aanleg van een voet/fietspad aan de westkant. Verder wordt verkend of een voetgangersverbinding met het Europark kan worden aangelegd. Op de Eikdijk rijden volgens het verkeersmodel op dit moment circa 5.300 motorvoertuigbewegingen (basisjaar 2015). Dit groeit in de referentievariant 2031 tot een verkeersdruk van circa 5.800 motorvoertuigbewegingen per werkdagetmaal. In de planvariant 2031 neemt de verkeersdruk toe tot circa 8.000 motorvoertuigbewegingen per werkdagetmaal. Voor een weg met maximumsnelheid 50 km/h en een beperkte functie voor het fietsverkeer (geen hoofdfietsroute) is het wenselijk fietsstroken aan te leggen conform CROW publicatie ‘Ontwerpwijzer Fietsverkeer’. Voor alle situaties, op dit moment en in de toekomst (dus ook zonder plan voor de GalvanitasFabriek), geldt dus dat het wenselijk is fietsstroken aan te leggen op de Eikdijk. De Eikdijk is echter te smal voor de aanleg van fietspaden.
Een alternatief wordt, zoals hiervoor beschreven, gerealiseerd aan de westkant van de GalvanitasFabriek op het openbaar terrein van de gemeente Oosterhout, naast het talud van de burgemeester Holtroplaan. Op het Wilhelminakanaal Zuid rijden in 2031 circa 5.000 motorvoertuigen per werkdag. Dit zal als gevolg van het plan groeien tot 6.136 motorvoertuigen. Langs het Wilhelminakanaal Zuid zal het huidige tweezijdig fietspad worden doorgetrokken, zoals toegelicht in paragraaf 4.4 Verkeer en parkeren. Het Paterserf is een 30 km/h zone. Ook hier maken fietsers en gemotoriseerd verkeer gebruik van dezelfde rijbaan. De verkeersdruk in de referentievariant 2031 van het verkeersmodel is circa 2.650 motorvoertuigbewegingen. In de planvariant 2031 groeit dit naar circa 2.800 motorvoertuigbewegingen. Er is sprake van een acceptabele verkeersdruk voor een 30 km/h zone. Het is niet nodig om maatregelen te treffen. Beleving
39/67
Er is sprake van een beperkte groei van het verkeer op het Paterserf (van circa 2.650 naar circa 2.800 motorvoertuigbewegingen per werkdagetmaal). Tijdens het drukste uur zal de verkeersdruk groeien van 236 naar 252 motorvoertuigbewegingen per uur: in beide situaties circa 4 auto’s per minuut. Het planeffect zal dus op het Paterserf nauwelijks merkbaar zijn in de praktijk. Het bouwverkeer wordt tijdens de bouwperiode hier geweerd. De toename van de verkeersdruk zal niet leiden tot een wezenlijk ander geluidsniveau op de gevel van de woningen (minder dan 1 dB). 5.3.3 Conclusie Door de beoogde ontwikkeling is er sprake van een verkeersgeneratie van 2.562 mvt/etmaal. Dit verkeer zal afgewikkeld worden via het Wilhelminakanaal Zuid en de Eikdijk. Er is zowel in het drukste ochtend- en avondspitsuur sprake van een zeer goede doorstroming op de kruispunten. Er zijn 368 parkeerplaatsen nodig voor de ontwikkeling. Op eigen terrein zijn circa 370 parkeerplaatsen voorzien. Hiermee wordt voldaan aan de parkeerbehoefte. Er is in de berekening van de parkeerbehoefte uitgegaan van het gebruik van deelauto's. Mocht het effect hiervan niet aan de verwachtingen voldoen, dan worden alsnog 20 extra parkeerplaatsen aangelegd. Hiervoor is ruimte gereserveerd op het terrein aan de noordzijde, ter hoogte van appartementengebouw C.
Uitbreiding van parkeerruimte wordt nagestreefd door samenwerking met kantoren op het Europark. De aspecten verkeer en parkeren vormen geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
5.4
Archeologie en cultuurhistorie
5.4.1 Normstelling en beleid Erfgoedwet Sinds 1 juli 2016 is de Erfgoedwet van kracht. De uitgangspunten uit het 'Verdrag van Malta' blijven in de Erfgoedwet de basis van de Nederlandse omgang met archeologie. De Erfgoedwet regelt de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem, de inpassing ervan in de ruimtelijke ontwikkeling en de financiering van opgravingen. Ook regelt de Erfgoedwet de bescherming van rijksmonumenten beschermde stadsgezichten. Voor gebieden waar archeologische waarden voorkomen of waar reële verwachtingen bestaan dat ter plaatse archeologische waarden aanwezig zijn, dient door de initiatiefnemer voorafgaand aan bodemingrepen archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. De uitkomsten van het archeologisch onderzoek dienen vervolgens volwaardig in de belangenafweging te worden betrokken. Het belangrijkste doel is de bescherming van het archeologische in de bodem (in situ) omdat de bodem doorgaans de beste garantie biedt voor een goede conservering. Er wordt uitgegaan van het basisprincipe de 'verstoorder' betaalt voor het opgraven en het documenteren van de aangetroffen waarden als behoud in de bodem niet tot de mogelijkheden behoort. Het gemeentelijk beleid is weergegeven in paragraaf 3.3.5en 3.3.6.
40/67
5.4.2 Toetsing In het geldende bestemmingsplan kent het plangebied een archeologische dubbelbestemming. Archeologisch onderzoek is niet noodzakelijk wanneer de bouwwerkzaamheden een kleiner oppervlakte dan 100 m2 hebben, er geen sprake is van heiwerkzaamheden en niet dieper dan 0,50 m gaan. Uit het bureauonderzoek (Antea, 2019) komt naar voren dat voor het plangebied een brede archeologische verwachting geldt. Er kunnen archeologische resten worden aangetroffen van de bronstijd tot en met de nieuwe tijd, waarbij de hoogste verwachting geldt voor de periode late middeleeuwen en nieuwe tijd. Nader onderzoek is noodzakelijk. De geformuleerde verwachting is echter sterk afhankelijk van het feit of de bodemopbouw in het plangebied nog intact is. Het bureau onderzoek is opgenomen in bijlage 3. Na het afronden van het bureauonderzoek zijn gegevens beschikbaar gekomen over de funderingswijze en de diepte van de aanwezige bebouwing. Dat is aanleiding geweest voor het opstellen van een aanvullende notitie bij het bureauonderzoek (Antea 2022). Deze notitie is opgenomen als bijlage 4. Op basis van deze aanvullende informatie adviseert Antea geen archeologisch vervolgonderzoek uit te voeren ter plaatse van blok A, B en D. De bodem is bij de bouw van de huidige gebouwen al tot voorbij het archeologisch relevante niveau geroerd.
Ter plaatse van blok C en E blijft het oorspronkelijke advies om hier te komen tot een toetsing van de aard van de bodemopbouw ongewijzigd. Nader onderzoek wordt uitgevoerd voor het indienen van de aanvraag van de omgevingsvergunning voor bouwen. Op de Erfgoedkaart van de gemeente Oosterhout zijn op de locatie geen aanduidingen opgenomen vóór cultuurhistorische waarden. 5.4.3 Conclusie De aspecten archeologie en cultuurhistorie staan de beoogde ontwikkeling niet in de weg.
5.5
Bodem
5.5.1 Normstelling en beleid Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan rekening gehouden te worden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijziging dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd. Ten behoeve van ruimtelijke plannen dient ten minste het eerste deel van het verkennend bodemonderzoek, het historisch onderzoek, te worden verricht. Indien uit het historisch onderzoek wordt geconcludeerd dat op de betreffende locatie sprake is geweest van activiteiten met een verhoogd risico op verontreiniging dient een volledig verkennend bodemonderzoek te worden uitgevoerd.
41/67
5.5.2 Toetsing en conclusie In het plangebied is bodemonderzoek uitgevoerd. De bijbehorende bodemparagraaf met de beschrijving van de uitgevoerde onderzoeken is opgenomen in Bijlage 1. Op basis van de beschikbare bodemgegevens voor de herontwikkelingslocatie kan worden geconcludeerd dat er aanwijzingen zijn voor de aanwezigheid van bodemverontreiniging ter plaatse van deellocatie 1 (Galvanitasterrein). Op deellocatie 2 (politieterrein ged.) zijn geen bodemverontreinigingen aanwezig. De in deze bodemparagraaf genoemde rapporten I t/m VII zijn als bijlagen toegevoegd aan het bestemmingsplan. Vervolg deellocatie 1 (Galvanitasterrein) Op basis van verkennend en actualiserend bodemonderzoek dient te worden nagegaan wat de milieu hygiënische kwaliteit van de bodem en/of exacte omvang van de bekende bodemverontreiniging is. Deze bodemonderzoeken dienen uiterlijk voorafgaand aan het aanvragen van een omgevingsvergunning te worden uitgevoerd. Eventueel kunnen hierover nog aanvullende bepalingen voor op worden genomen. Naast de bodemonderzoeken zullen voor de reeds bekende bodemverontreinigingen (en eventuele nieuwe) vervolgstappen moeten worden genomen (opstellen plan van aanpak/BUS-melding/saneringsplan, uitvoering sanering, monitoring) voor het uitvoeren van de grondroerende werkzaamheden of afronding van de Wbb procedure.
Doordat de verontreinigingen in de toekomst afgedekt blijven met verharding zijn bovenstaande vervolgstappen niet noodzakelijk om de locatie geschikt te maken voor de beoogde functies op de begane grond zijnde leisure, lichte bedrijven en buitenruimte bestaande uit groen, parkeren en overige verharding. De functie wonen is niet relevant omdat deze niet wordt toegestaan op de begane grond. In gebouw K (het voormalige kantoor) zijn wel appartementen toegestaan op de begane grond, hier is echter geen verontreiniging aangetroffen. De resultaten van het bodemonderzoek zijn besproken met de Omgevingsdienst Midden- en West-Brabant. Afgesproken is dat de initiatiefnemer een saneringsplan opstelt voor de geconstateerde bodemverontreiniging.
5.6
Ecologie
Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient onderzocht te worden of de Wet natuurbescherming (hierna: Wnb) en het beleid van de provincie ten aanzien van de bescherming van dier- en plantensoorten en de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland de uitvoering van het plan niet in de weg staan. In elk geval moet aannemelijk zijn dat vergunning of ontheffing van de van de bij of krachtens deze wet geldende verbodsbepalingen kan worden verkregen voor de activiteiten die met dit bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt. Dit is anders indien uit de Wnb voortvloeit dat een passende beoordeling moet worden gemaakt. Deze dient te zijn verricht ten tijde van vaststelling van het bestemmingsplan. 5.6.1 Normstelling en beleid Met de Wnb zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dier- en plantensoorten samengebracht in één wet. De Wnb implementeert diverse Europeesrechtelijke regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn in de Nederlandse wetgeving.
42/67
Gebiedsbescherming De Wnb kent diverse soorten natuurgebieden, te weten: a. Natura-2000 gebieden; b. Natuurnetwerk Nederland (NNN). Natura-2000 gebieden De Minister van Economische Zaken (EZ) wijst gebieden aan die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden: Natura 2000. Een dergelijk besluit bevat de instandhoudingsdoelstellingen voor de leefgebieden van vogelsoorten (Vogelrichtlijn) en de instandhoudingsdoelstellingen voor de natuurlijke habitats en habitats van soorten (Habitatrichtlijn). Een bestemmingsplan dat afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, kan uitsluitend vastgesteld worden indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan, onderscheidenlijk het project, de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: alternatieve oplossingen zijn niet voor handen; het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard, en de nodige compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft.
De bescherming van deze gebieden heeft externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden verstoring kunnen veroorzaken en moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Natuurnetwerk Nederland (NNN) / Natuurnetwerk Brabant (NNB) Gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) worden aangewezen in de provinciale verordening. De provincie Noord Brabant hanteert daarvoor het begrip Natuurnetwerk Brabant (NNB). Voor dit soort gebieden geldt het 'nee, tenzij' principe, wat inhoudt dat binnen deze gebieden in beginsel geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogen plaatsvinden. Soortenbescherming In de Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen: a. soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn; b. soorten die worden beschermd in de Habitatrichtlijn; en c. de bescherming van overige soorten. De Wnb bevat onder andere verbodsbepalingen ten aanzien van het opzettelijk vernielen of beschadigen van nesten, eieren en rustplaatsen van vogels als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. Gedeputeerde Staten (hierna: GS) kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen Provinciale Staten (hierna: PS) vrijstelling verlenen van dit verbod. De voorwaarden waaraan voldaan moet worden om ontheffing of vrijstelling te kunnen verlenen zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Vogelrichtlijn.
Verder is het
43/67
verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen of te verstoren. GS kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen PS vrijstelling verlenen van dit verbod. De gronden voor verlening van ontheffing of vrijstelling zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Habitatrichtlijn. Ten slotte is een verbodsbepaling opgenomen voor overige soorten. Deze soorten zijn opgenomen in de bijlage onder de onderdelen A en B bij de Wnb. De provincie kan ontheffing verlenen van deze verboden. Verder kan bij provinciale verordening vrijstelling worden verleend van de verboden. De noodzaak tot ontheffing of vrijstelling kan hierbij ook verband houden met handelingen in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden. Uitwerking Verordening uitvoering Wet natuurbescherming Noord-Brabant In de provincie Noord-Brabant wordt vrijstelling verleend voor het weiden van vee, voor het op of in de bodem brengen van meststoffen en voor agrarische beregening uit grondwater.
In het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied, bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw, bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of natuurbeheer, of bestendig beheer of onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied worden vrijstellingen verleend ten aanzien van de soorten genoemd in bijlage 3 bij deze verordening. Het betreft aardmuis, bastaardkikker, bosmuis, bruine kikker, dwergmuis, dwergspitsmuis, egel, gewone bosspitsmuis, gewone pad, haas, huisspitsmuis, kleine watersalamander, konijn, meerkikker, ondergrondse woelmuis, ree, rosse woelmuis, tweekleurige bosspitsmuis, veldmuis, vos, wild zwijn en woelrat.
5.6.2 Toetsing Gebiedsbescherming Het plangebied ligt buiten beschermde gebieden, maar grenst wel aan het Wilhelminakanaal, dat is aangewezen als NNB-gebied (figuur 5.2). Het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige Natura 2000-gebied Ulvenhoutse Bos ligt op een afstand van circa 8,6 kilometer. Omdat het plangebied buiten beschermde gebieden ligt zijn directe effecten, zoals areaalverlies en versnippering, uitgesloten. Tevens kunnen verstoring en verandering van de waterhuishouding worden uitgesloten. Met een stikstofberekening dient aangetoond te worden dat er geen significant negatieve effecten ontstaan door een toename van stikstofdepositie als gevolg van het voorgenomen plan. Voor de berekening van stikstofdepositie op stikstofgevoelige gebieden wordt onderscheidt gemaakt in de gebruiksfase en in de realisatiefase. De Wet stikstofreductie en natuurverbetering (Wsn) regelt een vrijstelling van de vergunningplicht in artikel 2.7 lid 2 Wnb voor de realisatiefase van bouwwerkzaamheden. Deze vrijstelling geldt alleen voor de effecten als gevolg van stikstofdepositie en niet voor eventuele andere effecten als gevolg van het project op Natura-2000 gebieden. De vrijstelling is verder uitgewerkt in het Besluit stikstofreductie en natuurverbetering (Bsn). De Wsn en Bsn zijn per 1 juli 2021 in werking getreden. Een berekening voor de realisatiefase is derhalve niet nodig.
Deze vrijstelling geldt niet voor de gebruiksfase. Voor de gebruiksfase is
44/67
een AERIUS-berekening uitgevoerd om negatieve effecten op Natura 2000 uit te sluiten. Zie bijlage 8 voor de memo, bijlage 9 voor de berekening van de gebruiksfase Uit de berekening blijkt dat geen sprake is van rekenresultaten die hoger zijn dan 0,00 mol N/ha/jr voor de gebruiksfase van de ontwikkeling. Soortenbescherming Uit de natuurtoets herontwikkeling herontwikkeling bedrijventerrein Galvanitas (2022) blijkt dat er binnen het plangebied of haar invloedssfeer een aantal beschermde soorten of potentieel leefgebied van deze soorten aanwezig is. Het betreft: roofvogels en algemene broedvogels, vleermuizen en de alpenwatersalamander. De Natuurtoets is opgenomen in bijlage 10. In een afzonderlijke toets is de groenstrook langs de Burgemeester Holtroplaan onderzocht, omdat in deze strook de aanleg van voetpaden en fietspaden is voorzien (bijlage 11). Nader onderzoek is uitgevoerd (Antea, december 2019), zie bijlage 12. Daaruit is gebleken dat er geen verblijfplaatsen van beschermde soorten in het gebied zijn. Wel is er een vliegroute voor vleermuizen aanwezig. Het voornemen leidt in eerste instantie tot een fysieke aantasting van het bosperceel en de vliegroute. Doordat een gedeelte van het aanwezige bosperceel blijft gehandhaafd kan de vliegroute eenvoudig als aaneengesloten lijnvormig element worden gemitigeerd (zie figuur 5.2).
Het nader onderzoek (bijlage 12) wordt op moment van schrijven geactualiseerd en leidt vooralsnog niet tot nieuwe inzichten. . Het is ook mogelijk dat de (gemitigeerde) vliegroute nadelig wordt beïnvloedt door de ontwikkeling middels lichtverstoring. De route wordt niet gebruikt door extreem lichtgevoelige soorten zoals de meervleermuis. Effecten op de vliegroute kunnen optreden wanneer de bosrand verlicht wordt vanuit het nieuwe voornemen en daarmee minder geschikt wordt. Mitigatie vliegroute Het deel van het bosperceel wat buiten de ontwikkeling blijft bestaan (zie figuur 5.2), dient correct te worden ingericht (met inheemse beplanting en kruidenrijke soorten aan de bosrand) en donker te blijven. Lichtverstrooiing vanuit de nieuwe bebouwing en de parkeerplaats dient te worden voorkomen. Echter, omdat het hier geen extreem lichtgevoelige soorten betreft is het voldoende om enkel zware lichtbronnen te voorkomen zoals lantaarnpalen en schijnwerpers. Amberverlichting vermindert het negatieve effect van lichtverstoring. Verlichting aan de buitenzijde van het gebouw en op de parkeerplaats dient amberkleurig te zijn en met speciale armaturen naar beneden gericht te worden. Op deze wijze is geen sprake van een negatief effect op de vliegroute.
De aantasting aan het bosperceel en de vliegroute is niet ontheffingsplichtig wanneer de vliegroute zijn functie blijft behouden voor de vleermuizen. De vliegroute is functioneel voor de vleermuizen wanneer: Een aaneengesloten lijnvormig element blijft (zie ook figuur 5.2). De vliegroute niet onder invloed van verlichting komt te staan. Indien verlichting nabij de vliegroute van belang is dienen deze van de route af te schijnen en voorzien te zijn van amberkleurige verlichting met gerichte armaturen; Kruidenrijke rand langs de bosrand zodat het ook aantrekkelijk is voor insecten (prooidieren van vleermuizen)
45/67
Figuur 5.2 Behouden vliegroute t.o.v. bestaande vliegroutes van vleermuizen Zorgplicht De algemene zorgplicht geldt voor elke soort en elk individu in Nederland. Op basis van het ecologische onderzoek worden volgende aandachtpunten genoemd: Het opzettelijk aantasten van de vossenburcht (bosperceel politie) en vossen dient te worden voorkomen. In de kwetsbare periode van de vos, maart – augustus (valt grotendeels samen met het broedseizoen), worden werkzaamheden aan het bosperceel afgeraden. Gefaseerd werken om dieren tijdig de kans te geven om het gebied te verlaten; De egel is met name gevoelig voor verstoring in de periode van eind juli tot en met april (gehele winterperiode is het dier in winterslaap). Een aantal inspanningen zijn mogelijk om rekening te houden met egels binnen het werkterrein. Geadviseerd wordt om zowel voor de mitigatie van de vleermuisvliegroute als de genoemde aandachtspunten vanuit de zorgplicht een ecologisch werkprotocol op te stelen voor de realisatie van de herontwikkeling. Hiermee kunnen negatieve effecten uitgesloten worden. Een ecologisch onderzoek dat ouder is dan 3 jaar kan niet als onderbouwing worden gebruikt bij een bestemmingsplan en/of omgevingsvergunning. Het beschikbare nader onderzoek is uit 2019, naar verwachting wordt het bestemmingsplan circa 3 jaar daarna vastgesteld, de uitvoering volgt weer daarna.
Daarom heeft de initiatiefnemer ervoor een gekozen een actualiserend veldonderzoek uit te voeren. Dit onderzoek is gereed bij de vaststelling van het bestemmingsplan.
46/67
5.6.3 Conclusie Het aspect ecologie vormt, rekening houdend met de voorgestelde mitigerende maatregelen, geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Omdat de werkingsduur van de uitgevoerde onderzoeken verloopt voor de vaststelling van dit bestemmingsplan is inmiddels opdracht gegeven om de onderzoeksresultaten te actualiseren.
5.7
Water
5.7.1 Waterparagraaf Waterbeheer en watertoets Het watertoetsproces is een belangrijk instrument om het waterbelang in ruimtelijke plannen en besluiten te waarborgen. Het gaat daarbij om alle waterhuishoudkundige aspecten, waaronder veiligheid, wateroverlast, watertekort, waterkwaliteit en verdroging, en om alle wateren: rijkswateren, regionale wateren en grondwater. Het is niet een toets achteraf, maar een proces dat de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder in een zo vroeg mogelijk stadium met elkaar in gesprek brengt. Bij het tot stand komen van deze paragraaf wordt overleg gevoerd met de waterbeheerder. De opmerkingen van de waterbeheerder worden vervolgens verwerkt in de waterparagraaf. De waterparagraaf is opgenomen in Bijlage 2. Uit de waterparagraaf blijkt dat de grond geschikt is voor infiltreren. Bij de uitwerking van de plannen en de aanvraag omgevingsvergunning zal de waterbergingsopgave verder worden uitgewerkt. De waterberging wordt integraal meegenomen in het landschapsontwerp. Het is de ambitie om hemelwater volledig te bergen op eigen terrein. In artikel 3.2.4 is een voorwaardelijke verplichting opgenomen waarmee is gewaarborgd dat voldoende waterberging wordt gerealiseerd bij de uitvoering van het plan. Bescherming van het grondwaterbeschermingsgebied is geborgd door artikel 8.1.
5.8
Wegverkeerslawaai
5.8.1 Normstelling en beleid Volgens de Wgh (Wet geluidhinder) is akoestisch onderzoek noodzakelijk wanneer nieuwe woningen in de geluidzone van een bestaande gezoneerde weg of spoorweg worden gerealiseerd. Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is akoestisch onderzoek uitgevoerd. 5.8.2 Toetsing Door Antea Group is een akoestisch onderzoek uitgevoerd ter bepaling van de geluidbelasting als gevolg van het wegverkeer op het plangebied Galvanitasterrein, zie bijlage 15. Uit dit onderzoek blijkt dat vanwege de korte afstand tot de maatgevende wegen (hier de Eikdijk, Wilhelminakanaal zuid en Burgemeester Holtroplaan / Slotlaan) hoge geluidbelastingen optreden. De gevels zullen grotendeels een geluidbelasting ondervinden die hoger is dan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB, maar niet hoger dan de maximale ontheffingswaarde van 63 dB. De conclusies per weg zin als volgt. Wilhelminakanaal Zuid
47/67
Het toepassen van geluidreducerend wegdek is doelmatig. Het toepassen van het wegdektype ‘dunne deklagen B’ op de Wilhelminakanaal Zuid neemt namelijk de overschrijding van de voorkeursgrenswaarde van 48 dB bij 60 woningen weg. De geluidreductie op overige woningen met een geluidbelasting hoger dan de voorkeursgrenswaarde varieert van 1 tot 3 dB. Na toepassing van de geadviseerde maatregelen dienen voor een aantal woningen nog hogere waarden te worden vastgesteld, variërend van 49 dB tot 53 dB. Burgemeester Holtroplaan Uit de doelmatigheidstoets blijkt dat het toepassen van de bronmaatregel met reducerend wegdektype financieel niet doelmatig is. Uit een doelmatigheidsafweging voor de weg Burgemeester Holtroplaan blijkt dat het toepassen van een scherm bij enkele woningen een geluidreductie oplevert van tenminste 5 dB. Hierdoor is het toepassen van een scherm te overwegen. De geluidreductie op overige woningen met een geluidbelasting hoger dan de voorkeursgrenswaarde varieert van 1 tot 4 dB. Na toepassing van deze te overwegen maatregelen dienen voor 32 woningen nog hogere waarden te worden vastgesteld. Zonder toepassing van een scherm dienen voor 79 woningen hogere waarden te worden vastgesteld. Eikdijk Uit de doelmatigheidsafweging blijkt dat het toepassen van de bronmaatregel met reducerend wegdektype financieel niet doelmatig is.
Ook stuitten overdrachtmaatregelen hier tegen stedenbouwkundige bezwaren. Dit betekent dat er voor de Eikdijk hogere waarden dienen te worden vastgesteld, variërend van 52 dB tot 59 dB. Meerdere appartementen beschikken niet over een geluidluwe gevel. Met toepassing van ontvangermaatregelen om dergelijke gevels te creëren (bijvoorbeeld vliesgevel, loggia’s) en voldoende geluidgevelwering, kan een aanvaardbaar woon- en leefklimaat worden geborgd. Er dient te worden beoordeeld of met de beoogde (bouw)materialen kan worden voldaan aan de eisen uit het Bouwbesluit. Dit kan worden bepaald a.d.h.v. een onderzoek naar de geluidwering van de gevel. Indien er ontvangermaatregelen worden toegepast aan de gevels zoals hiervoor aangegeven, kan worden beoordeeld dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en verblijfsklimaat (ten gevolge van wegverkeer). In het Bouwbesluit is geborgd dat bij woningen waarvoor een hogere waarde is vastgesteld de gevel voldoende geluidwerend is. 5.8.3 Conclusie Doordat maatregelen worden getroffen voor de hoge geluidbelastingen, is er sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ten gevolge van wegverkeer.
48/67
5.9
Inrichtingslawaai
5.9.1 Normstelling en beleid Bestaande bedrijven hebben te maken met geluidnormen die zijn vastgelegd in het Activiteitenbesluit milieubeheer en de Wabo-vergunning. Deze geluidnormen zijn gerelateerd aan geluidgevoelige objecten in de omgeving. Het naastgelegen bedrijf Smurfit Kappa valt sinds 1 januari 2013 van rechtswege onder het activiteitenbesluit. Volgens het Activiteitenbesluit gelden geluidnormen voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr,LT) en het maximaal geluidniveau (LAmax) veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige installaties en toestellen, alsmede door de in de inrichting verrichte werkzaamheden en activiteiten en laad- en losactiviteiten ten behoeve van en in de onmiddellijke nabijheid van de inrichting. 5.9.2 Toetsing Om de geluidbelasting vanwege dit bedrijf te bepalen is een akoestisch onderzoek uitgevoerd (Antea Group, 2021) zie bijlage 13. Uit dit onderzoek blijkt dat vanwege de korte afstand tot aan de bestaande industrie (Smurfit Kappa) bij hoogbouw hoge geluidbelastingen zullen optreden op met name de gevels van de hoger gelegen woningen en de woningen direct grenzend aan de Eikdijk. Een aantal gevels zal een geluidbelasting ondervinden die hoger is dan de grenswaarde van 50 dB(A) etmaalwaarde voor het langtijdgemiddelde geluidniveau. Dit geldt met name voor de oostelijk gelegen hoge woontorens binnen het plangebied.
Eén gevel zal een geluidbelasting ondervinden die hoger is dan de grenswaarde van 60 dB(A) voor het maximaal geluidniveau in de nachtperiode. Het belangrijkste knelpunt ontstaat als gevolg van de vrachtwagenbewegingen t.h.v. de in-/uitrit op het Smurfit Kappa terrein en als gevolg van de geluiduitstraling van dakdelen- en bronnen, wat voornamelijk zijn effect heeft op de oostgevels van de woontorens, aangrenzend aan het Smurfit Kappa terrein. In een nader onderzoek zijn de afwijkingen van de grenswaarden voor de relevante geluidbronnen in beeld gebracht, zie bijlage 14 voor dit onderzoek. Omdat het aantal relevante geluidbronnen in het akoestisch rekenmodel en het aantal relevante geluidbronnen in de feitelijke situatie niet eenduidig zijn, zijn in het maatregelenonderzoek twee sporen uitgewerkt. Met het eerste spoor binnen het maatregelenonderzoek zijn de maatregelen naar aanleiding van de vergunde situatie en de geluidbronnen, zoals opgenomen in het akoestisch rekenmodel, onderzocht. Met het tweede spoor binnen het maatregelenonderzoek zijn de maatregelen naar aanleiding van de feitelijke situatie en de geluidbronnen onderzocht.
Wanneer de geprognosticeerde geluidbelasting hoger is dan de grenswaarde, moet worden onderzocht welke geluidwerende en/of geluidreducerende bronmaatregelen dienen te worden getroffen op het terrein van Smurfit Kappa, om binnen het plangebied woningbouw mogelijk te maken. Overdrachtsmaatregelen in de vorm van het plaatsen van een geluidscherm zijn gezien de hoogte van de woontorens niet effectief. Vooralsnog wordt ervan uitgegaan dat er geen technische en/of organisatorische maatregelen binnen het Smurfit Kappa terrein plaatsvinden, daarom worden er binnenplanse maatregelen getroffen om aan het wettelijk kader te kunnen voldoen. Anders zou het bedrijf in zijn bestaande en toekomstige mogelijkheden worden beperkt en zou er geen sprake zijn van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van de nieuwe woningen. De binnenplanse maatregel is het toepassen van dove gevels. Dit is als voorwaardelijke verplichting
49/67
opgenomen in de regels. In bijlage 2 bij de regels is aangegeven welke gevels doof moeten worden uitgevoerd. Van de twee meest oostelijke gebouwen moeten de gemarkeerde gevels op alle bouwlagen doof worden uitgevoerd, van het eerstvolgende gebouw alleen de drie hoogste bouwlagen. 5.9.3 Conclusie Indien de gevels met een te hoge geluidbelasting doof worden uitgevoerd, wordt voldaan aan de wettelijke kaders. Er is sprake van een aanvaardbare geluidsituatie en Smurfit Kappa wordt niet belemmerd in de bedrijfsvoering. Daarom is in de regels het toepassen van een dove gevel als verplichting opgenomen. Daarnaast moeten hogere waarden van maximaal 55 dB(A) worden vastgesteld in een maatwerkvoorschrift van Smurfit Kappa op basis van het Activiteitenbesluit. Onder deze voorwaarden is de ontwikkeling op het voormalige Galvanitasterrein mogelijk.
5.10 Bedrijven en milieuhinder 5.10.1 Normstelling en beleid In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van milieugevoelige functies zoals woningen: ter plaatse van de woningen een aanvaardbaar woon- en leefmilieu kan worden gegarandeerd; rekening wordt gehouden met de bedrijfsvoering en milieuruimte van de betreffende bedrijven. Om in de bestemmingsregeling de belangenafweging tussen bedrijvigheid en nieuwe woningen in voldoende mate mee te nemen, wordt in dit plan gebruikgemaakt van de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). In deze publicatie is een lijst opgenomen waarin de meest voorkomende bedrijven en bedrijfsactiviteiten zijn gerangschikt naar mate van milieubelasting. Voor elke bedrijfsactiviteit is de maximale richtafstand ten opzichte van milieugevoelige functies aangegeven op grond waarvan de categorie-indeling heeft plaatsgevonden. Gezien de gemengde aard van het gebied is gekozen voor de staat van bedrijfsactiviteiten voor functiemenging. Milieuzonering beperkt zich tot de milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie: geluid, geur, gevaar en stof. 5.10.2 Toetsing In de beoogde situatie worden woningen, leisure, cultuur en bedrijven gerealiseerd.
Hiermee wordt een milieugevoelige functie en een milieuhinderlijke functie opgericht en moet worden getoetst aan de richtafstanden zoals vermeld in de VNG-brochure. Het plangebied is gelegen in een gebied met voornamelijk woningen. De locatie is gelegen naast een bedrijventerrein en in de omgeving van het plangebied bevinden zich voornamelijk bedrijven en kantoren. De omgeving van het plangebied kan daardoor worden getypeerd als 'gemengd gebied'. Milieugevoelige bestemming Ten zuiden van het plangebied grenzen kantoren. Volgens de VNG-brochure vallen kantoren in milieucategorie 1 en mogen in gemengd gebied naast woningen gerealiseerd worden. Wilhelminakanaal-Zuid 106 Ten oosten van het plangebied op een afstand van circa 20 meter bevindt zich het bedrijf Smurfit Kappa Vandra
50/67
BV (hierna Smurfit Kappa). Dit is het afstand tussen de bestemmingsgrens van het bedrijf en het dichtstbij geprojecteerde nieuwe woongebouw. Het betreft een bedrijf uit milieucategorie 4.1 met een richtafstand van 100 meter in een gemengd gebied. De werkelijke afstand is kleiner, er wordt daarom niet aan de richtafstand voldaan. De maatgevende aspecten zijn geur (3 meter in een gemengd gebied) en geluid (100 meter in een gemengd gebied). In de aanvraag en de vergunning die aan Smurfit Kappa is verleend blijkt niet dat er geurbelastende activiteiten worden uitgevoerd. Aangenomen mag worden dat voor het aspect geur sprake zal zijn van een gezond woon- en leefklimaat. Om de geluidbelasting vanwege dit bedrijf te bepalen is een akoestisch onderzoek uitgevoerd (Antea Group, 2021) zie bijlage 13 en paragraaf 5.9. Vooralsnog wordt ervan uitgegaan dat er geen technische en/of organisatorische maatregelen binnen het Smurfit Kappa terrein plaatsvinden, daarom worden er binnenplanse maatregelen getroffen om aan het wettelijk kader te kunnen voldoen. Anders zou het bedrijf in zijn bestaande mogelijkheden worden beperkt en zou er geen sprake zijn van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van de nieuwe woningen. De gevels met een te hoge geluidbelasting worden doof uitgevoerd, zodat wordt voldaan aan de wettelijke kaders.
Daarmee is het acceptabel dat niet aan de richtafstand wordt voldaan. Milieuhinderlijke functies In het plangebied worden een filmhuis, museum, restaurant, commerciële dienstverlening en andere bedrijven gerealiseerd. Direct aan het plangebied grenzen geen bestaande of geprojecteerde woningen. De dichtstbijzijnde woningen bevinden zich op circa 120 meter afstand aan de noordzijde en op circa 150 meter afstand aan de west- en zuidzijde. Voor het toelaten van bedrijven in een gemengd gebied hanteert de VNG-publicatie een systeem met een indeling in een A, B, en C categorie: bedrijven van categorie A zijn toelaatbaar aanpandig aan woningen; bedrijven van categorie B zijn toelaatbaar als ze bouwkundig afgescheiden zijn van woningen; bedrijven van categorie C zijn toelaatbaar indien gesitueerd aan een hoofdweg. De VNG brochure stelt daarbij geen eisen aan de afstand tot woningen. De Staat van bedrijfsactiviteiten functiemenging is opgenomen als bijlage bij de regels. Op dit moment is in de oude Galvanitasfabriek een kleinschalige brouwerij gevestigd. Het is de wens deze activiteit voort te zetten op deze locatie. Omdat het gaat om een kleinschalige activiteit kan deze worden geschaard onder de categorie 'vervaardiging van wijn, cider e.d.' (SBI 1102 tot en met 1104) zoals opgenomen in de Staat van bedrijfsactiviteiten - functiemenging.
Om de invloed van de nieuwe functies op de bestaande en de toekomstige woningen te bepalen is een akoestisch onderzoek uitgevoerd (bijlage 16). De definitieve gebruikers van de locatie zijn nog niet bekend. Daarom is gerekende met een representatieve invulling van lichte bedrijvigheid, cultuur en horeca. Ook het bijbehorende parkeren en de bevoorrading is daarbij betrokken. Uit het onderzoek blijkt dat de nieuwe activiteiten niet leiden tot een overschrijding van de geluidnormen op bestaande woningen in de directe omgeving. Het gebruik van het parkeerterrein en vrachtwagenbewegingen voor de bevoorrading leiden bij de nieuwe woningen in het plangebied tot overschrijding van de maximale geluidniveaus in de avond en nachtperiode. Maatregelen aan de bron of in het overdrachtsgebied zijn niet mogelijk. Door gevelmaatregelen en de aanwezigheid van een geluidluwe buitenruimte kan ondanks de hogere geluidniveaus worden gewaarborgd dat sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat. Bij de aanvraag om een
51/67
omgevingsvergunning kan bij elk te vestigen bedrijf worden bepaald wat de specifieke geluidbelasting is en of (al dan niet met maatregelen) aan de geluidnormen kan worden voldaan. 5.10.3 Conclusie Uit de onderzoeken blijkt dat, met inachtneming van de voorgestelde maatregelen, sprake is van een goedwoon en leefklimaat. Ook leidt de ontwikkeling niet tot een beperking van de activiteiten van de bedrijven in de directe omgeving. In de regels wordt een verplichting opgenomen tot het toepassen van een dove gevel bij een deel van de woningen, in verband met de geluidbelasting van Smurfit Kappa.
5.11 Cumulatieve geluidbelasting Uit de onderzoeken naar wegverkeerslawaai en inrichtingslawaai blijkt dat het nodig is hogere grenswaarden voor geluid vast te stellen. Indien een geluidgevoelige bestemming waarvoor een hogere grenswaarde wordt vastgesteld in de zone van meerdere geluidbronnen ligt, dient in het kader van een goede ruimtelijke ordening inzichtelijk gemaakt te worden hoe hoog de gecumuleerde geluidbelasting is. De gecumuleerde geluidbelasting is berekend met de rekenmethode die in het “Reken- en meetvoorschrift geluid 2012” is vastgelegd, rekening houdend met de dosiseffect relaties van de verschillende bronsoorten. Een wettelijke toets aan een grenswaarde voor deze gecumuleerde geluidbelasting is niet aan de orde. Door de gemeente is aangegeven dat de gecumuleerde geluidbelasting niet de 66 dB te boven mag gaan. Hierbij is uitgegaan van de cumulatieve geluidbelasting zonder aftrek (ex art. 110g Wgh). De berekening van de gecumuleerde geluidbelasting is opgenomen in bijlage 17. Uit de berekening blijkt dat de gecumuleerde geluidbelasting niet hoger is dan 66 dB.
5.12 Luchtkwaliteit 5.12.1 Normstelling en beleid In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer. Dit onderdeel van de Wet milieubeheer (Wm) bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in tabel 5.6 weergegeven. Stof stikstofdioxide (NO2) fijn stof (PM10)
Toetsing van jaargemiddelde concentratie jaargemiddelde concentratie 24-uurgemiddelde concentratie fijn stof (PM2,5) jaargemiddelde concentratie Tabel 5.6 Grenswaarden maatgevende stoffen Wet milieubeheer
Grenswaarde 40 µg/m³ 40 µg/m³ max. 35 keer p.j. meer dan 50 µg / m³ 25 µg /m³
Op grond van artikel 5.16 van de Wm kunnen bestuursorganen bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor
52/67
de luchtkwaliteit onder andere uitoefenen indien de bevoegdheden/ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden of de bevoegdheden/ontwikkelingen niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht. Besluit niet in betekenende mate In dit Besluit niet in betekenende mate is bepaald in welke gevallen een project vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden 2 situaties onderscheiden: een project heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10 (= 1,2 µg/m³); een project valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg en 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen, kantoorlocaties met een bruto vloeroppervlak van niet meer dan 100.000 m2 bij één ontsluitingsweg en 200.000 m2 bij twee ontsluitingswegen. In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. 5.12.2 Toetsing Door de ontwikkeling is er sprake van een toename van verkeer van 2.562 mvt/etmaal (weekdaggemiddelde). Hierbij wordt uitgegaan van een aandeel vrachtverkeer van 1%.
In de nibm-tool (versie 27-3-2020) is 2025 als jaar van planrealisatie aangehouden. Uit de berekening blijkt dat deze verkeerstoename zorgt voor een toename van het gehalte stikstof in de lucht van 1,38 µg/m³ en van fijnstof van 0,39 µg/m³ (figuur 5.4). Het project draagt hierdoor mogelijk in betekenende mate bij aan de toename van de hoeveelheid stikstofdioxide en fijnstof in de lucht. Een toetsing aan de grenswaarden is derhalve noodzakelijk.
Figuur 5.4 Resultaten NIBM-tool 2020 Via de monitoringstool (www.nsl-monitoring.nl), die bij het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit hoort, is bekeken hoe hoog de concentraties luchtverontreinigende stoffen ter plaatse van het plangebied zijn. De dichtstbijzijnde toetspunten liggen aan de Europaweg. In figuur 5.5 is de ligging weergegeven.
53/67
Figuur 5.5 Maatgevende toetspunt nabij het plangebied (bron: NSL-monitoringstool) In tabel 5.7 zijn de achtergrondconcentraties ter plaatse van de Europaweg weergegeven en is getoetst of in 2020 aan de grenswaarden uit de Wet milieubeheer wordt voldaan. Er is uitgegaan van de hoogste achtergrondconcentratie ter plaatse van de maatgevende weg. Tabel 5.7 Toetsing (2020) aan de grenswaarden uit de Wet milieubeheer Stofcategorie Maximale Hoogste Maximaal planbijdrage 2020 achtergrond optredende 3 (µg/m ) concentratie concentratie 3 volgens (µg/m ) 2020 2020(µg/m3) NIBM rekentool (Rijkswaterstaat) NO2 1,38 19,9 21,28 PM10 0,39 12,2 12,59 PM2,5 0,39 7,5 7,89
Grenswaarde Wm (µg/m3)
40 40 25
Uit tabel 5.7 blijkt dat wanneer de maximale planbijdrage bij de concentraties luchtverontreinigende stoffen worden opgeteld in 2020, er alsnog aan de grenswaarden uit de Wet milieubeheer wordt voldaan ter plaatse van de maatgevende weg Europaweg. Omdat direct langs deze weg ruimschoots aan de grenswaarden wordt voldaan, zal dit ook ter plaatse van het plangebied het geval zijn. Concentraties luchtverontreinigende stoffen nemen immers af naarmate een locatie verder van de weg ligt. Ook nemen door gebruikmaking van steeds betere technieken de achtergrondconcentraties luchtverontreinigende stoffen jaarlijks af.
54/67
5.12.3 Conclusie Uit de berekening blijkt dat de bijdrage van de beoogde ontwikkeling mogelijk in betekenende mate bij aan de toename van de hoeveelheid stikstofdioxide en fijnstof in de lucht. Daarom is aan de hand van de achtergrondconcentraties getoetst of aan de grenswaarden kan worden voldaan en dat is het geval. Luchtkwaliteit is geen belemmering voor de uitvoering van het plan.
5.13 Kabels en leidingen 5.13.1 Normstelling en beleid Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dienen te worden gewaarborgd. Tevens dient rond dergelijke leidingen rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. Planologisch relevante leidingen zijn leidingen waarin de navolgende producten worden vervoerd: a. gas, olie, olieproducten, chemische producten, vaste stoffen/goederen; b. aardgas met een diameter groter of gelijk aan 18 inch; c. defensiebrandstoffen; d. warmte en afvalwater, ruwwater of halffabricaat voor de drink- en industriewatervoorziening met een diameter groter of gelijk aan 18 inch. 5.13.2 Onderzoek en conclusie In het plangebied en in de directe omgeving zijn geen planologisch relevante leidingen of hoogspanningsverbindingen aanwezig. Van eventuele belemmeringen over en weer is geen sprake.
5.14 Externe veiligheid 5.14.1 Normstelling en beleid Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk: bedrijven waar activiteiten plaatsvinden die gevolgen hebben voor de externe veiligheid; vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of door buisleidingen. Voor zowel bedrijvigheid als vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang, te weten het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon dodelijk wordt getroffen door een ongeval, indien hij zich onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag gedurende het hele jaar) en onbeschermd op een bepaalde plaats zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn. De rekenwaarde van het groepsrisico wordt vergeleken met een oriëntatiewaarde. Het bevoegd gezag heeft een verantwoordingsplicht in de wettelijk aangewezen gevallen. Risicorelevante inrichtingen Relevant is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). Op basis van het Bevi geldt voor het PR een
55/67
grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. Beide liggen op een niveau van 10-6 per jaar. Bij de vaststelling van een ruimtelijke onderbouwing of bestemmingsplan moet aan deze normen worden voldaan, ongeacht of het een bestaande of nieuwe situatie betreft. Het Bevi bevat geen norm voor het GR; wel geldt op basis van het Bevi een verantwoordingsplicht ten aanzien van het GR in het invloedsgebied van de inrichting. Vervoer van gevaarlijke stoffen Per 1 april 2015 is het Besluit externe veiligheid transportroutes (BEVT) en de regeling Basisnet in werking getreden. Het BEVT vormt de wet- en regelgeving, en de concrete uitwerking volgt in het Basisnet. Het Basisnet beoogt voor de lange termijn (2020, met uitloop naar 2040) duidelijkheid te bieden over het maximale aantal transporten van, en de bijbehorende maximale risico's die het transport van gevaarlijke stoffen mag veroorzaken. Het Basisnet is onderverdeeld in drie onderdelen: Basisnet Spoor, Basisnet Weg en Basisnet Water. Het BEVT en het bijbehorende Basisnet maakt bij het PR onderscheid in bestaande en nieuwe situaties. Voor bestaande situaties geldt een grenswaarde voor het PR van 10-5 per jaar ter plaatse van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en een streefwaarde van 10-6 per jaar.
Voor nieuwe situaties geldt de 10-6 waarde als grenswaarde voor kwetsbare objecten, en als richtwaarde bij beperkt kwetsbare objecten. In het Basisnet Weg en het Basisnet Water zijn veiligheidsafstanden (PR 10-6 contour) opgenomen vanaf het midden van de transportroute. Tevens worden in het Basisnet de plasbrandaandachtsgebieden benoemd voor transportroutes. Het Basisnet vermeldt dat op een afstand van 200 m vanaf de rand van het tracé in principe geen beperkingen hoeven te worden gesteld aan het ruimtegebruik. Er geldt een oriënterende waarde voor het groepsrisico en onder voorwaarden een verantwoordingsplicht tot 200 m binnen de transportroute. Buisleidingen Relevant is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). In dat Besluit wordt aangesloten bij de risicobenadering uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). In het Besluit externe veiligheid transportroutes zijn grens- en richtwaarden opgenomen voor het plaatsgebonden risico. Voor het groepsrisico geldt in de aangewezen gevallen een verantwoordingsplicht. Op grond van het Bevb dient bij ontwikkelingen inzicht te worden gegeven in de afstand tot het plaatsgebonden risico en de hoogte van het groepsrisico als gevolg van het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen.
56/67
5.14.2 Toetsing
Figuur 5.6 Uitsnede risicokaart met plangebied rood omkaderd Overeenkomstig de risicokaart waarin relevante risicobronnen getoond worden, zijn er in de omgeving van het plangebied geen risicovolle inrichtingen te vinden met een externe werking (figuur 5.6). Ook vindt er geen transport van gevaarlijke stoffen plaats in de directe omgeving via het spoor of door buisleidingen. Vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg Ten oosten bevindt zich de A27 op een afstand van circa 703 meter. Over deze vindt vervoer van gevaarlijke stoffen plaats. Het plaatsgebonden risico bedraagt 0 meter. Op basis van de Regeling basisnet geldt een plasbrandaandachtsgebied van 30 meter. Dit bevindt zich niet binnen het plangebied. Het invloedsgebied wordt bepaald door de stofcategorie LT2 en bedraagt 880 meter. Het plangebied bevindt zich in het invloedsgebied. Omdat de afstand tot de weg groter is dan 200 meter, hoeven volgens het Bevt in principe geen beperkingen te worden gesteld aan het ruimtegebruik. Wel dient een beknopte verantwoording te worden opgesteld. Vervoer van gevaarlijke stoffen over het water Uit de Beleidsvisie Externe Veiligheid van de gemeente Oosterhout blijkt dat er over het Wilhelminakanaal vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Voor deze vaarweg geldt op grond van het Basisnet water dat deze vanwege het PR en het groepsrisico geen relevante waarde hebben.
Om die reden zijn geen beperkingen gesteld. Dat sluit niet uit dat zich een calamiteit kan voordoen. Het belangrijkste vervoer is vloeibare brandbare stoffen. Daarvan is het effectgebied vooral bepaald door het explosie- of stralingsgebied. Standaardadvies Veiligheidsregio Midden- en West-Brabant In het standaardadvies worden kernpunten weergegeven die hieronder worden genoemd, welke in de beknopte verantwoording meegenomen zullen worden. samen werken aan een veiligere leefomgeving
57/67
afstand tot de risico's vergroot de veiligheid bebouwing en omgeving bieden bescherming gebouwen en gebieden zijn snel en veilig te verlaten de omgeving maakt snel en effectief optreden van de hulpdiensten mogelijk iedereen is bekend met de risico's en weet hoe te handelen als het mis gaat mensen krijgen bij een crisis passende medische zorg Beknopte verantwoording Bestrijdbaarheid en bereikbaarheid Voor zowel de bereikbaarheid en bestrijdbaarheid van 'dagelijkse incidenten', zoals brand of wateroverlast, als voor calamiteiten op het gebied van externe veiligheid, is het van belang dat de bereikbaarheid voor de hulpdiensten en bluswatervoorzieningen voldoende geborgd zijn. De bestrijdbaarheid is afhankelijk van de inzetbaarheid van hulpverleningsdiensten. De brandweer moet in staat zijn om hun taken goed uit te kunnen voeren om daarmee verdere escalatie van een incident te voorkomen. Hierbij kan gedacht worden aan het voldoende/adequaat aanwezig zijn van aanvalswegen en bluswatervoorzieningen. Het plangebied wordt ontsloten via de Europark, Eikdijk en Wilhelminakanaal Zuid. Deze wegen sluiten aan op het verdere wegennetwerk van Oosterhout. Het wegennetwerk biedt vluchtmogelijkheden in verschillende richtingen, waardoor altijd van de bron af kan worden gevlucht. Het gedegen netwerk komt de bestrijdbaarheid ten goede.
Zelfredzaamheid In de toekomstige situatie zullen woningen en leisure voorzieningen gerealiseerd worden. De aanwezige kinderen en ouderen worden gezien als verminderd zelfredzame personen. De mogelijkheden voor zelfredzaamheid bestaan globaal uit schuilen en ontvluchten. Als gevolg van een incident met toxische stoffen over de weg en over het water geldt dat een toxische wolk zich snel kan ontwikkelen en verplaatsen. Dit effect is vaak niet zichtbaar. Zelfredzaamheid in deze scenario's is alleen mogelijk als er tijdig alarmering plaatsvindt en gebouwen geschikt zijn om ten minste 4 uur te schuilen. Denk hierbij aan het sluiten van ramen en deuren en met name het uitschakelen van (mechanische) ventilatiesystemen. Hiermee worden de aanwezigen beschermd tegen de blootstelling aan toxische gassen. Daarnaast dienen, in het kader van effectieve zelfredzaamheid, de gebruikers van de objecten door risicocommunicatie te worden geïnstrueerd over de risico's en de mogelijke maatregelen die zij kunnen nemen. Ook het personeel dient geïnformeerd te worden over de verschillende risico's bij een incident. De alarmering van de aanwezigen wordt momenteel nog gerealiseerd middels het waarschuwings- en alarmeringssysteem (WAS). Dit systeem wordt de komende jaren uitgefaseerd.
Het waarschuwingssysteem wordt vervangen door een totaal pakket aan alarmeringsmiddelen, waaronder de calamiteitenzenders, de sirenes, crisis.nl, NL-Alert en het gebruik van sociale media. 5.14.3 Conclusie Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van de A27 en het Wilhelminakanaal waarover vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Door de afstand tot de A27 en het geringe vervoer over het Wilhelminakanaal zal de beoogde ontwikkeling niet leiden tot een significant effect op het groepsrisico. In de beknopte verantwoording is op de zelfredzaamheid, bestrijdbaarheid en bereikbaarheid van het plangebied ingegaan. De veiligheidssituatie zal met de beoogde ontwikkeling niet significant verslechteren en wordt als aanvaardbaar gezien. Verder zijn in de directe omgeving van het plangebied geen risicovolle bronnen aanwezig. Het aspect externe veiligheid vormt dan ook geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
58/67
5.15 Niet gesprongen explosieven De aanwezigheid van niet gesprongen conventionele explosieven (NGE) in een plangebied kan invloed hebben op de uitvoerbaarheid van het plan. Dit hangt samen met de veiligheid tijdens werkzaamheden in de bodem en kosten voor opsporing en verwijdering. Het is bekend dat er in en rond Oosterhout tijdens de Tweede Wereldoorlog oorlogshandelingen hebben plaatsgevonden. Daarom is onderzoek uitgevoerd naar de mogelijke aanwezigheid van NGE in het plangebied (bijlage 18). Uit het onderzoek blijkt dat het project op de reguliere wijze uitgevoerd kan worden. Nader onderzoek is niet nodig.
5.16 Windhinder 5.16.1 Normstelling De beoordeling van het windklimaat met betrekking tot windhinder en windgevaar, is in Nederland vastgelegd in de norm NEN 8100. Om te bepalen of windhinder en/of windgevaar te verwachten is, kan in eerste instantie gebruik worden gemaakt van het beslismodel in de NEN 8100. Hierin wordt onder meer beschreven in welke situaties windklimaatonderzoek nodig is. Voor gebouwen met een hoogte vanaf 30 meter wordt nader onderzoek met CFDof windtunnelsimulatie noodzakelijk geacht.
5.16.2 Toetsing Gezien de geplande bouwhoogte tot 42 meter,wordt het uitvoeren van een windklimaatonderzoek als noodzakelijk beschouwd. Dit onderzoek is voor onderliggende ontwikkeling uitgevoerd (bijlage 19). Hierna worden de conclusies kort weergegeven. Uit de resultaten van het onderzoek kunnen de volgende conclusies getrokken worden: In vrijwel het gehele gebied is het windklimaat goed voor doorlopen. Rond de westelijke toren is ten gevolge van de omstroming van de toren in combinatie met valwinden van de gevels lokaal sprake van een matig windklimaat voor doorlopen. Er wordt geadviseerd in deze gebieden geen windgevoelige functies te realiseren. Aan de zuidoostzijde is het windklimaat lokaal (net) matig. In de gebieden met een matig windklimaat kan door het plaatsen van begroeiing het windklimaat nog verbeterd worden. Langs de gevels mag vrijwel overal een goed windklimaat voor slenteren verwacht worden. Bij de hoofdentree van de westelijke toren is kent het windklimaat een scherpe gradiënt. Voor de gevel zelf (waar de entree ligt) is het windklimaat goed, terwijl onder de hoek van het gebouw het windklimaat voor slenteren slecht is. Als er een voorkeursroute naar de entree is door één van de zijden kan overwogen worden de andere zijde van de overkraging (gedeeltelijk) te sluiten ten einde een groter gebied met een goed windklimaat te creëren.
Op basis van de berekeningen is er in het gebied rond de geplande nieuwbouw geen overschrijding van het gevaarcriterium te verwachten.
59/67
5.16.3 Conclusie Er is in het gebied geen overschrijding van het gevaarcriterium te verwachten. Bij de uitwerking van het plan zal rekening gehouden worden met het windonderzoek en de mogelijkheden van het verbeteren van het windklimaat op een aantal locaties worden overwogen. Windhinder is geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.