ontwerpbestemmingsplan Dorst, herziening 3 (Dorst Oost)_ontwerp_1
Tekst van het document
Ruimte - Antea Nederland B.V.
ontwerp bestemmingsplan Dorst, herziening 3 (Dorst Oost) Gemeente Oosterhout Projectnummer 0455905
proefsleuvenonderzoek werden in het onderzoeksgebied twee sporen aangetroffen. Het ging om een greppel en een kuil, die dateren uit de late nieuwe tijd. Ze kunnen in verband worden gebracht met landinrichting en activiteiten die eigen zijn aan het buitengebied rond nederzettingen. Op basis van de waardering van de aangetroffen resten, waarbij is gekeken naar zowel de fysieke als de inhoudelijke kwaliteit van de vindplaats, wordt geconcludeerd dat het gaat om een niet-behoudenswaardige vindplaats. Omdat de vindplaats niet-behoudenswaardig is, wordt het plangebied vrij geven voor ontwikkeling. Conclusie Op basis van bovenstaande onderzoeksresultaten kan het plangebied worden vrijgegeven vanuit het aspect archeologie. Er zijn geen belemmeringen voor de functiewijziging die met dit bestemmingsplan wordt mogelijk gemaakt.
4.1.2
Cultuurhistorie Voor het vaststellen van de cultuurhistorische waarde van het plangebied is de Erfgoedkaart van de gemeente Oosterhout beoordeeld. Bij bestudering van de Waardenkaart voor historische geografie, welke onderdeel is van de Erfgoedkaart, is gebleken dat de spoorlijn en Oude Tilburgsebaan aangemerkt zijn als een historische ontsluitingsroute van Oosterhout is. Deze (spoor)wegen hebben een redelijk hoge cultuurhistorische waarde. De herontwikkeling van het plangebied doet geen afbreuk aan de cultuurhistorische waarde van deze (spoor)weg. Binnen het onderhavige plangebied dan wel in de directe omgeving zijn verder geen cultuurhistorische objecten of monumenten aanwezig.
4.2
Milieu-aspecten
4.2.1
Bodem Wettelijk kader Een verontreinigde bodem kan zorgen voor gezondheidsproblemen en tast de kwaliteit van het natuurlijk leefmilieu aan. Daarom is het belangrijk om bij ruimtelijke plannen de bodemkwaliteit mee te nemen in de overwegingen. De Wet bodembescherming (Wbb), het Besluit bodemkwaliteit en de Woningwet stellen grenzen aan de aanvaardbaarheid van verontreinigingen. Indien bij planvorming blijkt dat (ernstige) verontreinigingen in het plangebied aanwezig zijn, wordt op basis van de aard en omvang van de verontreiniging én de aard van de ruimtelijke plannen beoordeeld welke gevolgen dit heeft. Wet bodembescherming De Wet bodembescherming (Wbb) regelt zaken rond bodembescherming en bodemsanering. Vertrekpunt van de Wbb is dat in het merendeel van de gevallen van bodemverontreiniging, de daadwerkelijke bodemsanering wordt meegenomen in de ontwikkeling dan wel herontwikkeling van plangebied of projectlocatie. De wettelijke doelstelling is functiegericht saneren. De wet houdt rekening met het gebruik van de bodem en de (im)mobiliteit van de verontreiniging. De volgende uitgangspunten overheersen: het geschikt maken van de bodem voor het voorgenomen gebruik; het beperken van blootstelling aan en de verspreiding van de verontreiniging; het wegnemen van actuele risico's.
Saneringsverplichtingen zijn gekoppeld aan ontoelaatbare risico's die samenhangen met het huidige en toekomstige gebruik van de bodem. Het is niet nodig de hele locatie aan te pakken.
blad 52 van 139
Ruimte - Antea Nederland B.V.
ontwerp bestemmingsplan Dorst, herziening 3 (Dorst Oost) Gemeente Oosterhout Projectnummer 0455905
Toets Verkennend en nader onderzoek Door Sweco Nederland B.V. is een verkennend en nader bodemonderzoek uitgevoerd. Het onderzoek is opgenomen in Bijlage 8. De uitvoering van het bodemonderzoek is uitgevoerd in meerdere fasen. De aanleiding van het onderzoek betreft de aankoop van percelen en herinrichting van de locatie met als bestemming wonen. Doel van het onderzoek is het vaststellen van de milieuhygiënische bodemkwaliteit van de onderzoekslocatie en de eventueel daaruit vrijkomende grond. Op basis van de onderzoeksresultaten moet worden vastgesteld of de gewenste vorm van bodemgebruik, vanuit milieuhygiënisch oogpunt gezien, mogelijk is en zo niet, welke vervolgacties noodzakelijk zijn. Op basis van het uitgevoerde onderzoek is gebleken dat de bovengrond en het grondwater in deelgebied 1 plaatselijk verontreinigd zijn. De bodemverontreiniging zal in de kader van het toekomstig gebruik gesaneerd worden. De omvang wordt ingeschat op circa 920 m³. Het grondwater is plaatselijk verontreinigd met zware metalen. Naar verwachting betreft het van nature aanwezige verhoogde achtergrondwaarden. Geadviseerd wordt om het grondwater niet te gebruiken voor consumptiedoeleinden, besproeien van gewassen of voor vee drenking. In de overige deelgebieden zijn geen verontreinigingen aangetroffen. Vervolg onderzoek wordt niet noodzakelijk geacht.
Vanuit milieuhygiënisch oogpunt zijn hier dan ook geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling van de onderzoekslocatie tot woonbestemming. Er hoeft geen aanvullend onderzoek te worden uitgevoerd binnen het plangebied. In het kader van de herontwikkeling wordt wel geadviseerd om de sterk verontreinigde grond te saneren. Verkennend en nader onderzoek, deel 2 In vervolg op het hiervoor beschreven onderzoek zijn door Sweco Nederland B.V. aanvullende onderzoeken uitgevoerd. De onderzoeken zijn opgenomen in Bijlage 9 en Bijlage 10. Hiermee zijn enkele terreindelen aanvullend onderzocht die bij het vorig onderzoek nog niet waren onderzocht. Resultaten Op basis van het uitgevoerde nader onderzoek is gebleken dat de bovengrond plaatselijk sterk verhoogde gehalten aan barium, zink, lood, koper en/of PAK zijn aangetroffen. De verontreinigingen zijn waarschijnlijk te relateren aan de bodemvreemde bijmengingen (matig tot sterk puin- en/of baksteenhoudend, resten kolen, zwak slakhoudend en resten plastic) en betreft een diffuus heterogeen geval van bodemverontreinig. Hier is sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging in de zin van de Wet bodembescherming. De locaties waar de grond sterk verontreinigd is, worden gesaneerd.
De plaatselijke verhoogde gehalten aan metalen in het grondwater worden niet gesaneerd, omdat deze naar verwachting van nature aanwezige verhoogde achtergrondwaarden betreffen. Geadviseerd wordt om het grondwater niet te gebruiken voor consumptiedoeleinden, besproeien van gewassen of voor vee drenking. Conclusie Het aspect bodem is voldoende onderzocht voor de bestemmingsplanprocedure. Na blad 53 van 139
Ruimte - Antea Nederland B.V.
ontwerp bestemmingsplan Dorst, herziening 3 (Dorst Oost) Gemeente Oosterhout Projectnummer 0455905
sanering bestaan er geen belemmeringen voor de voorgenomen functiewijziging.
4.2.2
Natuur Wettelijk kader De Wet natuurbescherming (hierna Wnb) heeft per 1 januari 2017 de Boswet, Flora- en faunawet en de Natuurbeschermingswet 1998 vervangen. De Wnb regelt de bescherming van Natura 2000- gebieden, bescherming van soorten en de bescherming van houtopstanden. Naast bescherming vanuit de Wnb, zijn er ook gebieden die planologisch beschermd zijn. Het betreft het ‘Natuurnetwerk Nederland’ (hierna NNN). De bescherming van het NNN verloopt via het ruimtelijke ordeningsrecht. Toets Door Antea Group is een natuurtoets uitgevoerd (Bijlage 11). Het onderzoek is opgedeeld in gebiedsbescherming en soortenbescherming. Gebiedsbescherming Natura 2000 Binnen de Europese Unie zijn de belangrijkste leefgebieden van de meest bedreigde en waardevolle soorten en habitattypen aangewezen als Natura 2000-gebied. Deze Natura 2000-gebieden moeten samen een Europees ecologisch netwerk vormen om de achteruitgang van de biodiversiteit te keren. De juridische basis voor dit netwerk zijn de Europese Vogelen Habitatrichtlijnen, die in Nederland zijn vertaald in de Wet natuurbescherming (Wnb). Per gebied zijn voor de soorten en habitattypen instandhoudingsdoelstellingen bepaald. Dit kunnen behouds- of uitbreidings/verbeteringsdoelstellingen zijn. Het is verplicht om plannen en projecten te beoordelen op de gevolgen voor Natura 2000-gebieden.
Voor projecten geldt een vergunningsplicht als het project een significant gevolg kan hebben op een Nederlands Natura 2000-gebied (art. 2.7 lid 2, Wnb). Bij vaststelling van plannen moet het bevoegd gezag rekening houden met de gevolgen van het plan voor Natura 2000-gebieden (art. 2.7 lid 1, Wnb). Het plangebied ligt niet in Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied Ulvenhoutse bos ligt op circa 5,1 kilometer afstand ten zuidwesten van het plangebied. Daarnaast liggen in een straal van circa 12 tot 20 kilometer afstand van het plangebied nog diverse Natura2000 gebieden, waaronder de Biesbosch. Het Natura 2000-gebied Ulvenhoutse bos ligt buiten het invloedsgebied van het plan wat betreft verdroging of geluid- en lichtverstoring. De meeste verstoringseffecten zijn uit te sluiten. Enkel kan een effect ontstaan als gevolg van stikstofdepositie. Door Antea Group is een Stikstofdepositie onderzoek uitgevoerd (Bijlage 12). In het kader van de Wet natuurbescherming is voor zowel de realisatiefase als de gebruiksfase van het plan nagegaan of stikstofdepositie op nabijgelegen Natura 2000-gebieden wordt veroorzaakt.
Uit de berekening uitgevoerd met AERIUS Calculator (versie 2020) blijkt in het maatgevend jaar 2023 de emissies van de realisatie werkzaamheden en tevens gebruiksactiviteiten (verkeersgeneratie) niet leiden tot een toename van meer dan 0,00 mol per hectare per jaar stikstofdepositie op omringende Natura-2000 gebieden. Uit de berekening uitgevoerd met AERIUS Calculator (versie 2020) blijkt dat het wegverkeer dat van en naar de planlocatie gaat rijden in de volledige gebruiksfase in 2024 niet leidt tot een toename in stikstofdepositie van meer dan 0,00 mol per hectare per jaar stikstofdepositie op een
blad 54 van 139
Ruimte - Antea Nederland B.V.
ontwerp bestemmingsplan Dorst, herziening 3 (Dorst Oost) Gemeente Oosterhout Projectnummer 0455905
omringende afstand van 4,9 km (dus ook niet op 5,1 km afstand). Hieruit kan geconcludeerd worden dat er ook geen toename zal ontstaan op de verder gelegen Natura-2000 gebieden. Significant negatieve effecten kunnen op basis van de Aeriusberekening worden uitgesloten. Natuurnetwerk Brabant (NNB) Het plangebied ligt aan de zuidkant gedeeltelijk in NNB gebied (zie rode contour in onderstaand figuur). Verder wordt het plangebied aan de noord-, oost-, en westkant omgrensd door NNB gebied. Ten noorden van het plangebied wordt het NNB-gebied afgescheiden door een spoortracé.
Figuur 4.3 - Natuurnetwerk Brabant binnen plangebied Voor wat betreft NNB-gebieden geldt dat de wezenlijke waarden en kenmerken van dat gebied niet mogen worden aangetast. Als ecologische (wezenlijke) waarden en kenmerken van een NNB-gebied gelden de omvang, de verbindende functie en de kwaliteit van het gebied. De aanduiding van de beheertypen in het Natuurbeheerplan vormt een onderdeel van het toetsingskader van eventuele effecten. Voor een onderbouwing van de impact van de ontwikkeling op het NNB wordt verwezen naar paragraaf 3.1.2 'Interim omgevingsverordening Noord-Brabant'. Soortenbescherming Uit de bureaustudie in combinatie met het terreinbezoek is gebleken dat (leefgebied van) de volgende in het kader van de Wet natuurbescherming beschermde soorten aanwezig zijn en/of mogelijk verwacht worden in het plangebied: Kleine marterachtigen (leefgebied en verblijfplaatsen); Algemene broedvogels (nestplaatsen). Naar de aanwezigheid van kleine marterachtigen heeft nader onderzoek plaatsgevonden. Mits de werkzaamheden buiten het broedseizoen plaatsvinden of voorafgaand aan het broedseizoen de nestplekken onbruikbaar worden gemaakt, zijn als gevolg van algemene broedvogels geen beperkingen. Nader onderzoek kleine marterachtigen Door Antea Group is een nader onderzoek naar de aanwezigheid van kleine marterachtigen uitgevoerd (Bijlage 13).
De kleine marterachtigen zijn niet in het plangebied aangetoond. Er blad 55 van 139
Ruimte - Antea Nederland B.V.
ontwerp bestemmingsplan Dorst, herziening 3 (Dorst Oost) Gemeente Oosterhout Projectnummer 0455905
is één waarneming van de steenmarter, maar er is geen sprake van essentieel leefgebied of verblijfplaatsen. Er is een vossenburcht en konijnenburcht aanwezig. De soorten vos en konijn zijn zowel landelijk als provinciaal vrijgesteld. Zodoende is alleen de Zorgplicht van toepassing. Overtreding van de Zorgplicht kan worden voorkomen door buiten de kwetsbare periode van beide soorten (circa februari tot en met augustus) de werkzaamheden uit te voeren. Het is niet nodig om hiervoor een ontheffing aan te vragen. Conclusie Het aspect ecologie vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling die met onderhavig bestemmingsplan wordt mogelijk gemaakt.
4.2.3
Externe veiligheid Externe veiligheid is van belang indien relevante invloeden vanwege activiteiten met gevaarlijke stoffen, de risicobron, mogelijk zijn op te beschermen objecten of terreinen. De laatste worden als (geprojecteerd) (beperkt) kwetsbare objecten aangeduid. Voor de risicobeoordeling zijn vier begrippen vooral van belang: het plaatsgebonden risico, het plasbrandaandachtsgebied, het groepsrisico en het invloedsgebied. De wet- en regelgeving en het beleid zijn gericht op het voorkomen en beheersen van risicovolle activiteiten en de bescherming van individuele burgers en groepen tegen ongevallen met gevaarlijke stoffen. Wettelijk kader Deze wetgeving is grotendeels gebaseerd op de Wet milieubeheer, de Wet ruimtelijke ordening en de Wet op de Veiligheidsregio’s. De relevante wet- en regelgeving voor dit plan betreft: a. b. c.
Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en bijbehorende Regeling; Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en bijbehorende Regeling Basisnet; Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en bijbehorende Regeling.
Beleid Daarnaast geldt het door de raad vastgestelde Beleid externe veiligheid van Oosterhout 2017. De gemeente Oosterhout heeft in haar beleid vastgelegd dat externe veiligheid erop is gericht om de risico's voor haar burgers en de bedrijven te voorkomen. Indien er risico’s zijn toegelaten worden die zoveel mogelijk beperkt en moeten die beheersbaar zijn. Tenslotte moeten de mogelijkheden voor de evacuatie van personen en de voorbereiding op de bestrijding van een ramp voldoende zijn. Risicobronnen zijn niet toegelaten buiten aangewezen risicogebieden zoals een industrieterrein. Echter kunnen op bestaande (spoor) wegen en vaarwegen risico's niet worden uitgesloten. Het beleid houdt ook in dat minder zelfredzame personen binnen het invloedsgebied van een risicobron beter moet worden beschermd. Begrippen Bij alle regelingen komt het begrip plaatsgebonden risico, groepsrisico aan de orde. Het begrip plasbrandaandachtsgebied (gebied waar bij het realiseren van kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten rekening dient te worden gehouden met de mogelijke gevolgen van een ongeval met brandbare vloeistoffen) wordt alleen bij de (spoor)wegen toegepast.
Het plaatsgebonden risico is: Het PR geeft de kans per jaar aan dat een persoon op een bepaalde plaats overlijdt, als rechtstreeks gevolg van een calamiteit, veroorzaakt door een ongeval met gevaarlijke stoffen of een ongeval met een vliegtuig. Het plaatsgebonden risico bedraagt standaard maximaal 10-6. Het wordt vaak weergegeven als een afstand behorende blad 56 van 139
Ruimte - Antea Nederland B.V.
ontwerp bestemmingsplan Dorst, herziening 3 (Dorst Oost) Gemeente Oosterhout Projectnummer 0455905
bij die norm. Het plasbrandaandachtsgebied (PAG) geeft het gebied aan dat een persoon, onbeschermd, als gevolg van de stralingswarmte overlijdt. Deze wordt uitgedrukt in een afstand. Het groepsrisico is: Het groepsrisico (GR) is de kans per jaar dat een groep personen van een bepaalde grootte (bijvoorbeeld 10, 100 of 1000 personen) tegelijk slachtoffer wordt van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting die ontstaat door een ongeval met gevaarlijke stoffen. Deze wordt uitgedrukt in een afstand. Het is meestal gelijk aan de afstand waar nog 1% van de personen als gevolg van een calamiteit overlijden. Toets Antea Group heeft een onderzoek externe veiligheid uitgevoerd (Bijlage 14), omdat in de omgeving van het plangebied één relevante risicobron aanwezig is; de spoorlijn Breda – Tilburg (zie figuur 4.4). Aan de andere zijde van de spoorlijn zijn twee risicobronnen (propaantanks 3.000 liter) aanwezig. Deze tanks hebben (op basis van t/m 5 bevoorradingen p/jaar) een maximale veiligheidsafstand van 10 meter (overeenkomstig de Risicokaart). Daarmee ligt de maximale veiligheidsafstand buiten het plangebied. Deze propaantanks voldoen derhalve aan het Activiteitenbesluit milieubeheer en hoeven derhalve niet nader beschouwd te worden. Wel kan bij het vullen van de tanks een calamiteit optreden.
De betreffende propaantanks vallen zoals benoemd onder het Activiteitenbesluit milieubeheer. Vanuit het Activiteitenbesluit bestaat er geen verplichting om de bevoorrading van de propaantanks te beoordelen op groepsrisico. Dit is namelijk vastgesteld in het Bevt. Het groepsrisico zal (gezien het aantal transporten en de afstand tot het plangebied) echter altijd lager zijn dan 10% van de oriëntatiewaarde. Dit is te herleiden uit de vuistregels uit de bijlage van het HART (Handleiding Risicoanalyse Transport) (zie tabel 1-7 Bijlage HART). Derhalve is een beperkte verantwoording verplicht. In Bijlage 14 bij de toelichting van het bestemmingsplan zijn elementen aangedragen ter verantwoording van het groepsrisico.
Figuur 4.4. Ligging plangebied ten opzichte van risicobronnen (Antea Group)
blad 57 van 139
Ruimte - Antea Nederland B.V.
ontwerp bestemmingsplan Dorst, herziening 3 (Dorst Oost) Gemeente Oosterhout Projectnummer 0455905
Plasbrandaandachtsgebied De spoorlijn heeft een plasbrandaandachtsgebied. Het plasbrandaandachtsgebied is wettelijk vastgesteld en bedraagt 30 meter (gemeten vanaf de buitenste spoorstaaf). Voor het bouwen binnen deze afstand gelden aanvullende bouwkundige eisen vanuit het Bouwbesluit (zoals 60 minuten brandwerendheid). In het plan is rekening gehouden met het plasbrandaandachtsgebied. Er worden geen (beperkt) kwetsbare objecten binnen dit gebied gerealiseerd. Dit is vastgelegd in de regeling van dit bestemmingsplan. Plaatsgebonden risico Het risicoplafond van het vervoer van gevaarlijke stoffen over het spoor is vastgelegd in de Regeling basisnet. Hierin staat vermeld dat er voor de spoorlijn ter hoogte van het plangebied sprake is van een maximale PR 10-6-contour van 1 meter. Het plaatsgebonden risico levert daarmee geen belemmeringen op voor de voorgenomen ontwikkeling. Groepsrisico Aangezien het plangebied zich binnen 200 meter van het spoor bevindt, dient in het kader van een ruimtelijke procedure de invloed van de ontwikkeling op de hoogte van het groepsrisico te worden beschouwd. In de Regeling basisnet is de transportintensiteit voor deze spoorlijn aangegeven die dient te worden gehanteerd bij groepsrisicoberekeningen. Voor het bepalen van het groepsrisico is een groepsrisicoberekening uitgevoerd.
Geconcludeerd wordt dat de hoogte van het groepsrisico toeneemt in de toekomstige situatie, maar dat zowel in de huidige als de toekomstige situatie het groepsrisico lager is dan 0,1 keer de oriëntatiewaarde. Beleidsmatig geldt een waarde van 1 als maximum. Een volledige verantwoording van het groepsrisico is daarom, conform artikel 8 van het Bevt, niet nodig. Er kan worden volstaan met een beperkte groepsrisico verantwoording waarbij wordt ingegaan op de aspecten zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. Verantwoording groepsrisico Naast de hoogte van het groepsrisico zijn de relevante rampscenario's van belang. Ten gevolge van een incident op het spoor zijn een BLEVE (Boiling Liquid Expanding Vapour Explosion), een plasbrand en een gifwolk relevante scenario's. Daarnaast kan - bij een calamiteit met het vullen van de propaantanks - een explosie plaatsvinden. Zelfredzaamheid is de mate waarin personen in staat zijn zichzelf (zonder hulp van buitenaf) in geval van een calamiteit in veiligheid te brengen. Het gewenste handelingsperspectief in geval van een calamiteit (schuilen en/of vluchten) is afhankelijk van het scenario. Gerichte risicocommunicatie (bijvoorbeeld via NL-Alert) met bewoners en gebruikers van het gebied kan ertoe bijdragen dat alarmering van het gebied sneller verloopt. Bij een dreigend incident, kan vluchten de beste optie zijn.
Het stedenbouwkundig ontwerp heeft een open karakter waarbij het mogelijk is om van de risicobron af te vluchten. In het onderzoek is per scenario het gewenste handelingsperspectief beschreven. De beoogde ontwikkeling is niet specifiek gericht op beperkt zelfredzame personen. Er wordt daarom niet verder ingegaan op de zelfredzaamheid van beperkt zelfredzame groepen. Bestrijdbaarheid is de mate waarin een rampscenario door de brandweer te bestrijden is. De verschillende scenario's vragen allen een ander aanvalsplan. De mate waarin uitvoering aan deze aanvalsstrategieën kan worden gegeven hangt af van de capaciteit van de brandweer (opkomsttijd en beschikbare blusmiddelen) en de bereikbaarheid van het plangebied (opstelplaatsen). De Veiligheidsregio heeft protocollen voor het bestrijden van deze scenario's. De Veiligheidsregio Midden- en West-Brabant moet in het kader van de ruimtelijke procedure in de gelegenheid gebracht worden om advies uit te brengen. blad 58 van 139
Ruimte - Antea Nederland B.V.
ontwerp bestemmingsplan Dorst, herziening 3 (Dorst Oost) Gemeente Oosterhout Projectnummer 0455905
Het onderzoek is toegestuurd aan de Brandweer Midden- en West-Brabant. De brandweer heeft aangegeven dat het plangebied voldoet aan de criteria van het standaardadvies 2021 van de Veiligheidsregio Midden- en West-Brabant en dat er geen kwetsbare objecten binnen 30 meter van het spoor mogelijk zijn. Veiligheid op het spoor Er wordt langs het spoor een geluidscherm toegepast. Om de veiligheid op het spoor te borgen, de evacuatie van personen en rampbestrijding mogelijk te maken, worden om de 200 meter toegangsdeuren in het scherm toegepast. Deze zijn alleen vanaf het spoor te gebruiken. De deuren zijn door hulpdiensten vanaf het plangebied te openen. Er worden stabiele opstelplaatsen voor hulpdiensten aangebracht met eventuele keerlussen. Conclusie Vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen over de spoorweg worden de risico’s zoveel mogelijk voorkomen of beperkt. Dat laat onverlet dat een calamiteit zich kan voordoen. Gelet op de afstanden en maatregelen achten we de veiligheidssituatie aanvaardbaar.
4.2.4
Geluid Wettelijk kader De Wet geluidhinder (Wgh) bevat geluidnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluid-niveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai en industrielawaai. De Wgh geeft aan dat een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd bij het voorbereiden van de vaststelling van een bestemmingsplan of het nemen van een omgevingsvergunning indien het plan een geluidgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidszone van een bestaande geluidsbron of indien het plan een nieuwe geluidsbron mogelijk maakt. Het akoestisch onderzoek moet uitwijzen of de wettelijke voorkeursgrenswaarde bij geluidgevoelige objecten wordt overschreden en zo ja, welke maatregelen nodig zijn om aan de voorkeursgrenswaarde te voldoen. Toets Industrielawaai Het plangebied is niet gelegen binnen een geluidszone industrielawaai. Industrielawaai vormt voor voorliggende ontwikkeling geen belemmering. Wegverkeerslawaai Als gevolg van de bewoning van het plangebied zullen nieuwe verkeersbewegingen (1.462 per werkdag) van en naar dat gebied plaatsvinden (zie Bijlage 15). Dat zijn 1.316 voertuigen per weekdag. Het plangebied wordt volledig ontsloten via de bestaande wegen aan de westzijde van het gebied, met name de Cypressenstraat, De Meerberg en Oude Tilburgsebaan. De verkeerstromen komen uit op de Spoorstraat. Daardoor zal het verkeer en de geluidbelasting op die bestaande wegen toenemen.
In het onderzoek wegverkeerslawaai is die berekend (Tabel 3.1 en Tabel 4.1). Alle wegen, de bestaande en nieuwe, zijn 30 km-wegen. Toetsing aan de Wet geluidhinder is niet aan de orde, omdat er geen sprake is van geluidgezoneerde wegen. Er moet wel aan de Wet ruimtelijke ordening worden voldaan. Daarin is bepaald dat er sprake moet zijn van
blad 59 van 139
Ruimte - Antea Nederland B.V.
ontwerp bestemmingsplan Dorst, herziening 3 (Dorst Oost) Gemeente Oosterhout Projectnummer 0455905
goede ruimtelijke ordening. In de jurisprudentie wordt dat uitgelegd als dat er met het plan sprake moet zijn van een goed woon- en leefklimaat. Voor de geluidbelasting betekent het dat die aanvaardbaar moet zijn. Daarbij is de aard van de omgeving, het absolute geluidniveau, de verandering daarvan, het geluidbinnenniveau en het aantal woningen dat het betreft van belang. Daarnaast mogen ook de andere belangen een rol spelen zoals het grote belang van nieuwe woningen. Er is sprake van een stedelijke, behoorlijk woondichte omgeving. In het algemeen wordt aangenomen dat een geluidbelasting die voldoet, in analogie, aan de grenswaarde van de Wet geluidhinder (48 dB), als aanvaardbaar mag worden beschouwd. Het betreft hier, op enkele nieuwere woningen na, vooral oudere woningen die zijn gelegen aan klinkerwegen. Er mag worden aangenomen dat in de meeste gevallen er sprake zal zijn van ten minste 20 dB gevelisolatie. Dat betekent dat dan aan de binnenwaarde van 33 dB kan worden voldaan. Een toename tot de “grenswaarde”. Gelet daarop achten we een toename tot de “grenswaarde” aanvaardbaar. Op grond van het Bouwbesluit geldt een eis voor de binnenwaarde van 33 dB (bij nieuwbouw). Een zelfde eis geldt op grond van de Wet geluidhinder ook in het geval een hogere waarde wordt vastgesteld bij een bestaande woning.
Voor de berekening van de gevelisolatie moet de geluidbelasting op de gevel van 48 dB worden verhoogd met een wettelijke aftrekcorrectie van 5 dB, samen 53 dB. 53 (buiten) – 20 (isolatie) = 33 dB (binnenwaarde). Voor de genoemde wegen neemt de geluidbelasting tot boven die “grenswaarde” toe. Dat er sprake is van enige toename van de geluidbelasting is gelet op de andere belangen dan geluid niet onredelijk. Er kan daarvoor aansluiting worden gezocht, in analogie, bij de systematiek van de reconstructie in de Wet geluidhinder. Onder reconstructie wordt verstaan dat een weg wordt heringericht en waarbij meer verkeer mogelijk is. Een geluidtoename van 2 dB (afgerond) betekent dat maatregelen moeten worden onderzocht en zon odig hogere waarden worden vastgesteld. Nu de Wet geluidhinder niet rechtstreeks van toepassing is kunnen ook geen hogere waarden worden vastgesteld. Voor een toename met meer dan 2 dB boven de “grenswaarde” (per weg bepaald) moet daarom een geluidmaatregel worden getroffen, tenzij het om bijzondere bezwaren niet kan. In dit geval zijn alle wegen voorzien van klinkerverharding. Het wegdek kan technisch relatief eenvoudig worden vervangen door stille klinkers. De geluidbelasting zal daardoor aan de bron met 2,2 dB afnemen. De toename moet ten minste worden gereduceerd tot de 2 dB toename boven de “grenswaarde”.
Uit het geluidrapport blijkt dat de toename van het verkeer op Spoorstraat een toename van de geluidbelasting zal veroorzaken van maximaal 1,2 dB. Dat is minder dan de genoemde 2 dB. De gemeente zal er zorg voor dragen dat de geluidtoename vanwege de overige drie wegen op de gevel van bestaande woningen nooit meer dan 2 dB boven de “grenswaarde” zal uitkomen als gevolg van het verkeer van en naar het plangebied (voorwaarde). Uitzondering daarop is de situatie dat het slechts enkele woningen betreft en de kosten niet in verhouding staan tot de geluidreductie. In de praktijk is de wegmaatregel pas nodig indien de toename van 2 dB wordt bereikt. Hoewel dat per weg verschilt zal dat bij een bezetting van 40-50% van de nieuwe woningen het geval zijn. De gemeente zal daarom de verkeerstoename monitoren (tellen) en op basis daarvan vaststellen of nog aan de voorwaarde wordt voldaan en ander een maatregel treffen. Op deze wijze achten we, gelet op het grote belang van woningbouw, blad 60 van 139
Ruimte - Antea Nederland B.V.
ontwerp bestemmingsplan Dorst, herziening 3 (Dorst Oost) Gemeente Oosterhout Projectnummer 0455905
dat er sprake zal zijn van een aanvaardbare geluidsituatie bij de bestaande woningen. Railverkeerslawaai Een plan moet voldoen aan de Wet geluidhinder en er moet sprake zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Woningen zijn geluidgevoelige objecten die moeten worden beschermd tegen de geluidhinder vanwege een spoorweg. Het plangebied ligt naast de drukke spoorlijn Breda-Tilburg waarop ook goederentreinen rijden. De plangebied is geheel gelegen in de geluidzone van de spoorweg. De geluidbelasting vanwege de spoorweg op de gevel van een woning mag niet meer bedragen dan 55 dB. Indien die waarde wordt overschreden moeten geluidmaatregelen worden onderzocht om de geluidbelasting te verminderen. De doelmatige maatregelen moeten worden getroffen tenzij daartegen één of meer van de wettelijke bezwaren zijn in te brengen (art. 110a Wet geluidhinder). Daarnaast achten wij dat gelet op de aard van het geluid en het drukke traject met goederentreinen en de woonomgeving dat de geluidbelasting bij een woning niet hoger mag zijn dan 60 dB (1e verdieping), zodat het woon- en leefklimaat aanvaardbaar blijft. Voor zover na het treffen van geluidmaatregelen de grenswaarde nog wordt overschreden moet voor de vaststelling van het plan een hogere waarden zijn vastgesteld door of namens het college. Deze mag niet meer bedragen dan 68 dB.
Movares heeft daarom een akoestisch onderzoek railverkeerslawaai opgesteld. De rapportage is opgenomen in Bijlage 16. Uit het onderzoek blijkt de grenswaarde van 55 dB bij een groot aantal woningen wordt overschreden en varieert van 61- 68 dB (bijlage V geluidrapport railverkeerslawaai). Daarom zijn geluidmaatregelen onderzocht. Geluidmaatregelen kunnen zijn raildempers (aan de spoorstaven) of een geluidscherm of -wal. De raildempers zijn niet nader onderzocht omdat het effect daarvan beperkt is tot maximaal 3 dB. Daarmee zou tevens nog een geluidscherm nodig zijn om voldoende geluidreductie te bereiken. Tevens zijn de kosten in verhouding tot het rendement hoog. Het toepassen van een geluidwal is in de voorfase wel onderzocht maar heeft als bezwaar dat gelet op de vereiste hoogte een groot ruimtebeslag van 20-30 m benodigd zou zijn. Daarom is alleen een geluidscherm onderzocht die is gelegen net buiten de spoorinfra en verloopt vanaf het bestaande geluidscherm bij de bestaande woningen tot het einde van het plangebied aan de oostzijde met een bijna haakse aansluiting langs de oostzijde van het plangebied. Voor de beoordeling van de financiële doelmatigheid is aangesloten bij de Regeling doelmatigheid geluidmaatregelen Wet geluidhinder.
Dat is een regeling de verplicht is voor rijkswegen en spoorwegen maar ook gebruikt kan worden voor provinciale of gemeentelijke wegen of bij gemeentelijke ontwikkelingen bij spoorwegen. In het onderzoek is daarvan gebruik gemaakt. Met de regeling is de financiële doelmatigheid te toetsen, de redelijke verhouding tussen kosten en te behalen geluidreductie. Uit het onderzoek is gebleken dat een geluidscherm van 6 m of hoger ten opzichte van de bovenste spoorstaaf financieel doelmatig is, maar dat daartegen bezwaren van landschappelijke en stedenbouwkundige aarde tegen in gebracht kunnen worden. Tevens kan een hoger scherm belemmerend zijn voor één of meer bestaande woningen aan de noordzijde van de spoorweg. Gebleken is dat slechts bij één woning dicht aan het spoor er vrij zicht is op de spoorbaan. Echter door een besluit van de Minister van I&W, op verzoek van de gemeente, wordt er bij die woning en enkele andere woningen aan het spoor een geluidscherm aangebracht (op de spoorinfra). Uit een zichtanalyse is geconstateerd dat een blad 61 van 139
Ruimte - Antea Nederland B.V.
ontwerp bestemmingsplan Dorst, herziening 3 (Dorst Oost) Gemeente Oosterhout Projectnummer 0455905
hoogte van ten minste 6 m ten opzichte van de bovenste spoorstaaf geen relevante extra zichtbeperking oplevert vanuit de woning. Gelet daarop zal een geluidscherm van 6 m of hoger ten opzichte van de bovenste spoorstaaf worden toegepast. Die zal absorberend worden uitgevoerd aan de zijde van het spoor (0,1). Aan de zijde van het plangebied is geen absorberend scherm noodzakelijk. Met het scherm wordt voldaan aan het eerder genoemde vereiste van de gemeente en aan de Wet geluidhinder. Uit bijlage IV van het geluidrapport railverkeerslawaai blijkt, bij een mogelijk stedelijke ontwerp, dat: bij alle (circa 165) woningen zal worden voldaan aan de grenswaarde op de begane grond (<=55 dB); bij circa 9 woningen wordt de grenswaarde overschreden op de eerste verdieping (maximaal 56 dB); bij ca. 49 woningen wordt de grenswaarde overschreden op de tweede verdieping (max. 59 dB). Voor de woningen waarvoor met toepassing van het geluidscherm van 6 m hoog de grenswaarde op de gevel van een woning zal worden overschreden worden voor de vaststelling van dit plan door of namens het college hogere waarden vastgesteld op basis van de geluidcontouren. Omdat er vanwege wegen wordt voldaan aan de grenswaarde is er geen sprake van samenloop van verschillende geluidbronsoorten en vormt dat geen belemmering om hogere waarden vast te stellen.
In de praktijk zal bij de realisatie van de woningen er sprake zijn van afscherming door woningen. Daardoor zal de geluidbelasting bij de 2e lijns bebouwing en verder een lagere geluidbelasting heersen dan de geluidcontouren in bijlage IV van het rapport aangeven. Daardoor zullen er ook geen of nauwelijks extra gevelmaatregelen zijn vereist op grond van het Bouwbesluit. De toepassing van het geluidscherm zorgt er ook voor dat de geluidbelasting bij alle bestaande woningen van de kern van Dorst (oostzijde en zuidoostzijde) ook zal afnemen met aan de rand maximaal van circa 6 dB waardoor het woon- en leefklimaat vanwege de spoorweg binnen en buiten sterk zal verbeteren. Het woonen leefklimaat in het plangebied is met een geluidbelasting van maximaal 55 dB bij alle woningen op de begane grond en na realisatie nog veel lager aanvaardbaar. Op de 1e verdieping en 2e verdieping is dat overal dan ca. 1 – 2 dB hoger. Behalve bij de 1e lijns bebouwing zal het overal onder de 55 dB zijn gelegen. Om er zorg voor te dragen dat bij het gebruik van een woning wordt voldaan aan de berekende geluidbelasting is in de regels en op de verbeelding geborgd dat het geluidscherm aanwezig is op het moment dat de eerste woning waarvoor de grenswaarde van 55 dB wordt overschreden in gebruik wordt genomen. Conclusie Wegverkeerslawaai Het plan voldoet voor de gezoneerde wegen aan het Wet geluidhinder.
De geluidbelasting als gevolg van de niet-gezoneerde wegen wordt als aanvaardbaar geacht. Het bestemmingsplan is vanuit dit aspect uitvoerbaar. Voor de bestaande wegen waar sprake is van een toename met meer dan 2 dB boven de “grenswaarde” worden geluidmaatregelen getroffen. Spoorweglawaai Het plan voldoet ruimschoots aan de Wet geluidhinder en daardoor ook aan de blad 62 van 139
Ruimte - Antea Nederland B.V.
ontwerp bestemmingsplan Dorst, herziening 3 (Dorst Oost) Gemeente Oosterhout Projectnummer 0455905
gemeentelijk eis van maximaal 60 dB op een eerste verdieping van een woning. Het is daarvoor wel noodzakelijk om een absorberend geluidscherm van 6 m of hoger ten opzichte van de bovenste spoorstaaf toe te passen. Dat is geborgd in de regels. Voor enkele woningen moet voor vaststelling van het plan een hogere waarde zijn vastgesteld. Het besluit wordt als bijlage bij het plan gevoegd. Met het geluidscherm is er sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat in en buiten het plangebied en worden er geen derden onaanvaardbaar belemmerd.
4.2.5
Luchtkwaliteit Wettelijk kader Sinds 15 november 2007 zijn de belangrijkste bepalingen over luchtkwaliteitseisen opgenomen in de Wet milieubeheer, titel 5.2 van hoofdstuk 5. In dit hoofdstuk zijn onder andere de kaders vastgelegd voor projecten die niet in betekenende mate bijdragen aan een verslechtering van de luchtkwaliteit, voor projectsaldering, voor het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit en voor het toetsen aan grenswaarden. Het luchtkwaliteitonderzoek dient als basis voor het gebruik van één van deze wettelijke onderdelen (indien het programma overeenkomt met hetgeen is aangegeven in het NSL is geen onderzoek noodzakelijk). Indien het programma wel afwijkt zal dit nader bekeken moeten worden. Het luchtkwaliteitonderzoek moet uitgevoerd zijn voor de vaststelling van een bestemmingsplan. In het Besluit Niet In Betekenende Mate (NIBM) en de daarop gebaseerde Regeling Niet In Betekenende Mate (luchtkwaliteitseisen) is geregeld welke projecten niet meer getoetst hoeven te worden aan de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Projecten, die maximaal 3% van de grenswaarde (= 1,2 µg/m³ voor zowel NO2 als PM1 0) bijdragen aan de lokale luchtkwaliteit vallen onder de definitie van NIBM en hoeven niet meer getoetst te worden aan de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. De grens voor woningbouwplannen ligt bij 3% op 1.500 woningen.
Als er twee ontsluitingswegen zijn, mag een grens van 3.000 woningen worden gehanteerd. Toets Binnen het plangebied worden maximaal 165 woningen gerealiseerd. Op basis van de CROW-rekentool voor verkeersgeneratie mag worden uitgegaan van een ritproductie van 8 ritten per woning (gemiddelde weekdag). Dit betekent een ritproductie vanwege het plan van ongeveer 1.280 ritten per etmaal. Rekening houdend met 1% vrachtverkeer. NIBM-Tool Voor kleinere ruimtelijke en verkeersplannen die effect kunnen hebben op de luchtkwaliteit heeft het toenmalige Ministerie van VROM in samenwerking met InfoMil een specifieke rekentool ontwikkeld. Daarmee kan op een eenvoudige en snelle manier worden bepaald of een plan niet in betekenende mate bijdraagt (NIBM) aan de concentratie van een stof in de buitenlucht. Het grote voordeel van deze NIBM rekentool is dat slechts een beperkt aantal invoergegevens nodig is. Alleen het extra aantal voertuigbewegingen en het aandeel vrachtverkeer worden ingevoerd. Voor de overige invoergegevens is in de tool uitgegaan van worst-case. Met beperkte invoergegevens kan dus worden vastgesteld of een plan NIBM is. De onderzoekslasten voor een gemeente kunnen daardoor bij kleinere plannen zeer beperkt blijven. Het doel van deze tool is:
blad 63 van 139
Ruimte - Antea Nederland B.V.
ontwerp bestemmingsplan Dorst, herziening 3 (Dorst Oost) Gemeente Oosterhout Projectnummer 0455905
Eenvoudig en snel bepalen of een plan in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie van een stof in de buitenlucht; Het beperken van de onderzoekslast bij kleinere projecten; Het vaststellen van grenzen voor het aantal extra voertuigbewegingen dat niet zal leiden tot een concentratietoename die groter is dan de grens voor niet in betekenende mate. Uit de berekeningen met de NIBM-tool blijkt dat het plan de grens van 3% (een toename van 1,2 µg/m3 NO2 of PM1 0) niet overschrijdt. Het project kan op basis hiervan worden beschouwd als een NIBM-project. Nader onderzoek naar de luchtkwaliteit kan achterwege blijven. Het plan voldoet hiermee aan de gestelde eisen in de Wet milieubeheer. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied bepaald met de monitoringstool van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit. Met behulp van de monitoringstool kan inzicht worden gekregen in de concentraties van de luchtverontreinigende stoffen waarvoor grenswaarden zijn opgenomen in de Wet milieubeheer. Uit de monitoringstool volgt dat ter plaatse van het plangebied voor 2018, 2020 en 2030 de jaargemiddelde concentraties van NO2 en PM10 ruimschoots onder de grenswaarden van 40 microgram per kubieke meter lucht liggen.
Het aantal dagen per jaar dat de etmaalgemiddelde concentratie van PM10 groter is dan 50 microgram per kubieke meter lucht ligt eveneens ruimschoots onder de grenswaarde van 35 dagen per jaar. De grenswaarde van 25 microgram per kubieke meter lucht als jaargemiddelde concentratie voor PM2,5 wordt eveneens niet overschreden. In figuur 4.5 is weergegeven welke rekenpunten zijn genomen. In de tabel daaronder is steeds de hoogst gemeten waarde van de weergegeven rekenpunt opgenomen.
Figuur 4.5 - NSL-monitoring nabij plangebied (NSL) Conclusie
blad 64 van 139
Ruimte - Antea Nederland B.V.
ontwerp bestemmingsplan Dorst, herziening 3 (Dorst Oost) Gemeente Oosterhout Projectnummer 0455905
Geconcludeerd kan worden dat het plan voldoet aan de Wet milieubeheer. De luchtkwaliteit is aanvaardbaar.
4.2.6
Bedrijven en milieuzonering Wettelijk kader De VNG-uitgave 'Bedrijven en milieuzonering' (2009) (hierna: VNG-brochure) geeft handreikingen voor een verantwoorde inpassing van bedrijvigheid in haar fysieke omgeving en voor de inpassing van gevoelige bestemmingen nabij bedrijven. Het is geen wet, maar een gangbare manier om milieuzonering toe te passen. In de VNG-brochure worden per bedrijfssoort en per milieuaspect indicatieve afstanden gegeven (hierna: VNG-afstanden) tot gevoelige objecten. Deze milieuzonering zorgt ervoor dat nieuwe milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) een passende locatie in de nabijheid van woningen krijgen en dat nieuwe woningen op een verantwoorde afstand van milieubelastende activiteiten gesitueerd worden. Indien aan de VNG-afstand wordt voldaan, kan gesteld worden dat hinder niet te verwachten is. Het waar nodig ruimtelijk scheiden van bedrijven en woningen bij nieuwe ontwikkelingen dient twee doelen: het reeds in het ruimtelijk spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar voor woningen; het tegelijk daarmee aan de bedrijven voldoende zekerheid bieden dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen. De VNG-publicatie legt niet vast wat wel en niet is toegestaan.
Een gemeente beslist zelf of ze op een bepaalde locatie bedrijven of woningen mogelijk wil maken (gemeentelijke beleidsvrijheid). De gemeente dient dit wel op een zorgvuldige wijze af te wegen en te verantwoorden. De handreiking is een hulpmiddel om de afstanden tussen bedrijvigheid en woningen concreet voor een locatie in te vullen. Het toetsingskader voor ontheffingen, projectbesluiten en planherzieningen is er op gericht om onoverkomelijke problemen bij de latere milieuvergunningverlening te voorkomen. Dit impliceert een toetsing op hoofdlijnen. Richtafstanden en omgevingstypen In de VNG-publicatie is een richtafstandenlijst opgenomen. Deze richtafstandenlijst geeft voor een scala aan typen van bedrijvigheid de richtafstanden tot gevoelige bestemmingen. Daarbij worden indicatieve richtafstanden gegeven voor de milieuaspecten geluid, stof, geur en veiligheid. Het aspect geluid heeft hierbij de maatgevende (grootste) afstand. Voor het aspect geluid zijn specifieke richtafstanden benoemd. De richtafstanden en index gelden voor een gemiddeld nieuw bedrijf binnen het betreffende type bedrijvigheid. De richtafstanden bieden in beginsel ruimte voor normale groei van de bedrijfsactiviteiten. De VNG-publicatie is niet bedoeld voor het beoordelen van bestaande situaties.
De richtafstand geldt tussen enerzijds de grens van de bestemming die bedrijven (of andere milieubelastende functies) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een woning die volgens het bestemmingsplan of via vergunningvrij bouwen mogelijk is. De richtafstanden zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit zoals die wordt nagestreefd in een rustige woonwijk (of rustig buitengebied), ingericht volgens het principe van functiescheiding. Indien de aard van de omgeving dit rechtvaardigt, kan (gemotiveerd) worden uitgegaan van gemengd gebied. Dit zijn gebieden waar bewust verschillende functies (wonen en bedrijvigheid) met elkaar worden gemengd, zoals (winkel)centra. Voor deze gebieden wordt een hogere milieubelasting aanvaardbaar geacht. Hierbij is vanwege de aanwezige functiemenging of ligging nabij drukke wegen al sprake van een hogere milieubelasting. In gemengd gebied kunnen de richtafstanden met één afstandsstap worden
blad 65 van 139
Ruimte - Antea Nederland B.V.
ontwerp bestemmingsplan Dorst, herziening 3 (Dorst Oost) Gemeente Oosterhout Projectnummer 0455905
verlaagd, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat. Toepassing toetsingskader Geluid VNG-publicatie “Bedrijven en Milieuzonering” Het toetsingskader geluid uit de VNG-publicatie “Bedrijven en Milieuzonering” bestaat uit vier stappen. Per stap wordt de geluidbelasting groter en de onderzoeks- en motiveringsplicht zwaarder. Stap 1: Indien de richtafstand voor het aspect geluid niet wordt overschreden, kan verdere toetsing voor het aspect geluid in beginsel achterwege blijven: inpassing is mogelijk. Indien stap 1 niet toereikend is, dan is inpassing mogelijk wanneer wordt voldaan aan geluidsnormen (stap 2) en maximale geluidsnormen (stap 3). Bij een hogere geluidbelasting dan aangegeven in stap 3 zal inpassing doorgaans niet mogelijk zijn. Indien het bevoegd gezag niettemin tot inpassing wil overgaan, dient het dit grondig te onderzoeken, onderbouwen, en motiveren waarbij tevens de cumulatie met eventueel reeds aanwezige geluidbronnen moet worden betrokken. Hierna wordt stap 1 uitgevoerd: het toetsen aan de richtafstanden. Toets In de directe omgeving van het plangebied bevinden zich, naast wonen, verschillende functies. Gelet op de (directe) omgeving rondom het plangebied wordt voor deze locatie het omgevingstype 'rustige woonwijk' gehanteerd.
Drinkwaterproductiebedrijf (Wethouder van Dijklaan 13) Ten noordwesten van het plangebied is een drinkwaterproductiebedrijf aanwezig. Hiervoor geldt een richtafstand van maximaal 50 meter. De daadwerkelijke afstand van het bedrijfsperceel bedraagt circa 120 meter tot aan het plangebied. Opleidings- en trainingscentrum (Wethouder van Dijklaan 19) Ten noorden van het plangebied is een opleidings- en trainingscentrum aanwezig. Hiervoor geldt een richtafstand van maximaal 30 meter. De daadwerkelijke afstand van perceel bedraagt circa 130 meter tot aan het plangebied. Militair oefenterrein Ten oosten van het plangebied is een militair oefenterrein, behorende bij Vliegbasis Gilze-Rijen, aanwezig. De daadwerkelijke afstand van het militair oefenterrein bedraagt circa 160 meter tot aan het plangebied. Van belemmeringen is geen sprake. Hiervoor wordt verwezen naar paragraaf 3.1.1. Agrarische bedrijven Ten zuiden van het plangebied is een aantal agrarische bedrijfspercelen gelegen. Ter plaatse van deze bedrijfspercelen zijn verschillende vormen van agrarisch bedrijvigheid toegestaan. Hiervoor geldt een richtafstand van maximaal 200 meter. De daadwerkelijke afstand bedraagt circa 400 meter. Geconcludeerd wordt dat ruimschoots wordt voldaan aan de richtafstanden. Woningen betreffen geen milieubelastende activiteiten in het kader van Bedrijven en milieuzonering.
blad 66 van 139
Ruimte - Antea Nederland B.V.
ontwerp bestemmingsplan Dorst, herziening 3 (Dorst Oost) Gemeente Oosterhout Projectnummer 0455905
Conclusie Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor de ontwikkeling die met onderhavig plan wordt mogelijk gemaakt.
4.2.7
Geur De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader voor vergunningsplichtige veehouderijen, als het gaat om geurhinder. Voor meldingsplichtige veehouderijbedrijven is het beoordelingskader voor geurhinder opgenomen in het Activiteitenbesluit. De Wgv stelt één landsdekkend beoordelingskader met een indeling in twee categorieën. Voor diercategorieën waarvan de geuremissie per dier is vastgesteld, wordt deze waarde uitgedrukt in een ten hoogste toegestane geurbelasting op een geurgevoelig object. Voor de andere diercategorieën is die waarde een wettelijke vastgestelde afstand die ten minste moet worden aangehouden. Toets De dichtstbijzijnde veehouderij ligt aan Groenestraat 11 en betreft een melkveehouderij. De afstand tussen deze veehouderij en het plangebied bedraagt ongeveer 425 meter. Er wordt ruim voldaan aan de afstandseis van 100 meter. Aangezien er geen veehouderijen met een relevante geuremissie in de omgeving zijn gelegen, is te stellen dat de voor- en achtergrondbelasting geen belemmering vormt. Er is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en de veehouderijen worden niet in hun belangen geschaad. Conclusie Het aspect geur vormt geen belemmering voor de ontwikkeling die met onderhavig plan wordt mogelijk gemaakt.
4.2.8
M.e.r.-regelgeving Wettelijk kader Bepaalde activiteiten kunnen belangrijke nadelige gevolgen hebben voor het milieu, waardoor het opstellen van een milieueffectrapportage (m.e.r.) of het verrichten van een m.e.r.-beoordeling noodzakelijk is. In het Besluit milieueffectrapportage is vastgelegd welke activiteiten m.e.r-plichtig zijn en voor welke activiteiten een m.e.r-beoordeling moet worden verricht. In onderdeel C van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage zijn de activiteiten, plannen en besluiten opgenomen ten aanzien waarvan het maken van een milieueffectrapportage (m.e.r.) verplicht is. In onderdeel D van de bijlage zijn de activiteiten, plannen en besluiten opgenomen waarvoor een m.e.r.-beoordeling moet worden uitgevoerd. Als een activiteit op grond van onderdeel D m.e.r.-beoordelingsplichtig is, geldt voor een kaderstellend (bestemmings)plan dat die activiteit mogelijk maakt, een plan-m.e.r-plicht. Voor alle activiteiten zijn drempelwaarden opgenomen. Als een activiteit voorkomt in kolom 1 van de C- of D-lijst en de drempelwaarden uit kolom 2 worden overschreden, is een m.e.r. (onderdeel C) of een m.e.r.-beoordeling (onderdeel D) verplicht. Voor activiteiten die genoemd worden in onderdeel D, maar waarbij de drempelwaarde niet wordt overschreden, geldt de verplichting om na te gaan of tóch een m.e.r.-beoordeling (of een m.e.r.) moet worden uitgevoerd.
Het bevoegd gezag moet in zo’n geval nagaan of er sprake is van omstandigheden die - ondanks dat de drempelwaarden niet worden overschreden aanleiding geven voor het verrichten van een m.e.r.(beoordeling). De motivering moet zijn
blad 67 van 139
Ruimte - Antea Nederland B.V.
ontwerp bestemmingsplan Dorst, herziening 3 (Dorst Oost) Gemeente Oosterhout Projectnummer 0455905
gebaseerd op een toets die qua inhoud aansluit bij de verplichte m.e.r.-beoordeling. Voor de toets gelden echter geen vormvereisten, daarom wordt de term ‘vormvrije m.e.r.-beoordeling’ gehanteerd. In 2017 is het Besluit milieueffectrapportage gewijzigd. De wetswijziging heeft voor vormvrije m.e.r-beoordelingen geen inhoudelijke gevolgen, maar heeft wel een procedurele verandering tot gevolg. Het bevoegd gezag dient op grond van de wetswijziging namelijk voorafgaand aan de terinzagelegging van een ontwerpbesluit of ontwerpbestemmingsplan – net als bij ‘formele’ m.e.r.-beoordelingen - te besluiten of al dan niet een milieueffectrapport moet worden opgesteld. Indien sprake is van een particuliere initiatiefnemer, dient deze een aanmeldnotitie in te dienen op basis waarvan het bevoegd gezag kan besluiten of een milieueffectrapport moet worden opgesteld. Activiteit en drempelwaarden In artikel D van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage is een categorie 'stedelijk ontwikkelingsproject' (D11.2) opgenomen. De aanleg van nieuwe woningbouwlocaties van enige omvang valt onder dit begrip.
Op grond van het Besluit milieueffectrapportage dient voor de 'aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject, met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen' een m.e.r.-beoordeling te worden uitgevoerd in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op: 1° een oppervlakte van 100 hectare of meer, 2° een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen omvat, of 3° een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer. Dit bestemmingsplan maakt de bouw van maximaal 165 woningen mogelijk en het plangebied heeft een omvang van circa 10 hectare. De voorgenomen activiteit blijft dus ruimschoots onder de drempel van 2.000 woningen en/of 100 hectare zoals opgenomen in het Besluit milieueffectrapportage. De activiteit is dus niet m.e.r.-beoordelingsplichting. Omdat de activiteit voorkomt in kolom 1 van de D-lijst, dient wel een vormvrije m.e.r.-beoordeling te worden verricht. Toets Er is een aanmeldingsnotitie opgesteld, welke is opgenomen als Bijlage 17. Uit de m.e.r.-beoordeling blijkt dat voor de meeste milieuaspecten de ontwikkeling van Dorst-Oost niet leidt tot belangrijk nadelige milieugevolgen.
Voor een aantal aspecten - met name water, geluid, trilling en natuur - zijn (mitigerende en compenserende) maatregelen nodig om belangrijke nadelige milieugevolgen te voorkomen dan wel dient één en ander te worden geborgd in de regels bij het bestemmingsplan. Bij de borging van mitigerende en compenserende maatregelen in het bestemmingsplan leidt de ontwikkeling van Dorst-Oost niet tot belangrijke nadelige milieueffecten en is er geen noodzaak tot het uitvoeren van een m.e.r.-procedure. Conclusie Het college heeft besloten om geen milieu-effectrapport op te laten stellen, omdat de beoordeling van de aanmeldingsnotitie daar geen aanleiding voor geeft.
4.3
Water Watertoets Onderdeel van het rijksbeleid is de watertoets. De watertoets is per 1 november 2003
blad 68 van 139
Ruimte - Antea Nederland B.V.
ontwerp bestemmingsplan Dorst, herziening 3 (Dorst Oost) Gemeente Oosterhout Projectnummer 0455905
wettelijk verplicht en vastgelegd. De watertoets dient te worden toegepast op nieuwe ruimtelijke plannen, zoals bestemmingsplannen, structuurplannen en ook ruimtelijke onderbouwingen. Als een gemeente een ruimtelijk plan wil opstellen, stelt zij de waterbeheerder vroegtijdig op de hoogte van dit voornemen. De waterbeheerders stellen dan een zogenaamd wateradvies op. Het ruimtelijk plan geeft in de waterparagraaf aan hoe is omgegaan met dit wateradvies. In het kader van waterparagraaf is diverse keren overleg gevoerd tussen de gemeente Oosterhout, Waterschap Brabantse Delta, de Omgevingsdienst Zuidoost Brabant en Ruimte voor Ruimte. In deze gesprekken zijn de randvoorwaarden en aandachtspunten voor het aspect water besproken. De randvoorwaarden zijn vervolgens vervat in de 'Toelichting op de watertoets' (Bijlage 18). Hierna is een samenvatting opgenomen van de waterparagraaf. Huidige situatie Het plangebied varieert in maaiveldhoogte van NAP + 6,6 m tot + 8,7 m. De spoorlijn ten noorden van het plangebied ligt aan de oostzijde op NAP +9,4 m en loopt vervolgens naar het westen af tot NAP +8,3 m. In het midden van het perceel ligt een laagte dat ca. 1,7 tot 2,1 meter (NAP +6,6 m) lager dan de langs gelegen percelen. De bodem in het plangebied bestaat voor de eerste 2 meter onder maaiveld uit een zandige eenheid uit de Formatie van Boxtel.
Na deze zandlaag volgt een zandlaag uit de Formatie van Sterksel ca. NAP + 6,0 tot -10,0 m. Deze laag wordt onderbroken door een dunne kleiige eenheid van ca. 1 meter dik, uit dezelfde Formatie op circa NAP +1 m. Ter hoogte van NAP -10,0 m is er een kleiige eenheid aanwezig uit de Formatie van Waalre. Deze is 2 meter dik en wordt vervolgens weer afgewisseld door een zandige eenheid uit de Formatie van Peize en Waalre. In de omgeving van het plangebied zijn twee peilbuizen aanwezig in het DINOloket met een maatgevende grondwaterstand. Peilbuis B44D0670, ten noorden van het plangebied, is waargenomen in de periode 02-07-2011 tot 02-07-2019. Het maaiveld ter hoogte van de peilbuis ligt op NAP +7,36 meter en de filterstelling loopt van NAP +3,25 m tot +2,25 m en monitort de freatische grondwaterstand. De GHG in deze peilbuis is NAP +5,5 m, ofwel 1,85 m –mv. De waargenomen GLG in deze peilbuis is NAP +4,8, ofwel 2,5 m –mv. Peilbuis B50B0490, ten zuiden van het plangebied langs de Rijksweg N282, is waargenomen in de periode tussen 28-07-1988 en 29-08-1996. Het maaiveld ter hoogte van deze peilbuis ligt op NAP +7,24 en de filterstelling is geplaatst van NAP +3,2 m tot +2,2 m. De waargenomen GHG is NAP +5,8 m en 1,4 m –mv. De GLG waargenomen met deze peilbuis is NAP +4,9 m, ofwel 2,3 m –mv.
Het plangebied is gelegen in een grondwaterbeschermingsgebied vastgesteld in de Interim Omgevingsverordening van de provincie Brabant. In de huidige situatie is geen oppervlaktewater aanwezig in het plangebied en in de omgeving van het plangebied. Tevens zijn er ook geen regionale of primaire waterkeringen in (de omgeving van) het plangebied aanwezig. In de huidige situatie is er geen sprake van riolering op de planlocatie. Wel is het bebouwd gebied van Dorst voorzien van een gemengd rioolstelsel (huishoudelijk afvalwater en deels hemelwater). Dit systeem watert onder groot verhang af van oost naar west. In de huidige situatie treedt bij hevige regenval wateroverlast op, met water op straat in het westen van Dorst tot gevolg.
blad 69 van 139
Ruimte - Antea Nederland B.V.
ontwerp bestemmingsplan Dorst, herziening 3 (Dorst Oost) Gemeente Oosterhout Projectnummer 0455905
Wetgeving, beleid en randvoorwaarden waterbeheerders Er hebben diverse gesprekken plaatsgevonden tussen de gemeente Oosterhout, Waterschap Brabantse Delta, de Omgevingsdienst Zuidoost Brabant en de initiatiefnemer (i.s.m. Antea Group). In de gesprekken zijn de randvoorwaarden en aandachtspunten voor het aspect water besproken. Voor de uitgebreide beschrijving van deze randvoorwaarden en uitgangspunten wordt verwezen naar Bijlage 18. Toekomstige situatie In deze waterparagraaf zijn de gestelde eisen en randvoorwaarden die gelden voor de ontwikkeling opgenomen. Voor de ontwikkeling wordt een waterhuishoudkundig plan opgesteld in het kader van de Omgevingsvergunning. Hierin zijn de inrichting en werking van het watersysteem en rioleringssysteem nader uitgewerkt. Met dat plan wordt geborgd dat er voldoende berging binnen de ontwikkeling gerealiseerd wordt, dat de verharding gelijkmatig verdeeld wordt over de wadi's en er geen overlast bij laagtes ontstaat. Ook wordt in het waterhuishoudkundig plan aangetoond dat er geen afwenteling plaatsvindt op de omgeving en geen overlast ontstaat en dat het plan voldoet aan de eisen vanuit de IOV. De IOV werkt met (start)meldingen. Grondwater Door de lage grondwaterstanden en de goede waterdoorlatende condities van de zandbodem worden geen negatieve effecten voor de grondwaterstanden verwacht.
Tevens zijn de waargenomen GHG’s in de omgeving van het plangebied laag genoeg om de gewenste ontwateringsdieptes voor de toekomstige gebruiksfuncties te waarborgen. Het plangebied is gelegen in een grondwaterbeschermingsgebied aangewezen door de provincie Noord-Brabant in de Interim Omgevingsverordening. Afvoer van hemelwater middels infiltratie in de bodem kan daardoor alleen plaatsvinden wanneer gebruik wordt gemaakt van maatregelen die verontreinigingen van de het grondwater voorkomen. Er moet toestemming van de provincie zijn, als de voorzieningen in het openbare gebied worden aangelegd, waar het beheer bij de gemeente komt. Wanneer geen uitlogende materialen worden toegepast, hoeven geen zuiverende voorzieningen worden toegepast. Wel geldt dan dat er sprake moet zijn van gecontroleerd infiltreren met en voldoende zuiverende werking. Of water laten afstromen via een niet-infiltrerende werking. Met een bepaalde bodemsamenstelling wordt vaak al voldaan aan de benodigde zuiverende werking. Daarnaast is ten alle tijden de zorgplicht van toepassing, ook tijdens de bouwwerkzaamheden. In de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant zijn in artikel 2.7 de volgende activiteiten, relevant voor de voorgenomen ontwikkeling, verboden: a. b. c. d. e. f. g.
blad 70 van 139
een locatiegebonden milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 2.9; het bedrijfsmatig gebruik of aanwezig hebben van voor het grondwater schadelijke stoffen; de toepassing van IBC-bouwstoffen; de aanleg van een buisleiding; opslag van dierlijke mest zonder bodembeschermende maatregelen; een begraafplaats of uitstrooiveld als bedoeld in de Wet op de lijkbezorging of een dierenbegraafplaats of uitstrooiveld voor dierlijke as; activiteiten waarvan de werking berust op het direct of indirect onttrekken of toevoegen van warmte aan het grondwater, waaronder bodemenergiesystemen.